RIS311080 Bijlage 2
Tekst van het document
De half gesloten stedelijke bouwblokken krijgen representatieve voorkanten richting de openbare ruimte en een uitnodigende kwaliteit naar het collectieve, groene binnenterrein. Uitgangspunt is het tot stand brengen van verbinding tussen de woningen en de openbare ruimte met als doel meer eigenaarschap en daarmee sociale veiligheid.
4.4 Verduurzamen De transformatie van de openbare ruimte en de ondergrond evenals de vervanging en renovatie van de woningvoorraad biedt enorme kansen om een verduurzamingsslag te maken. Zowel op gebieds- als op gebouwniveau zullen duurzame maatregelen getroffen worden om de transitie naar een klimaatadaptieve en klimaatneutrale stad in 2030 te verwezenl jken. Bouwlust-Vrederust is onderdeel van het Landel jke Programma Aardgasvrije Wijken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het bestaande warmtenet in de w jken zal worden gevoed door binnenstedelijke geothermiebron aan de Leyweg. Alle nieuwbouw zal worden aangesloten op een eigen (duurzame) energievoorziening. Duurzaam bouwen is een belangrijk uitgangspunt voor toekomstige ontwikkelingen. De gemeente biedt de initiatiefnemer de ruimte om in het plangebied een eigen invulling te geven aan verduurzaming mits deze niet strijdig zijn met deze ambitie, zie hoofdstuk 5.5.
Clusteren rondom voorzieningencentrum Ambachtsgaarde
29
5. UITWERKING / UITGANGSPUNTEN 5.1 Ruimtelijke inpassing / Bouwregels In de Dreven vormt het bestaande stratenpatroon met volwassen bomen het uitgangspunt voor de ontwikkeling. Het streven is zoveel mogel jk bomen te behouden en dit openbare ruimtepatroon te versterken tot een ‘groen grid’, als samenbindend element voor de daartussen gelegen bouwblokken. Niet alles wordt gesloopt. De waardevolle bebouwing bl jft behouden en zal worden gerenoveerd. Samen met de nieuwbouw en het groene grid met te behouden bomen leidt dit tot een ‘gelaagd stadsbeeld’.
Eenzijdig georiënteerde woningen dienen een kwalitatief uitzicht te hebben; op een aantrekkelijk stuk openbare ruimte of op een kwalitatief ingerichte binnentuin, met voldoende afstand (ten minste 20m) tot een tegenoverliggende woning. Op de randvoorwaardenkaart is dit principe geborgd. De precieze verdeling van woningtypes en posities van typologieën en entrees in de bouwblokken mag in de verdere uitwerking naar een stedenbouwkundig- of bouwplan, beargumenteerd, nog schuiven als dat een verbetering oplevert. Ontwerpprincipe: aan elke gevel liggen woonfcunties
Bouwblokken Uitgangspunt is het organiseren van de diverse woningtypes en bijbehorende functies in orthogonale of haakvormige gebouwen rondom een groene, collectieve binnentuin: de ontmoetingsplaats voor de blokgemeenschap en een veilige speelplek voor kleine kinderen. Onder de binnentuin liggen parkeerplaatsen en een gezamenlijke fietsenstalling. Deze bouwblokken vormen de ruimtelijke eenheden in de buurt. De bouwblokken kennen alt jd een mix van woningtypes, gezinswoningen, appartementen, beneden-bovenwoningen, etc. Gevels aan de openbare ruimte zijn alt jd ‘voorkanten’: er liggen in principe geen galerijen aan de openbare ruimte en er is geen sprake van volledig gesloten kopgevels. Zowel aan de openbare ruimte als ook rond de binnentuinen dient er een prettige mix te zijn van gevels met slaapkamers en gevels met woonkamers.
Halfopen bouwblokken rondom collectieve binnentuinen
Zichtlijnen in de nieuwe verkaveling
Nieuwe randbebouwing langs de Lozerlaan
Huidige, open verkaveling met zichtlijnen
De mix van woningtypes in de bouwblokken levert een afwisseling in hoogtes: een laag tot 13 meter, een ‘stedelijke laag’ van 13 -23 meter en daar bovenop ‘optoppingen’ tot 35 meter en hoogte-accenten tot 50 of incidenteel 70 meter. De stedelijke laag is herkenbaar in de massaopbouw en/of het gevelbeeld.
31
Toegang tot de collectieve binnentuinen Uitgangspunt is dat e k bouwblok minimaal twee openingen of opengewerkte hoeken heeft naar de collectieve binnenwereld: het collectieve binnenterrein is via deze openingen openbaar toegankelijk of ‘doorwaadbaar’ en draagt zo bij aan ontmoetingen en interactie. De openingen in een bouwblokken zijn feitel jk de ‘entrees’ van het bouwblok en worden dan ook als zodanig vormgegeven: als uitnodigend stedenbouwkundig gebaar naar de openbare ruimte en uitnodigende toegangen naar de binnenwereld. Dat wordt ondersteund door de daar aan gelegen functies en de architectonische uitstraling: open, uitnodigend en vriendelijk. Een binnenterrein kan zo onderdeel worden van een (kortere) route. De entrees dragen bij aan een visuele verbinding tussen collectief en openbaar groen. Na zonsondergang kunnen openingen eventueel worden afgesloten met een hek als dat qua veiligheidsgevoel noodzakel jk is. Nabij de entrees naar de binnenwereld moet zeer terughoudend worden omgesprongen met toegangen naar parkeergarage, bergingen of andere utilitaire functies zoals traforuimtes, afva bergingen, etc. Deze plekken vormen analoog aan de entrees naar de woningen feitelijk de ‘stoep’ van de entrees. Sociale veiligheid en een prettig verblijfsklimaat staan hier voorop.
32
Impressie entree naar een binnenterrein
Bezoekers voelen zich door de vormgeving en situering van functies veilig en welkom het binnenterrein te bezoeken maar voelen zich te gast en z jn zich bewust dat ze hier dat ze een collectief betreden. De positie van de entrees van de bouwblokken is indicatief aangegeven op de rvw-kaart en zal in de verdere uitwerking definitief worden bepaald. De positie van bouwblokopeningen in het definitieve bouwplan zal altijd in onderlinge samenhang met de andere entrees naar de woongebouwen en in de ruimere stedenbouwkundige context worden beoordeeld. Waar dat stedenbouwkundig gewenst is, is het noodzakel jk dat er geen of een zeer beperkt (maximaal 1 meter) en geleidelijk (trap+hellingbaan) niveauverschil is met de openbare ruimte. Optoppingen en hoogte-accenten Optoppingen op de stedelijke laag hebben een hoogte van 9-12 lagen. Hoogte-accenten zijn torens van 50 tot 70 meter, conform de regels en verhoudingen uit de nota Eyeline Skyline. De positie ervan is aangegeven op de randvoorwaardenkaart. De hoogte-accenten liggen hoofdzakelijk langs de randen en grotere open ruimtes: langs de Erasmusweg en de Pachtersdreef en dragen zo bij aan de oriëntatie en de vorming
van een stevig stedelijk front aan de openbare ruimte. Het ontwerp van de skyline van het plangebied is hierbij één van de uitgangspunten. De hoogte-accenten en optoppingen vormen door hun afwisseling in hoogte gezamenl jk een stedenbouwkundig ensemble en sluiten qua morfologie en positie aan op de principes van bebouwing in Zuidwest. De bouwhoogte van het definitieve bouwplan wordt beoordeeld op basis van de volume opbouw van het totale ensemble in de ruimere context. Uitgangspunt op bouwblokniveau is dat rijwoningen in principe niet direct naast woontorens worden gesitueerd en dat enkelvoudig georiënteerde woningen niet slechts uitkijken op het binnenterrein maar via een opening in het bouwblok ook zicht hebben op de openbare ruimte. In alle gevallen moet er in het ontwerp rekening worden gehouden met de privacy van bewoners en een prettig functionerende privé dan wel collectieve buitenruimte. De volume opbouw van bebouwing is zodanig dat windhinder in de collectieve binnentuinen of in de openbare ruimte wordt beperkt en bezonning van de buitenruimte wordt geoptimaliseerd. Het plan moet voldoen aan de hiervoor geldende Haagse normen zoals geformuleerd in de Nota Haagse hoogbouw Eyeline & Skyline, zie bijlage.
