CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311483 Bijlage 2

Gemeenteraad 30 juni 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Brief van wethouder Sociale Zaken en Werk inzake Voortgang armoedebestrijding en financiële hulpverlening Den Haag 2021-2022 (RIS311483)12.791 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARMOEDEMONITOR Omvang en kenmerken van de minimapopulatie en bereik van de Haagse minimaregelingen

Gemeente Den Haag Dienst SZW / team onderzoek Najaar 2021

1

INHOUD

SAMENVATTING EN VOORUITBLIK

p.3

INLEIDING

p.6

1. 1.1 1.2 1.3

ONTWIKKELINGEN EN RISICO OP ARMOEDE IN DEN HAAG Den Haag ten tijde van de coronacrisis Percentage huishoudens met een laag inkomen in 2020 Verwachtingen over minimahuishoudens met laag inkomen én laag vermogen in 2020

p.9 p.9 p.10 p.10

2. 2.1 2.2 2.3 2.4

DEN HAAG VERGELEKEN MET ANDERE STEDEN Huishoudens met een laag inkomen van 2011 tot 2020 Langdurige armoede in de steden Ouderen in huishoudens met een laag inkomen Kinderen in huishoudens met een laag inkomen

p.12 p.12 p.12 p.13 p.13

3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11

HAAGSE MINIMAHUISHOUDENS Omvang van de groep Haagse minimahuishoudens Inkomstenbron van Haagse minimahuishoudens Huishoudsamenstelling van Haagse minimahuishoudens Leeftijd kostwinner van Haagse minimahuishoudens Herkomst van Haagse minimahuishoudens Toeslagengebruik van Haagse minimahuishoudens Zorggebruik van Haagse minimahuishoudens Schulden onder Haagse minimahuishoudens Concentraties van armoede in Den Haag Langdurige minimahuishoudens Kinderen in Haagse minimahuishoudens

p.15 p.15 p.16 p.17 p.18 p.19 p.20 p.20 p.21 p.22 p.23 p.24

4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

TOEKENNINGEN EN BEREIK VAN MINIMAREGELINGEN Berekenen van bereik Verzamelbereik: gebruik van tenminste één regeling Ooievaarspas Haagse zorgverzekering Kindpakket en tegemoetkoming ouderbijdrage Individuele inkomenstoeslag Tegemoetkoming voor langdurig zieken en gehandicapten Bijzondere bijstand Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

p.26 p.26 p.26 p.28 p.30 p.31 p.34 p.35 p.37 p.39

LITERATUUR

p.41

2

SAMENVATTING EN VOORUITBLIK

De Armoedemonitor beschrijft de omvang en kenmerken van de groep minimahuishoudens in Den Haag en stelt het bereik van gemeentelijke minimaregelingen vast. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en weinig vermogen. De Armoedemonitor is gebaseerd op inkomens- en vermogensgegevens van het CBS. De meest recente beschikbare gegevens gaan over 2019. Hoewel de gevolgen van de coronacrisis hiermee nog niet zichtbaar zijn in deze monitor, geeft deze editie wel een goed beeld van de uitgangssituatie van Den Haag voor de coronacrisis. Het CBS heeft wel gegevens over huishoudens met een laag inkomen in 2020, ongeacht vermogen. Deze gegevens komen ook aan bod. Een op de vijf huishoudens een minimahuishouden In 2019 telt Den Haag 44.100 minimahuishoudens, uitgaande van een inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum. Hiermee behoort bijna een op de vijf huishoudens tot de minima. Het aantal en percentage minimahuishoudens zijn lager dan in 2018. Ook het aantal en percentage kinderen in minimahuishoudens dalen in 2019 licht. Concentraties van armoede & armoederisico blijft hoog voor bepaalde groepen Armoede blijft geconcentreerd in bepaalde delen van de stad. In de stadsdelen Centrum, Escamp en Laak woont 70 procent van de groep minimahuishoudens. Specifiek in Den Haag Zuidwest woont een derde van alle minima. Verder blijven bepaalde groepen een hoog armoederisico houden.

Huishoudens met inkomen uit bijstand, een andere uitkering of een pensioen behoren veel vaker tot de minima dan huishoudens met inkomen uit loon of vanuit een eigen onderneming. Ondernemers lopen wel een groter risico op armoede dan huishoudens met inkomen uit loon. Huishoudens met een jongere hoofdkostwinner (18-24) lopen een relatief groot risico op armoede maar hun aantal is wel beperkt. Dat geldt niet voor oudere hoofdkostwinners: zij vormen een kwart van de minimapopulatie. Bovendien neemt hun aandeel toe sinds 2017. Verder zijn alleenstaanden en alleenstaande ouders oververtegenwoordigd onder de minima. Van alle eenoudergezinnen behoort een derde tot de minima. Van eenoudergezinnen met alleen kinderen onder de 18 jaar is bijna de helft arm. Kwetsbaarheden op vlak van inkomen én andere terreinen Minimahuishoudens maken vaker gebruik van een Wmo-voorziening en hebben vaker (langdurig) hoge zorgkosten vergeleken met alle Haagse huishoudens. Minima zijn dus zowel qua inkomenspositie als gezondheid kwetsbaarder dan de groep huishoudens die boven de armoedegrens leven. Daarnaast hebben minimahuishoudens vaker schulden: ze zijn twee keer zo vaak wanbetaler van de zorgpremie dan andere Haagse huishoudens.

Onderzoek van het CBS naar problematische schulden wijst uit dat dezelfde kwetsbare groepen, zoals huishoudens met een lager inkomen vaker ook schulden hebben op andere terreinen (CBS 2021k). Veel huishoudens behoren tot de langdurige minima In 2019 waren 7 van de 10 minimahuishoudens tenminste drie jaar arm. De groep langdurige minima groeide de afgelopen jaren. Een groot deel van de Haagse minima had dus al voor de uitbraak van corona weinig perspectief op een structurele verbetering van het inkomen. In de groep langdurige minima zijn huishoudens met een inkomen uit pensioen en bijstand oververtegenwoordigd. Opvallend is dat de langdurige minima met bijstand dus niet hebben kunnen profiteren van de gunstige economische omstandigheden in 2019. Minima met een pensioen hebben in de meeste gevallen ook geen zicht op een verbetering van hun inkomenspositie. Bereik van meeste minimaregelingen is stabiel in 2019 Het bereik van de meeste minimaregelingen is stabiel. 80 procent van de minimahuishoudens gebruikt tenminste één minimavoorziening. Hierbij speelt de Ooievaarspas een belangrijke rol. Het bereik onder kwetsbare groepen als eenoudergezinnen, ouderen en langdurig arme minima blijft

3

hoog. Het bereik onder huishoudens met inkomen uit werk of een onderneming blijft achter. Het bereik van de kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen liep terug in 2019. Dat geldt ook voor het bereik van de tegemoetkoming ouderbijdrage.

Bereik minimaregelingen in 2019, afgezet tegen de doelgroep (percentages)

Bron: CBS

*Bereik niet gecorrigeerd voor ziekte of handicap

Vooruitblik Het CBS publiceerde onlangs voorlopige gegevens over het aantal huishoudens met een laag inkomen in 2020, ongeacht vermogen. In 2020 telt Den Haag 53.100 huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Dit komt neer op 22 procent van alle Haagse huishoudens; een fractie meer dan in 2019. De coronacrisis heeft in 2020 dus niet heeft geleid tot een grote toename van huishoudens met een laag inkomen; wel komt een einde aan de daling van de afgelopen jaren. Het is nog niet bekend wat de gevolgen zijn van de coronacrisis op het aantal minimahuishoudens in 2020 en erna. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen én weinig vermogen. De afgelopen jaren had circa 15 procent van de huishoudens met een laag inkomen een te hoog vermogen om tot de minima gerekend te worden. Als deze huishoudens hun vermogen hebben moeten aanspreken, kunnen ze zijn ingestroomd in de minimagroep. Bovendien kunnen eventuele gevolgen van de coronacrisis variëren per groep. In 2020 liepen werkeloosheidspercentages relatief hard op onder groepen als jongeren, lager opgeleiden en in mindere mate middelbaar opgeleiden (CBS 2021h). Hoewel zij te maken kregen met inkomensverlies, zal dat naar verwachting voor een groot deel tijdelijk zijn gelet op het economische herstel en de huidige krapte op de arbeidsmarkt.

