CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311080 Bijlage 3

Commissie Ruimte 2 februari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Toelichting Welstands- en Monumentencommissie op inhoud advies31.600 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

1 2 3

De gemeente spreekt van een MER+, waarmee ze aangeeft dat er extra aandacht uitgaat naar thema’s zoals leefbaarheid, gezondheid, ruimtelijke kwaliteit, energie en circulair bouwen (pagina 4, NRD). Notitie Reikwijdte en Detailniveau Structuurvisie Den Haag Zuidwest, projectnummer 0462353.1 00, definitief, 27 mei 2021. Op 2 augustus 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeente Den Haag en de werkgroep van de Commissie m.e.r. over het voornemen.

-1-

PAGINA 41

de herstructurering heeft vooral sociale doelen.4 De Commissie beveelt aan om de sociale doelstellingen en de ruimtelijke aanpassingen in het MER nadrukkelijker met elkaar te verbinden. Onderzoek daarvoor voor heel de wijk ook alternatieven waarin wordt gekeken naar de volgorde van sloop en bouw.5 Kijk hiervoor ook naar de effecten voor bewoners en hoe zij hierbij betrokken kunnen zijn (participatie). Daarom beveelt de Commissie aan om in het MER aan te geven hoe de participatie6 ingericht wordt. Daarnaast beveelt ze aan om het nog op te stellen bestemmingsplan Dreven, Gaarden en Zichten te gebruiken om van te leren, en de geleerde lessen daarna door te vertalen naar visie.

Achtergrond Voor de besluitvorming over activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit miiieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. De structuurvisie Cebiedsvisie Den Haag Zuidwest stelt kaders voor de activiteit D 11.2. (stede!ijk ontwikkelingsproject) en is daarom pian-m.e.r.-piichtig. Het bestemmingsplan (of omgevingsplan) Dreven, Gaarden en Zichten is project-m.e.r.-(beoordeiings)piichtig. Een m.e.r. -procedure is ook nodig ais significante nadelige effecten op Natura 2000-gebieden niet op voorhand ui te sluiten zijn. Daarom is een gecombineerd pian/project-MER nodig. Het MER volgt het detailniveau van de te nemen besluiten; het project-MER zal daarom gedetailleerder zijn dan het pian-MER

Waarom een advies? De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingeste/d en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen miiieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag - in dit geval de gemeenteraad van De Haag - besluit over de structuurvisie Den Haag Zuidwest en de bestemmingsplan Dreven, Gaarden en Zichten. De Commissie m.e.r. adviseert in dit geval over de inhoud van het nog op te stellen MER. Op het moment van advisering heeft zij geen ontwerpen van de besluiten ontvangen, deze zijn nog niet gereed.

De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken, die bij het advies zijn gebruikt, zijn te vinden door nummer 3548 op wwiv. commissiemer. ni in te vullen in het zoekvak.

In de volgende hoofdstukken beschrijft de Commissie in meer detail welke informatie het MER moet bevatten. De Commissie bouwt in haar advies voort op de Notitie reikwijdte en detailniveau Structuurvisie Den Haag Zuidwest van 27 mei 2021. Dat wil zeggen dat ze in dit advies niet ingaat op de punten die naar haar mening in de Notitie reikwijdte en detailniveau voldoende aan de orde komen. In haar advies gaat de Commissie eerst in op de wijk Zuidwest als geheel (hoofdstuk 2 t/m 5), daarna gaat ze in op het nog op te stellen bestemmingsplan voor Dreven, Gaarden en Zichten (hoofdstuk 6). De Commissie is er bij het schrijven van dit advies vanuit gegaan dat het MER opgesteld wordt voor zowel de structuurvisie als de bestemmingsplannen.

4 5

6

Zie voor meer informatie paragraaf 2.1 van dit advies. Zie ook het ‘Preadvies intrekken gemeentelijk beschermd stadsgezicht Drevenbuurt’ van de Welstands- en Monumentencommissie van 1 maart 2021 via: RIS310286 Bijlage 2 (raadsinformatie.nl). Hierin staat dat sloop en herbouw van de Drevenbuurt onverenigbaar is met de status van beschermd stadsgezicht, daarom is de gemeente voornemens om de status op te heffen. De Welstands- en Monumentencommissie geeft aan hierover negatief te zullen adviseren. De gemeente heeft op andere plekken meer duiding gegeven van het participatietraject. Bijvoorbeeld in het ‘Concept perspectief programma Zuidwest, Route naar een integraal programma voor Den Haag Zuidwest' van juni 2021.

-2-

PAGINA 42

2

Achtergrond en doel, beleid en besluiten

2.1

Achtergrond en doel Den Haag Zuidwest is een omvangrijk, naoorlogs woongebied met circa 67.000 inwoners. Door vooral demografische ontwikkelingen en volkshuisvestingsbeleid is de wijk in de loop der tijd veranderd. Inmiddels scoort het gebied op sociaaleconomische aspecten als werkloosheid, leefbaarheid en onderwijsachterstanden slechter dan de rest van de stad. Daarnaast is de woningvoorraad eenzijdig samengesteld, deels verouderd en is het voorzieningenaanbod verschraald. De gemeente Den Haag heeft voor Zuidwest, naast de sociaaleconomische opgave, ook drie andere opgaven geformuleerd: •

Woningbouwopgave: de druk op de woningmarkt en aanhoudende groei van de stad vragen om uitbreiding van de stedelijke woningvoorraad met nieuwe woningen én herstructurering van verouderde woningen. Een deel van deze opgave landt in Zuidwest.

•

Duurzaamheidsopgave: Den Haag moet klimaatneutraal zijn in 2030. Ook is de stad bezig met een mobiliteitsopgave met de focus op slimme en duurzame mobiliteit. De wijk heeft een weidse en groene opzet met lanen, singels, parken en pleinen. Dit karakter moet behouden en waar mogelijk versterkt worden.

•

Mobiliteitsopgave: duurzame mobiliteit moet gestimuleerd en gefaciliteerd worden, het gebruik van OV moet meer vanzelfsprekend worden, de auto minder.

De gemeente wil daarom de leefomgeving verbeteren door de bestaande woningvoorraad te verbeteren, deels te vernieuwen en deze toegankelijk te houden voor de lagere inkomensgroepen die nu in de wijk wonen. De huidige bewoners krijgen (tijdelijk) een vervangende woning aangeboden. Daarnaast wil de gemeente woningen toevoegen, ook voor andere inkomensgroepen, om bij te dragen aan de behoefte van de stad aan nieuwe woningen (waarvan 3.500 in het deelgebied Dreven, Gaarden en Zichten). Ook wil de gemeente het groen behouden en versterken, slimme en duurzame mobiliteit vooropstellen en invulling geven aan de noodzakelijke energietransitie.

2.2

Beleidskader De Structuurvisie Den Haag Zuidwest en de bestemmingsplannen vinden plaats in een beleidsrijke context. Geef daarom in het MER aan welke wet- en regelgeving en welk beleid relevant is voor Den Haag Zuidwest en of het voornemen kan voldoen aan de randvoorwaarden die hieruit voortkomen. Ga daarbij in ieder geval in op: •

Omgevingswet.

•

Wet natuurbescherming en Natura 2000-gebieden.

•

Erfgoedwet.

•

Klimaatbeleid7 waaronder Klimaatakkoord; Aanpassing Gaswet; Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA).

f 8

•

Luchtkwaliteit (Schone Lucht Akkoord).

•

BENG8-normen.

De EU Green Deal (Fit for 55) kan ook gevolgen hebben voor het nationale en lokale klimaatbeleid. BENG staat voor Bijna Energieneutrale Gebouwen, een norm waaraan nieuwbouw moet voldoen vanaf 1 januari 2021.

