CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311200 Bijlage 3

Gemeenteraad 19 mei 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake beleidsnota Archeologie en bijlagen: toelichting op de Archeologische Waarden & Verwachtingenkaart 2021 (AWVK) en Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie (GOA) (RIS311200)47.392 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie 2020 Gemeente Den Haag

Haagse Archeologische Rapportage 2119 Afdeling Archeologie & Natuur- en Milieueducatie Dienst Stadsbeheer

2000

nu nieuwe tijd

1500 late middeleeuwen

Funderingen van de Spuipoort, Hofsingel.

Graf in de vorm van een boot. Het hout is vergaan, maar de klinknagels zijn bewaard gebleven, Solleveld.

Skelet van een moeder met kind, Kerkplein.

1050 vroege middeleeuwen 450 na Chr. Funderingen van de Uithofsboerderij.

Romeinse tijd

0

ijzertijd

800 v. Chr. Mijlpalen, Wateringse Veld Versierd benen voorwerp met onbekende functie, Wateringse Veld. (tekening: R. Timmermans).

bronstijd Touwversierd aardewerk, Bronovo.

2000

nieuwe steentijd (neolithicum) Pijlpunt van vuursteen, Wateringse Binnentuinen.

5300

< 8800

midden steentijd (mesolithicum)

Hurkgraf, Ypenburg.

Colofon Onderzoek:

Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie 2020, gemeente Den Haag

Auteur:

H. Siemons en P.J.A. Stokkel (red.), met bijdragen van E.E.B. Bulten, D.L. van Duijvenboden, K. Lehmann, M. Laan, M.L. Lenoir, R.A. van der Mijle Mijer, E. Mulder, J.W. Oudhof, A. Pavlović, E.C. Rieffe, M.M.A. van Veen en R.J. van Zoolingen.

Uitgave:

Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie Dienst Stadsbeheer, gemeente Den Haag

Haagse Archeologische Rapportage nummer 2119 Den Haag, 2021 ISBN: 978-94-6067-335-1 2

Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie 2020 Gemeente Den Haag

Haagse Archeologische Rapportage 2119 Afdeling Archeologie & Natuur- en Milieueducatie Dienst Stadsbeheer 3

Inhoudsopgave 1 Inleiding 

5

2 Landschap

9

1.1 Doel 1.2 Onderzoek 2009-2019 1.3 Aanleiding 1.4 Gebruik GOA 1.5 Opbouw rapport

6 6 7 7 8

2.1 Inleiding 2.2 Paleolithicum – mesolithicum 2.3 Laag van Ypenburg en Laag van Voorburg  2.4 Hollandveen 2.5 Gantel Laag; Laagpakket van Walcheren en Laag van Poeldijk 2.6 Laag van Den Haag

9 14 14 15 16 17

3 Neolithicum

19

4 Bronstijd

31

3.1 Inleiding 3.2 Cultuurlandschap 3.3 Chronologie 3.4 Lokale fenomenen 3.5 Bovenlokale fenomenen

19 23 24 25 29

4.1 Inleiding 4.2 Cultuurlandschap 4.3 Chronologie 4.4 Lokale fenomenen 4.5 Bovenlokale fenomenen

31 34 35 35 36

5 IJzertijd

38

6 Romeinse tijd

47

7 Vroege middeleeuwen

60

8 Late middeleeuwen

72

9 Nieuwe tijd

91

5.1 Inleiding 5.2 Cultuurlandschap 5.3 Chronologie 5.4 Lokale fenomenen 5.5 Bovenlokale fenomenen

38 42 44 44 46

6.1 Inleiding 6.2 Cultuurlandschap 6.3 Chronologie 6.4 Lokale fenomenen 6.5 Bovenlokale fenomenen

47 50 51 53 57

7.1 Inleiding 7.2 Cultuurlandschap 7.3 Chronologie 7.4 Lokale fenomenen 7.5 Bovenlokale fenomenen

60 64 65 66 70

8.1 Inleiding 8.2 Cultuurlandschap 8.3 Chronologie 8.4 Lokale fenomenen 8.5 Bovenlokale fenomenen

72 80 81 82 89

9.1 Inleiding 9.2 Cultuurlandschap 9.3 Lokale fenomenen 9.4 Bovenlokale fenomenen

91 92 92 102

Literatuur103 Bijlage 1: Tabel perioden en laagindeling 

114 4

1 Inleiding Dit is de gemeentelijke onderzoeksagenda archeologie 2020 (GOA2020) samengesteld door de medewerkers van de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag en Buro de Brug.1 De afgelopen jaren heeft de afdeling Archeologie in samenwerking met Buro de Brug het Haagse archeologiebeleid geactualiseerd en een herziening van de onderzoeksagenda uit 2009 (GOA2009) maakte daar vanzelfsprekend deel van uit. Bij de samenstelling van deze GOA2020 is de vakkennis en nieuwsgierigheid van onze collega’s bij Den Haag maar ook in den lande als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat wij ervan uitgaan dat een ieder die onderzoek uitvoert in de gemeente Den Haag dit doet volgens de geldende normen en richtlijnen, zowel gemeentelijke als nationale. Deze onderzoeksagenda is niet gericht op basishandelingen of -kennis (basisrapportage) maar dient ervoor om extra inhoud en richting aan archeologisch onderzoek te geven. Vanuit dit uitgangspunt hebben we geprobeerd de onderzoeksvragen en -thema’s in te richten. Deze GOA is geen alomvattende samenvatting van alle onderzoeksresultaten van de afgelopen jaren. Die informatie is terug te vinden in de verschillende rapporten die hieronder genoemd worden. Deze GOA laat wel zien welke onderzoeksthema’s voor de aankomende jaren actueel zijn en biedt handvatten om hier met ieder onderzoek aan bij te dragen.

We willen onze vakbroeders uitdagen om met een open en onderzoekende blik, met deze onderzoeksagenda in de hand, onderzoek uit te voeren in Den Haag. We zijn ervan overtuigd dat dit leidt tot betere adviezen voor de initiatiefnemers, maar daarnaast ook veel bruikbaar1

De vorige gemeentelijke onderzoeksagenda dateert uit 2009; Bulten e.a. 2009. 5

dere onderzoeksresultaten zodat het archeologische verhaal van de stad steeds beter verteld kan worden.

1.1 Doel Op basis van deze uitgangspunten kunnen we enkele doelen van de GOA2020 formuleren: y De GOA2020 is een startdocument voor onderzoekers waarin (Haagse) publicaties en periodeoverzichten gevonden kunnen worden die als basis dienen voor uitvoering van het archeologische onderzoek in de gemeente Den Haag. y De onderzoeksthema’s in de GOA2020 zijn bedoeld om extra inhoud en richting te geven aan alle soorten archeologisch onderzoek. Voor het documenteren en beschrijven van basisgegevens zijn andere documenten (KNA, richtlijnen) beschikbaar. y De komende jaren willen we de vorm en het gebruik van de GOA aanpassen en uitbreiden. Te denken valt hierbij aan een betere (digitale) koppeling van de GOA aan de geologische eenheden en de database van archeologische onderzoeken in de gemeente Den Haag. Het doel hiervan is te komen tot een dynamische en levende GOA met een actuele stand van onderzoek en actuele onderzoeksthema’s die ook voor iedereen goed benaderbaar is.

1.2 Onderzoek 2009-2019 In de periode 2009-2019 zijn in de gemeente Den Haag ongeveer 500 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Ruim de helft daarvan betrof bureauonderzoeken en gecombineerde bureau- en booronderzoeken verricht door 24 verschillende archeologische bureaus. In dezelfde periode zijn bijna 60 proefsleuvenonderzoeken gedaan met ongeveer 40 opgravingen als resultaat. Grote opgravingen van de laatste tien jaar betreffen de Wateringse Binnentuinen2 (neolithicum), Wijndaelerplantsoen3 (bronstijd en ijzertijd), de Rotterdamsebaan4 (Romeinse tijd en late middeleeuwen) en Madepolderweg5 (neolithicum, ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd).

Ook de onderzoeken bij de Grote Kerk (middeleeuwen en nieuwe tijd) en de Steynhof (neolithicum) mogen hier niet onvermeld blijven.6 In combinatie met alle andere, kleinere onderzoeken heeft dit geleid tot kenniswinst van het landschap en vindplaatsen uit alle bewoningsperioden van Den Haag.7 De afgelopen tien jaar zijn bovendien rapportages verschenen in het kader van de uitwerking van oud en eerder uitgevoerd onderzoek, zoals Uithofslaan8 (ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd), Ockenburgh9 (Romeinse tijd), Bierstraat10 (nieuwe tijd), Bronovo11 (bronstijd en ijzertijd), Wateringse Veld12 (neolithicum, bronstijd, ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd), Statenkwartier13 (vroege middeleeuwen) en Binnenhof14 (middeleeuwen en nieuwe tijd).