Het werkeloosheidspercentage in Den Haag ligt medio 2021 lager dan voor de start van de coronacrisis; ook het aantal WW- en bijstandsuitkeringen ligt inmiddels onder of rond het niveau van voor de uitbraak van corona (CBS 2021d, UWV 2021). Het beroep van Haagse ondernemers op overheidssteun laat zien dat een groot deel te maken had met inkomensverlies (CBS 2021f). Mogelijk hebben zij ook ingeteerd op hun vermogen. Landelijk onderzoek van het AFM en CPB laat zien dat 4 tot 5.6 procent van alle ondernemers maximaal 3 tot 6 maanden hun vaste lasten kunnen doorbetalen als hun inkomen wegvalt en zij een Tozo-uitkering ontvangen (Vlekke et al.2020). In Den Haag zou dat neerkomen op circa 1.100 tot

4

1.600 huishouden met primair inkomsten uit een eigen bedrijf, die nauwelijks of beperkt bestand zijn tegen inkomensverlies. Daarbij geldt dat Haagse zelfstandigen al voor de coronacrisis financieel minder weerbaar waren dan hun collega’s in andere gemeenten en vaker dan andere Haagse huishoudens problematische schulden hebben (CBS 2021k). Hoewel veel ondernemers grote gevolgen ondervonden van de coronacrisis, lag het aantal faillissementen in 2020 en 2021 wel op een zeer laag niveau (CBS 2021g). Haagse ondernemers blijken kortom in normale economische omstandigheden al kwetsbaarder dan hun collega’s in andere steden. De overheidssteun zal voor een deel van hen faillissement (tijdelijk) hebben voorkomen. Wanneer de overheidssteun wegvalt, sectoren zich minder goed herstellen en/of de coronapandemie blijft voortduren, is mogelijk instroom van ondernemers in de minimagroep te verwachten. Tot slot In de volgende editie van de Armoedemonitor kunnen we beschrijven of en in welke mate de minimapopulatie in 2020 is gegroeid en welke Haagse huishoudens zijn in- en uitgestroomd uit de groep minima. Deze gegevens komen medio 2022 beschikbaar.

5

INLEIDING

De Armoedemonitor beschrijft de omvang en samenstelling van minimahuishoudens en stelt het bereik van minimaregelingen vast onder de doelgroep. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en weinig vermogen. De meest recente beschikbare inkomens- en vermogensgegevens zijn afkomstig van het CBS en gaan over 2019. Het CBS heeft wel gegevens beschikbaar over het aantal huishoudens met een laag inkomen in 2020, ongeacht vermogen. Deze gegevens komen ook aan de orde. Achtergronden De gemeente Den Haag ondersteunt minimahuishoudens door hen hulp te bieden bij de re-integratie naar werk, door maatschappelijke participatie te stimuleren en door hun inkomenspositie te verbeteren. De gemeente hanteert een percentage van het sociaal minimum (sm) om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft. Vaak wordt een grens van 110 procent aangehouden, hoewel diverse regelingen beschikbaar zijn voor huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum. In tabel 1.1 staan de normbedragen benoemd voor huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum tot 150 procent daarvan (tot de AOW leeftijd en erboven) 1.

Tabel 1: normbedragen per 1 juni 2021 - 100 tot 150% van het sociaal minimum 21 tot en met de AOW-leeftijd AOW-leeftijd of ouder Alleenstaande Gehuwden / Alleenstaande (ouder) samenwonenden (ouder) 100% € 1.079 € 1.541 € 1.200 110% € 1.187 € 1.695 € 1.320 130% € 1.403 € 2.003 € 1.560 150% € 1.619 € 2.312 € 1.800 Bedragen per maand per 1 juni 2021, inclusief vakantiegeld Bron: rijksoverheid

Gehuwden / samenwonenden € 1.627 € 1.790 € 2.115 € 2.441

Om in aanmerking te komen voor een minimaregeling kijkt de gemeente ook naar het huishoudvermogen. Dat is de totale waarde van bezittingen van alle leden van het huishouden minus de eventuele schulden. Het vermogen mag niet hoger zijn dan de gestelde grenzen hiervoor in de Participatiewet. Voor eenpersoonshuishoudens is het maximaal toegestane vermogen in 2021 € 6.295; voor meerpersoonshuishoudens (inclusief alleenstaande ouders) is dat € 12.590.2 Haagse regelingen voor minimahuishoudens Tabel 2 geeft een beschrijving van de minimaregelingen die gericht zijn op het stimuleren van de maatschappelijke participatie en het verbeteren van de inkomenspositie.

1 Tot aan de pensioengerechtigde leeftijd is het sociaal minimum gelijk aan de hoogte van een bijstandsuitkering. Vanaf de

pensioengerechtigde leeftijd is dit ontleend aan het AOW pensioen. Voor huishoudens met kinderen worden de kinderbijslag en het kindgebonden budget aan het normbedrag toegevoegd(CBS 2021a)1. 2 In de participatiewet geldt tevens een grens voor de overwaarde van het eigen huis (maximaal € 52.500) maar hier wordt bij de toekenning van minimaregelingen door de gemeente Den Haag niet naar gekeken. Genoemde bedragen gelden per 2021. In de armoedemonitor is uitgegaan van de geldende normen die van toepassing waren in de jaren waarover wordt gerapporteerd.

6

Tabel 2: minimaregelingen in de gemeente Den Haag in 2019 Soort regeling Inkomens- en vermogensgrens Ooievaarspas 130 procent van het sociaal minimum Kindpakket van Leergeld Den Haag

130 procent van het sociaal minimum Kind in huishouden van 4 tot 18

Ouderbijdrage

130 procent van het sociaal minimum Schoolgaand kind in huishouden van 4 tot 18 150 procent van het sociaal minimum (merendeel tot 110)

Haagse zorgverzekering

Vergoeding voor langdurig zieken en gehandicapten

150 procent van het sociaal minimum

Bijzondere bijstand

Laag inkomen en hoge noodzakelijke uitgaven* Vanaf 21 jaar 110 procent van het sociaal minimum 36 maanden of langer 21 jaar tot AOW-leeftijd Laag inkomen Onvoldoende betalingscapaciteit Striktere vermogensgrens**

Individuele inkomenstoeslag

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

Omschrijving regeling Korting via de Ooievaarspas op bijvoorbeeld het lidmaatschap van een vereniging of een bezoek aan een museum. Kindpakket met onder meer materialen voor sport en cultuur, schoolspullenpas, winterkledingpas, leer- en communicatievoorzieningen, fietsregelingen en HTM abonnementen Vergoeding van de vrijwillige ouderbijdrage van scholen (NB: per 2021 stopgezet)

Collectieve ziektekostenverzekering bij VGZ of Menzis met uitgebreide aanvullende dekking en dekking van eigen risico (NB: per 2021 alleen VGZ). Vergoeding van € 125 voor langdurig zieken en mensen met een beperking met een Wmo-beschikking, zorgindicatie van het CIZ of van wijkverpleegkundige. Tegemoetkoming voor noodzakelijke en onverwachte kosten, die niet op een andere manier zijn te betalen. Aanvulling op het huishoudinkomen om grote noodzakelijke uitgaven te doen.

Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen.

Bron: gemeente Den Haag * geen inkomensgrens gedefinieerd, beoordeling per aanvraag ** strikter dan vermogensgrens voor bijstand

Methode Sinds 2017 wordt de Haagse Armoedemonitor gebaseerd op de inkomens en vermogensgegevens van het CBS. Deze gegevens zijn afkomstig van de Belastingdienst. De beschrijving van de minimahuishoudens is gebaseerd op inkomens- en vermogensgegevens van de Haagse bevolking per 1/1/2019, over het kalenderjaar 2019. Dit zijn de meest recente beschikbare gegevens. Ondanks het ontbreken van actuele gegevens, besteden we wel aandacht aan de mogelijke effecten van de uitbraak van corona op de instroom in de minimapopulatie in Den Haag. Recent publiceerde het CBS wel (voorlopige) gegevens over huishoudens met een laag inkomen over 2020, ongeacht vermogen. Deze gegevens komen ook aan bod in dit rapport (CBS 2021b). Jaarlijks brengt het CBS eerst voorlopige gegevens uit, waarna ze na enige tijd later definitief worden gemaakt. Dit kan zorgen voor enige afwijkingen tussen genoemde aantallen huishoudens met een laag inkomen in deze editie en de vorige editie van de Armoedemonintor. Leeswijzer Het rapport begint met een beschrijving van de ontwikkelingen in Den Haag sinds de uitbraak van het coronavirus. Er wordt ingegaan op het aantal huishoudens met een laag inkomen in 2020, en op de mogelijke invloed van de coronacrisis op de Haagse minimapopulatie (hoofdstuk 1). Erna worden Haagse cijfers over huishoudens met een laag inkomen vergeleken met Nederland en de andere grote

7

steden (hoofdstuk 2). Vervolgens worden de kenmerken van minimahuishoudens in kaart gebracht (hoofdstuk 3), evenals het bereik van de minimaregelingen (hoofdstuk 4). Het rapport beschrijft de belangrijkste bevindingen van de tabellen die te raadplegen zijn op de site van het CBS. Deze tabellen bieden gedetailleerde informatie over de Haagse minimapopulatie en het bereik van minimaregelingen onder specifieke groepen (zie: Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2019* (cbs.nl). Daarnaast is een dashboard beschikbaar via Armoedescan (cbs.nl).

