CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311095 Bijlage 7 Crimson - herijking cultuurhistorische waarden Den Haag Zuidwest nov 2021

Commissie Ruimte 2 februari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake voordracht tot intrekking besluit aanwijzing van De Dreven tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht28.083 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Cultuurhistorische Verkenning - herijking cultuurhistorische waarden Den Haag Zuidwest CRIMSON - november 2021

Inhoudsopgave Inleiding p. 3 Ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis

p. 5

Sociaal-culturele achtergrond

p. 19

Ruimtelijke analyse Den Haag Zuidwest

p. 27

Ruimtelijke analyse: Moerwijk

p. 31

Ruimtelijke analyse: Morgenstond

p. 33

Ruimtelijke analyse: Bouwlust-Berestein en Vrederust

p. 35

Waardenstellende inventarisatie

p. 37

Moerwijk p. 39 Morgenstond p. 63 Bouwlust-Berestein en Vrederust p. 89 Waardevolle groenstructuren p. 113 Conclusies en aanbevelingen

p. 119

Bronnen

p. 126

Cultuurhistorische Verkenning - herijking cultuurhistorische waarden Den Haag Zuidwest Crimson Historians & Urbanists November 2021

1

HISTORIANS AND URBANISTS

Mo er w

Zuiderpark

eg

Lo ev es te

MOERWIJK

in la an

M

ep

l pe

w

eg

MORGENSTOND

Er

m

an

de sv

as

m

w

eg

aa rtw

ng

la

De

He

o el

us

eg

BOUWLUST-BERESTEIN EN VREDERUST

M

el

is

St

e ok

la

an

Lo ze r la an

De Uithof

Den Haag Zuidwest

1 km

N

2020 (bron: Google Earth)

2

Inleiding Crimson Historians & Urbanists is door de dienst Stadsontwikkeling van de Gemeente Den Haag gevraagd een Cultuurhistorische Verkenning - herijking cultuurhistorische waarden Den Haag Zuidwest op te stellen naar het Haagse stadsdeel Zuidwest. Den Haag Zuidwest wordt gevormd door de wijken Moerwijk, Morgenstond, Bouwlust/Berestein en Vrederust, die deels voorafgaand maar vooral na de Tweede Wereldoorlog gefaseerd tot stand kwamen als grootschalig gepland antwoord op de toenmalige woningnood en de grote ambities voor de toekomst van de stad Den Haag. De wijken zijn grotendeels ontworpen volgens de ruimtelijke en programmatische principes van de wijkgedachte en waren bestemd voor de Haagse midden- en arbeidersklasse. In 2000 verscheen in opdracht van gemeente Den Haag de studie ‘Invullen en uitbreiden. Een cultuurhistorische verkenning van naoorlogse wijken in Den Haag’ uitgevoerd door W. Galema (in samenwerking met Jeroen Ruitenbeek). In dit omvangrijke en diepgaande onderzoek werd onder meer gefocust op de cultuurhistorische totstandkoming van de genoemde wijken en werden de belangrijkste stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten van de wijken vastgelegd. In 2002 werden de resultaten van het onderzoek opgenomen in de omvangrijkere publicatie De Wederopbouw.

Haagse gids voor architectuur en stedenbouw in de periode 1945-1965.1 In het huidige coalitieakkoord ‘Den Haag, stad van kansen en ambities’ is Zuidwest aangewezen als één van de gebiedsontwikkelingen waar Den Haag de groei van de stad wil inzetten om de wijken leefbaarder en aantrekkelijker te maken, onder meer middels een omvangrijke verdichtingsoperatie. Bij het opstellen van de structuurvisie voor het gebied is het van belang om een geactualiseerd inzicht te hebben in de bestaande cultuurhistorische waarden van het gebied, met de kenmerkende naoorlogse stedenbouwkundige structuur, bebouwingsensembles en de waardevolle groenstructuren. Aanvullend is behoefte aan een actuele cultuurhistorische waardenkaart van de wijken waarin de monumentale, beeldbepalende en -ondersteunende objecten en ensembles in Zuidwest anno 2021 inzichtelijk worden gemaakt. Ten slotte wordt gevraagd om een transformatiekader voor de toekomstige omgang met de wijken en bebouwing, met respect voor de vastgestelde waarden en kwaliteiten. De resultaten van het onderzoek zullen één van de inhoudelijke onderliggers vormen voor het in voorbereiding zijnde kwaliteitsplan met verdichtingsstrategie voor Zuidwest.

Leeswijzer: Deel I: Ruimtelijke en cultuurhistorische ontwikkelingsgeschiedenis Het eerste deel van het rapport omvat een beknopte historische reconstructie van het ontstaan van Den Haag Zuidwest, zowel op stedenbouwkundig als op cultuurhistorisch vlak. Door middel van een historische kaartenreeks wordt ingezoomd op de totstandkoming van de wijken, in relatie tot de stad Den Haag. De reeks vangt aan met de allereerste stedelijke plannen en eindigt bij de huidige ruimtelijke configuratie. Aanvullend volgt een terugblik op de cultuurhistorische context waarbinnen de wijken tot stand kwamen en zich verder ontwikkelden. Eveneens wordt gefocust op de maatschappelijke veranderingen die vanaf de jaren zeventig plaatsvonden en wordt aansluitend beschreven wat het effect hiervan was op het functioneren en aanzien van Zuidwest. Deel II: Ruimtelijke en architectonische analyse Het tweede deel van het onderzoek omvat een analyse van de wijken in Zuidwest op verschillende schaalniveaus. Zo wordt het ruimtelijke raamwerk van de wijken als geheel ontleed, alsook de afzonderlijke wijken en wordt ingegaan op de bebouwde omgeving en de onderlinge ruimtelijke samenhang. Deel III: Waardenstellende inventarisatie In het derde deel van het onderzoek volgen ten slotte tot de conclusies over de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en architectonische waarden van Den Haag Zuidwest.

De belangrijkste structuren, ensembles en beeldbepalende objecten worden beschreven en gevisualiseerd in een waarderingskaart en voorzien van een kleurcodering, die de mate van ‘bijzonderheid’ bepaalt. Naast objecten, bijzondere ensembles en structuren worden ook ruimtelijke afwijkingen benoemd. Conclusies en aanbevelingen Het onderzoek eindigt met een aantal conclusies over de kwaliteiten van Den Haag Zuidwest en met aansluitend een reeks aanbevelingen waarin ruimtelijke en programmatische richtlijnen worden geboden voor de omgang met de vastgestelde waardevolle structuren, ensembles en gebouwen. Het geeft de bandbreedte aan waarbinnen toekomstige ruimtelijke verdichting en programmatische wijzigingen in de wijken kunnen plaatsvinden, zowel op stedenbouwkundig als op gebouwniveau.

Het voor u liggende onderzoeksrapport vormt een actualisatie van de cultuurhistorische verkenning uit 2000 en is in inhoudelijke samenhang met deze studie opgesteld. Crimson Historians & Urbanists, november 2021

3 1]

Dick Valentijn (red.), De Wederopbouw. Haagse gids voor architectuur en stedenbouw in de periode 1945-1965, Den Haag 2002.

Plattegrond van Den Haag uit ca. 1870 (Haags Gemeentearchief)

4

Ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis

2

Zuidwest voor de stadsuitbreidingen Het gebied waarin de wijken van Zuidwest gebouwd werden bestond voor de stadsuitbreiding al eeuwen uit een uitgestrekt polderlandschap. De Oost- en West-Eskamppolders, van elkaar gescheiden door de Leyweg, waren sinds de vijftiende eeuw onderdeel van het Hoogheemraadschap van Delfland en werden in 1878 samengevoegd onder de naam Escamppolder. De Escamp had met zijn noordzuidgerichtheid een afwijkende verkaveling ten opzichte van de omliggende Zusterpolder, Noordpolder, Schapenweipolder en polders rond Loosduinen. De verkaveling sloot wel aan op de Uithofpolder ten zuiden van de Escamp. De polder werd in het noordoosten begrensd door de Lange Laak, zuidoosten door de Korte Laak, in het zuidwesten door de Lozerlaan en in het noordwesten door de polder van Loosduinen en de Noordwetering. Tot de stadsuitbreidingen van Zuidwest werd het gebied bepaald door weilanden, afwateringsslootjes, twee eendenkooien, een molen, een gemaal en enkele boerderijen met namen als Morgenstond, Bouwlust en Vrederust, waarnaar de wijken van Zuidwest later vernoemd werden.