2

Stokkel en Bulten 2017.

3

Stokkel 2012a.

4

Publicatie in voorbereiding.

5

Publicatie in voorbereiding.

6

Pavlović en Van Veen 2021; Van Zoolingen en Bulten 2021.

7

Zie hiervoor de afzonderlijke hoofdstukken.

8

Pavlović 2011a, 2018.

9

Waasdorp 2012; Waasdorp en Van Zoolingen 2015.

10 Van Veen en Barwasser 2012. 11

Bulten en Boonstra 2013.

12

Siemons en Bulten 2014; Siemons en Lanzing 2009.

13

Waasdorp en Van Weerelt 2019.

14 Van Veen 2015. 6

Een bijzondere vermelding verdienen de 95 begeleidingen die de afgelopen tien-elf jaar zijn uitgevoerd. Een groot deel hiervan is gedaan tijdens de vernieuwing, vervanging en uitbreiding van het rioleringsstelsel van Den Haag. Bij deze begeleidingen is een schat aan informatie verzameld over archeologische vindplaatsen maar zeker ook over de geologische ondergrond van Den Haag. Een zeer fraai voorbeeld van dergelijk onderzoek (conform Haags Protocol15) is de begeleiding van de rioleringswerkzaamheden in de Vogelwijk.16 Hierbij zijn het landschap en met name ijzertijd vindplaatsen in de hele wijk systematisch in kaart gebracht. De boringen en waarnemingen zijn tezamen met de honderden boringen van het reguliere booronderzoek verwerkt in de Geologische kaart van Den Haag en Rijswijk 2019.17

1.3 Aanleiding Nu we tien jaar verder zijn, meer ervaring hebben en veel onderzoek is uitgevoerd, zijn we tot een aantal conclusies en nieuwe uitgangspunten gekomen ten aanzien van de opbouw, samenstelling en doelen van de gemeentelijke onderzoeksagenda: y Er is niet echt sprake van een eenheid in de GOA2009. De toon en de benadering voor het prehistorische deel zijn duidelijk anders dan die voor de Romeinse tijd, en ook de late middeleeuwen/nieuwe tijd had weer een andere opbouw. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat er verschillende auteurs waren, maar enige stroomlijning maakt het geheel duidelijker en in het gebruik efficiënter. y Uit de GOA2009 blijkt dat het moeilijk is een evenwicht te vinden tussen lokale, regionale en nationale thema’s en vragen. Zeker in relatie tot de mogelijkheden die onderzoeken bieden om thema’s en vragen te behandelen. Uitgangspunt voor de GOA2020 is dat het om een lokale onderzoeksagenda gaat met Haagse thema’s en vragen om de kans te vergroten ook daadwerkelijk kennis te vergaren bij onderzoeken binnen de gemeente. De GOA2020 is bij uitstek een weergave van de kennis, de stand van archeologisch onderzoek en onderzoeksthema’s op lokaal, Haags niveau. Den Haag is natuurlijk geen eiland dus spreekt het voor zich dat de GOA2020 van Den Haag aansluiting zoekt bij, en functioneert naast de provinciale en nationale onderzoeksagenda’s.

y Een voortdurende worsteling bij het nadenken over en het samenstellen van onderzoeksagenda’s is de variatie in archeologisch onderzoek in methodiek (boren, sleuven, opgraven) maar zeker ook in omvang. In deze GOA2020 proberen we meer onderscheid te maken in de mogelijkheden van de verschillende maten en soorten onderzoek.

1.4 Gebruik GOA Het uitgangspunt voor gravend archeologisch onderzoek blijft natuurlijk het Programma van Eisen. De PvE’s worden in Den Haag altijd door de afdeling Archeologie geschreven en hierin wordt natuurlijk ook naar deze GOA verwezen. Wij sporen onderzoekers in Den Haag echter ook aan om, naast programma’s van eisen en plannen van aanpak, altijd oog te houden voor (onverwachte) mogelijkheden die archeologische onderzoeken van elke soort en maat kunnen bieden. Lijkt het er bijvoorbeeld op dat een proefsleuvenonderzoek geen vervolg gaat krijgen, bedenk je dan nog tijdens het veldwerk 15

Begeleidingen, en tegenwoordig IVO-O’s, conform Haags Protocol zijn onderzoeken bij complexe infrastructurele werken, zoals rioleringen, waarbij het reguliere vooronderzoek niet of nauwelijks is uit te voeren. Voor dergelijke onderzoeken wordt een Programma van Eisen opgesteld volgens vast stramien waarbij de onderdelen van het bureauonderzoek in het PvE zijn opgenomen.

16 Boonstra en Rieffe 2009; Kooistra en Bloo 2014; Rieffe 2018, 2011. 17

Koster en Vos 2019. 7

welke informatie verzameld kan worden voor het terrein wellicht definitief verlaten (en verstoord) wordt. Houd tijdens het veldwerk en zeker ook bij de evaluatie na gravend onderzoek de onderzoeksthema’s en -vragen in relatie tot de resultaten goed tegen het licht. Zijn er mogelijkheden tot kenniswinst die bij samenstelling van het PvE niet gezien waren? En zijn er wellicht vragen en thema’s benoemd die tijdens de evaluatie niet meer zo relevant blijken te zijn? Als onderzoeker in Den Haag ben je medeverantwoordelijk voor het actueel houden van deze onderzoeksagenda. Met je onderzoek draag je bij aan de verschillende thema’s door onderzoeksvragen te beantwoorden en nieuwe te formuleren. Zo zijn we er zeker van dat toekomstig onderzoek ook inhoudelijk relevant blijft en altijd bijdraagt aan een beter begrip van het verleden. In elke fase van een project kan een beroep worden gedaan op de archeologen en specialisten van de afdeling Archeologie. Wij proberen aan de voorkant zoveel mogelijk van onze kennis in onderzoeken in te brengen, maar zijn altijd beschikbaar voor dialoog en discussie.

1.5 Opbouw rapport In deze agenda wordt aandacht besteed aan alle in Den Haag aanwezige archeologische perioden. Daarnaast wordt het natuurlijke landschap apart behandeld. De hoofdstukken van de archeologische perioden hebben allemaal dezelfde opzet. In totaal komen vier hoofdthema’s aan bod, naast een inleiding zijn dat het cultuurlandschap, chronologie, lokale fenomenen en bovenlokale fenomenen. Deze hoofdthema’s zijn weer onderverdeeld in periode specifieke subthema’s. De subthema’s worden kort toegelicht, waarna bijbehorende onderzoeksvragen volgen. De thema’s en vragen die behandeld worden zijn vaak vindplaats overschrijdend. Het is van belang dat de onderzoeker goed inventariseert welke data lokaal verzameld kunnen worden om een bijdrage te kunnen leveren aan de beantwoording van die vragen. Het is tevens zaak dat deze data zodanig uniform verzameld worden dat ze ook passen in het onderzoek naar de overkoepelende hoofdthema’s van het Haagse onderzoek. Deze gemeentelijke onderzoeksagenda kan het best gebruikt worden in combinatie met de Archeologische-Geologische Kaart 2021 Den Haag en Rijswijk die zowel analoog als digitaal beschikbaar is. Op de Archeologische-Geologische Kaart 2021 Den Haag en Rijswijk zijn de vindplaatsnummers te vinden die in de tekst tussen haakjes worden genoemd. De nummering is zoveel mogelijk per (sub)paragraaf gedaan.

Bij het meerdere keren voorkomen van dezelfde vindplaats in een (sub)paragraaf is deze eenmaal genummerd.

