CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS310948 Bijlage 2 cultuurhistorisch onderzoek en waardestelling

Gemeenteraad 9 februari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Nota van Uitgangspunten Koninklijke Conservatorium Locatie (RIS310948)10.981 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Koninklijk Conservatorium Cultuurhistorisch onderzoek en waardestelling 480|2021

Juni 2021

2

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Inhoudsopgave Inleiding

5

1. De aanloop: 100 jaar ruimtegebrek Muziek van nationaal belang Zwerven door Den Haag De wederopbouw van het Bezuidenhout

7 7 9 11

2. L.H.P. Waterman, conservatoriumgeschoold architect Eigen bureau Het Koninklijk Conservatorium

15 17 19

3. Ontwerp- en bouwgeschiedenis Het programma van eisen Eerste schetsontwerp (mei 1966) Tweede schetsontwerp (1966-1967): 'knap en lyrisch' Nieuwe ideeën over het (muziek)onderwijs Definitief ontwerp (1972-1975) Realisatie en oplevering (1976-1980) Latere wijzigingen

21 21 21 23 27 29 31 33

4. Ruimtelijke en architectonische essenties

35

5. Waardering

49

Noten, afkortingen en bronnen

52

Colofon

53

SteenhuisMeurs BV

3

Dit is het bijschrift van de foto. [HGA]

4

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Inleiding In 1964 werd de conservatoriumgeschoolde cellist en ervaren architect Leon Waterman (1912-1988) benaderd door rijksbouwmeester Jo Vegter om de hoognodige nieuwbouw van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag te ontwerpen. De muziekschool was in 1826 opgericht door koning Willem I en zwierf al bijna anderhalve eeuw door de stad, dringend op zoek naar een eigen, goed geoutilleerd gebouw. Het conservatorium streek uiteindelijk neer in het Bezuidenhout, aan het lawaaiige kruispunt van de gloednieuwe Utrechtsebaan en de Juliana van Stolberglaan. Op deze plek ontwierp Waterman een ingetogen muziek- en danscomplex met een beweeglijk interieur vol karakter en een monumentaal exterieur, dat zich staande moest houden temidden van het geweld aan de Utrechtsebaan. Binnen heerste een ‘paradijs van stilte’ (zo schreef recensent Maarten Kloos in De Volkskrant) en keken de lokalen en vertrekken uit op twee binnentuinen, die als groene oases te midden van het asfalt, beton en staal van het nieuwe Bezuidenhout lagen. In het hart van het gebouw positioneerde Waterman een centrale ontmoetingsruimtes en langs de brede gangen ontwierp hij kleinere hoekjes, kamers en erkers waar de muzikant op zichzelf kon zijn. Uit eigen ervaring wist hij dat muziekstudenten vaak stil en ingetogen waren en, naast ruimtes om op te treden, vooral ook plekken nodig

hadden om zich terug te trekken. Het ontwerp was rijk aan contrasten en toch ingetogen. De gebruikers stonden centraal; zij verleenden eigenheid en karakter aan het gebouw en vulden de gangen en zalen met muziek en dans. Conservatoriumdirecteur Jan van Vlijmen (19352004) vond in het ontwerp het door hem zo gewenste ‘open ontmoetingscentrum’. Er werden uitvoeringen gegeven voor kantoorpersoneel uit de omgeving en projecten gedaan met omwonenden en stedelingen. Het Koninklijk Conservatorium is in 2019 opgenomen in de gemeentelijke inventarisatie Post 65-architectuur als één van de acht geselecteerde karakteristieke Haagse schoolgebouwen voor de periode 1965-1995. In verband met de ontwikkelingsplannen van het Central Innovation District is SteenhuisMeurs door de gemeente Den Haag gevraagd een cultuurhistorische waardestelling op te stellen van het conservatoriumgebouw. Dit onderzoek vertelt het verhaal van het bijna 200-jarige muziekinstituut. In het eerste deel komen de naoorlogse ontwikkelingen in het Bezuidenhout aan bod en bespreken we het wispelturige planvorming- en ontwerpproces van het Koninklijk Conservatorium en het indrukwekkende levensverhaal en oeuvre van Leon Waterman. Vervolgens worden de acht ruimtelijke en architectonische essenties

van het complex besproken: 1. Schakel tussen twee stedelijke systemen; 2. Tech-fix: stilte te midden van verkeerslawaai; 3. Kubische gebouwdelen met elk een eigen gezicht naar de straat; 4. Afleesbaarheid van de functies in de gevels; 5. Geordend labyrint: een interieur als een jazzcompositie; 6. Akoestiek: de mens en de muziek; 7. De poëzie van het contrast; beton en hout; 8. Positie in de Europese architectuurfamilie: the other moderns. Het rapport eindigt met de cultuurhistorische waardering. In een apart deel 2 worden de mogelijkheden voor ontwikkeling en transformatie vanuit cultuurhistorisch perspectief verkend. Wij danken de gemeente Den Haag voor deze bijzondere opdracht en de medewerkers van het Koninklijk Conservatorium en het Haags Gemeentearchief voor hun hulp en het beschikbaar stellen van de archieven. SteenhuisMeurs, 2 juni 2021 Marinke Steenhuis en Vita Teunissen

SteenhuisMeurs BV

5

6

De eerste locatie van het Koninklijk Conservatorium aan het Hoge Westeinde. In het patriciërshuis centraal op de foto kreeg de muziekschool in 1827 vier vertrekken ter beschikking. Foto 1905. [HGA]

Koninklijk Conservatorium Den Haag

1. De aanloop: 100 jaar ruimtegebrek Muziek van nationaal belang De ontstaansgeschiedenis van het Koninklijk Conservatorium begint ruim twee eeuwen geleden, in het jonge Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In 1813 keerde prins Willem Frederik (1772-1843) na achttien jaar terug op Nederlandse bodem. Napoleon was verslagen en de zoon van de vroegere stadhouder was uitgenodigd om de nieuwe landsregering te leiden. In 1815 kroonde de prins zichzelf tot Willem I, de eerste Nederlandse koning. Het was aan deze ‘koopman-koning’ om het jonge, onafhankelijke land – in tegenstelling tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795) een nationale eenheid – op te bouwen die kon wedijveren met de Europese buren. Hij investeerde in de handel, industrie en waterstaat, maar zag ook het belang in van de kunsten. Musici, schilders en toneelspelers werden gevraagd het élan van het nieuwe koninkrijk vastleggen, bezingen en zo vereeuwigen. De koning haalde de ontvreemde kunstwerken van de Oranjecollecties terug uit Frankrijk en stelde deze tentoon in bestaande en nieuwe musea.1 In Den Haag, zijn residentiestad, richtte Willem I het volledig uit professionele musici bestaande Hofkapelorkest op, dat concerten gaf bij maaltijden en feesten.2 Verder liet de koning de wetenschap en kunsten grotendeels over aan zijn

Portret van Willem I, Joseph Paelinck, 1819. [RM]

adviseurs. In 1816 werd het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen opgericht. Filosoof-jurist D.J. van Ewijck (1786-1858) werd administrateur en zou een grote rol spelen bij het opbouwen van het cultuurbeleid en de oprichting van het Koninklijk Conservatorium. Een aantal vertegenwoordigers van het (in de Franse tijd door Lodewijk Napoleon opgerichte) Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten bezocht bij het Eeuwfeest der Drukkunst in Haarlem een teleurstellende zangvoorstelling en verzocht de koning dringend om professionele conservatoria te stichten. Willem I gaf opdracht tot de oprichting van een viertal muziekscholen, in Brussel, Luik, Amsterdam en Den Haag. Het mocht de koopman-koning echter niet teveel kosten. In 1825 verzocht administrateur Van Ewijck aan de Burgemeesters en Schepenen van Den Haag om financiële medewerking bij het oprichten van een rijksinstituut voor toon- en zangkunst.3 Den Haag was graag bereid om ‘Zijner Majesteits heilzame en nuttige bedoelinge’ te steunen.4 Het ministerie en de gemeente kwamen overeen dat eerstgenoemde het onderwijs zou bekostigen en Den Haag de huisvesting. De kiem was gelegd: ruim een eeuw zouden het rijk en de stad de verantwoordelijkheid voor deze rijksinstelling heen en weer schuiven.