Zicht op de Leyweg, 1940 (Haags Gemeentearchief)

Luchtfoto van de Eskamppolder, links boerderijen aan de Lozerlaan en rechts een oprukkend Morgenstond en Vrederust, 1954 (Haags Gemeentearchief)

5

2]

Dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op de studie studie ‘Invullen en uitbreiden. Een cultuurhistorische verkenning van naoorlogse wijken in Den Haag’ (2000) uitgevoerd door W. Galema in samenwerking met Jeroen Ruitenbeek in opdracht van Dienst Stadsontwikkeling Den Haag. De genoemde projecten in dit hoofdstuk zijn terug te vinden in de Waardenstellende Inventarisatie vanaf p.37.

Eskamppolder in aanbouw, zicht vanaf de Moerweg op het toekomstige Moerwijk, 1949 (Haags Gemeentearchief)

Uitbreidingsplan, H.P. Berlage, 1908 (Haags Gemeentearchief)

6

H.P. Berlage – Gesloten bouwblokken, pleinen en diagonale assen In 1908 tekende H.P. Berlage (in samenwerking met ir. I.A. Lindo, directeur van de dienst Gemeeentewerken) het eerste integrale uitbreidingsplan voor de stad Den Haag. Dit plan werd beschouwd als een totaalplan voor de grote lijnen van de stadsuitbreiding en werd in de praktijk steeds in aparte deelplannen uitgewerkt en uitgevoerd, vaak door andere architecten ontworpen en door de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting uitgevoerd. Ambtelijke stroperigheid, waardoor het plan pas in 1913 werd goedgekeurd, en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zorgden ervoor dat slechts enkele delen echt naar het ontwerp van Berlage zijn uitgevoerd (deel Bomenbuurt, Spoorwijk, Benoordenhout tussen het Haagse Bos en de Wassenaarseweg en het Zuiderpark). Het plan van Berlage vormde wel steeds het uitgangspunt bij latere ruimtelijke ontwikkelingen en hij bleef tot aan zijn dood in 1934 als adviseur bij het ontwerp van uitbreidingsplannen betrokken. De traditionele stedenbouw van het plan Berlage wordt gekenmerkt door gesloten bouwblokken en er is een hoofdrol voor pleinen, singels en plantsoenen als stedenbouwkundige accenten.

Diagonale wegen doorkruisen het orthogonale grid op een klassieke wijze3 terwijl in de wijken met duurdere woningen voor een romantische of schilderachtige aanleg is gekozen met veel groen en een gebogen stratenpatronen. In de jaren dertig werd een begin gemaakt met de uitbreiding van de stad in zuidwestelijke richting met de aanleg van het Zuiderpark naar ontwerp van Berlage en de naastgelegen driehoekige buurt, het noordoostelijke deel van Moerwijk, die voortkwam uit het uitbreidingsplan van 1908. De wijk Moerwijk, vanaf 1932 gerealiseerd, is het eerste deel van het stadsdeel Den Haag Zuidwest dat werd uitgevoerd ten zuidoosten van het Zuiderpark, dat toen nog vrij in de polder lag. De wijk werd gebouwd op het gebied van de Noordpolder, Escamppolder-oost en Wippolder en wordt door de Melis Stokelaan in tweeën gedeeld. Deze lange oostwestverbinding is één van de lange lijnen die door heel Zuidwest lopen en het stadsdeel verbinden met de bestaande stad. Op basis van de contouren van het plan Berlage uit 1908 werd het eerste deel van de wijk in 1929 door de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting ontworpen. De wijk wordt door singels in buurten, en deze weer op hun beurt in kleinere eenheden, opgedeeld. De buurten zijn georganiseerd rond centraal gelegen scholencomplexen en sportvelden.

De hiërarchische opzet van de wijk wordt onderstreept door de singels, pleinen en groenstroken en bij de entrees van de wijk en op belangrijke kruispunten zijn kerken en openbare gebouwen gepositioneerd. Met het driehoekige Moerwijk I - begrensd door de Troelstrakade in het noorden, de Erasmusweg in het zuidoosten en de Moerweg in het zuidwesten – werd gestart in 1932 maar de buurt werd pas na de Tweede Wereldoorlog voltooid. Moerwijk I bestaat uit langgerekte gesloten bouwblokken met woningen voor de middenstand in kenmerkende Haagse portiekflats aan de randen van de buurten en eengezinswoningen in het midden. De baksteenarchitectuur van Moerwijk I met accenten in natuursteen/beton doet Berlagiaans aan. Het symmetrisch vormgegeven complex rond het U-vormige Esmoreitplein in het deel ten zuiden van de Melis Stokelaan met in het midden een poort naar de achterliggende straat, vormt een hoogtepunt. Ook het naastgelegen Moerwijk III, dat chronologisch eerder is gerealiseerd dan II en direct ten zuiden van het Zuiderpark ligt, is tot stand gekomen op basis van het plan Berlage en uitgewerkt door de Dienst, zij het dat het oorspronkelijke plan tijdens de Tweede Wereldoorlog flink is aangepast. Moerwijk II, IV en V zijn in 1948 ontworpen door Berlage’s opvolger Dudok en zijn ontworpen met een andere benaderingswijze.

7 3]

Dienst REO, afdeling Monumentenzorg, Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940, p. 21-22.

Uitbreidingsplan Moerweg, Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, 1929 (De Wederopbouw, p.32)

Moerwijk wordt door de Erasmusweg en de Moerweg-Middachtenweg in vier buurten opgedeeld; de kruising van beide wegen, het Erasmusplein, vormt het middelpunt van de wijk (Invullen en Uitbreiden, p.22)

W.M. Dudok – Orthogonaal stratenpatroon, open bouwblok, strokenbouw en wijkgedachte In 1934 werd Berlage in Den Haag opgevolgd door W.M. Dudok en werd gebroken met de bestaande stedenbouwkundige praktijk. Van het oorspronkelijke stedenbouwkundig ontwerp van Berlage kwam in de praktijk weinig terecht en er was harde kritiek aangezwollen over de gang van zaken. Architecten en politici vonden dat er te weinig samenhang was in de nieuwe stadsdelen, dat er te weinig aandacht was voor goede verbindingen tussen de nieuwe wijken en het centrum en de regionale/nationale infrastructuur. Ook vond men de bebouwing die het uitbreidingsplan voortbracht te laag en eenvormig, het ontbreken van differentiatie in bouwhoogte zorgde voor het ontbreken van ritme en hiërarchie. Bovendien werd de architectonische invulling die onder verordeningen en bouwvoorschriften van Bouw- en Woningtoezicht tot stand kwam aan de hand van gevelschema’s bekritiseerd: eenvormig, monotoon en weinig tot de verbeelding sprekend. Met de komst van Dudok werd gebroken met de gevelschema’s en een meer uitgewerkt programmatische en driedimensionale benadering ingezet voor de stad als geheel.

Het uitbreidingsplan Escamppolder, Maepolder en Ockenburgh dat Dudok in 1935 presenteerde tezamen met het plan Reigersberg-Mariahoeve maakte de stad af, alle onbebouwde gebieden tussen de bestaande stad, de kust en de grenzen van buurgemeenten werden in het plan opgenomen. Het plan streefde daarom naar een afgerond geheel en Dudok besteedde veel aandacht aan de randen en grenzen van de stad en de overgang tussen de stad en het omringende landschap. Aan de zuidwestrand van het plan projecteerde hij buurten met vrijstaande bebouwing in het groen als zachte overgang naar het tuinbouwgebied van Monster. De stedenbouwkundige opzet van het plan vertoont een rechtlijnige en regelmatige indeling van de wijken met rechthoekige bouwblokken. Op de Haagse ondergrond van parallel aan de kust lopende strandwallen, die van oudsher een structuur van lange parallelle lijnen had opgeleverd, ontwierp Dudok langgerekte bouwblokken bestaand uit twee lange stroken aan de langgerekte straten met twee korte stroken aan de dwarsstraten die het blok afsluiten. Het uitbreidingsplan Escamppolder, Maepolder en Ockenburgh zou pas na de Tweede Wereldoorlog oorlog uitgewerkt worden.

