CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311788 Bijlage Staat van de Stad 2022

Commissie Bestuur 29 juni 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Programmarekening 2022, voorstel van het college inzake Resultaatbestemming 2022 gemeente Den Haag en raadsmededeling Voorjaarsnota 2023 en 4-maandrapportage27.691 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Jeugd, zorg en welzijn

69

veel projecten gedeeltelijk digitaal uitgevoerd. In totaal zijn met tien projecten in totaal ruim 1400 jeugdigen en ouders ondersteund. Hierbij waren ongeveer 700 vrijwilligers betrokken. Dit is een toename ten opzichte van 2020 (500 vrijwilligers). Wel liepen in 2021 de aanmeldingen van vrijwilligers bij diverse projecten terug ten opzichte van 2020, toen er een zeer grote toestroom van vrijwilligers was. In 2021 viel bij meerdere projecten op dat de aanmeldingen van deelnemers sterk samenhangen met de coronamaatregelen. Tijdens de lockdowns waren er over het algemeen minder aanmeldingen, waarbij na de lockdown een inhaalslag volgde.

Overige activiteiten Binnen de sociale basis zijn er nog andere activiteiten in de stad voor ouders en jeugdigen welke een steuntje in de rug kunnen gebruiken. Doel van deze activiteiten is dat ouders zelf weer verder kunnen, en het niet nodig is dat jeugdigen met lichte problematiek doorstromen naar de jeugdhulp. Preventieve activiteiten Voorziening

2018

2019

2020

2021

Toelichting

Integrale vroeghulp

Instroom 192 Uitstroom 92

Instroom 186 Uitstroom 162

Instroom 205 Uitstroom 195

Instroom 255 Uitstroom 210

Integrale Vroeghulp Den Haag (IVH) is er voor kinderen van 0-7 jaar met meervoudige ontwikkelingsvragen. In het IVH-team werken verschillende jeugdhulpaanbieders en een jgz-arts samen. Stichting MEE Zuid Holland Noord coördineert het IVH-team en de casemanagers van MEE begeleiden de gezinnen vanaf de intake tot aan de start van het vervolgtraject

KOPP/KOV

30 gezinnen basiszorg, 20 gezinnen nazorg

30 gezinnen basiszorg, 16 gezinnen nazorg

41 gezinnen basiszorg, 16 gezinnen nazorg

40 gezinnen basiszorg 19 gezinnen nazorg

KOPP/KOV staat voor Kinderen van Ouders met Psychische Problemen (KOPP) en Kinderen van Ouders met een Verslaving (KOV). Met deze interventie worden ouders met psychiatrische of verslavingsproblemen door middel van zorgcoördinatie onder­ steund bij de opvoeding van hun kinderen.

Weerbaarheid/ sociale vaardigheid

673 ouders en jeugdigen

479* ouders en jeugdigen

623 ouders en jeugdigen

553 ouders en jeugdigen

Groepstrainingen voor kinderen die opgroeien in een kwetsbare situatie en/of met beginnende psychische klachten. *Tot 2020 werden bij de weerbaarheidstrainingen ouder en kind als één deelnemer geteld, vanaf 2020 zijn ze apart geteld. Het bereik in 2020 en 2019 is vergelijkbaar.

Scheidingen

608 contacten 677 ouders en totaal 5 kinderen

1013 ouders en 7 kinderen

1445 ouders en 1 kind

Het kenniscentrum Kind en Scheiding geeft advies, begeleiding en ondersteuning voor betrokkenen van een echtscheiding. Ook biedt het kenniscentrum diverse trainingen aan voor ouders en kinderen. De stijging komt doordat het Kenniscentrum steeds bekender is geworden. (Het Kenniscentrum bestaat in 2022 5 jaar.) Daarnaast is het zo dat de aanmeldingen voor het uniform hulpaanbod ook via het kenniscentrum gaan. Veel ouders die bij de rechter zijn geweest nemen contact op met het Kenniscentrum.

Prenataal huisbezoek

143

115

69

114

Huisbezoek door de jeugdverpleegkundige voorafgaand aan de bevalling, na vroegsignalering mogelijke problemen door verloskundigen. Het prenataal huisbezoek is een eenmalig gespreksmoment, daarna kan mogelijk verdere ondersteuning worden ingezet via andere interventies

Stevig Ouderschap

689 ouders

751 ouders

659 ouders

657 ouders

Stevig ouderschap is een bewezen effectieve interventie voor ouders met kinderen tot twee jaar oud die extra steun nodig hebben bij het (aanstaande) ouderschap. Hiermee wordt het zelfvertrouwen en de zelfredzaamheid van ouders vergroot. In zes tot tien huisbezoeken kijkt de jeugdverpleegkundige met kwetsbare ouders mee en adviseert hen bij en ondersteunt hen in de opvoeding van het kind

Figuur 4.2: preventieve activiteiten, 2018-2021 Bron: Jaarverslagen van Stichting MEE, Kenniscentrum Kind en Scheiding, Indigo/Youz, KD+ JGZ Den Haag * Tot 2020 werden bij de weerbaarheidstrainingen ouder en kind als één deelnemer geteld, vanaf 2020 zijn ze apart geteld. Het bereik in 2020 en 2019 is vergelijkbaar.

70

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

4.1.2 Centrum Jeugd & Gezin (CJG) Het CJG is er voor alle vragen over opvoeden en opgroeien voor alle jeugdigen en ouders. Het CJG werkt laagdrempelig (wijkgericht), is primair gericht op preventie en waar nodig wordt hulp en zorg ingezet, liefst licht en kortdurend, gericht op zelf – en samenredzaamheid. Het Centrum Jeugd & Gezin (CJG) verzorgt de jeugdgezondheidszorg (JGZ) en de vrij toegankelijke eerstelijns jeugdhulp in de gemeente Den Haag. Daarnaast biedt het CJG extra ondersteuning op het gebied van opvoeden en opgroeien. In elk stadsdeel is er een locatie van het CJG. Jaarlijks wordt in het Inwonersonderzoek Den Haag aan (een steekproef) van Hagenaars gevraagd naar de bekendheid van het CJG. In de tabel zijn de percentages weergegeven van Haagse inwoners die hebben aangegeven hiermee bekend te zijn. De afgelopen vijf jaar is het percentage gestegen van 74% in 2016 naar 79% in 2021.

Bekendheid Centrum voor Jeugd en Gezin, % Hagenaars % 2016

74%

2017

82%

2018

69%

2019

81%

2020

80%

2021

79%

Figuur 4.3: bekendheid Centrum voor Jeugd en Gezin, percentage Hagenaars, 2016-2021 Bron: Inwonersonderzoek Den Haag

Jeugd, zorg en welzijn

71

Spreiding CJG's over de stad

Figuur 4.4: spreiding CJG's over de stad Bron: Ouderenmonitor Den Haag 2020

Jeugdgezondheidszorg De JGZ volgt de groei en ontwikkeling van alle kinderen in Den Haag. Soms zelfs al voor de geboorte, middels prenatale huisbezoeken en de maternale kinkhoestvaccinatie. Kinderen worden vanaf hun geboorte t/m 18 jaar op een aantal voorgeschreven momenten uitgenodigd voor een consult. Dit noemen we ijkmomenten. Daarnaast streeft de JGZ ernaar om extra zorg te bieden aan degenen die dit het hardst nodig hebben. Zoals kinderen die opgroeien in kwets­ bare situaties of welke afwijken in hun ontwikkeling. Zij krijgen extra consulten. Vanwege corona en personeelstekort heeft de JGZ de dienstverlening een aantal keer moeten aanpassen, waarbij de focus lag op het zien van de 0-4-jarigen en het vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma. De rest is nagenoeg doorgegaan maar in een andere vorm, zoals een korter contactmoment of via digitale vragenlijsten. In tabel 4.2 staat weergegeven welk percentage van de Haagse jeugdigen daadwerkelijk bereikt is.