-3-

PAGINA 43

Ladder van circulariteit en van duurzame verstedelijking. Regionaal mobiliteitsbeleid (MRDH) en het provinciale beleid Ruimte en Mobiliteit. Lokaal mobiliteitsbeleid, zoals de Haagse Nota Mobiliteit en de Haagse Mobiliteitsagenda. Gemeentelijk duurzaamheidsbeleid (zie de Kadernota duurzaamheid). Gemeentelijk circulariteitsbeleid (zie beleidsagenda Circulair Den Haag)9. Stedelijk Energieplan, RES 1.0 Rotterdam-Den Haag en Transitievisie Warmte10. Woon- en kantorenbeleid. Geef in het MER aan in hoeverre wet- en regelgeving en beleid randvoorwaarden voor de visie en het bestemmingsplan opleveren. Denk daarbij ook aan de kennis en ervaring, die zijn opgedaan in de regiodeal Den Haag Zuidwest en het meekoppelen met de investeringen die gedaan zijn in sociaal kapitaal. De m.e.r.-procedure wordt doorlopen voor de structuurvisie en het bestemmingsplan. Geef aan welke besluiten dit zijn, wie daarvoor het bevoegde gezag is en wat globaal de tijdsplanning is.

3

Voorgenomen activiteit en alternatieven

3.1

Algemeen De Commissie begrijpt dat het MER en de Structuurvisie in een iteratief proces ontwikkeld worden. De Commissie acht dit een prima aanpak. Daarbij is van belang te bewaken dat de keuzen die in de Structuurvisie vastgelegd worden, weerspiegeld worden in onderzochte alternatieven in het MER. Dit geldt voor zowel de keuzes die in de Structuurvisie worden gemaakt, als voor regels en kaders die gelden voor initiatieven van particuliere partijen. De sociale doelen van de structuurvisie worden namelijk deels ingevuld door particuliere partijen. Kortom, laat in het MER de relatie zien tussen besluiten en kaders aan de ene kant en MER-alternatieven aan de andere kant.11

Relatie ambities, opgaven, effecten en alternatieven met beoordelingskader In de NRD worden meerdere modellen gebruikt waardoor er nog geen consistent beeld ontstaat van de ambities, opgaven, effecten en alternatieven.12 Ook is er nog onvoldoende focus in het brede beoordelingskader. De Commissie adviseert om de overkoepelende ambities voor leefbaarheid en toekomstbestendigheid centraal te zetten. Begin hiervoor met een beperkt aantal hoofdambities. Zorg dat de ambities (wat) gescheiden worden van de ingrepen die voorgesteld worden om die ambities te behalen (hoe). Zorg dat het beoordelingskader één-op-één aansluit bij de ambities en opgaven en de mogelijke effecten van die ingrepen. Ook in de gesprekken met de omgeving is helderheid hierover van groot belang.

® 10

12

Circulair Den Haag Gemeente Den Haag (raadsinformatie.nl) De zienswijze van Provincie Zuid-Holland wijst hierop. Dat betekent ook dat wanneer het bestuur uiteindelijk een keuze maakt voor een alternatief dat wezenlijk afwijkt van de oorspronkelijk in het MER onderzochte alternatieven, dat dit alternatief alsnog in het MER op milieueffecten onderzocht moet worden. Zo zijn er acht hoofdambities en 78 deelambities (hoofdstuk 3 en bijlage 1); Maatregelen die gedeeltelijk overeenkomen met de 78 deelambities (bijlage 1); Vier grote opgaven: sociaaleconomisch, woningbouw, duurzaamheid en mobiliteit (hoofdstuk 3); Beoordelingskader gebaseerd op de donuteconomie van Raworth, met negen thema’s (30 indicatoren) voor het sociaal fundament en vier thema’s (1 3 indicatoren) voor het ecologisch plafond (hoofdstuk 5); Een uitgebreidere lijst met indicatoren verbonden aan de acht hoofdambities (bijlage 2).

-4-

PAGINA 44

Beschrijf in het MER hoe de ambities de keuze en de afbakening van de alternatieven hebben bepaald, inclusief de minimale en maximale aantallen woningen, arbeidsplaatsen en dergelijke. Maak daarbij duidelijk dat de ingrepen in de alternatieven aanvullend zijn ten opzichte van projecten waarover reeds is besloten (zie paragraaf 3.2.1 van dit advies). Maak ook duidelijk in hoeverre er voldoende fysieke ruimte (boven- en ondergronds) in het gebied is om de alternatieven uit te voeren, en tegelijkertijd te voldoen aan kwalitatieve ambities voor het gebied.

3.2

Referentie en alternatieven

3.2.1

Referentie en scenario’s Beschrijf de bestaande toestand van het milieu 13 in het studiegebied en de te verwachten milieutoestand als gevolg van de autonome ontwikkeling, als referentie voor de te verwachten milieueffecten en te bereiken milieudoelen. Daarbij wordt onder de 'autonome ontwikkeling' verstaan: de toekomstige ontwikkeling van het milieu, zonder dat de voorgenomen activiteit of één van de alternatieven wordt gerealiseerd. Ga bij deze beschrijving uit van ontwikkelingen van de huidige activiteiten in het studiegebied en van nieuwe activiteiten waarover reeds is besloten14. Op die manier wordt een duidelijke scheiding aangebracht tussen initiatieven (met aantallen woningen, mobiliteit en andere voorzieningen) waartoe al besloten is (in de referentie) en initiatieven die al wel in discussie zijn maar waarover besluiten nog genomen moeten worden (in de alternatieven). De NRD stelt voor om 2040 als referentiejaar te hanteren.15 De Commissie adviseert om daar een ‘tussenreferentiejaar’ aan toe te voegen, bijvoorbeeld 2030. Dit is van belang omdat veel toekomstige ontwikkelingen onzeker zijn en een termijn van rond 10 jaar meer inzicht kan geven dan een termijn van 20 jaar. Daarnaast adviseert de Commissie om met scenario’s voor klimaatverandering te werken, vanwege de grote gevolgen die klimaatverandering16 kan hebben.

Gebruik daarvoor bijvoorbeeld 2100 als referentiejaar.

Raakvlakprojecten In de NRD worden enkele raakvlakprojecten genoemd. Deze vinden mogelijk plaats, maar er is nog geen besluit over genomen; ze hebben wel invloed op het plan, maar zijn er geen onderdeel van. Maak inzichtelijk wat de wederzijdse effecten van het plan en de raakvlakprojecten zijn bij niet doorgaan van één van beide.

3.2.2

Alternatieven De Commissie signaleert dat de in de NRD genoemde alternatieven vooral over ruimtelijke aanpassingen gaan, terwijl de doelstelling voor Zuidwest in sterke mate sociaal van aard zijn.

13

14 15

16

Beschrijf voor een volledig MER+ ook de huidige sociaaleconomische toestand (bijvoorbeeld aan de hand van een Social economie baseline, SEB). Dit speelt met name in het bestemmingsplangebied, waar al concrete initiatieven zijn. Zie pagina 1 8 van de NRD. Figuren 5-2 en 5-3 suggereren dat het referentiejaar 2050 is. Uit een mondelinge toelichting van de gemeente blijkt dat 2040 het beoogde referentiejaar is. Gebruik hiervoor de klimaatscenario’s van het KNMI en het worst-case-scenario van het PBL.

-5-

PAGINA 45

De Commissie beveelt aan om deze met elkaar te verbinden en in onderlinge samenhang te beschouwen. Een overkoepelende vraag is namelijk of de ruimtelijke ingrepen leiden tot sociaaleconomische verbetering. In de alternatieven kan dit tot uiting komen door een alternatief op te nemen waarbij de woonomgeving zoveel mogelijk wordt aangepast in een gezamenlijk transitieproces met de omgeving. Aanvullende belangrijke keuzes in de ontwikkeling van de Den Haag Zuidwest zijn: •

de omvang van de beschikbare (milieugebruiks)ruimte;

•

de keuzes in typen ontwikkelingen en de wijze waarop daarin kan worden gestuurd, zo

•

de ambities ten aanzien van de kwaliteit van de buitenruimte en klimaatadaptatie nemen

mogelijk in samenspraak met de huidige bewoners; mogelijk ruimte in. Bovenstaande keuzes hebben zowel ruimtelijke als sociale gevolgen. Concreet is het advies om op visieniveau de samenhang tussen sociale en ruimtelijke opgaven samen te beschouwen en in te gaan op klimaatadaptatie. Voor de alternatieven zoals die in de NRD worden genoemd (aantallen woningen, mobiliteit, duurzaamheid) adviseert de Commissie deze in het MER te onderzoeken op het niveau van deelgebieden. Zo wordt ook per deelgebied duidelijk wat het optimale programma is en hoe zich dat verhoudt tot het optimale programma voor het hele gebied Zuidwest. Op dit concretere niveau is participatie ook belangrijk. De verdere uitwerkingen van de deelgebieden gebeurt bij bestemmingsplannen -zie ook hoofdstuk 6 van dit advies waarin de Commissie aanbeveelt om de eerste ervaringen in Dreven, Gaarden en Zichten te gebruiken om de visie verder aan te scherpen.