8

2 Landschap 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de geactualiseerde stand van zaken sinds 2009 rond de kennis van de Haagse geologie en het landschap besproken. Uit die stand van zaken vloeit een aantal (nieuwe) thema’s voort waaraan (extra) onderzoek gedaan zou moeten worden om een beter beeld te kunnen vormen over de archeologische potentie van de oude landschappen. De Holocene opbouw van de ondergrond van Den Haag en de Haagse regio is onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel tot stand gekomen. Als gevolg hiervan komen drie fysisch-geografische regio’s bij elkaar. In het oosten wordt het landschap gedomineerd door het westelijk veengebied. In het westen wordt het landschap beheerst door het duingebied en het zuiden van de regio maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied.18 Van het oorspronkelijke westelijke veengebied is in Den Haag weinig bewaard gebleven. Veel van dit veen is in de 17de en 18de eeuw gewonnen als brandstof. Tot in de middeleeuwen waren dit natuurlijke landschap en de natuurkrachten waaraan het onderworpen was, belangrijke factoren bij de keuze van woonplaatsen. Vanaf het moment dat de mens systematisch en op grote schaal ingrijpt in de waterhuishouding, neemt het belang van het natuurlijke landschap af. Toch blijft tot na de middeleeuwen de oriëntatie van Den 18 Berendsen 2005. 9

Haag op de strandwallen gericht. Dat waren van oudsher de hogere en drogere delen in het land. Eerst worden in dit hoofdstuk de grootschalige processen beschreven die tijdens het Holoceen plaats vonden. Vervolgens worden relevante onderzoeken van de afgelopen tien jaar in Den Haag besproken die een bijdrage hebben geleverd aan onze landschappelijke en geologische kennis en worden ook de thema’s uit de GOA2009 besproken. Als laatste worden de belangrijkste geologische eenheden beschreven met de bijbehorende onderzoeksthema’s. De geologische eenheden zijn terug te vinden op de geologische kaart van Den Haag en Rijswijk 2019.19

De vorming van het landschap In de laatste ijstijd, het Weichselien, die 11.700 jaar geleden eindigde, lag veel water opgeslagen in (land)ijskappen. Dit had grote gevolgen voor de wereldwijde zeespiegelstand. Voor Nederland, en andere gebieden langs de rand van grote landijskappen speelde nog een extra factor. Door de belasting van het ijs op Scandinavië was de aardkorst van dit subcontinent deels in de onderliggende mantel weggedrukt. Hierdoor werd de rand van dit gebied, waartoe ook Nederland behoort, juist opgeheven. Als direct gevolg van beide fenomenen stond de lokale zeespiegel nog aanzienlijk lager; het Noordzeebekken lag volledig droog. Door een temperatuurstijging begon het landijs te smelten. Scandinavië werd lichter en veerde terug met als gevolg dat het omliggende land wegzakte in de onderliggende mantel. Samen met het extra aanbod van water dat uit de ijskappen afkomstig was, leidde dit tot een aanzienlijke en vooral ook zeer snelle stijging van de zeespiegel en al snel liep het Noordzeebekken onder.20 Als gevolg van deze zeespiegelstijging, verslechterde de afwatering van de grote rivieren, met name die van Rijn en Maas naar zee. In de kustzone steeg de grondwaterspiegel en kwam de vorming van het basisveen op gang. De grens tussen zee en land schuift in de eerste 4 tot 5 millennia van het Holoceen snel van (noord)west naar het (zuid) oosten.

In westelijk Nederland is op dit veen een pakket klastische sedimenten afgezet (Laagpakket van Wormer). In het 4de millennium v. Chr. reikt de zee voorlopig het verst landinwaarts. Daarna nam de snelheid waarmee de zeespiegel steeg af. In samenhang met het sedimentaanbod en kuststromingen ontstonden strandwallen en lage duinen (Laagpakket van Zandvoort; Laag van Rijswijk en Laag van Voorburg). De opbouw van de strandwallen en duinen duurt 2000 tot 3000 jaar en leidt ertoe dat de kustlijn in de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen aanzienlijk meer westelijk ligt dan de huidige kustlijn. In dit duinlandschap laten zich drie duidelijke fasen onderscheiden: De strandwal van Rijswijk – Voorschoten; de strandwal van Loosduinen - Den Haag – Wassenaar en de strandwal van Scheveningen. De kustbarrière werd door enkele zeegaten onderbroken. Deze zeegaten lagen op de plaats waar grote rivieren in zee uitmondden. Voor de Haagse regio zijn de belangrijkste rivieren de Maas en de Rijn. Rond deze zeegaten ontstond een waddenmilieu waarin een dynamisch evenwicht tussen nat en droog bestond. In deze “waddenzee” worden duintjes gevormd waarop in de Haagse regio voor het eerst (vrijwel) permanent werd gewoond (Laag van Ypenburg). Vanuit het zuiden werden de verschillende zeegaten grotendeels afgesloten en raakte de zee haar invloed op het achterliggende land grotendeels kwijt.

Achter de duinen bleven lagergelegen gebieden achter die opslibden met klei en verzoetten. Deze klei hoort nog bij het Laagpakket van Wormer. Vanaf het moment dat de afvoer van zoet water te slecht werd, kon veenvorming plaatsvinden (Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Nieuwkoop). 19 Koster en Vos 2019. 20 De Mulder 1983, p. 24. 10

Door inbraken vanuit zee overstroomden delen van het veenpakket achter de duinen; soms was zo’n inbraak grootschalig en werd een deel van het veenpakket opgeruimd. Tot enkele jaren geleden werden deze inbraken vanuit zee gekoppeld aan transgressies waarvan verondersteld werd dat deze langs de gehele Nederlandse kust gelijktijdig optraden. Die veronderstelling is niet houdbaar gebleken. Het blijkt dat de benedenloop van met name de Rijn hierin een belangrijke rol speelde. Rond de monding van rivieren bestaat een fragiel evenwicht tussen land en zee. Een verandering in het aanbod van water via de rivier zal vrijwel zeker invloed hebben op overstromingen: meer water moet via een te nauwe afvoer of de afvoer is te groot voor het aanbod aan water. In de Maasmond deed zich tussen 500 en 250 v. Chr. een dergelijke situatie voor als gevolg van de verlegging van de Rijn via de Linge. In eerste instantie moest extra water zich een weg van land naar zee banen waardoor de Maasmond ruimer werd. Al snel nam dat aanbod water af en werd de extra ruimte die er was, opgevuld met sediment dat vooral vanuit zee wordt aangevoerd (Laagpakket van Walcheren). Voor de Haagse regio speelde vooral de Gantel toen een belangrijke rol. Eerst als systeem dat het gebied ontwaterde, daarna als geul waarlangs de zee tot ver in het achterland sediment kon aanvoeren.

Naast een fragiel natuurlijk evenwicht kan menselijke invloed, die zeker vanaf de ijzertijd toe nam, het effect van met name overstromingen versterken. In het grootste deel van Den Haag is na de opbouw van de Gantelafzettingen geen natuurlijk pakket sediment meer afgezet. Uitzondering hierop vormt de westelijke kustzone. Vanaf de middeleeuwen trad kusterosie op. De strandwal van Scheveningen met de daarop gevormde duinen werd deels door erosie opgeruimd en het daarbij vrijkomende zand werd landinwaarts vervoerd. Hierbij werden reliëfrijke duinen gevormd die ook nu nog delen van het Haagse landschap vormen. Een deel van de erosie zal door wind zijn gebeurd. Diezelfde wind, en dan met name stormen, leidde er ook toe dat in de middeleeuwen vanuit (voor onze regio met name) de Maas overstromingen plaats vonden. Ook in Den Haag komen de afzettingen (Laag van Poeldijk) van deze overstromingen lokaal voor. De verbreiding ervan is hier slecht bekend en de conservering van deze laag is ronduit slecht. Het gaat vooral om klei die kort na de afzetting ervan (weer) in cultuur werd gebracht. De ontwikkeling zoals die in de bovenstaande paragraaf is geschetst, heeft ertoe geleid dat op dit moment in Den Haag aan het maaiveld drie duidelijk verschillende landschappelijke zones naast elkaar zichtbaar zijn, waar respectievelijk zand, klei en veen domineren.

Zoals nu wel duidelijk is, bestaat de Haagse ondergrond echter uit een gestapeld landschap waarbij locaties die korter of langer geleden bewoonbaar waren nu onder jongere afzettingen begraven liggen. Daarom bestaat de geologische kaart van Den Haag (en Rijswijk) uit een profieltypenkaart, waarbij in ieder geval de verschillende sedimentaire eenheden die op elkaar liggen als eenheid herkenbaar zijn.

Archeologisch onderzoek in de periode 2009-2020 De afgelopen tien jaar zijn bijna 500 archeologische onderzoeken uitgevoerd in de gemeente Den Haag (zie Hoofdstuk 1 Inleiding). Heel veel geologische data van boringen en waarnemingen, verworven tijdens booronderzoeken en (riool)begeleidingen, zijn verwerkt in de nieuwe versie van de geologische kaart van Den Haag en Rijswijk.21 Het gaat hierbij om duizenden boringen met een schat aan informatie over geologische eenheden, bodemniveaus (met archeologische potentie), bodemverstoringen en in bepaalde gevallen ook archeologische indicatoren. Deze geologische gegevens vormen een aanvaardbare basis voor het abiotische landschap, maar de vele kleine booronderzoeken en rioolbegeleidingen leverden geen bijdrage aan het biotische landschap.