De hoofdstructuur die hij voor het gebied tekende vormde de onderlegger voor de naoorlogse plannen: de vanuit de bestaande stad doorgetrokken verkeerswegen die parallel aan de kust lopen (Meppelweg, Melis Stokelaan en Erasmusweg) met dwars daarop de bestaande wegen als de Leyweg, Dedemsvaartweg en Lozerlaan die Dudok in de structuur opnam. Ook het idee van brede groene assen die het stadsdeel opdelen in wijken is herkenbaar in dit uitbreidingsplan, zij het in een andere configuratie dan uiteindelijk werd gerealiseerd.

Uitbreidingsplan Escamppolder, Maepolder en Ockenburgh, W.M. Dudok, 1935 (Haags Gemeentearchief)

Na de Tweede Wereldoorlog waren de herbouw van gebombardeerde delen van de stad en het oplossen van de enorme woningnood de grootste opgaven. Niet alleen waren er vele woningen verloren gegaan, de bevolking groeide enorm door een geboortegolf in de jaren vijftig en de komst van een grote groep repatrianten uit Indonesië. Bovendien beschikte de stad slechts over een beperkte voorraad arbeiderswoningen omdat in Den Haag sinds de invoering van de woningwet in 1901 slechts een paar initiatieven op het gebied van sociale woningbouw waren ontwikkeld (in tegenstelling tot steden als Amsterdam en Rotterdam). In heel Nederland was het tekort nijpend zodat het Rijk de oplossing van de woningnood op grote schaal aanpakte door middel van een systematische planning en financiële steun. In 1949 presenteerde het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting het meerjarenplan voor de woningproductie waarin het aantal woningen dat mocht worden gebouwd werd vastgelegd in contingenten die werden toegewezen aan de provincies en drie grote steden. Om de woningen snel te kunnen bouwen en te besparen op schaarse materialen en arbeidskrachten werden verschillende bouwsystemen ontwikkeld. Dit werd door het Rijk financieel en anderszins gestimuleerd.

Zo ook andere creatieve oplossingen als de splitsing van woningen en de bouw van duplexwoningen; eengezinswoningen die zo ingericht waren dat ze tijdelijk door twee gezinnen bewoond konden worden. Den Haag stelde in 1949 een eigen programma op waarin het planproces van de nieuwe wijken was uitgezet en de volgorde en fasering was bepaald. W.M. Dudok kreeg de opdracht het structuurplan te maken op basis waarvan de uitbreidingswijken zouden worden gerealiseerd. Bovendien kreeg hij de opdracht plannen te maken voor de wederopbouw van verwoeste delen van de stad en voor de uitbreidingswijken in Zuidwest

8

9 Structuurplan voor groot ’s Gravenhage, W.M. Dudok, 1949 (Haags Gemeentearchief)

en Mariahoeve. Het structuurplan werd gebaseerd op gegevens uit een grondige survey uit 1948. Zo kon rekening worden houden met de ontwikkeling van de stad als geheel (op het gebied van bevolking, verkeer, economie e.d.) en konden ruimtelijke ingrepen in samenhang met elkaar en met de tendensen die uit de cijfers spraken worden gepland en uitgevoerd. Er was in ieder geval een groot tekort aan goedkope woningen in Den Haag. Men had er weinig vertrouwen in dat particuliere bouwers deze vraag snel konden lenigen dus men besloot in Zuidwest zoveel mogelijk in gemeentelijke handen te houden, de Gemeentelijke Woningdienst kreeg zo de regie in handen. Het grootste deel van de woningen in Zuidwest bestaat dan ook uit arbeiderswoningen. Deze zijn vooral uitgevoerd als gestapelde drie- of vierkamerwoningen. Er zijn kleine verschillen in woningtypologie te zien tussen de verschillende wijken van Zuidwest. Zo had Moerwijk meer kleine woningen voor kinderloze gezinnen, alleenstaanden en ouderen; zijn in Morgenstond het grootste aantal portiekflats van vier bouwlagen gebouwd en tellen Berestein/Bouwlust en Vrederust in verhouding de meeste eengezinswoningen en vijfkamerwoningen.

Plan tot herziening van een gedeelte van het uitbreidingsplan van de Moerweg, (Moerwijk II en IV), W.M. Dudok, 1949 (Haags Gemeentearchief)

Het structuurplan van Dudok uit 1949 bepaalde in grote lijnen de hoofdopzet van Den Haag Zuidwest. Een belangrijke issue voor de totstandkoming van Zuidwest was het tuinbouwvraagstuk. Er werd besloten alle gebieden binnen de gemeentegrenzen als stedelijk uitbreidingsgebied te bestemmen. Dit betekende voor de polders van Zuidwest dat alle tuinbouwgronden die hier lagen zouden moeten verdwijnen en had grote gevolgen voor de planning en realisatie van Zuidwest. De tuinders hadden door hun economische belang en hun belangrijke rol in de voedselvoorziening veel macht en wilden niet zonder slag of stoot vertrekken. Vooral voor het planningsproces van Bouwlust, Berestein en Vrederust zou dit complicaties en vertraging betekenen. Hierin speelde de besluitvorming over de wijze waarop de stad aan de zuidwestrand beëindigd ging worden een bepalende rol. Uiteindelijk werd om verdere vertraging te voorkomen besloten Berestein en Vrederust-west in te korten om de groenstrook die de provincie graag wilde als groene buffer tussen stad en het kassengebied te verbreden. Het groengebied dat zo ontstond, de Uithof, kreeg een recreatieve bestemming. Het eerste structurerende onderdeel van het plan van Dudok was het stelsel van brede verkeerswegen dat aansloot op de toegangswegen van Den Haag.

De lineaire structuur van de stad - bepaald door de lange, parallel aan de kust lopende doorlopende wegen - werd zo voortgezet en het min of meer orthogonale raster van wegen uitgebreid. Dudok plande bovendien een grotendeels ondergrondse aansluiting op het spoor voor het nieuwe stadsdeel die vanaf het Centraal Station via de Koningskade in noordelijke richting liep en dan afboog naar het westen via de Sportlaan om ter hoogte van Kijkduin weer af te buigen naar het zuiden om in een brede groenstrook langs de Dedemsvaartweg midden in Zuidwest aan te landen. Deze spoorverbinding is er nooit gekomen. Naast de bestaande wegenstructuur nam Dudok ook de onderliggende polderverkaveling over als onderlegger voor de nieuwe wijken van Zuidwest. Dit had, gezien de hoge woningnood, als bijkomend voordeel dat de nieuwe buurten heel snel bouwrijp gemaakt konden worden. Een tweede belangrijk structurerend element in het plan van Dudok wordt gevormd door de groenstructuur die de wijken van elkaar scheidt en tegelijk bestaande groengebieden met elkaar verbindt tot één groot groensysteem op de schaal van de hele stad; in Zuidwest werd het groengebied van Ockenburgh via de Melis Stokelaan verbonden met het Zuiderpark en deze op zijn beurt met de Voordes in Rijswijk.

Het nieuwe structuurplan had, ondanks de moeite die Dudok zich getrooste om een herziening te mogen maken, geen invloed op het ontwerp van Moerwijk III. Voor Moerwijk II, IV en V zou hij wel in overeenstemming met zijn structuurplan een nieuw ontwerp maken. Het verschil met Moerwijk I en III is opvallend. Op de centrale plekken in de buurten zijn aan grote pleinen kerken, wijkcentra, scholen en winkels geprogrammeerd in plaats van sportvelden. De wijkgedachte doet zijn intrede in Dudok’s benadering en hoewel hij bedenkingen heeft bij de rigoureuze en al te hiërarchische toepassing ervan, onderschrijft hij het belang van een geleding en duidelijke structurering van de stad. Dit zou een levende volksgemeenschap stimuleren en de onderlegger vormen van het sociaal-maatschappelijke wijkleven. Zo zijn de wijken en buurten die hij in Zuidwest ontwerpt rond een centrum met voorzieningen georganiseerd en helder geleed maar kennen ze niet de in alle schalen uitgewerkte stedenbouwkundige vertaling die bijvoorbeeld Zuidwijk en Pendrecht in Rotterdam hebben waar heel precies, getalsmatig en qua voorzieningen, de buurten zich verhouden tot de wijken en de buurten weer zijn opgedeeld in stempels die elke soort bewoner

10

(alleenstaand, kinderloos echtpaar, klein en groot gezin, bejaard) van een specifiek woningtype voorziet in blokken rond een collectieve groenvoorziening. Deze ruimtelijke vertaling is niet in de delen van Zuidwest te vinden die door Dudok zijn uitgewerkt, hij ontwierp zoals eerder beschreven een herhaling van lange stroken (portiekflats van 3 of 4 lagen) aan de lange straten met kortere stroken die de koppen van de blokken afsluiten. Moerwijk werd ondanks de scepsis van Dudok, die in zijn opvattingen de traditionele stedenbouw verenigde met pragmatisch functionalisme en enerzijds de ruimtekunst hanteerde zoals Berlage en anderzijds de moderne wijkgedachte inzette, een van de schoolvoorbeelden van gemeenschapsleven dat men met de wijkgedachte nastreefde (zie hiervoor ook hoofdstuk Cultuurhistorische context p.19). In Moerwijk werd voor het eerst systeembouw toegepast in Den Haag. Door aannemingsbedrijf Van Wijnen uit Dordrecht werden naar ontwerp van de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting vijf stroken in systeembouw gerealiseerd bij de Hoogvlietsestraat en de Roemer Visserstraat. Daarna werd nog eens voor de dubbele hoeveelheid woningen (500) een contract met het bedrijf gesloten en nam de systeembouw vervolgens een vlucht in Zuidwest.