Collectieve binnentuinen als voortzetting van openbaar groen
Eigenaarschap Uitgangspunt is dat de openbare ruimte en de collectieve binnentuin door functies in de plint op een of andere manier wordt ‘toegeëigend’. Dat wil zeggen: bewoners hebben vanuit hun woning zicht op de openbare ruimte, b jvoorbeeld op hun spelende kinderen. De drempel is laag om vanuit je woning even voor je huis te gaan zitten op een bankje of vanuit je woning te zwaaien naar een passerende buurtgenoot. Dit uitgangspunt is essentieel voor het eigenaarschap van bewoners over de openbare ruimte en voor de sociale controle en de sociale cohesie. Die sociale cohesie is op haar beurt weer belangr jk voor het veiligheidsgevoel en de gezondheid van bewoners maar ook voor de buurteconomie en de leefbaarheid in de buurt, allemaal zaken die in Zuidwest nu niet goed functioneren. De mate van eigenaarschap hangt sterk samen met de programmering van de plinten, de oriëntatie van de in de plinten gelegen woningen en de toegankel jkheid van de buitenruimte vanuit deze woningen. Alle gevels aan de openbare ruimte en de binnentuinen gaan op de een of andere manier een actieve verbinding of relatie aan met de daaraan gelegen buitenruimte, dat wil zeggen: deze gevels hebben een leeffunctie: woonkamer of (woon)keuken. De woonblokken zijn alzijdig ontworpen: er zijn geen volledig gesloten kopgevels of gevels met alleen galerijen die slechts dienen als ontsluiting.
Het actieve karakter van de plinten van de bebouwing en de kwaliteit en inrichting van de openbare ruimte zijn cruciaal en wederzijds afhankel jk zie ook 5.3.8. Binnentuinen De collectieve binnentuinen vormen de gemeenschappelijke buitenruimte van de bouwblokgemeenschap in combinatie met langs de gevels van de woningen semi-private zones als veranda of voortuintjes van woningen. Eventuele grenzen collectief - privé moeten worden mee-ontworpen, z jn subtiel, komen tegemoet aan de behoefte aan privacy maar dragen bij
34
aan het eigenaarschap en het functioneren van het collectief. Uitgangspunt voor de binnenruimten is een groene inrichting. De collectieve, groene binnenruimtes zorgen er samen met het openbare groen voor dat de totale hoeveelheid groen in de buurten op peil blijft: een aspect wat het meest genoemd en gewaardeerd wordt t jdens participatiegesprekken met bewoners. Om te garanderen dat het groen beklijft moet hier in het ontwerp al rekening mee worden gehouden. Uitgangspunt is dat er qua draagkracht en deklaag rekening wordt gehouden met de mogelijkheid gras, of moestuinen aan te leggen en (boven kolommen of in openingen in het dek) bomen te planten.
Woningentrees Entrees van woongebouwen markeren de hoeken van de bouwblokken en liggen zoveel mogelijk direct aan de groene wiggen, autovr je woonpaden en speelruimtes. Entrees van woongebouwen zijn duidel jk herkenbaar, bijvoorbeeld door een dubbele hoogte of prominente verlichting en bieden ook toegang tot de collectieve binnentuinen zodat je keuze hebt in naar welke kant je naar buiten gaat: direct de straat op of via de collectieve binnentuin en de bouwbloktoegang de straat op. Dit bevordert de mogel jkheden voor bewoners hun route te bekorten en het stimuleert toevallige ontmoetingen.
Afval Afval is een grondstof. Waar Den Haag de afgelopen jaren heeft ingezet op recycling, wordt de komende jaren ingezet op hergebruik. De schaal van de ontw kkeling in de Dreven maakt het mogel jk om hiervoor duurzame oplossingen te realiseren zoals circulaire afvalverwerking en afvalscheiding. Alternatieven voor een gescheiden inzameling van afval bij hoogbouw worden momenteel onderzocht bijvoorbeeld in de vorm van rol/ perscontainers. Ook het apart inzamelen van groente-, fruit en tuinafval (GFT) met nascheiding wordt onderzocht. Aanvullend onderzoek is nodig om de mogelijkheden van de verschillende inzamelmethoden af te wegen. Uitgangspunten voor de ontwikkeling zijn: •
•
•
Afvalinzameling belast de openbare ruimte zo min mogelijk. In principe staan inzamelmiddelen op eigen terrein. Dat kan inpandig of uitpandig in de vorm van minicontainers (bij huis-aan-huis-inzameling) of rol(pers) containers. Bij gestapelde bouw wordt verzamelen en scheiden van afval inpandig opgelost. Hiervoor moeten in elk bouwblok één of meerdere ruimtes worden gereserveerd. Bij gestapelde bouw dient de inzameling van afval zo circulair mogelijk te gebeuren: dicht bij de bron en op basis van hergebruik in de wijk, bijvoorbeeld composteren van GFT-afval in de binnentuin, reparatie van apparaten, het weggeven van spullen, etc. Dit principe moet zo goed mogelijk in de bouwblokken of in de buurt worden gefaciliteerd.
Voor het aanbieden en ophalen van afval wordt een uitwerking verwacht die de ruimtevraag voor opstelplekken en aanr jdroutes rondom de bouwblokken inzichtelijk maakt. Deze opstelplekken en aanr jdroutes moeten voldoen aan de daarvoor geldende randvoorwaarden zoals geformuleerd in de nog vast te stellen parkeerstrategie en het handboek openbare ruimte.
36
Uitgangspunt hierb j is telkens systemen en middelen zo effectief mogelijk in te zetten en het bewoners zo makkelijk mogelijk te maken hun afval te scheiden en kwijt te kunnen zonder daarb j gebruik te maken van de schaarse openbare ruimte. Ook bestaande gebruikers van het gebied moeten zoveel mogel jk kunnen aanhaken op deze nieuwe structuur. Ook de inzamelmiddelen voor bedr jfsafval mogen niet in de openbare ruimte worden geplaatst anders dan voor de inzameling door de afvalinzamelaar. Bedrijfsafval in bedr jfsverzamelgebouwen wordt zoveel mogelijk collectief ingezameld. Beeldkwaliteit Bij de verdere uitwerking naar een stedenbouwkundig plan zal ook de beeldkwaliteit nader wordt uitgewerkt voor de uitwerking van de architectuur en de openbare ruimte. (principes overgangen openbaar-prive, materialisatie, gevelindelingsprincipes, plastiek, ritmering, etc.) De uitgangspunten en ruimtel jke principes in deze NvU vormen de basis voor het opstellen van het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitsplan
5.2 Functie en programma 5.2.1 Wonen Er is komende jaren voldoende bevolkingsgroei in Den Haag en in Zuidwest en deze groei houdt aan tot 2035.Dit volgt uit de RIGO rapportage “Woningmarktverkenning Den Haag Zuidwest, ingrediënten voor een investeringsstrategie” opgesteld door het RIGO op 16 maart 2020. De kwantitatieve nieuwbouwopgave van 10.000 woningen kan in Zuidwest geaccommodeerd worden. Er is tevens groei in behoefte aan alle woningtypes en pr jsklassen, in absolute zin het minst in de vrije sector huur. Een van de conclusies uit het rapport is dat er een trendbreuk gerealiseerd kan worden in Zuidwest. Het nieuwbouw aanbod kan daarom op meerdere manieren ingevuld worden. Hierbij is het beleid van de Woonagenda “Haags samen wonen”, die recent op 7 oktober door de Raad is vastgesteld (RIS305711) leidend.
Het uitgangspunt in de Woonagenda is om netto 10.000 woningen in Den Haag Zuidwest toe te voegen komende 15-20 jaar. Voor de gebiedsontw kkeling van de Dreven, Gaarden en Zichten (Staedion en Heijmans) betekent dit een totale netto toevoeging van circa 3.500 woningen. Daarmee wordt ongeveer 35% van de totale opgave in den Haag Zuidwest gerealiseerd. Naast de kwantitatieve behoefte en de doelstelling om de woningnood te verminderen door te verdichten in Zuidwest is er ook behoefte om de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving te verduurzamen, te verbeteren en diverse woonmilieus te creëren. De kwantitatieve verdichtingsopgave vraagt om een kwalitatief ruimtelijke goede inpassing van wonen, parkeren, groen en voorzieningen. De kwalitatieve opgave (fysieke opgave) hangt ook samen met sociale, economische, veiligheid en leefbaarheidsaspecten. Naast de netto toevoeging van nieuwe woningen wordt ook de kwaliteit van de bestaande voorraad vernieuwd door merendeels sloop/ nieuwbouw en voor een geringer aandeel wordt de kwaliteit verbeterd door bestaande woningen te renoveren.