21

Koster en Vos 2019. 11

Grote, gravende onderzoeken en grootschalige rioolprojecten bieden wel ruimte om onderzoek in de vorm van archeobotanie, archeozoölogie en verschillende methodes van daterend onderzoek uit te voeren. Deze grote onderzoeken bieden gedetailleerde inkijk in de opbouw en ontwikkeling van het gestapelde landschap op lokaal niveau. Voorbeelden hiervan zijn het onderzoek in het Wateringse Veld22 waarvoor Kooistra de ontwikkeling van het landschap heeft beschreven. Dit onderzoek is uitgebreid met de analyse van organische resten van de Wateringse Binnentuinen (vindplaats 182)23 die zich voornamelijk richtte op het laat-neolithicum in de Laag van Voorburg. Op het ESDO-terrein (vindplaats 185)24 is meer inzicht gekregen in de opbouw van de Gantel Laag. Datzelfde geldt voor het grootschalige onderzoek aan de Uithofslaan (vindplaats 146).25 Dit onderzoek heeft inzicht gegeven in de ontwikkeling van het Gantelsysteem vanaf de ijzertijd.

Helaas is het nog niet goed mogelijk gebleken de afzettingen van het Gantelsysteem zelf betrouwbaar te dateren, maar daarmee is bij het onderzoek voor de Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195) een begin gemaakt.26 Al deze onderzoeken laten duidelijk zien dat de opbouw van zowel de Gantel Laag als de Laag van Voorburg niet een éénmalige gebeurtenis was, maar een proces dat zich over meerdere eeuwen uitstrekte en waarbij sedimentatie en erosie elkaar afwisselden. Richting de kust lenen de bestaande bebouwing en de aanwezigheid van natuurgebieden zich minder voor grootschalig, aaneengesloten onderzoek. Uitzondering hierop vormt de archeologische begeleiding van het vervangen van rioleringen in de stedelijke omgeving. Goede voorbeelden hiervan zijn de Vogelwijk27 en de Bloemenbuurt.28 Onderzoek in beide wijken heeft informatie opgeleverd over de botanische ontwikkeling van het Haagse landschap en toont een duidelijk verschil in landschap tussen de Vogelwijk en de Bloemenbuurt. De vele kleine en grote booronderzoeken in het westelijke deel van Den Haag hebben ook een forse bijdrage geleverd aan het lokaliseren van veen in dit deel van het Haagse strandwallen gebied.

De duidelijk gedefinieerde strandwal van Scheveningen is aanzienlijk minder scherp door Hollandveen begrensd dan tot voor kort werd aangenomen.29 De afgelopen jaren is geprobeerd meer vat te krijgen op de bewoningsmogelijkheden en de archeologische resten op het Hollandveen buiten de oude stadskern. Bewoning op of gebruik van het (verdroogde) Hollandveen is moeilijk te traceren en een duidelijk hiaat in onze kennis van het landschap. In dit verband moet het onderzoek aan de Dedemsvaartweg (vindplaats 25) hier zeker genoemd worden. Hoewel moeilijk te interpreteren hebben het proefsleuvenonderzoek en een opgraving resten uit de ijzertijd op het veen opgeleverd.30 Dit is ook de juiste plaats om kort in te gaan op de ontwikkelingen omtrent de thema’s uit de GOA2009: y In wat voor geologisch milieu liggen de duintjes waarop nederzettingen zoals Wateringen-4, Schipluiden en Ypenburg zijn aangetroffen? In de afgelopen tien jaar kon hier in Den Haag vrijwel geen onderzoek naar worden gedaan. In de Vlietzone is slechts één geïsoleerd duintje (vindplaats 180) herkend.31 Vanuit Haags perspectief liggen deze duintjes achter een min of meer gesloten strandwal, maar de invloed van de zee manifesteert zich in die periode vooral vanuit het zuiden (de Maasmond).

22 Siemons en Bulten 2014. 23 Stokkel en Bulten 2017. 24 Stokkel en Van der Mijle Meijer 2014. 25 Pavlović 2011a, 2018. 26 Publicatie in voorbereiding. 27 Boonstra en Rieffe 2009; Kooistra en Bloo 2014; Rieffe 2018, 2011. 28 Lehmann 2020a; Rieffe 2020a. 29 Koster en Vos 2019. 30 Lenoir 2021. 31

Van der Mijle Meijer e.a. 2010. 12

Vanuit die richting liggen deze duintjes vrij open in het landschap. Mogelijk dat Ypenburg nog invloed direct vanuit de Noordzee ondervond, want kort daarvoor liep hier immers de Rijswijk – Zoetermeergeul. Deze geul is op de geologische kaart nog altijd herkenbaar, als de diepte van het voorkomen van duinzand in de ondergrond wordt meegenomen. Stagnerende (zoet)water afvoer kan waarschijnlijk grotendeels verklaard worden door de dan nog goed merkbare stijging van de zeespiegel (omstreeks 20 cm per eeuw). De (vroeg) neolithische duintjes zoals die op Ypenburg en in de Harnaschpolder zijn herkend, zijn in de afgelopen tien jaar niet meer onderzocht en ze liggen grotendeels buiten het Haagse grondgebied. y Pollenspectra in het Hollandveen met hieraan gekoppeld een betrouwbare en absolute chronologie. Met name tijdens de begeleiding van de rioolvervanging in de Vogelwijk is op uitgebreide schaal onderzoek gedaan aan pollenspectra en dateringen. In het Wateringse Veld is bij “regulier” archeologisch onderzoek fors ingezet op de datering van strandvlakteveen en de biotische component van het (duin) landschap. Deze onderzoeken bevestigen dat de opbouw van het veen niet één doorgaand proces is, maar onderbroken wordt door perioden van verdroging, of extreme vernatting.

Met name de publicatie naar aanleiding van het AWZIproject geeft een overzicht van de ontwikkeling van het Hollandveen ten opzichte van de verschillende strandwallen.32 Wel kent dit rapport de beperking dat het “slechts” één profiel door de stad betreft. Vooral in het “Jong Duin” gebied en de dicht bebouwde gebieden van Den Haag ontbreekt nog altijd informatie. De in de GOA2009 impliciet gestelde vraag “waar zit bewoning (in de midden[?] ijzertijd) op het veen?” is met dit onderzoek niet beantwoord. Bewoningsmogelijkheden op veen zijn namelijk niet zo zeer te herkennen aan stuifmeel, maar wel aan een verdroogd (of droog genoeg) veenoppervlak. Voor prospectie van het veen is het nu van belang om te bepalen hoe omvangrijk vindplaatsen zijn en hoeveel prospecteerbaar materiaal deze opleveren. Daarvoor is het van belang (individuele) boorbeschrijvingen te evalueren op de aanwezigheid van een intacte top van het veen (al dan niet door oxidatie – veraarding aangetast) en eventueel aanwezige houtskool of andere archeologische indicatoren, en deze te vergelijken met de bekende vindplaatsen op het veen. y Geogenetische ontwikkeling en datering van het prehistorische Gantelsysteem. Voor het onderzoek van de Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195) is één van de geulen van het Gantelsysteem met behulp van schelpdoubletten gedateerd.

Dit onderzoek moet nog verder worden gerapporteerd en aan de datering van schelpmateriaal kleven beperkingen door (met name) het reservoir effect (14C in zeewater loopt achter bij het atmosferische C). Concreet is de datering, zonder correctie voor (zee)water, rond 600 v. Chr. Op de locatie

14

“ESDO” (vindplaats 185) is een overstromingsfase van de Gantel in de Romeinse tijd gedateerd. Of dit een grote overstroming is, of dat het een relatief klein fenomeen betreft, is uit één waarneming moeilijk af te leiden, maar duidelijk is wel dat ook op andere vindplaatsen een dergelijke overstroming een deel van de aangetroffen fenomenen zou kunnen verklaren (Uithofslaan, vindplaats 146). y Pollenonderzoek aan bodems en vondstlagen kan inzicht verschaffen in de verschillen tussen het biotische landschap in en direct om nederzettingsterreinen en de verderaf gelegen gebieden. Over het algemeen worden in de rapportages van pollenonderzoek duidelijk de beperkingen van het onderzoek met betrekking tot lokale herkomst en wijdere omgeving besproken. Helaas zijn er weinig mogelijkheden om pollenonderzoek te doen buiten nederzettingsterreinen om een volledig natuurlijk pollensignaal te genereren: veen waarin pollen vooral 32 Flamman en Besselsen 2008. 13

goed bewaard blijft, is niet altijd aanwezig en als het aanwezig is, is het niet altijd in een profiel te beschrijven. Daarmee is de mogelijkheid om het te bemonsteren klein. Vaak is dan ook de chronologische relatie tussen het nog aanwezige veen en de vindplaats moeilijk te leggen.