Mobiliteitsalternatieven aanscherpen De alternatieven die variëren in sturing van de mobiliteit zijn nog niet duidelijk uitgewerkt. De verschillen tussen een vraagvolgend beleid, een ‘gewone’ vraagsturing en een sterke vraagsturing vragen om meer scherpte, ook omdat beïnvloeding van het mobiliteitsgedrag complex is. Via de verkeersonderzoeken kan dan onderzocht en onderbouwd worden in welke mate de beoogde modal shift (verschuiving in keuzes voor vervoerwijzen) in de verschillende alternatieven wordt bereikt en welke maatregelen en voorzieningen daarbij noodzakelijk zijn (zie verder 4.3 van dit advies).

Maak klimaatambities concreter De gemeente Den Haag wil in 2030 klimaatneutraal zijn. In de praktijk heeft dit de consequentie dat nieuwbouw eigenlijk géén, dan wel negatieve emissies (CO2 onttrekken aan de atmosfeer) moet hebben. Deze gebouwen zullen namelijk in de eerste 20-30 jaar na de bouw geen noemenswaardige transformatie meer ondergaan, dus zij mogen in ieder geval niet leiden tot extra emissies. Dit betekent dat in het gebied voldoende maatregelen getroffen moeten worden om emissies te voorkomen. Klimaatbestendigheid zou een belangrijk uitgangspunt moeten zijn, in het gebied moeten dan voldoende maatregelen getroffen worden om bijvoorbeeld hittestress tegen te gaan en voldoende waterberging te creëren.

Verkenning mogelijkheden energieopwekking Gezien de omvang van het bouwprogramma, zal ook de energievraag groot zijn. De beschikbare ruimte binnen Zuidwest is daarentegen beperkt. Voor zowel de warmte-, koudeals elektriciteitsvraag moet minimaal een C02-vrij alternatief worden onderzocht voor het

-6-

PAGINA 46

nieuw te bouwen programma.17 Hiervoor zijn diverse mogelijkheden, zoals geothermie, aquathermie, WKO of restwarmte voor de warmte- en koudevoorziening, zonnepanelen, urban windmills en innovatieve opslagtechnieken. Om de gemeentelijke en nationale klimaatdoelen te bereiken, is het van belang dat de nieuwbouw niet alleen C02-vrij is, maar óók dat zij geen extra druk legt op de mogelijkheden van de bestaande bouw van de stad. Concreet betekent het dus dat duidelijk moet zijn wat de verwachte energievraag (warmte, koude, elektriciteit) van de nieuwbouw gaat zijn en hoe deze op, onder en rond de nieuwbouw ingevuld kan worden. Het kan bij het maken van keuzen helpen om onderscheid te maken in type energievraag (temperatuurniveau), momenten van vraag en capaciteiten. Tevens moet rekening gehouden worden met nadelige milieueffecten van duurzame energieopwekking, zoals bijvoorbeeld geluid en fijnstofemissies, en externe veiligheid. Daarnaast moet rekening worden gehouden met ruimtebeslag (zowel ondergronds als op maaiveldniveau) en het ‘wegnemen’ van kansen 18 van de bestaande bouw binnen én buiten de ontwikkelgebieden. Verken daarom in het MER de voor- en nadelen van de verschillende mogelijkheden voor duurzame energieopwekking en hoe deze inpasbaar zijn binnen de alternatieven voor Den Haag Zuidwest en de deelgebieden.

4

Bestaande milieusituatie en milieugevolgen

4.1

Effectbepaling De NRD bevat een aanzet voor beoordelingscriteria. In paragraaf 3.1 plaatst de Commissie enkele opmerkingen om de indicatorenset beter te verbinden aan de ambities. Om een verdere verbeterslag te kunnen maken, merkt de Commissie het volgende op: •

Opvallend is dat hoewel de sociale problematiek in Den Haag Zuidwest groot is, het armoedevraagstuk in algemene zin niet wordt benoemd.

•

Definities zijn niet altijd gegeven, denk aan ‘segregatie’ en ‘ontmoeten’. Neem voor iedere indicator definities op in het MER.

•

Ontkoppel ‘betaalbaarheid’ van inclusiviteit. Betaalbaarheid als indicator voor relatieve schaarste en in de zin van toegankelijk voor iedereen is een indicator die bij meerdere thema's past (woningen, voorzieningen etc.).

•

Voor ruimtelijke kwaliteit is het voorstel in de NRD om provinciale kaarten te gebruiken. De Commissie vindt dat meer informatie op een lager schaalniveau hier geschikter is. Ook de beleving van bewoners van de wijk moet bij het onderzoek betrokken worden, omdat ruimtelijke kwaliteit te maken kan hebben met de sociale geschiedenis van een plek, maar ook met het uiterlijk ervan.

•

De verschillende thema’s bevatten veel indicatoren, zonder dat duidelijk is gemaakt hoe deze informatie tot een integraal oordeel leidt. De Commissie adviseert om de indicatoren aan de ambities te koppelen en in het MER duidelijkheid te scheppen hoe de

17

Om te kunnen voldoen aan het Klimaatakkoord van Parijs, het Klimaatakkoord in Nederland en de gemeentelijke ambitie om klimaatneutraal te worden, is het noodzakelijk dat goede C02-vrije alternatieven worden onderzocht. Deze kunnen deels binnen (lokale initiatieven) en deels buiten (nationale initiateven) het beschouwde gebied worden gezocht. Bijvoorbeeld omdat bepaalde schaarse warmtebronnen door hun eigenschappen beter (maatschappelijk gezien) toegepast kunnen worden in andere buurten met oudbouw, dan in de buurten die bijna volledig nieuwbouw worden.

-7-

PAGINA 47

informatie ingezet wordt voor een integrale beoordeling. Dit is ook van belang voor de samenhang en de monitoring (zie paragraaf 5.1). Omdat de ontwikkelingen in Den Haag Zuidwest zich afspelen in bestaand stedelijk gebied, is het belangrijk bij de effectbepaling van de alternatieven duidelijk te maken wat de gevolgen zijn voor aanwezige inwoners en bedrijven. Denk hierbij aan het (tijdelijk19) verplaatsen van de huidige bewoners, maar ook aan verkeersopstoppingen, veiligheid en leefbaarheid. Ga ook in op de effecten die kunnen optreden in gebieden buiten Zuidwest. Beschrijf in het MER welke maatregelen genomen zullen worden om dat te voorkomen of mitigeren, ook voor de kansen voor terugkeer.