Het gebied Zuidwest wordt expliciet benoemd in de woondeal Zuidelijke Randstad. De gemeente Den Haag en de minister van BZK hebben in de Woondeal afgesproken een meerjarig partnerschap aan te gaan om de stedelijke vernieuwing en verdichting in Zuidwest vorm te geven en uit te voeren. Resultaat van deze afspraak is dat Zuidwest is opgenomen in het Rijksprogramma Leefbaarheid en Veiligheid. Door het toevoegen van kwaliteit en diversiteit van woningen, voorzieningen en woonmilieus en verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte ontstaat er meer balans in de wijken waardoor de leefbaarheid zal toenemen. Uitgangspunt is dat deze gebiedsontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de leefbaarheid en de veiligheid van de wijk. Dat gaan we monitoren door een nul-situatie in kaart te laten brengen voor de leefbaarheid en een doelstelling te formuleren wat we willen bere ken met de gebiedsontwikkeling.
37
Woonbeleid De woningvoorraad in Den Haag Zuidwest is nu erg eenzijdig. Van alle woningen heeft bijna 56% een vloeroppervlakte van minder dan 80 m2 GBO. 35% van de woningen besch kt over 4 kamers en slechts 14% van de woningen over 1-2 kamers. De verdeling in percentages van de woningvoorraad in Zuidwest is eigenaar-bewoners 25%, particulier huurvoorraad 7% en sociale huurvoorraad 66%. De bestaande woningvoorraad van Staedion is toe aan verbetering, dat biedt kansen om op de verdichtingsopgave te studeren en door het toevoegen van nieuwe woonmilieus te differentiëren en nieuwe woonkwaliteit te realiseren. De prioriteit van de gemeente in de Woonagenda is om de komende jaren het aanbod vooral te laten groeien in het goedkope en middensegment (zie voor de definities pagina 38 en 39 in de begrippen lijst van de Woonagenda 2020-2023), omdat daar de grootste vraag naar is. Achterliggende gedachte daarbij is het vergroten van de leefbaarheid én het bedienen van bepaalde doelgroepen. Deel van de opgave in Zuidwest is dat in de nieuwe situatie ook de onmisbare beroepsgroepen, zorgdoelgroepen, groepswonen en eventueel spoedzoekers, arbeidsmigranten of andere ‘specials’ een plek kunnen vinden.
Programma DGZ*
Woningaantal
Bestaand programma bezit Staedion 2.000 Sloop 1.700 Renovatie 300 Nieuwbouw 5.200 Eindsituatie nieuw programma (reno en nieuw) 5.500 Netto toegevoegd programma 3.500 *Programma zijn afgeronde aantallen op basis van een proefverkaveling en de businesscase.
Netto toegevoegd programma DGZ Percentage Woonagenda Sociaal Middelduur Vrije sector Betaa bare koop Dure koop Totaal
30%* 28% 8% 27% 7% 100%
≥30% ≥20% ≥20% Programma heel DGZ: verdichting gemiddeld circa 270%
*Totaal 30% sociaal waarvan 22% sociale huur via een toegelaten instelling en 8% andere vormen die de doelgroep bediend die normaal is aangewezen op sociale
Programma De Staedion woningvoorraad in de Dreven, Gaarden en Zichten verkleurt door deze gebiedsontwikkeling van 100% sociale huur in 2020 naar 56% sociaal in 2040 en 44% marktwoningen. Met deze transformatie wordt zowel een duurzame slag als een kwaliteitsslag gemaakt en meer differentiatie en diversiteit beoogd. De huidige bewoners kunnen in hun wijk terugkeren of doorstromen naar een meer passende woning en de wijk wordt aantrekkelijk voor nieuwkomers. De gemeente en Staedion stemmen het herhuisvestingsbeleid met elkaar af.
huur, bijvoorbeeld sociale koop (< € 200.000,-).
Programma Dreven*
Woningaantal
Bestaand programma bezit Staedion 1.200 Sloop 1.000 Renovatie 200 Nieuwbouw 2.600 Eindsituatie nieuw programma (reno en nieuw) 2.800 Netto toegevoegd programma 1.600 *Programma zijn afgeronde aantallen op basis van een proefverkaveling en de businesscase.
Van het totale programma voor de Dreven, Gaarden en Zichten is het volgende aandeel voorzien in de Zichten (uitwisseling met programma van de buurten Dreven en Gaarden is mogelijk):
38
Programma De Dreven: verdichting circa 230%
Doelgroepen De woningbehoefte en de verschillende doelgroepen zijn samengesteld naar aanleiding van de gegevens uit de RIGO rapportage tav de toekomstige bewoners. Door de ontwikkelende partijen (Heijmans en Staedion) zijn deze inzichten vertaald naar 8 doelgroepen voor de marktwoningen en 7 voor de sociale woningen (Staedion). Er komen marktwoningen en sociale woningen voor gezinnen, ouderen en jongeren in diverse woningtypologieën. In het plan is er voldoende ruimte in de uitwerking voor een differentiatie van woningtypen zoals maisonettes en appartementen ontsloten vanaf maaiveld, binnentuin, corridor of galerij.
Verdeling doelgroepen marktwoningen (Heijmans en Staedion)
Doelgroepen sociale woningen (Staedion)
Door de woningen te variëren in woonoppervlak, het aantal kamers, het type en de locatie ontstaat er een differentiatie in woonmilieus.
39
Woonmilieus Voor de drie woonmilieus Dreven, Gaarden en Zichten beschrijven we de doelgroepen, de woningtypen en de woonomgeving. We maken daarbij een onderscheid in het sociale woningsegment (Staedion) en het marktsegment (Heijmans). In Den Haag Zuidwest willen wij komende jaren de volgende drie doelgroepen accommoderen; de blijvers, de st jgers en de nieuwkomers Woonomgeving Uit de RIGO rapportage blijkt dat de groene kwaliteit van Den Haag Zuidwest een element is waar toekomstige bewoners door worden aangetrokken. De uitdaging in de verdichtingsopgave ligt erin om een nieuwe groen woonmilieu te creëren, want dat is een kwaliteit die het wonen in Zuidwest aantrekkelijk maakt voor de huidige en de toekomstige bewoners. De buurten zullen onderling van karakter en dichtheid verschillen. De Zichten wordt door de nabijheid van het winkelcentrum de Stede en de ligging aan het sportpark meer een compact, stedelijk en levendig woonmilieu. Terw jl de Gaarden en Dreven rustig groen stedelijk zullen worden.
5.2.2 Wijk economie Den Haag Zuidwest, een gebied b jna zo groot als de stad Gouda, heeft, naast nieuwe woningen en nieuwe bewoners, ook baat bij een gezondere wijkeconomie. Een gezonde wijkeconomie bestaat uit een brede mix van sociaalmaatschappelijke functies, kleinschalig ondernemerschap en gezondheidsvoorzieningen. Belangrijk uitgangspunt voor een gezonde wijkeconomie is dat het geld dat de inwoners van een wijk verdienen, ook (voor een deel) ín de wijk en áán de wijk wordt uitgegeven. Dit betekent dat er ruimte moet z jn voor lokaal ondernemerschap, zodat inwoners van de w jken in Dreven, Gaarden en Zichten daadwerkelijk kunnen ondernemen in de wijk waarin ze wonen. Een gezonde w jkeconomie biedt ook kansen op werk voor mensen in de w jk. Dit gaat vaak vooral over praktisch opgeleide banen, waar de komende jaren een groot tekort en veel vraag naar is in Zuidwest. Juist lokaal ondernemerschap biedt perspectief op banen die kunnen dienen als opstap vanuit een niet werkende situatie, en is dus van groot belang voor de arbeidsparticipatie.
