CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311775 Bijlage 2 Jongeren en georganiseerde drugscriminaliteit in de regio Den Haag

Commissie Bestuur 16 november 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Veiligheid32.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Jongeren en georganiseerde drugscriminaliteit in de regio Den Haag Een onderzoek naar aard, omvang, voedingsbodems en preventie

Anton van Wijk Juno van Esseveldt Jolijn Broekhuizen Eric Bervoets

In opdracht van

In opdracht van het RIEC Den Haag

Met medewerking van Kyra van den Akker Linda Hak

Opmaak

Marcel Grotens

Jongeren en georganiseerde drugscriminaliteit in de regio Den Haag Een onderzoek naar aard, omvang, voedingsbodems en preventie

Anton van Wijk, Juno van Esseveldt, Jolijn Broekhuizen en Eric Bervoets © 2021, Bureau Beke, Arnhem. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs.

Voorwoord Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van RIEC Den Haag en is niet mogelijk geweest zonder de kennis en ervaring van de respondenten die we hebben geïnterviewd. In het bijzonder zijn we dank verschuldigd aan Antoine Kok, Kristiaan Schuppers en Sandor Habers van de politie Den Haag en Eddy Klein Hofmeijer van politie Oost-Nederland voor hun hulp en creativiteit bij het vormgeven van de netwerken. Dankzij hen hebben we de netwerkanalyses naar een hoger plan weten te brengen. Tot slot danken we de leden van de begeleidingscommissie voor hun meedenken en opbouwende commentaar op een eerdere versie van dit rapport. De onderzoekers, juni 2021

Inhoudsopgave 1

Inleiding, vraagstelling en opzet van het onderzoek

7

1.1 1.2

1.3

Onderzoeksvragen 8 Onderzoeksopzet 10 1.2.1 Ontwikkelen analysekader op basis van wetenschappelijke literatuur 10 1.2.2 Analyse politiegegevens 10 1.2.3 Verdiepende groepsinterviews veiligheid en zorgprofessionals 13 1.2.4 Verdiepende groepsinterviews politie en OM 14 1.2.5 Aanvullende verdiepende interviews 15 1.2.6 Regionale gesprekstafel 15 Leeswijzer 17

2

Van literatuur naar analysekader

18

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

Jonge Aanwas bij (georganiseerde) drugshandel Betrokken raken Jonge Aanwas bij georganiseerde drugshandel (proces) Drijfveren Factoren (voedingsbodems) Soorten interventiemogelijkheden Rol stakeholders Analysekader

18 20 22 22 25 33 34

3

Drugscriminaliteit in de Regionale Eenheid Den Haag

37

3.1 3.2 3.3 3.4

Geregistreerde drugsdelicten Geregistreerde drugssubjecten Vergelijking met 2017 Resumé

37 39 44 45

4

Drugscriminaliteit in de gemeente Den Haag

47

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Geregistreerde drugsdelicten Geregistreerde drugssubjecten Drugsnetwerken Vergelijking met 2017 Resumé

47 48 52 58 58

5

Drugscriminaliteit in de gemeente Delft

60

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

Geregistreerde drugsdelicten Geregistreerde drugssubjecten Drugsnetwerken Vergelijking met 2017 Resumé

60 61 64 71 72

6

Drugscriminaliteit in de gemeente Noordwijk

73

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Geregistreerde drugsdelicten Geregistreerde drugssubjecten Drugsnetwerken Vergelijking met 2017 Resumé

73 74 76 80 80

7

Betrokken raken bij georganiseerde drugscriminaliteit

82

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5

Geleidelijke instroom via sociale netwerken Actieve rekrutering Familie Opvallende verschillen tussen de drie gemeenten Resumé

82 84 86 87 88

8

(Risico)factoren, drijfveren en signaalgedrag

89

8.1

Voedingsbodem: risicofactoren 8.1.1 Individuele factoren 8.1.2 Gezinsfactoren 8.1.3 Onvoldoende toekomstperspectief (school-werk) 8.1.4 Bredere omgeving: vrienden en straatcultuur Drijfveren Signalen Opvallende verschillen tussen de drie gemeenten Reflectie Resumé

89 89 91 93 93 94 96 99 100 101

Gemeenten op hoofdlijnen vergeleken

102

9

Interventies

103

9.1 9.2

Uitgangspunten beleid: nog geen lokale focus op Jonge Aanwas Soorten interventies 9.2.1 Individueel 9.2.2 Gezin 9.2.3 School 9.2.4 Bredere omgeving (o.a. groepen, sport): nog geen anti-wervingsstrategieën Rol stakeholders 9.3.1 Grenzen stellen 9.3.2 Risicoreductie en opvoeding 9.3.3 Sociale bindingen Opvallende verschillen tussen de drie gemeenten Resumé

103 105 105 107 108

8.2 8.3 8.4 8.5 8.6

9.3

9.4 9.5

110 112 112 113 113 114 114

10

Conclusies, beschouwing en adviezen lokale en regionale aanpak

10.1 Opzet van en reflectie op het onderzoek 10.2 Beantwoording onderzoeksvragen 10.3 Aanbevelingen lokale en regionale aanpak

Geraadpleegde Literatuur

115 115 116 120

127

Bijlage 1: Verantwoording literatuurscan

131

1 Inleiding, vraagstelling en opzet van het onderzoek Het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) Den Haag ondersteunt zijn partners bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit. Daarbij gaat veel aandacht uit naar ondermijning: de ontwrichtende invloed van georganiseerde criminaliteit op de samenleving. In het verlengde daarvan heeft het RIEC behoefte aan onderzoek waarin wordt bestudeerd hoe betrokkenheid van jongeren bij georganiseerde drugscriminaliteit kan worden voorkomen. Er bestaat de zorg dat jongeren worden gebruikt om te runnen of te dealen en zo betrokken raken bij georganiseerde drugshandel. Het gevaar is dat jongeren voor zichzelf daardoor de weg naar een reguliere maatschappelijke carrière afsnijden. Georganiseerde criminaliteit openbaart zich veelal via al dan niet duurzame samenwerkingsverbanden die zich toeleggen op criminele winsten. Vaak speelt drugshandel daarbij een centrale rol, hoewel deze verbanden zich kunnen richten op meerdere vormen van misdaad (Bervoets en Van Wijk, 2016). Om de continuïteit van de criminele bedrijfsvoering te garanderen, is nieuwe aanwas nodig. Uit eerder onderzoek blijkt dat het dominante patroon van de rekrutering 1 bestaat uit zij-instroming (Van de Bunt en Kleemans, 2007). Het gaat dan om volwassenen die vanuit hun professionele expertise crimineel worden.

Denk bijvoorbeeld aan corrupte medewerkers van bedrijven of overheidsorganisaties, die criminelen faciliteren en uiteindelijk ook zelf actief onderdeel worden van criminele verbanden. Daarnaast wordt ook nieuwe aanwas geworven onder de jeugd. De kans op rekrutering is volgens de literatuur niet voor alle jongeren gelijk. Jongeren die deel uitmaken van problematische jeugdgroepen of -netwerken hebben een grotere kans op rekrutering. Jeugdgroepen en -netwerken kunnen worden opgevat als de ‘kraamkamer van de criminaliteit’ (Ferwerda, Beke en Bervoets, 2013). Daarnaast hebben ook jonge familieleden van beroepscriminelen een grotere kans om te worden geworven, waarmee we raken aan het verschijnsel van de criminele familie als samenwerkingsverband (Boer, Ceulen, Moors en Spapens, 2020). Het werven van nieuwe aanwas is onderdeel van het zogeheten doorcriminaliseren van criminele jeugd (Ferwerda, Beke en Bervoets, 2013). Daarmee wordt een criminele carrière bedoeld die van kwaad tot erger gaat, bijvoorbeeld van drugsrunner naar spil in een dealernetwerk. Op basis van een empirisch onderzoek in een aantal gemeenten worden vijf typen delinquenten onderscheiden: de Criminele Locals, de Jonge Aanwas, de Rising Stars, de Harde Kern en de Facilitators (Ferwerda, Beke en Bervoets, 2017). Hetzelfde onderscheid hanteren we in dit onderzoek.

Om te bepalen welke jongeren onder welk type vallen, zijn de antecedenten en de actieradius doorslaggevend. De Locals hebben een beperkte actieradius, en zijn vaak oudere, lokale veelplegers. Zij behoren niet tot de succesvolle criminelen. De Harde Kern is wel succesvol: dit zijn beroepscriminelen met een stevige verzameling antecedenten én een grote actieradius. Zij zijn vaak bovenlokaal 1.