SteenhuisMeurs BV

7



8

Schetsontwerp voor een conservatorium tussen de Varkenmarkt en de Korte Beestenmarkt, Dienst Gemeentewerken, 1914. [HGA, archief 487, inv. nr. 2149] Schetsontwerp voor een conservatorium aan de Wassenaarseweg in het Benoordenhout, Dienst Gemeentewerken, 1915. [HGA, archief 487, inv. nr. 2149]

Koninklijk Conservatorium Den Haag



Schetsontwerp voor een nieuw concertgebouw of conservatorium op de plek van de Oranjekazerne, door Co Brandes aangeboden aan de wethouder, 1926. [HGA, archief 487, inv. nr. 3301] Uitwerking van het wederopbouwplan van W.M. Dudok voor diverse gebouwen in het culturele centrum. Het beoogde conservatorium is omcirkeld. Dienst Gemeentewerken, 1952. [HGA, archief 828, inv. nr. 8805]

Zwerven door Den Haag

In 1827 opende de Haagse muziekschool in een oud patriciërshuis op de hoek van het Hoge Westeinde en de Vleerstraat. Hier waren vier vertrekken beschikbaar, waarvan twee fungeerden als directeurswoning. Binnen een jaar was er een groot tekort aan ruimte. De muziekschool breidde uit binnen het pand, maar in 1840 voldeed ook dit niet meer. De school kon intrekken bij de nieuwe Tekenen Bouwacademie. Dit neoclassicistische gebouw aan de Prinsessegracht, ontworpen door stadsbouwmeester Zeger Reyers (1789-1857), was niet gebouwd voor het muziekonderwijs, en bovendien waren de muziekstudenten en -leraren er te gast. Het samenwonen werd geen succes.

kwamen ze tot een overeenkomst: de gemeente zou de grond leveren, het rijk zou de bouw bekostigen.7

Na de onafhankelijkheid van België in 1830 en de overname van het Amsterdamse conservatorium door de hoofdstad bleef de school in Den Haag het enige koninklijke (nationale) muziekonderwijsinstituut. In 1882 kwam er eindelijk een eigen pand beschikbaar. Aan de Korte Beestenmarkt 7 kreeg de muziekschool beschikking over dertien lokalen en een concertzaaltje. Het onderwijs bleef groeien en al snel speelde het ruimtetekort weer op. Verspreid door de stad werden dependances opgericht. Tientallen jaren werden plannen en ontwerpen gemaakt voor een conservatoriumgebouw. Op papieren schetsen zwierf het muziekinstituut door de stad, van het centrum naar buitenplaatsen aan de rand van de gemeente. Steeds was er te weinig geld. In 1920 schreef de gemeente aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen dat ‘de ongunstige toestand der gemeentelijke geldmiddelen’ niet langer toestond de bouw van het conservatorium te bekostigen.5 De stad kon wel grond ter beschikking stellen. Decennialang schoven beide overheden de taak van zich af en wezen elkaar op de ‘historische verplichtingen’ die ten tijde van Willem I overeen waren gekomen.6 Uiteindelijk

De Bouw- en Tekenacademie aan de Prinsessegracht, 1926. [RCE]

Geen lapwerk meer Na de Tweede Wereldoorlog leek er schot in de zaak te komen. In het wederopbouwplan voor het enorme litteken dat de Atlantikwal door Den Haag had getrokken projecteerde stadsarchitect W.M. Dudok (1884-1974) een cultureel centrum bij het Gemeentemuseum. Naast een uitbreiding van het museum en een congresgebouw was hier in zijn ogen ook ruimte voor een nieuw conservatorium. In 1951 deed Dudok afstand van zijn functie. Nog steeds was er geen conservatorium. Om tegemoet te komen aan het nijpende ruimtetekort kreeg de school beschikking over vier lokalen in een schoolgebouw aan de Lombardstraat, op de voorwaarde dat er geen muziek werd gemaakt. In januari 1952 luidde conservatoriumdirecteur H.F. Andriessen (1892-1981) de noodklok, niet voor de eerste keer.

Het pand van het Koninklijk Conservatorium aan de Korte Beestenmarkt 7, 1903. [HGA]

Aan de Commissie van Toezicht op het Koninklijk Conservatorium schreef hij de situatie niet langer houdbaar was. Vaak was hij gedwongen zijn eigen kantoor af te staan ter wille van lessen. Leraren moesten hun leerlingen thuis ontvangen of gaven les in ‘duffe kamers’ en ‘een miserabel keukentje’.8 ‘De ondervinding heeft geleerd, dat het Koninklijk Conservatorium niet naar waarde wordt geschat. (…) Ik moet de bittere vraag stellen: waarom komt het Koninklijk Conservatorium niet aan de beurt? (…) Als er een Academisch Instituut in Den Haag kan komen, is zelfs het Koninklijk Paleis beschikbaar.’9 De Commissie stuurde de brief door naar staatssecretaris J.M.L.Th. Cals (1914-1971) van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en voegde eraan toe dat ‘een nieuw gebouw volledig geoutilleerd en voldoende aan moderne eisen’ de enige oplossing was.10 De boodschap was duidelijk: ‘geen lapwerk meer.’

SteenhuisMeurs BV

9

 

Luchtfoto van het Bezuidenhout na het bombardement van 3 maart 1945. De latere locatie van het conservatorium is omkaderd. [HGA] Juliana van Stolbergplein na het bombardement, 1945. [HGA]

Wederopbouwplan Bezuidenhout, 1961.

Pr. Beatrixlaan Prins Bernardviaduct (verhoogd)

10

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Utrechtsebaan (verdiept)

De wederopbouw van het Bezuidenhout

De uiteindelijke locatie van het Koninklijk Conservatorium aan de Juliana van Stolberglaan werd voor het eerst genoemd in 1954. Hoofddirecteur van de Dienst van Wederopbouw en Stadsontwikkeling F. Bakker-Schut (1903-1966) was door het College van Burgemeester & Wethouders verzocht de mogelijke locaties voor een nieuw muziekschoolgebouw in kaart te brengen. Hij kwam tot acht locaties, maar in werkelijkheid viel er weinig te kiezen. De enige locatie die groot genoeg, centraal gelegen, goed bereikbaar, in eigendom van de gemeente en nog onbebouwd was lag pal aan een doorgaande weg, waar op termijn een enorm kruispunt aangelegd zou worden. ‘Een vrij pover resultaat’ voor een muziekschool, gaf BakkerSchut toe, maar mogelijk kon met de opzet van het gebouw rond een binnenhof en met gangen langs de buitenrand de nodige rust en stilte worden gecreëerd.11 Het beoogde terrein voor het Koninklijk Conservatorium was beschikbaar, omdat het bombardement op 3 maart 1945 grote verwoestingen had aangericht in het Bezuidenhout. Driekwart van de deftige ambtenarenwijk tussen de Amalia van Solmslaan en het spoortracé was weggevaagd. Het zou meer dan vijftien jaar duren voordat

de plannen voor de wederopbouw van het braakliggende terrein gereed kwamen. Vanwege de nabijheid van het Binnenhof en het Centraal Station waren er enorme belangen gemoeid met de herontwikkeling van het gebied. De Nederlandse Spoorwegen, de Rijksgebouwendienst, Rijkswaterstaat, de gemeente, het provinciaal bestuur en opportunistische projectontwikkelaars hadden ieder hun claims op de ruimte.12 Verschillende rijks-, stads- en particuliere architecten tekenden utopische plannen. Het verkeer drukte een grote stempel op de ontwikkelingen en er werden verhoogde, Hofplein-achtige rotondes en verdiepte wegen ingetekend. Uiteindelijk kwam de Dienst Stadsontwikkeling in 1961 met een versoberd, maar goedgekeurd plan. Het verhoogde Prins Bernhardviaduct zou het Bezuidenhout over de spoorweg met de binnenstad verbinden. De Utrechtsebaan werd verdiept aangelegd en via afritten met de Juliana van Stolberglaan en het Prins Bernhardviaduct verbonden. Het rijk kocht vier grote kavels ten noorden van de Juliana van Stolberglaan. Hier werden op termijn een aantal ministeries, publieke gebouwen en het Paleis van Justitie gerealiseerd. Aan de andere kant van de Juliana van Stolberglaan, langs de Prinses Beatrixlaan, moest een kantorenstrook komen.