Daarnaast zorgt een gezonde wijkeconomie voor verbetering van de leefbaarheid en levendigheid en (daarmee) het imago van de w jk. Ondernemers hebben immers baat bij een goede, veilige openbare ruimte. Ook draagt een gezonde wijkeconomie bij aan het stimuleren van langzaam verkeer zoals vanuit de mobiliteitstransitie wordt beoogt. Een gezonde wijkeconomie voorkomt zo ook ‘slaapwijken’, waarin iedereen (per auto) de wijk uit trekt om elders te werken en pas ’s avonds weer terug te keren. Een gezonde wijkeconomie geeft dus kansen, zorgt voor sociale controle, voor kansen op de arbeidsmarkt en helpt de mobiliteitstransitie. In na-oorlogse wijken zoals De Dreven, Gaarden en Zichten, die redel jk monofunctioneel zijn opgezet was en is vooralsnog te weinig ruimte voor de w jkeconomie. Door op de juiste plekken ruimte te reserveren voor de ontw kkeling van een goede wijkeconomie kan er een kanteling in de dynamiek en aantrekkingskracht van deze w jken worden bewerkstelligd.
Dreven De Dreven wordt een buurt met een gemengd woonmilieu met diverse woningtypen voor diverse doelgroepen met het accent op starters 1 en 2 persoonshuishouden en gezinnen, die een volwaardig en betaalbaar alternatief zoeken voor wonen dicht bij centrum-stedel jke gebieden. Aansluiting bestaande bebouwing en VvE-beheer De w jze van ontwikkeling en beheer van een bouwblok met meerdere eigenaren en collectieve voorzieningen biedt kansen op optimalisatie en kostenbesparingen omdat voorzieningen kunnen worden gedeeld. Dat betekent dat er op bouwblokniveau sprake zal z jn van een VvE. Uitgangspunt is plannen zodanig te ontwikkelen dat een prettige mix en kwaliteit gewaarborgd zijn maar ingewikkelde en vertragende VvE constructies zoveel mogelijk worden vermeden.
41
5.2.4 Retail en horeca Vanuit het retai beleid wordt vastgehouden aan de ‘hoofdwinkelstructuur’ (HWS). Dit is een beleidsmatige en geografische structuur waarin plekken voor retailfuncties zijn aangegeven. De gemeente wil winkels zo veel mogel jk bij elkaar hebben, zodat er winkelgebieden ontstaan met een divers aanbod. Dat is fijn en aantrekkelijk winkelen voor de consument (bewoners, werknemers, bezoekers en toeristen), want het is handig en makkel jk als de supermarkt, de bakker en de slager bij elkaar in 1 straat zitten. Een concentratie van winkels zorgt dus voor meer bezoekers en meer klanten. Winkelgebieden kunnen daardoor economisch groeien. De gemeente wil in deze winkelgebieden, de hoofdwinkelstructuur, samen met de vastgoedeigenaren en ondernemers investeren. In de Dreven is het winkelgebied De Ambachtsgaarde in de HWS opgenomen. De toevoegingen van nieuwe woningen en daarmee nieuwe inwoners zal de bestaande ondernemers in het winkelcentrum meer ‘vet op de botten’ te geven. Het toevoegen van vierkante meters winkelruimte is mogelijk, mits er sprake is van voldoende vraag. Horeca Den haag Zuidwest is geen aangewezen horecagebied. Middelzware en zware horeca zijn hier niet toegestaan. Wel is horeca in de categorie ‘licht’ in de winkelgebieden toegestaan. Den Haag streeft naar een optimale verhouding tussen winkels en horeca die winkelgebieden versterken.
Overdag geopende horeca kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van een winkelgebied. In winkelgebieden is in totaal maximaal 30% lichte horeca binnen de hoofd-winkelstructuur toegestaan om de ‘dagfunctie’ van het gebied te versterken, en daarmee dichte puien overdag te voorkomen.
woonomgeving vergroten. Denk daarbij aan de gebruiksfunctie van (kleinschalige) verblijfspleinen die met een horecafunctie een rol spelen in de oriëntatie en routing in een wijk; of aan horeca b j een buurtwerkplek. Ook kan dergel jke horeca in de buurt het vestigingsklimaat voor de vanuit buurteconomie gewenste kleinschalige bedrijvigheid versterken en omgekeerd. Uitgangspunt voor horeca in woonwijken en buurten is dat horeca in de woonw jken de leefbaarheid niet mag aantasten maar hier juist aan moet bijdragen. Dat betekent dat het college vooral mogelijkheden ziet voor horeca categorie ‘licht’ met een wijkverzorgend karakter. Pop-up / tijdelijke horeca Pop-up horeca kan voor een prettige dynamiek in stedelijke gebieden zorgen en daarnaast een (tijdelijke) invulling bieden aan leegstaande panden en winkels. Voor pop-up horeca gelden dezelfde vergunningsvoorwaarden als voor andere horeca. Omdat initiatieven voor deze tijdel jke concepten zich veelal op ad hoc-basis aandienen – bijvoorbeeld als een unieke locatie mogel jk wordt – en slechts een korte exploitatieperiode kennen, is een snelle afhandeling van vergunningsprocedures nodig. Initiatieven voor pop-up horeca worden positief bezien en krijgen binnen de mogel jkheden van het redelijke een snelle afhandeling van de vergunningsprocedures.
5.2.5 Maatschappelijk vastgoed MOG Naast het toevoegen van woningen en bedrijfsonroerend goed is het nodig ook het voorzieningenniveau op peil te brengen en te houden, om zodoende zorg te dragen voor een leefbare en aantrekkelijke stad. Voor de Dreven moet in voldoende maatschappel jke onroerend goed worden voorzien overeenkomstig De Haagse referentienormen maatschappel jke voorzieningen welke momenteel voor vaststelling bij het college ligt. Op basis van deze referentienormen zal een voorzieningenprogramma worden opgesteld op basis waarvan in de verdere uitwerking de opgave per type maatschappelijke voorziening nader moet worden ingepast (zowel voor maatschappel jk vastgoed als voor groen en speelvoorzieningen in de openbare ruimte). Op basis daarvan komt ook de investerings- en beheeropgave in beeld.
Horeca in woonwijken Koffietenten, lunchzaken en terrassen kunnen met hun wijkverzorgende karakter de leefbaarheid van de directe
43
Naarmate de stad verdicht, neemt de waarde van het groen dus letterlijk en figuurlijk toe. Uitgangspunt is dat elke (vastgoed)ontwikkeling bijdraagt aan de groene kwaliteit van Den Haag; Door de ontwikkeling van parken en straatgroen, door het aanleggen en versterken van openbaar groen, door het ontwikkelen en openbaar toegankelijk houden van de groene binnentuinen, alsook door het versterken van de ecologie in het gebied door het realiseren van ecologische verbindingen, geveltuintjes, groene gevels en groene daken.
5.3 Buitenruimte, ecologie, spelen en sport
te richten dan gebru kel jk: meer groen en minder verharding of, waar verharding echt nodig is, meer waterdoorlatende of halfverharding.
5.3.1 Inleiding Door de geplande verdichting neemt het aantal bewoners flink toe. Hierdoor neemt de druk op de inrichting van de openbare ruimte enorm toe vanuit de diverse belangen: (ondergrondse) infrastructuur en mobiliteit, ontmoeten, spelen en sporten, groen en ecologie.
Intensivering van de (verharde) stad vraagt dus om bovengenoemde redenen in eenzelfde mate om intensivering van groen en groenkwaliteit. Omgekeerd blijkt een groene woonomgeving te zorgen voor toename van vastgoedwaarde.
Een goed gebru k van de openbare ruimte zorgt voor meer mensen op straat waardoor er meer sociale interacties ontstaan. Op voorwaarde dat mensen elkaar (enigszins) kennen, leidt dat ertoe dat het prettiger wordt om te bewegen wat er voor zorgt dat er meer mensen op straat z jn waardoor mensen elkaar (enigszins) leren kennen (cyclus). De groen ingerichte ruimte binnen de bouwblokken als collectieve toegang naar de openbare ruimte helpt deze cyclus op gang te brengen.