72

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Percentage bereikte kinderen door de Jeugdgezondheidszorg 2017

2018

2019

2020

2021

0-1 jarigen

99,2%

98,5%

100,8%*

106,1%*

104,6%

2-5 jarigen

87,2%

96,2%

95,5%

30,3%

47,1%

6-10 jarigen

88,4%

84,4%

83,6%

31,1%

54,5%

kinderen in het voortgezet onderwijs

73,4%

87,2%

87,6%

80,0%

66,1%

Figuur 4.5: percentage bereikte kinderen door de Jeugdgezondheidszorg, 2017-2021 Bron: Digitaal kinddossier KD+, JGZ Den Haag * Een percentage boven de 100% kan verklaard worden doordat gedurende het jaar er meer kinderen bereikt zijn bij de JGZ dan er op de peildatum geregistreerd stonden als inwoner van Den Haag, omdat zij bijvoorbeeld gedurende het jaar zijn verhuisd naar een andere gemeente.

Rijksvaccinatieprogramma In Nederland krijgen alle kinderen en jongeren tot 18 jaar de mogelijkheid om gevaccineerd te worden via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Het RVP biedt bescherming tegen twaalf infectieziekten. De jeugdgezondheidszorg voert het RVP uit. De vaccinatiegraad is in Den Haag lager dan het landelijk gemiddelde, dit geldt voor alle afzonderlijke vaccinaties die in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) worden gegeven. De vaccinatiegraad in Den Haag is in verslagjaar 2021 bij de zuigelingen gestegen (DKTP1 & BMR2), bij de kleuters en schoolkin­ deren licht gedaald (DKTP, DTP & BMR), bij adolescente meisjes flink gestegen (HPV) en onder adolescenten (MenACWY ) gelijk gebleven in vergelijking met vorig jaar. Wat opvalt is de dalende vaccinatiegraad naarmate de leeftijd van het cohort stijgt; onder de zuigelingen is de vaccinatiegraad het hoogst, bij de adolescenten is de vaccinatiegraad het laagst.

Vaccinatiegraad Den Haag en landelijk. % van de doelgroep Den Haag

Landelijk

2018

2019

2020

2018

2019

2020

2 jarigen Volledig

87,9%

88,7%

89,5%

90,2%

90,8%

91,3%

Zuigelingen DKTP

91,0%

91,1%

92,3%

92,4%

92,6%

93,1%

Zuigelingen BMR

91,9%

92,8%

92,9%

92,9%

93,6%

93,6%

Kleuters DKTP

90,5%

90,0%

89,1%

92,5%

92,2%

92,0%

Schoolkind DTP

87,1%

87,1%

86,3%

89,5%

89,7%

88,9%

Schoolkind BMR

88%

87,8%

87,5%

89,5%

89,7%

89,0%

42,1%

42,8%

56,5%

45,5%

53,0%

63,1%

MenACWY adolescenten (2001 - 2005)

x

76,7%

76,7%

x

86,0%

86,5%

MATK

x

x

56,9%

x

x

69,7%

Meisjes HPV

Figuur 4.6: vaccinatiegraad Den Haag en landelijk. % van de doelgroep 2018 tot 2020 Bron: RIVM, 2021

Jeugd, zorg en welzijn

73

Over de breedte is er in Den Haag dus een lichte stijging in vaccinatiegraad zichtbaar. ­Opvallend is de achterblijvende vaccinatiegraad in wijken met achterstand en bevolkings­ groepen met een migratieachtergrond. In deze wijken en groepen is de stijging van de vaccinatiegraad relatief laag, de grootste stijging is te zien in wijken en groepen die het al relatief goed deden qua vaccinatiegraad. Eenzelfde patroon, waarin de stijging in vaccinatie­ graad vooral wordt gedreven door de wijken/groepen die het al relatief goed deden, is in alle G4 steden zichtbaar. Het Rijksvaccinatieprogramma is doorgegaan in uitvoering tijdens de coronacrisis. Het is nog niet mogelijk om conclusies te trekken over de invloed van COVID-19 op de vaccinatiegraad. De kinderen welke betrekking hebben op deze cijfers zijn namelijk bijna allemaal gevaccineerd in 2018 en 2019: vóór de uitbraak van COVID-19 in maart 2020. Het gaat om cohorten die in 2018 of 2019 zijn uitgenodigd voor een bepaalde vaccinatie en waarvan de vaccinatiestatus op een specifieke leeftijd in het jaar 2020 is vastgesteld. De cijfers over 2021 worden in 2022 bekend gemaakt door het RIVM.

Perinatale gezondheid Sterfte rondom de geboorte (perinatale sterfte) wordt wereldwijd beschouwd als een belangrijke indicator van de gezondheid van zwangere vrouwen en hun baby’s, en van de kwaliteit van de zorgverlening tijdens de zwangerschap en bevalling. Prematuriteit ­(zwangerschapsduur <37 weken) en een te laag geboortegewicht voor de zwangerschapsduur (samen perinatale morbiditeit genoemd) zijn belangrijke voorspellers van perinatale sterfte en worden daarom vaak samen gerapporteerd met perinatale sterfte. De laatste jaren is er veel aandacht voor dit thema, omdat steeds meer blijkt dat de eerste duizend dagen (vanaf voor de zwangerschap tot tweede verjaardag) cruciaal zijn voor een goede start van een kind. De gezondheid van een kind voor, tijdens en na de geboorte is namelijk een belangrijke voorspeller van zowel fysieke als mentale gezondheid op latere leeftijd. In Den Haag is de perinatale sterfte en perinatale morbiditeit lager in de periode 2014 – 2018 dan in de periode 2009 – 2013, voor zowel een zwangerschapsduur van 22 als 24 weken; Den Haag volgt hiermee de nationale trend. Den Haag heeft een hogere perinatale sterfte en – morbiditeit dan landelijk, maar het verschil met het landelijk gemiddelde wordt kleiner; Den Haag scoort nooit het slechtste van de G4 steden.

Ook de foetale en vroeg-neonatale sterfte is in Den Haag afgenomen in de periode 2014 – 2018 in vergelijking met de peri­ ode 2009 – 2013.Voor de verschillende etnische afkomstgroepen is de gemiddelde perinatale sterfte lager in 2014 – 2018 dan in de periode 2009 – 2013. Hoewel de perinatale morbiditeit gemiddeld is afgenomen in de tijd, laten de vrouwen van Hindoestaanse afkomst en van Creoolse afkomst nog steeds een verhoogde perinatale morbiditeit zien in vergelijking met de andere groepen. In de stadsdelen wordt voor zowel de perinatale sterfte als – morbiditeit gemiddeld een afname gezien in de tijd, hoewel voor enkele stadsdelen een kleine stijging zichtbaar is. Er wordt een algemene afname in perinatale sterfte en – morbiditeit in de tijd gezien voor zowel de groep hoge, overgang en lage SES-wijken. Binnen de groep lage SES wijken wordt in stadsdeel Centrum en in stadsdeel Laak echter een kleine stijging gezien.

74

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Perinatale gezondheid: geboorte en sterfte 2009-2013

2014-2018

6.461

6.209

40

32,2

Foetale sterfte (1.000 geboortes)

6,19

5,19

Aantal levendgeborenen (jaar)

6.421

6.177

Aantal gevallen van vroeg-neonatale sterfte (jaar)

13,2

8,8

Vroeg-neonatale sterfte (1.000 levendgeborenen)

2,06

1,37

Perinatale sterfte (1.000 geboortes)

8,23

6,6

Aantal geboortes (jaar) Aantal gevallen van foetale sterfte (jaar)

Figuur 4.7: perinatale gezondheid: geboorte en sterfte, 2009-2013 en 2014-2018 Bron: GGD Haaglanden, 2020 * Een percentage boven de 100% kan verklaard worden doordat gedurende het jaar er meer kinderen bereikt zijn bij de JGZ dan er op de peildatum geregistreerd stonden als inwoner van Den Haag, omdat zij bijvoor­ beeld gedurende het jaar zijn verhuisd naar een andere gemeente.

De cijfers rond perinatale gezondheid worden eens in de vier jaar gemeten omdat daarmee het cijfer meer zegt. Als er slechts naar 1 jaar wordt gekeken gaat het om relatief kleine ­aantallen en percentages. In Den Haag kiezen we ervoor om de grens van 22 weken zwanger­ schap aan te houden omdat dit de grens is die door de WHO (World Health Organization) wordt aangehouden. Daarnaast gaan we in Den Haag uit van zwangerschappen van een­ lingen, omdat meerlingen altijd een verhoogd risico hebben op perinatale morbiditeit en sterfte.

