CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311775 Bijlage 2 Jongeren en georganiseerde drugscriminaliteit in de regio Den Haag

Commissie Bestuur 16 november 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Veiligheid32.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

8.1.1 Individuele factoren Aangaande individuele risicofactoren voor een start of rol in de drugscriminaliteit komen drie elementen naar voren, die onderstaand nader worden toegelicht: beïnvloedbaarheid (met name – maar niet uitzonderlijk – bij jongeren met een LVB), eigen drugsgebruik dan wel -verslaving en het niet goed kunnen inschatting van de gevolgen van betrokkenheid bij drugscriminaliteit. Onderstaand lichten we deze nader toe.

Beïnvloedbaarheid Beïnvloedbaarheid is het individuele kenmerk dat door respondenten het meest als risicofactor wordt genoemd voor het betrokken raken bij drugscriminaliteit. Jongeren zijn dan niet weerbaar tegen (groeps)druk van andere jongeren op straat. Hierbij noemen respondenten vaak dat met name jongeren met een LVB kwetsbaar zijn. Zij geven aan dat ‘slimme jongens gebruik maken van de jongens met een LVB’. Hier wordt door zogenaamde ronselaars soms zelfs specifiek op ingezet, zo komt uit interviews naar voren. Jongeren met een LVB worden met name ingezet voor ‘klusjes’. Het volgende citaat vormt een goede illustratie van de kwetsbaarheid van LVB-jongeren.

89

‘Dat speelt heel vaak een rol en dat wordt te weinig erkend in Den Haag. Er is zo veel en zo vaak dat jongens geschat worden op gemiddelde intelligentie en dan zitten ze op een IQ van 70. Die hebben vaker ruzie thuis of op school, moeten langer ergens aan wennen en zijn beïnvloedbaar en die lopen met open armen in die valkuil. Die willen ook geld en wat van hun toekomst maken. Er moet een aanbod zijn voor deze jongens. We hebben niet echt een plek waar deze jongens naartoe gaan en vervolgens probeer je te herplaatsen en dan komen ze in de klas met de jongens die ze op straat ook zien. Er is geen plek waar ze de motivatie kunnen vinden om aan zichzelf te werken.’ Tegelijkertijd zijn er respondenten die aangeven dat ook de slimmere jongens aandacht behoeven als het gaat om de aanpak van Jonge Aanwas in de drugscriminaliteit. Misschien nog wel meer, aangezien zij gemakkelijker uit beeld blijven bij de autoriteiten. Respondenten geven aan dat deze slimme jongens ogenschijnlijk een meer bewuste keuze voor een rol in de drugscriminaliteit hebben gemaakt. Zoals een respondent verwoordt:

‘De slimmeriken die buiten beeld kunnen blijven, daar is sociale problematiek niet altijd de oorzaak. Dat zijn hoogopgeleide jongens die een keuze hebben gemaakt.’ Eigen drugsgebruik dan wel -verslaving Drugsgebruik of verslaving op jonge leeftijd kan ook een risicofactor gezien worden voor betrokken raken bij drugscriminaliteit, zoals in hoofdstuk 7 al aan de orde gesteld bij het beschrijven van een proces richting betrokkenheid. Door op jonge leeftijd drugs te gebruiken leer je al de weg kennis in het kopen (en verkopen) van drugs. En om drugs te kunnen kopen is, zeker bij een verslaving, veel geld nodig. Een respondent stelt hierover het volgende:

‘Als je zelf verslaafd bent, dan zit je in het wereldje en je weet hoe je het zelf koopt en je weet dus ook hoe je het zelf moet verkopen.’ In een gesprek komt aan de orde dat stoornissen als ADHD en autisme een jongere sneller tot het gebruik van softdrugs kunnen aanzetten ‘ze grijpen makkelijker naar jointjes, omdat ze daarvan rustiger worden’, waardoor de stap van gebruik naar handel door jongeren met dergelijke stoornissen makkelijker gezet kan worden.