4.2

Leefomgeving, gezondheid en sociale effecten De NRD noemt de hoge ambities die Den Haag heeft op het gebied van gezondheid en leefbaarheid. Voor gezondheid gaat het daarbij om gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering. Gezondheidsbescherming bevat klassieke aspecten zoals luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en lichthinder. Bij gezondheidsbevordering gaat het vooral om gezond bewegen en meer en bruikbaarder groen. Die twee hebben ook een sterke relatie met de gewenste hoogwaardige kwaliteit van de leefomgeving. Overgewicht, gezond voedselaanbod en rookvrij zijn wel genoemd als de belangrijkste factoren die de gezondheid bepalen, maar zijn niet uitgewerkt in concrete plannen en maatregelen. De kwalitatieve indicatoren die hiervoor zijn voorgesteld kunnen worden aangevuld met kwantitatieve indicatoren zoals het percentage gezond voedselaanbod en het oppervlak rookvrij gebied. Voor stimuleren van beweging en een hoogwaardige omgevingskwaliteit zijn sociale veiligheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van openbaar groen ook van belang. Een omgeving die mensen als sociaal onveilig beschouwen, zullen ze niet of weinig gebruiken. Bereikbaar openbaar groen is belangrijk voor bewegen en ontmoeten en voor het tegengaan van hittestress. De Commissie adviseert om sociale veiligheid en bereikbaar openbaar groen in het beoordelingskader op te nemen.

In het MER kan veel bruikbare informatie gegenereerd worden over de sociale effecten20 van de veranderingen in de inrichting en vormgeving van straten, wijken en ook het hele stadsdeel. Er is daarbij altijd een spanning tussen de heterogeniteit die in de wijk aanwezig is en de noodzaak om daar een orde in aan te brengen ofwel de orde die ontstaat door het gedrag van de bewoners. Het MER kan die spanning onderzoeken en daarmee productief maken voor de doelen van de structuurvisie. Het is belangrijk dat het MER daarvoor zo goed mogelijk aansluit bij de beleving van de inwoners en ingaat op de emotionele en ‘zachte’ kant van de omgevingskwaliteit. Denk hierbij aan het gevoel van (on)veiligheid, mate van identificatie met een gebouw, een straat of de wijk, oriëntatie, binding met plekken van betekenis enzovoorts. Houd hierbij rekening met de verschillende bewoners in Zuidwest, want vanuit verschillende culturele standpunten kan de woonomgeving anders beleefd worden. De kans is dan ook groter dat de sociale effecten positief zullen zijn wanneer bewoners worden meegenomen in de ontwikkeling van hun woonomgeving.

19

20

De documenten wekken de verwachting dat bewoners kunnen terugkeren in de wijk. In de visie en het MER wordt dit echter niet expliciet benoemd, wel wordt de term ‘blijvers’ gehanteerd in de visie. Handreiking sociale effecten (https://commissiemer.nl/actueel/nieuws/sociale-effecten-meenemen-in-besluitvormingbenut-).

-8-

PAGINA 48

4.3

Mobiliteit en infrastructuur In het beoordelingskader is het thema bereikbaarheid opgenomen met de indicatoren modal shift en betrouwbare reistijd. De Commissie vindt mede op basis van de ambitie rond mobiliteit dat het beoordelingskader op dit thema breder moet worden ingevuld21 als ‘mobiliteit en bereikbaarheid’. Passende indicatoren zijn onder meer omvang mobiliteit (verplaatsingen per motief), modal split (verdeling over de vervoerwijzen), voetgangersruimte, parkeren (omvang en ordening), schone mobiliteit (autodelen, elektrisch vervoer, pakketdiensten), bereikbaarheid en verkeersafwikkeling per vervoerwijzen, inclusief hulpdiensten.22 Verkeersveiligheid is ook van betekenis, maar kan bij veiligheid en leefbaarheid een plaats krijgen. Breng daarbij het aantal slachtofferongevallen naar locatie en naar ernst in beeld. De Commissie beveelt aan om in het verkeersonderzoek voor de huidige situatie, referentie en de alternatieven de beoogde structuren in beeld te brengen. Specifiek gaat het er om structuren voor autoverkeer (inclusief parkeervoorzieningen), fietsverkeer, openbaar vervoer en de belangrijkste loop- en wandelroutes in hun samenhang in beeld te brengen (aanbodzijde). Onderzoek vervolgens in het verkeerskundig onderzoek wat het te verwachten toekomstige gebruik zal zijn (vraagzijde).

Wat gaan de woningbouw, de werklocaties en winkels aan (extra) verkeersbewegingen opleveren en welke verdeling over de verschillende vervoerwijzen mag worden verwacht? Beschrijf hierbij de gehanteerde uitgangspunten, normen en aannames. Geef ook aan welke maatregelen zullen bijdragen aan het verbeteren van de leefbaarheid en aan het terugdringen van de vervoersarmoede. Ook is het aan te bevelen om na te denken over ‘achter de hand maatregelen’ wanneer eerdere maatregelen volgens de alternatieven onvoldoende effecten sorteren (zie ook paragraaf 5.1 van dit advies).

4.4

Natuur Natura 2000 In de omgeving van Den Haag Zuidwest bevindt zich een Natura 2000-gebied met soorten en habitattypen die gevoelig zijn voor stikstofdepositie, zoals bijvoorbeeld Witte Duinen en Grijze Duinen. In een Passende beoordeling moet worden beoordeeld of aantasting van natuurlijke kenmerken kan worden uitgesloten. Bij deze beoordeling kunnen mitigerende maatregelen worden meegenomen. Maak bij de berekeningen gebruik van de allerlaatste versie van AERIUS. Het gaat hier om inzicht in de effecten van stikstofdepositie in de bouw- en aanlegfase en inzicht in maatregelen waarmee de mogelijke effecten verminderd kunnen worden (bronmaatregelen, extern salderen). Voor de bouwfase is uitvoerbaarheid weliswaar geen probleem meer, maar inzicht in de effecten is vanuit milieuoogpunt nog steeds nodig. De Commissie acht het van belang dat het voorkeursalternatief per saldo niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in daarvoor gevoelige Nederlandse Natura 2000-gebieden.

21 22

De Metropoolregio gaat in haar zienswijze ook in op dit punt. Zie ook de zienswijze van de Veiligheidsregio.

-9-

PAGINA 49

Beschermde soorten Ga in op de mogelijke gevolgen van het voornemen voor beschermde soorten en bepaal of verbodsbepalingen overtreden kunnen worden, zoals het verbod op het verstoren van een vaste rust- of verblijfplaats. Geef, indien verbodsbepalingen overtreden kunnen worden, aan of en in hoeverre de staat van instandhouding van de betreffende soort verslechtert. Beschrijf mogelijke en/of nodige mitigerende en/of compenserende maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verminderen.

4.5

Klimaat Geef een indicatie van de huidige energievraag en de energievraag van de diverse projecten. Hiermee ontstaat een goed beeld van de effecten van de energievoorziening. Het gaat daarbij om zowel de warmte-, koude- als elektriciteitsvraag van de gebouwen en de buitenruimte. Kijk niet alleen naar energiebesparing, maar ook naar het absolute energiegebruik.23 Beschrijf in het MER verder hoe dit voornemen zich verhoudt tot nationaal en gemeentelijk beleid met betrekking tot circulariteit9, in het bijzonder de daarin opgenomen doelstellingen voor de bouw. Geef aan hoe het initiatief past in de verschillende voorkeursconcepten voor de circulariteit, vaak aangeduid met de circulariteits- of R-ladder volgens Cramer (2014)24, ook ten opzichte van andere gemiddelde bouw- en recreatieprojecten. Neem daarbij ook mee op welke wijze het hergebruik van grondstoffen en materialen bij realisatie wordt geregistreerd en in de toekomst wordt gemonitord.25 Geef aan welke mitigerende maatregelen ingezet (kunnen) worden, afhankelijk van de daadwerkelijk optredende effecten.