Opvoedsteunpunt In elk CJG is een opvoedsteunpunt aanwezig. Ouders kunnen hier terecht voor laagdrempelige steun en advies bij enkelvoudige opvoedvragen. Het opvoedsteunpunt biedt individuele ondersteuning (één-op-eén-gesprekken tussen ouder en pedagogisch adviseur) en groeps­ ondersteuning (meerdere ouders komen bijeen en één bepaald thema wordt onder de loep genomen). De groepsondersteuning in 2020 en 2021 kent een forse daling. Oorzaak hiervan zijn de coronamaatregelen waardoor er geen tot zeer weinig bijeenkomsten voor groepen georganiseerd mochten worden. In 2021 is daar middels digitale bijeenkomsten een andere invulling aan gegeven. Ervaringen zijn wel dat deze soort bijeenkomsten extra meerwaarde hebben wanneer ouders elkaar fysiek kunnen spreken en zien. Vanuit elk CJG werken mede­ werkers wijkcontacten – en netwerken als spil in het preventieve netwerk in de wijken. Zij vergroten onder andere de bekendheid van het preventieve aanbod.

Bereik opvoedsteunpunten in aantallen ouders 2017

2018

2019

2020

2021

Aantal ouders/gezinnen bereikt via individuele ondersteuning

1.046

1.096

1.227

1.128

1.253

Aantal ouders/gezinnen bereikt via groepsondersteuning

1.578

1.794

2.000

188

750

Figuur 4.8: bereik opvoedsteunpunten in aantallen ouders: 2017 - 2021 Bron: jaarverslagen Zebra Welzijn en Welzijn Scheveningen

Jeugd, zorg en welzijn

75

Jeugdteams De jeugdteams vallen onder het CJG en bieden vrij toegankelijke eerstelijns jeugdhulp. De jeugdteams zijn samengesteld uit professionals met diverse expertises. Als een jeugdige meer, andere of zwaardere hulp nodig heeft dan het jeugdteam kan bieden wordt hij of zij doorverwezen naar de specialistische jeugdhulp. Het aantal unieke cliënten dat in 2020 hulp ontving van de jeugdteams is ten opzichte van 2019 gedaald. (6266 tegen 6603). De reden hiervoor is dat er steeds kritischer gekeken wordt of het jeugdteam de aangewezen plek is voor ondersteuning of dat bijvoorbeeld de voorzieningen in het voorliggend veld beter passend zijn. Ook wordt er meer preventief gewerkt waardoor aanmelding bij het CJG niet meer nodig is.

4.1.3 Specialistische jeugdhulp Indien vanuit het voorliggende veld (sociale basis, preventie) geen of maar deels mogelijk­ heden zijn om te voorzien in de hulp- of ondersteuningsvraag van de jeugdige en/of het gezin, is specialistische jeugdhulp beschikbaar. Hiervoor is een verwijzing nodig van een wettelijke verwijzer. Dit zijn (huis)artsen, Gecertificeerde instellingen en de lokale toegang (jeugdteams). Het aantal jeugdigen dat specialistische jeugdhulp ontving in 2020 was in totaal 12.9554 (circa 12% van het totaal aantal jeugdigen in Den Haag). Dit aantal is vergelijkbaar met het jaar ervoor (13.022 jeugdigen). Kreeg landelijk twintig jaar geleden ongeveer 1 op de 27 j­ ongeren jeugdhulp, nu is dat 1 op de 8.5 De groei zwakt wel enigszins af, maar het zorggebruik is nog steeds hoog. Het Jeugdhulpgebruik in Den Haag ligt onder het l­ andelijke gemiddelde.

Aantal jeugdigen in jeugdhulptraject* 2015

2016

2017

2018

2019

2020

0-17

10.016

10.912

11.463

11.977

12.591

12.585

18-22

939

759

723

651

579

491

23+

9

5

24

24

6

3

142

129

101

47

11

7

10.705

11.479

12.013

12.447

13.022

12.955

Onbekend Totaal Figuur 4.9: aantal jeugdigen in jeugdhulptraject 2015-2020 Bron: initi8, dd. Januari 2022

* In de kolommen wordt onderscheid gemaakt in leeftijdsgroepen. De meeste cliënten vallen maar in één leeftijdsgroep, maar er zijn ook cliënten die gedurende het jaar wisselen van groep en deze worden dan in beide groepen een keer meegeteld. In totalen wordt daar rekening mee gehouden en worden deze cliënten niet dubbel geteld. De afzonderlijke kolommen tellen om deze reden niet precies op tot het totaal.

76

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

In 2020 zijn in totaal 25.580 diverse jeugdhulptrajecten ingezet, waarbij een lichte daling zichtbaar is ten opzichte van 2019 (25.677). Het aantal jeugdigen dat verlengde jeugdhulp ontving (hulp aan jeugdigen tussen de 18 en 23 jaar) in 2020 is licht afgenomen ten opzichte van 2019 (1,7% van het totaal aantal jeugdigen in Den Haag in 2019 en 1,4% in 2020). Een mogelijke verklaring hiervoor is de steeds betere aansluiting op aanpalende voorzieningen waar deze doelgroep gebruik van kan maken, zoals de Wmo, zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg. De grootste groep die in 2020 specialistische jeugdhulp ontving, was de groep 4-12-jarigen (50%), gevolgd door de groep 12-18-jarigen (37%). Door de jaren heen daalt de gemiddelde leeftijd van jongeren die specialistische jeugdhulp ontvangen. Dit komt met name door een daling van het aantal jongeren dat gebruik maakt van jeugdhulp in de groep 18-23-jarigen. De groep 4-12-jarigen is nog steeds het grootst. Er is de afgelopen jaren een stijgende trend als het gaat om de inzet van ambulante vormen van jeugdhulp. De stijgende trend geldt met name voor jongeren met een (licht) verstandelijke beperking en de jeugd-GGZ. Tegelijkertijd is een lichte daling van residentiële jeugdhulp waarneembaar. Een stijging van ambulante jeugdhulp is positief als deze verklaard wordt door een daling van het aantal verblijfsvoorzieningen.

Dit zou betekenen dat meer jeugdigen in hun eigen (woon)omgeving hulp hebben ontvangen. Nader onderzoek is nodig om harde conclusies te trekken. Binnen de jeugdhulp met verblijf zien we tevens dat het aantal kinderen in gezins­huizen en pleeggezinnen in de afgelopen jaren vrijwel stabiel is gebleven, in vergelijking met de andere vormen van verblijf. De gemiddelde duur van specialistische jeugdhulptrajecten neemt toe. Dit is een landelijke trend. De problematiek wordt zwaarder, waardoor een gemiddeld gespecialiseerd jeugdhulp­ traject doorgaans langer duurt en de intensiteit van de ingezette jeugdhulp toeneemt. Dit komt o.a. doordat de problematiek van jeugdigen zich op steeds meer verschillende gebieden plaatsvindt5. Te denken valt aan gameverslaving, sociale druk, social media-gebruik en (complexe) scheidingen. Het open karakter en de reikwijdte van de jeugdwet speelt hierbij ook een rol.

4.1.4 Jeugdhulp Plus & Jeugdbescherming Ten aanzien van Jeugdhulp Plus (gesloten jeugdhulp) is een dalende trend waarneembaar sinds 2020. In 2021 zijn circa 25 jongeren in een jeugdzorg Plus voorziening geplaatst, in 2018 waren dit er nog circa 38 (bron initi8). Landelijk en in de regio Haaglanden is dezelfde trend waarneembaar. Aan de Jeugdbeschermingstafel wordt besproken of een onderzoek van de Raad van de Kinderbescherming wel of niet noodzakelijk is. Het gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel (JBT) vindt plaats samen met ouders en kind(eren) boven de 12 jaar en een professional. De gemeente Den Haag zit deze gesprekken voor. De kinderrechter kan een maatregel voor kinderbescherming (kinderbeschermingsmaatregel) opleggen aan gezinnen met ernstige problemen. Het gezin krijgt dan verplicht hulp bij de opvoeding van de kinderen en/of verliest het gezag over de kinderen. Het aantal verzoeken aan de JBT is de laatste jaren vrij constant (rond de 170), maar het percentage dat leidt tot een raadsonderzoek is sterk gestegen van 49% in 2019 naar 72% in 2021. Dit gaat ten koste van het percentage dat in aanmerking komt voor vrijwillig kader of voor een uitgesteld raadsonderzoek. Het lijkt erop dat in 2020 en 2021 de problematiek van de verzoeken aan de JBT zwaarder is geworden.