Gevolgen niet goed in kunnen schatten Verschillende respondenten benoemen dat het een risicofactor is dat veel jongeren de mogelijke negatieve gevolgen van het plegen van drugsfeiten niet zien. Dit heeft verschillende oorzaken. Allereerst de lage (ervaren) pakkans en dat ‘lik op stuk’ weinig plaatsvindt. Jongeren zien weinig negatieve effecten (en veel positieve effecten) van een rol in de drugscriminaliteit. Zoals een respondent verwoordt:

90

‘Er is sprake van een lage pakkans en lik op stuk is laag. Voordat een jongere voor de rechter staat ben je al verder. Speelt mee. Is belangrijk dat de jongeren snel ervaren dat dit niet beloond wordt en dat er consequenties aanzitten.’ Hiernaast geven respondenten ook aan dat de normalisatie en acceptatie van drugsgebruik en -handel ervoor zorgt dat jongeren het gevoel hebben dat drugshandel niet echt criminaliteit is. Treffend verwoordt:

‘Handel heeft niet per se kwade reuk. Verkoop is er nou eenmaal, tegenwoordig is het ook niet meer zo abnormaal. Er zijn ook wel groepen waar het niet als crimineel aanvoelt. Iemand moet het doen dan doe ik het maar, niet het gevoel dat je fout bezig bent.’ Tot slot blinkt het puberbrein (en zeker die van een jongere met LVB) niet uit in lange termijn denken. Al zou een jongere de mogelijke negatieve langetermijneffecten kunnen overzien, dan is het nog aannemelijk dat de positieve kortere termijneffecten prevaleren. Zoals een respondent stelt:

‘Groepen vormen rond dezelfde feiten die elkaar daarin meenemen. Jongeren focussen zich vaker op de korte termijn dan op de consequenties op de lange termijn. Moeilijk om er bij weg te blijven als je ziet wat het oplevert.’ 8.1.2 Gezinsfactoren Naast de hiervoor besproken persoonskenmerken brengen deelnemers aan de groepsgesprekken verschillende gezinskenmerken naar voren die een voedingsbodem zijn voor betrokkenheid van jongeren in de drugscriminaliteit. Het gaat om een ‘gebroken’ thuissituatie (eenoudergezin), weinig sociale controle en armoede. In onderstaande gaan we nader op deze factoren in.

Gebroken gezin en weinig sociale controle Respondenten van de groepsgesprekken over Den Haag, Noordwijk en Delft merken op dat het onderdeel zijn van een gebroken gezin een risicofactor kan zijn voor het betrokken raken bij drugscriminaliteit. Ze geven aan er bij Jonge Aanwas geregeld sprake is van gescheiden ouders en dat een vader vaak niet in beeld is. Zoals een respondent het treffend verwoordt:

‘De basis thuis heeft vaak al scheurtjes. Gebroken gezinnen, veel broertjes en zusjes en worden vaak aan hun lot overgelaten.’ Aan de thuissituatie gerelateerd noemen respondenten dat weinig sociale controle en zicht op jongeren vanuit ouders eveneens een risicofactor betreft voor het betrokken raken bij drugscriminaliteit. Dit kan samenhangen met een gebroken gezin, maar dat hoeft niet het geval te zijn. In een groepssessie komt bijvoorbeeld aan de orde dat met name

91

bij Marokkaanse jongeren het zicht minder goed kan zijn, omdat zij vaker op straat zijn. Zowel vanwege de vaak wat kleinere woningen en grote gezinnen, als dat jongeren bepaalde dingen niet thuis mogen doen, zoals vrienden over de vloer krijgen, roken of drinken. Ook zijn sommige ouders de Nederlandse taal niet machtig wat ervoor zorgt dat ze niet altijd begrijpen wat er aan de hand is als ze een brief van de overheid thuis krijgen.