2.2 Paleolithicum – mesolithicum De bovenkant van het pleistocene landschap (Formatie van Kreftenheye33) ligt op een diepte van 23 tot 17 m – NAP.34 Dit is het oppervlak dat tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien) het maaiveld vormde. De Noordzee lag droog en mens en dier konden zich vrij bewegen tussen de Britse eilanden en continentaal Europa. De kans dat op dit niveau archeologische resten kunnen worden aangetroffen is aanwezig.35 De overgang pleistoceen – holoceen ligt in Den Haag echter diep, zo diep dat bodemingrepen op dit moment slechts in uitzonderlijke gevallen invloed hebben. Mogelijk zal dat in de toekomst veranderen, te denken valt hierbij aan tunnels maar ook boringen voor warmte-koude opslagsystemen. Deze boringen gaan veelal dieper dan 16 tot 18 m - NAP en bieden, vanwege de standaard beschrijvingen die van boringen worden gemaakt, de kans om het oppervlak uit die periode verder in kaart te brengen. Het huidige hoogtemodel zoals dat in GeoTOP (DINO-loket) beschikbaar is, wijst op de aanwezigheid van een geulsysteem in de Haagse regio. Onder met name Leidschenveen en Mariahoeve lijkt nog een terrestrisch landschap te liggen. Onder de rest van Den Haag mag een rivierensysteem verwacht worden. Dit leidt tot de volgende aandachtsgebieden voor onderzoek in de komende jaren: y Op welke diepte t.o.v.

NAP ligt de overgang pleistoceen – holoceen? y Bestaat deze overgang uit een humeuze bodem op het pleistocene maaiveld met daarop jongere afzettingen of is het een erosieve grens? y Op welke wijze en bij welke bodemingrepen kan archeologisch onderzoek in de gemeente Den Haag een bijdrage leveren aan de bestudering van het pleistocene landschap en de archeologische resten daarin?

2.3 Laag van Ypenburg en Laag van Voorburg De vorming van strandwalafzettingen (Laag van Rijswijk) is van groot belang geweest voor de bewoningsmogelijkheden in de Haagse regio. In eerste instantie zorgde de opbouw van de oudste strandwal voor een relatief afgeschermd wadden milieu waarin, op wad afzettingen, geïsoleerde duintjes ontstonden (Laag van Ypenburg). Op de strandwallen zelf ontstonden al snel meer aaneengesloten duinen (Laag van Voorburg). De strandwalafzettingen bestaan voornamelijk uit schelprijke, matig fijne tot matig grove zanden. De duinen erop zijn opgebouwd uit matig fijn zand dat, zeker aan de top, grotendeels is ontkalkt.36 De oudste gesloten strandwal van Rijswijk-Voorschoten werd rond 4000 v. Chr. gevormd. Het proces herhaalde zich meerdere keren. De meest westelijke en jongste strandwal bij Scheveningen wordt rond 2200 v. Chr. gedateerd.37

33 Weerts en Busschers 2003. 34 Kaartbijlage bij De Mulder 1983. 35 Raczynski-Henk 2014. 36 De Mulder 1983, p. 29. 37 De Mulder 1983, p. 33. 14

Doordat de duinen tot boven de toenmalige zeespiegel reikten, boden ze gunstige mogelijkheden voor bewoning. Op de geïsoleerde duintjes achter de oudste strandwal van RijswijkVoorschoten is bewoning uit het (laat) midden neolithicum (Hazendonkgroep) aangetroffen.38 Op de duintjes op de strandwal van Rijswijk-Voorschoten zelf gaat het om bewoning vanaf het laat-neolithicum (Vlaardingen cultuur).39 Op de jongere strandwallen van Den Haag en Scheveningen is bewoning vanaf de bronstijd aangetroffen. De opbouw van de verschillende strandwallen en duinen, dat geen éénmalige gebeurtenis was, zorgde voor een sterk verslechterde afwatering van het achterland waardoor veenvorming op gang kwam en zeker de oudste duinen grotendeels (Laag van Voorburg) of geheel (Laag van Ypenburg) met veen afgedekt raakten. In dit veenmoeras was bewoning onmogelijk. Dit leidt tot de volgende aandachtsgebieden voor onderzoek in de komende jaren: y Om goed een archeologische verwachting voor de verschillende duinen te kunnen bepalen kunnen nooit voldoende dateringen van veen en voldoende gegevens over het natuurlijke landschap in bepaalde perioden beschikbaar zijn; om te komen tot betrouwbare paleogeografische reconstructies en bijbehorende archeologische verwachtingen zijn nu eenmaal veel data nodig.

De mogelijkheden (zowel inhoudelijk als financieel) zullen per project moeten worden afgewogen en terug moeten komen in PvE’s, PvA’s en evaluatie- en uitwerkingsrapporten. y Hoe krijgen we (meer) inzicht in de gefaseerde opbouw van individuele duinen, ook als goed herkenbare humeuze bodems niet meer aanwezig zijn? y Specifiek voor het neolithicum: hoe ziet het natuurlijke landschap eruit en hoe zien we dat terug in de exploitatie en welke verandering is daarbij zichtbaar van “Hazendonk” via “Vlaardingen” naar “Klokbeker”? y Laag van Voorburg: de hoogte van het voorkomen van bodems en archeologische resten in en op de Laag van Voorburg is een belangrijk onderwerp. Op basis van de database van de afdeling Archeologie bestaat een globaal beeld hiervan van west (strandwal van Scheveningen) naar oost (strandwal van Rijswijk-Voorschoten). Aanvulling, gebruik en analyse van de gegevens in deze database ten behoeve van de gespecificeerde verwachting en landschapsreconstructies is en blijft een belangrijk thema. y Laag van Ypenburg: hoewel veel minder gegevens beschikbaar zijn, geldt bovenstaande ook voor de Laag van Ypenburg in het uiterste oosten (Wateringse Veld en Ypenburg) van Den Haag. De overgangszone van de Laag van Ypenburg naar de Laag van Voorburg verdient hierbij speciale aandacht.

2.4 Hollandveen Terwijl de strandwallen en de daarop opgestoven duinen bewoning mogelijk maken, is levend veen juist ongeschikt voor bewoning; het is een spons waarin je verdrinkt. Dat heeft wel tot gevolg dat organisch materiaal, met name zaden, pollen en hout, goed bewaard zijn gebleven en ons iets over het toenmalige landschap kunnen vertellen. Uit het veen zijn in de afgelopen tien jaar veel pollenmonsters verzameld en deze zijn onderzocht en gedateerd. Op die manier is langzaam maar zeker een goed beeld ontstaan over met name de flora op de nabijgelegen strandwallen. Ook de nog altijd enigszins enigmatische “ijzertijd vindplaatsen op het veen” hebben de afgelopen tien jaar zeker aandacht gekregen, helaas zonder dat een doorbraak is bereikt in de kennis van de aard, de verspreiding of precieze ouderdom van deze vindplaatsen. Recent 38 O.a. Koot 2001. 39 Stokkel en Bulten 2017. 15

onderzoek aan de Maartensdijklaan toonde veraard veen aan, maar het niveau waarop dat werd vastgesteld kwam overeen met historisch vastgestelde grondwaterstanden. 40 De komende jaren wordt het dus van belang om ook vast te stellen wat de oorzaak van veraarding is. Dit leidt tot de volgende aandachtsgebieden voor onderzoek in de komende jaren: y Wat is de oorzaak van veraarding van het veen? Is die opgetreden voor, tijdens of (ver) na de opbouw van jongere afzettingen? y Wat is de aard, ouderdom, kwaliteit en verspreiding van vindplaatsen op het veen? y Het verzamelen van goed dateerbaar botanisch materiaal blijft belangrijk voor de reconstructie van oude landschappen. y In de database van de afdeling Archeologie bevinden zich natuurlijk veel minder gegevens over de mogelijke hoogteligging van archeologische resten op het veen dan die voor de Laag van Voorburg, maar ze lijken hetzelfde patroon te volgen. Aanvulling, gebruik en analyse van de gegevens in deze database ten behoeve van de gespecificeerde verwachting en landschapsreconstructies is en blijft een belangrijk thema.