4.6

Cultuurhistorie en architectuur Een groot deel van het gebied is stedenbouwkundig typerend voor de wederopbouw en daarna en kent een zeer ruime opzet en veel groen. Beschrijf deze kwaliteiten in het MER en geef aan hoe ze worden gewaardeerd, zowel vanuit het beleid als vanuit de beleving door gebruikers van het gebied. Geef in de beschrijving ook aan, wat de archeologische waarde en verwachtingswaarde van het plangebied is. Laat zien hoe er in het eerdere plan van Dudok gebruik is gemaakt van landschappelijke gegevenheden en hoe de structuurvisie daar op haar beurt mee omgaat. Beschrijf in het MER wat de positieve en negatieve gevolgen zijn van het voornemen voor bestaande kwaliteiten en voor de identiteit van het gebied. Ga ook in op de veranderingen in gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde. Betrek daarbij veranderingen in (visuele) relaties van het plangebied met zijn omgeving als gevolg van het voornemen. Geef aan wanneer het oorspronkelijk stedenbouwkundig plan minder, of mogelijk onherkenbaar zal worden. Zorg ervoor dat nieuwe ruimtelijke waarden in het gebied niet verrekend worden met negatieve effecten op (andere type) landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zodat de

23

24

2S

Energiebesparing alleen geeft onvoldoende informatie omdat de BENG-norm de referentie voor nieuwbouw is, welke in de toekomst mogelijk nog wordt aangescherpt. Cramer, J. (2014), Milieu, Elementaire Deeltjes 16, Amsterdam: Amsterdam University Press. Belangrijk onderdeel in de bouw is het registeren van gebruikte grondstoffen en materialen. Deze materialen kunnen worden hergebruikt in een volgende fase. Dit kan bijvoorbeeld met het gebruik van een grondstoffenpaspoort.

-10-

PAGINA 50

indruk ontstaat dat het effect neutraal is. Behandel het bereiken van nieuwe ruimtelijke kwaliteit los van de eventuele aantasting van bestaande waarden, waardoor duidelijk wordt wat de veranderingen zijn. Maar hierbij gebruik van realistische visualisaties, die de veranderingen duidelijk maken, maar niet de indruk wekken van veel detail als dat in de

cn

structuurvisie nog niet wordt vastgelegd.

Overige aspecten Voor de onderdelen ‘vergelijking van alternatieven’, ‘leemten in milieuinformatie’ en ‘samenvatting van het MER’ heeft de Commissie geen aanbevelingen naast de wettelijke voorschriften.

LO

Onzekerheden en monitoring & evaluatie De Commissie adviseert om in het MER aan te geven met welke regelmaat gemonitord en geëvalueerd zal worden en wie de verantwoordelijke partijen zijn. Hiervoor zijn verschillende aanleidingen: •

de lange looptijd van de structuurvisie. De monitoring kan ook dienen als ‘dashboard’ voor de verdere ontwikkelingen in het gebied in de komende decennia;

•

de afhankelijkheid van andere partijen om de doelen te bereiken (zoals de realisatie van

•

de impact van de aanpak in Zuidwest op gemeentelijke doelen.

het programma door marktpartijen of het autogebruik van toekomstige bewoners); Monitor hiervoor de daadwerkelijke ontwikkelingen, de milieueffecten en de bijdragen aan de ambities voor Zuidwest en voor de gemeente als geheel. Houdt ook bij hoe relevante wet- en regelgeving en beleid veranderen. Den Haag werkt bijvoorbeeld op dit moment nog aan de Omgevingsvisie. Geef in het MER aan hoe geborgd wordt dat de thema’s uit de Structuurvisie aansluiten bij de Omgevingsvisie. Bouw in de monitor ruimte in om nieuwe inzichten of vraagstukken te verwerken. Een grootschalig renovatietraject kan tot vergaande gentrificatie leiden met nadelige gevolgen voor de sociale cohesie, anderzijds kan het plan ook positieve sociaaleconomische effecten opleveren. Houd ook rekening met de ontwikkelingen in de kwaliteit van de leefomgeving. Deze kunnen aanleiding zijn tot het hanteren van andere beoordelingscriteria dan op dit moment zijn voorzien. Een dergelijk ‘vinger aan-de-pols-systeem’ kan inzichtelijk maken of de verschillende deeldoelstellingen gedurende de looptijd van de structuurvisie kunnen worden bereikt. Geef daarvoor aan in hoeverre een eventuele afwijking van het plan (fasering, ambitie, effect) een probleem oplevert. Dit biedt bestuurders een basis om in de loop van de tijd, indien nodig, extra maatregelen te nemen.

Het is van belang om nu al maatregelen te noemen die achter de hand gehouden kunnen worden, bijvoorbeeld een nog sterkere sturing op mobiliteit. Formuleer op basis van het beoordelingskader een monitoringsprogramma. Bestaande sectorale monitoringsprogramma’s voor luchtkwaliteit (SLA), natuur (SNL, PAS), (grond)water en gezondheid kunnen worden ingezet voor het in beeld brengen van de geactualiseerde leefomgevingskwaliteit. Ook de Provincie Zuid-Holland werkt aan een monitorings­ programma voor de Provinciale Omgevingsvisie dat van nut kan zijn. Specifiek voor de

-11-

PAGINA 51

uitwerking van gezondheids- en leefbaarheidsambities adviseert de Commissie in de monitoring concrete indicatoren op te nemen.26

5.2

Vorm en presentatie Bijzondere aandacht verdient de presentatie van de vergelijkende beoordeling van de alternatieven. Presenteer de vergelijking bij voorkeur met behulp van tabellen, figuren en kaarten. Zorg ervoor dat: •

het MER zo beknopt mogelijk is, onder andere door achtergrondgegevens niet in de hoofdtekst zelf op te nemen, maar in een bijlage op te nemen met een duidelijke verwijzing, om de toegankelijkheid te verbreden kan een digitaal MER uitkomst bieden;

•

een verklarende woordenlijst, een lijst van gebruikte afkortingen en een literatuurlijst zijn opgenomen;

•

recent en goed leesbaar kaartmateriaal is gebruikt, met duidelijke legenda en zoveel mogelijk visualisaties.

5.3

Participatie Om participatie in het beoordelingskader op te nemen beveelt de Commissie indicatoren aan die zicht geven op de participatie in de samenleving, zoals vrijwilligerswerk, langdurige werkloosheid, bijstand en arbeidsongeschiktheid. Daarnaast kan een indicator toegevoegd worden die iets zegt over vertrouwen in de overheid.27 Inzicht hierin is van groot belang omdat het transformatievraagstuk groot en ingrijpend is. Bovendien wenst de gemeente de wijkbewoners nadrukkelijk een plaats te geven in het proces. Gekozen zou kunnen worden voor de indicator ‘Tevredenheid over het functioneren van de gemeente Den Haag’ waar het gaat om de aanpak van leefbaarheid en veiligheid” uit het CBS onderzoek ‘Prettig wonen in Den Haag’. Daarnaast onderstreept de Commissie dat het verwachtingsmanagement vanuit de gemeente belangrijk is: wie mag waarover meepraten en met welk doel: wat gaat de gemeente met deze input doen? En welke criteria hanteert zij bij het maken van die keuzes? Heldere communicatie hierover is essentieel. Geef ook aan op welke wijze niet alleen actieve stakeholders, maar ook ‘vergeten’ groepen aangesproken worden en mee kunnen doen.

6

Bestemmingsplan Dreven, Gaarden en Zichten Het nog op te stellen bestemmingsplan Dreven, Gaarden en Zichten is het eerste bestemmingsplan dat binnen de visie Zuidwest wordt vastgelegd. Dit biedt de mogelijkheid om op een meer gedetailleerd niveau de wensen van bewoners en gebruikers te onderzoeken. Mogelijkheden en knelpunten die uit dit eerste bestemmingsplan blijken kunnen dan ook verwerkt worden in de overkoepelende visie. De Commissie beveelt dan ook

26

27

Voor gezond bewegen zijn dat onder andere de indicatoren voor het percentage autogebruik, het aantal fietsers en het aantal voetgangers. Het is aan te bevelen om dat uit te drukken in een modal split. Zie ook paragraaf 4.1. Ga daarnaast in op het percentage gezond voedselaanbod en areaal rookvrij gebied, ook een indicator voor de hoeveelheid en kwaliteit van groen en speelruimte kan een goede aanvulling zijn. Zie pagina 1 3 van de NRD. Overweeg bijvoorbeeld het CBS onderzoek Prettig wonen in Den haag: https://dashboards.cbs.nl/v2/prettia wonen in den haag/.

