CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311200 Bijlage 3

Gemeenteraad 19 mei 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake beleidsnota Archeologie en bijlagen: toelichting op de Archeologische Waarden & Verwachtingenkaart 2021 (AWVK) en Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie (GOA) (RIS311200)47.392 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

7 alinea's met “uitwisseling”: 194 195 347 351 357 360 366

66 Bulten 2010, p. 93. 67 Van Zoolingen 2018. 68 Hamburg 2006. 69 Van Regteren Altena e.a. 1962. 70 Koot 2001. 71

Rieffe e.a. 2006.

72 Van Heeringen 1983, p. 104. 73 Stokkel en Bulten 2017. 74 Van Zoolingen en Bulten 2021. 75 Dusseldorp en Amkreutz 2020. 23

een zelfde beeld laat zien als dat van de Wateringse Binnentuinen en dat van een uitzondering derhalve geen sprake lijkt te zijn. De runderen van de Binnentuinen werden geweid op de kwelders ten westen van de strandwal. In drenkkuilen direct naast de nederzetting van de Wateringse Binnentuinen zijn mestschimmels aangetroffen in combinatie met resten van zoutminnende vegetatie. Schrabbers zijn oververtegenwoordigd in de vuursteenassemblage, net als op de Steynhof. Het is daarom aannemelijk dat in dit gebied voornamelijk huiden en vlees geproduceerd werden. Aanwijzingen voor akkerbouw zijn schaarser (verkoolde graankorrels, sikkelfragmenten en maalstenen met gebruikssporen). Ook weten we van latere perioden dat landbouw op het duin heel erg lastig is. Daadwerkelijke akkers (te herkennen door eergetouwkrassen) zijn uit deze periode niet onomstotelijk aangetroffen.76 • Welke rol speelde akkerbouw in de bestaanseconomie van de Vlaardingenbewoners. • Is de correlatie tussen veel vee en veel schrabbers inderdaad een aanwijzing voor een primaire focus op vlees/huidenproductie? Of kan dit ook anders geïnterpreteerd worden? Hoe verhouden deze vondstcategorieën zich op andere neolithische vindplaatsen?

3.3 Chronologie Dateringen De Hazendonk-vindplaatsen in de Haagse regio dateren grofweg tussen 3860 en 3380 v. Chr.77 Ypenburg (vindplaats 159) lijkt het langst bewoond te zijn met dateringen tussen 3860 en 3435 v. Chr.78 Wat daarbij opvalt, is dat alle vier de huisplaatsen ogenschijnlijk een gebruiksduur hebben van enkele honderden jaren.79 Dat lijkt uiterst onwaarschijnlijk als we aannemen dat een gemiddeld prehistorisch huis hooguit enkele tientallen jaren meegaat. Een groot deel van de dateringen bleek bovendien onbruikbaar als gevolg van inspoeling met humuszuren of ‘oud hout’ effect.80 Het is daarom verstandig deze dateringen met enige voorzichtigheid te gebruiken. De vindplaats Westvlietweg (vindplaats 159) is niet radiometrisch gedateerd, maar op basis van het voorkomen van Swifterbant aardewerk lijkt een datering vóór 3800 v. Chr. niet onmogelijk. Louwe Kooijmans ziet een overlap in Swifterbant en Hazendonk en is van mening dat de Westvlietweg dezelfde datering heeft als de overige vindplaatsen.81 De chronologie in het laat-neolithicum is problematisch, dit heeft twee oorzaken. De belangrijkste daarvan is een zogenaamd 14C-plateau in de kalibratiecurve in het laat-neolithicum. De meeste archeologische resten worden daarom gedateerd aan de hand van het aardewerk.

Voor het Vlaardingenaardewerk is meerdere malen getracht een typologie op te stellen.82 Glasbergen deed onderzoek op de vindplaats Voorschoten-Boschgeest en maakte op stratigrafische gronden een indeling in VL1 (klassieke fase) en VL2 (ontwikkelde fase), waarbij VL2 nog weer in 2 subfasen was onder te verdelen; VL2a zonder EGK en VL2b met EGK-aardewerk.83 Daarbij moet nog worden opgemerkt dat er geen verschil is in het Vlaardingenaardewerk van beide subfasen. Beckerman en Raemaekers en later Wasmus hebben geprobeerd op basis van metrische kenmerken van het aardewerk tot een typochronologie te komen. Het 76 Op de Binnentuinen is een aantal mogelijke eergetouwkrassen gezien onder de neolithische bodem. 77 Koot e.a. 2008, p. 456. 78 Houkes en Bruning 2008. 79 Idem, p. 46. Figuur 3.8. 80 17 van de 48 14C-dateringen van Ypenburg zijn vanwege deze verontreinigingen niet meegenomen bij de datering van de vindplaats. De jongste dateringen van het skeletmateriaal bijvoorbeeld (GRA13950 en GRA13958) dateren tussen 2400 en 2200 v. Chr. Dorenbos in Houkes en Bruning 2008, p. 44-47. 81 Louwe Kooijmans, persoonlijke mededeling. 82 Beckerman en Raemaekers 2009; Bloo 2017; Glasbergen e.a. 1967; Lanting en Van der Plicht 2002; Wasmus 2011. 83 Lanting en Van der Plicht 2002, p. 33. 24

onderzoek van Bloo aan het aardewerk van de Haagse vindplaatsen Wateringse Binnentuinen (vindplaats 182) toont aan dat handgevormd aardewerk als dat van de Vlaardingencultuur niet op basis van metrische verschillen is in te delen.84 Het lijkt erop dat de Vlaardingenbewoners weinig behoefte hadden hun aardewerktechnologie en hun potvormen te veranderen en dat de magering van het aardewerk over gaat van graniet naar potgruis. y De duintjes achter de strandwal van Rijswijk-Voorschoten lijken rond 3300 v Chr. te zijn verlaten. Er zijn echter ook problemen met het verkrijgen van goede dateringen. Is het mogelijk om dit hiaat nauwkeuriger te dateren? Welke rol speelt de zeespiegelstijging hierin, zijn de duinen vanwege hun lage ligging inderdaad niet meer bereikbaar? y Aangenomen wordt dat er op de strandwal van Rijswijk-Voorschoten na het laat-neolithicum een (bewonings-)hiaat is waarbij vindplaatsen uit de vroege bronstijd ontbreken. Aangenomen wordt dat de bewoners verhuizen naar de strandwal van Den Haag. Toch zien we op een aantal plekken dat op de Vlaardingenbewoning ook bronstijdsporen worden aangetroffen.

Is het veronderstelde hiaat reëel of zijn onze waarnemingen en dateringen te beperkt? Hoe zijn de bronstijdactiviteiten op de strandwal van Rijswijk-Voorschoten te verklaren en te dateren? y Welke methodiek of combinatie van methodieken kan leiden tot meer betrouwbare dateringen voor het neolithicum? Een manier om toch grip te krijgen op relatieve dateringen is om opnieuw naar de vondstcomplexen te kijken om te zien of er assemblages zijn die wellicht daterende kenmerken hebben. Wanneer vondstcomplexen stratigrafisch gescheiden zijn dan moet hier veel aandacht aan besteed worden.

3.4 Lokale fenomenen Huizenbouw Op zowel Ypenburg (vindplaats 159) als Wateringen 4 zijn plattegronden gevonden van eenvoudige tweebeukige structuren die onderling weinig overeenkomsten hebben.85 Op Ypenburg variëren de afmetingen van 4,5 bij 9 meter (huis 1) tot 3,7 bij 8,1 meter (huis 3). Huis 1 heeft aan beide uiteinden een halfronde afsluiting waar de overige huizen rechthoekig lijken te zijn. Op de vindplaats P14 in de Noordoostpolder zijn uit dezelfde periode vier tweebeukige huizen gevonden met afmetingen van ongeveer 6 bij 12 meter.86 Vooralsnog lijkt er weinig uniformiteit te zijn in de huizen in deze fase. Op de Wateringse Binnentuinen (vindplaats 182) is het huistype “Den Haag” onderscheiden. Dit zijn sigaarvormige, éénbeukige structuren. Ze zijn relatief smal, circa 3 m, en ongeveer 15 m lang. De constructie bestaat uit wandstijlparen met daartussen minder diepe wandpalen.87 Typerend zijn de ingangen die aangetroffen worden in een van de lange zijden. Deze plattegronden zijn inmiddels ook op de vindplaats Steynhof (vindplaats 191) aangetroffen.