‘In wijken zoals dit, ik ben ook in zo’n wijk opgegroeid, kleine woningen en wijken. Heel veel dingen kunnen wij… (met wij dan spreek ik namens de Marokkaanse groep). Wij mogen niet veel dingen thuis doen. Geen vrienden over de vloer krijgen als je zusjes hebt. Er zitten factoren aan waardoor wij als jongens heel snel naar buiten zijn gegaan waardoor er een cultuurtje ontstaat buiten die niet bekend is. Mijn moeder sprak ook de taal niet en ze was heel afhankelijk van mij om haar te voorzien van informatie en als moeder moest ze vertrouwen hebben dat ik altijd de waarheid sprak tegen haar. Ik zie ook veel terug wat gebeurde in mijn eigen jeugd. Vriendjes over de vloer kan niet als zusjes thuis zijn. Vaders hebben ook een andere rol in het gezin opvoeding bij de moeder. Vaders zie je ook wat meer buiten en in de moskeeën en in de cafés.’ Het volgende citaat illustreert hoe de opvoeding van invloed is op de weerbaarheid van een jongere tegen criminele beïnvloeding:

‘Het is ook een deel, hoe ben je opgevoed? Waarin ben je opgevoed en hoe veerkrachtig ben je. Dat speelt natuurlijk ook altijd mee. Iedereen heeft een basis en als daarin iets goed mis zit maak je sneller de verkeerde keuzes. Van heel veel jongens hoor je ook dat zodra zij de deur uit lopen. Dan krijgen ze 5,6,7 keer een aanbod en dan moet je zo vaak nee zeggen. Ik kan het niet. Het aanbod in wat dan ook. Inbreken, dealen.’ Armoede Een volgende (gezins)factor die een rol speelt bij het vatbaar zijn voor drugcriminaliteit is het opgroeien in armoede. Jongeren die opgroeien in armoede hebben minder kansen dan anderen en minder mooie spullen. Drugscriminaliteit is dan een ‘makkelijke’ route richting snel geld. Hier plukt soms niet alleen de jongere de vruchten van, maar ook de ouders. Deze ouders zullen dan ook niet snel optreden tegen het gedrag van hun kind. Wat hieraan bijdraagt, is dat drugsgebruik en -criminaliteit in sommige wijken redelijk genormaliseerd is en dus ook niet als fout of ernstig wordt gezien.

‘Drugscriminaliteit vinden mensen minder erg. Er zit een soort onzichtbaarheid omheen. Je bezorgt wat je bezorgt. Er is geen duidelijk slachtoffer. En ‘ik voorzie hem gewoon, als ik het niet doet dan doet iemand anders het wel’. Sommige families hebben er ook baat bij. Als mama jarig is en ze krijgt 1000 euro in haar handen gedrukt dan moeten je ouders die van een uitkering leven wel van een hele hoge morele standaard zijn om dat te weigeren. Ouders vragen dan ook niet meer waar het vandaan komt.’

92

8.1.3 Onvoldoende toekomstperspectief (school-werk) Tijdens de groepsgesprekken komt veelvuldig naar voren dat het niet hebben van een toekomstperspectief voor jongeren een voedingsbodem betreft voor betrokken raken in de drugscriminaliteit. Jongeren die uitvallen op school, die geen stage kunnen vinden of geen (bij)baantje, zijn vatbaar om hun geld op een andere wijze te verkrijgen. Zoals een respondent stelt:

‘Jongeren die uitvallen met school en dan niet goed aan werk kunnen komen. Geen perspectief, geen toekomst. Het snelle en makkelijke geld heeft dan een grote aantrekkingskracht. Dat zie ik zeker. De reguliere route is minder aantrekkelijk voor ze. Je krijgt zo loopjongens of koerierdiensten. Zeker door slechte schoolprestaties, school niet afmaken, geen werk, op straat hangen, verveling. Dit vormt dan een invulling.’ Hierbij speelt een grote rol dat er door het niet gaan naar school of werk veel tijd overblijft, die vervolgens op straat wordt besteed. Hier vinden gelijkgestemden elkaar en beinvloeden elkaar op een negatieve wijze. Ook verveling kan een rol spelen bij het oppakken van klusjes in het criminele circuit. Treffend verwoordt:

‘Jongens die minder belang hechten aan school en ouders die daar ook minder mee hebben. Als jongeren goed gaan op school dan hebben we ze vaak niet. Veel ruzie met docenten, geschorst, niet stil kunnen zitten of als er problemen thuis zijn kunnen ze zich ook niet focussen op school. En als ze uitvallen op school gaan ze naar de straat en daar zitten al die jongens bij elkaar en zijn ze vatbaar en beïnvloeden zij bij elkaar.’ 8.1.4 Bredere omgeving: vrienden en straatcultuur Als volgende risicofactor voor het betrokken raken bij drugscriminaliteit door jongeren komt de zogenaamde bredere omgeving in de gesprekken met professionals en de politie aan de orde. Ten eerste het hebben van verkeerde vrienden (de invloed van het sociale netwerk). Ten tweede de straatcultuur met ‘foute’ rolmodellen. In onderstaande worden beide factoren nader toegelicht.