De directe woonomgeving is voor bewoners de eerste plek waar ze buiten komen en is mede bepalend voor de keuze ergens te gaan wonen. Dat betekent dat naast toegankelijkheid en oriëntatiemogelijkheden, er voldoende ruimte en aanleiding voor ontmoeten, spelen en bewegen moet zijn. Dat blijkt het best te gebeuren in een prettige, gezonde en groene omgeving. Bewoners geven aan het groen in hun w jk enorm te waarderen. In de Agenda Groen voor de Stad (RIS294705) wordt dan ook ingezet op groen kapitaal als basis voor een goede leefkwaliteit. Het doel is het Haagse groen kwalitatief en natuurinclusief te ontwikkelen. Een gezonde openbare ruimte inrichting die uitnodigt tot bewegen, verblijven en ontmoeten is een van de sleutels voor het op gang brengen van de beoogde kanteling in Zuidwest. In verband met heviger buien en langere periodes van droogte is het bovendien noodzakelijk de openbare ruimte anders in Huidig en toekomstig grondgebruik in De Dreven: meer openbaar groen, meer water en minder verharding
44
5.3.7. Spelen, bewegen en sporten Den Haag scoort volgens De Atlas Voor Gemeenten binnen de G50 relatief slecht op zowel deelname aan sport als op ervaren gezondheid en zorgkosten. Nog niet duidelijk is of er een relatie is tussen gemeentelijk sportbeleid (en -budget) en sportdeelname maar duidelijk is wel dat sport en bewegen goed zijn voor de gezondheid en dat de mogel jkheid tot bewegen in de openbare ruimte een belangrijke plek verdient. Het motto is daarom ‘Openbare Ruimte: Zien bewegen, doet bewegen’. Het blijkt uit participatie dat bewoners in Zuidwest graag spelen, sporten en recreëren in of nab j de eigen buurt eerder dan bijvoorbeeld in het verder weg gelegen Zuiderpark. Spelaanleidingen in de collectieve of openbare ruimte, zonder dat het direct tot overlast leidt zijn dan ook van belang evenals het uitnodigen tot beweging, ook voor volwassenen.
Het uitgangspunt is met de doorontwikkeling van het waardevolle ‘buurtpark Pachtersdreef’ en de singel langs de Lozerlaan het groen in de buurt meer gebruikswaarde te geven. De nieuwe bebouwingsopzet leidt tot meer variatie in de buitenruimte variërend van een pleinruimte bij het winkelcentrum, openbaar groen met veel ontmoetingsfuncties langs de Pachtersdreef, kleinschaliger openbaar groen tussen de bebouwing tot collectief groen binnen de woonblokken.
5.3.8. Eigenaarschap over de buitenruimte Belangrijk uitgangspunt voor de buitenruimte is een prettige beleving vanaf het (eventueel opgetilde) maaiveld. Het actieve karakter van de plinten van de bebouwing en de kwaliteit en inrichting van de openbare ruimte zijn hierin cruciaal en wederzijds afhankelijk, zie ook 5.1. Voor de inrichting van de buitenruimte zetten we daarom in op eigenaarschap: ‘het informeel in bezit nemen van de buitenruimte’. Het stimuleren van sociale controle en eigenaarschap vraagt om zorgvuldige overgangen privé-openbaar, bijvoorbeeld in de vorm van een voortuintje, een geveltuintje of een stoep voor de woning naast de voordeur. Door dergel jke zachte overgangen openbaar-privé tussen woninggevel en trottoir worden de sfeer en het gedrag van mensen in de openbare ruimte of op een openbare ontmoetingsplek beïnvloed.
In heel Den Haag Zuidwest moet het aanbod beter aansluiten op de behoefte en meer ruimte te bieden voor informele sport. Om dit te bereiken wordt een intensiever gebruik van de georganiseerde sportfaciliteiten voorgesteld: een sportkantine of voetbalveld fungeert niet alleen voor één sportclub maar kan ook voor andere activiteiten worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor een openbare ontmoetingsruimte of park: die kan door een slimme inrichting ook nieuwe bewegingsvormen accommoderen (urban sports, outdoor fitness) die minder actieve generaties stimuleert om te bewegen. Het doel is telkens intensivering, multifunctionaliteit en flexibiliteit: zien bewegen doet bewegen. Of een omgeving beweegvriendel jk is, is afhankelijk van de inrichting, de sociale veiligheid en de verkeersveiligheid. Dat vraagt om kwalitatief goed ingerichte, obstakelvrije, doorgaande en afwisselende routes en buitenruimtes (connectiviteit) en voldoende beweegaanleidingen, beweegvoorzieningen en programmatische activiteiten.
49
5.3.10. Ondergronds (kabels en leidingen)
5.3.11. Riolering
5.3.12. Buitenruimte beheer
De impact van de herontwikkeling en de noodzakelijke energietransitie in de Dreven is groot. Om alle ontwikkelingen aan te kunnen moet de ondergrondse infrastructuur geoptimaliseerd worden. Concreet betekent dit dat er veel kabels en leidingen moeten worden vervangen of bijgelegd zoals bijvoorbeeld warmteleidingen. Dat zal worden geïnventariseerd.
De huidige riolering betreft een gemengd stelsel dat is aangelegd in de jaren zestig van de vorige eeuw. De huidige riolering heeft op zich voldoende capaciteit om de toename van 3500 woningen te kunnen opvangen en is nog niet persé aan vervanging toe, maar in het kader van ‘werk met werk maken’ is het raadzaam en logisch om de riolering in dit geval vervroegd af te schrijven en het huidige gemengde rioolsysteem te vervangen door een gescheiden riool systeem.
Voor beheerders van de buitenruimte is het van belang dat de openbare ruimte duidel jk is gedefinieerd zodat zij weten wat ze wel en niet moeten beheren. Uitgangspunt is dat de ruimte buiten de bouwblokken met uitzondering van eventuele voortuinen of Delftse stoepen, openbaar is. De ruimte binnen de bouwblokken is in eigendom van een VvE.
Dat heeft grote invloed op de ondergrondse ruimte die hiervoor nodig is. Een knelpunt daarbij is de huidige bomenstructuur; De wortels van de bomen zijn verstrengeld in de huidige kabels en leidingen tracés. Om te bekijken of er zoveel mogelijk bomen te behouden zijn zal een knelpuntenkaart worden opgesteld. Uitgangspunt is zoveel mogelijk bomen te behouden.
Dat maakt het gebied klimaatrobuuster t.a.v. wateroverlast omdat het regenwater direct naar het oppervlaktewater kan worden geleid. Mogel jk hoeft dan de gemaal- en zuiveringscapaciteit niet te worden vergroot omdat het regenwater niet langer naar de zuiveringsinstallatie gaat. Andere maatregelen zoals genoemd onder duurzaamheid, groen en klimaatadaptatie (zie hoofdstuk 5.5.) helpen hierbij. Uitgangspunt is om nog voor de start van de nieuwbouw de hoofdstructuur van het gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Het rioleringsbeleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020. Duurzaamheid speelt hierin een belangrijke rol. Uitgangspunten zijn: • • • •
De toegankelijkheid of ‘doorwaadbaarheid’ van bouwblokken wordt privaatrechtelijk vastgelegd zodat toegankel jkheid of routes overdag en zichtl jnen, ook in de toekomst gewaarborgd blijven. Het groen binnen en buiten de bouwblokken moet zowel bijdragen aan verbl jfskwaliteit, bewegen en ontmoeten als aan biodiversiteit, klimaatadaptiviteit en hittestress. Het uitgangspunt is daarom verder te denken dan de kosten van aanleg. Er moet gezocht worden naar de mogelijkheid om binnen de economische levensduur te voldoen aan al deze functie-eisen. Dat vraagt om ontwikkelend beheer, niet om statisch in stand te houden wat er is.
Het voorkomen dan wel het scheiden van afvalwaterstromen aan de bron. Oog hebben voor hergebru k van afvalwater. Het terugdringen van energiegebru k. Het voorkomen dat schoon water vuil wordt.
Duurzaam denken en doen komt terug in het ontwerp, de aanleg, het beheer en het gebruik van riolering. Afkoppelen van hemelwater is een voorbeeld van een aanpak, waarmee zoveel mogelijk b j de bron wordt voorkomen dat water vuil wordt en dat wat wordt vastgehouden op de plaats waar het valt.