8

1.

ONTWIKKELINGEN EN RISICO OP ARMOEDE IN DEN HAAG

1.1 Den Haag ten tijde van de coronacrisis Het jaar 2020 kende een forse economische krimp, vergelijkbaar met de impact van de financiële crisis van 2008. Landelijk daalde het bruto binnenlands product (bbp) met 3.8 procent ten opzichte van een jaar eerder als gevolg van corona en de maatregelen tegen de verspreiding ervan. In de agglomeratie Den Haag was de krimp van het bbp met 2 procent kleiner dan landelijk (CBS 2021c). De werkeloosheid in Den Haag bedroeg in 2020 5.4 procent, tegen 5.1 procent in 2019. Met 6.1 procent was de werkeloosheid het hoogst in het derde kwartaal van 2020 om erna weer af te nemen (CBS 2021d). Het aantal WW-uitkeringen in Den Haag liep eveneens op en lag januari 2021 20 procent hoger dan een jaar eerder. Op het hoogtepunt in mei 2020 werden 10.545 WW-uitkeringen verstrekt; 29 procent meer dan een jaar ervoor (UWV 2020). Ook het aantal bijstandsuitkeringen nam toe, in mindere mate. Januari 2021 was het aantal bijstandsuitkeringen gestegen met 3 procent ten opzichte van een jaar eerder. Op het hoogtepunt in juli 2020 werden 21.620 uitkeringen verstrekt in Den Haag. Dat komt neer op een toename van 5 procent ten opzichte van een jaar eerder (CBS 2021e). De grote hoeveelheid aanvragen voor diverse regelingen voor ondernemers laat tot slot zien dat een deel van hen weinig inkomen had.

Uit de ‘Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers’ (Tozo) konden zelfstandig ondernemers via de gemeente een bedrag krijgen om hun inkomen aan te vullen tot het sociaal minimum. Andere steunmaatregelen zijn bijvoorbeeld de ‘Tegemoetkoming Vaste Lasten’, de ‘Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren’ en de tijdelijke ‘Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid’ waarmee werkgevers hun werknemers met een vast en met een flexibel contract kunnen doorbetalen en in dienst kunnen houden (CBS 2021a). In 2020 gebruikte 38 procent van alle vestigingen van Haagse bedrijven een of meer steunmaatregelen3. Landelijk was dat 32 procent (CBS 2021f). Tot en met augustus 2021 ging het om respectievelijk 42 procent in Den Haag tegenover 36 procent landelijk. Hoewel veel ondernemers dus gevolgen ondervinden van de coronacrisis, lag het aantal faillissementen in 2020 wel op het laagste niveau in 20 jaar. In augustus 2021 bereikte het aantal faillissementen het laagste niveau na december 1990. Dit is niet los te zien van de overheidssteun (CBS 2021g). Den Haag werd minder hard getroffen door de coronacrisis dan de andere drie grote steden. Hierbij speelt de sectorale verdeling van de stad mogelijk een rol. De aanwezigheid van veel banen bij de overheid bleek de klap van de crisis deels op te vangen (DSO 2021).

Verder groeide het aantal banen in 2020 nog licht en trad na het derde kwartaal van 2020 economisch herstel op. De werkeloosheid in Den Haag liep in het laatste kwartaal van 2020 terug naar 5.2 procent naar 4.2 procent in het tweede kwartaal van 2021. Dat is lager dan in Amsterdam en Rotterdam en ook lager dan voor de coronacrisis (CBS 2021g). Ook het aantal WW-uitkeringen en bijstandsuitkeringen liep terug in 2021, onder of rond het niveau van voor de uitbraak van corona (UWV 2021, CBS 2021e). De gevolgen van corona op de werkeloosheid en het aantal uitkeringen lijken hiermee weg te ebben, hoewel in de cijfers nog geen rekening is gehouden met de hernieuwde contactbeperkingen van eind 2021. 1.2 Percentage huishoudens met een laag inkomen in 2020 De uitbraak van corona heeft in Den Haag in 2020 niet geleid tot een grote toename van het percentage huishoudens met een laag inkomen, uitgaande van de voorlopige cijfers van het CBS. Den Haag telt in 2020 38.900 (16%) tot 53.100 (22%) huishoudens met een laag inkomen (110-130 procent sm). Het percentage huishoudens met een laag inkomen is hiermee enkele tienden hoger dan in 2019. Hiermee is wel een einde gekomen aan de daling van de afgelopen jaren.

3 In 2020 is alleen Tozo-1 meegerekend, tot en met augustus 2021 Tozo 1 en 2. Zie voor een overzicht van alle

meegenomen maatregelen Gebruik van steunmaatregelen corona per 31 augustus (cbs.nl).

9

Volgens de lage-inkomensgrens die het CBS hanteert, telt Den haag in 2020 28.100 huishoudens (12%). Volgens deze striktere definitie daalde het percentage huishoudens met aan laag inkomen wel verder, met 0.7 procentpunt ten opzichte van 2019(CBS 2021b). Ondanks de coronacrisis en de economische terugval bleef het percentage huishoudens met een laag inkomen kortom redelijk stabiel, of daalde zelfs uitgaande van de lage inkomensgrens van het CBS. Hierbij spelen volgens het CBS een relatief sterke koopkrachtverbetering in 2020 en overheidsbeleid een rol, waaronder fiscale maatregelen en het pakket aan steunmaatregelen (CBS 2021a). Ook de sectorale verdeling van de stad heeft zoals gezegd mogelijk een rol gespeeld in dempen van de economische gevolgen van de coronacrisis (DSO 2021).

Figuur 1.1: percentage Haagse huishoudens met een laag inkomen volgens verschillende definities (2011-2020)

Bron: CBS 2021b

Het CPB verwacht dat het landelijke percentage huishoudens met een inkomen onder de lageinkomensgrens in 2021 en 2022 stabiel blijft (CPB 2021). Wat dit betekent voor de huishoudens met een iets hoger inkomen tot 110 of 130 procent van het sociaal minimum is nog niet bekend. Landelijk bezien bleven percentages in 2019 en 2020 gelijk, terwijl in Den Haag zoals gezegd een lichte toename was te zien (CBS 2021b). 1.3 Verwachtingen over minimahuishoudens met laag inkomen én laag vermogen De voorgaande paragraaf ging over huishoudens met een laag inkomen. Minimahuishoudens hebben zoals gezegd naast een laag inkomen ook weinig vermogen. De meest recente beschikbare gegevens over minima gaan over 2019. Van de huishoudens met een laag inkomen (tot 130 procent sm) in 2019, had circa 15 procent een te hoog vermogen om tot de minima gerekend te worden. Als huishoudens hebben ingeteerd op hun vermogen, kunnen ze instromen in de minimagroep. Of en in welke mate de coronacrisis in 2020 van invloed is geweest op het aantal minimahuishoudens is nu nog niet vast te stellen. Bovendien kunnen gevolgen variëren per groep. Jongeren, lager opgeleiden, flexwerkers relatief geraakt, maar tijdelijk? De werkeloosheidspercentages onder groepen als jongeren, lager opgeleiden en in mindere mate middelbaar opgeleiden waren in Den Haag 2020 hoger dan bij andere groepen. Hoewel dat beeld in

10

andere jaren hetzelfde is, liepen de werkloosheidspercentages onder deze groepen relatief hard op in 2020 (CBS 2021h). Vooral jongeren en lager opgeleiden werken relatief vaak met een flexibel of tijdelijk contract. De kans op werkverlies is normaliter al groter voor flexwerkers, voor werkenden met een aflopend contract en in de coronacrisis ook voor werkenden in sectoren die getroffen zijn door de maatregelen. Deze factoren zijn bovendien gecorreleerd. In een getroffen sector als de horeca werken bijvoorbeeld relatief veel flexwerkers (Vlekke et al., 2021). Hoewel jongeren, lager opgeleiden en flexwerkers relatief hard geraakt zijn, vindt naar verwachting een groot deel wel weer werk gelet op het economische herstel en de huidige tekorten op de arbeidsmarkt (CBS 2021i). Er is dus een aanzienlijke kans dat deze groepen alleen tijdelijk leven van een laag inkomen en snel nieuw inkomen hebben verworven of verwerven. Alleen personen in huishoudens die een geheel kalenderjaar van een laag inkomen leven en weinig vermogen hebben worden tot de minima gerekend. Verschillende scenario’s denkbaar voor ondernemers Het beroep op overheidssteun van ondernemers laat zien dat een grote groep van hen eveneens te maken had met inkomensverlies in 2020.