(Verkeerde) vrienden Veel deelnemers aan de groepsinterviews geven aan dat vrienden en dan met name ‘verkeerde’ vrienden een belangrijke risicofactor zijn waardoor jongeren in de drugscriminaliteit terecht komen. Ze worden hier ofwel toe verleid of er vindt onderlinge groepsdruk plaats. In de puberteit spelen vrienden een zeer belangrijke rol in de ontwikkeling van jongeren. Dit maakt dat het gedrag en de mening van deze vrienden in zeer grote mate bepalend is voor het gedrag en mening van de jongere. De volgende citaten vormen hiervan een illustratie:

‘Jongeren beïnvloeden elkaar, natuurlijk. Ze dagen elkaar uit, het verhoogt je status.’

93

‘Vrienden spelen grote rol zeker in de pubertijd, ze gaan dan ook vaker de straat op.’ Straatcultuur: alleen ‘foute’ rolmodellen Tijdens de groepsinterviews komt aan de orde dat jongeren soms opgroeien in een soort criminogene omgeving. Het gaat om kwetsbare wijken (met voornamelijk sociale huur, gebroken gezinnen, weinig sociale cohesie en veel armoede) waar een straatcultuur heerst van regelovertreding, drugsgebruik en drugshandel. Jongeren komen voortdurend in aanraking met ‘foute’ rolmodellen, die veel (en ogenschijnlijk makkelijk) geld verdienen in de (drugs)criminaliteit en worden geregeld gevraagd zich hierbij aan te sluiten. Zoals een respondent verwoordt:

‘Veel jongeren zeggen dat ze omringt zijn met veel foute keuzes en mensen die foute keuzes maken dus hoe verwacht je van mij dat ik dan de goede keuze kan maken.’ Respondenten geven aan dat deze straatcultuur ook wordt toegepast op school:

‘De straatcultuur speelt echt een rol. Zodra ze de flat uitkomen overheerst de straatcultuur en het komt ook binnen op school. Onderwijs is, je mag meebewegen en op straat is het recht van de sterkste. Tegenwoordig komt dat ook wat binnen via het onderwijs waardoor de straatcultuur ook in de klas gaat overheersen en daardoor krijgen ze ook de macht en het gevoel dat ze overal mee wegkomen.’

8.2 Drijfveren Bovenstaand beschreven we de risicofactoren om betrokken te raken bij drugscriminaliteit. Dit worden ook wel de pushfactoren genoemd. In deze paragraaf gaan we in op de drijfveren, hetgeen de jongeren in de drugscriminaliteit aantrekt. Dit worden ook wel pullfactoren genoemd. Uit de groepsgesprekken komen de volgende drijfveren naar voren: geld en mooie spullen, aanzien, status en erkenning en uitdaging en spanning. We lichten deze factoren onderstaand achtereenvolgens nader toe.

Geld en mooie spullen Een volgende drijfveer die jongeren aantrekt tot de drugscriminaliteit betreft (snel) geld en mooie spullen. Jongeren zien op straat andere jongeren die mooie auto’s en dure kleding en schoenen hebben. Ze kijken daar tegen op en willen dat ook. Dit lijkt vrij snel en gemakkelijk mogelijk te zijn, met weinig kans op negatieve consequenties. Zoals het volgende illustreert:

‘Jongeren gaan naar buiten, naar de straat en komen in die groepjes terecht waar ze zien wie wel de mooie schoenen en auto’s heeft en worden daar dan ook bij betrokken. Zij kijken daar tegen op.’