SteenhuisMeurs BV

11



12

Het Prinses Beatrixkwartier vanuit de lucht. Het terrein van het Koninklijk Conservatorium is nog onbebouwd, en ook de Utrechtsebaan is nog niet aangelegd. [HGA] De Prinses Beatrixlaan vanuit het noorden, met links het kantoorgebouw van de Postcheque en Girodienst (PTT) en rechts het gebouw van Wereldhave N.V. 1975. [HGA]

Koninklijk Conservatorium Den Haag

  

De zijgevel van de Tweede Telefoondistrictscentrale van Bureau Kraaijvanger, 1962. [kraaijvanger.nl] 'De Zilveren Toren' van Oyevaar, Stolle, Van Gool, 1969. [HGA] Kantoorgebouw Postcheque en Girodienst (PTT), van Van den Broek en Bakema (1956, afgebroken in 1999). [HNI]

Het meanderende maaiveld tussen en onder het Rijksarchief (voor) en de Koninklijke Bibliotheek (achter). [HGA]

Het duurde wederom enkele decennia voordat de rijksgebouwen gereed kwamen. De particuliere bouwprojecten aan de Prinses Beatrixlaan kwamen sneller tot stand. De kantoren hier kregen een strakke vormgeving, met zware (beton)randen afgewisseld met doorlopende raamstroken, kenmerkend voor de jaren zestig. De meeste gebouwen uit deze periode zijn – zoals dat gaat in het gewilde centrum van Den Haag – inmiddels verdwenen. De Zilveren Toren van Oyevaar, Stolle en Van Gool (1969) aan de Jan Pietersz. Coenstraat herinnert nog aan deze

Het halfopen hof met een vijver van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, foto van Milan Konvalinska, 1984 [HGA]

tijd. De publieke gebouwen bij het station hadden een heel andere architectuur. Winkelcentrum Babylon (Lucas & Niemeijer, 1978), het Rijksarchief (S. Schamhart, 1979), de Koninklijke Bibliotheek (A. Hagoort, 1981) en het Ministerie van Buitenlandse Zaken (D. Apon, 1984) hadden sterk gelede bouwvolumes, die terugtrapten ten opzichte van de openbare ruimte. Kenmerkend zijn de zoektocht naar de menselijke maat temidden van de grootschaligheid, met als trefwoorden kleinschaligheid, beslotenheid en de meanderende buitenruimte. Binnen functioneerden de

gebouwen als steden, met hoge vides, interieurpleinen en flexibele plattegronden. Het Koninklijk Conservatorium lag op de overgang tussen deze twee werelden. Enerzijds moest het gebouw meedoen met de zware kantoorarchitectuur aan de Prinses Beatrixlaan, anderzijds sloten de publieke functie, het programma en de rol in de stad aan op de openbare gebouwen aan de overzijde van de Juliana van Stolberglaan. Het was aan de architect om deze twee sferen met elkaar te verbinden.

SteenhuisMeurs BV

13

Waterman in zijn werkruimte in het souterrain van zijn woning aan de Lomanstraat 11. Op de voorgrond links een maquette van het Koninklijk Conservatorium. Foto: Ino Roël, ca. 1975. [AA]

14

Koninklijk Conservatorium Den Haag

2. L.H.P. Waterman, conservatoriumgeschoold architect Leon Hijman Paul (‘Lé’) Waterman (1912-1988) kreeg muziek met de paplepel ingegoten. Zijn vader was, naast belangrijk kankeronderzoeker, gepassioneerd violist. Vanaf zijn achtste volgde zoon Leon cellolessen. Hij genoot een volledige muziekopleiding aan het conservatorium van Rotterdam. Daarnaast werkte hij vanaf zijn vijftiende in de bouw, waar hij ‘de praktijk van het architectenvak’ leerde kennen.13 ’s Avonds volgde hij nog cursussen aan de tekenvakschool. Hij werd bouwkundig tekenaar bij verschillende architectenbureaus en werkte als opzichter bij de bouw van een aantal nieuwe paviljoens van de Joodse psychiatrische inrichting in Apeldoorn. In 1935 schreef hij zich in bij de Academie van Bouwkunst in Amsterdam. Over deze keuze voor architectuur vertelde hij later in een interview met Het Parool: ‘[Ik zag] in dat ik nog maar weinig van architectuur wist, vooral in theoretische zin, en wél al heel veel van muziek. (…) Ik begreep dat de celloliteratuur betrekkelijk beperkt is, zodat je steeds weer dezelfde stukken moet spelen. Bovendien ga je op latere leeftijd als cellist op den duur achteruit, terwijl je als architect juist rijper werk kan gaan afleveren.’14

In Het Nieuwe Instituut in Rotterdam wordt het dossier van Watermans tijd aan de Academie bewaard. Het geeft een inkijkje in zijn tijd als student. Hij studeerde bij beroemde architecten als W. van Tijen (1894-1974), J.F. Berghoef (1903-1994), S. van Ravesteyn (1889-1983), H.T. Zwiers (1900-1992) en N. Landsdorp (1885-1968). Kenmerkend voor het werk van zijn leermeesters zijn zowel het rationalisme en de systematiek van de serieproductie – Berghoef en Zwiers waren dé architecten van het Airey-bouwsysteem – als het barokke modernisme, de herinterpretatie van de traditie, de menselijke maat en de sierlijkheid. Deze twee eigenschappen, de moderniteit en de traditie te verenigen, daarover ging het debat in de Nederlandse architectuur na de bevrijding. In 1942 kon Waterman nog net afstuderen. Daarna moest de joodse architect onderduiken. De familie Waterman tijdens de Tweede Wereldoorlog Leons vader Nathaniel Waterman was een belangrijk kankeronderzoeker bij het Nederlandse Kankerinstituut (NKI) van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis. Hoewel hij op basis van nazi-wetgeving in 1941 werd ontslagen,

mocht Waterman dankzij zijn grote verdiensten zijn werk in het laboratorium toch voortzetten. Zijn onderzoek naar de kankerverwekkende werking van kleurstoffen zou van grote invloed zijn op latere warenwetgeving. Het NKI trachtte uit alle macht om de deportatie van dr. Waterman en zijn vrouw, laborante Mien Waterman-Rippe, te voorkomen. Op 29 september 1943 werden ze toch naar Westerbork vervoerd. In november slaagde het NKI erin Nathaniel terug te halen naar Amsterdam om aan huis, waar een laboratorium werd ingericht, zijn onderzoek voort te zetten. Mien moest als tegenprestatie in Westerbork blijven. Nathaniel en Mien Waterman overleefden de oorlog, maar twee van hun drie kinderen werden in 1942 omgebracht. Elizabeth Fisher-Waterman (1910) en haar man Ernst Fischer (1894) stierven in Auschwitz-Birkenau en Dolf Waterman (1915) in Mauthausen.15 Zijn vrouw, Froukje Esther Hollander (1915), overleed een jaar later in Auschwitz. Leon Waterman was aan zijn deportatie ontsnapt door net op tijd onder te duiken. Twee jaar en acht maanden lang verbleef hij op zijn onderduikadres, zonder ooit op straat te komen.16

SteenhuisMeurs BV

15

 

Stationshal in Utrecht van Van Ravesteyn, 1939. [UA] Het raadhuis van Aalsmeer van Berghoef, 1962. [eigen collectie]

Watermans leermeesters

16

Koninklijk Conservatorium Den Haag

 

Het Zuiderbad in Zandvoort van Zwiers, 1933. [NHA] Airey-woningen in Nieuwendam van Zwiers, ca. 1950. [AA]

Een van Watermans eerste eigen projecten, een woonhuis met erkers aan de Valeriusstraat 55, Amsterdam. [AA]

Eigen project

Eigen bureau

 

Woningwetwoningen aan de Langeweg in Venray. [GM] De Academie van Bouwkunst in Amsterdam na renovatie. [Bouwkundig Weekblad, 1964, p. 250]

 

De Fizeaubuurt, ontworpen in samenwerking met A. Bodon. Foto's: Nico Swaager, 1953. [AA] De Academie van Bouwkunst in Amsterdam na renovatie. [Bouwkundig Weekblad, 1964, p. 250]