Er zijn aanwijzingen dat deze huizen soms een indeling hadden doordat binnenwanden waren geplaatst waarmee kamertjes werden gevormd.88 Huis 8 van Wateringse Binnentuinen wijkt af van het gewone huistype Den Haag.89 Dit huis komt overeen met de huizen die zijn aangetroffen bij Veldhoven-Habraken, Boxmeer en Oerle-Zuid.90 Op de Wateringse Binnentuinen is daarbij nog aannemelijk gemaakt dat er meerdere huizen gelijktijdig naast elkaar gestaan hebben. De erven waren ook verdeeld in verschillende activiteitenzones. 84 Bloo 2017. 85 Enderman 2008, p. 111–117. 86 Anscher 2012. 87 Drenth e.a. 2014, p. 75; Stokkel en Bulten 2017, p. 58. 88 Stokkel en Bulten 2017, p. 60. 89 Idem, p. 75. 90 Blom en Van der Velde 2015; Hissel 2012; Van Kampen en Van den Brink 2013. 25

y De huisplattegronden uit het neolithicum vormen een bijzondere dataset. Door het opstellen van een typochronologie kunnen zij een bijdrage leveren aan de onduidelijke chronologie van de periode. Het is daarom van belang om de gebouwplattegronden uniform te onderzoeken en te publiceren. y Op de Wateringse Binnentuinen zijn twee ronde structuren gevonden die als hut kunnen worden geïnterpreteerd. De algemeen aanvaarde gedachte in de Nederlandse archeologie is dat ronde structuren hier niet voorkomen. Kunnen wij deze discussie nieuw leven inblazen? y Hoe zien neolithische nederzettingen eruit? Zijn individuele huisplaatsen de norm, of is sprake van meerdere gelijktijdige huizen zoals op de Wateringse Binnentuinen? y In hoeverre zijn parallellen te trekken met de huizen van de gelijktijdige nederzettingen van de Trechterbeker en Enkelgrafcultuur? y In het laat-neolithicum lijkt de oudste strandwal bezaaid met nederzettingen. We weten echter niet hoe deze woonplaatsen zich tot elkaar verhielden. Volgen ze elkaar op in de tijd of waren meerdere nederzettingen gelijktijdig?

Bestaanseconomie Zoals in de inleiding is beschreven, kunnen we de bestaanswijze van de Hazendonkmensen omschrijven als breedspectrumeconomie. In de paragraaf landschap is uiteengezet welke voedselbronnen beschikbaar waren. Wat opvalt is dat de Vlaardingenmensen in ons gebied zich primair richtten op landbouw. Over de bestaanseconomie van de Vlaardingencultuur is veel geschreven.91 Wanneer je tussen je oogharen door naar de data kijkt dan lijkt een beeld te ontstaan waarbij de bewoners van de nederzettingen langs de kust en op de zandgronden meer van akkerbouw en veeteelt afhankelijk waren dan hun tijdgenoten op de oeverwallen en rivierduinen langs de grote rivieren. Of dit daadwerkelijk het geval is, verdient verdere studie.92 Een deel van de verschillen lijkt namelijk voort te komen uit de verzamelwijze van het ecologische materiaal; niet op alle opgravingen is gezeefd wat vooral van invloed is op de aanwezigheid van botanische resten en de visresten. Daarnaast lijken taphonomische processen een rol te spelen; het aantal botfragmenten op de zandgronden en langs de kust is vele malen kleiner dan op de andere locaties. y De heersende gedachte is dat de Vlaardingenmensen op de strandwal voornamelijk gericht zijn op landbouw.

In hoeverre klopt dat beeld? y Wat is de rol van de veeteelt? Worden de runderen gefokt voor hun huiden, hun vlees of melk? y Wat is het aandeel schrabbers op andere neolithische vindplaatsen? Wat zegt dit over de verschillen in bestaanswijze? y Welk wild wordt gejaagd? Is dat een afspiegeling van de wildpopulatie in de verschillende landschappelijke zones? y Visresten zijn schaars op de Vlaardingenvindplaatsen op de strandwal. Is dat het gevolg van de methode van opgraven of zijn andere oorzaken aan te geven? y Welke gewassen worden verbouwd? Beperkt zich dat tot granen? y Welke wilde planten worden verzameld? Is dat een afspiegeling van de flora in de verschillende landschappelijke zones?

Grafritueel Op zowel Ypenburg (vindplaats 159) als op Schipluiden zijn grafvelden aangetroffen. Het grafveld van Ypenburg bevat 42 inhumaties in 31 graven.93 Dat betekent dat sommige graven twee of zelfs drie individuen bevatten. Het gaat daarbij om nabijzettingen. Dat is te zien

91 Dusseldorp en Amkreutz 2020; Amkreutz 2010, p. 12–25; Brinkkemper e.a. 2010, p. 26–51; Raemaekers 2005, p. 261–282. 92 Dusseldorp en Amkreutz 2020. 93 Baetsen 2008, p. 119–149. 26

aan de manier waarop de beenderen van het primaire individu voorzichtig terzijde zijn geschoven om plaats te maken voor de volgende dode. Dat impliceert ook dat men wist wie waar begraven was en dat doet vermoeden dat de graven waren voorzien van een markering, een soort monument(je). Zowel mannen, als vrouwen en (jonge) kinderen zijn bijgezet. De doden werden vooral in hurkhouding begraven waarbij de benen zeer strak tegen het lichaam waren getrokken. Het lijkt bijna alsof de benen zijn vastgebonden. Er is geen uitgesproken voorkeur voor de oriëntatie van de graven en ook of een individu op de linker- of rechterzijde is begraven, is niet gekoppeld aan geslacht en/of leeftijd. De graven zijn verder erg eenvoudig. Sommige bevatten één of enkele kralen van git of barnsteen en in een kindergraf is een benen ringetje gevonden. Op Schipluiden zijn op de flank van het duin zes graven met zeven individuen aangetroffen.94 Het betreft vijf volwassen, meest oudere mannen en twee kinderen. Ook hier betreft het inhumaties waarbij de doden in hurkhouding zijn begraven en waarbij de benen strak tegen het lichaam zijn aangetrokken. Sommige individuen lijken meer op hun rug te liggen dan op hun zijde. En net als op Ypenburg lijkt er geen voorkeur in oriëntatie te zijn.

In één graf zijn ter hoogte van het gezicht van de dode drie vuurslagen, een geretoucheerde afslag en een brokje pyriet aangetroffen. Niet alle doden werden in een graf bijgezet. Behalve de inhumatiegraven zijn verspreid over beide vindplaatsen menselijke resten gevonden in de vondstlaag. Op Schipluiden gaat het zelfs om 36 fragmenten van tenminste acht individuen. Dat wijst op een ander ritueel, mogelijk excarnatie dat deze spreiding zou kunnen verklaren. Door het onderzoek op deze twee grafvelden is veel informatie verzameld over het dodenritueel van de Hazendonkcultuur. Het wijkt af van het ritueel van de Swifterbantcultuur waar de doden gestrekt in het graf werden bijgezet. De hurkhouding vinden we later terug bij de Enkelgrafcultuur, maar minder ‘geforceerd’ en er ontstaat een oostwest-voorkeursoriëntatie voor de begravingen. Bovendien zien we een nieuw fenomeen verschijnen, de grafheuvel. Van het grafritueel van de Vlaardingencultuur weten we heel weinig af. In 1963 is bij Stein in Limburg een grafkelder met een stenen vloertje ontdekt met daarin de resten van 42 gecremeerde individuen, maar het wordt niet uitgesloten dat ook inhumaties hebben plaatsgevonden.95 Daarnaast zijn aardewerk, waaronder een kraaghalsflesje, ruim honderd transversaalspitsen en diverse benen spitsen/harpoenen aangetroffen.

Cultureel wordt de kelder geassocieerd met de Steingroep die grote overeenkomsten heeft met de Vlaardingencultuur in West-Nederland. Voor de kelder zelf wordt vooral gekeken naar de Seine Oise Marnecultuur in het Parijse bekken waar soortgelijke kelders zijn gevonden. Het kraaghalsflesje legt een relatie met de Trechterbekercultuur in Noordoost- Nederland en Duitsland. De datering van de kelder ligt tussen 3400 en 3100 v. Chr. en is daarmee iets ouder dan de Vlaardingenvindplaatsen in onze regio. In het verspreidingsgebied van de Vlaardingencultuur zijn geen parallellen aan te wijzen van een dergelijke kelder. In Vlaardingen zijn in drie werkputten crematieresten aangetroffen.96 In Hekelingen zijn twee crematiegraven en een mogelijk excarnatieplatform gevonden in Vlaardingencontext.97 Dat is ongeveer de stand van zaken met betrekking tot onze kennis van het grafritueel van de Vlaardingencultuur. Sinds 2017 is daar verandering in gekomen door de vondst van een brandplaats met crematieresten op de Steynhof (vindplaats 191).98 De brandplaats is gerelateerd aan een huis dat op dezelfde locatie heeft gestaan. Centraal in de brandplaats werd een kuil aangetroffen met daarin de verbrande resten van vermoedelijk een man van 20-30 jaar oud. Daarmee 94 Smits en Louwe Kooijmans 2006, p. 91–109. 95 Verhart en Amkreutz 2017. 96 Van Beek 1990. 97 Louwe Kooijmans 1986.