Morgenstond Het plan voor de wijk Morgenstond, net als Bouwlust en Vrederust genoemd naar een hoeve die voor de wijk het veld moest ruimen, werd na de oorlog in 1949 op basis van zijn Uitbreidingsplan Escamppolder, Maepolder en Ockenburgh (1935) en het Structuurplan (1949) uitgewerkt. Oorspronkelijk varieerde hij in zijn ontwerp voor Morgenstond met galerijflats van verschillende hoogten (van 2 tot en met 6 lagen) waarbij over het algemeen de hoogste aan de randen van buurten geprojecteerd werden en aflopend naar binnen lager werden met in het midden stroken eengezinswoningen. Tijdens het proces werden de plannen bijgesteld. De druk van de woningnood was zo groot dat het aantal woningen waar eerst van uit was gegaan al snel aanzienlijk werd uitgebreid en de meeste galerijflats in vier bouwlagen werden uitgevoerd (het maximum dat zonder lift gebouwd mocht worden). Met veel gepuzzel wist Dudok het aantal van 7500 woningen uit te breid naar 9500. Door deze ingreep werd de bouwhoogte vrij uniform en ontstond een homogene wijk van vier bouwlagen op een half verdiepte plint. In het midden van de wijk tekende Dudok veel strokenverkavelingen en aan de randen vooral open bouwblokken (twee lange stroken met aan de koppen korte strookjes).

De stroken werden op een rechthoekig stratenpatroon geprojecteerd dat alleen op hoeken verbijzonderd werd met onregelmatig gevormde pleintjes en werd ondersteund door een groenstructuur van groen omzoomde singels. Hierbij speelde bezonning geen rol, Dudok hechtte meer waarde aan een heldere, regelmatige ruimtelijke structuur. Door middel van het aanstellen van een supervisor (architect G. Westerhout) en verschillende bouwverordeningen (o.a. door Dudok opgesteld) werd de architectonische invulling en de inrichting van het groen geregisseerd. De verordening schreef voor dat aan straten geen blinde zijgevels mochten liggen en dat de bebouwing moest zijn voorzien van doorlopende trappenhuizen langs de voor- of achtergevel.

11

Al snel begon men te sleutelen aan het oorspronkelijke plan van Dudok. Zo kreeg W. Van Tijen de opdracht van de Gemeentelijke Woningdienst om een plan te maken voor 400 woningen tussen Loevesteinlaan, Weerselostraat, Maartensdijklaan en Markelostraat en knipte hij de lange stroken van Dudok op om ze haaks op de straat te zetten. De gevels en woningplattegronden ontwierp Van Tijen in nauwe samenwerking met de hoofdarchitect van de Woningdienst Fop Ottenhof die verantwoordelijk is voor veel van de architectonische uitwerking in Zuidwest. Ook in het plan voor een tweede buurtje in Morgenstond wijkt Van Tijen af van het plan van Dudok. Beide buurtjes zijn inmiddels gesloopt maar hier werd al vroeg de structuur van lange stroken op twee plekken doorbroken. Ook werd het Almeloplein, de noordelijke toegang tot de buurt, verkleind zodat er een extra strook woningen gerealiseerd kon worden. Het idee ontstond om winkelcentrum Leyweg uit te breiden en meer belang te geven dan Dudok had gedaan, hij voorzag in zijn plan alleen dagwinkels naast enkele openbare gebouwen en een school. Tussen de Hengelolaan en de Genemuidenstraat had Dudok in zijn plan de Leyweg van een verbreed profiel voorzien zodat een langgerekt pleinvormige ruimte ontstond die hij aan de uiteinden afsloot met hoge bebouwing. Aansluitend op het plein tekende hij bovendien een wandelpark en een

Uitbreidingsplan Leyweg, W.M. Dudok, januari 1949 (Haags Gemeentearchief)

Uitbreidingsplan Morgenstond, W.M. Dudok, oktober 1949 (Haags Gemeentearchief)

sportterrein met eromheen meer scholen en openbare gebouwen. Na een prijsvraag werkte C.Th. Nix de stroken met winkels en woningen aan weerszijden van de verbrede Leyweg uit. Andere architecten werden uitgenodigd om de bijzondere gebouwen te ontwerpen (warenhuis, bioscoop, wijkcentrum etc.) (Zie ook: p.71/10) Het morrelen aan Dudoks plan begon al rond 1950. Bakker Schut vond dat zijn rol er toen wel op zat en Dudok hield de eer aan zichzelf en nam in 1951 afscheid van Den Haag. Het plan van Dudok liet slechts op enkele locaties aan de Loevesteinlaan en de Melis Stokelaan bebouwing toe van zes bouwlagen. Daar is van afgeweken door aan de Loevesteinlaan in een gelijkmatig ritme een serie flatgebouwen te bouwen die een kruispunt of toegang van de wijk markeren. Aan de oostzijde van het Hengeloplein beëindigt een hoge schijf bovendien de Meppelweg. Toen Morgenstond bijna af was werd er nog een opvallend project aan toegevoegd. In de groene as werden rond het Drentheplantsoen (en aan het kruispunt Melis StokelaanDedemsvaartweg) begin jaren zestig vier torenflats met woningwetwoningen gebouwd naar ontwerp van C. Pet van de gemeentelijke Woningdienst. De torens markeren zo het hart van het groene assenkruis en vormen een baken voor het hele stadsdeel Zuidwest.

Architectenwerkgroep (o.l.v. J.H. van den Broek) – Open verkaveling, stedenbouwkundige stempels Bouwlust-Berestein Bouwlust heeft naar het plan van Dudok een vergelijkbare opzet als Morgenstond. In het noorden wordt de wijk begrensd door de Meppelweg, in het oosten door de noordoostelijke groene as en in het zuiden door de oost-westelijke groene as en de Melis Stokelaan. In Bouwlust is het orthogonale grid verlevendigd door de hoofddwarswegen (Bouwlustlaan en Vrederustlaan) niet in elkaars verlengde te leggen maar te laten verspringen om een bajonetvorm te maken. Op deze wijze wordt Bouwlust opgedeeld in vier buurten van ongelijke grootte. Op het kruispunt van de vier kwadranten plande Dudok een wijkcentrum dat wordt bekrachtigd door een waterloop. De waterlopen/singelstructuur in Bouwlust-Berestein ligt in tegenstelling tot in Morgenstond, waar deze de midden door de buurten loopt en deze aan elkaar rijgt, langs de hoofwegen. Hierdoor hebben de singels hier een wat stedelijker en minder intiem karakter. Een speciale landschappelijke rol speelt de ruime waterloop die langs de Lozerlaan een beëindiging vormt van Den Haag Zuidwest en de wijken Berestein en Vrederust. De brede singels, die een waterhuishoudkundige rol spelen in het gebied, hebben aan de zijde van de bebouwing een gekartelde oever die de schuingeplaatste bouwstroken volgt.