Ondanks de vele verliezen pakten Leon en zijn ouders het leven weer op. Dr. Waterman werd hoofd Biochemie bij het Nederlands Kanker Instituut. Bij zijn afscheid in 1958 sprak de waarnemend voorzitter van de medische stafraad dr. E.A. van Sloten: ‘Dr. Waterman was een geleerde met de ziel van een kunstenaar’.17 Ook voor Leon was er na de bevrijding voldoende werk, zowel in de woningbouw als van joodse opdrachtgevers. Hij kon aan de slag bij ‘een belangrijk architect’, maar wilde zelfstandig blijven.18 In 1946 stichtte hij een eigen bureau en ontwierp een buurtje van twaalf woningwetwoningen in Venray. Drie jaar later volgde een woningbuurt aan de Fizeaustraat, die hij in samenwerking met architect Alexander Bodon (19061993) ontwierp. Een project waar Waterman later met veel plezier op terugkeek was de renovatie en verbouwing van de Academie van Bouwkunst Amsterdam, zijn alma mater, in 1964. Hij was zich bewust van zijn rol als architect ten opzichte van dit monumentale gebouw: ‘Voorop stond dat de academie levend gemaakt moest worden. Maar even belangrijk was, dat het monument een monument zou blijven en dat het functionele niet zou prevaleren. (…) Wat is voor architecten van nú van waarde, dat wil zeggen wat boeit ons, waarmee hebben we contact? Dat is het tijdloze dat, voor zover het in het verleden ontstond, waard is doorgegeven te worden.’19

SteenhuisMeurs BV

17

Holocaustmonument Hollandse Schouwburg, foto: Anefo, 1961. [AA]

De synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam aan de Graafschapstraat, 1975. [RCE]

 

18

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Maquette van de synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam. Foto: Jac. de Nijs/Anefo, 1964. [RCE] Het Sinaï-centrum, een joods psychiatrisch ziekenhuis aan de Laan 1914 in Amersfoort. [AE]

In 1960 opende het door Waterman ontworpen Sinaï-centrum in Amersfoort. Voor de oorlog was hij bouwopzichter geweest bij de paviljoenbouw van deze kliniek in Apeldoorn. Het nieuwe complex verrees op de plek van het Amersfoortse strafkamp, een betekenisvol moment voor de architect: ‘Nooit zal ik de dag vergeten waarop ik het gloednieuwe gebouw mocht overdragen. Bij die gelegenheid werden de huizen van de kampbeulen met de grond gelijk gemaakt. Je kunt je voorstellen wat er toen in mij, als joods architect, omging.’20 Ook van Watermans hand kwamen het Holocaustmonument in de Hollandse Schouwburg in Amsterdam en de synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente aan de Graafschapstraat (inmiddels afgebroken). In zijn ontwerpen herkennen we de kubische, sculpturale vormentaal, de gelaagde architectuur, de plastische opbouw en de rijkdom aan details die Waterman ook bij het conservatorium toepaste. Het Koninklijk Conservatorium In 1964 werd Waterman benaderd om een schetsontwerp te maken voor het Koninklijk Conservatorium. Er was een uitgebreide zoektocht aan vooraf gegaan. In 1956 was

een commissie opgericht die het rijk moest adviseren bij de architectenselectie. De commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de Commissie van Toezicht, de gemeente en het Rijk en rijksbouwmeester Friedhoff, concludeerde dat ‘een architect van naam’ gewenst was.21 De architect moest over voldoende ervaring beschikken, maar ook nog niet te oud zijn, want de commissie voorzag (terecht) dat de realisatie van het conservatorium wel even op zich zou laten wachten. Architect J.W.C. Boks (1904-1986) uit Rotterdam werd een geschikte kandidaat geacht, maar het is niet bekend of hij ook is benaderd. Enkele jaren gebeurde er niks, mogelijk in verband met de onduidelijkheid omtrent het wederopbouwplan van het Bezuidenhout. Uiteindelijk werd Waterman gevraagd door Friedhoffs opvolger, rijksbouwmeester J.J.M. Vegter (19061982). De opdracht voor het nieuwe conservatorium zag Waterman als de bekroning van zijn loopbaan. Het was wederom – na de vele joodse opdrachten en de Academie van Bouwkunst – een project dat hem na aan het hart lag. Nog steeds speelde hij elke dag cello, hoe druk hij ook was als architect.

SteenhuisMeurs BV

19

1961 Wederopbouwplan Bezuidenhout C vastgesteld

1968 'Mammoetwet' in werking Jan van Vlijmen nieuwe directeur Koninklijk Conservatorium

1960

februari 1957 advies architectenselectiecommissie februari 1956 locatiekeuze definitief december 1954 Bakker-Schut brengt locatie aan Juliana van Stolberglaan in

1970

1964 architect L.H.P. Waterman benaderd

mei 1969 uitbreiding PvE

mei 1966 eerste schetsontwerp

november 1972 uitbreiding PvE

1970 tweede definitieve ontwerp

november 1966 tweede schetsontwerp (na wijziging in- en uitrit)

januari 1969 eerste definitieve ontwerp

Koninklijk Conservatorium Den Haag

april 1967 start bouw september 1975 aanbesteding

oktober 1971 bouwkundig bestek en begroting gereed

april 1967 tweede schetsontwerp uitgewerkt

20

1980

1973 derde definitieve ontwerp

augustus 1972 bouwaanvraag ingediend

maart 1980 oplevering

3. Ontwerp- en bouwgeschiedenis Om het ontwerp- en realisatieproces van het nieuwe conservatorium in goede banen te leiden werd een adviescommissie opgericht. De notulen van de commissiebijeenkomsten zijn bewaard gebleven in het gemeentearchief van Den Haag. Ze geven de indruk van een wispelturig ontwerptraject, want het gesteggel over de financiering ging door. Bovendien was het onderwijs in het algemeen en het Koninklijk Conservatorium in het bijzonder volop in ontwikkeling, waardoor het programma van eisen gedurende het ontwerpproces steeds werd uitgebreid. Het programma van eisen Het programma waar Waterman mee aan de slag ging was gebaseerd op een gebruik van 350 muziekstudenten, 50 dansleerlingen, 50 amateurmusici en 80 docenten. Het gebouw moest meer worden dan een muziekschool, maar een volledig geoutilleerd muziek-, dans- en operagebouw, waar leerlingen van de lagere school tot het hoger onderwijs hun opleiding konden doorlopen. De eisenlijst bestond uit: • een lesvleugel met ca. 50 lokalen; • een balletschool met één grote en één kleine balletzaal en bijbehorende kleedkamers; • een vleugel voor de muziekleerlingen van het l.o. (lager onderwijs) en u.l.o. (uitgebreid lager onderwijs)

• •

• • • • • • • • •

met vijf lokalen, teken- en natuurkundezalen en een buitenspeelplaats; een concertzaal met 750 zitplaatsen, met bijbehorende stem- en kleedkamers; een opera- en balletzaal met 550 zitplaatsen en een orkestbak met variabele hoogte waardoor het toneel kon worden uitgebreid. Daarbij kleed-, stemen wachtkamers voor de solisten, de dirigent, de regisseur, het heren- en dameskoor, de kapper, het orkest, de balletdansers, het technisch personeel en de toneelmeester. Tevens opslagplaatsen voor de decors, kostuums en rekwisieten; een foyer bij de zalen, die tevens kon fungeren als kantine voor de leerlingen gedurende de schooldag; een repetitiezaal met een klein orgel; een elektronische studio; tien studeerkamers; een bibliotheek met leeszaal, boekenmagazijn en binderij; (kantoor)ruimte voor de directeur en het administratief en ondersteunend personeel; een conciërgewoning met drie slaapkamers; een fietsenberging met 200 plaatsen; en parkeerruimte op het terrein voor 70 auto’s.

Eerste schetsontwerp (mei 1966) De Utrechtsebaan bestond in de jaren 60 alleen nog op papier, maar het verkeersgeluid zou grote invloed hebben op de akoestiek van de muziekschool. De verkeerssituatie dicteerde de ruimtelijke opzet van het gebouw. Prof. Ir. C.W. Kosten en dr. P.A. de Lange van TNO waren vanaf begin 1966 bij het ontwerp betrokken als akoestisch adviseurs en waarschuwden Waterman voor het ‘niet te onderschatten!’ verkeerslawaai.22 Een conservatorium op deze plek was alleen mogelijk als de gevoeligste ruimtes (leslokalen) aan een binnenhof zouden liggen. De concert- en toneelzaal konden wel aan de wegen worden gepositioneerd, mits ze geen ramen hadden en de gevels zwaar werden geconstrueerd. In mei 1966 presenteerde Waterman een eerste schets tijdens een bijeenkomst van de adviescommissie. Helaas zijn de tekeningen niet bewaard gebleven, maar dankzij de notulen weten we dat de kern van het uiteindelijke plan hier al op tafel lag. De conservatoriumvleugel was een hoogbouwvolume van acht verdiepingen dat als geluidsscherm langs de Juliana van Stolberglaan zou fungeren. De hoogbouw grensde aan een open hof, evenals de balletschool en het lagere onderwijs in twee laagbouwvleugels. Het zalenblok aan de Utrechtsebaan rondde de hof af.