98 Van Zoolingen en Bulten 2021. 27

lijkt het een parallel te vormen met het graf dat gevonden is op de EGK-nederzetting Mienakker bij Hoogwoud waar een jonge man is bijgezet in een structuur die als huis is geïnterpreteerd.99 Op grond van 14C-dateringen dateren de crematieresten uit de periode 2891-2676 v. Chr. en de brandlaag uit 2559-2340 v. Chr. De gebouwplattegrond is gedateerd tussen 2835 en 2350 v. Chr. en daarmee zijn de crematieresten niet alleen ouder dan de brandlaag waarin ze werden aangetroffen, maar met grote waarschijnlijkheid ook ouder dan de onderliggende huisplattegrond. Dit maakt het meest aannemelijk dat we te maken hebben met een depositie of bijzetting van de (oude) crematieresten. De gedachte is dat men daarbij het verlaten en (deels) verbrande gebouw als een dodenhuis zag. Een ander grafritueel is aangetroffen bij het jachtkampje op de Wateringse Binnentuinen (vindplaats 182).100 Daar zijn 51 botsplinters aangetroffen van een menselijk schedeldak. Deze lijken niet het restant van een inhumatie te zijn, maar gezien de locatie, waarover later meer, worden ze toch als uiting van een excarnatie- of exhumatieritueel gezien. y In het midden-neolithicum lijken inhumaties in de Haagse regio duidelijk de overhand te hebben. De weinige menselijke resten die zijn opgegraven uit het laat-neolithicum laten zien dat het grafritueel verandert en dat crematies gemeengoed worden.

De traditie van exhumatie en excarnatie daarentegen blijft bestaan. De hurkgraven, maar dan onder grafheuvels, keren terug met de Enkelgrafcultuur. Mogen we stellen dat het grafritueel van de Vlaardingencultuur een lokale ontwikkeling is terwijl het grafritueel van de Hazendonkcultuur en de latere Enkelgrafcultuur wijst op beïnvloeding van buitenaf? Bijvoorbeeld door migratie?

Rituelen Op de Wateringse Binnentuinen (vindplaats 182) zijn de resten van een jachtkamp gevonden. We denken dat de mensen die hier bivakkeerden in een halfopen shelter er tijdelijk verbleven om de omgeving te verkennen. De latere bewoners van de grotere permanente nederzetting lijken op deze plek rituele handelingen te hebben verricht. Hierboven was al sprake van de menselijke schedelresten, maar ter plaatse zijn ook drie grote, nog bruikbare maalsteenfragmenten gevonden die in een kuiltje waren achtergelaten. Sommige tradities hebben een lange geschiedenis. Zo zijn zowel op Ypenburg (vindplaats 159) als op de Wateringse Binnentuinen gebroken sikkelfragmenten gevonden.101 De werkranden waren bewust onbruikbaar gemaakt en het exemplaar van Ypenburg was met rode oker ingesmeerd. Ook op Schipluiden zijn soortgelijke voorwerpen gevonden. De afgedankte sikkels alsmede de hierboven genoemde maalstenen hebben een relatie met akkerbouw, maar het blijft vooralsnog onduidelijk wat die relatie is. Verder zijn diverse vondsten gedaan op de Wateringse Binnentuinen die als verlatingsoffer worden geïnterpreteerd zoals een gebroken benen, verbrande priem, een kapotgeslagen, natuurstenen bijl en in een van de paalgaten van de heining een duimpotje.

Op de Rhijenhof (vindplaats 132) is een paalstelling aangetroffen die de nodige vraagtekens oproept.102 Parallellen van een dergelijke structuur kennen we niet. Mogelijke functies variëren van veekraal tot huis met spieker, maar ook wordt gedacht aan een speciaal monument dat het uiteinde van de strandwal markeert. Dat de langgerekte plattegrond van paalstelling doet denken aan die van een huis, sterkt de interpretatie. Veel ‘rituele’ structuren en praktijken richten zich in het laat-neolithicum op het huis. De depositie van gebroken sikkels met oker in een huis op de Wateringse Binnentuinen, of van grote scherven bij de ingangen van andere huizen op deze vindplaats maken zoveel al duidelijk, maar natuurlijk ook de brandplaats van Steynhof die binnen de contouren van een ouder huis is ingericht. 99 Nobles 2013, p. 234–240. 100 Bulten en Stokkel 2017, p. 293. 101 Bulten en Stokkel 2017, p. 293. 102 Siemons en Bulten 2014. 28

Op de vindplaats Westvlietweg (vindplaats 180) is een grote Vlaardingenpot gevonden die gedeponeerd is in het veen onderaan het duintje waarop zo’n duizend jaar eerder mensen hebben gewoond. Op het duin werd Swifterbant en Hazendonkaardewerk gevonden alsmede grote, vuurstenen bijlfragmenten. Het is mogelijk dat de latere bezoekers hebben gezien dat ter plaatse eerder mensen hebben gewoond en dat zij als eerbetoon de pot in het veen hebben achtergelaten. y Op de Wateringse Binnentuinen is aangetoond dat er clusters relatief grote scherven bij de ingangen van de huizen lagen. Komt dit op andere neolithische vindplaatsen ook voor? Kunnen dit resten zijn van een verlatingsritueel of moet een dergelijke clustering anders geïnterpreteerd worden? y Er zijn aanwijzingen dat gedurende het hele neolithicum oude woonplaatsen (of zelfs een jachtkamp) decennia lang opnieuw bezocht worden en dat op die plekken deposities worden gedaan. Is dit daadwerkelijk een trend of moeten deze vondsten anders geïnterpreteerd worden? y Het huis speelt op de Wateringse Binnentuinen en de Steynhof (vindplaats 191) duidelijk een grote rol bij diverse rituele handelingen. Bijvoorbeeld bij het verlaten van de nederzetting, maar ook als onderdeel van het grafritueel. Ook op de EGK-nederzetting Mienakker in Noord-Holland speelt het huis een rol in het grafritueel.

Is de sacrale betekenis van het huis ook terug te vinden op andere (neolithische) nederzettingen?

3.5 Bovenlokale fenomenen Gemeenschap De Hazendonkmensen lijken nog met hun voeten in de mesolithische tradities van de Swifterbantcultuur te staan die we vooral in Noord-Nederland vinden. Lange tijd is Hazendonk ook als afsluiting gezien van de Swifterbantcultuur.103 Wanneer we naar de grondstoffen kijken die door de Hazendonkmensen zijn gebruikt, valt op dat zij vooral in zuidelijke richting hun contacten hadden met vertegenwoordigers van de Michelsbergcultuur.104 Vooral de Maas lijkt daarbij een belangrijke doorvoerroute te zijn geweest voor de uitwisseling van goederen en ideeën. Wanneer we naar het verspreidingsgebied van de jongere Vlaardingencultuur kijken dan zien we een grote overlap met hun voorgangers. Ook daar ligt de nadruk op contacten in het zuiden. Voor het gemak beschouwen we de Steingroep daarbij als een lokale variant. Wat opvalt is dat de Vlaardingencultuur zich lang handhaaft terwijl in de omringende gebieden de Enkelgrafcultuur haar intrede doet. Waar decennia lang gedacht werd dat de ontwikkeling van standvoetbeker naar uiteindelijk klokbeker een lokaal fenomeen was, beginnen de ideeën over migratie, die voor en na de Tweede Wereldoorlog populair waren, opnieuw in de belangstelling te staan.105 Voor de Vlaardingencultuur geldt dat pas in een laat stadium AOO en Klokbekeraardewerk hun intrede doen.

Toch lijkt sprake te zijn van uitwisseling van ideeën en goederen. Beckerman wijst erop dat in de Noord-Hollandse EGK-nederzettingen aardewerkvormen voorkomen die prima zijn in te passen in een Vlaardingencontext.106 En op verschillende Vlaardingen vindplaatsen (waaronder Steynhof, vindplaats 191) komt aardewerk voor met granietverschraling, wat een kenmerk is van de Westgroep van de Trechterbekercultuur. y Waarin verschillen de neolithische bewoners van Den Haag van hun culturele buren? Wat komt juist overeen met deze vindplaatsen? y Vormt de Rijn een (culturele) barrière? 103 Raemaekers 2005. 104 Koot e.a. 2008, p. 454; Louwe Kooijmans 2006, p. 494. 105 Quiles 2017. 106 Beckerman 2015. Beckerman, mondelinge mededeling. 29

y Wat betekenen de scherven beker-aardewerk op onze Vlaardingenvindplaatsen? Zijn deze potten meegekomen met de daarin verpakte handelsgoederen of werden ze zelf als object verhandeld? Of zijn ze lokaal vervaardigd? y Hoe dynamisch was de toenmalige samenleving? Hoe verlopen de contacten binnen, maar ook buiten de samenleving? (Ancient) DNA- en isotopenonderzoek op skeletmateriaal (zowel dierlijk als menselijk) kunnen licht werpen op de herkomst van het vee en de bewoners van Den Haag.