De royale groene oevers die de blokken met etagewoningen omgeven tezamen met de brede, onregelmatig gevormde singels creëren vanaf de Lozerlaan een fysieke afstand en tegelijk een aantrekkelijk beeld waarin de woongebouwen als coulissen doorzichten bieden naar de wijken erachter. Hoewel de hoofdopzet van Dudok in grote lijnen gehandhaafd zou worden ging men vanaf Bouwlust de compositie van de bouwblokken anders benaderen. Dudok was na de bouw van Morgenstond niet langer betrokken bij de uitwerking van de rest van Zuidwest, in 1952 had hij zijn ontslag ingediend. Binnen de dienst was er veel discussie over de gebouwde resultaten in Zuidwest. Men was niet tevreden met de grote verscheidenheid in architectuur en de willekeurige verspreiding van de verschillende architectuuropvattingen over de wijk. Bakker Schut wilde met de nieuw te bouwen wijken een andere weg inslaan. Hij nam het initiatief om voor een deel van Bouwlust een groep architecten een collectieve opdracht te verlenen en deze onder supervisie van J.H. van de Broek te stellen. Op deze wijze hoopte hij tot een meer harmonieus architectonisch beeld te komen. Omdat met de aanleg van wegen en riolering al begonnen was op basis van het plan van Dudok kon men niet afwijken van het stratenplan, dat had onaanvaardbare vertraging en extra kosten met zich meegebracht. De architectengroep, waarin onder meer J. Bakema, H.J.

Nuyten, L.J. de Klerk, B. Merkelbach en P.J. Elling deelnamen, maakten op het bestaande stramien vrije ruimtelijke composities met verschillende soorten bebouwing: galerij- en portiekflats, eengezinswoningen, paviljoens met winkels, kerken scholen etc. De stroken met rijtjes van deze verschillende typen werden in een compositie gearrangeerd in het bouwblok dat verder ingericht werd met groen. (Zie ook: p.94/8) De herhaling van deze stempels in een stempelverkaveling is karakteristiek voor Bouwlust, Berestein en Vrederust. De stempel van Berestein is elf keer herhaald. De stroken en bouwblokken zijn in deze wijken meestal veel korter dan de stroken Ontwerp-uitbreidingsplan uit 1950 voor Bouwlust en Vrederust-oost op basis van schetsplan Dudok (De Wederopbouw, p.76)

12

van Dudok en worden in deze composities vaak haaks op de straten en aan de westrand ook schuin geplaatst. Hierdoor is de ruimtelijke structuur meer open en het beeld gevarieerder dan die van de oudere wijken. Een voorbeeld is de bebouwing aan Hertenrade, ontworpen door Nuyten. Merkelbach en Elling pasten aan het Zonneoord een open verkaveling toe die lijkt op het eerder door hen ontworpen Frankendael in Amsterdam. Aan de Meppelweg creëerde Ottenhof meer tussenruimte door hoger te bouwen en zo de footprint van de gebouwen te verkleinen. Hoewel ook in Bouwlust en Berestein de galerijflat van vier bouwlagen de hoofdmoot vormt bevatten deze wijken meer vierkamerappartementen en zijn er meer eengezinswoningen gerealiseerd. Van den Broek en Bakema studeerden op het winkelcentrum De Stede. Het resultaat is uiteindelijk dat het centrum van Bouwlust aan weerszijden van de Hengelolaan, die de wijk in de lengte doorsnijdt, is ontworpen waar die kruist met de Bouwlustlaan en Vrederustlaan. Een strook ter breedte van de verspringing van de twee lanen is ingevuld als centrumgebied. In eerste instantie bedachten Van den Broek en Bakema een lange schijf met woningen boven winkels die de Hengelolaan zou overbruggen en de twee pleinen aan weerszijde van de laan zou verbinden. Dit zijn twee losse schijven geworden, naar een ontwerp van J. Wils en F.Ottenhof.

Langs het winkelcentrum verspringt ook de waterloop die langs de twee pleinen is verbreed. Hier zijn de oevers stedelijk en stenig terwijl de rest van de oevers groen en zacht glooiend zijn aangelegd. (Zie ook: p.100/16) Bouwlust en Berestein zijn al vroeg gedacht als dubbelwijk en dit wordt in het ontwerp voor de wijkcentra bevestigd. De Stede wordt door een groenstrook, het Marinipark (vernoemd naar het beeld dat er staat van Marino Marini), verbonden met het wijkcentrum van Berestein aan de Beresteinlaan/ Hengelolaan. Een schijf van zes lagen op een onderbouw van winkels vormt langs een ventweg het winkelgebied. Aan de andere kant van de weg, in het Marinipark werd een nog hogere woontoren ontworpen met in de plint ruimte voor een openbare functie. Veel later is daar nog een politiebureau naast gebouwd zodat de verbinding tussen park en winkelcentrum is dichtgezet. Langs de Hengelolaan zijn korte stroken met portieketagewoningen haaks op de weg gezet met aan de weg op de kopse kant garages. De toepassing van strokenbouw houdt hier het zicht op het Marinipark erachter open. Oorspronkelijk was er langs de zuidoostzijde van het park een lint met winkels die de twee centra met elkaar verbond. Deze is begin jaren negentig vervangen door eengezinswoningen.

(Zie ook: p.99/14) Elke buurt had conform de wijkgedachte een eigen klein centrum met een lint winkels onder in een etagewoningenblok, andere voorzieningen zoals kerken en scholen werden gegroepeerd in een (groene) strook of aan een parkje. In en aan de groene as langs de Melis Stokelaan waren naast sportvelden meerdere scholen en een zwembad voorzien. Helemaal in het einde van de groene as, aan de Lozerlaan, is al vroeg een klein buurtje met afwijkende verkaveling gepland. De woongebouwen die uiteindelijk in de jaren zeventig gerealiseerd werden staan als paviljoenachtige blokjes schuin in het omringende groen op een parkeerplint. De ‘urban villa’s, zoals we ze vandaag zouden noemen, wijken nogal af van de omringende woningbouw maar vormen dan ook een enclave in het groene assengebied waar ruimte was voor afwijkende functies en bouwvormen.

13

Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling – Vrije en open verkaveling, systeembouw Vrederust Vrederust is de laatste wijk van de stadsuitbreiding Den Haag Zuidwest die werd aangelegd in de langgerekte strook tussen de Melis Stokelaan en de Erasmusweg. De wijk wordt verder begrensd door een brede groenstrook in het noordoosten (onderdeel van het groene assenkruis) en de Lozerlaan in het zuidwesten die doorloopt langs Berestein en kruist met de Meppelweg en verder loopt naar Loosduinen en Kijkduin. De ontwikkeling van de wijk liep parallel met Bouwlust en Berestein maar werd vertraagd door discussies met de Provincie en buurgemeenten over de vaststelling van de bebouwingsgrens van Zuidwest. Vrederust wordt door de Beresteinlaan en de Vrederustlaan in drieën gedeeld. Vrederustoost ten oosten van de Beresteinlaan, kwam eerst tot stand (in 1956). Hier vindt men de Gaarden. Vrederust-west, waar men de straten dreven heeft genoemd, kon pas gepland kon worden in 1957

Ontwerp-uitbreidingsplan van de dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling voor Berestein en Vrederust, 1955 (De Wederopbouw, p.93)

Aanpassingen van het Uitbreidingsplan Vrederust-west naar aanleiding van de keuze voor het bouwsysteem Rottinghuis, 1956 (De Wederopbouw, p. 94) Plattegrond Bouwlust, 1954 (Haags Gemeentearchief)

Uitbreidingsplan Vrederust-oost, dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling, 1955 (Invullen en uitbreiden, p. 86)

Voorontwerp Integraal Uitvoeringsplan Den Haag met daarin aangegeven de belangrijkste ontwikkelingslocaties, 1994

14

na de definitieve vaststelling van de grens. Vrederust-oost wordt weer in vieren opgedeeld door twee singels die het gebied excentrisch doorkruisen; een langs de Vrederustlaan die wordt doorgezet vanuit Bouwlust en een singel in de lengterichting van de wijk, langs De Gaarde, die een voortzetting is van de Steenwijklaan in Morgenstond. De kwadranten van ongelijke grootte zijn door de dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling op basis van het schetsplan van Dudok uitgewerkt. In het vrij eenvoudige stratenpatroon met veel langgerekte straten is in de bouwblokken vaak strokenbouw toegepast voor portieketageflats en eengezinswoningen. Ook zijn vaak weer de lange stroken die typerend zijn voor Dudok gerealiseerd. Aan het kruispunt van De Gaarde en de Vrederustlaan is op de noordoosthoek een kerk gerealiseerd met erachter een sportveld en in het midden van het buurtje in het noordoostelijke kwadrant is een klein winkelcentrum. Het wijkcentrum is aan het westelijke uiteinde van de Ambachtsgaarde, grenzend aan de Beresteinlaan geplaatst. Het langwerpige plein werd gevormd door twee schijven met woningen op een plint van winkels die hoek vormden aan de zuidwestkant. Langs de singel en de noordoostkant werd het plein begrensd door rijen losse paviljoens die een lage en doordringbare afscheiding vormen vergelijkbaar met het Almeloplein. Voor Vrederust-west werd een ander opzet gekozen.