-12-

PAGINA 52

aan om de ervaringen met het (participatie)proces en het uiteindelijke resultaat van deze en volgende plannen te verwerken in de visie, zodat er een iteratief proces tussen de visie en de plannen ontstaat.

Samenhang Structuurvisie en bestemmingsplannen Het MER moet het detailniveau van de te nemen besluiten volgen. Het gedeelte dat zich richt op het bestemmingsplan voor Dreven, Zichten en Gaarden zal daarom een groter detailniveau moeten hebben dat het gedeelte van het MER dat gaat over de structuurvisie. In de drie Nota’s van Uitgangspunten voor Dreven, Gaarden en Zichten zijn onderwerpen uitgewerkt die onderbouwd moeten worden door een alternatieven- of variantenonderzoek in het MER. De nota’s lopen daarmee (op onderdelen) vooruit op de uitkomsten van het MER. Het kan ook betekenen dat het MER uiteindelijk leidt tot aanpassing van de nota’s.

Alternatieven Voor de bestemmingsplangebieden wordt alleen gevarieerd in de mobiliteitsstrategie en klimaatmaatregelen, omdat er volgens de NRD voor dit gebied al een programma met een maximaal aantal woningen is. Onderbouw waarom er geen ander programma mogelijk is, of werk alsnog een alternatief programma uit.

Beoordelingskader en effectbeschrijving Zorg voor consistentie tussen het beoordelingskader van de bestemmingsplannen en de visie. Specifiek voor de bestemmingsplan adviseert de Commissie het volgende: •

Neem een indicator op voor hergebruik van bouwmateriaal dat overblijft na de sloop.

•

Breng daarnaast in beeld welke mogelijkheden er zijn voor het uitwisselen van warmte, koude, elektriciteit, water en emissies, zo mogelijk ook tussen buurten. Aangezien de woningen vrijwel allemaal BENG worden kan het zo zijn dat deze buurten kunnen leveren aan omliggende buurten. Omgekeerd kan een tekort zorgen voor extra ruimtebeslag op de omgeving, wat gezien de ambities onwenselijk is.

•

Verdiep de analyse voor cultuurhistorie en archeologie door in te gaan op monumenten, monumentaal groen, ensembles van architectuur en groen, zichtlijnen, oriëntatiepunten en plekken van betekenis die een rol spelen in de geschiedenis en het openbare leven in deze wijken. Laat door middel van visualisaties zien hoe oude en nieuwe architectuur zich tot elkaar en tot het bestaande en nieuwe groen verhouden en hoe robuust die structuur zal zijn. Belangrijk daarbij is dat het nieuwe groen in fysiek opzicht de ruimte zal krijgen om monumentaal te worden.

Flexibel monitoringsplan Zorg voor consistentie tussen de het monitoringsplan van de bestemmingsplannen en de visie. Ook hier geldt dat de eerste toepassing op concreter niveau aanleiding kan zijn om het beoordelingskader aan te passen.

-13-

PAGINA 53

BIJLAGE 1: Projectgegevens

Advies van de Commissie over het op te stellen MER De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep geeft aan welke onderwerpen naar zijn mening moeten worden behandeld in het MERen met welke diepgang. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit:

(secretaris) (voorzitter)

Besluiten waarvoor dit milieueffectrapport wordt opgesteld Structuurvisie en bestemmingsplannen. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit Dl 1.2, “De aanleg, wij­ ziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom wordt een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluiten Gemeenteraad Den Haag. Initiatiefnemer besluiten College van burgemeester en wethouders Den Haag. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag tot en met 9 september 2021 heeft toegestuurd. Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft gebruikt? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissierner,nI pro iectnummer 3548 in te vullen in het zoekvak.

PAGINA 54

A

Commissie voor de milieueffectrapportage

PAGINA 55

■

•

Document 13

4

HMWH»

VREDE

m

Den Haag RECHT

Aan

MEMO

Staf Nieuwe Stad Ter attentie van: Martijn Balster

Afzender Dienst

Dienst Stedelijke Ontwikkeling Afdeling

Portefeuille Projecten Datum

5 november 2021 Onderwerp

Doorkiesnummer E-mailadres

@denhaag. nl

Agendering cie Ruimte ontbreken preadvies beschermd stadsgezicht De Dreven bij de NvU

Aanleiding Het college heeft 14 oktober 2021 een “concept voordracht tot intrekking besluit aanwijzing De Dreven tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht” vrijgegeven voor inspraak (RIS310286). Bij dit besluit zitten een aantal onderbouwende bijlagen waaronder een preadvies van de Welstand en Monumentencommissie van 1 maart 2021. Dit preadvies was geen onderdeel van de nota van uitgangspunten De Dreven. Een aantal raadsleden is verontwaardigt dat zij ten tijde van de beraadslaging over de nota van uitgangspunten Dreven, Gaarden, Zichten op 24 juni en 30 juni 2021 niet op de hoogte zijn gebracht van het advies en hebben daarom om agendering gevraagd in de commissie ruimte van 10 november. Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 56

Gemeente Den Haag

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 57

2/2

Document 14

Aanvullende informatie m.b.t. publicatie "Vrijgave voordracht tot intrekking besluit aanwijzing van De Dreven tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht RIS310286" - Gemeenteblad nr. 367236 d.d. 19-10-2021 In het gemeenteblad d.d. 19-10-2021 nr. 367236 is het collegebesluit tot vrijgave van de voordracht tot intrekking van het besluit aanwijzing van De Dreven in Den Haag tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht gepubliceerd: Gemeenteblad 2021, 367236 I Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl). In de publicatie is de informatie over de termijn en wijze van indiening van eventuele zienswijzen weggevallen. Volledigheidshalve wordt deze informatie onderstaand vermeld: Inzagetermijn: Voormeld besluit ligt ter inzage van 20-10-2021 (de dag na publicatie in het Gemeenteblad) tot en met 30-11-2021. Dit betekent dat tot en met 30-11-2021 zienswijzen op het besluit kunnen worden ingediend. U kunt de stukken desgewenst tot 6 weken na publicatie in het Gemeenteblad inzien bij het Den Haag Informatiecentrum. Indienen zienswijzen: Gedurende de termijn waarbinnen de stukken ter inzage liggen kunt u uw zienswijze indienen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, per email via college(S>denhaag.nl met kopie aan drevengaardenzichten(S>denhaag.nl of per post via postbus 12600, 2500 DJ Den Haag.

Vermeldt u hierbij het kenmerk van de publicatie: RIS310286.

Meer informatie ? Algemene informatie over de bekendmakingen van de gemeente Den Haag vindt u op de website www.denhaag.nl/bekendmakingen. U kunt ook contact met ons opnemen via telefoonnummer 14070.

PAGINA 58

Document 15

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 59

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 60

■

•

Document 16

4

HMWH»

VREDE

m

Den Haag RECHT

Aan

MEMO

Martijn Balster Afzender Dienst

Dienst Stedelijke Ontwikkeling Afdeling

Portefeuille Projecten Datum

9 november 2021 Onderwerp

Doorkiesnummer E-mailadres

@denhaag. nl

Compact overzicht motivatie intrekking beschermd stadsgezicht De Dreven

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 61

Gemeente Den Haag

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 62

2/3

Gemeente Den Haag

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 63

3/3

■

•

Document 17

4

HMWH»

VREDE

m

Den Haag RECHT

Aan

MEMO

Staf Nieuwe Stad Ter attentie van

Martijn Balster

Ons kenmerk

DSO/10205214 Afzender Dienst

Dienst Stedelijke Ontwikkeling Afdeling Datum

Portefeuille Projecten Den Haag

7 november 2021

Doorkiesnummer

Onderwerp

E-mailadres

Stand van zaken structuurvisie en cultuurhistorische verkenning Zuidwest

@denhaag.nl

Geachte heer Balster,

Hierbij een update van de stand van zaken structuurvisie Zuidwest, waar bij een aantal punten expliciet wordt stilgestaan. Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 64