SteenhuisMeurs BV

21

22

Situatietekening en plattegrond horende bij het tweede schetsontwerp, november 1966. [Bouwtekeningenarchief Den Haag, DSO_SO/18362]

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Tweede schetsontwerp (1966-1967): 'knap en lyrisch'

Enkele dagen na de commissiebijeenkomst vernam Waterman van de Haagse Gemeentelijke Dienst Stadsontwikkeling dat de door hem beoogde entree aan de zijde van de toekomstige Utrechtsebaan niet mogelijk was. Volgens het wederopbouwplan Bezuidenhout BIII, waar het conservatorium binnen viel, moest langs de gehele Utrechtsebaan een doorlopende plantsoenstrook van vijf meter breed worden aangelegd. Hierdoor kon aan deze zijde geen in- en uitrit tot het terrein worden gerealiseerd. Dit bracht Watermans oorspronkelijke opzet in de war. Tijdens de vergadering van de adviescommissie een maand later uitte hij zijn frustratie. Hij zou nu ‘tot een geheel nieuwe conceptie’ moeten komen.23 Maar het lukte hem de hoofdentree te verplaatsen en het oorspronkelijke concept te behouden. In november 1966 presenteerde Waterman een herziening van het ontwerp aan de adviescommissie. De commissie ging akkoord met de schets en Waterman nam een half jaar om het ontwerp verder uit te werken.24 In december maakten Waterman en zijn adviseurs De Lange (akoestiek) en Van Rossem (constructie) een reis naar het in 1966 opgeleverde conservatorium in Warschau, ontworpen door Stanisław Niewiadomski (1928-2008). Dit conservatorium was slechts in geringe mate vergelijkbaar met de (geluids)vraagstukken waar de architect en zijn adviseurs voor stonden.

Bovendien omvatte het bouwprogramma in Warschau ook een radio- en televisiestudio, maar geen opera- en balletruimtes. Het ontwerpteam kon er vooral bestuderen ‘wat wel gelukt was, en wat minder,’ aldus Waterman.25 Hij had er onder andere geleerd dat via de vloeren, meer dan via de wanden, geluiden vervelend konden doordringen. Om deze reden besloot Waterman de verschillende typen lokalen (voor zang, piano, blaasinstrumenten, etc.) in de

Maquette van het schetsontwerp. Links het lesgebouw, op de voorgrond de concertzaal, en rechts de studievleugel en toneelzaal met markant dak. [NRC Handelsblad, 23 november 1973]

hoogbouw verticaal in plaats van horizontaal aan elkaar te schakelen. In de toelichting op het uiteindelijke schetsontwerp (april 1967) beschreef Waterman hoe de architectuur van het complex was afgestemd op de forse schaal en de hoogte van bebouwing in de omgeving. Het ‘overwegend gesloten karakter’ van het conservatorium zou het gebouw ‘voldoende kracht’ verlenen, ‘om zich temidden van de omringende hoogbouwen te handhaven’.26 Het ontwerp bestond uit een aantal volumes van verschillende hoogtes. Aan de Juliana van Stolberglaan lag de hoofdentree met daarachter de centrale ontmoetingsruimte. Ten westen daarvan, richting de Utrechtsebaan, lag het zalenblok met de concertzaal, de toneelzaal, bijbehorende kleeden stemkamers en vleugel langs de Utrechtsebaan met studeerkamers. Aan de andere kant van de hoofdentree tekende Waterman een hoger volume met zes verdiepingen voor het conservatorium zelf, met praktijk- en theorieleslokalen en de administratieafdeling. Via de conservatoriumvleugel was de afdeling van het lager onderwijs bereikbaar, een lager volume langs de Prinses Beatrixlaan. Aan de achterkant van het complex lag de balletafdeling, die weer verbonden was met het zalenblok. De verschillende volumes omsloten samen een groot en een kleiner hof. Het exterieur van het zalenblok was grotendeels gesloten.

Alleen in de studievleugel langs de Utrechtsebaan en aan de noordzijde van het concertzaalvolume bracht Waterman enkele raamstroken aan. De hoogbouw van het conservatorium was extraverter. De doorlopende vensterstroken werden onderbroken door uitkragende erkers, waardoor de gevel het beeld van een notenbalk opriep. Volgens Waterman was dit echter niet de

bedoeling geweest. De erkers waren geïnspireerd op zijn eigen conservatoriumtijd: ‘als je stond te wachten voor de leskamer, soms gespannen omdat je examen moest doen, [was] het prettig om je even te kunnen terugtrekken in een hoekje. Zo ontstonden de erkertjes.’27 De twee hoven brachten lucht en licht in het complex. Alle les- en pauzeruimten hadden uitzicht op deze groene en goed bezonde binnentuinen, waar in de zomer ook buitenlessen georganiseerd konden worden. De verschillende functies waren van buiten herkenbaar door de blokmatige opzet van het gebouw, maar binnen vloeiden de ballet- en muziekafdelingen in elkaar over. De pauzeruimte was verdeeld over twee verdiepingen en vormde het centrale, maar toch intieme binnenplein vanaf waar de verschillende vleugels toegankelijk waren. Naast de hoofdingang aan de Juliana van Stolberglaan ontwierp Waterman drie entrees. De foyer onder de concertzaal was apart toegankelijk, evenals de balletvleugel en de l.o.- en u.l.o.-school.

SteenhuisMeurs BV

23

 

Voorgevelaanzicht horende bij het uitgewerkte schetsontwerp, april 1967. [HGA] Doorsnede met links de concertzaal en rechts de toneelzaal, horende bij het uitgewerkte schetsontwerp, april 1967. [HGA]

Het schetsontwerp werd goedgekeurd door de adviescommissie, de Rijksgebouwendienst, de ministeries van CRM en Financiën en de Welstandscommissie van Den Haag. Rijksbouwmeester Vegter achtte het plan ‘knap, lyrisch en zodanig verantwoord dat ik het graag voor uitvoering aanbeveel.’28 Waterman kreeg opdracht

24

Koninklijk Conservatorium Den Haag

 

Situatietekening horende bij het uitgewerkte schetsontwerp, april 1967. Op het terrein moest parkeerruimte zijn voor 70 auto's. [HGA] Plattegrond van de eerste verdieping horende bij het uitgewerkte schetsontwerp, april 1967. [HGA]

tot het maken van het definitieve ontwerp, dat hij in april 1968 indiende, en vervolgens ook het bestek. Dit duurde vanwege de technische complexiteit van het gebouw langer. Er werden in de periode tot 1971 nog verschillende adviseurs bij het project betrokken.

SteenhuisMeurs BV

25

26

In 1971 is er nog steeds geen paal de grond in. Naar aanleiding van de artikelenserie van Chavannes worden er vragen in de Tweede Kamer gesteld. [NRC Handelsblad, 23 november 1971]

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Jan van Vlijmen werd adjunct-directeur van het Koninklijk Conservatorium in 1967 en nam vanaf 1968 de werkzaamheden over van de zieke directeur Kees van Baaren, die in 1970 overleed. [Kasander, 1977]

Nieuwe ideeën over het (muziek)onderwijs

Achter de schermen werd het ontwerp gereed gemaakt, maar ondertussen moesten de muziekschoolleerlingen het nog altijd doen met de minimale voorzieningen van de bestaande huisvesting aan de Korte Beestenmarkt. Op het bestemde terrein voor het nieuwe conservatorium, omgeven door de kantoorgebouwen aan het Prinses Beatrixkwartier, kampeerde in 1968 een groep Franse zigeuners. In november 1971 wijdde journalist Marc Chavannes een tweeluik in het NRC Handelsblad aan de lijdensweg van de Haagse muziekschool. Ruim vijftien jaar na de locatiekeuze bestonden de plannen nog steeds alleen op papier. Er waren meerdere oorzaken voor het trage proces. Weer waren het de verantwoordelijke overheidsinstanties die voor vertraging zorgden. Het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen was opgesplitst in het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. De nieuwe ministeries en de Rijksgebouwendienst wezen voortdurend naar elkaar. In 1968 en 1969 reisde het fysieke conservatoriumdossier op en neer tussen de twee ministeries. Het was een herhaling van de onduidelijke taakverdeling vóór de oorlog. Bovendien was het Koninklijk Conservatorium niet de enige grootschalige rijksinstelling waar nieuwbouwplannen voor in de maak waren.