Hier werd de woningbouw uitgevoerd met het bouwsysteem Rottinghuis. De Groningse aannemer H. Rottinghuis, medeoprichter van de vereniging van systeembouwers, bedacht het systeem en werkte het uit in samenwerking met ir. E. Corsmit en de Groningse architect Frans Klein. Het plan voor Vrederust-west is in nauwe samenwerking tussen de ontwerper van de dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling, de aannemer en Klein ontwikkeld. De grote gestandaardiseerde en geprefabriceerde elementen van beton worden bij het systeem Rottinghuis met behulp van loopkranen op de bouwplaats gemonteerd. De routes die de loopkranen moesten maken hebben invloed gehad op afmeting, plaatsing en groepering van de bouwblokken en zo op het stratenpatroon. Het stratenpatroon van het schetsplan van Dudok is dan ook drastisch aangepast, enerzijds om de meest efficiënte routes voor de kranen te accommoderen en anderzijds om tot een meer levendige verkaveling te komen. Centraal in het plan ligt een singel, een voortzetting van de Ambachtsgaarde die eindigt in de vijverpartij aan de rand van de wijk aan de Lozerlaan, waaromheen de buurt is gecomponeerd. De singel werd voorzien van een brede bajonetvormige knik die ongeveer in het midden van de buurt een driehoekige vijver vormt aan het buurtpark dat ten zuiden van de singel werd geprogrammeerd.

Ten noorden van het buurtpark is een zone ingericht met scholen, sportvelden en een verzorgingshuis. Drie hoge woontorens (ontworpen door C. Pet) markeren de wijk; aan de Erasmusweg op de hoek met de Lozerlaan en de hoek met de Beresteinlaan en op de kruising Melis Stokelaan-Beresteinlaan. Aan De Dreef, die kruist met de singel en naar de Melis Stokelaan leidt, heeft Klein een zorgvuldig gedetailleerd winkelcentrum ontworpen met eilandvitrines. De Dreven ten zuiden en westen van het buurtpark werden uitgevoerd met het Rottinghuis-systeem. Klein verzorgde de verschijningsvorm van het systeem en de plattegronden van de woningen. Het systeem laat hoewel de bebouwing er misschien op het eerste gezicht uniform uitziet veel variatie in de gevelopbouw en plattegronden toe. Klein koos voor een baksteeninvulling van de betonnen ruwbouw. Hij redeneerde dat door het gebruik van baksteen systeembouw makkelijker te accepteren was en bovendien had baksteen allerlei andere voordelen (prijstechnisch, isolatie-technisch en esthetisch). De gevels werden afgemaakt met betonnen sierelementen in de vorm van onder meer borstweringspanelen en balkonschermen.

15

Door in de Dreven kortere bouwstroken en bouwblokken te gebruiken en deze te laten verspringen is een open en dynamische verkaveling tot stand gebracht die veel doorzichten en diagonale zichtlijnen creëert in de wijk. Het openbare groen van de voortuinen en plantsoenen lopen in de open verkaveling naadloos over in ruimte tussen de stroken. De open verkaveling is ook toegepast aan de randen van de buurt, langs de Erasmusweg en de Lozerlaan, zodat de randen poreus zijn en een visuele verbinding toelaten tussen het groen van de wijk en die van de omliggende groengebieden van de Uithof en het kassengebied ten zuiden van de Erasmusweg in Wateringen. Vooral de bebouwing van de westrand van Berestein tezamen met die van Vrederust, inclusief de landschappelijke inrichting met water en groen, vormt een markante stadsrand langs de Lozerlaan.

De hoge ruimtelijke kwaliteit van de levendige open verkaveling en die van de verzorgd gedetailleerde architectuur is al vroeg herkend, bijvoorbeeld door Rein Blijstra die in 1964 lovend over de Dreven schreef: “Het lijkt alsof men hier eindelijk de juiste vormgeving heeft gevonden: de mens is hier niet meer de anonieme opdrachtgever die een laatje in het opbergsysteem krijgt toegewezen”.4 Op alle schaalniveaus – landschappelijk, stedenbouwkundig en architectonisch - is in de wijk een goed antwoord gevonden binnen de opgave. De wijk kan gezien worden als het hoogtepunt van een ontwikkeling van een klassieke stedenbouw van gesloten bouwblokken (Berlage in Moerwijk), via Dudok die het bouwblok opende en in de collectieve binnen- en tussenruimtes ruimte bood aan het wijkleven van de wijkgedachte, naar de experimenten met open verkaveling en stempels door de architectenwerkgroep onder leiding van J.H. van den Broek naar een vrije, open verkaveling ingevuld met een architectonisch zeer geslaagde systeembouw. (Zie ook: p.105/23)

Ontwikkelingen na 1965 Nadat Vrederust-west was opgeleverd, de laatste buurt van Den Haag Zuidwest, voegde men al vrij snel gebouwen toe in het gebied. Omdat de woningnood nog steeds hoog was en er geen bouwgrond meer beschikbaar was werden op verschillende plekken woontorens en hoogbouwprojecten ontwikkeld. Zo besloot men voorbij de Lozerlaan bebouwing te realiseren. Al in 1957 begon het planningsproces ervan maar pas bij de tweede poging in 1973 slaagde men erin een serie van vier woontorens van 16 verdiepingen langs de Lozerlaan te realiseren. In Morgenstond bouwde men al eerder het Drentheplantsoen (1960-1964) met vier hoge woontorens aan de hoek Melis Stokelaan en Dedemsvaartweg. Vanaf de jaren tachtig begon een renovatiegolf in Zuidwest die in eerste instantie vooral gericht was op het aanpakken van achterstallig onderhoud en de gevels van de woongebouwen. Oorspronkelijke kozijnen en puien werden op grote schaal vervangen door kunststof en aluminium kozijnen, soms met een andere indeling, profilering en, vanwege de toepassing van isolerend glas, ook dikte. Bovendien pakte men veel gevels in om te kunnen voldoen aan veranderende eisen ten aanzien van energiegebruik en isolatie. Bakstenen gevels zijn zo veelvuldig verdwenen achter dikke stuclagen, regelmatig in vrolijke kleuren geverfd in contrast met het lichte en rustige kleurgebruik van de oorspronkelijke bebouwing.

Verder werden portiekflats vaak opgetopt, voorzien van liften en werden portieken afgesloten. Binnen in de woningen werden ook verbeteringen aangebracht en plattegronden aangepast. Een heel geslaagde vernieuwing betreft de vier torens aan het Drentheplantsoen die vanwege hun slechte bouwkundige staat al in 1984 werden afgeschreven. Na protesten werd de afbraak van de beeldbepalende torens afgewend en werden ze alsnog gerenoveerd en aangevuld met een lage, deels op kolommen opgetilde strook (architect: J. Westra) die dwars over het plantsoen steekt. (Zie ook: p.78/21) Vanaf 1987 vonden de renovatie- en vernieuwingsactiviteiten plaats onder coördinatie van bureau AANpak, een samenwerkingsverband tussen gemeente en corporaties. Men wilde naast de aanpak van de kwaliteit van de woningen meer variatie in woningaanbod realiseren. AANpak organiseerde daarnaast workshops om een meer creatieve benadering van de opgaves te stimuleren en pakte ook de collectieve tuinen en tussengebieden aan. Het herbestemmen van leegstaande winkelcentra in vooral Bouwlust en Vrederust kreeg in dezelfde periode grote aandacht.

Binnen die operatie vond bijvoorbeeld de vernieuwing van Winkelstede in Bouwlust plaats waarbij winkels langs het Marinipark werden vervangen door grondgebonden eengezinswoningen (1992-1995) en de herinrichting van het Van Heeswijkplein in Moerwijk waar het plein met de bouw van een blok met etagewoningen op een supermarkt verkleind werd (19901997). In dezelfde periode vond een omslag plaats in het denken over stadsvernieuwing. Met de wethouders Adri Duivesteijn (Ruimtelijke ordening en Stadsvernieuwing) en Gerard van Otterloo (Volkshuisvesting en Financiën) kwam er ambitie en een daadkrachtig elan in de stadsvernieuwing. Wonen kreeg prioriteit in Den Haag en met campagnes als “Stadsvernieuwing als Culturele Activiteit” (1985) en plannen als “De kern

4]

Rein Blijstra, ‘s Gravenhage, stad om de vijver, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1964, p. 73.