In dit onderzoek gebruiken we de termen werven en rekruteren door elkaar.

7

(en zelfs internationaal) actief. Vanuit lokaal en regionaal veiligheidsperspectief zijn de Rising Stars het meest interessant. Het gaat daarbij, kort gezegd, om(boven)lokaal aanstormend crimineel talent. Het risico bestaat dat leden van deze groep zich zullen doorontwikkelen richting de Harde Kern. De groep Rising Stars is nog redelijk zichtbaar in het publieke domein. Dan de Jonge Aanwas: dat zijn jongeren die door professionals worden gezien als risicogroep en zich veelal schuldig maken aan ernstige delicten, zoals bedreigingen, intimidatie, woninginbraak, straatroof en overvallen. Het betreft onder meer ‘territoriaal geweld’ (Beke et al., 2013). Ze claimen een straat of buurt als ‘domein’, voelen zich heer en meester in de wijk en intimideren of bedreigen bewoners. Tenslotte de categorie Facilitators. Zij verlenen hand- en spandiensten aan personen in het criminele circuit, zoals helers, vaders uit criminele families en katvangers. Het RIEC wil onder het motto ‘voorkomen is beter dan genezen’ meer inzicht krijgen in de betrokkenheid van jongeren bij de georganiseerde drugscriminaliteit in de regionale eenheid Den Haag en de wijze waarop deze jongeren hierbij betrokken kunnen worden. De onderzoeksbevindingen moeten resulteren in aanbevelingen om de betrokkenheid van jongeren bij de georganiseerde drugscriminaliteit zoveel mogelijk te voorkomen.

1.1 Onderzoeksvragen De onderzoeksvragen die leidend zijn geweest voor dit onderzoek zijn geclusterd in vier onderdelen. Cluster A ligt in het verlengde van het aangehaalde onderzoek naar de Criminele Locals, de Jonge Aanwas, de Rising Stars en de Harde Kern; bij cluster B gaat het om het proces van doorcriminaliseren en de duiding daarvan. Bij cluster C gaat het om interventies om de aanwas te blokkeren en bij D om aanbevelingen op maat. A Aard en mate en positie van Jonge Aanwas in georganiseerde drugsproblematiek 1. Wat is het beeld in de eenheid Den Haag (de gehele regio en specifiek Den Haag, Delft en Noordwijk) van de positie van jongeren in de georganiseerde drugscriminaliteit: aard, omvang, leeftijd, achtergrond en rol? 2. Zijn jongeren in de eenheid Den Haag (de gehele regio en specifiek Den Haag, Delft en Noordwijk) in 2020 op jongere leeftijd betrokken bij georganiseerde drugscriminaliteit dan in 2017 het geval was? B Proces en voedingsbodem betrokkenheid jongeren in georganiseerde drugsproblematiek 3. Via welk proces komen jongeren in de regio Den Haag in de georganiseerde drugscriminaliteit terecht? a. Kiezen ze er bewust voor of rollen ze erin? b. Komen ze er in terecht via een ronselaar (met eventuele grooming-methodieken) of door ‘peers’ (vrienden of kennissen van school, sport, de buurt) of de familie (intergenerationeel)? c.

Zijn er hierin verschillen tussen de gehele regio en de gemeenten Den Haag, Delft en Noordwijk?

8

4. Welke factoren dragen bij aan het betrokken raken van jongeren in de georganiseerde drugscriminaliteit, wat is de zogenaamde voedingsbodem (risicofactoren) en wat zijn beschermende factoren? a. Wat zijn drijfveren van deze jongeren? b. Wat zijn kenmerken van deze jongeren (profiel)? c. Welke sociaaleconomische en maatschappelijke factoren spelen een rol? d. Zijn hierin verschillen tussen de gehele regio en de gemeenten Den Haag, Delft en Noordwijk? C Voorkomen van Jonge Aanwas 5. Hoe kan voorkomen worden dat jongeren zich inlaten met (georganiseerde) drugscriminaliteit? a. Wat gebeurt er al in de regio Den Haag als het gaat om het tegengaan van Jonge Aanwas in de (georganiseerde) drugscriminaliteit (en specifiek in de gemeenten Den Haag, Delft en Noordwijk)? b. Welke interventiemogelijkheden zijn er nog meer? c. Welke rol kunnen stakeholders zoals onderwijs, zorg, overheid en sportclubs spelen? d. Wat zijn risico-indicatoren/signalen waar professionals bij onderwijs, jeugdzorg, sportclubs, jongerenwerk, wijkteams op kunnen letten als een jongere betrokken raakt of is geraakt bij georganiseerde drugsproblematiek? e. Wat is de rol van het strafrecht? Hebben (hogere) straffen een afschrikwekkende werking?

D Aanbevelingen lokale en regionale aanpak 6. Wat zijn vanuit de onderzoeksbevindingen concrete aanbevelingen voor preventieve aanpak in de regio Den Haag -gericht op het tegengaan van het betrokken raken van jongeren in georganiseerde drugscriminaliteit? a. Uit welke onderdelen moet een regionale preventieve aanpak bestaan? b. Welke onderdelen moeten lokaal aangepakt worden, welke regionaal? 7. Aangaande de lokale aanpak: wat zijn specifieke aanbevelingen voor de gemeenten Den Haag, Delft en Noordwijk? 8. Aangaande de regionale aanpak: wat is de mogelijke rol van de twee zorg- en veiligheidshuizen in de regio, het RSIV en het RIEC?

Begrippen In dit onderzoeksverslag gaat het om de betrokkenheid van Jonge Aanwas bij de georganiseerde drugscriminaliteit. We vatten dat begrip ruim op en zullen veelal spreken over ‘jongeren’. We beperken ons met andere woorden niet tot de ‘Jonge Aanwas’, zoals gedefinieerd ten behoeve van de typologie, omdat dat een te beperkt beeld geeft van de

9

problematiek. Ook de zogenoemde Rising Stars nemen we mee in het onderzoek. Overigens gebruiken respondenten het begrip Jonge Aanwas ook om de betrokkenheid van jongeren bij criminaliteit in het algemeen te omschrijven. In het volgende hoofdstuk gaan we dieper in op de typologie en gehanteerde definities.

1.2 Onderzoeksopzet In dit hoofdstuk beschrijven we hoe het onderzoek is opgezet en uitgevoerd. Er is een mix van methoden toegepast. Het uitgangspunt zijn analyses van politieregistraties geweest, voor zowel de gehele regio als de drie onderzoeksgemeenten: Den Haag, Delft en Noordwijk. Daarna zijn aan de hand van een analysekader, dat is ontwikkeld op basis van wetenschappelijke literatuur, groeps- en individuele interviews gehouden met professionals binnen diverse organisaties. Er heeft voorts een regionale gesprekstafel plaatsgevonden. De resultaten van de onderzoeksactiviteiten zijn vervat in een openbare en geanonimiseerde rapportage. We lichten de diverse activiteiten hieronder verder toe.

1.2.1 Ontwikkelen analysekader op basis van wetenschappelijke literatuur Voor het kunnen beantwoorden van de onderzoeksvragen is allereerst gezocht in al bestaande literatuur. Hierbij lag de focus voornamelijk op wetenschappelijke literatuur die van toepassing is op Nederland en niet ouder was dan (ongeveer) vijf jaar. Of het moest klassiekers betreffen waarnaar meerdere bronnen terugverwijzen. De onderzoeksvragen gaven ons richtlijnen voor zoekopdrachten (zie verder bijlage 1 voor de beschrijving van de uitvoering).

1.2.2 Analyse politiegegevens De kern van de kennisbehoefte van het RIEC is om meer zich te krijgen in jongeren die in aanraking komen met de georganiseerde drugscriminaliteit. Als start is een analyse uitgevoerd van de registraties bij de politie inzake drugsmisdrijven. Bij de betreffende afdeling (RIO, control) van de eenheid Den Haag zijn alle registraties opgevraagd uit 2020 die betrekking hebben op drugs aan de hand van de maatschappelijke klassen F40, F41, F42, F43, F44 en F45. Bij de geregistreerde drugsdelicten zijn vervolgens de personen opgevraagd die daarbij zijn vermeld. Er is daarbij gekeken naar de rol ‘verdachte’ van een drugsmisdrijf om een zo ‘sterk’ mogelijke uitspraak te kunnen doen over de betrokkenheid van jongeren bij georganiseerde drugscriminaliteit. Om die reden zijn andere rollen zoals ‘betrokkene’ eruit gelaten, omdat die relaties met drugs veel zwakker (of in de praktijk soms helemaal afwezig) zijn. 2

2.