2.5 Gantel Laag; Laagpakket van Walcheren en Laag van Poeldijk In een natuurlijk landschap bestaat bij voortduring een labiel evenwicht tussen de opbouw van veen en overstromingen. Vos heeft in een serie paleogeografische reconstructies van de ijzertijd inzichtelijk gemaakt dat een relatief kleine verandering in de bovenstroom van de Rijn grote gevolgen had voor de Maasmond.41 De Haagse regio merkte dat in de vorm van het actief worden van een geulenstelsel dat in eerste instantie het gebied ontwaterde, maar waar al snel ook juist sediment vanuit werd afgezet: de Gantel Laag. De Gantel Laag is op Haagse schaal goed herkenbaar zodra daarop ijzertijd vindplaatsen of vindplaatsen uit de Romeinse tijd liggen. De laag is onderdeel van het Laagpakket van Walcheren. De ligging van de grootste geulen van dit systeem lijkt voldoende nauwkeurig bekend te zijn. Met enige regelmaat worden langs of op deze geulen vindplaatsen uit de Romeinse tijd en de late middeleeuwen herkend. Af en toe, en voorlopig lijkt de verspreiding daarvan niet goed te voorspellen, ligt op of in dit pakket ook weleens een vindplaats uit de ijzertijd.

Soms blijkt het dan te gaan om de uitloper van een vindplaats op een duintje (Laag van Voorburg), maar aan de Uithofslaan (vindplaats 146)42 en op het Hoge Veld (vindplaats 136)43 in het Wateringse Veld ging het om vindplaatsen die geheel in de klei lagen, in de buurt van een dan actieve (open) geul. Deze vindplaatsen liggen vrijwel zeker op een kwelder zoals die in eerste instantie ontstond bij de opbouw van de Gantel Laag. Beide voorbeelden zijn gevonden bij onderzoek aan Romeinse vindplaatsen. Of bewoonbare kwelders zich beperken tot de brede geulen is voorlopig onbekend: buiten de verbreiding van de geulen wordt slechts incidenteel onderzoek uitgevoerd aan de Gantel Laag. Het lijkt aannemelijk dat tijdens de opbouw van het pakket klei, in een marien milieu, planten met een hoge zouttolerantie de hoofdrol spelen. In de Romeinse tijd ontstaat al een wat diverser beeld. Zo is op de locatie Hertenrade (vindplaats 168) aangetoond dat in en om de Romeinse vindplaats daar het landschap in eerste instantie nog bomen bevatte, maar dat het 40 Rieffe 2020b. 41

https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/overzicht/paleografische-kaarten

42 Pavlović 2011. 43 Siemons en Lanzing 2009. 16

aandeel daarvan in de loop van de tijd af nam.44 Pollenspectra van de locatie Loevesteinlaan (vindplaats 169) laten zien dat daar in de Romeinse tijd sprake was van een in grote mate door de mens ingericht landschap, hier zijn veel graanpollen aangetroffen.45 Dit leidt tot de volgende aandachtsgebieden voor onderzoek in de komende jaren: y Het is nog steeds onduidelijk wanneer de Gantel precies ontstond. Op basis van archeologische vondsten en 14C-dateringen van schelpmateriaal verwachten we dit in de late bronstijd of vroege ijzertijd (circa 1000 v. Chr.). We moeten ook onderzoeken wanneer welke delen van het Gantelsysteem actief waren. Hierbij moet meer aandacht komen voor lokale variatie ruimtelijk en in de tijd vanaf het ontstaan tot in de middeleeuwen.46 Dan ontstaat zicht op de fasering in dit systeem en kan wellicht zelfs de relatie tussen de prehistorische Gantel, verantwoordelijk voor de Gantel Laag en de historische Gantel, verantwoordelijk voor de (in Den Haag zeer fragmentarisch aanwezige) Laag van Poeldijk worden gelegd. y Juist voor een laag die in de Romeinse tijd zo intensief bewoond werd, is het boeiend om het botanische landschap verder in kaart te brengen.

Kan met behulp van pollen en macroresten onderzoek en wellicht ook zoölogisch onderzoek worden aangetoond dat het gehele kleigebied in cultuur was gebracht, of waren grote delen ook op dat moment nog “gewoon” woest en ledig? Met goede dateringen van de pollenprofielen kan ook de ontwikkeling van het biotische landschap op de Gantel Laag worden gereconstrueerd. y De hoogte van het voorkomen van bodems en archeologische resten in en op de Gantel Laag is een belangrijk onderwerp. Op basis van de database van de afdeling Archeologie bestaat een globaal beeld hiervan. Aanvulling, gebruik en analyse van de gegevens in deze database ten behoeve van de gespecificeerde verwachting en landschapsreconstructies blijft een belangrijk thema.

2.6 Laag van Den Haag In de late middeleeuwen vindt opnieuw duinvorming plaats. Door de hernieuwde activiteit van de zee werd een groot deel van de jongste strandwal weggeslagen. Het vrijkomende zand werd door de zee weer op het land teruggebracht, waarna de wind het verder landinwaarts transporteerde. Het gevolg was dat de kustlijn in zuidoostelijke richting verschoof en het oude landschap met een dik pakket zand overdekt raakte. De reliëfrijke en kalkhoudend afdekkende zandlaag wordt Laag van Den Haag genoemd, in het spraakgebruik ook vaak “Jonge Duinen”.47 Dit proces vond plaats over een periode van meerdere eeuwen en heeft zijn stempel gedrukt op de mogelijkheden van bestaan in de kuststrook. Net als bij de opbouw van de strandwallen (zie paragraaf 2.3) is vooral het eindresultaat goed herkenbaar. Een eventueel aanwezige fasering in de opbouw van deze laag is veel lastiger te herkennen. Zeer recent heeft Van der Valk een nieuwe analyse van de beschikbare gegevens over de opbouw van het Jong Duin gepubliceerd.48 De Jonge Duinen dekken het westelijke deel van de Oude Duinen af. Tijdens de vorming van het Jong Duin zijn de mogelijkheden voor bewoning slecht. Akkers werden overstoven en er bestaat dan ook veelal een bewoningshiaat in het duingebied vanaf de 11de tot in de 15de eeuw. Alleen aan de binnenduinrand, waar de Jonge Duinen slechts een geringe dikte berei-

44 Van Haaster 2007. 45 Kooistra 2008, p. 67. 46 Op de Erasmushove (voormalig ESDO terrein) is bijvoorbeeld een Romeinse overstromingsfase aangetoond, Stokkel en Van der Mijle Meijer 2014. 47 Van Veen en Waasdorp 2000; Vos e.a. 2007. 48 Van der Valk 2019, p. 39–40. 17

ken, is sporadisch sprake van bewoning in deze periode. Vanaf de 17de eeuw begon de mens de duinstrook weer in bezit te nemen en kwam de ontginning op gang. y Hoe betrouwbaar kan de grens tussen de Laag van Voorburg en de Laag van Den Haag worden bepaald? Waar is het oude landschap door erosie aangetast en tot welke diepte is dat dan het geval? y Zijn er archeologische niveaus aanwezig in de Laag van Den Haag (buiten de historisch bekende kernen) en wat is de aard, verspreiding, omvang, datering en conservering van deze fenomenen?

18

3 Neolithicum 3.1 Inleiding Aan het begin van het 4de millennium v. Chr. vestigen de eerste bewoners zich in de omgeving van Den Haag. Vrijwel niets in het huidige landschap herinnert aan die periode of het moeten de iets hoger liggende dorpskernen van Rijswijk, Voorburg en Leidschendam op de oudste strandwal zijn. Deze dorpskernen markeren grofweg de toenmalige kustlijn. De strandwal waarop later Den Haag tot bloei zou komen bestond nog niet. De eerste bewoners die we rekenen tot de midden-neolithische Hazendonkcultuur, bouwden kleine huisjes en begroeven hun doden op lage duintjes te midden van de kwelders achter de oudste strandwal. Ze waren daar beschermd tegen invloeden van de zee en woonden in een uiterst voedselrijke omgeving die hen in staat stelde te profiteren van het beste van twee werelden. Enerzijds kon men teren op de oude tradities van jacht, verzamelen en visvangst, maar ook kon men de nieuwerwetse ideeën van akkerbouw en veeteelt in de praktijk brengen. Louwe Kooijmans beschrijft dit als een ‘breedspectrum economie’.49 Rond 3300 v. Chr. verandert de leefomgeving van deze bewoners drastisch. De strandwal die hen beschermt tegen de zee zorgt er ook voor dat het neerslagoverschot in het achterland niet kan worden afgevoerd. Het gevolg is een stijgende grondwaterspiegel en een uitbreiding van het grote veenmoeras dat in het oosten ligt.