Hoewel veel ondernemers grote gevolgen ondervinden van de coronacrisis, lag het aantal faillissementen in 2020 wel op het laagste niveau in 20 jaar. Dit kan de instroom van ondernemers in de minimagroep dempen, doordat faillissementen (tijdelijk) zijn voorkomen. Onderzoek laat wel zien dat veel Haagse ondernemers relatief kwetsbaar zijn, al voor de coronacrisis. Zo hebben ze vaker dan andere Haagse huishoudens schulden (CBS 2021k). Een simulatie van het CBS geeft verder aan dat de helft van de Haagse ondernemers na een jaar met gederfde inkomsten onder de minimumloongrens zakt. Landelijk is dat een derde. Haagse zelfstandigen hebben ten opzichte van ondernemers in andere gemeenten de minste financiële veerkracht (CBS 2020a). Tot slot is het mogelijk dan zelfstandigen hebben ingeteerd op hun eigen vermogen. Onderzoek van het CPB en AFM laat zien dat 4 tot 5.6 procent van alle ondernemers maximaal 3 tot 6 maanden hun vaste lasten kunnen doorbetalen als hun eigen inkomen wegvalt en zij een Tozo-uitkering ontvangen (Vlekke et al 2020).4 In Den Haag zou dat neerkomen op 1.100 tot 1.600 huishoudens met een eigen onderneming als primaire inkomstenbron, die nauwelijks of beperkt bestand zijn tegen inkomensverlies. Haagse ondernemers lijken kortom in normale economische omstandigheden al kwetsbaarder dan hun collega’s in andere steden.

Een deel is dat ook nog met de steun vanuit de Tozo-regeling. De overheidssteun in coronatijd zal voor een deel van de ondernemers faillissement (tijdelijk) hebben voorkomen. Wanneer de overheidssteun wegvalt, sectoren zich minder goed herstellen en/of beperkingen als gevolg van corona voortduren, is er vanuit de hoek van ondernemers mogelijk instroom in de minimagroep te verwachten. Tot slot In de volgende Armoedemonitor kunnen we aan de hand van gegevens over de inkomens- en vermogenspositie van Haagse huishoudens uitspraken doen over de gevolgen van de coronacrisis op de instroom in armoede in 2020. .

4 Als ook ander inkomen wegvalt, bijvoorbeeld dat van een bijbaan of partner, lopen deze percentages op.

11

2.

DEN HAAG VERGELEKEN MET ANDERE STEDEN

Dit hoofdstuk bespreekt het aantal huishoudens met een laag inkomen in Den Haag in vergelijking met Nederland, Rotterdam, Amsterdam en Utrecht. De cijfers die het CBS hierover publiceert, zijn beschikbaar tot en met 2020. Gegevens over 2020 zijn voorlopig. In de gegevens wordt geen rekening gehouden met de vermogenspositie van huishoudens. De genoemde aantallen in dit hoofdstuk zijn hiermee niet vergelijkbaar met de aantallen die in de komende hoofdstukken worden gepresenteerd over minimahuishoudens. Dit hoofdstuk geeft wel een goed beeld van de omvang en trend van de Haagse huishoudens met een laag inkomen in vergelijking met die in andere grote steden. 2.1 Huishoudens met laag inkomen van 2011 tot 2020 Zowel landelijk als in de steden is er in het coronajaar 2020 geen grote toename te zien van huishoudens met een laag inkomen. Den Haag telt in 2020 38.900 (16%) tot 53.100 huishoudens (22%) met een laag inkomen (110 tot 130 procent sm). Dat is een lichte toename ten opzichte van 2019. In Rotterdam zien we de meeste huishoudens met een laag inkomen; het percentage in Amsterdam ligt iets boven dat van Den Haag. Uitgaande van 110 procent van het sociaal minimum, bleef het percentage huishoudens met een laag inkomen in Amsterdam en Rotterdam in 2020 gelijk aan dat van 2019.

Amsterdam kent een fractie meer huishoudens met een laag inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum, Rotterdam juist een fractie minder. Utrecht telt de minste huishoudens met een laag inkomen (zie figuur 2.1).

Figuur 2.1: percentage huishoudens met een laag inkomen in de G4 en Nederland van 2011-2020 (links: 110% sm en rechts: 130% sm)

Bron: CBS 2021b

2.2 Langdurige armoede in de steden Den Haag heeft in 2020 21.800 tot 32.300 huishoudens met een langdurig laag inkomen (110-130 procent sm). Het CBS hanteert hierbij een duur van vier jaar of langer. Binnen de groep huishoudens met een laag inkomen is in Den Haag in 2020 56 tot 61 procent langdurig arm. In alle steden nam dit percentage de afgelopen jaren toe (zie figuur 2.2). In Den Haag daalde het percentage licht in 2020. In Amsterdam en Rotterdam geldt dat alleen voor de huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum.

12

Figuur 2.2: percentage huishoudens met langdurig laag inkomen ten opzichte van alle huishoudens met een laag inkomen in de G4 en Nederland in 2015-2020 (links: 110% sm, rechts 130% sm)

Bron: CBS 2021b

Het langdurige armoederisico te midden van alle huishoudens ligt op 10 tot 15 procent in Den Haag (110-130 procent sm). De percentages in Den Haag in 2020 zijn gelijk aan die van 2019, uitgaande van een grens van 130 procent van het sociaal minimum. Percentages liggen hoger in Amsterdam en Rotterdam, in Utrecht lager. 2.3 Ouderen in huishoudens met een laag inkomen Van de huishoudens met een laag inkomen hebben er in Den Haag in 2020 11.000 tot 16.600 een kostwinner van 65 jaar of ouder (110 tot 130 procent sm). Dat komt neer op 28 tot 31 procent van alle huishoudens met een laag inkomen. Deze percentages zijn lager dan in Rotterdam en Amsterdam en hoger dan in Utrecht. De percentages lopen de laatste jaren op in alle steden (zie figuur 2.3). Figuur 2.3: Percentage oudere kostwinners in huishoudens met een laag inkomen in de G4 en Nederland in 20152020 (links: 110% sm, rechts 130% sm)

Bron: CBS 2021b

Van alle Haagse huishoudens met een oudere hoofdkostwinner heeft de afgelopen jaren rond de 20 tot 30 procent een laag inkomen (110 tot 130 sm). In Amsterdam en Rotterdam liggen deze percentages hoger en in Utrecht (iets) lager dan in Den Haag. Het jaar 2020 laat in alle steden wel een lichte toename zien van het armoederisico van de groep ouderen. 2.4 Kinderen in huishoudens met een laag inkomen In Den Haag groeien in 2020 in 8.200 tot 11.900 huishoudens met een laag inkomen kinderen op (110 tot 130 procent sm). In deze gezinnen leven 13.900 tot 19.600 kinderen. Dat komt neer op 14 tot 19 procent van alle Haagse kinderen. Dat is lager dan in Amsterdam en Rotterdam en hoger dan in

13

Utrecht. Uitgaande van 130 procent van het sociaal minimum, zien we in 2020 in alle steden een lichte daling van het percentage kinderen dat opgroeit in een huishouden met een laag inkomen. Figuur 2.4: percentage kinderen in huishoudens met een laag inkomen in de G4 en Nederland in 2011-2020 (links: 110% sm, rechts 130% sm)

Bron: CBS 2021b

14

3.

HAAGSE MINIMAHUISHOUDENS

Dit hoofdstuk geeft eerst een overzicht van Haagse huishoudens naar inkomen en vermogen. Daarna bespreken we de omvang van de groep minimahuishoudens en de kenmerken van deze groep. Zoals aangegeven hebben minima naast een laag inkomen ook weinig vermogen. De meest recente beschikbare gegevens over deze groep gaan over 2019. Den Haag telt op 1 januari 2019 255.100 particuliere huishoudens (exclusief institutionele huishoudens). De doelpopulatie voor de Armoedemonitor bestaat uit particuliere huishoudens met een volledig jaarinkomen, exclusief studentenhuishoudens. Dat zijn 237.100 huishoudens. In totaal omvat de doelpopulatie 93 procent van alle Haagse huishoudens. Wanneer in het verslag percentages worden genoemd, gaat het om percentages binnen de doelpopulatie. Figuur 3.1 brengt de verhoudingen tussen de groepen Haagse huishoudens in beeld. Figuur 3.1: aantal huishoudens in Den Haag: totaal, doelpopulatie, huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens in 2019

totaal aantal particuliere huishoudens

doelpopulatie

huishoudens met een laag inkomen tot 110% sm: 38.000

237.100

255.100

tot 130% sm: 52.000 minimahuishoudens met een laag inkomen en vermogen onder de bijstandsnorm

inkomen heel jaar bekend, geen studentenhuishoudens

tot 110% sm: 33.700 tot 130% sm: 44.100

Bron: CBS 2021l

3.1 Omvang van de groep Haagse minimahuishoudens Van de 38.000 huishoudens in 2019 met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum hebben er 4.300 een vermogen boven de gestelde vermogensgrens. Van de 52.000 Haagse huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum zijn dat 7.900 huishoudens. Den Haag telt hiermee 33.700 tot 44.100 minimahuishoudens in 2019. Van alle Haagse huishoudens behoort 14 tot 19 procent tot de minima. Ten opzichte van 2018 daalden deze percentages licht (zie figuur 3.2).