Gemeente Den Haag Ons kenmerk DSO/10205214

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 65

2/8

Gemeente Den Haag Ons kenmerk DSO/10205214

BIJLAGE Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 66

3/8

Gemeente Den Haag Ons kenmerk DSO/10205214

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 67

4/8

Gemeente Den Haag Ons kenmerk DSO/10205214

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 68

5/8

Gemeente Den Haag Ons kenmerk DSO/10205214

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 69

6/8

Gemeente Den Haag Ons kenmerk DSO/10205214

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 70

7/8

Gemeente Den Haag Ons kenmerk DSO/10205214

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 71

8/8

Document 18

CU/SGP 1

Motie: geen studio’s in Zuidwest constaterende, dat: ■

op dit moment gerekend is met een aantal van ca. 118 studio’s voor sociale verhuur en ca. 83 studio’s voor middeldure huur in de Dreven, Gaarden en Zichten;

overwegende, dat: ■

■ ■

uit het RIGO-rapport ‘Woningmarktverkenning Den H aag Zuidwest’ blijkt dat er een trend zichtbaar is naar kleiner wonen, “maar deze trend vooral lijkt ingegeven door nood (betaalbaarheid en beschikbaarheid) en niet door woonwensen”; het bouwen van studio’s bijdraagt aan het oplossen van het woningtekort op de korte termijn, maar woningzoekenden eigenlijk behoefte hebben aan grotere woningen; de bouw van studio’s niet leidt tot een oplossing die past bij de woonwensen op de langere termijn;

van mening, dat: ■

iedereen een woning verdient waarbij ten minste de slaap- en woonkamer gescheiden zijn;

verzoekt het college: ■

geen studio’s te realiseren in de middeldure huursector en het aantal studio’s in de sociale verhuur tot het minimum te beperken,

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 72

CU/SGP 2

Motie: laat mensen met fluctuerende inkomsten niet buiten de sociale boot vallen constaterende, dat: ■ ■

uitgangspunt voor de herontwikkeling van de Dreven, Gaarden en Zichten is dat er voor iedereen die hier woont en wil blijven wonen een betaalbare en betere woning moet zijn; aan alle huishoudens maatwerk wordt geboden door middel van “keukentafelgesprekken”, waarbij mensen begeleid worden bij het zoeken naar vervangende woonruimte;

overwegende, dat: ■

■ ■

in de ‘veelgestelde vragenlijst’ wordt gesteld dat de huurprijzen van de nieuwe woningen afhankelijk zijn van de kwaliteit en de grootte van de woning en dat de maximale huur wordt bepaald op basis van het wettelijk vastgestelde puntenwaarderingssyteem; er onder bewoners veel onduidelijkheid bestaat over de hoogte van de woonlasten bij de wens voor een gelijk aantal m2 als in de huidige situatie; de inkomsten van een deel van de bewoners fluctueren, waardoor zij nu misschien geen recht hebben op een sociale huurwoning, maar op (korte) termijn wel weer (bijvoorbeeld door AOW);

verzoekt het college: ■

de inkomsten van de afgelopen jaren en de verwachte inkomsten op de middellange termijn mee te wegen bij het passend toewijzen van woningen, zodat bewoners ongeveer gelijke woonlasten kunnen houden,

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 73

D66 1

Motie: Opkoopbescherming & zelfbewoningsplicht sociale en middeldure koop Dreven, Gaarden, Zichten CONSTATERENDE DAT Sociale en middeldure koopwoningen gepland staan in de nota van uitgangspunten voor Dreven, Gaarden, Zichten; Rijksmiddelen uit de woningbouwimpuls en Gemeentelijke middelen worden ingezet in de herinrichting van dit gebied; Zelfbewoningsplicht een verderstrekkende anti-speculatie maatregel is dan opkoopbescherming, waarvoor al wetgeving bij de Eerste Kamer ligt;

OVERWEGENDE DAT • • •

Deze overheidsgelden ten gunste van de bouw van deze woningen voor mensen i.p.v. beleggers werden uitgegeven; Tegen de tijd dat de woningen worden opgeleverd, de landelijke wetgeving op opkoopbescherming door de Eerste Kamer zal zijn; Tegen de tijd dat de woningen worden opgeleverd, een nieuw kabinet op basis van een regeerakkoord voor zal regeren:

ROEPT HET COLLEGE OP •

Zodra de wetgeving voor opkoopbescherming een feit is, deze in te zetten voor de sociale en middeldure koop in Dreven, Gaarden, Zichten, voor een termijn van x jaar; Bij de formateurs aan te dringen op wetgeving om de verderstrekkende zelfbewoningsplicht af te dwingen Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 74

D66 2

Motie: Haagse pracht in Dreven, Gaarden, Zichten CONSTATERENDE DAT: •

•

In de afdoening van D66-motie RIS305714 wordt gesteld dat gevraagde ambitie op kwalitatieve en afwisselende architectuur van woningen, pleinen en straten wordt verwezen naar nadere omschrijving in de beeldkwaliteitsplannen, schetsontwerp openbare ruimte en het projectdocument die in Q4 2021 ter besluitvorming aan de raad zullen worden voorgelegd; Bouwen volgens moderne eisen aan isolatie en duurzaamheid gepaard kan gaan met dezelfde kwaliteit van de buitenruimte en architectuur als in Haagse prachtwijken.

OVERWEGENDE DAT: • • •

Het woonmilieu in de Dreven vergelijkbaar is met dat van het Regentessekwartier, welk ook in de kwaliteit van het ontwerp van de woningen en buitenruimte terug te zien zou moeten zijn; Het woonmilieu in de Gaarden vergelijkbaar is met dat van de Bomenbuurt, welk ook in de kwaliteit van het ontwerp van de woningen en buitenruimte terug te zien zou moeten zijn; Het woonmilieu in de Zichten vergelijkbaar is met dat van Wijnhaven, welk ook in de kwaliteit van het ontwerp van de woningen en buitenruimte terug te zien zou moeten zijn;

VERZOEKT HET COLLEGE: •

Toe te zien op een moderne vertaling de architectuur en ruimtelijke inrichting van Haagse prachtwijken in de formulering van beeldkwaliteitsplannen, schetsontwerp openbare ruimte en het projectdocument voor Dreven, Zichten, Gaarden en geen genoegen te nemen met minder uit kostenbesparende overwegingen.

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 75

GL 1

Motie: Kindvriendelijk Zuidwest Constaterende, dat: ■

■ ■

In de communicatie- en participatieaanpak voor de Dreven, Gaarden en Zichten (RIS308511) kinderen wel benoemd worden als doelgroep en stakeholders, maar zij nog geen (expliciete) rol hebben in het participatieproces; GroenLinks recent een initiatiefvoorstel 'Kindvriendelijke Stad’ heeft ingediend, waarin het belang van kinderpartieipatie uiteen wordt gezet; Dit initiatiefvoorstel nog niet verwerkt kan worden in het projectdocument maar mogelijk wel kan inspireren om kinderpartieipatie bij dit plan vorm te geven.

Van mening, dat: ■

■

Kinderen en jongeren belangrijke, relevante en creatieve input kunnen leveren voor (her)ontwikkelingsplannen waarmee het plan kindvriendelijker en kwalitatief beter gemaakt kan worden; Kinderen en jongeren het verdienen gehoord te worden bij grote projecten als de herstrucrurering van de Dreven, Gaarden en Zichten.

Verzoekt het college: ■

■

Kinderen en jongeren een rol te geven in het participatieproces voor de herstructurering van de Dreven, Gaarden en Zichten, bijvoorbeeld door een plan voor kinderpartieipatie op te stellen en dit uit te voeren; De raad te informeren over de uitkomsten van deze kinderpartieipatie.