Jeugd, zorg en welzijn

77

De kinderrechter kan een maatregel voor kinderbescherming opleggen aan gezinnen met ernstige problemen. Het gezin krijgt dan verplicht hulp bij de opvoeding van de kinderen en/of verliest het gezag over de kinderen. Jeugdreclassering is begeleiding voor jongeren die een proces-verbaal hebben gehad van de politie of leerplichtambtenaar. Zij krijgen een persoonlijk begeleidingsplan. Alleen kinderrechters, het openbaar ministerie, de Raad voor de ­Kinderbescherming en de justitiële jeugdinrichtingen kunnen jeugdreclassering opleggen. Er is over de jaren heen een dalende trend te zien in het aantal unieke cliënten bij de ­Gecertificeerde Instellingen (dat zijn kinderen met een jeugdreclasserings- en jeugdbescher­ mingsmaatregel). Dit kan duiden op het benutten van meer mogelijkheden tot vrijwillige jeugdhulp in het lokale veld en is ook het resultaat van het streven om de gemiddelde duur van de ondertoezichtstellingen terug te brengen. Ook in 2021 is weer een duidelijke daling in het aantal jongeren te zien bij de Gecertificeerde instellingen.

Jeugdhulp en Corona Ten aanzien van jeugdhulp gedurende de coronacrisis kunnen we concluderen dat het over het algemeen goed gaat met de continuïteit van de ondersteuning en hulp. Er zijn geen gaten gevallen in de jeugdhulp. Het CBS constateert op landelijk niveau een lichte afname ten aanzien van de instroom (aantal jeugdigen dat specialistische jeugdhulp ontvangt) en schrijft deze afname mogelijk deels toe aan de coronacrisis- en maatregelen. Echter, nader onderzoek en tijd is nodig om dit te kunnen verklaren. Wat wel merkbaar is, is het effect op de geestelijke gezondheid van de jeugdigen. Met name begin 2021 was er een piek van acute crisiszorg binnen de J-GGZ. De regionale crisisdienst (CIT) en de grootste JGGZ-hulpaanbieders hebben eind 2020 en begin 2021 een duidelijke toename gezien van crisissituaties in de JGGZ t.o.v. het jaar 2020. Ter illustratie: In het eerste kwartaal van 2021 lagen er 100 verzoeken. In het eerste kwartaal van 2020 waren dit er 42. De aanbieders zijn deze periode doorgekomen zonder dat jeugdigen hulp ontzegd moest worden, maar ze ervaren nog steeds een verhoogde vraag naar JGGZ in vergelijking met de situatie van voor 2020 (pre corona). Het aantal crisissituaties is inmiddels gedaald, maar is nog niet op hetzelfde niveau als voor de coronacrisis

78

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Jeugdhulp in cijfers

2018

2019

2020

7.256

6.602

6.266

aantal jeugdhulptrajecten

25.572

25.572

23.452

aantal personen

12.383

12.990

12.904

aantal jongeren jeugdhulp +

113

118

83

Gemiddelde doorlooptijd afgesloten trajecten (aantal jongeren)

195

232

250

Aantal jeugdigen met PGB

421

497

482

€ 4.5 mln.

€ 4.8 mln.

€ 5 mln.

• Crisis interventie team

2%

2%

2%

• Gecertificeerde instelling (JB/JR)

10%

10%

9%

• Ambulante jeugdhulp

78%

78%

80%

• Residentiele jeugdhulp

8%

8%

8%

• Topspecialistisch (bovenregionaal, landelijk)

1%

1%

1%

• Onbekend

1%

0%

0

220

167

178

• vrijwillig kader

28

23

17

• uitgesteld raadsonderzoek

42

53

51

• raadsonderzoek

146

82

108

4

9

2

Jeugdbescherming: aantal cliënten

2.179

2.086

1.847

Jeugdreclassering: aantal cliënten

441

389

370

Jeugdhulp uit de jeugdteams: aantal unieke cliënten

Gespecialiseerde jeugdhulp:

PGB besteed aan inkoop zorg

Soorten trajecten gespecialiseerde jeugdhulp

Jeugdbeschermingstafel: soort besluiten totaal

• overig

Gedwongen jeugdhulp:

Figuur 4.10: jeugdhulp in cijfers, 2018 -2020 Bron: Dienst OCW, Jaarrapportage Jeugd en WMO & Initi8

Jeugd, zorg en welzijn

79

4.2 Zorg en Welzijn Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft de gemeente de opdracht om sociale samenhang, mantelzorg en vrijwilligerswerk, toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, en veiligheid en leefbaarheid in de gemeente te bevorderen. Ook zet de gemeente in op de opvang van dak- en thuislozen en het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld.

4.2.1 Sociale basis Samenlevingsopbouw Inwoners die willen bijdragen aan de leefbaarheid in hun wijk of stad met een bewonersinitia­ tief (zie ook hoofdstuk III, paragraaf 5) kunnen hierbij ondersteuning krijgen vanuit het professioneel welzijnswerk. Deze opbouwwerkers leggen onderlinge verbinding tussen bewoners en vergroten de sociale cohesie (zie hoofdstuk III, paragraaf 7) en het vermogen tot zelforganisatie van bewoners.

Samenlevingsopbouw in Den Haag 2020 Bereik inwoners van Haagse opbouwwerkers

Ca. 24.000

Aantal ondersteunde bewonersinitiatieven door opbouwwerk

Ca. 12.000

Aantal deelnames activiteiten ondersteund door opbouwwerk

Ca. 800

Figuur 4.11: samenlevingsopbouw in Den Haag, 2020 Bron: Beleidsplan Professioneel welzijnswerk 2021-2024 “versterken en verbinden”

Buurt en clubhuizen Bewoners die activiteiten willen organiseren kunnen hiervoor onder andere terecht bij de 47 welzijnslocaties in Den Haag. Daarmee vormen de welzijnslocaties een belangrijke randvoorwaarde voor het mogelijk maken van ontmoeting en verbinding. In 2019 bezocht één op de zes inwoners wel eens een buurthuis in Den Haag (13%). Dit is iets minder dan de voorgaande jaren.

80

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Percentage respondenten dat buurthuis bezoekt

Aantal respondenten dat buurthuis bezoekt

2016

2017

2018

2019

15%

15%

16%

13%

Figuur 4.12 Percentage respondenten dat buurthuis bezoekt 2016-2019 Bron: Inwonersonderzoek Den Haag – Buurthuizen, 2016-2019

Langer zelfstandig wonen In de tabel is een aantal voorzieningen voor senioren weergegeven die kunnen bijdragen aan het langer zelfstandig wonen van senioren. In het algemeen is in de afgelopen tien jaar het aantal voorzieningen en het gebruik van deze voorzieningen toegenomen. Door de Corona­ maatregelen in 2020 zijn sommige voorzieningen gesloten geweest waardoor er minder deelnemers hiervan gebruik konden maken.