94

Aanzien, status en erkenning Aanzien, status en erkenning betreft de volgende factor die drugscriminaliteit aantrekkelijk maakt voor jongeren. Naast het met drugs verdiende geld draagt een korte gevangenisstraf of het hebben van een enkelband bij aan het aanzien van een jongere in de wijk. Ze worden hierdoor populairder en ‘klimmen op de sociale ladder’. Het gaat ook om macht, geven deelnemers aan de groepsgesprekken aan.

‘Het is een cultuur met een stuk aanzien. Je valt door de mand als je zegt, ik zit op een hbo, heb een bijbaan en ben ook drillrapper. Dan word je niet serieus genomen dus dat zijn wel jongens die bezig zijn met criminaliteit. Je scoort binnen de scene ook punten als je bepaalde dingen doet. Van mensen neersteken tot handelen in shit. Hoe meer punten je hebt des te hoger je op de ladder klimt. Je krijgt dan letterlijk punten.’ Drillrap is ook een gemene deler waar Den Haag en Delft mee te maken hebben. Jongeren verdienen daar aanzien, status en erkenning door een puntensysteem dat de groep gebruikt. Hoe zwaarder het delict is dat een lid van de groep pleegt, hoe meer punten hij ‘verdient’ en hoe hoger hij op de ranglijst komt te staan, aldus de politie. Drillrap staat niet direct in relatie met het plegen van drugscriminaliteit, maar er zijn wel aanwijzingen dat er ook gehandeld wordt door de leden. Ook worden er leden van Ancona gelinkt aan een motorclub, die zich dicht tegen het drugscircuit van de Mocro Maffia begeven.

‘Wel heeft het ook met dealen te maken hoor. Want het gaat over aanzien, geld, dure kleding. Dat willen ze allemaal. Daarom plegen ze straatroven of handelen ze in drugs. Tijdens de clips die ze maken dragen ze ook allemaal dure kleding en daar kan vanuit huis dan niet aan voldaan worden. Ze dragen vaak Northface, Stone Island, Den Ham. Ouders die zien dat niet of willen het niet zien. Ze weten misschien wel dat hun zoon een nieuwe jas heeft, maar hebben geen idee wat die waard is.‘ Jongeren geven elkaar over en weer erkenning en waardering, die ze soms buiten de groep (bijvoorbeeld door schooluitval of het niet vinden van een stageplek) niet krijgen. Het gevoel ‘dat ze er toe doen’.

‘Sommige jongeren zoeken bevestiging dat ze ergens goed in zijn. Als ze in veel dingen falen en goed hierin zijn, ze hier succes ervaren. Soort van erkenning.’ De bij (drugs)criminaliteit betrokken groep speelt op dit gevoel in om jongeren in het drugscircuit te betrekken.

Uitdaging en spanning Tot slot geven deelnemers aan de groepsgesprekken aan dat de uitdaging en de spanning rondom het plegen van drugscriminaliteit voor sommige jongeren een drijfveer betreft.

95

Het te snel af zijn van de overheid, de spanning van het ‘koerieren’ van een fout pakje. Deze pullfactoren lijken met name een rol te spelen bij jongeren die geen andere tijdsbesteding hebben. Criminele activiteiten kunnen in die zin bijdragen in het tegengaan van verveling.

8.3 Signalen We hebben de professionals en politieagenten in de groepsgesprekken gevraagd naar signalen die erop wijzen dat een jongere betrokken raakt of is bij drugscriminaliteit. Onderstaand gaan we op deze signalen in, verdeeld over zes verschillende thema’s. De paragraaf sluit af met een overzichtstabel.