51
5.4 Mobiliteit, parkeren en ogistiek 5.4.1 Inleiding De Dreven is samen met De Zichten en Gaarden opgenomen als één van de sleutelprojecten voor de mobiliteitstransitie. Onder mobiliteitstransitie verstaan we: “de noodzakel jke doorontwikkeling van het mobiliteitssysteem zodat de stad de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig bl jft ondanks, of juist dankzij de beoogde verdichting. Vanuit de mobiliteitstransitie staat de mobiliteitsbehoefte van de bewoner centraal. Daarvoor wordt gekeken naar de behoefte, de bestemmingen en de omgeving. Om, ondanks de verdichting de leefbaarheid te verbeteren is het uitgangspunt dat de hoeveelheid openbare ruimte voor mobiliteit in absolute zin niet toeneemt. Om dat te bereiken is het uitgangspunt voor de gebiedsontw kkeling dat op eigen terrein wordt geparkeerd. Hierdoor zijn er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte nodig en ontstaat er meer ruimte voor voetgangers, fietsvoorzieningen en voor duurzame en ‘slimme’ (deel)mobiliteit.
52
Een parkeerregime is randvoorwaardelijk om parkeren op eigen terrein af te dwingen en voor het op gang brengen van de mobiliteitstransitie. Deze transitie hangt nauw samen met de opgaven voor openbare ruimte, de w jkeconomie en verdichting en vormt feitel jk de sleutel in het bereiken van een aantrekkelijke stad waar het fijn wonen, werken, winkelen, leren en recreëren is. 5.4.2. Mobiliteitstransitie De mobiliteitstransitie zet in op stadsvriendelijke mobiliteit volgens zes criteria: veilig, efficiënt, schoon, ‘op maat’, betaa baar en verbonden (met de stad en verder) Daarvoor is een systeemverschuiving nodig op drie niveaus: 1.
2.
3.
de ruimte voor infrastructuur wordt beter benut door voorrang te geven aan lopen, fietsen, deelmobiliteit en openbaar vervoer. De verschillende mobiliteitsoplossingen worden integraler en van deur-tot-deur georganiseerd, ondersteund door digitale technologie Een verandering in reisgedrag wordt gestimuleerd, door de mobiliteitsbehoefte van reizigers centraal te stellen en hen vervolgens te verleiden tot veilige, efficiënte en schone keuzes.
Bij een succesvolle mobiliteitstransitie komt er ruimte vrij voor andere zaken die de leefbaarheid zowel ruimtelijk, sociaal als economisch kunnen verhogen. Door mobiliteit bovendien actiever, schoner en stiller te maken, verbetert het welzijn van inwoners, bezoekers en gebruikers van kantoren, bedr jven en voorzieningen in de stad. Uit nader onderzoek moet blijken waar de behoeftes van bewoners liggen en hoe deze transitie vorm moet krijgen.
Zuidwest wordt daardoor ook aantrekkel jker voor mensen met een midden/hoog inkomen die qua voorzieningen op het centrum en voor werk op de regio zijn georiënteerd. Werkgelegenheid in de regio, zoals de Westlandse arbeidsmarkt, zal hierdoor beter bere kbaar z jn voor de bewoners van Bouwlust-Vrederust en omgekeerd: bewoners van buurgemeenten kunnen straks de nieuwe voorzieningen in de wijk gebru ken: dat vergroot het draagvlak van voorzieningen en de vitaliteit van de w jkeconomie. Mobility as a Service Het aanbieden van een grote variatie in een fijnmazig netwerk van (deel-)mobiliteit in de buurten kan de noodzaak voor het bezitten van een privéauto verkleinen als deze past bij de verschillende doelgroepen en reismotieven. Hierb j kan gedacht worden aan zowel (elektrische) deelfietsen, deelbakfietsen, deelscooters en deelauto’s die op straat staan geparkeerd, binnen de bouwblokken en/of in ‘mobiliteitshubs’ in de buurt in combinatie met bijvoorbeeld een fietsenmaker en een pakketafleverpunt. Privé-auto Privé-auto’s nemen niet alleen veel ruimte in op straat maar ook om ze te parkeren. De privé-auto vormt daarom het sluitstuk in het ontwerpen van zowel het stedenbouwkundig plan als de bouwblokken. Daarbij hanteren we de volgende uitgangspunten: •
•
•
54
Het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte neemt af ten opzichte van de huidige situatie of bl jft hoogstens gelijk. Er wordt in de huidige planvorming gerekend met een bezoekersnorm van 0,15 parkeerplaats per woning. Bewoners parkeren conform de huidige parkeernorm. Een nieuwbouwontwikkeling voorziet op eigen terrein in de parkeerbehoefte: binnen de bouwblokken dan wel in parkeergebouwen op een centrale plek in de wijk Per wijk moet een sluitende parkeerbalans zijn volgens de voorwaarden in de nieuwe parkeerstrategie, zie bijlage.
5.4.4. Gebouwd parkeren
5.4.5. Parkeerregime
Uitgangspunt is om het parkeren binnen de bouwblokken primair voor bewoners, ook van de sociale huurwoningen, in te zetten, zie hoofdstuk 5.1 ruimtelijke inpassing parkeren. In de nadere uitwerking moet duidelijk worden of de parkeerplaatsen onder de gebouwen en in de parkeergebouwen toegewezen (privé)plekken, flex bele plekken (geen privéplekken maar wel exclusief voor bewoners) dan wel openbare plekken worden (ook toegankelijk voor bezoekers). Een en ander hangt af van de hoeveelheid bezoekersparkeerplaatsen en de parkeerbalans.
Bovenstaande mobiliteitstransitie slaagt alleen door een (betaald) parkeerregime inclusief vergunningenplafond in te voeren in de nabije omgeving van de verdichtingslocaties. Bewoners van nieuwbouwwoningen komen in principe niet in aanmerking voor een parkeervergunning op straat. Parkeren op straat is primair bedoeld voor bezoekers, deelauto’s, speciale plekken (invalide, arts, etc.) en voor de eigenaren van de bestaande vve-flats langs de Hengelolaan en de Vrederustlaan die geen gebouwde parkeervoorziening tot hun beschikking hebben.
De centraal gelegen parkeergebouwen kunnen flex bel worden ingezet voor: • het tekort aan bewonersparkeren • gebruikers en bezoekers van voorzieningen • te handhaven of renoveren woningen De parkeergebouwen kunnen gaandeweg transformeren tot mobiliteitshubs of bijvoorbeeld flex/werkruimtes voor bewoners.
In de verdere uitwerking zullen bovenstaande principes worden geoptimaliseerd. Door b jvoorbeeld parkeergebouwen en parkeergarages onder de bebouwing ook voor bezoekers en bestaande bewoners open te stellen en geen uniek toegewezen parkeerplekken te ontwerpen kan de flexibiliteit, het gebruik en de betaalbaarheid van parkeerplaatsen toenemen.
5.4.6. Logistiek binnen de wijk Een verdichtende stad betekent meer mobiliteit en logistieke bewegingen (woon-werkverkeer, bevoorrading, pakketbezorging, bouw, etc.). Om de luchtkwaliteit en de verkeersveiligheid in de wijk te verbeteren vraagt het genoemde STOMP-principe om een andere inrichting van zowel de bouwblokken als de buurt: •
•
•
Uitgangspunt is om entrees naar parkeergebouwen en parkeergarages van woonblokken zo dicht mogelijk b j de ontsluiting van de buurt te leggen. Op w jkniveau ontstaat hierdoor meer exclusieve verkeersruimte voor langzaam verkeer en voor openbaar groen, speel- en ontmoetingsruimte. De bouwblokken zijn in de meeste gevallen slechts vanaf één zijde bere kbaar met de auto. Aan die kant bevindt zich dan de entree naar de parkeergarage maar ook een afvalpunt waar de vuilniswagen haar afval ophaalt en een pakketpunt waar de pakketbezorgers hun pakketjes kunnen achterlaten in een pakketautomaat. Zware spullen zoals een wasmachine etc. zullen met een steekwagen oid tot aan de voordeur moeten worden gereden. De bouwblokken zijn altijd rondom bereikbaar via brede, autovr je woonpaden (in geval van nood bereikbaar voor de nood- en hulpdiensten via een verw jderbaar paaltje. Een uitzondering kan worden gemaakt voor verhuiswagens.