Zorg in het kader van het ouderenbeleid 2016

2017

2018

2019

2020

Aantal inwoners van 65 jaar en ouder

73.310

74.724

76.465

78.073

79.890

Aandeel inwoners van 65 jaar en ouder

14,1%

14,2%

14,3%

14,5%

14,6%

Aantal groepswoonprojecten

41

41

46

46

46

Aantal koppels oudere - vrijwilliger i.k.v. eenzaamheidsbestrijding (2tegen1zaamheid)

160

166

149

123

114

Aantal gesubsidieerde ouderensociëteiten

ca. 370

245

293

234

135

% zelfstandig wonende ouderen (65plus)

94,6%

Aantal abonnementen boodschappenbegeleidingsdienst

5.834

Aantal locaties Haags Ontmoeten

94,6% 6.168

94,6%

6.150

6.000

6.000

36

37

42

Figuur 4.13: zorg in het kader van het ouderenbeleid, 2016-2020 Bron: Ouderenmonitor 2020

Collectief wonen voor senioren Collectieve woonvormen voor senioren zijn wooncomplexen waarbij senioren zelfstandig wonen maar er ook sprake is van een vorm van gezamenlijkheid, bijvoorbeeld door het gebruik van een gemeenschappelijke ruimte. In 2020 kende Den Haag 46 woongroepen (ouderen­ monitor 2020). Stichting Centrum Groepswonen faciliteert het collectief wonen in Den Haag. Het Centrum deelt informatie en advies over collectief wonen en stimuleert de bouw van nieuwe locaties. In juli 2021 stonden er 1.235 personen geregistreerd bij het ­Centrum Groepswonen met belangstelling voor het wonen in een woongroep (bron: stichting centrum groepswonen).

Jeugd, zorg en welzijn

81

Collectieve woonvormen in Den Haag

Figuur 4.14: collectieve woonvormen in Den Haag Bron: Ouderenmonitor 2020

Vrijwilligerswerk Den Haag Jaarlijks wordt in het Inwonersonderzoek Den Haag aan (een steekproef) van Hagenaars gevraagd of zij in het voorgaande jaar vrijwilligerswerk hebben verricht en of zij mantelzorger zijn geweest. Het aandeel respondenten dat aangeeft vrijwilligerswerk te hebben gedaan neemt ieder jaar iets af. Lag dit aandeel in 2016 nog op 38%, in de jaren daarna is dat geleidelijk gedaald naar 26% in 2020. Het aandeel mantelzorger is in de afgelopen jaren niet echt veranderd en schommelt in de jaren 2016 tot en met 2020 rond de 22%.

Vrijwilligerswerk in Den Haag

% van Haagse bevolking dat in het afgelopen jaar wel eens vrijwilligerswerk heeft gedaan % van Haagse bevolking dat in het afgelopen jaar wel eens mantelzorg heeft verleend

2016

2017

2018

2019

2020

38%

34%

31%

30%

26%

22%

21%

23%

22%

21%

Figuur 4.15: vrijwilligerswerk in Den Haag, 2016-2020 Bron: Stadsenquête 2020

4.2.2 Servicepunten XL en Wmo-wijkteams Inwoners met een hulpvraag kunnen laagdrempelig terecht bij de Servicepunten XL in de verschillende stadsdelen. Daar wordt door maatschappelijk werkers vrij toegankelijke ondersteuning geboden, verbinding gelegd met de sociale basis, en zo nodig toegeleid naar zwaardere ondersteuning. De Wmo-wijkteams vormen de toegang tot de zwaardere onder­ steuning. Inwoners kunnen daarbij gebruik maken van gratis cliëntondersteuning.

82

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Spreiding servicepunten over de stad

Figuur 4.16 Spreiding servicepunten over de stad Bron: Ouderenmonitor Den Haag 2020

Het aantal bezoekers van de website ligt in 2020 veel lager door het verschil in gebruik van webstatistieken. De statistieken in 2020 geven een beter beeld van het gebruik van de website. De cijfers over 2020 worden vooral ingekleurd door de coronacrisis. Vanwege de RIVM-maatregelen waren de 17 Servicepunten XL in de periode van 19 maart tot 15 juni gesloten. In deze periode was het callcenter ‘Den Haag Helpt’ actief. Veel mensen belden op met vragen over praktische zaken in relatie tot corona. Dit verklaart een deel van de stijging van het aantal cliënten met informatie- en adviesvragen ten opzichte van 2019 onder 'Persoonlijke cliëntondersteuning'. Voorts speelt mee dat een deel van de voorliggende voorzieningen minder beschikbaar waren en mensen behoefte hebben aan ‘ventilerende’ gesprekken die geregistreerd zijn onder “informatie en advies”. Tot slot is in 2020 gestart met een nieuwe manier van registreren. Hierdoor wordt een deel van cliënten die voorheen onder individuele cliëntondersteuning werden geregistreerd onder informatie en advies geregis­ treerd. Deze verschuiving verklaart een deel van de toename op informatie- en adviesvragen en een daling in individuele clientondersteuning.

Jeugd, zorg en welzijn

83

Toegang tot de Wmo 2019

2020

Aantal bezoekers website

310.502

169.648

Aantal ingevulde webformulieren

23.704

22.431

56.327

46.917

Aantal bezoekers Servicepunten XL

13.467

45.182

Aantal cliënten onafhankelijke cliëntondersteuning

9.933

5.206

Aantal Servicepunten XL

17

17

Aantal Wmo-wijkteams

15

14

Digitale cliëntondersteuning - Click

Telefonische cliëntondersteuning - Call Aantal telefonische oproepen

Persoonlijke cliëntondersteuning - Face

Figuur 4.17: toegang tot de Wmo, 2019-2020 Bron: Dienst OCW, Jaarrapportage 2020 Jeugd en Wmo

4.2.3 Wmo-maatwerkvoorzieningen In 2020 is sprake van een daling in het aantal woningaanpassingen. Door vaker het sociaal netwerk van cliënten te betrekken, en door eenvoudige aanpassingen of door een verhuis­ advies (met verhuiskostenvergoeding) te geven is het mogelijk gebleken om een woning­ aanpassing te voorkomen. Ook is het voorstelbaar dat inwoners in 2020 extra voorzichtig waren met het ontvangen van vreemden in hun huis. En dat zij daardoor nog even afwachtten om een Wmo-melding bij de gemeente te doen. Of dat zij wel een melding deden en een programma van eisen ontvingen, maar nog geen aannemer hebben gevraagd de woning­ aanpassing te installeren. We zien een toename van het aantal cliënten dat een Wmo-maatwerkarrangement ­(huishoudelijke hulp, begeleiding, dagbesteding) ontvangt. Door de vergrijzing en de invoering van het abonnementstarief is het aantal cliënten gestegen. In de vorige alinea is beschreven dat de woningaanpassingen hierop een uitzondering vormen. De Wmo-maatwerkarrangementen zijn vanaf 2020 uitgebreid met het maatwerk­ arrangement ‘Wonen’. We willen daarmee de beweging van beschermd wonen naar be­ schermd thuis maken. Dit zorgt ervoor dat de ondersteuning flexibeler en meer inwonergericht kan worden ingezet.

Het gesprek met aanbieders zal steeds meer gaan over maatschappelijk herstel: hoe zorgen we er samen voor dat onze inwoners passende zorg ontvangen en (weer) onderdeel van hun wijk en omgeving zijn. In 2020 hadden 1.765 cliënten een indicatie voor het maatwerkarrangement ‘Wonen’ (beschermd wonen). In 2021 is dit aantal afgenomen met 604 en hebben in totaal 1.161 inwoners een dergelijke indicatie. Voor het grootste deel is de afname een gevolg van de overgang naar de Wet langdurige zorg (Wlz). .