30

4 Bronstijd 4.1 Inleiding De bronstijd is de periode na het neolithicum en duurt (in Nederland) van 2000 tot 800 v. Chr. De bronstijd in Nederland is onderverdeeld in de vroege (2000-1800 v. Chr.), de midden- (18001100 v. Chr.) en de late bronstijd (1100-800 v. Chr.). De midden-bronstijd wordt vaak onder verdeeld in midden A (1800 - 1500 v. Chr.) en midden B (1500 - 1100 v. Chr.). De drie hoofdfasen corresponderen grofweg met de aanwezigheid van drie archeologische culturen in Nederland. De vroegste bronstijdcultuur in Nederland is de wikkeldraadbekercultuur die een uitloper is van de klokbekercultuur. Deze cultuur is voornamelijk te herkennen aan de kenmerkende wikkeldraad versierde bekers. Vanaf 1800 verspreidt de door Glasbergen gedefinieerde Hilversumcultuur zich over de zuidelijke helft van Nederland. Deze cultuur typeert zich door specifieke grafmonumenten (en grafrituelen) en materiële cultuur zoals aardewerk versierd met touwindrukken en stafbanden en wordt geassocieerd met de Britse Wessexcultuur.107 In Noord-Nederland treffen we in deze periode de Elp-cultuur aan met haar grove aardewerk (Kümmerkeramik) en grafheuvels die verwantschappen tonen met de Noord-Duitse en Scandinavische bronstijdculturen. De late bronstijd, vanaf 1100, wordt getypeerd door de urnenveldencultuur.

107 Theunissen 1999. 31

In Den Haag was brons een zeldzame grondstof. Daarom blijft vuursteen de belangrijkste basis voor werktuigen gedurende de hele bronstijd.

Den Haag Een van de belangrijkste bronstijdvindplaatsen van de regio is Bronovo (vindplaats 85). Deze locatie met vooral midden-bronstijdaardewerk is begin jaren negentig opgegraven en werd toen al in een adem genoemd met het onderzoek op Vogelenzang,108 de andere grote ‘Hilversum’-opgraving. Het zou echter tot 2013 duren voordat Bronovo werd gepubliceerd.109 Op basis van het aardewerk, wikkeldraadaardewerk ontbreekt, zou Bronovo iets jonger zijn dan Vogelenzang, maar nog steeds in de midden-bronstijd A dateren.110 Bloo wijst erop dat de typochronologie van het Hilversumaardewerk niet eenduidig is. Volgens haar is alleen de aan- of afwezigheid van wikkeldraadaardewerk een tijdsbepalend element.111 Op Bronovo ontbreekt wikkeldraadaardewerk, maar hoefijzervormige appliques, die een vroeg element zouden zijn, komen wel voor op Bronovo, maar niet in Vogelenzang. De vindplaats kon niet vlakdekkend worden onderzocht, maar uit onderzoeken in de directe omgeving blijkt dat de bronstijdsporen ook buiten het opgegraven deel zijn te volgen.112 De eerste bewoners van Bronovo hebben een huis gebouwd aan de rand van een strandvlakte. Op dit hoger gelegen duin zijn akkers aangelegd terwijl in de vlakte het vee kon worden geweid. Het huis heeft een onregelmatige driebeukige constructie waarvan de begrenzing niet kon worden bepaald.

De breedte bedraagt ongeveer 4,5 m en de afstand tussen de binnenstijlen varieert tussen de 2,1 en 2,3 m. In het huis ligt een haard en er zijn twee kuilen gevuld met kookstenen. Op geringe afstand van het huis zijn eergetouwkrassen opgetekend. Opvallende vondsten zijn enkele druppels brons en aardewerk met brons resten die wijzen op brons productie of verwerking ter plaatse.113 Een andere opmerkelijke vondst is een faiencekraal die parallellen kent in het kralensnoer van Exloo.114 Zowel de brons vondsten, die overigens een zeer hoog gehalte aan tin bevatten, als de genoemde kraal wijzen op contacten aan de overzijde van de Noordzee. Behalve de vindplaats Bronovo zijn er andere vindplaatsen waar Hilversumaardewerk is aangetroffen. Vooral aan het westelijk einde van de Laan van Meerdervoort zijn verschillende locaties met dit type aardewerk aangetroffen.115 In 2010 is het Wijndaelerplantsoen (vindplaats 34) onderzocht.116 In het aardewerk spectrum zijn ook twee wikkeldraadscherven aangetroffen in combinatie met Hilversumscherven waarmee de vindplaats vroeg dateert in de midden-bronstijd A. Net als bij Bronovo is ook hier een ijzertijdcomponent aanwezig. Hetzelfde beeld komt naar voren ter hoogte van de ‘Chinese muur’ (vindplaats 34) waar door het IPP eveneens twee perioden werden aangetroffen.

Tussen 2017 en 2019 zijn aan de Ockenburghstraat (vindplaats 201) resten onderzocht van deze zelfde vindplaats. Vooral de vondst van een waterput is bijzonder. Iets ten noorden van die vindplaats zijn door Hoog, een amateurarcheoloog aan het begin van de jaren veertig, in de Kievietsbloemlaan enkele kringgreppels waargenomen die mogelijk als resten van grafheuvels geïnterpreteerd kunnen

108 Ten Anscher 1990. 109 Bulten en Boonstra 2013. 110 Bloo 2013. 111 Idem, p. 77 112 Boonstra 2007; Bulten en Boonstra 2013, p. 151. 113 Arnoldussen 2013. 114 Haveman en Sheridan 2006; Sheridan 2003. 115 Groenman-van Waateringe 1961; Lehmann 2020b; Pabon 1934. 116 Stokkel 2012a. 32

worden.117 Volgens Stokkel is sprake van een begraven landschap waarbinnen huizen, akkers, infrastructuur en graven liggen.118 In 2004 is bij de aanleg van de Hubertustunnel (vindplaats 149) een klein crematiegrafveld opgegraven.119 Afgezien van een bronzen naald bevatten de crematies geen bijgiften. De graven lagen gegroepeerd rondom een kringgreppel, maar een centrale bijzetting kon niet worden vastgesteld. Bij de uitwerking is dit grafveld in de late ijzertijd gedateerd op basis van het aardewerk dat in de afdekkende vondstlaag aanwezig was. De bronzen naald werd daarbij als anomalie beschouwd, maar had bellen moeten doen afgaan. Lanting, werkzaam bij het GIA nam contact op en bood aan om drie graven radiometrisch te dateren. Deze dateringen geven een geheel ander beeld en dateren het grafveld in de vroege urnenveldentijd op de overgang van Reinecke D naar Hallstatt A1.120 De bronzen naald is daar ook typologisch prima onder te brengen. Twee vondsten die voorheen respectievelijk een neolithische en een vroege-bronstijddatering hebben gekregen moeten opnieuw geïnterpreteerd worden.

Het betreft de slijpsteen die in 1964 bij de bouw van het Congresgebouw (vindplaats 44) gevonden is en de bijl van dioriet die in 1885 is gevonden bij de Nieuwe Parklaan (vindplaats 57) onder een circa 1 m dikke veenlaag onder 6 tot 8 m Jong Duin.121 De slijpsteen van het Congresgebouw kent haar oorsprong onmiskenbaar in het neolithicum. Het zandstenen object dat aan vier zijden slijpvlakken bevat, is gebruikt om stenen bijlen te polijsten en te slijpen. Op de steen zijn echter ook diepe krassen zichtbaar die wijzen op een gebruik in de bronstijd. De krassen zijn het resultaat van het slijpen van bronzen bijlen.122 Deze bronstijddatering past vele malen beter bij de locatie die in het neolithicum weinig bewoningsmogelijkheden bood. Daarnaast is al in 1964 aardewerk uit de late bronstijd en ijzertijd aangetroffen. In 2006 is op dezelfde locatie een huisplaats uit de midden-bronstijd opgegraven.123 De bijl van dioriet is lastiger te dateren. Volgens Glasbergen die vermoedelijk eind jaren vijftig de bijl gezien heeft, is deze zonder probleem te plaatsen in het Chasseèn, een Franse middenneolithische cultuur.124 Dat kan echter niet de datering van de vindplaats zijn want de locatie lag toen nog midden in zee.