N Den Haag Zuidwest, 2021 (Gemeente Den Haag)

16

gezond” (1988) werd het streven naar kwaliteit bekrachtigd. Men nodigde binnen- en buitenlandse architecten en stedenbouwers van naam uit om plannen en ontwerpen te maken. Zo nam Van Otterloo het initiatief voor het Haagse Woningbouwfestival waaruit de woningbouwtentoonstelling aan de Dedemsvaartweg voortkwam. Met de experimentele woningen die daar werden gerealiseerd vestigde men de aandacht op de problematiek van de naoorlogse wijken en werd tevens getoond wat een hoog kwaliteitsniveau in architectuur en stedenbouw kan toevoegen aan de stadsvernieuwing (zie ook p. 21 voor meer achtergrond en p.79/22). Op de strook langs de Dedemsvaartweg (stedenbouwkundig plan OMA/Kees Christiaanse) werden 500 woningen gerealiseerd: in het meest noordelijke deel (tussen Meppelweg en Hengelolaan) vrijstaande en geschakelde eengezinswoningen, in het deel tussen Hengelolaan en Melis Stokelaan middelhoogbouw appartementenblokken van vier of vijf lagen en in het zuidelijke deel tot aan de Erasmusweg hoogbouw; vijf woontorens van circa tien bouwlagen.

Stedenbouwkundig en architectonisch was de opzet van het plan om zo transparant mogelijk te bouwen zodat de groene as zichtbaar bleef en in het gebruik van verschillende schalen was aansluiting gezocht met de stedelijke context (laagbouw in aansluiting op de volkstuinbebouwing, middelhoogbouw van dezelfde hoogte als de portieketageflats in de omgeving en hoogbouw aan de rand van de wijk waar het uitzicht bood op het omringende land- en tuinbouwgebied). Met het IUP (Integraal Uitvoeringsplan, zie ook p. 23) kreeg de herstructurering in 1995 met een privaatpublieke investering van een miljard gulden een boost. Een fors nieuwbouwprogramma van 3000 (koop) woningen moest toegevoegd worden aan het gebied waar relatief weinig (700 woningen) gesloopt kon worden. Vooral in Morgenstond werden buurten vernieuwd en werden langs de Loevesteinlaan hoge woontorens toegevoegd. Een sportterrein aan de Zuidlarenstraat werd bebouwd met voornamelijk grondgebonden eengezinswoningen. Ook in Bouwlust, in de Raden en Vrederust, het Erasmuspark in de Gaarden, werden sloop-nieuwbouwprojecten gerealiseerd die vooral eengezinswoningen toevoegen. Deze projecten hebben een moderne interpretatie gemaakt van de oorspronkelijke stempel-stedenbouw en zijn daarin goed geslaagd. Vijf winkelcentra werden in het plan gemoderniseerd, twee werden herbestemd en aan de Leyweg kwam het stadsdeelcentrum.

Tussen de Melis Stokelaan en de Hengelolaan werd de Leyweg autovrij gemaakt en een winkelwandelgebied ingericht met midden op de oorspronkelijke rijbaan een strook nieuwe winkelruimtes. Zo werd het aantal winkels uitgebreid maar verdween de overzichtelijkheid. De Leyweg, oorspronkelijk de belangrijkste dwarsverbindingen in het orthogonale raster van het stadsdeel, verloor zo voor een deel haar oorspronkelijke functie. Met de vernieuwing was ook een deel van de groene as langs de Melis Stokelaan bij het winkelcentrum getrokken. Aan de overzijde van de Melis Stokelaan werd een nieuw stadsdeelkantoor gebouwd naar ontwerp van Rudy Uytenhaak (2005-2011). Op een plint met de openbare functies van het stadsdeelkantoor (balies, trouwzaal etc.) en een vestiging van de openbare bibliotheek werd een zeventien verdiepingen hoog, driehoekig, uitkragend bouwdeel gezet dat kantoren en woningen bevat. Het afwijkend gevormde gebouw domineert de skyline van het stadsdeel en detoneert met de bescheiden portiekflats met winkels op de begane grond die hier nog de oorspronkelijke bebouwing vormt. Naast de vernieuwings- en uitbreidingsopgave legde het IUP nieuwe verbanden met de omgeving van Zuidwest, er werd bijvoorbeeld rekening gehouden met de Vinex-wijk Wateringsveld die ten zuiden van de Erasmusweg gepland zal worden.

17

Na de kredietcrisis, die het vernieuwingsproces grotendeels platlegde, werd in 2015 een doorstart gemaakt met de plannen vanuit de gemeente. De projecten die sinds de crisis wel gerealiseerd waren werden ontwikkeld door de markt voor het hogere inkomenssegment, het accent verschuift nu naar de sociale woningbouw. In Moerwijk werd bijvoorbeeld een Berlagiaans sociaal woningbouwproject gerealiseerd rond het herbestemde kerkgebouw tussen de Raaphorstlaan en de Grovestinstraat. In Morgenstond nieuwe strokenbouw tussen de Coevoordenstraat en Haveltestraat. Met de “Agenda ruimte voor de stad” is een vernieuwingsproces gestart dat in samenspraak met bewoners tot een nieuw structuurplan zal leiden. Niet alleen de woningbouw is hierin onderwerp van gesprek, ook het functioneren van het collectieve groen en het groene assenkruis. Nu in 2019 een ambitieuze

Structuurvisie 2020-2040 is opgesteld met daarin onder meer opgenomen een woonprogramma voor het creëren van 10.000 woningen in Zuidwest, is er extra druk komen te liggen op de planontwikkelingen en is het extra van belang de originele kwaliteiten van Zuidwest, stedenbouwkundig en architectonisch, te herkennen en uit te dragen.

Het straatbeeld van Moerwijk, Heeswijkplein, 1960 (Haags Gemeentearchief, Willy Schurman)

18

Sociaal-culturele achtergrond De wijken van Den Haag Zuidwest, op het in de jaren dertig gebouwde deel van Moerwijk na, werden in een buitengewoon hard tempo gebouwd voor de ongekend nijpende naoorlogse woningnood. Net als in verschillende andere Nederlandse steden, Rotterdam voorop, was in Den Haag door bombardementen, verkrotting van de binnenstad en het naoorlogse geboorteoverschot een enorm woningtekort ontstaan. Vooral in de jaren vijftig liep het aantal woningzoekenden op; van enkele duizenden aan het begin van het decennium tot ruim 25.000 medio jaren vijftig.5 Het al voor oorlog geplande stadsdeel Zuidwest was de locatie waar nagenoeg alle woningen voor de ‘gewone’ woningzoekende gebouwd moesten worden. Terwijl de bemiddelde Hagenaars naar nieuwe koopwoningen in wijken als Waldeck en Bohemen trokken, kwamen geschoolde arbeiders en ambtenaren die op zoek waren naar een huurwoning zonder uitzondering terecht in de wijken Moerwijk, Morgenstond, Bouwlust en Vrederust. En de belofte om snel en veel te bouwen voor deze bevolkingsgroepen werd met succes ingelost: in amper een decennium werden circa 30.000 woningen voor maar liefst 100.000 inwoners gerealiseerd in het nieuwe stadsdeel.

De vele jonge, groeiende gezinnen die de voornamelijk drie- en vierkamerwoningen betrokken gaven Zuidwest de veelzeggende bijnaam ‘kraamkamer van de wederopbouw’.6 Vanaf de oplevering werd Zuidwest geprezen om de geslaagde uitwerking van de ‘wijkgedachte’. Dit ruimtelijke en sociologisch principe raakte in de naoorlogse jaren onder architecten en stedenbouwkundigen in zwang en moest een alternatief bieden voor de anonimiserende en onoverzichtelijke historische binnensteden, waar iedereen langs elkaar heen leefde en het aan dorps gemeenschapsgevoel zou ontbreken. In de invloedrijke publicatie Stad der toekomst, toekomst der stad (1946) werd de wijkgedachte door de directeur van de Rotterdamse Dienst Volkshuisvesting ir. A. Bos en architect Wim van Tijen uiteengezet. De stad van de toekomst moest hiërarchisch worden opgedeeld in wijken van circa 20.000 inwoners en vervolgens opgedeeld in vier of vijf buurten, elk met centraal gelegen voorzieningen. Bos en Van Tijen pleitten bovendien voor helder ontworpen woonwijken met een overzichtelijke verkaveling als belangrijkste schakel tussen het individu en de gemeenschap. De overzichtelijkheid en beslotenheid van buurten zou de gemeenschapszin bevorderen en een harmonieuze samenleving opleveren.