Voorbeeld: de politie controleert een groep jongeren en treft bij een van hen drugs aan. De anderen kunnen dan als ‘betrokkene’ worden geregistreerd.

10

In 2020 gaat het om 1.263 geregistreerde drugsmisdrijven in de gehele regio en om 1.468 verdachten (drugssubjecten). Van de drugssubjecten zijn de volgende gegevens opgevraagd.       

Leeftijd ten tijde van het delict Leeftijd op peildatum Geslacht Pleeg- en woonplaats Antecedenten (omvang en aard) BVH-registratienummer KENO-sleutel

Om de veronderstelling te kunnen toetsen dat de drugscriminaliteit ‘verjongt’, zijn ook de gegevens (drugsdelicten en verdachten) uit 2017 meegenomen.

Mate van georganiseerdheid: netwerken Op voorhand moet worden opgemerkt dat het bepalen van de mate van georganiseerdheid van de drugscriminaliteit voor buitenstaanders een lastige aangelegenheid is. Zeker waar het drugscriminaliteit betreft die een groot dark number kent. Een manier die hier het dichtst bij komt, is het construeren van netwerken op basis van politiegegevens. Kort gezegd: we gaan na in hoeverre de drugsverdachten de delicten met anderen hebben begaan. Op basis van deze samenwerkingsverbanden kunnen netwerken worden geconstrueerd die: 1) het aantal personen in dat netwerk weergeven en 2) de posities laten zien die de personen daarin innemen. Aangezien de vraagstelling zich richt op jongeren hebben we er – ook omwille van het overzicht – voor gekozen om als uitgangspunt (eerste ring) alle verdachten van drugsmisdrijven tot en met 23 jaar te nemen. 3 Voor de ‘tweede’ en ‘derde’ ring zijn geen nadere selecties gemaakt. Voor de drie onderzoeksgemeenten zijn afzonderlijke netwerken gemaakt, waarbij is uitgegaan van de pleegplaats. Als ‘extra’ onderbouwing voor de mate van betrokkenheid bij de georganiseerde drugshandel is ook gekeken in hoeverre de verdachten deel uitmaken van problematische jeugdgroepen en – op geaggregeerd niveau – of zij voorkomen in rechercheonderzoeken.

4 In dat laatste geval hoeft het niet te gaan om uitsluitend drugscriminaliteit; ook andere misdrijven zijn mogelijk (overvallen, ontvoering, inbraak et cetera). Beide elementen – problematische jeugdgroepen en voorkomen in rechercheonderzoeken – kunnen de betrokkenheid van jongeren bij georganiseerde (drugs)criminaliteit nader inkleuren.

3.

4.

De keuze voor 23 jaar is enigszins arbitrair. Onze overweging is dat 23 jaar de grens is van het adolescentenstrafrecht. Het uitgangspunt is dat jongeren van 16 en 17 jaar worden berecht volgens het jeugdstrafrecht en jongeren van 18 tot 23 jaar volgens het volwassenenstrafrecht, maar de rechter kan op grond van de ernst van het delict en de persoonlijkheid van de verdachte van dit uitgangspunt afwijken (rechtspraak.nl). Daarvoor is gekeken in de zogenoemde Summ-It database door de medewerkers van de politie die ons nogmaals op geaggregeerd niveau hebben gemeld hoeveel drugsverdachten voorkomen in een of meer rechercheonderzoeken. De onderzoekers mogen dat zelf niet inzien.

11

Nadere duiding van de netwerken Aan de hand van de BVH-gegevens en de netwerken is een vervolgstap mogelijk, namelijk om de netwerken, in het bijzonder de personen die daar deel van uitmaken, nader te duiden. We doen dat op een beproefde en eenduidige manier door de drugssubjecten te classificeren door rekening te houden met hun leeftijd en hun criminele actieradius. 5 De volgende typen kunnen dan worden onderscheiden: Jonge Aanwas, Rising Star, Harde Kern, Criminele Locals en Facilitators. De indeling in typen gebeurt aan de hand van de regels: minimaal tien politieregistraties (voor enig feit), waarvan er drie in de rol als verdachte. Schematisch ziet de classificatie er als volgt uit: Tabel 1.1: Classificatie van subjecten in fase criminele carrière

Actieradius Leeftijd

Lokaal

Regionaal

Landelijk

Diffuus

t/m 17

Jonge Aanwas

Rising Star

Harde Kern

X6

18 t/m 21

Rising Star

Rising Star

Harde Kern

Rising Star

22 t/m 29

Criminele ‘locals’

Harde Kern

Harde Kern

Harde Kern

30 t/m 39

Criminele ‘locals’

Criminele ‘locals’

Harde Kern

Criminele ‘locals’

40 en ouder

Facilitator

Facilitator

Harde Kern

Criminele ‘locals’

De bepaling van de actieradius strafbare feiten Per strafbaar feit wordt op basis van de berekende afstand tussen woon- en pleegplaats de actieradius bepaald. De actieradius kent drie categorieën: lokaal, regionaal en landelijk. Indien de afstand tussen woon- en pleegplaats 0 km betreft, dan krijgt het de categorie lokaal. Is de afstand tussen de 0 km en de 30 km, dan krijgt het de categorie regionaal. Is de afstand groter of gelijk aan 30 km, dan krijgt het de categorie landelijk 7.

De actieradius per persoon Naast dat per strafbaar feit de actieradius wordt berekend, wordt deze ook per persoon bepaald. Per persoon wordt bepaald hoeveel procent van alle – door de persoon gepleegde strafbare feiten – lokaal, regionaal of landelijk hebben plaats gevonden. Daarnaast kan het ook voorkomen dat de woon- of pleegplaats onbekend is. 5.

6. 7.

Zie H. Ferwerda, B. Beke en E. Bervoets (2017). De onzichtbare invloed van bovenlokale criminele netwerken op de wijk. Tijdschrift voor Politie, 9/10, p. 6-11. In politie-eenheden en gemeenten wordt eenzelfde classificatie gebruikt waardoor er eenheid van begrip ontstaat en er onderlinge vergelijkingsmogelijkheden zijn. Subjecten met dit profiel nader bekijken en indelen. Om praktische redenen kunnen de begrenzingen (voor lokaal, regionaal en landelijk) per gemeente verschillen. Den Haag is qua oppervlakte immers groter dan Noordwijk.

12

Indien 70 procent of meer van alle strafbare feiten lokaal zijn gepleegd, krijgt de persoon het label ‘Lokaal’. Bij 70 procent of meer regionaal gepleegde stafbare feiten, krijgt de persoon het label ‘Regionaal’. En bij 70 procent of meer landelijk gepleegde stafbare feiten, het label ‘Landelijk’. Bij 70 procent of meer onbekend krijgt de persoon het label ‘Onbekend’. Vervolgens ontstaat er ook een overige categorie. Dat is wanneer bovenstaande niet logisch blijkt te zijn. Indien een persoon bijvoorbeeld een verhouding heeft van 60 procent lokaal, 20 procent regionaal en 20 procent landelijk of als de verhouding meer evenredig is verdeeld, dan krijgt de persoon het label ‘Diffuus’. Met deze classificatie kunnen we inzichtelijk maken uit welke typen criminelen de betreffende netwerken bestaan. Deze exercitie voegt naar ons idee een waardevol element toe aan de kennisbehoefte bij het RIEC door niet alleen naar het aandeel van de personen in de drugscriminaliteit te kijken, maar tegelijk ook die subjecten nader te differentiëren. Hiermee krijgt ook de betrokkenheid van jongeren een nadere inkleuring. Met andere woorden, we kunnen vaststellen hoeveel Rising Stars, Jonge Aanwas, Harde Kern et cetera er aanwezig is binnen de gevonden drugsnetwerken.