84

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Aantal cliënten Wmo 2019

2020

Voeren van een huishouden*

13.575

14.515

Sociaal en persoonlijk functioneren*

6.115

7.077

Zelfzorg en gezondheid*

1.014

1.143

Dagbesteding*

2.129

2.577

Financiën*

1.031

1.121

Maatwerkvoorzieningen:

Waakvlam*

376

Beschermd Wonen**

1.850

1.765

Gebruik hulpmiddelen**

3.596

3.516

Woningaanpassingen**

2.600

1.194

Pashouders AV070 (taxibus)**

15.495

16.644

Scootmobiels, fietsen, gesloten buitenwagens**

7.651

7.169

Financiële tegemoetkoming vervoerskosten**

1.759

2.278

Vervoer:

Figuur 4.18: aantal cliënten Wmo 2019-2020 Bron: Dienst OCW *  Het aantal cliënten dat gedurende het hele jaar op enig moment een indicatie had (= stroomcijfer). Cliënten kunnen maatwerkvoorzieningen in meerdere resultaatgebieden hebben. Deze aantallen verschillen van jaarrapportage 2020. Die vermeldde indertijd een standcijfer per 31 december. ** Jaarrapportage 2020 Jeugd en Wmo

Continuïteit en cliënttevredenheid van ondersteuning Tijdens de coronaperiode deed ZorgLokaal extra telefonische metingen. Hierbij werden Haagse cliënten met een indicatie voor huishoudelijke hulp, individuele begeleiding en dagbesteding bevraagd. Bij huishoudelijke hulp ging de ondersteuning vrijwel altijd door. Bij individuele begeleiding was bij de eerste meting (er werd teruggekeken tot het moment van uitbreken van corona) nog een dip te zien. De metingen daarna laten zien dat steeds meer respondenten ononderbroken begeleiding ontvingen. De eerste meting bij dagbesteding liet ook een forse teruggang zien. Dit kwam door de gedwongen sluiting van locaties. Daarna steeg het aandeel respondenten dat tijdens de uitvraag (weer) hiervan gebruik maakte. Wmo-aanbieders boden alternatieve ondersteuning, zoals telefonisch contact, de activiteit werd aan huis gebracht, sporten via Zoom of iemand kwam op thuisbezoek. ZorgLokaal vroeg ook hoe tevreden cliënten waren met de ondersteuning door de Wmo-aanbieder. De tevreden­ heid van de cliënten bleef ruim voldoende (variërend van 7,6 tot 8,2), zie figuur 4.19.6

Jeugd, zorg en welzijn

85

Continuïteit en cliënttevredenheid ZorgLokaal Continuïteit en cliënttevredenheid Wmo-ondersteuning

1e meting mei 2020 (periode vanaf 1 maart)

2e meting december 2020 (periode vanaf 1 oktober)

3e meting juli 2021 (periode vanaf 1 januari)

Huishoudelijke hulp: • ontving ondersteuning op moment uitvraag

89%

99%

99%

• ontving doorlopend ondersteuning tijdens hele uitgevraagde periode

84%

93%

91%

• hoe tevreden met ondersteuning thuishulp?

8,1

7,8

8,2

• ontving ondersteuning op moment uitvraag

99%

98%

95%

• ontving doorlopend ondersteuning tijdens hele uitgevraagde periode

25%

78%

89%

• hoe tevreden met ondersteuning begeleider?

8,3

7,9

8,1

• ontving ondersteuning op moment uitvraag

23%

79%

88%

• ontving doorlopend ondersteuning tijdens hele uitgevraagde periode

7%

77%

71%

• hoe tevreden met zorgaanbieder?

7,6

7,6

7,7

Individuele begeleiding:

Dagbesteding:

Figuur 4.19 Continuïteit en cliënttevredenheid 2020-2021 Bron: Zorglokaal

4.2.4 Vooruitblik naar 2025 Het Haagse Wmo-voorspelmodel voorspelt het toekomstige Wmo-gebruik.7 Bij het bouwen van het model is gebruikgemaakt van open data. Voor het verklaren en voorspellen is o.a. gekeken demografische kenmerken. De bevolkingsprognose van de gemeente Den Haag is hierin meegenomen. Het aandeel personen van 65 jaar en ouder in een wijk heeft namelijk een voorspellende waarde voor het verwachte Wmo-gebruik in de toekomst. Uit figuur 4.20 blijkt dat in 2025 de meeste Wmo-gebruikers worden verwacht in de Schilders­ buurt (8,41%), Bouwlust en Vrederust (7,75%) en Laakkwartier en Spoorwijk (6,59%). ­Dergelijke kwantitatieve inzichten in de ontwikkeling en richting van het Wmo-gebruik in de komende jaren helpt bij het maken van strategische keuzes. Het kan bijvoorbeeld ­worden meegewogen bij het kiezen van nieuwe locaties van Haags Ontmoeten of het uitbreiden van de scoot­mobielpools.

86

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Verdeling aantal Wmo-gebruikers over wijken in 2025

Figuur 4.20: Verdeling aantal Wmo-gebruikers over wijken in 2025 (in % t.o.v. totaal aantal gebruikers gemodelleerde wijken) Bron: Haags Wmo-voorspelmodel

4.2.5 Opvang dak- en thuislozen De afgelopen jaren hebben we te maken gehad met een sterk toenemend aantal dak- en thuislozen in Nederland en ook in Den Haag. Deze stijging lijkt zich in het eerste half jaar van 2021 niet verder door te zetten. Er hebben zich in deze periode 1670 mensen gemeld bij het daklozenloket. Dit ligt iets lager dan het jaar ervoor na het tweede kwartaal. Vanwege alle alternatieve tijdelijke opvang, coronamaatregelen en lockdowns is nog niet te voorspellen of de stijgende tendens inderdaad is gestopt of dat er andere oorzaken aan dit lagere aantal meldingen ten grondslag liggen. Het aantal unieke cliënten met een daklozen­ pas en het aantal mensen dat de gemeente heeft opgevangen, is wel onverminderd hoog met 880 cliënten. Veruit het grootste gedeelte van de mensen dat zich bij het daklozenloket meldt, is man (74%) en valt in de leeftijdsgroep van 27 tot 65 jaar. 26% van de meldingen is van jongeren onder de 27 jaar en 3% is boven de 65 jaar.

Jeugd, zorg en welzijn

87

Aantal meldingen daklozenloket Meldingen en passen

2018

2019

2020

2021

Aantal unieke meldingen daklozenloket

4.103

4.100

4.268

3.365

Aantal gemelde gezinnen

292

350

421

420

Aantal unieke cliënten met nachtopvangpas

1.062

1.316

1.267

1.346

Figuur 4.21: aantal meldingen daklozenloket, 2018-2021 Bron: 5e voortgangsrapportage maatschappelijke opvang (RIS310611)

Er hebben zich 420 gezinnen gemeld bij het daklozenloket. Dat betekent niet dat al deze gezinnen geen dak meer boven hun hoofd hebben. Het gaat ook om gezinnen die dakloos dreigen te worden, of die tijdelijk in hun netwerk (kunnen) worden opgevangen, maar toch behoefte hebben aan hulp en informatie. Zij vinden bijvoorbeeld opvang in hun eigen netwerk, vinden eigen huisvesting (bijvoorbeeld in een andere regio) of keren terug naar het land van herkomst. De afgelopen jaren vangen we een toenemend aantal gezinnen op. Hierin zien we met name een stijging van gezinnen die niet voldoen aan de criteria van de Wmo, maar een beroep doen op de maatschappelijke opvang in het kader van het ‘geen kind op straat-principe', omdat zij expliciet een huisvestingsprobleem hebben. Deze gezinnen (o.a. gescheiden en remigrerende gezinnen) hebben vaak geen recht op urgentie.

4.2.6 Aanpak huiselijk geweld Veilig Thuis Haaglanden (VTH) Veilig Thuis is het centrale meldpunt voor advies over en melding van huiselijk geweld en kindermishandeling. VTH voert wettelijke taken uit voor de negen deelnemende gemeenten in regio Haaglanden, waaronder Den Haag. Er zijn in 2021 in Den Haag 9% minder adviezen gegeven en er waren 10% minder meldingen. Voor de gehele regio Haaglanden was dat respectievelijk -1% en -9%. Na jaren van stijging, is dit een opvallende ontwikkeling en een mogelijke trendbreuk. De omkering van stijging naar daling is nog niet verklaard. Het valt ook te bezien of de daling zich doorzet. Misschien dat mogelijke coronainvloeden nu wel door­ werken in de cijfers. Centrum Seksueel Geweld (CSG) In 2021 werden 280 acute slachtoffers van seksueel geweld geholpen door CSG Zuid-Holland. Uit de regio Haaglanden kwamen 161 acute slachtoffers, waarvan 57 slachtoffers uit de stad Den Haag.