De Erasmusweg is een gebiedsontsluitingsweg. Het is vanwege de verkeersveiligheid niet toegestaan dat woningen direct aan deze weg ontsloten worden, daarom wordt hier een ventweg aangelegd. Deze ventweg vormt tevens de hoofdtoegang voor de daarachter gelegen woningen. 5.4.7. Bedrijvigheid Uitgangspunt is bedrijvigheid in de Dreven in de plinten van de woongebouwen te situeren langs de ventwegen langs de
Erasmusweg zodat het b jbehorende verkeer voor de bedrijven zo min mogelijk de wijk in hoeft en gebru k hoeft te maken van de erftoegangswegen.
de mogel jkheden of om eens kennis te maken met een deelvoertuig. Uit een eerste mobiliteitsstijlonderzoek bl jkt bijvoorbeeld dat
Daarnaast zal bedrijvigheid worden geclusterd nabij de wijkentrees: bedrijfsruimtes in de Schrijnwerkersgaarde naast het voorzieningengebied aan de Beresteinlaan en in de plinten van bouwblokken en parkeergebouwen tegenover het winkelcentrum. Aanvullend zal in de Dreven kleinschalige bedr jvigheid worden gerealiseerd in de plint van het vrijgelegen parkeergebouw aan de Baljuwdreef. Deze ligt nab j de Melis Stokelaan. Uitzondering op deze randoriëntatie van bedr jvigheid vormt de centraal in de w jk langs De Dreef gelegen karakteristieke voormalige winkelbebouwing met portiekwoningen. Deze zullen worden gerenoveerd voor de huisvesting van kleinschalige bedr jvigheid, retail en maatschappelijke voorzieningen. Nabij de bedrijvigheid zal rekening worden gehouden met extra parkeerruimte voor het parkeren van bedrijfsvoertuigen. 5.4.7. Gedragsverandering en participatie Bewoners geven t jdens participatie-b jeenkomsten aan dat z j verkeersveiligheid in hun buurt belangrijk vinden en dat zij waarde hechten aan de gratis, ruime parkeergelegenheid. Door goed te kijken naar de huidige mobiliteitsbehoefte willen we een slag maken in het vergroten van de leefbaarheid en verduurzaming. De mobiliteitsbehoefte ( k wil van A naar B) van bewoners geldt daarb j als uitgangspunt.
Van daaruit wordt bekeken hoe de financiële draagkracht, het huidige voertuigbezit, de bestemmingen van bewoners en de houding en wensen ten aanzien van mobiliteit en de beperkte hoeveelheid openbare ruimte met elkaar in balans kunnen worden gebracht. De vestiging van een zogenaamde ‘mobiliteitshub’ centraal in de buurt kan helpen om bewoners voor te lichten over
sommige bewoners de auto als statussymbool zien, dat betalen voor een parkeervergunning in beginsel op weerstand stuit en dat onbekendheid met b jvoorbeeld een deelautoconcept een dergelijk concept niet direct bemind maakt. Kansr jk lijkt het daarom bewoners middels participatie deelgenoot te maken van de hierboven geschetste ruimtelijk dilemma’s (wilt u meer parkeerplaatsen of wilt u meer groen?) en de voor de leefbaarheid en het behouden van betaalbare woningen noodzakel jke transitie. Voor de transitie naar een duurzaam concept is enige dwang (parkeerregime) maar vooral veel stimulans, verleiding en voorlichting noodzakelijk. Zo zijn er bijvoorbeeld projecten die het fietsgebruik kunnen laten toenemen, zoals fietslessen, e-bike trainingen, fietsreparatiecursussen en verkeerslessen op scholen. Op dezelfde manier kan voorlichting worden gegeven over gedeeld autobezit. Middels b jvoorbeeld proefabonnementen kan de drempel voor het gebru k van deelmobiliteit worden verlaagd. Cruciaal voor het slagen van de mobiliteitstransitie is de betaalbaarheid van gedeelde concepten. De mobiliteitstransitie in Zuidwest slaagt vooral en alleen als het delen van een auto of scooter goedkoper is dan het in eigendom hebben ervan. Op dezelfde manier kan voorlichting worden gegeven over gedeeld autobezit.
Middels b jvoorbeeld proefabonnementen kan de drempel voor het gebru k van deelmobiliteit worden verlaagd. Cruciaal voor het slagen van de mobiliteitstransitie is de betaalbaarheid van gedeelde concepten. De mobiliteitstransitie in Zuidwest slaagt vooral en alleen als het delen van een auto of scooter goedkoper is dan het in eigendom hebben ervan.
55
5.5 Duurzaamheid, groen en klimaatadaptatie 5.5.1 Duurzaamheidskader In de Kadernota Duurzaamheid, Schone energie in een groene stad (RIS 301829) z jn vier thema’s benoemd waarmee gewerkt wordt aan een gezonde, leefbare en toekomstbestendige stad: • • • •
Schone energievoorziening. Betere leefomgeving. Duurzaam gebruik van grondstoffen. Duurzaam stedelijk vervoer.
De uitgangspunten voor duurzaam stedelijk vervoer zijn beschreven in hoofdstuk 5.4. De overige uitgangspunten worden hieronder behandeld. Den Haag is mede-ondertekenaar van de City Deal Circulair Bouwen. Hierbij wordt ingezet op biobased en industrieel bouwen. Uitgangspunt voor de herontw kkeling is dus circulariteit, hergebruik van materialen en het hanteren van innovatie als uitgangspunt voor doelmatige inkoop. De verschillende planonderdelen zullen klimaatneutraal moeten worden opgeleverd. De verschillende planonderdelen zullen klimaatneutraal moeten worden opgeleverd. 5.5.2 Schone energievoorziening In Den Haag worden nieuwbouw en grootschalige renovatie (aard)gasloos gerealiseerd. Nieuwe woningen zijn goed geïsoleerd waardoor deze met een lage temperatuur verwarmingssysteem (LTW), zoals vloer- en wandverwarming, kunnen worden verwarmd. Uitgangspunt voor nieuw te bouwen woningen is deze te koppelen aan een (collectief) lage temperatuur warmtenet. De totale energievraag op w jkniveau neemt daardoor af.
56
Uitgangspunt in de Dreven, Gaarden en Zichten is dat hierbij optimaal gebruik wordt gemaakt van aanwezig lokale bronnen als bodemenergie (WKO) en aquathermie mogel jk aangevuld met warmte uit een retourleiding van het geothermie warmtenet (cascadering). Of dit tot de mogelijkheden behoort en of er nog andere duurzame energiemogel jkheden z jn wordt nog onderzocht. De gemeente Den Haag heeft al een stedelijk energieplan (ris 306869) en maakt samen met stakeholders uit het gebied een wijkenergieplan met als doel klimaatneutraliteit in 2030. Uitgangspunt is dat ieder gesch kt dak wat niet groen wordt, wordt ingericht met zonnepanelen, zonneboilers of andere vormen van duurzame energie. 5.5.3
Betere leefomgeving
Bij verdichting van de stad in een veranderend klimaat is de realisatie van een klimaatbestendige,schone en gezonde stad
urgent. Milieu- en klimaatmaatregelen zijn daarom integraal onderdeel van het stedelijk ontwerp en de inrichting van de openbare ruimte. Voor de verbetering van het leefklimaat en voor klimaatadaptatie is er meer ruimte nodig voor groen en water, zie ook 5.3.2 Bestaande groene en blauwe structuren worden versterkt en de aansluiting op regionaal groen wordt verbeterd. Om overlast door extreme neerslag, hitte en droogte te voorkomen wordt verharding geminimaliseerd, wordt hemelwater opgevangen en vastgehouden op de plek waar het valt en wordt gezorgd voor verkoeling, verdamping en schaduwrijke plekken. Dit kan door toepassing van natuurlijke beplanting in de openbare ruimte, groene daken en gevels (verticaal groen en geveltuintjes) en door koele materialen toe te passen in gebouwen en in de openbare ruimte. Om de maatregelen concreet te maken wordt momenteel de wegwijzer klimaatadaptatie samengesteld.