School/werk Het eerste signaal dat respondenten in onze gesprekken naar voren brengen valt onder de noemer school/werk. Respondenten benoemen het als signaal voor betrokkenheid bij drugscriminaliteit als jongeren moeite hebben om op tijd op school te komen. Ze zijn vaak ’s nachts nog op pad, waardoor hun zogenaamde dag- en nachtritme is omgedraaid. Jongeren die geen motivatie meer hebben om naar school te gaan of werk te zoeken of behouden kan tot slot ook als signaal worden gezien voor betrokkenheid in drugscriminaliteit. Deze jongeren lijken het reguliere levenspad en het op een reguliere wijze geld verdienen los te laten. Een respondent beschrijft het ook als een vicieuze cirkel:

‘Ergens zijn deze jongens een beetje labiel. Ze worden op straat getrapt en zorg maar dat je ’s avonds binnen bent. Ze komen dan in contact met de straat en ze worden van school getrapt dus ze raken nog meer op straat.’ Onverklaarbaar vermogen Een ander signaal dat respondenten in de gesprekken benoemen voor betrokkenheid bij drugscriminaliteit is het hebben van onverklaarbaar (veel) vermogen. Als voorbeeld hiervan noemen ze het (ineens) veel geld hebben of veel geld uitgeven aan bijvoorbeeld dure kleding of andere spullen, zonder het hebben van een baan. Ook het niet aanvragen van een uitkering of geen gebruik maken van een uitkering, terwijl dat wel binnen de mogelijkheden valt, lijkt een signaal te zijn. Jongeren hebben het geld van een uitkering niet nodig en om een uitkering te ontvangen moeten zij aan bepaalde eisen voldoen waar ze mogelijk niet aan willen voldoen. Zoals een respondent verwoordt:

‘Het wordt anders als je ze opeens met dure spullen ziet lopen. Ook heel erg van uiterlijk vertoon om te laten zien dat het goed gaat met ze. Het kan een signaal zijn.’

96

Afwijkend gedrag en/of een verandering in gedrag Als derde signaal noemen respondenten een zichtbare verandering in gedrag. Zij zien jongeren die verder in de drugscriminaliteit geraken geheimzinnig gedrag vertonen en een stoere, ongeïnteresseerde houding aannemen.

‘De houding naar ons toe is brutaal en ongeïnteresseerd. Stoer doen in het verhoor en niks vertellen. De houding is anders, niemand wil wat.‘ Dat gedrag zou versterken naar mate de jongere meer status krijgt op straat. Betreffende jongeren houden zich niet aan de wet- en regelgeving en hebben daarnaast moeite met hiërarchie. Zij zouden bijvoorbeeld zonder rijbewijs rijden en zich niet aan opgelegde schorsende voorwaarden houden. Zoals een respondent stelt:

‘Hij pleegde zelfs met een enkelband een straatroof. Die jongens hebben lak aan hun schorsende voorwaarden.’ Opmerkzaamheid en alertheid worden ook genoemd als signalen van jongeren die in de drugscriminaliteit opereren. Zij zouden alles (willen) zien en door (willen) hebben. Daardoor zijn ze vaak ook continue afgeleid als zij in gesprek gaan met een hulpverlener. Dit kan zich ook uiten in een gestreste houding van een jongere. Respondenten zien ten slotte de overstap van soft- naar harddrugs ook wel als een signaal van betrokkenheid in drugscriminaliteit het vaker bij zich hebben van mes of een ander wapen.

Telefoongebruik Afwijkend telefoongebruik wordt door respondenten ook gezien als een signaal. Zij merken dat jongeren in de drugscriminaliteit vaak twee of meer mobiele telefoons bij zich dragen en dat als er een controle plaatsvindt deze telefoons snel weg worden gelegd. Deze jongens zijn vaak de hele dag bereikbaar en bellen of sms-en veel. Ook ’s nachts.

Wijziging in sociale contacten Een ander door de respondenten beschreven signaal is de verandering in sociale contacten die plaatsvinden rondom de jongeren. Regelmatig gaan de jongeren opeens om met andere vrienden(groepen) en verandert de doelgroep van ‘gewone’ vrienden naar ‘slechte’ vrienden. De jongeren trekken zich terug uit de ‘normale’ contacten die ze hebben of verdwijnen soms geheel van de radar. Dit speelt met name bij de wat grotere jongens in de drugscriminaliteit. Een respondent beschrijft dit proces als volgt:

‘Het terugtrekken van normale contacten en binnen de onderwijssetting aanwezig zijn maar niet meedoen met de lessen. Ook daar terugtrekken. Kleinere groepjes, terwijl ze eerst met iedereen omgingen gaan ze nu nog maar met een paar mensen om.’