Aan de overkant van de Juliana van Stolberglaan moesten een nieuw Rijksarchief en de Koninklijke Bibliotheek verrijzen.29

Ook veranderingen in het onderwijs zorgde voor vertraging. Om het inefficiënte en ondemocratische vooroorlogse schoolsysteem te moderniseren had minister Cals een ambitieus reorganisatieplan opgesteld. De Wet op het voortgezet onderwijs (‘Mammoetwet’) trad in 1968 in werking en vormde de basis voor het onderwijssysteem zoals we dat nog steeds kennen. Mede naar aanleiding van de Mammoetwet vroeg de directeur van de afdeling Nieuwbouw van de Rijksgebouwendienst in 1969 of het mogelijk was om de l.o. (lager onderwijs) en de u.l.o. (uitgebreid lager onderwijs, equivalent van tegenwoordige voortgezet onderwijs) van het Koninklijk Conservatorium met een verdieping uit te breiden, een extra balletzaal toe te voegen en meer studeerkamers te realiseren. Waterman paste het ontwerp aan, maar de uitbreiding van de lagere onderwijsafdeling was wat hem en de adviescommissie betreft niet mogelijk.30 In oktober 1972 waren alle tekeningen gereed en het budget beschikbaar. De aanbesteding kon beginnen. Maar op de valreep bracht de nieuwe directeur van het Koninklijk Conservatorium een nieuwe wensenlijst in. In 1968 werd de toen 33-jarige componist en onderwijsvisionair Jan van Vlijmen (1935-2004) directeur van het Koninklijk Conservatorium. Hij bepleitte een nieuwe rol en meer maatschappelijke houding van het conservatorium. Het moest een open ontmoetings- en

discussiecentrum worden, dat de confrontatie aanging met de buitenwereld, een kritische houding innam, en samenwerkte met professionele orkesten en musici. Het Nederlandse muziekonderwijs was niet van voldoende kwaliteit om professionele muzikanten voor orkesten op te leiden. Die kwamen uit het buitenland. Van Vlijmen stelde een plan op om de solistenprogramma’s, die waren verspreid over zestien muziekonderwijsinstituten in Nederland, te concentreren in de twee conservatoria in Amsterdam en Den Haag. Alleen zo kon de energie en inspanning van geschikte docenten worden samengebundeld om kwalitatief goede musici af te leveren. Het nieuwe gebouw in Den Haag zou daar de geschikte locatie voor zijn, met de grote concert- en operazalen en moderne voorzieningen. Maar de plannen voor dit gebouw moesten wel worden aangescherpt. Van Vlijmen breidde het programma van eisen uit met twee balletzalen, een afdeling voor audiovisuele mediaopleidingen en een volledige studievleugel met tachtig kleine kamers. Leerlingen konden thuis nu eenmaal niet eindeloos muziek maken. Voor het groepsonderwijs plande hij vijf grote repetitiestudio’s en een collegezaal met 75 zitplaatsen. De begroting verdubbelde bijna van 18 naar 32 miljoen gulden. Eind november 1972 werd Waterman gevraagd het ontwerp te wijzigen. In slechts tien dagen tijd paste hij de nieuwe functies in.

SteenhuisMeurs BV

27

Plattegrond van de begane grond horende bij het uitgewerkte schetsontwerp, 1975. [Bouwtekeningenarchief Den Haag, DSO_SO/18362]

7

5

6

1

2

3

4

28

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Definitief ontwerp (1972-1975)

Hoewel het programma flink was uitgebreid, werden de toegevoegde functies in het oorspronkelijke gebouwconcept gevoegd. De collegezaal paste Waterman in tussen de centrale pauzeruimte en het grote hof (nr. 1 op de plattegrond op de volgende pagina). De elektronische studio kwam op de plek van de fietsberging onder het conservatoriumgebouw (2), waardoor de stalling verschoof naar de ruimte onder de concertzaal (3). De aparte ingangen en foyer van deze zaal werden geschrapt, maar de transparante gevel op de begane grond bleef, waardoor de fietsenstalling een enigszins merkwaardige positie in de plint kreeg. Deze gevel ging echter verborgen achter de nieuwe parkeerplaatsen op deze hoek van het terrein (4), omdat de parkeerruimte onder de balletvleugel nu werd ingenomen door de extra dansstudio’s (5). Tussen de concertzaal en de toneelzaal kwamen vijf grote repetitiestudio’s (6). De kleed- en stemkamers horende bij de toneelzaal kregen een tweede functie als studeerkamers. Ten koste van een deel van het zijtoneel werd in deze studievleugel een tweede rij met individuele (raamloze) studeerkamers toegevoegd (7). Het gebouw zou nu plaats kunnen bieden aan 700 studenten en 120

Maquette van het schetsontwerp. 1: lesgebouw, 2: centrale ontmoetingsruimte en bibliotheek, 3: concertzaal, 4: studievleugel, 5: toneelzaal, 6: balletschool en 7: l.o. en u.l.o. [NRC Handelsblad, 26 januari 1976]

docenten, in plaats van de ca. 500 personen waar het programma van eisen uit 1966 op was gebaseerd. Eind 1972 werd het uitgewerkte plan voorgelegd aan de welstandscommissie. Deze bekritiseerde (opnieuw) de locatiekeuze. Een cultuurinstituut hoorde niet ‘temidden van de kantoorreuzen’ aan de Utrechtsebaan, maar in het hart van de stad, nabij de Haagse Comedie, het residentieorkest en de musea aldaar.31 B&W antwoordde dat de plannen te ver gevorderd waren en dat het onmogelijk was de locatie nog te veranderen. Mocht de bouw niet snel beginnen was de gemeente bang dat het Conservatorium uit de stad zou vertrekken. Het opnieuw aanbestedingsklaar maken van het ontwerp zou wederom twee jaar duren. Maar op 7 april 1976 – op de 150e verjaardag van het Koninklijk Conservatorium, 22 jaar nadat de locatie aan de Juliana van Stolberglaan zich aandiende en tien jaar nadat Waterman zijn eerste schetsen presenteerde – ging eindelijk de eerste paal de grond in.

SteenhuisMeurs BV

29

 

30

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Het Koninklijk Conservatorium in aanbouw, foto: Meyer/Stokvis, 1978. [HGA] Het Koninklijk Conservatorium en omgeving, 1983. [HGA]

Realisatie en oplevering (1976-1980)

De bouw van het grote complex nam, zoals gepland, vier jaar in. Op 27 maart 1980 opende minister Pais (1930) van Onderwijs in aanwezigheid van kroonprinses Beatrix en prins Claus het nieuwe Koninklijk Conservatorium. De aanwezigheid van protesterende leerlingen van de Rotterdamse Dansacademie, die het ook al jaren met slechte behuizing moesten doen, mocht de pret niet drukken. De architectuurrecensies waren over het algemeen lovend. De architect was erin geslaagd om in de steenwoestenij van het Bezuidenhout en Prinses Beatrixkwartier een fraai en vooral geschikte muziek- en danscomplex te realiseren. ‘Een droom die werkelijkheid is geworden en toch nog een droomland is gebleven,’ kopte het Algemeen Dagblad. De concertzaal met verstelbare plafondpanelen en bakstenen driehoeksculpturen in de wanden was een ‘beeldschone schepping’ en de akoestiek in het gebouw was uitmuntend. Maarten Kloos van De Volkskrant was gematigder. Hij noemde het gebouw een ‘paradijs van stilte’, maar weet de ‘harde tegenstellingen tussen goede ruimtelijke oplossingen en regelrechte missers’ aan de rampzalige locatie en het feit dat de grote uitbreiding van het programma van Van Vlijmen op het beperkte kavel ingepast moest worden. Maar, concludeerde hij, ‘zoals een broek pas lekker zit nadat hij een paar keer gewassen is, zo zal dit gebouw zeer grondig in

gebruik genomen moeten worden.’ En zo had Waterman het ook bedoeld. De ruimte mocht zich niet opdringen aan de gebruikers, maar moest het gebruik faciliteren: ‘conservatoria zijn de broedplaatsen van die muziek. Wie een biochemisch kweeksel maakt, zorgt toch ook voor een zo goed mogelijke kweekomgeving.’ 32 Na de oplevering werd Waterman uitgebreid geïnterviewd door Het Parool. Over de brede gangen en luie trappen zei hij: ‘We zijn helaas een volkje van scheepsbouwers, een beetje gierig soort mensen dat bij voorkeur van die smalle scheepstrapjes maakt waar je je benen over breekt. Ik ben echter altijd wég geweest van die brede Franse trappen met flinke treden en die vind je dan ook in dit conservatorium.’ 33 Over de vele houttoepassingen: ‘Nog afgezien van de intimiteit die ervan uitgaat, is het een materiaal dat steeds mooier wordt en bijvoorbeeld bij trapleuningen lekker in de hand ligt, ook qua temperatuur.’ En over de centrale pauzeruimte: ‘de kern van het gebouw is de grote ontmoetingsruimte op verschillende niveaus; die staat dan weer in directe verbinding met de beide zalen, het lesgebouw en de groene binnenhof, waarop het zelfbedieningsrestaurant uitzicht biedt. Daar spreekt al het gemeenschapselement van het geheel uit.’