5.5.4
Waterparagraaf
De Dreven valt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Delfland zet hiertoe in op stedelijk waterbeheer (maatregelen bij de bron) en werkt samen met gemeenten aan klimaatadaptatie om de zorgplicht ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ te kunnen waarmaken. In de ‘Handreiking watertoets voor gemeenten’ is aan de hand van de verschillende aspecten van de waterhuishouding alle relevant beleid opgenomen. Belangrijk uitgangspunt voor Delfland is dat de waterhuishouding door ruimtel jke veranderingen niet mag verslechteren (‘standstill beginsel’). Daarnaast geldt dat elke ruimtelijke ontwikkeling zelf een bijdrage moet leveren aan de klimaatopgave op watergebied. Dat betekent dat de waterhuishouding door ruimtel jke veranderingen bovenop het ‘standstill beginsel’ in een extra buffer moet voorzien om heviger buien op te kunnen vangen. In het kader van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland (RIS 300633) ondertekend door o.a. gemeente, Hoogheemraadschap van Delfland en Heijmans, is het uitgangspunt afgesproken om op de bouwvelden minimaal 50 mm van piekbuien (70 mm in 1 uur) op privaat terrein te bergen en vertraagd af te voeren (min. 24 – max. 48 uur) middels bijvoorbeeld groene daken of waterbassins in combinatie met ondergrondse parkeerkelders.
Wateroverlast bij bui van 70 mm
Wateroverlast bij bui van 100 mm
57
Uitgangspunt zoals besproken in het watertoetsoverleg met HHD op 29 september 2020 is om de wateropgave ten gevolge van de toename van verharding volledig in oppervlaktewater te realiseren. De wateropgave ten gevolge van de klimaatverandering tot 2050 wordt ook bij voorkeur in oppervlaktewater aangelegd. Als dat laatste aantoonbaar niet mogelijk is, zal het ontbrekende deel van de wateropgave worden aangevuld met vasthoudmaatregelen in de openbare ruimte en op gebouwen. Deze vasthoudmaatregelen moet voldoen aan de prestatievoorwaarden volgens de Richtl jnen voor vasthoudmaatregelen zoals gesteld door het Hoogheemraadschap Delfland. Bij de verdere planuitwerking zal de optimale combinatie van maatregelen op gebieds- en gebouwniveau worden bepaald om te voldoen aan de waterhuishoudkundige opgave vanuit het beleid van Delfland enerzijds. En anderzijds aan de provinciale en de gemeentelijke ambities op het gebied van klimaatadaptatie als invulling van de afspraken vanuit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen dat door alle betrokken partijen worden onderschreven. Elke kans om het watersysteem verder te verbeteren (zie bijlage Toekomstbestendig Haags water! Visie op het voorkomen van wateroverlast 2015-2020) wordt waar mogel jk benut.
58
5.5.5
Natuurinclusief bouwen
Natuurinclusief bouwen (RIS 288182) levert een bijdrage aan de instandhouding van beschermde (en overige) soorten en levert tegel jkertijd een b jdrage aan een prettige leefomgeving en natuurbeleving in de stad. Dat zorgt voor een hoger welzijnsniveau en een betere gezondheid van mensen. Voor deze gebiedsontw kkeling is het puntensysteem Groen en Natuurinclusief bouwen (RIS 301953) van toepassing. De herontwikkeling van de Dreven geldt als ‘grootschalig project’. Zie de bijlage op pagina 50 voor de minimaal te behalen score. Uitgangspunt is dat b j hoogbouw >50m) 100% van de footprint van de stedelijke laag moet terugkomen als horizontale buitenruimtes, zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit. 5.5.6
Luchtkwaliteit en stikstof
Voor de bouwplannen en eventuele bestemmingsplannen dienen onderzoeken voor luchtkwaliteit uitgevoerd te worden en dienen berekeningen te worden gemaakt in het kader van de stikstofproblematiek. In de verdere uitwerking zal hieraan worden gerekend en worden bekeken hoe hiermee om te gaan (salderen per kavel/buurt/wijk/programma). De onderzoeksresultaten en eventuele knelpunten zullen bepalend z jn voor de maatregelen om aan de gestelde eisen te kunnen voldoen.
5.5.8.
Duurzaam gebruik van grondstoffen
UUitgangspunt in Den Haag is een beperking van de hoeveelheid afval, hergebruik van producten en hergebruik van materialen als grondstof voor nieuwe producten (reduce, reuse, recycle). Dit uitgangspunt geldt zowel voor de afvalstroom van bewoners, voor het bouwen en slopen van bebouwing, als voor werkzaamheden in de openbare ruimte.
5.5.9.
Duurzaamheidseisen sloop en nieuwbouw
Uitgangspunten in Den Haag bij sloop of nieuwbouw zijn: •
•
Ten aanzien van de uitgangspunten voor de omgang met de afvalstroom van bewoners en de daarvoor benodigde voorzieningen, zie 5.1.
•
Per januari 2018 geldt een wettel jke grenswaarde aan de berekening van de milieubelasting van de materialen (MPG) van nieuwe woningen en kantoren. Voor sloop hanteren we de minimale eis dat er gesloopt wordt conform de BRL SVMS-007.
•
In het geval van sloop voorzien in een bouwmaterialendepot of -‘bank’ en een materialenpaspoort voor het monitoren van materiaalstromen. Beperking van extra vervoersstromen ten behoeve van nieuwbouw om onaanvaardbare verhoging van de lokale uitstoot en een te grote belasting van het omliggende wegennet te voorkomen. Op gebouw- en gebiedsniveau geldt BREEAM-NL minimaal 4 sterren (excellent) of een GPR-gebouw van minimaal 8 voor de thema’s: milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde en voor energie een score van minimaal 9. Toepassing van bouwmaterialen die lang meegaan, mooi verouderen en her te gebru ken z jn
De gemeente stimuleert bij gebiedsontwikkeling en gronduitgifte het circulair gebruik van materialen en grondstoffen middels gunningscriteria in ontw kkelcompetities. Een voorbeeld is het eisen van een minimale MKI-waarde voor een duurzame aanpak van de Grond-, Weg- en Waterbouw (GWW)
5.5.7 Externe veiligheid Met de landelijke risicokaart kan onderzocht worden of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van de projectlocatie liggen. Hierb j moet zowel gekeken worden naar de plaatsgebonden risico-contouren groter dan 10–6 / jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten) en transport van gevaarlijke stoffen.
59
5.5.10 Bodem
5.5.11 Archeologie
Vanaf 1 januari 2006 geldt de wijziging van Wet bodembescherming (Wbb). Hierbij geldt dat bij het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht. De gewijzigde wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im-)mobiliteit van de verontreiniging. Op de ontwikkellocatie zal bodemonderzoek moeten plaatsvinden.
Volgens het bestemmingsplan Vrederust geldt in De Dreven een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Het art kel bij de dubbelbestemming bepaalt het volgende:
In de Dreven is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit. Op basis van het vooronderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: De onderzoekslocatie wordt beschouwd als verdacht voor diffuse bodemverontreiniging met zware metalen, minerale olie, PAK en PCB in de toplaag van de bodem. Op één locatie is al eerder (2009) sterke verontreiniging met minerale olie, vluchtige aromaten, PAK en zink in de ondergrond vastgesteld. Het betreft waarsch jnlijk geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze locatie wordt beschouwd als verdacht voor lokale verontreiniging. Op een negental locaties is mogelijk sprake van lokale verontreiniging als gevolg van (niet eerder of onvoldoende onderzochte) verdachte activiteiten. Deze locaties worden beschouwd als verdacht voor lokale verontreiniging. De onderzoekslocatie wordt beschouwd als verdacht voor verontreiniging met asbest in de toplaag van de bodem en verdacht voor verontreiniging met PFAS in de (boven)grond. Met het oog op de planontwikkeling op de locatie dient er rekening mee gehouden te worden dat een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd moet worden in het gehele plangebied.
60
Voor het bouwen binnen de bestemming ‘Waarde - Archeologie’ geldt dat, indien er sprake is van het bouwen van bouwwerken met grondroering met een totaal oppervlak van meer dan 50 m2 en een diepte van meer dan 0,5 meter waarvoor een vergunning is vereist, hieromtrent vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag. De afdeling Archeologie kan een onderzoeksrapport verlangen, waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Op grond van een uitgewerkt stedenbouwkundig plan moet onderzoek verricht worden naar aanwezige archeologische waarden. Volgens de Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart Den Haag kunnen op het westelijke deel van de herontwikkelingslocatie bijzondere archeologische waarden worden verwacht . Bij ruimtelijke ontwikkelingen en/of gepland grondverzet is op dit deel van de locatie mogel jk archeologisch (voor)onderzoek nodig.