15

Figuur 3.2 Minimahuishoudens in Den Haag in 2017- 2019. Links: 110% sm; rechts 130% sm (aantallen en percentage minima ten opzichte van alle Haagse huishoudens)

Bron: CBS 2021l, CBS 2020b

3.2 Inkomstenbron van Haagse minimahuishoudens De voornaamste inkomstenbron van minimahuishoudens varieert (zie figuur 3.3). Meer dan de helft ontvangt een uitkering en een kwart leeft van een pensioen. Minimahuishoudens met inkomen uit werk of een eigen bedrijf vormen samen 17 tot 21 procent van de minimagroep. Onder alle Haagse huishoudens zien we een heel ander beeld. Daar heeft in totaal 63 procent inkomsten uit werk of een eigen onderneming.

Figuur 3.3 Voornaamste inkomensbron van minimahuishoudens en alle huishoudens in 2019 (percentages)

Bron: CBS 2021l

Huishoudens met bijstand hebben verreweg de hoogste kans op armoede, gevolgd door huishoudens met een andere uitkering (zie figuur 3.4). Het risico van huishoudens met een pensioen en met name

16

met werk ligt lager. Van de huishoudens met een inkomen uit een eigen bedrijf is desondanks 11 tot 13 procent arm.

Figuur 3.4 Armoederisico naar inkomstenbron in 2019 (percentages)

Bron: CBS 2021l

3.3 Huishoudsamenstelling van Haagse minimahuishoudens Eenpersoonshuishoudens zijn de grootste groep in de minimapopulatie (zie figuur 3.5). Ten opzichte van alle Haagse huishoudens zijn alleenstaanden en eenoudergezinnen over- en paren met en zonder kinderen ondervertegenwoordigd.

Figuur 3.5 Huishoudsamenstelling van minimahuishoudens en alle huishoudens in 2019 (percentages)

Bron: CBS 2021l

17

Eenoudergezinnen hebben het grootste risico op armoede (zie figuur 3.6). Van alle Haagse eenoudergezinnen is 23 tot 31 procent arm. Eenoudergezinnen met alleen kinderen onder de achttien jaar lopen verreweg het hoogste risico met 36 tot 45 procent (gegevens niet in figuur). Het armoederisico van andere huishoudtypen is aanmerkelijk lager.

Figuur 3.6: Armoederisico naar huishoudtype in 2019 (percentages)

Bron: CBS 2021l

3.4 Leeftijd kostwinner van Haagse minimahuishoudens Van 25 procent van de minimahuishoudens is de hoofdkostwinner 65 jaar of ouder (zie figuur 3.7). Het percentage oudere minima nam toe van 23 procent in 2017 naar 25 procent in 2019 (beide inkomensgrenzen). Het percentage jongere hoofdkostwinners in de groep minimahuishoudens is daarentegen klein, met 4 procent. Kijken we naar alle Haagse huishoudens, dan zien we iets minder ouderen en iets meer hoofdkostwinners van 25 tot 45 jaar.

Figuur 3.7: leeftijd van hoofdkostwinners van minimahuishoudens en alle huishoudens in 2019 (percentages)

Bron: CBS 2021l

18

Van de groep huishoudens met een kostwinner van 18 tot 24 jaar, is 18 tot 26 procent arm. Dat is relatief veel. Wel is dat vaak kortdurend (zie ook paragraaf 3.6); ook is de groep in omvang klein.

Figuur 3.8: Armoederisico naar leeftijd van hoofdkostwinner 2019 (percentages)

Bron: CBS 2021l

3.5 Herkomst van Haagse minimahuishoudens Van alle minimahuishoudens heeft 30 tot 32 procent een Nederlandse achtergrond (110-130 sm). De meerderheid heeft dus een migratieachtergrond (zie figuur 3.9). Het aandeel minimahuishoudens met een migratieachtergrond (westers en niet-westers samen) is in de minimapopulatie groter dan in de totale Haagse populatie.

Figuur 3.9: minima- en totale populatie in Den Haag naar migratieachtergrond in 2019 (percentages)

Bron: CBS 2021l

19

Het armoederisico is het hoogst onder huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond. Van alle huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond behoort 26 tot 32 procent tot de minimapopulatie. Het armoederisico onder huishoudens met een Nederlandse achtergrond is het laagst met 8 tot 12 procent (CBS 2020l). 3.6 Toeslagengebruik van Haagse minimahuishoudens Ruim 8 van de 10 minimahuishoudens ontvangen huurtoeslag en vrijwel alle minimahuishoudens ontvangen zorgtoeslag. Deze percentages zijn veel hoger dan onder andere Haagse huishoudens. Van alle Haagse huishoudens ontvangt 23 procent huurtoeslag en 50 procent zorgtoeslag (CBS 2021l). 3.7 Zorggebruik van Haagse minimahuishoudens Van alle Haagse huishoudens gebruikt 13 procent een geïndiceerde Wmo-voorziening (zie figuur 3.10). Onder de minimahuishoudens is dat bijna een derde. Haagse minimahuishoudens maken ook vaker (langdurig) hogere zorgkosten5. Bij minimahuishoudens heeft 27 procent hoge zorgkosten, tegenover 19 procent van alle Haagse huishoudens. Het percentage Haagse minimahuishoudens met langdurig hoge zorgkosten is met 7 procent bijna twee keer zo hoog als onder alle Haagse huishoudens. Kwetsbaarheid op het vlak van inkomen en gezondheid gaan hiermee relatief vaak samen.

Figuur 3.10: zorggebruik en zorgkosten van de minima- en totale populatie in 2019 (percentages)

Bron: CBS 2021l

Sociaaleconomische gezondheidsverschillen Onderzoek van de GGD Haaglanden laat aanzienlijke sociaaleconomische gezondheidsverschillen (SEGV) zien in de regio Haaglanden. SEGV zijn verschillen in gezondheid (en sterfte) tussen mensen met een lage en met een hoge sociaaleconomische positie in de maatschappij (RIVM 2019). De positie wordt doorgaans afgemeten aan opleiding. De gezondheidsverschillen naar opleiding zijn groot. Dat geldt ook voor de verschillen naar mate van rondkomen tabel 3.1).

5 Zorgkosten: gekeken is of ten minste een persoon uit een Haags huishouden behoort tot het deciel 5 met de landelijk hoogste

zorgkosten, in peiljaar 2018. Het gaat dan om kosten voor zorg uit de basisverzekering; het eigen risico voor de gebruikte zorg hierbij is niet bekend. Langdurig hoge zorgkosten hebben betrekking op de jaren 2014-2018.

20

Tabel 3.1: voorkomen van problemen op vlak van gezondheid naar opleidingsniveau en naar moeite met rondkomen (percentages) laag hoog moeite geen opgeleid opgeleid moeite Lichamelijke gezondheid ervaren gezondheid (zeer goed, goed) 63 86 60 81 chronische aandoening (ja) 46 26 44 30 functionele beperkingen (ja) 36 7 31 13 Psychische gezondheid ervaren stress (heel veel, veel) 17 23 40 18 risico angststoornis/depressie (matig-hoog) 52 44 73 43 Sociale gezondheid gevoel sociale uitsluiting (matig-sterk) 14 5 34 3 ervaren regie (onvoldoende) 18 5 23 7 eenzaam (matig tot zeer) 59 49 74 49 Bron: GGD Haaglanden 2021

3.8 Schulden onder Haagse minimahuishoudens In Den Haag heeft 4 procent van de huishoudens een betalingsachterstand op de zorgpremie: een of meer leden van het huishouden zijn geregistreerd als wanbetaler bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Bij de minimahuishoudens is dat percentage twee keer zo hoog, met 8 procent (CBS 2021l). Het is waarschijnlijk dat een groter percentage minimahuishoudens financiële druk ervaart. Uit (landelijk) onderzoek van het CBS blijkt dat huishoudens met een laag inkomen regelmatig te maken hebben met financiële beperkingen. In 2021 gaf 84 procent van hen aan onvoldoende geld te hebben voor één of meer specifieke uitgaven, uiteenlopend van het verwarmen van het huis (14%) tot het doen van onverwachte noodzakelijke uitgaven (70%). Onder huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens ervaart 28 procent beperkingen (CBS 2021a). Het CBS rapporteert ook over problematische schulden (CBS 2021k). In Den Haag heeft begin 2020 13.5 procent van alle huishoudens geregistreerde problematische schulden 6. Dit percentage bleef in 2020 min of meer stabiel (13.3 procent eind 2020) (CBS 2021k). Onder bepaalde groepen komen schulden vaker voor. Zo heeft van alle huishoudens met bijstand bijna een derde problematische schulden. Ook ondernemers hebben relatief vaak schulden met 18 procent.