SteenhuisMeurs BV

31

 

32

Interieur van de concertzaal, met baksteensculpturen in de wanden en verstelbare akoestische plafondpanelen. Interieur van een van de balletzalen. [koninklijkconservatorium.nl]

Koninklijk Conservatorium Den Haag

 

Gang tussen de toneelzaal en de balletstudio's. Gang langs de schoollokalen, links zichtbaar de 'Netkous' over de Prinses Beatrixlaan.

Latere wijzigingen

 

Omdat de stoelen zachter waren dan in de akoestische berekeningen was meegenomen, voldeed de akoestiek van de concertzaal na de bouw nog niet. Met een speciale lak op de muren werd de galm weer teruggebracht tot het gewenste niveau.34 In 1969 was al voorzien dat de lagere schoolvleugel na het in werking treden van de Mammoetwet niet groot genoeg zou zijn, maar de voorgestelde uitbreiding werd door de architect en de adviescommissie afgeketst. Zoals voorzien bleef het aantal leerlingen toenemen en binnen enkele jaren na de oplevering kampte de lagere school met een

Situatietekening van het kruisvormige noodgebouw in het grote hof, 1985. [Bouwtekeningenarchief Den Haag, DSO_SO/18362] Het noodgebouw, bedoeld voor drie jaar, staat er anno 2021 nog steeds.

nijpend ruimtetekort. In 1985 werd een tijdelijk, eenlaags gebouw met drie leslokalen om een multifunctionele ruimte, in het grote hof gebouwd. De bedoeling was dat het noodgebouw drie jaar in gebruik zou zijn en daarna weer afgebroken werd, maar het staat er nog steeds. De congiergewoning werd (onbekend wanneer precies) verbouwd tot kantoor van de adjunct-directeur en docentenkamer. In 1991 werd het gebouw op verschillende plekken uitgebreid en verbouwd. De bouwtekeningen werden gemaakt door HTV Bouwtechniek. Oorspronkelijk lag onder

Het gemarkeerde deel is in 1991 bijgebouwd.

de schoolvleugel langs het hof een smalle werkplaats en tuingereedschapshok en was er aan de straatzijde ruimte voor zes geparkeerde auto’s. Hier werden hier drie studio’s gebouwd. De nieuwe gevel sloot aan op de vormgeving en materialisatie van de bestaande gevel daarboven. Ook de ruimte onder de concertzaal werd opnieuw ingedeeld, met onder andere een collegezaal, een verkleinde fietsenstalling en leslokalen. Onder de vijfde balletzaal aan de zuidzijde van het gebouw, voorheen ook parkeerruimte, kwam een werkplaats voor het theater.

SteenhuisMeurs BV

33

Het Koninklijk Conservatorium ligt op de overgang van twee stedenbouwkundige sferen. Enerzijds doet het gebouw mee met de gelede volumes van en de voetgangerswereld door het cluster van publieke gebouwen aan de oostzijde van Den Haag Centraal.

34

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Anderzijds reageert de vormgeving en materialisatie op de beton-en-glas architectuur van de omliggende kantoren en houdt het massief-ogende gebouw stand te midden van de vele verkeerswegen.

Door het contrast tussen gesloten en transparante bouwvolumes, grote gebaren en lichte details, beton en hout vormt het conservatorium de overgang tussen deze twee sferen. Maar de transparante plinten en vele ingangen zijn verborgen achter de auto's.

4. Ruimtelijke en architectonische essenties Schakel tussen twee stedelijke systemen Aangewakkerd door de aantrekkingskracht van het Centraal Station breidde het centrum van Den Haag na 1945 uit naar het Bezuidenhout. In de dertig jaar na het bombardement onderging deze wijk een complete metamorfose. De vooroorlogse ambtenarenwijk moest wijken voor een nieuwe cluster van publieke gebouwen, een kantorenkwartier richting Den Haag Laan van NOI en brede stadssnelwegen voor de oprukkende auto. Het conservatorium landde – na een decennialange zoektocht – tussen de rechtlijnige, kloeke kantoren aan de Prinses Beatrixlaan en de gelede volumes van de publieke gebouwen bij het station. De vormgeving en functie van het conservatorium moesten de overgang begeleiden. Het gebouw werd een kunst- en cultuurcentrum aan de kop van het Beatrixkwartier. De kubische volume-indeling,

de forse vormentaal en de betonbanden sloten aan op de kantoren van de Nationale Nederlanden en de PTT. Het in de definitieve ontwerpfase gesneuvelde markante dak van de toneelzaal (p. 23 van dit rapport) laat zien hoezeer Waterman zich bewust was van het belang van leesbaarheid vanuit verschillende waarnemingen en afstanden. Het conservatorium is een compositie van sculpturale gebouwdelen, geschakeerd rond de binnenhoven en intern verbonden met vides en trappen, interne doorkijkjes, openbare plekken en privé-hoekjes. De geleding van het gebouw, de interne plattegronden en niveauverschillen en de verfijnde detaillering van de gevels en kozijnen pasten bij de architectuur van gebouwen zoals het Rijksarchief (J. van Lokhorst, 1979) en de Koninklijke Bibliotheek (A. Hagoort, 1981). Ook dit zijn openbare gebouwen omringd door harde verkeersstructuren, waar de binnenwerelden zachtheid en menselijkheid uitstralen.

SteenhuisMeurs BV

35

36

De grote binnentuin, met door de bladeren op de achtergrond de hoogbouw van het conservatorium langs de Juliana van Stolberglaan.

Koninklijk Conservatorium Den Haag

De kleine binnentuin tussen de toneelzaal en de concertzaal.

Tech-fix: stilte te midden van verkeerslawaai

De stedenbouwkundige situatie dicteerde de hoofdopzet van het gebouw. Vanaf het begin wist men dat de locatie aan de Juliana van Stolberglaan en nog aan te leggen Utrechtsebaan ongeschikt was voor een muziekinstituut. Voor het studeren en maken van muziek is stilte vereist. Samen met zijn akoestisch adviseurs ontwierp Waterman hoge gebouwdelen met zware wanden als geluidsschermen tussen de binnenhoven en de wegen. Aan de meest luidruchtige kant, de Utrechtsebaan, liggen de naar binnen gekeerde toneel- en concertzalen. De hoven dienen als verstilde tuinen te midden van de chaotische omgeving. De leslokalen kijken uit over de hoven, met brede gangen als buffer langs de straatzijden.

De verschillende gebouwdelen omgeven twee stille binnenhoven. Het gebouw is vanaf meerdere kanten toegankelijk. In het hart ligt een centrale ontmoetingsruimte.

Langs de drukke verkeerswegen zijn hoge gebouwdelen gepositioneerd, met zware gevels die als geluidswerende schermen fungeren. De leslokalen en oefenruimtes grenzen aan de hoven, de verkeersruimte liggen langs de buitenranden van het gebouw.

SteenhuisMeurs BV

37

De gesloten en massief-ogende gevel langs de brede Utrechtsebaan.

De lage, open gevel met transparante (maar afgeplakte) plint langs de Prinses Beatrixlaan.

De gesloten, logistieke zuidgevel van het conservatorium. Rechts kantoortoren The Monarch.

De gelede en uitbundige voorgevel aan de Juliana van Stolberglaan.