97

Verder zien respondenten het als signaal als een jongere elk contact met de hulpverlening, wijkagenten, een jongerenwerker of een straatcoach afwijst en eerder gemaakte afspraken niet meer nakomt. Ze worden onbereikbaar voor hulpverlening. Zo vertelt een respondent:

‘Op straat zien we jonge gasten en dan spreken we ze aan. Ze zitten helemaal ingepakt en als ze dan ook nog een mondkapje op hebben dan zien we helemaal niks meer. We krijgen nauwelijks of gematigd antwoord. Dat is vaak al het verkeerde gevoel dat we krijgen van ‘he, die gasten willen niks met jou te maken hebben’. En dat is geen normaal gedrag voor ‘normale’ jongeren.’ Opstapeling van problemen Tot slot benoemen professionals het als signaal als jongeren met verschillende problemen te maken krijgen in bijvoorbeeld de thuissituatie, op school, bij hulpverlening, vrienden of ze krijgen geldproblemen. Ze beschrijven dit als het vastlopen van de jongere op verschillende gebieden. School/werk Moeite om op tijd op school te komen Niet te motiveren voor werk en school Schooluitval Spijbelen Dag- en nachtritme omgedraaid Onverklaarbaar vermogen (Ineens) veel geld hebben of geld uitgeven (maar geen werk) Geen uitkering aanvragen of er geen gebruik van maken Dure spullen en/of kleding Afwijkend gedrag en/of een verandering in gedrag Geheimzinnig gedrag Vaker buiten (ook in de nacht) Aanmeten van een ‘stoere’ houding (n.a.v. verkregen status) Jongeren die (in toenemende mate) moeite hebben met hiërarchie en grenzen Lak aan de regels, zoals rijden zonder rijbewijs Opmerkzaamheid, alertheid: alles zien en door (willen) hebben Het niet focussen op het gesprek, continue afgeleid zijn.

Gestrest Overstap softdrugsgebruik naar harddrugsgebruik Met mes of ander wapen op zak rondlopen Telefoongebruik Twee of meer mobiele telefoons (vaak PrePaid) Snelle wisseling van telefoonnummers

98

Veel bellen, ook ‘s nachts Wijziging in sociale contacten Omgaan met andere vrienden(groep): ‘doelgroep’/‘slechte vrienden’ Terugtrekken uit ‘normale’ contacten Van de radar verdwijnen, uit beeld (met name wat grotere jongens) Geen contact meer willen met professionals, zoals wijkagent, jongerenwerker, straatcoach (afspraken hierin niet nakomen of op straat niet meer aanspreekbaar zijn) Opstapeling Vastlopen/opstapeling problemen

8.4 Opvallende verschillen tussen de drie gemeenten Op basis van de kwalitatieve gegevens – de bevindingen uit de groepsgesprekken – komen er geen verschillen tussen de gemeenten naar voren in de voedingsbodem voor betrokkenheid bij drugscriminaliteit. Alle hiervoor beschreven risicofactoren komen in de drie gemeenten – Delft, Den Haag en Noordwijk – voor. Om toch te kunnen kijken naar verschillen tussen de gemeente gebruiken we in deze paragraaf kwantitatieve demografische gegevens van de website Zicht op ondermijning (Citydeal). Zij hebben een risicomodel samengesteld dat voor jongeren tussen de 8 en 23 jaar bepaalt wie een verhoogd risico loopt om door de politie verdacht te worden van een drugsdelict. Het model is gemaakt op basis van risicofactoren die vanuit wetenschappelijke literatuur en kennis van domeinexperts zijn bepaald (waarvan een deel hier voorgaand ook aan de orde is gekomen). De volgende kenmerken zijn meegenomen: geslacht, leeftijd, schuldsanering (ouders), sociaaleconomische status (ouders), het niet betalen van de zorgverzekering (jongere en ouders), aantal Haltdelicten, opleidingsniveau (ouders), voortijdig schoolverlaten, het volgen van speciaal onderwijs, de leeftijd van de vader en de moeder, thuiswonend kind in eenoudergezin en het percentage verdachte familieleden. De risicoscores zijn vervolgens per wijk in zes categorieën ingedeeld.