1.2.3 Verdiepende groepsinterviews veiligheid en zorgprofessionals Per casusgemeente heeft er een groepsinterview plaatsgevonden met veiligheid- en zorgprofessionals die in direct contact staan met (kwetsbare) jongeren. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld handhavers, onderwijskrachten, jeugdhulpverleners, jongerenwerkers en reclasseringsmedewerkers. Een enkele respondent had iets minder contact met jongeren zelf, maar was dan wel weer (beleidsmatig) goed op de hoogte van het lokale jeugd- en veiligheidsdossier. De deelnemers zijn afgestemd met de contactpersoon van elke casusgemeente. In deze gesprekken stonden de volgende thema’s centraal: de voedingsbodem voor en het instroomproces van jongeren in de drugscriminaliteit en de huidige en gewenste aanpak van de betrokkenheid van jongeren bij drugscriminaliteit. Ook is ter reflectie en aanvulling een geanonimiseerd netwerk van jeugdige drugscriminelen in de desbetreffende gemeente voorgelegd. Onderstaand zijn de deelnemers weergegeven. De gesprekken duurden 3 uur en vonden plaats via MS Teams (vanwege COVID-19). Bij de afname van de semigestructureerde topiclijst is gebruikt van de online tool Mentimeter. Delft 9 maart 2021 13:00–16:00 uur

Noordwijk 30 maart 2021 13.00-16.00

Den Haag 24 maart 2021 13:00-16:00

Procesregisseur Persoonlijke aanpak Delft PAD gemeente Delft

Team JOV-gemeente

Bestuurlijk beleidsadviseur Veiligheid & cluster coördinator PGA

Juridisch Beleidsadviseur ondermijning – gemeente Delft

Procesregisseur Zorg en Veiligheid

Bestuurlijk beleidsadviseur Veiligheid & regisseur PGA

Wijkmarshall- gemeente Delft

Jeugd Preventie Team – GGD

Reclasseringswerker Reclassering Nederland

PAD-coach Delft support

Jongerenwerker

Jongerenwerker Stichting Mooi

13

Jongerenconsulent

Jeugdreclassering

Handhaver gemeente Den Haag

Heeft nooit plaatsgehad

Jeugdreclassering

Gezinscoach risicoteam CJG & top X Jonge Aanwas

Jongerenwerk – Delft voor Elkaar (Participe)

Onderwijs/accounthouder HALT

Manager Jeugd interventieteam & coördinator top X Jonge Aanwas

Algemeen Directeur CANIDREAM

Onderwijsadviseur -gemeente Noordwijk

Jeugdbeschermer Jeugdbescherming West

Jongerenwerker The Mall- Youth for Christ

Handhaving

Reclassering Nederland Jeugdbeschermer – JB West Westcoaching

1.2.4 Verdiepende groepsinterviews politie en OM De kanttekening bij de kwantitatieve onderzoeksbenadering is dat het om geregistreerde drugscriminaliteit gaat. De werkelijkheid kan er anders uitzien, zowel in termen van netwerken als de typering van de drugssubjecten. Om die reden hebben we met politiemensen (wijkteams en recherche) kritisch de niet-geanonimiseerde netwerken doorgenomen en waar nodig aangevuld, genuanceerd en ingekleurd. Ook is met de politie en het OM gesproken over wat zij in de desbetreffende gemeenten zien qua methoden, routes waarmee jongeren in de (georganiseerde) drugscriminaliteit terecht komen en wat volgens hen kansrijke (preventieve) interventiemogelijkheden zijn. In Delft en Noordwijk heeft er één gesprek met de politie plaatsgevonden (OM sloot hierbij niet aan). In Den Haag zijn er drie sessies geweest: één met het OM, twee met de politie. De gesprekken met de politie vonden op locatie plaats en duurden 2 à 3 uur. Het gesprek met het OM vond plaats via Teams. Delft 12 maart 2021 13:00-16:00

Noordwijk 20 april 2021 13:00-16:00

Den Haag I (OM) 13 april 2021 13:00-15:00

Senior GGP Jeugd

Politie Wijkzorg

Beleidsadviseur AP Operationeel ExDen Haag, afdeling pert Tactische Beleid en Strategie Opsporing (portefeuilles jonge aanwas en ondermijning)

Senior tactische opsporing Jeugd

Wijkagent

Beleidsadviseur AP Den Haag, afdeling Beleid en Strategie (portefeuilles o.a. jeugd en jeugdgroepen)

14

Den Haag II (poli- Den Haag III (potie) litie) 18 mei 2021 26 mei 2021 12.30-15.00 10:00-13:00 Operationeel Specialist - A Sociaal domein /wijkzorg

Operationeel Operationeel Specialist - A Tac- Specialist - C tische Projectleider Opsporing jongeren en messengeweld Eenheid Den Haag

Procesregisseur PAD (gemeente)

Jeugdagent

Generalist Tactische Opsporing

Operationeel Specialist - A Sociaal domein /wijkzorg

VVC Senior tactische opsporing – jeugd Jeugdspecialist en coördinator adviseur sociaal domein

1.2.5 Aanvullende verdiepende interviews Niet alle betrokkenen konden bij de groepsinterviews aanwezig zijn; ook niet omdat we een maximum stelden van tien respondenten per groepsinterview. Op die manier konden we iedereen goed aan het woord laten en daarmee voldoende interactie genereren. Gedurende het onderzoek kwamen nog nieuwe relevante respondenten naar voren. Verschillende respondenten zijn daarom apart gesproken. Deze gesprekken vonden via MS Teams plaats: Functie

Datum/Tijd

Locatie

Netwerkregisseur Radicalisering (gemeente).

11 maart 2021 11:00-12:30 uur.

Delft

Operationeel Specialist A (politie) met taakveld bestuurlijke aanpak.

25 maart 2021 09:30 – 11:00

Delft

Beleidsadviseur Radicalisering en Polarisatie (gemeente)

29 maart 2021 15:00 – 16:30 uur

Delft

Senior Adviseur Jeugd (gemeente) 29 maart 2021 15:00 – 16:30 uur

Delft

Leerplichtambtenaar.

09 april 2021 09:30-11:00 uur

Delft

Jeugdbehandelaar TopTeam De Waag.

12 april 2021 09:00-10:30 uur

Den Haag

Regisseur Regie op Preventie Delft.

2 mei 2021 09:30-10:00

Delft

1.2.6 Regionale gesprekstafel De laatste fase van de dataverzameling betrof de twee zogeheten regionale gesprekstafels met politie, Zorg- en Veiligheidshuizen en het RSIV (Regionale Samenwerkingsverband Integrale Veiligheid). In deze sessies koppelden we op hoofdlijnen de bevindingen terug en zijn we in gesprek gegaan over deze bevindingen en over de toekomstige aanpak van Jonge Aanwas. Deze sessies namen 2,5 à 3 uur in beslag en vonden op locatie plaats. Onderstaand de respondenten die bij de sessies aanwezig waren.

15

Sessie I 3 juni 2021 10:00-13:00 uur

Sessie II 3 juni 2021 14.00-17.00 uur

Beleidsadviseur OM Jeugd en Jeugdgroepen

Procesregisseur Den Haag

Beleidsadviseur Ondermijning

Beleidsadviseur ‘Zorg en Veiligheid’

Operationeel Specialist C District Zuid C

DRIO/Clustercoördinator HIC & Zorg en Veiligheid

Casusregisseur en Bestuurlijk adviseur RIECdistrict E RSIV Jonge Aanwas

Hieronder beschrijven we het veldwerk per gemeente.

Delft In Delft werd op 9 maart 2021 een online groepsinterview gehouden met personen van onder andere gemeente, welzijn, reclassering en jeugdbescherming (zie overzicht in paragraaf 1.2.3). Op 12 maart volgde een face-to-face groepsinterview met politie, waarin het netwerkschema Delft werd voorgelegd aan politiemensen en daarop werd doorgevraagd. Daarnaast vonden nog separaat interviews plaats met onder andere een politiemedewerker die zich richt op bestuurlijke aanpak, een netwerkregisseur van de gemeente, een gezamenlijk interview met twee beleidsmedewerkers van de gemeente (een op het dossier jeugd en een op het dossier veiligheid), een preventiewerker en een leerplichtambtenaar (zie eerder overzicht met respondenten). Tijdens het groepsinterview met de ‘niet-politiële’ professionals werd een geanonimiseerde versie van het netwerkschema voorgelegd. Ook werd gebruik gemaakt van een Mentimeter, als digitaal hulpmiddel om antwoorden in een groepsinterview te peilen en te ordenen.

Noordwijk Op 30 maart tussen 13.00-16.00 uur vond via MS Teams het eerste groepsgesprek over Jonge Aanwas in de drugscriminaliteit in Noordwijk plaats . Bij dit overleg sloten negen professionals aan werkzaam bij onder meer gemeente, GGD, jongerenwerk, jeugdreclassering of het onderwijs. Zij spraken – begeleid door de hiervoor genoemde Mentimeter – over de voedingsbodem, aantrekkingskracht en het instroomproces in de drugscriminaliteit voor jongeren. Ook werd ingegaan op het geanonimiseerde netwerkschema van Noordwijk. Vervolgens vond op 20 april tussen 13.00-16.00 uur een groepsgesprek met de politie plaats. Zes personen sloten bij deze sessie aan, met een wisselende achtergrond: van de wijkzorg tot opsporing, veelal met jeugd als specialisme. Tijdens dit gesprek is eveneens uitgebreid stilgestaan bij risicofactoren, pullfactoren en instroom in het drugscircuit. Hierna is gekeken naar het netwerkschema van Noordwijk ‘met namen en rugnummers’. Alle genodigden konden bij deze twee sessies aansluiten en er werden geen relevante, nieuwe respondenten aangedragen. In Noordwijk zijn daarom geen aanvullende interviews uitgevoerd.