De Wit oppert als enige verklaring dat de bijl uit een kano moet zijn gevallen.125 Van Heeringen geeft als datering ‘mogelijk bronstijd’.126 Van Ginkel en Magendans dateren de bijl in de vroege bronstijd.127 Dat lijkt onwaarschijnlijk omdat een jaar eerder, in 1884, uit dezelfde laag een bronzen kokerbijl is aangetroffen. Het lijkt daarom meer voor de hand te liggen om de vindplaats van de van oorsprong neolithische bijl, te dateren in de late bronstijd/vroege ijzertijd.

117 De Hingh en Van Ginkel 2009, p. 41. 118 Stokkel 2012a, p. 147. 119 Bulten 2007. 120 Lanting e.a. 2015, p. 183. 121 Van Heeringen 1983. 122 Fokkens en Schinkel 1990, p. 39–52. 123 Meurkens en Hamburg 2007. 124 De Wit 1960. 125 Idem. 126 Van Heeringen 1983, p. 115. 127 Van Ginkel en Magendans 1991, p. 23. 33

Archeologisch onderzoek in de periode 2009-2020 Ontwikkelingen sinds 2009 landelijk In de afgelopen tien jaar heeft vooral het grafheuvelonderzoek van de universiteit Leiden op de Veluwe een hoge vlucht genomen.128 Verder is het bronstijdonderzoek in West-Friesland van belang. De opgravingen die plaatsvonden in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zijn onderwerp van studie geweest in een ander groot project van de universiteit van Leiden ‘Farmers of the coast’. In het kader hiervan verscheen in 2017 het proefschrift van Zijverden over het landschap.129 In 2018 verscheen het proefschrift van Roessingh over de bronstijdnederzettingen bij Hoogkarspel, Grootebroek en Andijk.130 Opvallend is de grote gelijkenis van de huizen gedurende honderden jaren en het bijna honkvaste woongedrag van de bewoners. Wat verder opmerkelijk is, is dat ook hier huizen uit de midden-bronstijd A ontbreken. De gehele benadering is nogal grofstoffelijk (niet verbazingwekkend gezien de enorm omvangrijke opgravingen) en Roessingh pleit ook voor meer gedetailleerd onderzoek naar het gebruik van de huizen en omliggende erven. Een ander onderbelicht aspect is het aardewerk waar niet veel studie van is gemaakt. Ontwikkelingen sinds 2009 in Den Haag Sinds de vorige GOA zijn in Den Haag twee grotere publicaties verschenen waarin bronstijdonderzoek centraal stond.

De eerste betreft een opgraving in het Wijndaelerplantsoen (vindplaats 34) die in 2010 is uitgevoerd en waar behalve aardewerk uit de midden-bronstijd A (Hilversumaardewerk) ook grondsporen van mogelijke structuren zijn aangetroffen.131 Het tweede onderzoek vond veel eerder plaats, in 1990 en 1991 voorafgaand aan de bouw van het Bronovo-ziekenhuis (vindplaats 85).132 Ook daar is veel Hilversumaardewerk gevonden in combinatie met de grondsporen van een klein, onregelmatig gevormd, driebeukig huis. Een derde publicatie die gevolgen heeft voor de bronstijd in Den Haag is een artikel van Lanting over het crematiegrafveld aan de Oude Waalsdorperweg (vindplaats 149) dat in 2004 is opgegraven.133 In de oorspronkelijke publicatie was het grafveld op basis van schervenmateriaal in de vondstlaag in de ijzertijd gedateerd.134 Dankzij Lanting konden drie crematies radiometrisch gedateerd worden waaruit bleek dat het grafveld aan het begin van de urnenveldentijd (late bronstijd) moeten worden geplaatst.135

4.2 Cultuurlandschap Locatiekeuze Aan het einde van het neolithicum lijkt de oudste strandwal als gevolg van stagnatie in de afvoer van oppervlaktewater langzaam te verdrinken en ondergaat daarmee hetzelfde lot als de kleine duintjes met Hazendonkbewoning op de kwelders zo’n duizend jaar eerder. Het gevolg is dat de bronstijdbewoners een strandwal opschuiven en zich vestigen op de strandwal van Den Haag. Dat is althans het beeld dat zich vormt wanneer globaal naar de vindplaatsenkaart van de regio kijkt. Toch is dat beeld niet helemaal correct want ook op de oudste strandwal zijn vondsten uit zowel de vroege, de midden- als de late bronstijd gedaan.136 Ook

128 Bourgeois 2013. 129 Zijverden 2016. 130 Roessingh 2018. 131 Stokkel 2012a. 132 Bulten en Boonstra 2013. 133 Lanting e.a. 2015, p. 180–183. 134 Bulten 2007. 135 Lanting e.a. 2015. 136 Bloo 2014; Siemons en Bulten 2014; Stokkel en Bulten 2017. 34

elders op deze strandwal zijn bronstijdvondsten gedaan zoals bij park Leeuwensteijn maar ook bij Forum Hadriani in Voorburg.137 Het is marginaal, maar toch opvallend als je bedenkt dat de strandwal veranderd is in een zompige bedoening en grotendeels is afgedekt met veen. y Hoe wordt het landschap in de bronstijd benut? Zijn er verschillen in (land)gebruik tussen de verschillende strandwallen? y Omdat bronstijdresten zeldzaam zijn in Den Haag is nog weinig bekend over de voedseleconomie. Wat waren de middelen van bestaan in Den Haag en hoe verhouden zich deze met bronstijdnederzettingen buiten Den Haag?

4.3 Chronologie Dateringen Vindplaatsen uit de bronstijd zijn in Den Haag primair gedateerd op basis van aardewerk. Opvallend is dat de vroege bronstijd vrijwel volledig afwezig is, op een gering aantal wikkeldraadscherven na. De jongste steentijdvondsten afkomstig van het onderzoek op de Rhijenhof (vindplaats 132) kunnen worden getypeerd als (maritieme) klokbeker en worden gedateerd vóór 2500 v. Chr. De oudste bronstijdvondsten worden gedateerd na 1800 v. Chr. We weten van onderzoek buiten Den Haag, maar wel in het kustgebied, dat de regio in dit interval wel bewoond is. Vondsten bij Monster ‘Het Geestje’, het groepsgraf bij Wassenaar en het onderzoek bij Noordwijkerhout-Bronsgeest wijzen daarop.138 y Wanneer een bronstijdvindplaats wordt onderzocht moet ingestoken worden op radiometrische dateringen.

Overgang neolithicum bronstijd Op een aantal neolithische vindplaatsen op de strandwal worden ook resten uit de bronstijd aangetroffen. y Hoe is dit te verklaren? Is er sprake van continuïteit of zijn duidelijke hiaten aan te wijzen? y Indien sprake is van een hiaat, was de locatiekeuze dan identiek aan die van de neolithische bewoners van dat gebied?

Overgang bronstijd ijzertijd Op een aantal bronstijdvindplaatsen worden ook ijzertijdresten gevonden. Vaak gescheiden door een laag stuifzand. y Hoe is dit te verklaren? Is sprake van continuïteit of zijn duidelijke hiaten aan te wijzen? y Indien sprake is van een hiaat, was de locatiekeuze dan identiek aan die van de ijzertijd bewoners van dat gebied?

4.4 Lokale fenomenen Huizenbouw Archeologische resten uit de bronstijd zijn zeldzaam in Den Haag. De meeste onderzoeken zijn bovendien beperkt in omvang. Bij de iets grotere onderzoeken zoals bij Bronovo (vindplaats 85), het Wijndaelerplantsoen (vindplaats 34) en onder de Statenhal bij het World Forum (vindplaats 44) zijn plattegronden van huizen aangetroffen.139 De plattegrond van Bronovo is van een onregelmatig gevormde driebeukige structuur en is gedateerd aan het begin van de midden-bronstijd A. De plattegrond van het Wijndaelerplantsoen is uiterst twijfelachtig 137 De Jonge e.a. 2006. 138 Van Heeringen 1983; Van Heeringen e.a. 1998; Louwe Kooijmans 1993. 139 Bulten en Boonstra 2013; Meurkens en Hamburg 2007; Stokkel 2012a. 35

en over de indeling is niets te zeggen. De plattegrond bij het World Forum dateert uit de late midden-bronstijd en is de enige die typologisch past binnen de huizentraditie uit die periode.140 Vroege-bronstijdplattegronden zijn zeldzaam in Nederland; de enige algemeen aanvaarde structuur is afkomstig uit Noordwijkerhout-Bronsgeest.141 Deze tweebeukige plattegrond werd lange tijd gezien als een voortzetting van een bouwtraditie uit het neolithicum, maar sinds het onderzoek op de Wateringse Binnentuinen (vindplaats 182) weten we dat in die periode ook eenbeukige structuren werden gebouwd. Voor de late bronstijd geldt dat we in Den Haag geen enkel voorbeeld hebben. y Hoe zien de bronstijdnederzettingen eruit? Zijn individuele huisplaatsen de norm, of is sprake van meerdere gelijktijdige huizen?