Bij ondernemers met een laag huishoudinkomen gaat het om 26 procent 7. Een andere kwetsbare groep vormen werknemers met een flexibel contract en een laag huishoudinkomen. Van deze groep heeft 29 procent problematische schulden (CBS 2020k). Uit onderzoek blijkt dat mensen met schulden meer kans hebben op psychische aandoeningen dan mensen zonder schulden en dat mensen die al een psychische aandoening hebben voordat schulden ontstaan, slechter herstellen (Ten Have et al. 2021). Het CPB concludeerde recent dat de kans op gebruik van geestelijke gezondheidszorg toeneemt als mensen schulden hebben. De kosten stijgen sterker nadat mensen in financiële problemen komen. Hierbij geldt dat mensen met schulden voordat zij in de schulden kwamen al hogere gezondheidszorguitgaven hadden dan mensen zonder schulden (Roos et al. 2021).

6 Met behulp van registraties over betalingsachterstanden bij de Belastingdienst, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het

Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), bij BKR geregistreerde betalingsachterstanden en minnelijke trajecten, wanbetalers van de zorgverzekering, de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) en het Centraal Curatele en Bewind Register (CCBR) is afgeleid welke huishoudens problematische schulden hebben. Zie Schuldenproblematiek in beeld (cbs.nl) 7 Uitgaande van de lage inkomensgrens van het CBS

21

3.9 Concentraties van armoede in Den Haag In de stadsdelen Centrum, Escamp en Laak woont ruim 70 procent van de minimahuishoudens (niet in tabel). In deze stadsdelen ligt het percentage minimahuishoudens hoger dan in andere stadsdelen en dan in Den Haag als geheel (zie tabel 3.2). Dit beeld was in voorgaande jaren hetzelfde.

Tabel 3.2: aandeel minimahuishoudens per stadsdeel in 2019 (aantallen (x1000) en percentages) 110% sm 130% sm Stadsdeel aantal percentage aantal percentage n x 1000 n x 1000 Centrum 10.5 23 13.3 29 Escamp 10 18 13.1 24 Haagse Hout 2 9 2.6 12 Laak 3.4 18 4.6 25 Leidschenveen-Ypenburg 1.1 6 1.5 9 Loosduinen 2.2 9 3 13 Scheveningen 2.1 8 2.9 11 Segbroek 2.4 8 3.2 11 Totaal* 33.7 14 44.1 19 Zuidwest 8.1 25 Bron: CBS 2021l * cellen door afronding tellen niet op tot totaal

10.4

32

Op onderstaande kaart (figuur 3.11) is het percentage minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum op wijkniveau weergeven. De top vijf wijken met het hoogste aandeel minimahuishoudens zijn de Schilderbuurt (43%), Moerwijk (37%), Transvaalkwartier (35%), Bouwlust en Vrederust (30%) en Morgenstond (30%). Figuur 3.11: percentage minimahuishoudens met een inkomen van 130% sm per wijk in 2019

Bron: CBS 2021l

22

3.10 Langdurige minimahuishoudens In 2019 telt Den Haag 22.500 tot 31.200 huishoudens die drie jaar of langer tot de minima behoren (110-130 procent sm). Ten opzichte van alle Haagse huishoudens is 9 tot 13 procent langdurig arm. Deze percentages zijn door de jaren heen stabiel. Binnen de groep minima stijgt het aandeel langdurig arme huishoudens wel. In 2019 is 67 tot 71 procent langdurig arm. Dat is een toename van respectievelijk 5 en 4 procentpunt ten opzichte van 2017. Een verklaring hiervoor is dat de instroom in de minimagroep afneemt, terwijl de uitstroom uit de armoede daalt. Tabel 3.3 beschrijft de kenmerken van de groep langdurige minimahuishoudens in vergelijking met de groep die minder lang in armoede verkeert. De meerderheid van de langdurige minima heeft een inkomen uit bijstand of een pensioen. Vergeleken met kortdurende minimahuishoudens, hebben ze minder vaak een inkomen uit werk. Verder zien we verhoudingsgewijs wat meer alleenstaanden en minder paren met kinderen terug bij de langdurige minima. De hoofdkostwinners zijn relatief vaak ouder; onder kortdurende minima zien we veel vaker jongere hoofdkostwinners terug. Langdurige minimahuishoudens hebben vaker een hoofdkostwinner van Nederlandse herkomst. Het zorggebruik van langdurige minima ligt relatief hoog vergeleken met minima die minder lang tot de minimagroep behoren.

Tot slot valt op dat langdurige minima minder vaak wanbetaler zijn van de zorgpremie. Daar zijn kortdurende minimahuishoudens juist oververtegenwoordigd.

Tabel 3.3: Kenmerken van minimahuishoudens die langer en korter dan 3 jaar tot de minimagroep behoren bij een inkomstengrens van 110 en 130 procent van het sm (percentages) 110% 130% > 3 jaar < 3 jaar > 3 jaar < 3 jaar Aantallen x 1000 n =22.5 n=11.2 n=31.2 n=12.9 Inkomstenbron Inkomen uit arbeid 4 19 9 28 Inkomen uit eigen onderneming 3 17 4 16 Bijstandsuitkering 47 34 40 26 Andere uitkering 16 18 17 19 Pensioen 31 11 31 10 Huishoudsamenstelling Alleenstaand 68 60 64 59 Paar zonder kinderen 10 10 11 10 Paar met kinderen 7 12 9 12 Eenoudergezin 14 16 16 16 Overig huishouden 1 2 1 2 Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 1 8 1 10 25 tot 45 jaar 28 47 28 49 45 tot 65 jaar 40 33 39 32 65 jaar of ouder 32 11 32 10 Herkomst hoofdkostwinner Nederlandse achtergrond 32 26 34 26 Westerse migratieachtergrond 11 20 11 22 Niet-westerse migratieachtergrond 57 55 55 52 Zorggebruik Wmo 38 21 37 18 Hoge zorgkosten 29 21 29 20 Langdurig hoge zorgkosten 9 4 9 4 Wanbetaler 5 13 6 12 Bron: CBS 2021l

23

Percentage langdurige minima het hoogst in Centrum Tabel 3.4 toon het aantal langdurig arme minimahuishoudens per stadsdeel, het percentage binnen de totale Haagse populatie en binnen de minimapopulatie. Ten opzichte van het stedelijke percentage langdurige minima, wonen er relatief veel langdurige minima in de stadsdelen Centrum, Escamp (vooral Zuidwest) en Loosduinen. Afgezet tegen de groep minima, wonen er relatief veel langdurige minima in Scheveningen en relatief weinig in Leidschenveen-Ypenburg.

Tabel 3.4: langdurig arme minimahuishoudens naar stadsdeel in 2019: aantallen en percentages

Stadsdeel

110% sm aantal x 1000

% in bevolking

Centrum Escamp Laak Loosduinen Haagse Hout Scheveningen Segbroek Leidsch. Ypnb. Totaal

7.1 6.8 1.4 2.2 0.7 1.6 1.4 1.4 22.5

15 12 6 12 4 7 5 5 10

% in minimagroep 68 68 70 65 64 73 67 58 67

Zuidwest Bron: CBS 2021l

5.7

18

70

130% sm aantal x 1000

% in bevolking

9.5 9.5 1.9 3 1 2.3 2 2.1 31.3

21 17 9 16 6 10 8 7 13

% in minima -groep 71 73 73 65 67 77 69 66 71

7.8

24

75

3.11 Kinderen in Haagse minimahuishoudens In ruim een kwart van de minimahuishoudens groeien kinderen op. In deze gezinnen wonen 13.800 tot 19.200 kinderen tot 18 jaar (110-130 procent sm). Minimavoorzieningen zijn bedoeld voor kinderen van 4 tot 18 jaar. Zowel het aantal als het percentage kinderen in deze leeftijdscategorie daalde in 2019 ten opzichte van eerdere jaren (zie figuur 3.12).

Figuur 3.12. Kinderen van 4-18 in minimahuishoudens in Den Haag in 2017, 2018 en 2019. Links: 110% sm; rechts 130% sm (aantal en percentage t.o.v. alle Haagse kinderen van 4-18)

Bron: CBS 2021l

24

Onderstaande tabel (3.5) beschrijft de kenmerken van kinderen van 4 tot 18 jaar. Kinderen uit minimahuishoudens groeien veel vaker op in een eenoudergezin. Verder krijgen zij vaker ondersteuning vanuit Jeugdzorg. In de minimahuishoudens waar de kinderen wonen worden verder relatief vaak hoge zorgkosten gemaakt en bestaan vaker betalingsachterstanden van de zorgpremie.