16

Den Haag Het groepsgesprek met niet-politiële professionals vond in Den Haag op 24 maart plaats tussen 13.00-16.00 uur , middels Teams. Hierbij sloten acht personen aan uit verschillende organisaties, zoals de gemeente, reclassering en jongerenwerk. Met het OM (twee personen) is vervolgens gesproken op 13 april, tussen 13.00-15.00 uur, via Teams. Bij beide gesprekken is met name gesproken over voedingsbodem, instroomproces en aantrekkingskracht op jongeren van drugscriminaliteit. Het netwerk is alleen geanonimiseerd getoond. Vervolgens hebben er op locatie (bureau Laak) twee groepsgesprekken met de politie plaatsgevonden, waar in totaal zes personen aan deelnamen (op 18 en 26 mei). In deze gesprekken is uitgebreid stilgestaan bij de groepen en netwerken die in Den Haag (met name in het Schipperskwartier, Centrum) betrokkenheid hebben met drugs en aantrekkingskracht op jongeren kunnen uitoefenen. Ook is gesproken over voedingsbodems en instroomproces. In totaal is er met 16 respondenten over Jonge Aanwas in Den Haag gesproken.

1.3 Leeswijzer Deze rapportage is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt op basis van de literatuur toegewerkt naar een analysekader. In de hoofdstukken 3, 4 ,5 en 6 komen achtereenvolgens de analyses van de drugsproblematiek aan de orde voor de regio Den Haag en de onderzoeksgemeenten Den Haag, Delft en Noordwijk. Hoofdstuk 7 en 8 gaan over het betrokken raken bij de (drugs)criminaliteit en de voedingsbodems daarvoor. In hoofdstuk 9 gaan we in op de interventies om die betrokkenheid van jongeren bij de (drugs)criminaliteit tegen te gaan en tot slot – in hoofdstuk 10 – staat de beantwoording van de onderzoeksvragen, conclusies en adviezen.

17

2 Van literatuur naar analysekader In dit hoofdstuk werken we toe naar een analysekader. Dat geeft schematisch weer hoe de kernbegrippen (zie tabel 2.1) uit de onderzoeksvragen kunnen worden uitgewerkt. Dit kader vormt de basis van onze analyse van politie- en interviewdata en de ordening van de empirische hoofdstukken hierna. Tabel 2.1: Kernbegrippen uit de onderzoeksvragen

1

Jonge Aanwas bij (georganiseerde) drugshandel

2

Betrokken raken Jonge Aanwas bij georganiseerde drugshandel (proces)

3

Drijfveren

4

Factoren (voedingsbodem)

5

Soorten interventiemogelijkheden

6

Rol stakeholders

De begrippen in bovenstaand overzicht zijn ook de zoektermen in onze speurtocht naar literatuur (zie verder de methodologische verantwoording in de bijlage). We stellen vast dat er veel onderzoeksliteratuur bestaat over jeugdcriminaliteit en over drugshandel, ook in Nederland. Het literatuuronderzoek leverde echter weinig bronnen die specifiek over Jonge Aanwas gaan op. Hoofdverklaring daarvoor is, dat de aandacht voor deze specifieke doelgroep van tamelijk recente datum is. Bij de bespreking van de literatuur worden de hoofdlijnen toegelicht.

2.1 Jonge Aanwas bij (georganiseerde) drugshandel Dit onderzoek moet onder andere zicht bieden op de aard, omvang en achtergrond van Jonge Aanwas in de Regionale Eenheid Den Haag. Over Jonge Aanwas is voor zover bekend (nog) niet veel Nederlands onderzoek beschikbaar, in die zin dat de term Jonge Aanwas nadrukkelijk wordt gebruikt. Er is derhalve nog geen ruime kennisbasis – zoals wel bij de andere kernbegrippen – waarop we kunnen voortbouwen in de interviews, de beleidsscan (documentanalyse) en de netwerkanalyse. De stroom aan onderzoeken is pas recent op gang gekomen, mede als gevolg van beleidsambities van politie, gemeenten en RIEC’s in de richting van Jonge Aanwas. 8 Een wat ouder onderzoek is dat van Ferwerda, Beke en Bervoets (2017) naar bovenlokale (jeugd)netwerken in de criminaliteit. Hoewel het in die studie niet noodzakelijk over drugshandel gaat, speelt deze wel een belangrijke rol in de door hen geanalyseerde netwerken. Naast de Jonge Aanwas onderscheidden Ferwerda et al. (2017) nog de Rising

8.

Zo blijkt uit de recente studie Dealers in de Dop door onderzoekers van de Politie Eenheden Amsterdam en Midden-Nederland (2021), een onderzoek voor gemeente Tilburg door Bruinsma (2020) en onderzoeken in het kader van het Programma Straatwaarden in Midden-Nederland.

18

Stars, Criminele Locals, Harde Kern en Facilitators. We werken deze hierna uit, omdat deze categorieën inzicht geven in hoe de criminele wereld, waarin Jonge Aanwas terecht komt, eruitziet en de posities die zij eventueel na doorgroeien hierin kunnen gaan innemen. Op basis van het verzamelde materiaal beschreven Ferwerda et al. (2017) Jonge Aanwas als strafrechtelijk minderjarigen die - volgens jeugdprofessionals - een risico vormen om te worden gerekruteerd en die weinig respect tonen voor het lokaal gezag. In het onderzoek van Tops & Van der Torre (2015) wordt deze aanwas als volgt beschreven: ‘de criminele jeugd drijft straathandel in drugs en verleent hand- en spandiensten voor beter georganiseerde handelaren’. Daarnaast plegen zij een breed scala aan vermogensdelicten. Ze doen dit vooral buiten de wijk en in wisselende coalities, ook met jongeren uit andere wijken in de stad. Hiertoe wordt druk gebruikgemaakt van social media. Het maakt de criminele jeugd lokaal minder zichtbaar en grijpbaar. De Rising Stars (18 tot en met 21 jaar) vormen het zogenaamde aanstormende criminele talent. Zij groeien vaak door tot de Harde Kern. De personen binnen deze groep zitten als het ware in een soort overgangsfase.

Aan de ene kant zijn ze zichtbaar op straat en veroorzaken ze overlast, maar aan de andere kant vertonen ze strategisch gedrag en worden hun criminele handelingen belangrijker en professioneler. Om politieaandacht te mijden verdwijnen ze uit het publieke domein. Voor wat betreft leeftijd is er overlap met de Jonge Aanwas. Het onderscheidende criterium echter is de grotere actieradius van deze categorie, wegens bovenlokaal opereren. De Harde Kern bestaat volgens deze indeling uit personen van 21 jaar en ouder die regionaal en landelijk actief zijn met het uitvoeren van criminele handelingen. De Harde Kern is succesvol in criminaliteit en dient als een voorbeeld: criminaliteit loont. Hierdoor vormen zij een negatief rolmodel, vooral voor de Rising Stars. De Harde Kern wordt niet zelden gevormd door bloedverwanten (Bervoets & Van Wijk, 2016). Niet iedereen binnen het criminele netwerk schopt het ver. Sommigen raken verslaafd of worden veelpleger. Ze hebben sociale en psychische problemen, schulden, zorgen voor overlast en plegen meer eenvoudigere delicten. Ze zijn vooral betrokken bij de lokale criminele scene en zijn goed in beeld bij justitiële en hulpverleningsinstanties. Deze groep vormen de Criminele Locals. Tot slot de Facilitators. Dit is een kleinere en meer aparte groep. De Facilitators zijn vaak geen jeugd of jongvolwassenen meer.

Ze verlenen hand- en spandiensten voor het criminele netwerk. Denk bijvoorbeeld aan iemand die de beschikking heeft over een ruimte waar drugs kan worden opgeslagen en het transport regelt. Als we kijken naar de interactie en de dynamiek tussen bovenstaande beschreven categorieën, dan zien we dat de Jonge Aanwas en de Rising Stars beiden feitelijk doorgroeiers zijn in de criminaliteit (zo constateren ook Van Koppen et al., 2017 en Home Office, 2021). Het verschil tussen beide categorieën is dat Rising Stars gezien hun positie en (bovenlokale) rol in criminele samenwerkingsverbanden al een ‘trap hoger’ staan op de criminele ladder dan de Jonge Aanwas, die echt nog aan het begin is van een (eventuele) criminele carrière. Uit het onderzoek van Ferwerda, Beke & Bervoets (2017) blijkt overigens dat bovenlokale netwerkvorming een directe bedreiging is voor de lokale veiligheid

19

en dat er sprake is van lokaal beïnvloedingsgevaar. Op die manier kunnen lokale Rising Stars verder betrokken raken in een bovenlokaal netwerk en kunnen zij op die manier doorgroeien.