Rituelen Met uitzondering van het crematiegrafveldje bij de Hubertustunnel (vindplaats 57) hebben we geen vondsten die inzicht geven in de wijze waarop men aankeek tegen het bovennatuurlijke. Een uitzondering wordt mogelijk gevormd door de losse bijlvondsten, zowel brons als steen. Het is moeilijk voor te stellen dat dergelijke kostbare objecten zijn verloren. Helaas is weinig tot niets bekend over de vondstomstandigheden van deze bijlen; de meeste zijn ruim honderd jaar geleden gevonden. Een kokerbijl, en niet ver daarvandaan een bijl van dioriet zijn gevonden in respectievelijk 1884 en 1885 onder een veenlaag bij de Nieuwe Parklaan (vindplaats 57).142 Het is mogelijk dat dit bewuste deposities zijn geweest zoals we die elders in Nederland veel tegenkomen in beekdalen en bij rivieren.143 Het grafveld bij de Hubertustunnel past in de traditie van de urnenvelden, hoewel de crematieresten op deze locatie niet in een urn, maar vermoedelijk in een doek zijn gewikkeld voordat ze werden begraven.144 Aan het einde van de Laan van Meerdervoort zijn door de lokale amateurarcheoloog Hoog begin jaren veertig cirkelvormige sporen waargenomen die mogelijk resten zijn van kringgreppels rondom grafheuvels. Helaas konden deze niet worden onderzocht en blijft daardoor onduidelijk wat hier precies gevonden is. y Rituele deposities worden buiten de nederzettingen gevonden.

Het lijkt erop dat men een voorkeur had voor locaties als rivieren, beekjes en moerassen (veen). Bij (voor)onderzoek en vondstmeldingen moeten we bedacht zijn op dergelijke contexten.

4.5 Bovenlokale fenomenen De gemeenschap Op de overgang van het neolithicum naar de bronstijd zien we aardewerk verschijnen dat is voorzien van een wikkeldraadversiering. Dit type aardewerk wordt gezien als de directe opvolger van het Klokbekeraardewerk, is kenmerkend voor de vroege bronstijd en komt in vrijwel geheel Nederland voor. Aan het begin van de midden-bronstijd A vinden we in Zuid-Nederland de Hilversumcultuur met haar kenmerkende aardewerk dat is voorzien van touwversiering en stafbanden. Het aardewerk doet sterk denken aan het aardewerk van de Britse Wessexcultuur. Koper en tin, de bestanddelen van brons, komen in Nederland niet voor, maar wel in Wales en Cornwall. Mogelijk hebben de contacten die ontstonden bij het verkrijgen van deze grondstoffen ertoe geleid dat ook culturele uitingen werden overgenomen waardoor het fenomeen Hilversumcultuur zich uitstrekte van Noord-Frankrijk en België tot in Zuid-Nederland. In 140 Roessingh 2018. 141 Van Heeringen e.a. 1998. 142 Van Heeringen 1983, p. 115. 143 Fontijn 2003. 144 Bulten 2007. 36

Noord-Nederland lijkt het wikkeldraadaardewerk langer in gebruik gebleven en zien we in de midden-bronstijd een overgang naar de Elpcultuur die veel meer gericht is op NoordDuitsland en Scandinavië. Waar de tweedeling vandaan komt is niet geheel duidelijk, maar deze lijkt al aanwezig in het laat-neolithicum. In de late bronstijd lijkt, in ieder geval in het grafritueel van de urnenveldencultuur, een einde te komen in deze tweedeling. y In het kustgebied buiten Den Haag is veel onderzoek naar bronstijdnederzettingen uitgevoerd. De materiële cultuur (bijvoorbeeld huizenbouw en aardewerk) komt overeen met bronstijdnederzettingen buiten Den Haag. Hoe past de Haagse bronstijd binnen de culturele tradities van het westelijk kustgebied?

37

5 IJzertijd 5.1 Inleiding De ijzertijd volgt de bronstijd op en deze overgang geeft aan wanneer het gebruikelijk wordt om ijzeren in plaats van bronzen werktuigen te gebruiken. In Midden-Europa worden de eerste ijzeren voorwerpen vanaf circa 800 v. Chr. gevonden. Deze bestaan voornamelijk uit ijzeren paardentuig en wagenonderdelen uit rijke graven van de Hallstattcultuur, fase C/D.145 In Nederland komen al deze elementen, zij het in geringere mate en iets later, ook voor. Denk bijvoorbeeld aan het vorstengraf van Oss dat gedateerd wordt in 700 v. Chr. waarin behalve de crematieresten van een jonge man, ook een bronzen emmer, een gekromd ijzeren zwaard en delen van paardentuig werden aangetroffen. In Europa en dus ook in Den Haag laten we daarom de ijzertijd in 800 v. Chr. beginnen. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de vroegste ijzeren voorwerpen in Den Haag in de Romeinse tijd dateren; ijzer vergaat en blijft minder goed bewaard dan brons. De ijzertijd wordt opgevolgd door de Romeinse tijd. In 19 v. Chr.146 wordt voor het eerst Romeinse aanwezigheid in Nederland vastgesteld. Het duurde echter nog decennia voordat de Romeinen zich in de omgeving van Den Haag manifesteren. Desalniettemin wordt voor het einde van de prehistorie in de Haagse GOA 19 v. Chr. aangehouden. 145 NOaA 2.0. 146 Zie GOA Hoofdstuk Romeinse tijd. 38

De ijzertijd wordt in Noordwest-Europa in drie fasen onderverdeeld, vroeg, midden en laat. De vroege fase eindigt samen met de urnenveldentijd rond 500 v. Chr., de midden-ijzertijd eindigt in 250 v. Chr. en de late ijzertijd eindigt met de komst van de Romeinen in Nederland. De ijzertijd wordt in Europa geassocieerd met een sterk hiërarchische krijgerscultuur met vorstengraven of indrukwekkende hillforts of oppida. In het verleden is gepoogd om in Nederland verschillende archeologische culturen in de ijzertijd aan te duiden met de Rijn als grens. Dit bleek echter moeilijk te onderbouwen met archeologische gegevens.147 Toch kunnen we wel iets zeggen over de lokale identiteit van de ijzertijdbewoners van het Nederlandse kustgebied. Van Heeringen heeft in 1992 een aantal aardewerk stijlgroepen gedefinieerd.148 Deze stijlgroepen hebben een beperkt verspreidingsgebied wat mogelijk duidt op een eigen kustidentiteit. Deze stijlgroepen worden nog steeds gebruikt om het ijzertijdaardewerk te dateren.

Den Haag Er is veel onderzoek gedaan naar resten uit de ijzertijd in Den Haag, veruit het meeste in het hele Hollandse kustgebied.149 De database van de afdeling Archeologie levert meer dan honderd locaties op met resten (sporen, vondsten, bodems) uit de ijzertijd. Daarvan liggen er twaalf op klei van de Gantelafzettingen, tien op Hollandveen en de overige op duinzand van de Laag van Voorburg. Helaas zijn deze resten vaak moeilijk te interpreteren. Er zijn circa dertig vindplaatsen geïnterpreteerd als ‘nederzetting, onbepaald’ of ‘huisplaats, onverhoogd’, maar overtuigende huisplattegronden zijn schaars. Vaker lijkt het erop dat de locaties met huisplattegronden vanwege de hoge ligging in het landschap zijn verstoord of is een goede plattegrond nauwelijks te ontwaren in de veelheid aan sporen. Talrijk zijn ook de locaties die in de database staan vermeld als ‘Akker/moestuin’ of ‘Landbouw’. Meestal gaat het om ploegsporen of eergetouwkrassen of om zones met greppeltjes waarbinnen akkercomplexen verondersteld worden. Naast de (combinatie van) nederzettings- en akkercomplexen moeten ook enkele bijzondere contexten genoemd worden. Uit verschillende onderzoeken is duidelijk geworden dat in de vroege en midden-ijzertijd zout werd geproduceerd. Deze zoutproductie lijkt samen te hangen met de inbraak van het (zoute) Gantelsysteem.

Schaars, maar opvallend, zijn de locaties met infrastructurele constructies zoals paden, dammen en oeverversterkingen. Ook bij deze contexten kan de relatie met het Gantelsysteem zich manifesteren. Als laatste in de opsomming moet een grafheuvel bij Ockenburgh (vindplaats 12) vermeld worden. Ondanks het intensieve onderzoek blijft veel onduidelijk over de ijzertijdcultuur in Den Haag en daarmee het gehele Hollandse kustgebied. De archeologische resten uit deze periode zijn in Den Haag bijzonder uniform. Van een sterk hiërarchische samenleving, zoals in Centraal-Europa, lijkt in dit gebied geen sprake. IJzertijdresten worden op de verschillende landschappelijke eenheden (Laag van Voorburg, Hollandveen en Gantel Laag) van Den Haag aangetroffen. Hieronder wordt per landschappelijke eenheid dieper ingegaan op enkele bekende locaties.