64 Hoe hoger de score, hoe hoger het risico dat een jongere in een wijk bij drugscriminaliteit betrokken raakt. De drie Noordwijkse wijken hebben gemiddeld een score van 0,16 (en tussen de wijken is er nauwelijks verschil). Die score betreft de vierde categorie van risico (van zes). De elf Delftse wijken waarvoor een score bekend is hebben gemiddeld een score 0,15: de derde categorie van risico (van zes). Relatief hoog scoren de wijken Buitenhof en Ruiven (0,17: vijfde risicocategorie). Den Haag heeft tot slot een gemiddelde risicoscore van 0,16 (de vierde categorie van risico). Er zijn echter een flink aantal wijken in Den Haag die in de hoogste risicoscore (zesde categorie) vallen:    

Duindorp (0,18), Kijkduin en Ockenburgh (0,19), Loosduinen (0,18), Centrum (0,18), 64. 1) <0,135, 2) 0,135-0,145, 3) 0,145-0,155, 4) 0,155-0,165, 5) 0,165-0,175, 6) >0,175

99

         

Schilderbuurt (0,20), Transvaalkwartier (0,19), Bouwlust en Vrederust (0,19), Morgenstond (0,18), Moerwijk (0,19), Groente- en Fruitmarkt (0,20), Laakkwartier en Spoorwijk (0,18), Binckhorst (0,33), Hoornwijk (0,30), Forepark (0,23).

8.5 Reflectie In het hoofdstuk 2 is uitvoerig aan de orde gekomen welke risicofactoren er volgens de literatuur zijn als het gaat om het betrokken raken bij criminaliteit. Het gaat om individuele factoren (alcohol en drugs, psychopathologie, agressie en vroegdelinquent gedrag en traumatische ervaringen), gezinsfactoren (pedagogische onmacht, huiselijk geweld, delinquent gezinslid, wijziging in thuissituatie), schoolfactoren (pesten, spijbelen, slechte leerprestaties, gedrag van vrienden, risicovolle vrijetijdsbesteding) en factoren op het gebied van maatschappij en cultuur (armoede, werkloosheid, verloederde wijk, dicht opeen wonen, grote mobiliteit, geringe sociale bindingen en organisatie gemeenschappen). Grosso modo zijn in dit hoofdstuk vergelijkbare factoren naar voren gekomen wat betreft het betrokken raken of zijn bij de (georganiseerde) drugscriminaliteit (hoewel ze in dit hoofdstuk wel iets anders zijn ingedeeld). Op het eerste gezicht lijkt er dus geen verschil tussen Jonge Aanwas in reguliere criminaliteit en Jonge Aanwas in (georganiseerde) drugscriminaliteit. Nader bekeken komen er echter wel enkele verschillen naar voren. Wat allereerst in het oog springt bij drugscriminaliteit betreft de aantrekkingskracht van het zogenaamde snelle geld en de samenhang met de eigen financiële situatie (bijvoorbeeld armoede en mogelijk drugsgebruik dat gefinancierd moet worden).

Met meer reguliere, lichte jeugdcriminaliteit, zoals vernieling, een vechtpartij of een winkeldiefstal valt namelijk geen (groot) geld te verdienen. Een ander belangrijk verschil zit in de beïnvloeding door negatieve rolmodellen en verkeerde vrienden. Bij meer reguliere criminaliteit lijkt dit te gaan om vrienden die door groepsdruk tot (kleinere) criminele activiteiten aanzetten. Bij (georganiseerde) criminaliteit lijkt de beïnvloeding een bredere scope te hebben, deze kan ook plaatsvinden door negatieve rolmodellen waar de jongere zelf (nog) geen contact mee heeft. Of door oudere jongens in de buurt. Tot slot zijn er bij Jonge Aanwas in de drugscriminaliteit enkele specifieke signalen die (bijvoorbeeld) professionals kunnen oppikken, die niet per se bij meer reguliere criminaliteit een rol spullen spelen. Zoals onverklaarbaar veel vermogen (gezien de hoge verdiensten in de drugscriminaliteit) en telefoongebruik (voor de handel).

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11286065/1