2.2 Betrokken raken Jonge Aanwas bij georganiseerde drugshandel (proces) Vaak speelt drugshandel daarbij een centrale rol, hoewel deze verbanden zich meestal richten op meerdere vormen van criminaliteit (Bervoets & Van Wijk, 2016). Om de continuïteit van de criminele bedrijfsvoering te garanderen, is nieuwe aanwas nodig. Uiteindelijk gaat het erom in dit onderzoek te weten te komen hoe jongeren in hun hoedanigheid van Jonge Aanwas betrokken raken bij georganiseerde drugshandel. Er zijn volgens de literatuur verschillende manieren waarop personen (waaronder jongeren) betrokken kunnen raken bij criminele netwerken en samenwerkingsverbanden (De Jong, 2007; Spapens, 2012; Bervoets & Van Wijk, 2016; Roks et al., 2020). De instroom van jeugdigen in de georganiseerde misdaad loopt deels geleidelijk via bestaande sociale netwerken van familie en vrienden uit de buurt, maar deels (ook) via rekrutering (zie ook Dealers in de Dop, Nationale Politie 2021). Het betrokken raken bij criminaliteit kenmerkt zich volgens de literatuur door opportunisme (Kleemans en De Poot, 2007; Spapens, 2012; Bervoets & Van Wijk, 2016; Roks et al., 2020): het gaat vaak niet doelbewust en is veelal afhankelijk van toevallige contacten en samenloop van omstandigheden. Hierna gaan we in op de verschillende wijzen waarop jongeren bij de criminaliteit betrokken kunnen raken.

Rekrutering De internationale aandacht voor rekrutering is in de criminologie niet van recente datum. Shaw en McKay (1931) vroegen zich al af hoe jonge criminelen via hun mededaders verder betrokken raakten bij – soms gaandeweg zwaardere – misdaad. Volgens Sutherland (1947) leren onervaren jeugdigen het vak van oudere, meer ervaren criminelen. We vatten dat verschijnsel samen onder de noemer verticale rekrutering. 9 Uit onderzoek van Bervoets en van Wijk (2016) blijkt dat er in sommige gevallen oudere groepsleden zijn die de jonge garde ‘adviseren’ over het vak, maar niet doelbewust ronselen (zie ook Ferwerda et al., 2013). Bervoets en van Wijk onderzochten dit fenomeen in een stad in Nederland en kwamen daar geen doelbewust wervingsproces tegen. Geregeld meldt nieuwe aanwas zichzelf ook vrijwillig aan voor ‘klussen’ (zie verderop over drijfveren en zie ook Roks et al., 2020). Bervoets en Van Wijk (2016) stellen dat jongeren zich vaak eerst moeten bewijzen door enkele klussen te doen voor het netwerk om zo toegelaten te worden tot de vaste kern van drugscriminelen. Zij zien een dominant patroon in hun onderzoeksmateri-

9.

Horizontale rekrutering vatten we dan op als werving van zij-instromers. Het dominante patroon voor de Nederlandse situatie is dat van de late (volwassen) zij-instromers, die anders betrokken raken bij georganiseerde criminaliteit via ‘opklimmen’ (Van de Bunt & Kleemans, 2007). Deels is daarbij sprake van ‘verticale rekrutering’. Het gaat daarbij echter wel om nieuwe aanwas maar per definitie niet (meer) om Jonge Aanwas.

20

aal, waarbij nieuwe aanwas van de straat doorgroeit naar de ‘inner circle’ van vertrouwelingen in de vaste kern. Dat levert nieuwe doorstroom op. Immers, de doorgroeiers weerhouden sommige jeugd ervan te stoppen met criminaliteit door crimineel perspectief te bieden in de drugshandel. Overigens speelt ook de hedendaagse technologie een rol bij ronselen (Roks et al., 2020). Die wordt niet alleen gebruikt ter expressie, zoals rapvideo’s, maar dient ook als instrument om doelen te behalen zoals het verdienen van geld of het opdoen van nieuwe contacten. Het eerste contact vindt vaak nog steeds plaats op straat, maar de verdere communicatie vindt voornamelijk online plaats. Daarnaast zorgt technologie ervoor dat er een groter publiek aan (potentiële) daders bereikt kan worden.

Geleidelijke instroom via bestaande sociale netwerken Uit onderzoek blijkt dat personen geregeld betrokken raken bij georganiseerde misdaad door bestaande sociale contacten, zoals vrienden, kennissen, werkrelaties en maar een enkele maal via (doelbewuste) rekrutering. Er zijn sterke aanwijzingen dat bij het betrokken raken bij georganiseerde criminaliteit, het principe geldt van ‘soort zoekt soort’ (Reiss & Farrington, 1991; Weerman, 2001; Van de Bunt & Kleemans, 2007). Soms wordt gesproken van een sneeuwbaleffect: net als in de legale economie zoeken vrienden en bekenden elkaar op om samen te werken. Al werkende introduceren ze weer andere deelnemers (Van Calster, 2008). Kruisbergen et al. (2019) benadrukken in hun onderzoek naast sociale relaties (bijvoorbeeld in de buurt en op school), de invloed van hobby’s en levensloopgebeurtenissen. Waarbij min of meer het patroon zich voordoet dat kwetsbaarheid – bijvoorbeeld wegens een life event – in combinatie met specifieke (criminogene) sociale contacten en risicofactoren (zie verderop) de kansen vergroten op het betrokken raken bij de georganiseerde criminaliteit.

Geleidelijke instroom via criminele familie Met name in de drugshandel komen familieverbanden vaak voor (zie bijvoorbeeld het onderzoek naar heroïnehandel bij Turken door Bovenkerk & Yeşilgöz, 1998). Wantrouwen ligt op de loer, waardoor criminelen hun handel in eigen kring van vertrouwelingen houden. Wantrouwen kan namelijk leiden tot afrekeningen, waardoor een crimineel netwerk te veel aandacht wekt van politie en justitie (Van de Port, 2001). Hierbij speelt het hebben van een criminele familie daarom een bijzondere en eigenstandige rol (Boer et al., 2020). De criminele familie is bij uitstek een omgeving waarbinnen het ‘vak’ al jong wordt afgekeken en waarbij er een sociale druk bestaat om zelf ook in te stromen in de misdaad. De vaste kern wordt bij criminele samenwerkingsverbanden niet zelden gevormd door bloedverwanten, voornamelijk om vertrouwelijkheid te kunnen garanderen. Een ‘buitenstaander’ levert geregeld een risico op (Bervoets & Van Wijk, 2016). Naast wetenschappelijke, zijn er ook andere (journalistieke) bronnen die wijzen op de invloed van criminele familieverbanden. Een voorbeeld is het recente boek ‘De drugsmaffia dicteert’ van misdaadjournalist Gerlof Leistra (2020). Hij schrijft dat de zonen van

21

de welbekende drugscrimineel Ridouan Taghi klaargestoomd worden als ‘troonopvolgers’, om het stokje over te nemen. Zij zouden momenteel nog in Dubai wonen, waar Taghi destijds werd opgepakt. Een ander voorbeeld, genoemd in een wat ouder artikel in het Algemeen Dagblad, is de bekende criminele familie A. uit Amsterdam Nieuw-West, waarvan veertig leden in beeld zijn (zie AD, 2017). Daarvan zijn er drieëntwintig minderjarig. Van de jongeren in de familie hadden de meesten voor hun zestiende al een strafblad. De familie zou al minimaal drie generaties lang ernstige misdrijven plegen. Binnen de familie zou sprake zijn van huiselijk geweld en een laag opleidingsniveau. Deze jongeren worden niet per definitie geronseld, maar groeien op in deze omgeving en het wordt door de omgeving als min of meer vanzelfsprekend gezien dat zij het gedrag voortzetten (Home Office, 2021).