De duintjes verdrinken langzaam en wor49 Louwe Kooijmans 2006, p. 485-516 19

den uiteindelijk afgedekt met veen. Cultureel vindt in deze tijd ook een verandering plaats; althans het veelal emmervormige Hazendonkaardewerk wordt vervangen door potten met een S-profiel die we kennen als Vlaardingenaardewerk. De bewoners van de duintjes worden gedwongen te vertrekken, maar vestigen zich niet op de strandwal van Rijswijk-Voorschoten; blijkbaar had de zee nog teveel invloed en was het niet veilig genoeg. Mogelijk trokken ze naar de kwelders en rivierduinen langs de Maas en hoewel de vorm en versiering van het aardewerk veranderde, bleef hun bestaanseconomie dezelfde. Vanaf ongeveer 2900 v. Chr. zien we dat de strandwal Rijswijk-Voorschoten voorzichtig wordt geëxploiteerd. Een voorbeeld is de vindplaats Wateringse Binnentuinen (WBT12o, vindplaats 182) waar de resten van een jachtkampje zijn blootgelegd.50 Het duurt niet lang of de gehele strandwal van Den Haag tot en met Voorschoten lijkt bezaaid met nederzettingen. Daarbij moeten we ons wel bedenken dat we praten over een periode van bijna zevenhonderd jaar en dat deze nederzettingen niet allemaal tegelijk bewoond waren. Opmerkelijk is dat de eerste bewoners hier braken met de lange traditie van de breedspectrumeconomie en zich vrijwel volledig toelegden op landbouw. Het proces van neolithisatie lijkt hiermee voltooid.

In de laatste fase van het neolithicum lijkt de Vlaardingencultuur vervangen te worden door de Enkelgrafcultuur. Op diverse vindplaatsen wordt standvoetbeker- en klokbekeraardewerk aangetroffen. In hoeverre hier sprake is van een overname of assimilatie is niet geheel duidelijk. Beckerman betoogt dat in de neolithische nederzettingen in Noord-Holland potvormen voorkomen die prima passen binnen de vormtypologie van het Vlaardingenaardewerk.51 Ondertussen ging de vernatting van het achterland onafgebroken verder en uiteindelijk breidde het veenmoeras zich zover uit dat de strandwal niet langer permanent bewoonbaar was. De bewoners verhuisden naar de volgende strandwal, de strandwal van Den Haag. Inmiddels zijn we dan aangekomen in de bronstijd. De laatste tien jaar is veel onderzoek naar neolithische vindplaatsen gedaan. Vindplaatsen van voor 3000 v. Chr. blijken erg zeldzaam te zijn. De laatste tijd zijn echter veel vindplaatsen aangetroffen van na 3000 v. Chr. Daarnaast zijn in het kader van het Odyssee-project enkele belangrijke neolithische nederzettingen van de Enkelgrafcultuur in Noord-Holland uitgewerkt. Hierdoor is de kennis van de laatste fase van het neolithicum enorm gegroeid. De vroegste archeologische resten in Den Haag dateren uit het midden-neolithicum (42002850 v. Chr.).52 Dat is een periode van grote veranderingen.

In Noordoost-Nederland wordt vanaf ongeveer 3500 v. Chr. de Swifterbantcultuur opgevolgd door de Trechterbekercultuur die we vooral kennen als bouwers van de hunebedden. In Midden-Nederland, langs de grote rivieren tot aan de kust, zien we vanaf ongeveer 3800 v. Chr. de Hazendonkcultuur verschijnen die eigenlijk een continue ontwikkeling laat zien vanuit de Swifterbantcultuur en lange tijd ook niet als afzonderlijk werd onderscheiden.53 Vanaf 3500 v. Chr. gaat deze Hazendonkcultuur over in de Vlaardingencultuur die gelijktijdig met de Trechterbekercultuur bestaat. In Zuid-Nederland gaat rond datzelfde moment de Michelsbergcultuur over in de Steingroep die zeer veel overeenkomsten vertoont met de Vlaardingencultuur en door velen inmiddels als één worden gezien. Opmerkelijk is dat binnen deze Vlaardingencultuur alleen het aardewerk een gemeenschappelijke factor lijkt te zijn. De bestaanseconomie verschilt van locatie tot locatie waarbij langs de kust en op de zandgronden landbouw volledig lijkt te zijn doorgevoerd, terwijl op de oeverwallen en rivierduinen juist de mesolithische traditie volop in ere wordt gehouden. In de eerste helft van het 3de millennium v. Chr. zien we in geheel

50 Stokkel en Bulten 2017. 51

Beckerman 2015; Kleijne e.a. 2013; Theunissen 2014.

52 In theorie kunnen oudere resten worden aangetroffen, maar deze bevinden zich op het pleistocene oppervlak, ongeveer 15 tot 20 meter onder het huidige maaiveld. De kans dat dergelijke oude vondsten worden gedaan is bijzonder klein. 53 Raemaekers 2005. 20

Nederland de Enkelgrafcultuur opduiken, wat ook wel gezien wordt als het begin van het laat-neolithicum. Opvallend is dat in de gebieden waar de Vlaardingencultuur zich gevestigd heeft deze overgang pas later optreedt. De Enkelgrafcultuur (EGK) onderscheidt zich van haar voorgangers door, zoals de naam al doet vermoeden, individuele begravingen en door nieuwe aardewerkvormen. De vroegste aardewerkvormen betreffen de zogenaamde standvoetbekers, gevolgd door All Over Ornamented (AOO) aardewerk en nog later de maritieme klokbeker en de Veluwse klokbeker. In Den Haag kennen we alleen resten van (late) standvoetbekers, AOO aardewerk en maritieme klokbekers, altijd als onderdeel van een Vlaardingencontext. Lange tijd is gedacht dat de ontwikkeling van standvoetbeker naar klokbeker er een van geleidelijke overgangen was met Nederland als epicentrum.54 Inmiddels begint de invasietheorie van steppevolken uit het huidige Rusland en Oekraïne, die vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog populair was, opnieuw in de belangstelling te staan.55 Dankzij DNA-onderzoek is een mannelijke afstammingslijn herkenbaar die terug te voeren is op de Yamnaya-cultuur die vanaf rond 5000 v. Chr. te vinden is in de steppes van Rusland en Oekraïne.

Deze Yamnaya worden ook gezien als sprekers van het proto-Indo-Europees en hebben vermoedelijk als eerste het paard gedomesticeerd en mogelijk ook het wiel geïntroduceerd. Vermoedelijk is sprake van geleidelijkheid en is het niet zo dat deze nieuwkomers plunderend door het land trokken, maar daar is niet iedereen het mee eens. Toch lijkt het erop dat deze immigranten lange tijd in harmonie met hun Vlaardingenburen hebben samengeleefd.

Den Haag Midden-neolithicum (4200-2850 v. Chr.) De oudste vondst van Den Haag en van de regio betreft het randfragment van een grote pot die gevonden is op een duintje ten zuidoosten van de Westvlietweg (vindplaats 180).56 De scherf heeft zeer kenmerkende druppelvormige versiering onder de rand en kan daardoor worden toegewezen aan de Swifterbantcultuur die voorafgaat aan de Hazendonkcultuur. De vindplaats wordt daarmee gedateerd aan het begin van het 4de millennium v. Chr. Deze locatie heeft nog een aantal andere scherven, waaronder Hazendonkaardewerk, en een aantal bijlfragmenten van zuidelijke vuursteen opgeleverd, en een opvallende rituele plaatsing van een Vlaardingenpot onderaan het duin en in het veen, waarover later meer. Onze kennis met betrekking tot de midden-neolithische Hazendonkcultuur in onze regio is vooral afkomstig van drie bijzondere vindplaatsen: Ypenburg (vindplaats 159),57 Schipluiden58 en Wateringen-4.59 Alle drie de vindplaatsen dateren tussen ongeveer 3800 en 3300 v. Chr. Ze liggen alle op lage duintjes omgeven door hoge kwelders achter de oudste strandwal van Rijswijk-Voorschoten, waar ze beschermd waren tegen invloeden van de zee. Aan de oostzijde lag een groot veenmoeras. Voor hun bestaan exploiteerden de bewoners de gehele regio. Op de strandwal werd gejaagd en werden vruchten, noten, bessen, wortels en knollen verzameld.