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 76

GL2

Motie: 10% bijzondere woonvormen in de Dreven, Gaarden en Zichten Overwegende, dat: ■

■ ■

De gemeente door herstructurering van de Dreven, Gaarden en Zichten, een divers en betaalbaar woningbouwprogram ma wil realiseren dat voor de inwoners van Den Haag Zuid­ west meer kansen biedt om binnen hun eigen wijk en buurt te kiezen voor een ander type betaalbare woning die beter past in verschillende levensfasen (‘wooncarrière’). Van de extra toe te voegen woningen, 26% woningen in de betaalbare categorie zullen zijn; In het coalitieakkoord ‘Samen voor de stad’ is afgesproken dat 10% van de nieuw te bouw en betaalbare of sociale woningen gebruikt wordt voor verschillende woonvormen, zoals wooncoöperaties, groepswonen, CPO of tiny houses.

Verzoekt het college: ■

■

Om voor de Dreven, Gaarden en Zichten uit te werken op welke wijze invulling gegeven wordt aan de afspraak om 10% van de nieuw te bouwen-betaalbare woningen te gebruiken voor verschillende woonvormen zoals wooncoöperaties, groepsw onen, CPO of tiny houses. En de raad hierover te informeren bij de vaststelling van het projectdocument Dreven, Gaarden en Zichten.

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 77

GL 3

Motie: De bewoner centraal in de monitoring Overwegende, dat: ■

■

■

Het college voornemens is om in een voortgangsrapportage aan de raad onder andere te rapporteren over de stand van zaken met betrekking tot de deelprojecten, het gerealiseerde en geplande programma, een overzicht van de voorgenomen en gerealiseerde ingrepen in de buitenruimte en in de infrastructuur, de belangrijkste zaken die spelen in de omgeving en een risicoanalyse. Eveneens in beeld wordt gebracht hoe de toenemende bevolking zich verhoudt met de ontwikkeling van het voorzieningenprogramma en welke consequenties dit heeft voor de IHP’s die voor de dan komende periode aan de raad zullen worden voorgelegd; In de rapportage ook gerapporteerd zal worden over de hoeveelheid Staedion-huurders die uitgehuisd zijn, op welke manier deze geherhuisvest zijn, hoeveel van hen gebruik hebben moeten maken van tijdelijke huisvesting en hoeveel van hen hebben kunnen terugkeren naar de buurten in hun nieuwe definitieve woning.

Constaterende, dat: ■ ■ ■

De herstructurering van de Dreven, Gaarden en Zichten in de komende 10 tot 15 jaar een enorme impact zal hebben op alle inwoners van deze wijken en buurten; Dit ook impact zal hebben op de tevredenheid, het woongenot en de sociale verbanden van de inwoners De grootschalige sloop- en nieuwbouw eveneens invloed zal hebben op de leefbaarheid en de veiligheidsbeleving van de bewoners.

Van mening, dat: ■

■

Naast de platte cijfers over realisatie en verhuisbewegingen, ook de menselijke kant in beeld gebracht zou moeten worden en zou moeten worden gevolgd gedurende de gehele periode van herstructurering; Zeker in de eerste jaren de herstructurering zo’n grote impact heeft dat deze nauwer gevolgd moet worden en daarom de frequentie van jaarlijkse voortgangsrapportages te laag is.

Verzoekt het college: ■ ■

Niet jaarlijks maar ieder halfjaar een voortgangsrapportage aan de raad te sturen; En in deze voortgangsrapportage ook te monitoren op de tevredenheid van de bewoners, het woongenot, de leefbaarheid, veiligheid en de sociale verbanden in de wijken en buurten.

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 78

GL 4

Overwegende, dat: ■

De gemeente door herstructurering van de Dreven, Gaarden en Zichten, een divers en betaalbaar woningbouwprogramma wil realiseren dat voor de inwoners van Den Haag Zuid­ west meer kansen biedt om binnen hun eigen wijk en buurt te kiezen voor een ander type betaalbare woning die beter past in verschillende levensfasen (‘wooncarrière’).

Constaterende, dat: ■ ■

De sociale voorraad wordt uitgebreid doordat ook van de toe te voegen woningen 30% sociaal wordt; Het college voornemens is om van deze toe te voegen 30%, 8% te reserveren voor sociale koopwoningen.

Van oordeel, dat: ■ ■ ■

Woningbezit weliswaar niet de heilige graal is; Sociale koopwoningen toch een geschikte variant kan zijn binnen het segment sociale woningen voor de koopstarters En dit inderdaad voor variatie binnen het totale betaalbare woningbouwprogramma in Den Haag Zuid-West.

Van mening, dat: ■

Deze sociale koopwoningen dan wel echt sociaal moeten blijven, ook nadat de eerste koopstarters hun woning weer willen verkopen.

Roept het college op: ■

Onderzoeken welke Of andere needzakeluke maatregelen gete-treoffen kunnen worden om te borgen dat de sociale koopwoningen zolang mogelijk mm-imaah5Q-faar-sociaal blijven, net als sociale huurwoningen; ■—fadieh-best^mmiftgsplmrv^n-e-leggen-welke woningen-behoren tot de sociale keepwemftgerH ■ Zo nodig de doelgroepenverordening hierop aan te passen; ■ En de raad bij de vaststelling van het projectdocument te informeren op welke wijze dit wordt geborgd. Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 79

HSP 1

Motie: Bepaal voor elk complex eigen aanpak

Constaterende, dat:

■

Voor het bepalen van de mogelijkheden tot renovatie slechts één complex is bestudeerd;

Overwegende, dat: ■ ■

■ ■

Er conflicterende studies zijn over de mogelijkheden voor hergebruik van de complexen; Er nooit gedegen en diepgaand onderzoek naar renovatie is gedaan omdat de gemeente en Staedion kiezen voor grootschalige verdichting en gekozen hebben voor de sloop/nieuwbouw variant; Bewoners nooit een keus is voorgelegd tussen sloop of renovatie; Bewoners nooit de plus- en minpunten van sloop en renovatie zijn uitgelegd.

Verzoekt het college: ■ ■

Om in het project Dreven-Gaarden-Zichten per complex te onderzoeken of renovatie mogelijk is en per complex te peilen of de bewoners renovatie of sloop willen; Deze resultaten met de gemeenteraad te delen voorafgaand aan de bespreking van het projectdocument, de samenwerkingsovereenkomst en de gemeentelijke grondexploitatie.

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 80

HSP2

Motie: Bied maatwerk bij passend toewijzen Constaterende, dat: ■ ■

Bewoners door de plannen gedwongen worden te verhuizen; Bij de terugkeergarantie; in Zichten-Dreven-Gaarden de regels van passend toewijzen worden toegepast.

Overwegende, dat: ■ ■

■

Bij Passend Toewijzen alleen gekeken wordt naar de financiële situatie en gezinssamenstelling op het moment van verhuizen; Dit betekent dat er soms sprake is van schrijnende situaties waarbij bijvoorbeeld in de nabije toekomst een grote terugval in inkomen te verwachten is, waardoor men dan alsnog in aanmerking zou komen voor een sociale woning; Strikt toepassen van passend toewijzen zal kunnen leiden tot oneerlijke achteruitgang in de persoonlijke situaties van de huidige bewoners.

Verzoekt het college: ■

Om met Staedion en Heijmans afspraken te maken zodat niemand die nu door de herstructurering moet verhuizen er in de toekomst op achteruit gaat, zelfs als dat betekent dat er maatwerk moet worden geboden buiten de regels van passend toewijzen om.

Intern beraad artikel 11 eerste lid Wob juncto artikel 10 lid 2 onder g Wob

PAGINA 81

HSP 3

Motie: Maak bindende afspraken over bijkomende kosten Constaterende, dat: ■ ■

In de Nota’s van Uitgangspunten sprake is van het invoeren van betaald parkeren; In de Nota’s van Uitgangspunten gesproken wordt over bijkomende kosten zoals servicekosten, deelmobiliteitskosten en dergelijke.

Overwegende, dat: ■ ■ ■

Voor het bepalen van het recht op huurtoeslag uitgegaan moet worden van de huurprijs plus servicekosten; Betaald parkeren momenteel voor tussen de 50 en 150 euro per maand wordt aangeboden door Staedion en andere eigenaren; Dit bedrag voor veel sociale huurders niet op te brengen zal zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10975857/1