88

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Jeugd, zorg en welzijn

89

5 Onderwijs

90

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Inleiding In dit hoofdstuk wordt, op basis van de kerncijfers die hierover beschikbaar zijn, ingegaan op vijf onder­werpen die relevant zijn om een goed beeld te krijgen van het onderwijs in Den Haag. In paragraaf 5.2 wordt beschreven hoe Den Haag ervoor staat als het gaat om extra inzet op de ontwikkeling van het jonge kind, op gegevens over onderwijsachterstand en over school­advisering bij een de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Paragraaf 5.3 gaat in op de randvoorwaarden voor het bevorderen van kansengelijkheid voor kinderen in Den Haag, te weten voldoende onderwijs- en kinderopvangprofessionals en duurzame school­ gebouwen. In Samenleven op school worden data gedeeld over initiatieven rondom (beleefde) schoolveiligheid. Dan volgt een paragraaf over passend onderwijs. Ten slotte wordt ingegaan op onderwijs dat bijdraagt aan de economie en werkgelegenheid, door op te leiden voor de lokale arbeids­markt of een bijdrage te leveren aan de vaardigheden van Hagenaars.

5.1 Corona en het onderwijs in Den Haag Dit jaar is er in de jaarlijkse publicatie De Staat van het Onderwijs1 (landelijk) veel aandacht ­ge­weest voor de impact van de coronacrisis binnen de verschillende onderwijsdomeinen. In het rapport wordt onder andere gesteld dat er in het basisonderwijs over het algemeen minder progressie wordt geboekt op rekenen/wiskunde, spelling en begrijpend lezen.2 De negatieve gevolgen zijn het sterkst voor leerlingen met een lagere sociaaleconomische status. Op v­ erschillen­de manieren lijkt de coronacrisis te zorgen voor meer kansenongelijkheid in het onderwijs. Voor Haagse cijfers over de gevolgen van corona komt deze Staat van de stad net te vroeg. Er wordt gebouwd aan een monitoring van het Nationaal Programma Onderwijs voor Den Haag in Cijfers. Het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) is een steunpakket van 8,5 miljard euro om schade als gevolg van corona te herstellen. Alle gemeenten krijgen geld uit dit steunpakket. In de jaarrekening wordt verantwoording afgelegd over de besteding van de NPO-middelen gedurende het eerste jaar (2021).

5.2 Kansengelijkheid 5.2.1 Voorschoolse voorzieningen

Aantal centra voor Voorschoolse Educatie, aantal Haagse peuters, doelgroep en bereik doelgroep Meldingen en passen

2017

2019

2020

Aantal centra kinderdagopvang met Voorschoolse Educatie

128

128

132

aantal 2,5 tot 4 jarigen (peuters) in bevolking

9.404

9.284

9.267

Aantal doelgroepkinderen Voorschoolse Educatie Den Haag

2.670

4.081

4.506

Aantal doelgroepkinderen dat Voorschoolse Educatie volgt

1.377

2.201

2.684

% doelgroepkinderen dat Voorschoolse Educatie volgt

52%

54%

60%

Figuur 5.1: aantal centra voor Voorschoolse Educatie, aantal Haagse peuters, doelgroep en bereik doelgroep, 2017, 2019, 2020 Bron: BRP, registratie Kinderopvang, VVE-Up

Onderwijs

91

In 2020 is het bereik voorschoolse educatie gestegen naar 60% ten opzichte van 52% in 2017. De prognoses voor 2021 duiden op een verdere stijging van het bereik.3 Deze stijgende lijn is onder andere ingezet als gevolg de implementatie van nieuw beleid voorschoolse educatie ('21), dat zich richt op enerzijds het vergroten van het bereik van doelgroepkinderen4 door middel van een betere toeleiding en communicatie en anderzijds op het vergroten van het aanbod voorschoolse educatie in de stad, door de (financiële) drempel voor kinder­ opvangorganisaties om voorschoolse educatie aan te gaan bieden zo laag mogelijk te leggen.

5.2.2 Integraal kindcentrum Een integraal kindcentrum (IKC) is een voorziening voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar, waar zij gedurende de dag komen om te leren, spelen en te ontwikkelen. Binnen een IKC is er een vloeiende overgang tussen onderwijs en kinderopvang en wordt er gewerkt vanuit één team met één pedagogische visie. Kindcentra zijn een middel om kansengelijkheid en daarmee een brede en optimale ontwikkeling voor ieder Haags kind te realiseren. ­Momenteel zijn er van de 151 basisscholen 33 IKC’s ontstaan, verdeeld over onder­ staande stadsdelen.

Aantal integrale kindcentra Den Haag, per stadsdeel

33

Figuur 5.2: aantal integrale kindcentra Den Haag, per stadsdeel, 2021 Bron: DHIC/EtuConsult

5.2.3 Onderwijsachterstanden Met de onderwijsachterstandenindicator primair onderwijs, die sinds 2019 de kern vormt van het onderwijsachterstandenbeleid, wordt door het CBS de verwachte onderwijsachterstand van kinderen berekend op basis van een aantal omgevingskenmerken. Met deze indicator kan beter onderscheid worden gemaakt tussen kinderen met een laag en hoog risico op een onderwijsachterstand. Het nieuwe onderwijsachterstandenbeleid van het ministerie hanteert een doelgroep van 15 procent onderwijsachterstand; bij toekenning van middelen aan scholen en gemeente wordt gekeken naar de kinderen die (landelijk tot de 15%) behoren met het grootste risico op een onderwijsachterstand. In Den Haag, Amsterdam en Rotterdam liggen de onderwijsachterstandsscores ver boven de landelijke doelgroep van 15%.

92

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Figuur 5.3: aantal integrale kindcentra in Den Haag Bron: DHIC/EtuConsult

Verwachte onderwijsachterstand in Den Haag 2020, aantal en percentage peuters en basisschool­ leerlingen dat tot de landelijke doelgroep behoort met het grootste risico op onderwijsachterstand

Verwachte onderwijsachterstand in Den Haag 2020 Meldingen en passen

peuters

kinderen

totaal

woonachtig in Den Haag

9.215

45.205

52.420

aantal met het grootste risico op onderwijsachterstand

2.385

12.470

14.850

% met het grootste risico op onderwijsachterstand

26%

28%

27%

Figuur 5.4: verwachte onderwijsachterstand in Den Haag 2020, aantal en % peuters en basisschoolleerlingen dat tot de landelijke doelgroep behoort met het grootste risico op onderwijsachterstand, 2020 Bron: CBS Dashboard Onderwijskansen

Verwachte onderwijsachterstand 2020, % peuters en basisschoolleerlingen dat tot de landelijke doelgroep behoort met de grootste risico op onderwijsachterstand, G4 gemeenten.

Verwachte onderwijsachterstand 2020, G4 Gemeente

peuters

kinderen

totaal

Den Haag

26%

28%

27%

Amsterdam

19%

25%

24%

Rotterdam

28%

31%

31%

Utrecht

13%

16%

16%

Figuur 5.5: verwachte onderwijsachterstand 2020, G4, % peuters en basisschoolleerlingen dat tot de landelijke doelgroep behoort met de grootste risico op onderwijsachterstand Bron: CBS Dashboard Onderwijskansen

Onderwijs

93

Verwachte onderwijsachterstand 2020, % basisschoolleerlingen naar wijk

Figuur 5.6: verwachte onderwijsachterstand 2020, % basisschoolleerlingen naar wijk Bron: CBS Dashboard Onderwijskansen

Verwachte onderwijsachterstand 2020, % peuters naar wijk

Figuur 5.7: verwachte onderwijsachterstand 2020, % peuters naar wijk Bron: CBS Dashboard Onderwijskansen

94

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Jaarlijks stelt het CBS op verzoek van het Ministerie van OCW de zogenaamde armoedepro­ bleem-cumulatie-gebieden (APCG) vast. Van alle leerlingen op Haagse scholen voor voortgezet onderwijs is 42% afkomstig uit een APCG-gebied, waarvan de meesten uit een Haags APC-gebied.