Op de kwelders werd het vee geweid en rondom de nederzettingen lagen kleine akkertjes. Langs de kust en in beekjes en veenstroompjes werd gevist. De tweebeukige huizen waren niet bijzonder groot en lijken verspreid over het duin te liggen, althans op Ypenburg. Op de flanken van het duin lagen water- en drenkkuilen die dienden voor de zoetwatervoorziening. Op zowel Ypenburg als Schipluiden zijn grafvelden aangetroffen. Dat van Ypenburg telt 42 inhumaties in 31 graven, waarbij opvalt dat het bij alle meervoudige begravingen gaat om

54 Lanting en Van der Waals 1976. 55 Quiles 2017; Houkes en Bruning 2008. Hendrik Spiering, NRC van 29 november 2019, De steppe-invasie in de bronstijd. 56 Van der Mijle Meijer e.a. 2010. 57 Koot e.a. 2008. 58 Louwe Kooijmans en Jongste 2006. 59 Raemaekers e.a. 1997. 21

zorgvuldig geplaatste nabijzettingen. Hieruit is af te leiden dat de positie van de oorspronkelijke graven bekend was en dus waarschijnlijk voorzien van een markering; een soort grafsteen bij wijze van spreken. In het grafveld waren zowel volwassen mannen en vrouwen als kinderen begraven. Op Schipluiden zijn zes begravingen gevonden, hoofdzakelijk oudere mannen, maar ook een paar kinderen.60 Daarnaast zijn in de vondstlaag zowel op Ypenburg als op Schipluiden nog eens 36 menselijke resten van ten minste 8 andere individuen gevonden. Bij alle begravingen gaat het om zogenaamde hurkgraven. Het einde van de bewoning ligt volgens de onderzoekers rond 3300 v. Chr. Dit wordt verklaard door de toenemende vernatting van het landschap. De meest voor de hand liggende locatie om nieuwe nederzettingen te stichten, lijkt de strandwal die iets naar het westen ligt (strandwal van Rijswijk-Voorschoten). Dat gebeurt echter niet. Weliswaar was op dat moment een tweede strandwal in wording (strandwal van Den Haag), maar blijkbaar was die nog niet gesloten en bood als barrière nog te weinig bescherming tegen invloeden van de zee op de eerste strandwal. De mensen vertrekken naar elders; mogelijk naar de oeverwallen en rivierduinen langs de Rijn en Maas. Laat-neolithicum (2850-2000 v.

Chr.) De bekendste Haagse Vlaardingen-vindplaats uit het laat-neolithicum is de Wateringse Binnentuinen (vindplaats 182).61 Hier is een jachtkamp aangetroffen dat gedateerd is rond 2900 v. Chr. en vlak daarnaast een nederzetting met meerdere gelijktijdige huizen die gedateerd worden tussen 2850 en 2550 v. Chr. Een tweede belangrijke vindplaats is Steynhof (vindplaats 191).62 Deze ligt enkele honderden meters naar het westen en heeft een vergelijkbare datering. Hier zijn ook huizen aangetroffen en een brandplek met verbrand menselijk skeletmateriaal. De derde belangrijke laat-neolithische vindplaats in Den Haag is Rhijenhof (vindplaats 132).63 Hier is een grote paalzetting aangetroffen met daaromheen een greppel en kuilen. Hoewel de sporen van de paalzetting geen vondsten hebben opgeleverd, zijn wel neolithische vondsten uit de omliggende sporen verzameld. Deze betroffen naast Vlaardingen-aardewerk ook standvoetbeker-, AOO- en maritieme klokbeker scherven. Een 14C-datering plaatst de vindplaats rond 2450 v. Chr. die daarmee een stuk jonger is dan de andere twee. Hoe de paalzetting geïnterpreteerd moet worden is lastig, maar de meest aannemelijke interpretatie is een structuur die als landmark diende.64 Elders in Den Haag zijn ook neolithische vondsten gedaan.

In hartje Den Haag bij het voormalige Hotel Central (vindplaats 6) aan de Lange Poten is bij een renovatie in 1912 een grote Burenbijl gevonden. Burenbijlen hebben een zeer kenmerkende ovale doorsnede met rechte zijden, zijn volledig gepolijst en worden geassocieerd met de Vlaardingencultuur. Bij een onderzoek naar de Stenen Kamer van Madestein (vindplaats 54) kwamen onverwacht Vlaardingen aardewerk en een vuursteenkern tevoorschijn.65 Een andere bijzondere vondst die haar oorsprong in het neolithicum heeft, is de grote rechthoekige slijpsteen die is gevonden bij de bouw van het Congresgebouw (vindplaats 44) in 1964. Deze slijpsteen is onmiskenbaar gebruikt om stenen bijlen te polijsten en te slijpen. Op de steen zijn echter ook krassen te zien die het gevolg zijn van het slijpen van bronzen bijlen. Dat maakt duidelijk dat dit artefact een tweede leven heeft gehad in de bronstijd. Andere vondsten ter plaatse wijzen eveneens op activiteiten in de brons- en ijzertijd. Wellicht het belangrijkste argument om deze vondst later

60 Smits en Louwe Kooijmans 2006, p. 91–112. 61 Stokkel en Bulten 2017. 62 Stokkel 2012b; Van Zoolingen en Bulten 2021. 63 De vindplaats Rhijenhof bestaat uit drie onderzoeken met de projectcodes RHY00 (Rhijenhof), GSC00 (Groot Scholten) en JON00 (De Jong). Zie Siemons en Bulten 2014. 64 Jongste 2014, p. 179. 65 Van Veen en Waasdorp 2000. 22

te dateren, is het gegeven dat de strandwal waarop hij is gevonden nog niet bestond in het neolithicum.66 Zeer recentelijk zijn neolithische resten aangetroffen in de wijk Vroondaal bij de Madepolderweg (vindplaats 181), niet ver van Madestein.67 Buiten Den Haag zijn op de oudste strandwal van Rijswijk-Voorschoten eveneens vele neolithische vindplaatsen aangetroffen. Andere vindplaatsen zijn Leidschendam-Prinsenhof,68 Leidschendam-Leidschenhage/ Berberis en Voorschoten-Boschgeest en Den Donk.69 Bij de bouw van het Rijswijkse zwembad ‘de Schilp’70 (vindplaats R48) is een vindplaats uit deze periode aangetroffen die tijdens de aanleg van een van de leidingen voor de AWZI eveneens is aangesneden.71 Net buiten het Haagse grondgebied zijn bij Monster “Het Geestje” resten van de Klokbekercultuur aangetroffen.72

Archeologisch onderzoek in de periode 2009-2020 In de afgelopen tien jaar hebben twee onderzoeken in het Wateringse Veld onze kijk op het neolithicum in Den Haag aanzienlijk gewijzigd. Allereerst is dat in 2011 en 2012 het onderzoek op de Wateringse Binnentuinen (vindplaats 182),73 een Vlaardingennederzetting met huisplattegronden van eenbeukige huizen (type Den Haag) die tot dat moment niet bekend waren. Een aantal huizen bleek bovendien gelijktijdig in gebruik, een constatering die afweek van de gangbare gedachte dat neolithische huishoudens vooral een solitaire aangelegenheid waren. Bovendien bleek voorafgaand aan de permanente nederzetting een jachtkamp aanwezig dat vermoedelijk gebruikt werd als basis om de exploitatiemogelijkheden van de strandwal te onderzoeken. In 2017 is de Steynhof (vindplaats 191) opgegraven.74 Deze vindplaats ligt op enkele honderden meters van de Wateringse Binnentuinen en betreft eveneens een nederzetting met enkele huizen. Wat de Steynhof heel bijzonder maakt, is de vondst van een brandplaats waarin menselijke crematieresten werden aangetroffen. De vindplaats verschaft daardoor nieuwe inzichten in het dodenritueel van de Vlaardingenmensen.

3.2 Cultuurlandschap Landbouw De bestaanseconomie van de Vlaardingenbewoners van Den Haag is heel duidelijke georiënteerd op veeteelt en dan voornamelijk op het houden van runderen. In een publicatie van Dusseldorp en Amkreutz uit 2020 wordt betoogd dat de nadruk op veeteelt en de afwezigheid van jacht op de Vlaardingennederzettingen langs de kust niet juist is.75 Zij stellen dat de aanwezigheid van jachtwild in de fauna-assemblage, ongeacht het aandeel daarvan in de totale assemblage, wijst op het grote belang van jacht tot aan het begin van de bronstijd. Een uitzondering op deze stelling wordt gevormd door de Wateringse Binnentuinen (vindplaats 182) waar het belang van jacht achterblijft in vergelijking met andere late steentijd-vindplaatsen. Opmerkelijk is dat de fauna-assemblage van de Steynhof (vindplaats 191)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11000230/1