Tabel 3.5: kenmerken van Haagse kinderen van 4-18 in minimahuishoudens in 2019 ten opzichte van kenmerken van alle kinderen (percentages). 110% 130% alle kinderen n (x 1000)

%

n (x 1000)

%

n (x 1000)

%

4 tot 8

3.5

34

4.6

31

23.7

29

8 tot 12

3.1

30

4.2

29

23.4

29

12 tot 18

3.8

37

5.9

40

33.4

41

paar met kinderen

4

39

6.2

42

58.9

73

eenoudergezin

5.9

57

7.9

54

18

22

overig

0.4

4

0.5

3

3.6

4

ja

3.2

31

4.2

29

17.5

22

nee

7.1

69

10.5

71

63.1

78

ja

2.6

25

3.6

24

13.8

17

langdurig

0.4

4

0.6

4

2.3

3

1.2

12

1.7

12

4.2

5

Leeftijd kinderen

Huishoudsamenstelling

Jeugdzorg in huishouden

Hoge zorgkosten in huishouden

Wanbetaler in huishouden ja Bron: CBS 2021l

In het dashboard armoede bij thuiswonende kinderen is voor de gemeente Den Haag (op wijkniveau) meer inzicht te krijgen in de kenmerken van kinderen uit huishoudens met een laag inkomen (NB: er is in het dashboard geen rekening gehouden met vermogen -zie Dashboard armoede thuiswonende kinderen (cbs.nl).

25

4

TOEKENNINGEN EN BEREIK VAN MINIMAREGELINGEN

Dit hoofdstuk gaat in op de toekenningen van minimaregelingen in 2019 en op het bereik van deze regelingen. In de komende paragrafen komen de Ooievaarspas, de Haagse zorgverzekering, het kindpakket (voorzieningen verstrekt door Leergeld Den Haag), de tegemoetkoming voor de ouderbijdrage, de individuele inkomenstoeslag, de tegemoetkoming voor langdurig zieken en gehandicapten, bijzondere bijstand en de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen aan de orde. 4.1 Berekenen van bereik Het bereik is het aantal toekenningen afgezet tegen de totale doelgroep van de betreffende regeling. Bij het vaststellen van het bereik is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke uitvoeringspraktijk. Zo gaan we bij de doelgroepbepaling uit van het maximale vermogen waarbij men nog in aanmerking komt voor bijstand, is rekening gehouden met doelgroepkenmerken (zoals de aanwezigheid van kinderen in een bepaalde leeftijd) en uiteraard met de inkomensgrens om in aanmerking te komen voor de regeling. Toch zijn er ook enkele beperkingen. Een aantal huishoudens valt buiten de minimapopulatie zoals vastgesteld door het CBS. Het gaat dan vooral om: • huishoudens buiten de doelpopulatie omdat zij geen volledig kalenderjaar een inkomen hebben, een studenten- of institutioneel huishouden zijn. Mogelijk bevinden zich hier ook rechthebbende minimahuishoudens onder.

• huishoudens die op basis van het inkomen van hoofdkostwinner en partner onder de gemeentelijke minimagrens vallen maar met het inkomen van andere huisgenoten erboven. De gemeente bepaalt het recht op regelingen op basis van het inkomen van de aanvrager en de eventuele partner. De inkomensbepaling in de CBS-gegevens is gebaseerd op alle inkomens in het huishouden. • huishoudens die op basis van een kalenderjaar bezien een hoger inkomen dan de gehanteerde inkomensgrens hebben, maar op het peilmoment van toetsen bij de gemeente niet. Bij het toetsen van het inkomen wordt bijvoorbeeld soms teruggekeken vanaf het moment van aanvraag, of er wordt minder lang teruggekeken. Ook de peilmomenten voor het vaststellen van het vermogen kunnen verschillen tussen de gemeente en het CBS. Kort gezegd is niet op alle punten aansluiting bij de gemeentelijke praktijk mogelijk. Dit zorgt ervoor dat potentieel rechthebbende huishoudens (met een minimaregeling) buiten beschouwing blijven. Daarnaast kan het incidenteel voorkomen dat mensen die op basis van de CBS gegevens tot de minimapopulatie behoren toch niet in aanmerking komen voor een regeling. Het gaat dan bijvoorbeeld om minima met een schuld bij de zorgverzekeraar; zij zijn uitgesloten van deelname aan de Haagse zorgverzekering.

De onderstaande paragrafen bieden inzicht in het verzamelbereik en in het bereik van de afzonderlijke minimaregelingen. 4.2 Verzamelbereik: gebruik van tenminste een minimaregeling Het aandeel minimahuishoudens dan ten minste een minimaregeling gebruikte, ligt in 2019 op 84 of 80 procent (110 of 130 procent van het sm). Van de langdurige minima met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum gebruikt 90 procent een of meer regelingen (zie tabel 4.1).

26

Tabel 4.1: omvang minimapopulatie (aantallen) en verzamelbereik van minimaregelingen in 2017-2019 (105% tot 150% sm, percentages) Populatie (aantal x 1000) Bereik (%) 2017 2018 2019 2017 2018 2019 Totale groep minimahuishoudens 105% sm 110% sm 130% sm 150% sm Langdurige minimahuishoudens 105% sm 110% sm 130% sm 150% sm Bron: CBS 2021l, CBS 2020b

30.3 35 45.9 54.5

29.7 34.1 44.9 53.6

29.5 33.7 44.1 52.6

86 85 81 76

85 85 81 76

84 84 80 75

18 21.8 30.8 38

18.5 22.2 31.1 38.1

18.7 22.5 31.2 38.1

94 93 90 84

94 93 90 85

94 93 90 85

Tabel 4.2 geeft het bereik weer van minimahuishoudens naar diverse achtergrondkenmerken. Het verzamelbereik is met (ruim) 90 procent het hoogst onder eenoudergezinnen. Het bereik onder minima met een oudere kostwinner is eveneens hoog. Alle minimahuishoudens met bijstand als voornaamste bron van inkomen worden bereikt: iedereen gebruikt ten minste één regeling. Het bereik onder minimahuishoudens die rondkomen van een pensioen of een andere uitkering is lager, maar eveneens relatief hoog. Daarentegen is het bereik onder minima met een jongere kostwinner (tot 24 jaar) lager en bovendien gedaald ten opzichte van 2018. Het bereik is eveneens lager onder minimahuishoudens met inkomsten uit werk. Tabel 4.2: verzamelbereik van minimaregelingen in 2017-2019 naar achtergrondkenmerken (110 en 130% sm, percentages) 2017 2018 2019 110% 130% 110% 130% 110% 130% Totaal bereik 85 81 85 81 84 80 Soort huishouden Eenpersoonshuishouden 85 80 85 80 84 79 Paar zonder kinderen 80 75 80 74 79 74 Paar met kinderen 81 80 81 80 80 79 Eenoudergezin 93 92 92 91 92 90 Overig huishouden 71 73 76 76 73 73 Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 66 60 60 55 56 50 25 tot 45 jaar 80 76 79 75 77 73 45 tot 65 jaar 89 86 89 86 88 85 65 jaar of ouder Bron van inkomen Inkomen uit arbeid Inkomen uit eigen onderneming Bijstandsuitkering Pensioen Andere uitkering Bron: CBS 2021l, CBS 2020b

92

87

92

87

91

87

51 22 100 92 82

53 22 100 87 79

51 20 100 92 83

54 20 100 87 76

49 19 100 91 82

52 19 100 86 79

27

Bereik per stadsdeel Het bereik in stadsdelen Centrum, Escamp-zuidwest, Haagse Hout en Loosduinen is relatief hoog. Het bereik in de andere stadsdelen is lager (zie tabel 4.3). Het verzamelbereik is het laagst onder minimahuishoudens in stadsdeel Segbroek. Dit was in 2018 ook het geval. Tabel 4.3: omvang minimapopulatie per stadsdeel (aantallen) en verzamelbereik van minimaregelingen per stadsdeel in 2019 (110 en 130% sm, percentages) 110% sm 130% sm Stadsdeel

bereik

Centrum

populatie aantal x 1000 10.5

bereik

85

populatie aantal x 1000 7.1

Escamp - Zuidwest

8.1

91

5.7

87

Escamp - Rest Haagse Hout

1.9

72

1.1

69

2

84

1.4

79

Laak

3.4

81

2.2

76

Leidschenveen-Ypenburg

1.1

79

0.7

76

Loosduinen

2.2

87

1.6

82

Scheveningen

2.1

78

1.4

73

Segbroek

2.4

76

1.4

71

Den Haag

33.7

84

44.1

80

82

Bron: CBS 2021l, CBS 2020b

4.3 Ooievaarspas Doel

Het doel van de Ooievaarspas is om mensen met een laag inkomen door middel van kortingen deel te laten nemen aan sportieve, culturele en recreatieve activiteiten. Verder wordt aan minima van 70+ gratis openbaar vervoer en korting op voetverzorging van de pedicure geboden. Voor 65+ers en gehandicapten is er korting op warme maaltijden in restaurants van Haagse zorginstellingen.