2.3 Drijfveren Hiervoor hebben we globale routes aangegeven waarmee Jonge Aanwas betrokken kan raken bij georganiseerde drugshandel. Het is echter de vraag wat precies – los van de nog te bespreken risicofactoren – jongeren in de armen drijft van de (georganiseerde) drugshandelaren. Wat zijn hun drijfveren? Op basis van de literatuur blijkt dat sensatie, status en geld bepalend zijn voor het betrokken raken bij georganiseerde drugscriminaliteit, in combinatie met een voedingsbodem (Ferwerda, 1998; Van Wijk & Bremmers, 2011; Tops & van der Torre, 2015; Kortleven, 2020). Maar ook nu dient het empirisch materiaal in dit onderzoek ertoe om te kijken wat andere, nog niet genoemde, drijfveren zijn. Drugshandel is voor jongeren niet het doel, maar een middel om hun doel te bereiken. Drugshandel heeft een grote aantrekkingskracht op jongeren, omdat het geld en status oplevert, hetgeen een grote rol speelt in de straatcultuur. Het leidt tot succes, aanzien en acceptatie (Van Wijk & Bremmers, 2011). . Toch is sensatiezucht in het algemeen echter de belangrijkste drijfveer, zeker in de eerste fase van de criminele carrière (Ferwerda, 1998). Dit lijkt samen te hangen met het leeftijdsgebonden ‘kickgedrag’ en het feit dat de gezinnen waarin de jongeren opgroeien, in een gebrekkige maatschappelijke positie verkeren.

Daarnaast voelen jongeren een ‘struggle for life’: een strijd om te worden geaccepteerd door anderen.

2.4 Factoren (voedingsbodems) In de criminologie bestaat ook in Nederland een stevige reeks publicaties over zogeheten risicofactoren als voorspellers voor een criminele carrière (o.a. Broekhuizen & Driessen 2006; De Groot et al., 2007; Bruinsma & Weerman, 2007; Programma Straatwaarden, z.d.; WODC, 2008; Hoeben en Weerman, 2014; Janssen et al., 2017; Servaas et al., 2021). In de vroege puberteit speelt het gezin (en de normen en waarden daarbinnen) een grote rol. In de late puberteit verschuift de focus naar vrienden en school (Van der Put et al., 2012). Deze verschuiving is waar te nemen rond de leeftijd 12- 14 jaar. We zien dan ook dat na die verschuiving, de vrije tijd minder wordt gecontroleerd door bijvoorbeeld ouders. De jongeren zijn vaker met leeftijdsgenoten tijdens en buiten schooltijd (Van Dorp, 2019). De aanwezigheid van een risicofactor luidt niet automatisch een criminele

22

carrière in. Veelal is sprake van een opeenstapeling/ combinatie van factoren, waarbij er vaak wel een of twee domineren (Home Office, 2021).

Risicofactoren en beschermende factoren Vaak wordt in de literatuur onderscheid gemaakt tussen risicofactoren en beschermende factoren (WODC, 2008). Reeds bekende beschermende factoren zijn: lering trekken uit gevolgen van handelen van criminelen in de eigen sociale omgeving, moreel inzicht, hoge zelfcontrole, verandering van omgeving, waardering en erkenning van anderen en succeservaringen, het nastreven van langetermijndoelen, lid van een sportvereniging, toezicht ouders op vrije tijd en vrienden, sterke binding met ouders, goede relatie met leerkracht, steun bij het volhouden van schoolcarrière en goede schoolresultaten (Van der Laan et al., 2009; Adjiembaks, 2018; Servaas et. al., 2021). Het Centraal Bureau voor de Statistiek hanteert voor het programma Zicht op Ondermijning de volgende tien factoren voor Jonge Aanwas, waarvan er acht risicofactoren zijn en twee beschermende factoren:

Risicofactoren 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Voortijdig schoolverlaten Bureau HALT-registratie Geslacht (man) Percentage verdachte familieleden Wanbetaler van zorgverzekering Speciaal onderwijs voor moeilijk opvoedbare kinderen Tweede generatie migratieachtergrond Thuiswonend kind uit eenoudergezin

Beschermende factoren

1. Hbo of wo als hoogste opleiding 2. Schoolgaand persoon

Wij laten het onderscheid tussen risicofactor en beschermende factor in dit onderzoek verder achterwege, omdat vrijwel altijd sprake is van twee kanten van de medaille. Zo kan ouderlijk toezicht een risicofactor zijn als die gebrekkig is en een beschermende factor als die op orde is (zie ook Home Office, 2021).

Twee syntheses en het Programma Straatwaarde(n) In Nederland vonden de afgelopen jaren twee belangrijke onderzoeksyntheses plaats, waarvan risicofactoren een cruciaal onderdeel waren. In 2008 publiceerde het WODC het Kennisfundament Risicojeugd waarin diverse Nederlandse wetenschappers de (internationale) onderzoeksliteratuur rondom jeugdcriminaliteit bundelden en beoordeelden (Brons et al., 2008). Enkele jaren geleden werd dan nog het zogeheten Duidingsinstrument ontwikkeld, waarvoor ook een uitgebreide synthese plaatsvond (Van Ham en Ferwerda, 2017). Het Duidingsinstrument moet professionals helpen met het beoordelen (duiden) van casuïstiek rondom risicojeugd.

23

Speciaal rondom Jonge Aanwas bij drugshandel hanteert het Programma Straatwaarde(n) van het RIEC Midden-Nederland twaalf risico-indicatoren (zie analysekader), waaronder ongeoorloofd schooluitval, verslavingsproblematiek en minder omgang met niet-delinquente vrienden10. Straatwaarde(n) is een platform waar kennis, inzicht en analyse samenkomt en waar veel aandacht wordt besteed aan het tegengaan van Jonge Aanwas in de drugshandel, zowel preventief als repressief. Elders is de aanpak nog niet zo specifiek. Uiteindelijk gaat het daarbij eerder om gedrag (signalen) dan om risicofactoren zoals hiervoor belicht. De twaalf gedragssignalen hebben overlap met de factoren in de twee reeds aangehaalde onderzoeksyntheses. In het verlengde van het Duidingsinstrument – en vergelijkbaar met het Kennisfundament - hanteren we het basisonderscheid tussen vier niveaus: individueel, gezin, school en maatschappij. Per niveau noemen we in tabel 2.2 enkele voorbeelden van risicofactoren, waarbij we de overlap met de factoren uit het Programma Straatwaarde(n) hebben gecursiveerd. 11 Al met al is er een gelaagde voedingsbodem voor het betrokken raken bij (jeugd)criminaliteit, die redelijkerwijze ook van toepassing is voor de specifieke doelgroep van dit onderzoek (Jonge Aanwas bij drugscriminaliteit).

Het is uiteindelijk de kunst om voor deze specifieke groep, aan de hand van het empirisch materiaal, te bepalen welke factoren bij Jonge Aanwas eerst en vooral een rol spelen, bij wie en onder welke omstandigheden. Tabel 2.2: Risicofactoren op vier niveaus, met enkele voorbeelden (Van Ham en Ferwerda, 2017)

Individueel (O.a. Invloed alcohol en drugs – Psychopathologie – Agressie – Vroeg-delinquent gedrag - Traumatische ervaringen). Verslaving aan gokken, drugs, alcohol; met (vuur)wapens en/of drugs op straat lopen/thuis bewaren - Laat thuis zijn of (vaker dan gebruikelijk) van huis gaan -soms op vreemde tijdstippen- zonder uitleg – Sneller agressief, boos gedrag, hulp vermijden - Meerdere telefoons, veel berichtjes (ook op vreemde tijdstippen) – Onverklaarbaar bezit van kleine plastic zakjes en /of chemische (meng) middelen/weegschaal Gezin (O.a. pedagogische onmacht – Huiselijk geweld – Delinquente ouder – Ouders met drank- of drugsprobleem - Broer(s) en/of zus(sen) delinquent of kampend met gedragsproblemen - Wijzigingen in de thuissituatie). Familie afzijdig houden van vrienden School (O.a. Pesten - Spijbelen - Slechte leerprestaties - Gedrag van vrienden, agressief en antisociaal - Risicovolle vrijetijdsbesteding). Ongeoorloofd schooluitval/verminderde schoolprestaties Maatschappelijk of cultureel (O.a. Armoede en werkloosheid - Verloederde wijk of buurt - Dicht opeen wonen - Grote mobiliteit in wijk - Geringe sociale bindingen - Gebrekkige organisatie (lokale) gemeenschap). (Meer) contact met criminele en/of intimiderende figuren (bv.

oudere personen met negatieve invloed) - Schulden en/of onverklaarbaar bezit van (cash) geld, telefoon(s), dure (merk)kleding, luxegoederen - Minder omgang met leeftijdsgenoten in de reguliere kringen (islolatie) – Heimelijke omgang met (nieuwe) vrienden, familie afzijdig houden van vrienden

10. https://veiligheidscoalitie.nl/nieuws/?id=1541 bezocht op 22 februari 2021. 11. Voor de volledige opsomming van de factoren wordt verwezen naar de betreffende publicatie.