Ook de Haagse stadsplanner Dudok was op de hoogte van de wijkgedachte en erkende de waardevolle aspecten, hoewel hij tegelijkertijd overtuigd was dat het niet de sociale opdeling van de verzuilde samenleving zou kunnen doorbreken.

Drukte op een speelplaats langs de Melis Stokelaan, 1957 (Haags Gemeentearchief)

Toch werden de wijken van Zuidwest, en vooral Moerwijk, het toonbeeld van het succes van de wijkgedachte. In Moerwijk ontstond de hechte gemeenschap echter eerder van onderop dan dat het nadrukkelijk zo gepland was. Zo werd al in 1951 door bewoners de ‘Moerwijk Gemeenschap’ opgericht, een organisatie waar veertig verenigingen onder vielen. De Gemeenschap hield zich bezig met het bevorderen van onderling contact en organiseerde activiteiten zoals spelbijeenkomsten voor kinderen en ochtendgymnastiek voor vrouwen in de gemeenschappelijke binnentuinen. Die binnentuinen werden ook door de gemeente gezien als belangrijk ruimtes van samenkomst voor de Moerwijkse bewoners, blijkt uit de adviezen van de in 1950 in het leven geroepen gemeentelijke commissie voor gemeenschappelijke tuinen. De commissie adviseerde dat de binnentuinen door heggen afgescheiden moesten worden en ingericht met groenstructuren, bankjes en speeltuinen. Gesteggel over de financiële verantwoordelijkheid zorgde ervoor dat uiteindelijk alleen de woningbouwcomplexen aan de Anslostraat als experiment werden ingericht voor intensief gebruik, de rest van de Moerwijkse binnentuinen moest het doen met kale gazons.7

19

5]

‘Ruim 6000 woningzoekenden in Den Haag’, De Tijd, 2 mei 1951, p.6. ‘In Den Haag: 26.154 woningzoekenden’, Algemeen Dagblad, 23 februari 1956, p.2.

6]

Chris Bruijnius, ‘Een miljard voor Haags stadsdeel’, Trouw, 16, december 1993, p.9.

7]

Dick Valentijn e.a., De Wederopbouw. Haagse gids voor architectuur en stedenbouw in de periode 1945-1965 (Den Haag 2002) p.39-41.

Binnenterrein met inrichting tussen de Anslostraat en Aagje Dekenlaan, 1977 (Haags Gemeentearchief)

Winkelgalerij aan de Leyweg, 1963 (Haags Gemeentearchief)

Buurtwinkelcentrum De Dreef in Dreven en Gaarden, 1961 (Haags Gemeentearchief)

Ook in de avonduren trok de Leyweg veel publiek, 1963 (Haags Gemeentearchief)

Buurtwinkelcentrum in de plint van gemeentewoningen aan de Beresteinlaan, 1961 (Haags Gemeentearchief)

20

Door de binnentuinexperimenten en het actieve verenigingsleven in Moerwijk kwamen uit heel Nederland beleidsmakers, sociologen en wijkbewoners om de succesvolle uitwerking van de wijkgedachte te aanschouwen.8 De gemeente wilde in de toekomstige wijk Morgenstond dat succes herhalen en nam een assertievere rol aan. Terwijl in Moerwijk de gemeenschapszin voornamelijk door de bewoners zelf werd gestimuleerd, moest in Morgenstond een speciaal ontworpen wijkcentrum rond de Leyweg als maatschappelijke verbinder fungeren. Er werd zoals gezegd een prijsvraag uitgeschreven met de opdracht dat de Leyweg zowel overdag als in de avond het trefpunt van de wijk diende te worden, met circa honderd winkels, cafés, cafetaria’s, ‘milkbars’, een bioscoop en wijkgebouw. Dit alles moest bovendien uitnodigen tot gebruik en daarom goed ontworpen en architectonisch op hoog peil.9 Door het geringe prijzengeld reageerden echter geen gerenommeerde architecten en werd de eerste prijs niet uitgereikt. De inzending van de architecten H.A. Tielman en C. Th. Nix kon nog op enige waardering rekenen, waardoor zij de opdracht kregen om respectievelijk de stroken winkels met woningen en het wijkcentrum te ontwerpen. Voor grote publieke gebouwen als de bioscoop en warenhuizen dienden ontwikkelaars zelf een architect aan te dragen.

Ondanks het onsamenhangende ontwerp voor het wijkcentrum, zonder overtuigend masterplan, groeide de Leyweg wel uit tot gewaardeerd winkel- en uitgaanscentrum van heel Zuidwest. De latere wijken Vrederust en Bouwlust kregen, zoals eerder besproken, een eigen ruimtelijke opzet. Wel werd hier wederom en op nog kleiner schaalniveau de ontwerpprincipes van de wijkgedachte toegepast. Naast het centrale wijkcentrum De Stede is ieder buurtje voorzien van een klein voorzieningencentrum. Deze werden opgenomen in de plinten van bouwblokken en zijn consequent door de twee wijken uitgevoerd. De ordening van de voorzieningen, gebaseerd op het aantal bewoners per buurt werd hier dus heel nauwkeurig gevolgd en vertaalde zich ruimtelijk in een uitgebreid netwerk van buurtwinkelcentra. In de winkelcentra vond men de winkels voor dagelijkse boodschappen en voorzieningen. Deze buurtwinkels vervulde een belangrijke functie, als plek waar bewoners samenkwamen, zoals één van de bewoners van het eerste uur in Bouwlust, J. van der Net, vertelde; ‘Toen ik hier net kwam wonen was Bouwlust erg gewild vanwege de ruimte en het groen. Allemaal gezinnen van goedgeschoolde werklieden trokken er naar toe. Mijn vrouw heeft wel meegemaakt dat ze bij de groenteboer met negen andere vrouwen aan het wachten was. Allemaal zwanger.

(…) Iedereen ging met elkaar om, want sociale contacten ontstaan nou eenmaal vaak doordat de kinderen met elkaar spelen’.10 Bewoners als J. van der Net waren aanvankelijk zeer tevreden over hun woning en buurt. Vergeleken met kleine, donkere binnenstadswoningen in deplorabele staat, waar de meeste nieuwbouwbewoners vandaan verhuisden, waren de ruime appartementen van Zuidwest immers een flinke vooruitgang. Grote raampartijen brachten licht en lucht, de verschillende slaapkamers boden privacy binnen gezinnen en de aparte badkamers, vaak met lavet en douche waren een forse verbetering ten opzichte van de wasbak in de keuken. Door het vele groen, de gemeenschappelijke binnentuinen en sportvelden in de buurten waren er bovendien genoeg speel- en recreatiemogelijkheden in de buurt, in plaats van de drukke binnenstad met zijn smalle, drukke straten. Toch bleek de populariteit van de snel gebouwde wederopbouwwijken geen lang leven beschoren. Al vanaf het piekjaar 1958, toen de hofstad 608.000 inwoners telde, begon het bevolkingsaantal van Den Haag weer terug te lopen. Halverwege de jaren zeventig was de stad gekrompen met 125.000 inwoners, waarvan het merendeel tussen 1970 en 1975 vertrok.11 Vertrekkers waren voornamelijk jonge, middenklasse gezinnen die de portieketageflats verruilden voor een eengezinswoning in een randgemeenten of andere groeikern in Nederland.

Achterblijvers in Zuidwest betroffen veelal één- of tweepersoonshuishoudens, in toenemende mate op een hoge leeftijd. Nieuwkomers in Zuidwest waren voornamelijk gezinnen met een migratieachtergrond

21

8]

Valentijn e.a., De Wederopbouw, p.40.

9]

‘Om het hart van Morgenstond. Prijsvraag bouwplan Morgenstond’, Het Vaderland, 27 september 1952, p.13.

10]

Arno Haijtema, ‘De aanpak van eentonig wonen’, De Volkskrant, 8 september 1990, p.17.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10975076/1