Doelgroep

Minima tot 130 procent van het sociaal minimum en laag vermogen. Ook studenten kunnen de pas aanvragen. Als aanvullende voorwaarde geldt dat ze geen recht hebben op een lening of aanvullende beurs van DUO.

Aanvraag

Mensen met bijstand krijgen standaard een brief waarin staat hoe zij de Ooievaarspas kunnen krijgen. Anderen vragen zelf of met hulp een Ooievaarspas aan via de website van de gemeente Den Haag of sturen een aanvraagformulier op.

Uitvoering

Bureau Ooievaarspas en diverse bedrijven en instellingen

4.3.1 Verstrekkingen In 2019 is aan 93.135 personen een Ooievaarspas verstrekt. Het aantal verstrekkingen is lager dan in voorgaande jaren (zie tabel 4.4). NB: het gaat hier om het bezit en niet om daadwerkelijk gebruik van de Ooievaarspas

28

Tabel 4.4: toekenningen Ooievaarspas in 2017-20198 (aantallen) 2017 97.498

Verstrekte Ooievaarspassen

2018 93.819

2019 93.135

Bron: management informatie bureau Ooievaarspas

4.3.2 Bereik In 2019 was 72 procent van de huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum in het bezit van een Ooievaarspas (zie tabel 4.5).

Tabel 4.5: Bereik Ooievaarspas naar soort huishouden, leeftijd hoofdkostwinner, bron en hoogte van inkomen in 2017 -2019 (percentages) 2017 2018

2019

Minimahuishoudens tot 130% sm Bereik

73

73

72

Eenpersoonshuishouden

70

70

69

Paar zonder kinderen

63

64

63

Paar met kinderen

75

75

75

Eenoudergezin

88

88

87

< 24 jaar

50

44

40

25-45 jaar

69

69

67

45-65 jaar

75

75

75

65 +

80

79

79

Inkomen uit arbeid

42

45

43

Inkomen uit eigen onderneming

16

16

15

Bijstandsuitkering

100

100

100

Andere uitkering

51

53

52

Pensioen

79

78

78

105% sm

79

78

77

110% sm

77

77

76

130% sm

73

73

72

150% sm

67

67

66

105% sm

87

88

87

110% sm

85

85

85

130% sm

81

82

81

150% sm Bron: CBS 2021l, CBS 2020b

76

76

76

Soort huishouden

Leeftijd hoofdkostwinner

Bron van inkomen

Alle minimahuishoudens Hoogte van inkomen

Langdurige minima

Het bereik is min of meer stabiel over de jaren. Van alle huishoudtypen is het bereik onder alleenstaande ouders het hoogst met 87 procent, gevolgd door paren met kinderen met 75 procent. Alle minimahuishoudens met bijstand worden bereikt. Ook het bereik onder minima met een 8 Deze aantallen wijken af van verstrekte toekenningen door BI.

29

pensioen is hoog met 78 procent. Wel is er een daling te zien van het bereik onder minimahuishoudens met een jongere kostwinner (tot 24 jaar). Ook het bereik onder werkende minima daalde licht. 4.4

Haagse zorgverzekering

Doel

Minimahuishoudens een goede zorgverzekering bieden tegen een aantrekkelijk tarief. Het wettelijk eigen risico wordt meeverzekerd en minima krijgen een uitgebreid (basis en aanvullend) pakket met ruime vergoedingen. De pakketten vergoeden ook diverse eigen bijdragen, waaronder die voor de Huishoudelijke Hulp.

Doelgroep

Aanvraag

Alle minima uit huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Minima met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum betalen netto een lagere premie dan minima met een inkomen tussen 110 en 130 procent van het sociaal minimum. Huishoudens met een inkomen tussen de 130 procent en 150 procent van het sociaal minimum kunnen een verzekering afsluiten maat krijgen geen bijdrage in de premie. Studenten zijn uitgesloten. Bij een betalingsachterstand of – regeling bij de huidige verzekeraar, kan niet worden overgestapt naar dit aanbod. Via website van verzekeraars of via gezondverzekerd.nl/denhaag.

Uitvoering

VGZ, Menzis

4.4.1 Verstrekkingen De gemeente Den Haag biedt minima de mogelijkheid om een basis- en een aanvullende verzekering af te sluiten. In totaal zijn er in 2019 60.549 personen die langs deze weg een basis- (en aanvullende) verzekering hebben, inclusief kinderen tot 18 jaar. Dit is een stijging ten opzichte van 2017 en 2018 (zie tabel 4.6). Tabel 4.6: verstrekkingen collectieve zorgverzekering aan minima in 2017 -2019 (aantallen) 2017 2018

2019

Totaal

60.549

58.411

60.125

Bron: VGZ en Menzis

4.4.2 Bereik In 2019 gebruikt 55 procent van de minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum de collectieve zorgverzekering (zie tabel 4.7). Dit betekent dat tenminste een persoon in het huishouden verzekerd is via de Haagse zorgverzekering. Het bereik onder langdurige minimahuishoudens ligt hoger met 66 procent. Er zijn grote verschillen in bereik naar bron van inkomen. Van de minima met bijstand maakt 63 procent gebruik van de zorgverzekering, ten opzichte van 70 procent van de minima met een pensioen. Het bereik onder minima met inkomen uit een eigen bedrijf of uit loondienst is lager, met respectievelijk 9 en 24 procent.

30

Tabel 4.7: Bereik Haagse zorgverzekering naar soort huishouden, leeftijd hoofdkostwinner, bron en hoogte van inkomen in 2017-2019 (percentages) 2017 2018 2019 Minimahuishoudens tot 110% sm Bereik

53

54

55

Eenpersoonshuishouden

52

53

54

Paar zonder kinderen

59

60

61

Paar met kinderen

53

57

58

Eenoudergezin

51

52

52

< 24 jaar

33

27

23

25-45 jaar

39

40

41

45-65 jaar

58

59

60

65 +

69

70

70

Inkomen uit arbeid

21

22

24

Inkomen uit eigen onderneming

9

9

9

Bijstandsuitkering

60

61

63

Andere uitkering

47

48

49

Pensioen

68

70

70

105% sm

53

54

55

110% sm

53

54

55

130% sm

49

50

51

150% sm

45

44

47

105% sm

64

65

66

110% sm

63

64

65

130% sm

58

59

60

150% sm Bron: CBS 2021l, CBS 2020b

53

55

56

Soort huishouden

Leeftijd hoofdkostwinner

Bron van inkomen

Alle minimahuishoudens Hoogte van inkomen

Langdurige minima

4.5

Kindpakket en tegemoetkoming ouderbijdrage

Doel

Met het kindpakket zijn verstrekkingen in natura beschikbaar voor kinderen uit minimahuishoudens zodat ze kunnen meedoen op school of in het verenigingsleven. Voorbeelden zijn de schoolspullenpas, winterkledingspas, squla-thuisabonnement, digitale middelen en een fiets.

Doelgroep

Kinderen van 4 tot 18 jaar uit gezinnen met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en een Ooievaarspas.

Aanvraag

Via de website van Leergeld Den Haag

Uitvoering

Leergeld Den Haag

31

Doel

Met de tegemoetkoming in de ouderbijdrage van scholen voor kinderen uit minimahuishoudens om belemmering voor deelname aan extra activiteiten vanuit school (sinterklaas, kerstviering, schoolreisje, extra lesmateriaal) weg te nemen.

Doelgroep

Kinderen van 4- 18 jaar uit gezinnen met inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum.

Aanvraag

Ouders kunnen op school (indien aangesloten) aangeven dat zij een Ooievaarspas hebben. De vergoeding wordt aangevraagd dor scholen en gaat rechtstreeks naar het schoolbestuur.

Uitvoering

Bij de Ooievaarsregeling aangesloten scholen en Bureau Ooievaarspas

4.5.1 Verstrekkingen In 2019 is 12.540 keer een tegemoetkoming voor de ouderbijdrage verstrekt. Dit is veel minder vaak dan in voorgaand jaar. Het gaat dan om de verstrekkingen in schooljaar 2019/2020. Mogelijk waren er in 2020 minder activiteiten vanuit de scholen waarvoor de tegemoetkoming ingezet kon worden, in verband met de uitbraak van corona. Leergeld Den Haag bood in 2019 in totaal 71.752 verstrekkingen aan kinderen van 4 tot 18 uit minimagezinnen (zie tabel 4.8).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11170660/1