Aantal leerlingen voortgezet onderwijs Den Haag naar armoedecumulatiegebied 2020 APCG leerling

12.129

geen APCG leerling

16.680

% APCG leerling

42,1%

% Haagse APCG leerling

39,9%

Figuur 5.8: aantal leerlingen voortgezet onderwijs Den Haag naar armoedecumulatiegebied, 2020 Bron: ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap/DUO

5.2.4 Schooladvisering De onderstaande grafieken laten zien bij hoeveel procent van de leerlingen in Den Haag het school­advies onder, gelijk, of boven het niveau van de eindtoets (de CET-score) is. Hierbij wordt uitgesplitst naar het opleidingsniveau van de ouders, namelijk mbo-2, mbo-3 en mbo-4, hbo-bachelor en wo. Als het niveau van de eindtoets minimaal een half schoolniveau hoger is dan het schooladvies spreekt men van onderadvisering. De leerling krijgt een heroverweging van het schooladvies dit kan worden bijgesteld. Een schooladvies kan nooit naar beneden worden bijgesteld.

Onderadvisering naar opleiding ouders, in %*

Figuur 5.9: onderadvisering naar opleiding ouders, in %, 2016 en 2018 Bron: Den Haag in Cijfers/SEO Economisch Onderzoek * schooladvies ten opzichte van de score Eindtoets Basisonderwijs

Er is sprake van overadvisering als het advies van de school minimaal een half schoolniveau hoger is dan de centrale eindtoets. Leerlingen met ouders met een opleidingsniveau van mbo2 of lager hebben vaker onder­ advisering ten opzichte van leerlingen van wie de ouders wo als opleidingsniveau hebben. % Overadvisering; schooladvies ten opzichte van de score Eindtoets Basisonderwijs naar opleiding ouders

Onderwijs

95

Overadvisering naar opleiding ouders, in %*

Figuur 5.10: overadvisering naar opleiding ouders, in %, 2016 en 2018 Bron: Den Haag in Cijfers/SEO Economisch Onderzoek * schooladvies ten opzichte van de score Eindtoets Basisonderwijs

De onderadvisering is ten opzichte van eerdere jaren toegenomen en dan met name bij de ouders met een opleidingsniveau van mbo-4 of lager. De overadvisering neemt af.

Schooladvies en corona Basisschoolleerlingen in groep 8 kregen in het schooljaar 2019/2020 een lager schooladvies voor het vervolgonderwijs dan in voorgaande jaren. Dat blijkt uit onderzoek van het CBS, ook in Den Haag.5 Normaliter kunnen scholen het schooladvies nog naar boven bijstellen als leerlingen op basis van de eindtoets een hoger advies halen. Dat kon vorig schooljaar niet omdat de eindtoets niet doorging vanwege de coronacrisis. Daardoor was het eerste school­ advies ook meteen het definitieve advies.

Leerlingen basisonderwijs naar schooladvies Den Haag

0

Figuur 5.11: leerlingen basisonderwijs naar schooladvies Den Haag, 2015-2020 Bron: DUO open data, bewerking OCW/O&K/Business Analytics

96

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

5.3 De School 5.3.1 Onderwijsprofessionals Het lerarentekort neemt, met name in het primair onderwijs, de afgelopen jaren toe. Op 1 oktober 2021 kende Den Haag binnen het reguliere basisonderwijs een lerarentekort van 16% van de werkgelegenheid. Dit betekent een tekort van 536 fte aan onderwijsgevend personeel. In het speciaal basisonderwijs was op 1 oktober 2021 een tekort van 14,6% en in het speciaal (voortgezet) onderwijs 14,2%. De instroom in de Pabo is sinds 2019 sterk toegenomen: er is tussen 2017 en 2020 sprake van een groei van 155 naar 262 studenten (+70%). In 2021 lijkt er weer sprake te zijn van een lichte daling.

% lerarentekort Primair Onderwijs Den Haag in fte

Figuur 5.12: % lerarentekort Primair Onderwijs Den Haag in fte, feb '20-okt '21 Bron: DHIC/CentERdata

Op stadsniveau zijn grote ruimtelijke verschillen zichtbaar in de hoogte van de tekorten. Het stadsdeel met de minste tekorten heeft een tekort van 7,7% (Loosduinen) op de formatie en het stadsdeel met de meeste tekorten 28% (Laak). Daarbij tonen de data dat de tekorten het grootst zijn in de stadsdelen waar scholen te maken hebben met een leerlingenpopulatie met een groot risico op onderwijsachterstanden.

Onderwijs

97

Lerarentekort primair onderwijs Den Haag naar stadsdeel

Figuur 5.13: % lerarentekort primair onderwijs Den Haag naar stadsdeel, per 1 oktober 2021 Bron: DHIC/CentERdata

In het voortgezet onderwijs is in december 2021 sprake van een tekort van 69 fte. Hierbij moet opgemerkt worden dat dit openstaande vacatures zijn en dat er daarnaast verborgen tekorten zijn doordat een deel van de lessen door onbevoegden wordt gegeven. In totaal werden in 2020 16% van de lessen in het Haagse vo niet bevoegd gegeven.

Aantal vacatures leraren voortgezet onderwijs

Figuur 5.14: aantal vacatures leraren voortgezet onderwijs, 2019-2020 Bron: DHIC/VO Haaglanden

98

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

Aantal studenten lerarenopleiding Haagse opleidingsscholen

Figuur 5.15: aantal studenten lerarenopleiding Haagse opleidingsscholen, 2018-2020 Bron: DHIC/Haagse opleidingsscholen

Het aantal studenten aan de Haagse opleidingsscholen in het voortgezet onderwijs is de afgelopen jaren toegenomen. Deze toename is mede te danken aan de toename van het aantal opleidingsscholen, dit zijn er nu vier.

5.3.2 Schoolgebouwen Er zijn circa 250 schoolgebouwen voor basis-, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs in Den Haag. Een algemene indicator voor de (duurzaamheids)prestaties van schoolgebouwen is de leeftijd van deze gebouwen. Hoewel bepaalde bouwperiodes mindere of betere schoolgebouwen hebben opgeleverd (vooroorlogse schoolgebouwen worden ondanks hun hoge leeftijd bijvoorbeeld relatief goed gewaardeerd), geldt grofweg dat nieuwere schoolgebouwen een lager energieverbruik hebben. Nieuwere schoolgebouwen zijn beter geventileerd en sluiten beter aan bij de behoefte vanuit het onderwijs. Den Haag kent een relatief jonge gebouwen­ voorraad: ongeveer 50% van de schoolgebouwen is minder dan 20 jaar oud. De gemiddelde leeftijd van schoolgebouwen in Den Haag is 35 jaar.

Opbouw portefeuille schoolgebouwen (excl. huurpanden en monumenten) Bouwjaar

Aantal gebouwen

Gemiddelde leeftijd

Voor 1920

9

112

1920 - 1940

29

94

1940 - 1965

26

62

1965 - 1990

30

44

1990 - 2000

26

27

2000 - 2010

61

16

Na 2010

66

7

Totaal

246

35

Figuur 5.16: opbouw portefeuille schoolgebouwen (excl. huurpanden en monumenten) in 2021 Bron: Dienst OCW

Onderwijs

99

Op het moment zijn 11 schoolgebouwen (4%) (bijna)energieneutraal. 55 schoolgebouwen (22%) hebben op het moment energielabel A. 12 schoolgebouwen (5%) hebben energie B of C. 70 schoolgebouwen (28%) hebben energielabel D of lager. Bij 98 schoolgebouwen (40%) is geen recent energielabel bekend. (Vervangende) nieuwbouw voor scholen wordt standaard gasloos en (bijna)energieneutraal.

Energielabels schoolgebouwen (excl. huurpanden en monumenten)

Figuur 5.17: energielabels schoolgebouwen (excl. huurpanden en monumenten) in 2021 Bron: Dienst OCW

Op het moment hebben 12 schoolgebouwen (5%) een groen-blauw schoolplein. 84 school­ gebouwen (34%) hebben een groen plein. Bij 150 schoolgebouwen is het plein (grotendeels) verhard (of is niet bekend of zij een groen of groen-blauw plein hebben). Bij (vervangende) nieuwbouw wordt het schoolplein standaard (deels) groen of groen-blauw uitgevoerd.

Groen-blauwe en groene schoolpleinen (excl. huurpanden en monumenten)

Figuur 5.18: groen-blauwe en groene schoolpleinen (excl. huurpanden en monumenten) in 2021 Bron: Dienst OCW

100

STAAT VAN DE STAD DEN HAAG 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11408152/1