Vindplaatsen op de Laag van Voorburg De meeste ijzertijdvindplaatsen liggen op de Laag van Voorburg. Helaas zijn ze meestal moeilijk te interpreteren. De vindplaatsen manifesteren zich meestal op de grens van het grondwater en als tijdens een opgraving geen bronbemaling is toegepast, is de leesbaarheid van het vlak heel slecht. De al dan niet vondstrijke bodems zijn vaak stratigrafisch gescheiden, maar komen net zo vaak ook weer samen in één niveau en dat alles in een zeer glooiend landschap. Wanneer een goed vlak is aangelegd, wemelt het vaak van de sporen.

147 Van den Broeke 2005a, p. 481. 148 Van Heeringen 1992. 149 Van Heeringen en Van der Velde 2017, p. 34. 39

Eén van de weinige plekken met een duidelijke opeenvolging in landgebruik vanaf de bronstijd tot en met de late ijzertijd, is de vindplaats Wijndaelerplantsoen (vindplaats 34).150 Hier zijn uit een palenzwerm naast spiekers ook drie gebouwplattegronden gedestilleerd. Daarnaast is hier ook sprake geweest van zoutraffinage.151 Over en onder de gebouwplattegronden zijn verder nog resten van akkers aangetroffen. Een andere belangrijke vindplaats betreft de Lozerlaan (vindplaats 98). Hier is een wandgreppel huisje van 3 bij 6 m aangetroffen. Uit de bijbehorende bodem is één 14C-datering afkomstig met een datering van 2310+/-60 BP.152 Gekalibreerd komt deze datering uit in bijna de hele ijzertijd, tussen 728 en 201 v. Chr.153 In het Wateringse Veld ligt een van de belangrijkste ijzertijdvindplaatsen van Den Haag (vindplaats 144).154 Een van de meest opmerkelijke vondsten is een enorme hoeveelheid briquetage-aardewerk dat aangeeft dat hier intensieve zoutproductie heeft plaatsgevonden. Het briquetage-aardewerk bevond zich in vondstlagen en kuilen op de zuidelijke flank van de strandwal van Rijswijk-Voorschoten.

Deze zoutproductie wordt gekenmerkt door zogenaamde ‘staafjes’ en ‘gootjes’ die in de vroege ijzertijd en het begin van de midden ijzertijd worden gedateerd.155 Op het duin zijn veel paalsporen aangetroffen waarin spiekers en een mogelijk huis zijn herkend.156 Uit de vele onderzoeken met resten uit de ijzertijd blijkt dat de strandwal van Rijswijk-Voorschoten in de ijzertijd intensief bewoond en gebruikt werd. Meest overtuigend is een gebouwplattegrond aan de Noordweg (vindplaats 191), waarvan de sporen zowel aardewerk uit de vroege ijzertijd opleverden, als bijpassende 14C-dateringen van 2410+/-30 BP en 2470+/-35 BP, wat gekalibreerd neerkomt op 743-399 v. Chr. en 754-520 v. Chr.157 Nog een opmerkelijke vondst in het Wateringse Veld is een dam of oversteekplaats (vindplaats 144) over een Gantelkreek die met houten palen en plaggen is versterkt en die het lage duin met het achterliggende veengebied verbond. Hoefindrukken in het veen tonen aan dat het vee van de strandwal naar het weidegebied werd geleid. De dam wordt op basis van aardewerk en een 14C-datering aan het begin van de late ijzertijd gedateerd.158 Bij onderzoek aan de Monsterseweg 29-37 (vindplaats 93) is een ijzertijdpalenzwerm aangetroffen waarin meerdere kleine structuren zijn herkend.159 Eén van die structuren is iets groter en daarom als mogelijk huis geïnterpreteerd.

Deze plattegrond is een vierkante structuur van ongeveer 5,5 bij 5,5 m.160 Ook recent onderzoek aan de Monsterseweg 27 leverde sporen en vondsten uit de late ijzertijd op.161 Ruim een kilometer zuidelijker, ter hoogte van de Madepolderweg (vindplaats 181), zijn recent ook ijzertijdresten aangetroffen op diverse locaties op de strandwal van Rijswijk-Voorschoten.162

150 Stokkel 2012. 151 Raffinage is het laatste stadium in de zoutproductie waarbij de verontreinigingen worden verwijderd. 152 Wijsenbeek 1997, p. 45. 153 2 sigma, in tegenstelling tot de datering in Wijsenbeek 1997 van 375-200 v. Chr. 154 Boezemland en Noordhof, Siemons en Bulten 2014. 155 Siemons en Bulten 2014, p. 240-242. 156 Meurkens 2014; Siemons en Bulten 2014. 157 Publicatie in voorbereiding. 14C-monsters Poz-137288 en Poz-137304, gekalibreerd bij 2 sigma. 158 Siemons en Bulten 2014. 159 Houkes e.a. 2008. 160 Mogelijk was deze plattegrond groter en ligt de rest buiten de putrand. 161 Rapport in voorbereiding. 162 Van Zoolingen 2018b. Rapporten in voorbereiding. 40

In de Vogelwijk (vindplaats 184, 186 en 188) is een geheel ijzertijdcultuurlandschap onderzocht door middel van rioolbegeleidingen aangevuld met kleine opgravingen. In de rioolsleuven zijn aanwijzingen dat twee keer een huisplaats (in de vorm van een vondstrijke bodem met veel paalsporen) werd doorkruist en in een vennetje zijn restanten van een takkenpad aangetroffen.163 Met kleine opgravingen binnen de Vogelwijk zijn duidelijke akker- en nederzettingssporen aangetroffen, maar huisplattegronden konden niet worden herkend.164 Recent onderzoek in de Sportlaan (vindplaats 45), aan de zuidkant van de Vogelwijk, bevestigt het beeld van een intensief bewoond en gebruikt landschap in de ijzertijd. Resten van een akkercomplex uit de late ijzertijd zijn in 2016 opgegraven aan de Badhuisweg (vindplaats 57).165 Tenslotte kan hier ook de vindplaats Juliana Kinderziekenhuis (vindplaats 130) genoemd worden.166 In dit onderzoek, dat rond de eeuwwisseling is uitgevoerd maar pas onlangs uitgebreid is gerapporteerd in een scriptie, is een uitgebreid akkerareaal onderzocht en daarnaast is in een palenzwerm een gebouwplattegrond herkend. De vindplaats Ockenburgh (vindplaats 12) is voor de Romeinse archeologie bijzonder belangrijk, maar onder de Romeinse resten lag ook een ijzertijdvindplaats die minder aandacht heeft gekregen.

Tussen de sporen zijn bijvoorbeeld meerdere kringgreppels aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een grafveld.167

Vindplaatsen op de Gantel Laag De belangrijkste vindplaatsen op Gantelafzettingen betreffen Hogeveld (vindplaats 136)168 en Uithofslaan (vindplaats 146)169, daterend in de late ijzertijd. Op beide plekken is een gebouwplattegrond opgegraven. Deze vindplaatsen zijn ook allebei afgedekt door Gantelklei waarop later, in de Romeinse tijd, opnieuw is gewoond. De plattegrond van Uithofslaan is een van de duidelijkste ijzertijdplattegronden in Den Haag.170 De structuur wordt voornamelijk op basis van stratigrafie gedateerd in de ijzertijd. Hoewel de datering van deze plattegrond allerminst zeker is, maken vondsten in de omgeving van de plattegrond een late-ijzertijddatering het meest aannemelijk. Op het Hogeveld is een klein wandgreppelhuis aangetroffen, al zijn ook palen in deze greppel gezien. Dit gebouw was 8,00 m lang en circa 4,30 m breed. Hoewel speculatief is het verleidelijk een relatie te leggen met de oversteekplaats die iets noordelijker bij Boezemland is aangetroffen en in dezelfde periode dateert.171 De plattegrond van het Hogeveld lijkt sterk op het wandgreppelhuisje dat op een duintje aan de Lozerlaan (vindplaats 98) is aangetroffen.172

Vindplaatsen op het Hollandveen De database van de afdeling Archeologie levert tien vindplaatsen op het veen op. De vindplaatsen op het Hollandveen zijn vaak moeilijk te interpreteren en hoewel buiten Den Haag bewoning op het veen allerminst zeldzaam is, is dat binnen de gemeentegrenzen nog niet