24

2.5 Soorten interventiemogelijkheden Dit onderzoek moet ook antwoord bieden op vragen rondom interventiemogelijkheden. Hoe kan Jonge Aanwas worden voorkomen? Daarbij zien wij interventiemogelijkheden als categorieën van opties om het gedrag van Jonge Aanwas te beïnvloeden, met de vier niveaus uit de vorige paragraaf als vertrekpunt. We bespreken ze hieronder kort op hoofdlijnen. Maar ook nu dient het empirisch materiaal in dit onderzoek ertoe, om te bekijken in welke mate deze reeds bestaande kennis en indeling van toepassing is op Jonge Aanwas. Wat zijn andere, nog niet genoemde, mogelijkheden om Jonge Aanwas te voorkomen? De bestaande literatuur is immers over het geheel nog niet specifiek gericht op Jonge Aanwas.

Individueel Het WODC beschreef in het reeds aangehaalde Kennisfundament Risicojongeren (Brons et al., 2008) verschillende persoonsgerichte manieren om jeugdcriminaliteit aan te pakken, veelal met het rationele keuzemodel en leer-theoretische principes als onderliggende theoretische basis. Het gaat dan om een kosten- en baten model waarbij de beloning van criminaliteit nooit hoger mag zijn dan de straf. Volgens het WODC zijn cognitieve gedragstherapie en mentoring veelbelovend effectief. Ook wordt in het Kennisfundament ‘aggression control’ aangeraden voor het verbeteren van moreel redeneren en het terugdringen van antisociaal gedrag bij jongeren. Feitelijk zijn alle ‘PersoonsgerichteAanpakken’ van Zorg- en Veiligheidshuizen 12; top X-aanpakken (waaronder de Top600 in Amsterdam); doorgroeier-aanpakken; et cetera, voorbeelden van een individuele aanpak. De basis van de Top600- aanpak is niet één aanpak, maar bestaat uit meerdere aanpakken gericht op alle relevante aspecten van de desbetreffende persoon en richt zich daarbij vooral op het bieden van sociaal perspectief (Peeters & Boutellier, 2020; Van Grinsven & Ver-west, 2017).

De Top600-aanpak heeft niet alleen geleid tot een sterke daling van het totale aantal gedagvaarde zaken en strafbeschikkingen, maar ook tot een verbeterde mate van zelfredzaamheid onder jongeren en de mogelijkheid om eerder risico’s te signaleren en doorgroei te voorkomen (Van Grinsven & Verwest, 2017). Top X-aanpakken maken het mogelijk om uitvoerig, intensief en proactief in te zetten. Ook Veiligheidshuizen maken gebruik van een top X-aanpak (Rovers & Hoogeveen, 2016). Vaak bestaat deze naast de behandeling van complexe zaken (zie ook Peeters & Boutellier, 2020). Bij deze behandeling wordt maatwerk geleverd, Casus op Maat is hier een voorbeeld van. Bij deze aanpak worden niet alleen vertegenwoordigers van betrokken organisaties, maar ook professionals die de cliënt persoonlijk kennen/betrokken zijn gevraagd om met een aanpak te komen (Rovers & Hoogeveen, 2016). Ook strafrechtelijke interventies vallen onder persoonsgerichte interventies. Uit literatuur blijkt dat jeugddetentie niet noodzakelijkerwijze afschrikkend werkt (Listwan et al., 2013; Van Wijk en Lenders, 2018; Kruisbergen et al., 2019). Dit kan worden verklaard 12. En veelal ook de lokale zogeheten Zorg- en Veiligheidskamers.

25

doordat celstraffen over het algemeen laag zijn en soms juist status opleveren. Ook is het vaak zo dat de detentie van een individu onverlet laat dat een crimineel samenwerkingsverband gewoon actief blijft. Daarbij speelt familie een voorname rol. Uit recent onderzoek van Kruisbergen et al. (2019) blijkt dat een gevangenisstraf een carrière in de criminaliteit niet per definitie doorbreekt. De onderzoekers stellen dat er ‘weinig reden lijkt te veronderstellen dat langere straffen zullen leiden tot minder recidive na vrijlating en een betere opname in de reguliere samenleving’. Echter wordt de criminele carrière wel onderbroken en voorkomt het delicten tijdens de periode van gevangenschap. Alternatieven als het afpakken van vermogen, het beslagleggen op goederen en het opleggen van boetes en naheffingen door de Belastingdienst heeft meer effect volgens Van Wijk & Lenders (2018). Dit wordt door Lam et al. (2018) de financiële aanpak genoemd. Deze aanpak legt de nadruk op criminele geldstromen en inkomsten en op het feit dat misdaad niet mag lonen.

Gezin In de literatuur worden interventies waarbij nadrukkelijk ook het systeem (omgeving) van een jongere wordt betrokken, als effectief beschouwd. Denk onder andere aan:  parent managementtraining (Thijssen et al., 2017),  Multiple System Therapy (MST) (Boonstra, Doelman, Lange & van der Rijken, 2018)  Functional Family Therapy (FFT) (Asscher et al., 2014; De Vries et al., 2020; Kenniscentrum kinder- en jeugdpsychiatrie, z.d.; Van der Laan et al., 2008). De kans van slagen is dan groter. Deze methodieken kunnen zowel in een zogeheten civiel als in een justitieel kader worden ingezet. Een systeem kan echter ook als risico worden gezien, in plaats van een bron voor positieve gedragsbeïnvloeding. Denk daarbij aan de reeds besproken criminele families, maar ook aan zorgfamilies die zo kwetsbaar zijn, dat ze de jongere weinig te bieden hebben. Uiteraard is er geregeld ook overlap tussen criminele families en zorgfamilies, maar ze zijn niet per definitie hetzelfde (Ferwerda, 2017; Hoeve et al., 2009; Moors & Spapens, 2017, Kruisbergen et al., 2019, Simons et al., 2017; Van Dijk et al., 2018). De opgave is om een interventie te ontwikkelen die de familiestructuur kan stoppen, zodat de criminele subcultuur niet meer bepalend is.

Daarom zal beleid altijd een gelaagde aanpak mogelijk moeten maken: gericht op criminele individuen, maar ook op gezinsverbanden en op de directe sociale omgeving van criminele gezinnen in de buurt waar deze wonen. Er moet volgens Boer et al. (2020) ingezet worden op een integrale, systeemgerichte aanpak, op zo veel mogelijk vlakken die de familie raken.

School Risicofactoren op het domein school zijn onder andere spijbelen, het vertonen van hinderlijk gedrag op school (denk hierbij aan vechten, bedreigen en verstorende gedragingen) en slechte leerprestaties (Van der Put et al., 2012; Weerman & Van der Laan, 20006). Om bijvoorbeeld schoolverzuim te verminderen bestaat er een breed pakket aan justitiële

26

interventieprogramma’s (Boekhoorn & TEAM Speller, 2004), zoals de leerstraf Roos voor matige verzuimers, leerstraf Basta voor hardnekkige verzuimers en leerstraf Ouders voor de ouders van hardnekkige verzuimers. Ook bekend is het Onderwijsprogramma Kapot Sterk (Gemeente Utrecht, 2020). Daarin willen gemeente, politie en OM jonge jeugd (groep 7 & 8) bewust maken van de minder aantrekkelijke kanten van een loopbaan in de drugscriminaliteit. Dit sluit aan bij het idee van rolmodellen (De Jong, 2014). Een rolmodel kan de jongere aanzetten tot een positieve gedragsverandering en helpen bij het vinden van werk, opleiding, huisvesting en het oplossen van een diversiteit aan persoonlijke problemen. Verder is er nog het EPJO: een interactief lesprogramma, ontwikkeld door de politie en de Peter Faber Stichting. Dat richt zich op misdaadpreventie bij kinderen uit groep 8 en middelbare scholieren, waarbij de politie en andere voorbeelden/rolmodellen in gesprek gaan met de kinderen. Tot slot vindt jongerenwerk op de scholen zelf steeds vaker plaats. Uit zowel internationaal als nationaal onderzoek blijkt, dat schooljongerenwerk helpt bij het versterken van de schoolcarrière, de ontwikkeling van jongeren in kwetsbare situaties en met het voeren van ‘goede gesprekken’ over hun leefstijl en drugs (Metz, 2017; Sarti et al., 2019). Volgens Sarti et al.

(2019) voorkomt deze samenwerking tussen jongerenwerk en onderwijs gebroken schoolcarrières.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11286065/1