38

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Kubische gebouwdelen met elk een eigen gezicht naar de straat

De vormgeving van de gevels reageert op de verschillende sferen en snelheden van de aangrenzende openbare ruimtes. De naar binnen gekeerde concertzaal, de gevel van het hoge lesgebouw en de schuin afgesneden lifttoren vormen grote gebaren passend bij de snelle en hoge omgeving. Bijzonder is de verfijnde detaillering die Waterman als een tweede laag over de blokkencompositie heen drapeerde (zie figuur rechts). Details zoals de kubussen en de erkers in de raamstroken van het hoge lesgebouw, de ranke kozijnen en de houten lattenplafonds verrijken het gebouw en geven de zware volumes een zekere lichtheid. Elke vleugel heeft een zekere eigenheid, maar samen vormen ze een krachtig geheel. Zo blijft het gebouw op verschillende snelheden interessant. Voorbijrazend over de verhoogde trambaan zijn het vooral de afwisseling van de compositie en de ‘notenbalkgevel’ die opvallen. Op de looproute van het station naar de Prinses Beatrixlaan springen de kleinschalige details – deels verscholen

achter de geparkeerde auto’s – in het oog. Langs de Utrechtsebaan hebben de gevels van de concertzaal en de studievleugel een simpele, robuuste vormgeving, zonder veel kleinschalige details. Aan de Juliana van Stolberglaan en de Prinses Beatrixlaan zijn de gevels gevarieerder en meer geleed. Glasvlakken en beton wisselen elkaar af, de kozijnen zijn rank gedetailleerd en het grote gebaar van de lifttoren is gecombineerd met kleinere elementen zoals de erkers en de uitkragende kubussen in de raamstroken. Dit zijn de representatieve zijden; hier maakt het gebouw contact met de voorbijgangers. De achterzijde van het gebouw grensde oorspronkelijk aan het parkeerterrein van de buren. Tegenwoordig is het een donkere hoek, in de schaduw van kantoortoren The Monarch. Dit is de functionele kant van het gebouw, met de expeditieruimte en logistieke ingangen. Ook hier ontwierp Waterman een aantal verfijnde geveldetails, maar deze zijde is duidelijk minder representatief dan de meer zichtbare gevels aan de noord-, oost- en westzijde.

SteenhuisMeurs BV

39

Het gesloten volume met dichte schil van de concertzaal.

40

Koninklijk Conservatorium Den Haag

De erkers aan de noordzijde van binnen en buiten.

De zaagtandgevel van de leslokalen van binnen en buiten.

Afleesbaarheid van de functies in de gevels

De vormgeving van het exterieur komt veelal voort uit de ruimtelijke en akoestische eigenschappen van de vertrekken binnen. Op plekken drukt deze functie door het omhulsel heen, zoals bij de erkers en extern geplaatste kolommen van het hoge lesgebouw en de zaagtandgevel van de lagere schoolvleugel. Op andere plekken is de schil juist extra dik en schermt het interieur af van de omgeving, zoals bij de concertzaal en de toneelzaal. Zo geeft het gebouw uiting aan wat achter haar wanden gebeurt en worden de verschillende functies buiten herkenbaar.

SteenhuisMeurs BV

41

42

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Geordend labyrint: een interieur als een jazzcompositie

Het conservatorium is opgebouwd uit een schakeling van herkenbare volumes, maar binnen is deze onderverdeling minder merkbaar en lopen de functies en ruimtes vloeiend in elkaar over. Het interieur heeft een labyrintisch karakter, met de hoven steeds als groene en bezonde oriëntatiepunten. Het hart van het gebouw ligt bij de hoofdentree. In de eerste schetsen van Waterman was het

1

2

idee dat het gebouw van meerdere kanten doorwaadbaar zou zijn, als een stelsel van pleinen, straten en groene hoven in de stad eromheen. Net als bij een jazzcompositie dwarrelen en meerdere routes door elkaar, maar ligt het hoofdritme met de verschillende gebouwdelen vast. De centrale hal is verdeeld over twee verdiepingen en fungeert als pauzeruimte, ontmoetingsplek en lobby

3

voor de studenten, docenten en concertbezoekers. Door latere wijzigingen zijn de verdiepingen van dit hart van het gebouw minder sterk met elkaar en met de aangrenzende buitenruimtes verbonden dan beoogd. Het trappenhuis moest van de brandweer worden afgesloten en latere programmatoevoegingen, zoals de collegezaal, belandden tussen de hal en de aangrenzende hoven.

4

SteenhuisMeurs BV

43

Akoestiek: de mens en de muziek

De akoestiek en constructie zijn, mede dankzij de betrokkenheid van de adviseurs, integraal mee ontworpen. In vergelijking met de voorgaande huisvestingen was het nieuwe conservatorium een tempel van stilte. Overal pasten Waterman en zijn adviseurs vernuftige technieken en simpele maar effectieve ruimtelijke oplossingen toe om het gebouw zo goed mogelijk in dienst te doen staan van haar gebruikers. In de toneelzaal werd een speciale, verwijderbare scheidingswand ontworpen, zodat er meerdere repetities tegelijk gehouden konden worden. De concertzaal met de sculpturale baksteenreliëfs en de verstelbare plafondcassetten spande de kroon. Geïnspireerd op het conservatorium in Warschau werd de lesvleugel zo ingedeeld dat de verschillende instrumentbeoefenaars elkaar zo min mogelijk tot last zouden zijn. Maar in de gangen en hallen moest je de muziek juist wel ervaren. ‘Het is per slot van rekening geen mausoleum, maar een levend conservatorium,’ zei Waterman.35 ‘En dat mag je best merken.’ Lopend door de gangen hoor je achter alle deuren melodieën en geluiden. Het gebouw lijkt muziek te maken.

44

Koninklijk Conservatorium Den Haag

Pianist in een lege concertzaal, z.j. [Archief Koninklijk Conservatorium]

Concertzaal met akoestische plafondpanelen en baksteensculpturen in de wand.

De poëzie van het contrast; beton en hout

Het materialen- en texturenpalet maakt de verschillende bouwdelen tot een samenhangende eenheid. Het contrast tussen beton en hout is als een constante door het hele gebouw gevoerd. Grove, grijze betonstenen en beton met bekistingspatronen worden afgewisseld met het soepele, warmkleurige hout van de trapleuningen en plafonds. Samen met de levendigheid en beweeglijkheid van het interieur, de trappen en generositeit van verkeersruimtes ontstaat een thema voor het interieur.

SteenhuisMeurs BV

45

 

46

Medische Faculteit Nijmegen, Van der Laan, Dijkema, Van der Eerden, 1958. Binnentuin van het hoofdgebouw van de universiteit in Tilburg, Jos Bedaux, 1962.

Koninklijk Conservatorium Den Haag

 

Roncallilyceum in Bergen op Zoom, Jos Bedaux, 1961. Amerikaanse Ambassade in Den Haag, Marcel Breuer, 1959. [HGA]

De boekentoren van Aarhus universiteit, C.F. Møller, 1963. [eigen collectie]

Positie in de Europese architectuurfamilie: the other moderns

Pädagogische Hochschule Eichstadt, K.J. Schattner, 1965. [eigen collectie]

Bij het duiden van het Koninklijk Conservatorium in de architectuurgeschiedenis hebben we het gebouw geplaatst in een familie van gebouwen waarbij een zeker brutalistische benadering wordt gecombineerd met een zachtheid in onderdelen en interieur. We spreken hierbij graag van de ‘other moderns’, oeuvres die buiten de geijkte modernistische canon vallen en er toch mee verwant zijn. In Europa zijn dat bijvoorbeeld Karljosef Schattner (19242012), die in 1957 leider van het Diözesan-Bauamt in de barokstad Eichstadt werd, en ruim dertig jaar lang in één stad het historische stadsbeeld naar deze tijd bracht met subtiele maar eigentijdse toevoegingen. Jos Bedaux (1910-1989) was een autodidact uit Tilburg die in zijn werk net zo gemakkelijk aan Le Corbusier refereerde als aan de details en afwerkingen van een Brabantse boerenhoeve. Interessant is hoe hij de archetypes van huis, boerenerf, openbaar gebouw en toren gebruikte om symbolische uitdrukking te geven aan zijn projecten voor villa’s, stadhuizen of een universiteit. De Deense architect-hoogleraar C.F. Møller (1898-1988) en zijn oeuvre, waaronder de gehele campus van de Arhus universiteit, ademen dezelfde uitgangspunten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10970577/1