163 Kooistra en Bloo 2014; Rieffe 2018, 2011; Kooistra en Bloo 2014; Rieffe 2018, 2011; Kooistra en Bloo 2014; Rieffe 2011, 2018; Rieffe 2018, 2011; Rieffe e.a. 2014. 164 Van der Mijle Meijer 2012a, 2012b; Pavlović 2013; Stokkel 2010a, 2010b. 165 Van As en Leijnse 2019. 166 Lenoir 2014. 167 Waasdorp 1998. 168 Siemons en Bulten 2014. 169 Pavlović 2011. 170 Pavlović 2011, p. 46. 171 Siemons en Bulten 2014. 172 Wijsenbeek 1997. 41

aangetoond. Bij acht van de tien vindplaatsen werd bij complextype ‘onbekend’ ingevoerd. Het gaat veelal om lagen met vondsten en een enkel grondspoor. Hoewel er wel vondstmateriaal wordt aangetroffen op het veen, is het moeilijk om dit te interpreteren: is het afval behorend bij een erf op het veen of is het afval behorend bij een nederzetting op een nabijgelegen duin. In enkele gevallen konden resten worden geïnterpreteerd als beschoeiingen, paden of oversteekplaatsen. In de Vogelwijk ging het om het hierboven genoemde takkenpad in een ven. Aan de Dedemsvaartweg (vindplaats 25) zijn gestapelde plaggen aangetroffen die mogelijk ook met een Gantelgeul te maken hebben.173 Deze context lijkt op de ook eerder besproken dam of oversteekplaats in Boezemland (vindplaats 144). De meest recent aangetroffen menselijke activiteiten in het veen liggen aan de Madepolderweg (vindplaats 181).174 Het is vooralsnog onduidelijk hoe de laag plaggen in de top van het veen moet worden geïnterpreteerd.

Archeologisch onderzoek in de periode 2009-2020 Lange tijd waren uit de ijzertijd slechts enkele losse vondsten bekend afkomstig van de vindplaats Witte Brug, zoals een bronzen zwaardpuntbeschermer en een eikenhouten schopje.175 In de GOA2009 is een beknopt overzicht gegeven van de toen bekende grote vindplaatsen in een grof chronologisch kader. Hierin werd gesuggereerd dat in de vroege ijzertijd bewoning uitsluitend op het zand van de strandwallen heeft plaatsgevonden. Inmiddels zijn op ruim honderd plekken in Den Haag resten uit de ijzertijd aangetroffen op de klei, het veen en het zand. Hierboven zijn de belangrijkste Haagse ijzertijdvindplaatsen behandeld en duidelijk is dat, hoewel we veel kenniswinst hebben geboekt de afgelopen tien jaar, de ijzertijd nog steeds een moeilijk te duiden periode is in de bewoningsgeschiedenis van Den Haag.

5.2 Cultuurlandschap De actieve Gantel In de loop van de bronstijd raakt een groot gedeelte van Den Haag waaronder de oudste strandwal afgedekt met veen. Vanaf het einde van de bronstijd neemt de invloed van de zee toe en ontstaat een getijdesysteem dat meestal wordt aangeduid als De Gantel. Het achterland ontwatert daardoor beter en grote delen van het veen oxideren waardoor de oudste strandwal opnieuw toegankelijk wordt. De bewoningsmogelijkheden nemen daardoor toe. Anderzijds voert het systeem ook water en sediment aan waardoor grote delen in ZuidwestDen Haag worden afgedekt met klei. De geulen die deze sedimenten aanvoeren, verlanden uiteindelijk en raken opgevuld met zandige afzettingen. Door verschillende oorzaken, onder andere reliëfinversie, komen deze afzettingen uiteindelijk hoger te liggen dan de omliggende komgronden. Doordat ze ook nog eens beter ontwateren, zijn dit gewilde woonplaatsen. Het duurt echter tot aan het einde van de ijzertijd voordat de situatie geschikt is om op deze zogenaamde stroomruggen te wonen. Deze bewoning is slechts van korte duur want rond 250 v. Chr. vinden opnieuw grote overstromingen plaats en het duurt enkele eeuwen totdat in de Romeinse tijd de situatie rustiger wordt en het gebied opnieuw bewoonbaar is. Incidenteel vinden ook dan nog overstromingen plaats zoals is aangetoond op de locatie Erasmushove (vindplaats 185).

y Het is daarom noodzakelijk om ijzertijdvindplaatsen die zijn afgedekt door Gantelklei, goed te dateren en te vergelijken met andere ijzertijd vindplaatsen op en in Gantelafzettingen. Zo kan een beeld gevormd worden van de mate van activiteit van de Gantel gedurende deze (en opvolgende) perioden. 173 Publicatie in voorbereiding 174 Van Zoolingen 2019. 175 Van Veen en Waasdorp 2000, p. 11–12. 42

y Op basis van schelpen is het mogelijk om geulvullingen van de Gantel te dateren. Wanneer geulen goed worden aangesneden en er goed schelpmateriaal aanwezig is, kan dit vaker worden toegepast. Zo kunnen de geulen afzonderlijk gedateerd worden en kan een diachroon beeld gevormd worden van het systeem. Voorwaarde is wel dat alleen schelpen die in leefstand worden aangetroffen, worden gedateerd. Zelfs dan nog is de kans op te oude dateringen aanwezig. y Kunnen dammetjes, zoals die in het Wateringse Veld zijn aangetroffen, niet alleen gezien worden als oversteekplaats maar ook als prehistorisch watermanagement? Wat kan er überhaupt over prehistorische waterwegen/prehistorisch watermanagement worden gezegd en wat was de rol van transport over water?

Locatiekeuze IJzertijdresten zijn niet zeldzaam in Den Haag. Op alle strandwallen zijn op meerdere locaties resten van ijzertijdbodems aangetroffen met de daar bijhorende sporen en vondsten. In de kleigebieden en op het Hollandveen zijn de ijzertijdvindplaatsen echter een stuk schaarser en er bestaan verschillen tussen de vindplaatsen in de verschillende landschappelijke eenheden. Op de Laag van Voorburg vinden we bijvoorbeeld het hele spectrum; akkers, nederzettingen en ambachtelijke activiteiten (zoals zoutwinning). Dat de ijzertijdmensen juist in de duinen woonden, is veelzeggend. De duingronden zijn in eerste instantie vrij vruchtbaar maar ook snel uitgeput. Daarnaast gaat het duinzand direct stuiven als de begroeiing wordt weggehaald. Toch is in het duingebied zeer intensief akkerbouw bedreven. De traditionele verklaring is dat het overige land te nat was voor het aanleggen van akkers. Op de klei zijn echter ook nederzettingen aangetroffen maar deze manifesteren zich niet zoals op het duin als palenzwermen, maar als individuele, kleine huisplaatsen. In Den Haag zijn op enkele plaatsen vondsten gedaan die wijzen op ijzertijdbewoning op het veen. Het betreft hoofdzakelijk vondsten uit de periferie van eventuele nederzettingen zoals paden en andere offsite structuren. In de veengebieden van het Nederlandse kustgebied zijn huisplaatsen op het veen echter wel aangetroffen.

Wat kenmerkend is voor de Haagse vindplaatsen is dat deze dateren in de periode dat het veenlandschap verdroogt door de afvoer van water via het Gantelsysteem. y Op alle landschappelijke eenheden worden ijzertijdresten aangetroffen. De focus lijkt te liggen op de strandwallen. Is dit beeld terecht? Wanneer was het veen- en kleigebied beschikbaar voor de ijzertijdmens en hoe werden deze vrijgekomen gronden gebruikt? y De afwezigheid van goed bouwhout in de duinen wordt gezien als de verklaring voor de slechte kwaliteit van de huis/gebouwplattegronden, klopt dat?

Exploitatie van het landschap De veestapel in de ijzertijd bestaat voornamelijk uit runderen (het laagste percentage runderbot in Wateringse Veld: 65%, het hoogste percentage op Wijndaelerplantsoen: >90%). Verder worden er schapen/geiten en varkens gehouden. In de botassemblages worden ook wild- en visresten aangetroffen. Ook wordt er akkerbouw bedreven. De akkercomplexen zien er op het duin vrij uniform uit. We vinden eergetouwkrassen (en soms keerploegkrassen) en meestal zijn de akkers doorgraven door meerdere heel smalle greppels. De huidige hypothese is dat de greppels gebruikt zijn om walletjes op te werpen en/of om windbestendige beplanting op de akker aan te brengen om het verstuiven van het land tegen te gaan.176 y Wanneer een akker wordt aangetroffen, moet deze hypothese getoetst worden. Dit kan bijvoorbeeld door de greppels intensief te bemonsteren en te onderzoeken op resten van bijvoorbeeld duindoorn of jeneverbes.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11000230/1