RIS310364 Bijlage 1 Tussenuitspraak Raad van Staten 1 september 2021
Tekst van het document
De vervolgvraag is of, zoals de Bomenstichting betoogt, kan worden getwijfeld aan de juistheid van de in tabel 3.1 van de notitie van Peutz vermelde verkeerseffecten van het plan. In de notitie van Peutz staat dat deze verkeerseffecten zijn ontleend aan het rapport van Antea Group. Dit betreft het stikstofdepositie-onderzoek dat bij de plantoelichting is gevoegd. In paragraaf 1.2 van het stikstof-depositieonderzoek staat dat ervan is uitgegaan dat de uitbreiding van Madurodam leidt tot ongeveer 230.000 extra bezoekers per jaar, namelijk van ongeveer 650.000 bezoekers per jaar in de huidige situatie naar ongeveer 880.000 bezoekers per jaar in de toekomstige situatie, zijnde een toename van 35%. Anders dan de Bomenstichting betoogt, ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van dit percentage. Daarbij verwijst de Afdeling naar paragraaf 2.2.2 van de bij de plantoelichting gevoegde "Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling", waar dit percentage nader is toegelicht. Uit deze paragraaf blijkt dat de raad het percentage van 35 heeft gebaseerd op zowel een literatuuronderzoek uit 2011, waarin ten aanzien van 56 verschillende themaparken een onderzoek is gedaan naar de effecten van investeringen in een nieuwe attractie op de bezoekersaantallen, als ook naar de effecten toen Madurodam zelf in het verleden het park heeft vernieuwd.
Hoewel in 1996, toen Madurodam voor het eerst sinds de opening grootschalig werd gerenoveerd nog een bezoekerstoename werd bereikt van 52%, kan volgens de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling een bezoekerstoename van 35% als realistisch worden beschouwd. Daarbij is verwezen naar de meest recente grotere renovatie van Madurodam in 2012, toen ook een maximale bezoekerstoename van 35% is bereikt, als ook naar het literatuuronderzoek uit 2011 dat uitgaat van een kleinere stijging van het aantal bezoekers als gevolg van de toevoeging van een attractie van 7,5 tot 10%. De Afdeling acht gelet hierop een verwachte maximale bezoekerstoename van 35% niet onaannemelijk. Hierbij tekent de Afdeling
nog aan dat ook indien de bezoekerstoename iets hoger zou zijn dan 35%, niet aannemelijk is dat dit tot een andere conclusie zal leiden wat betreft de effecten van het plan op de nabij het plangebied gelegen Natura 2000gebieden, reeds omdat - zoals hiervoor is overwogen - de notitie van Peutz wat betreft de stikstoftoename al een worst case berekening bevat. 17.4. Verder volgt de Afdeling de Bomenstichting niet in haar betoog dat in de beoordeling van de effecten van het plan op de toename aan stikstofdepositie ook rekening had moeten worden gehouden met het verlies aan stikstofopname als gevolg van de bomenkap in het uitbreidingsgebied. De Afdeling sluit op dit punt aan bij het verweer van de raad, waar de raad erop heeft gewezen dat naast het feit dat het programma AERIUS Calculator geen rekening houdt met de omstandigheid dat bomen stikstof opnemen, ook niet aannemelijk is dat de bomenkap in dit geval leidt tot een hogere stikstofdepositie, omdat de gekapte bomen moeten worden herplant en daarnaast in het uitbreidingsgebied ook compensatie plaatsvindt van het verlies aan groen door middel van een mantel- en zoomvegetatie op een deel van de daken en gevels van de nieuwe gebouwen. 17.5. Tot slot volgt de Afdeling de Bomenstichting ook niet in haar algemene stelling dat bij de berekeningen van de stikstofdepositie geen gebruik had mogen worden gemaakt van AERIUS Calculator.
De Bomenstichting verwijst op dit punt ter onderbouwing naar een algemeen artikel uit de Volkskrant over de nauwkeurigheid van stikstofberekeningen, waarin ervoor wordt bepleit stikstofneerslag voor een groter gebied te berekenen en bij de stikstofuitstoot van wegen niet uit te gaan van een 5 km-grens als rekengrens. In dit geval gaat het niet om de aanleg van een weg, maar om de berekening van de stikstofeffecten van de verkeersaantrekkende werking die de uitbreiding van Madurodam tot gevolg heeft. Zoals hiervoor onder 17.1 is overwogen, is in de rechtspraak van de Afdeling reeds aanvaard dat op dit punt gebruik wordt gemaakt van AERIUS Calculator en aangesloten wordt bij paragraaf 2.6.2 van de "Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020" over de verkeersaantrekkende werking van projecten. 17.6. De Afdeling concludeert gelet op het vorenstaande dat met de door de raad overlegde drie nieuwe onderzoeken naar de effecten van het plan op de stikstofdepositie het hiervoor onder 14.1 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit is hersteld, omdat op basis van deze drie nieuwe onderzoeken kan worden geconcludeerd dat het plan de natuurlijke kenmerken van de nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.
Of dit betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, hangt af van de beoordeling van de overige beroepsgronden die tegen dit besluit zijn gericht. Parkeren 18. Zowel [appellant sub 1] als de Bomenstichting en anderen vrezen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk nabij het plangebied.
Wat betreft het aantal benodigde parkeerplaatsen, wijzen zij erop dat er in het ten behoeve van het plan verrichte parkeeronderzoek van is uitgegaan dat op een piekdag het aantal bezoekers niet hoger zal zijn dan 8.000, net als in de referentiesituatie. [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen achten het echter niet realistisch dat op een piekdag geen sprake zal zijn van een toename van het aantal bezoekers, ook gezien de totale toename aan bezoekers die op jaarbasis wordt verwacht. De Bomenstichting en anderen betogen daarnaast dat bij het aantal bezoekers op een piekdag geen rekening is gehouden met de extra bezoekers en de daarmee samenhangende parkeerbehoefte als gevolg van groepsbijeenkomsten, zoals congressen, die volgens hen op basis van de planregels ook in Madurodam zijn toegestaan. Wat betreft het aantal benodigde parkeerplaatsen twijfelt [appellant sub 1] verder aan de in het parkeeronderzoek gehanteerde model split, zijnde de verdeling van het aantal bezoekers over de verschillende typen vervoermiddelen, zoals auto, busvervoer, openbaar vervoer en fiets. De aanname dat van het aantal bezoekers 32% met de auto komt, is volgens [appellant sub 1] niet controleerbaar en ook niet aangetoond. Mogelijk is hierbij geen rekening gehouden met het aantal bezoekers dat gratis in de omgeving van het park parkeert, aldus [appellant sub 1].
Daarnaast betogen [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen dat onvoldoende is geborgd dat het aantal benodigde parkeerplaatsen op de piekdagen ook beschikbaar is. Zij wijzen er daarbij op dat uit het parkeeronderzoek blijkt dat op een piekdag het aantal parkeerplaatsen op het parkeerterrein van Madurodam aan de Doctor Aletta Jacobsweg niet toereikend is en dat dan moet worden uitgeweken naar de parkeergarage van het World Forum in Den Haag. Naast het feit dat deze parkeergarage niet op loopafstand is gelegen, is volgens hen ook niet geborgd dat deze benodigde parkeerplaatsen in het World Forum daadwerkelijk beschikbaar zijn. 18.1. Aan het plan ligt het parkeeronderzoek "Parkeerbalans uitbreiding Madurodam" ten grondslag (hierna: het parkeeronderzoek). In het parkeeronderzoek wordt er voor het aantal benodigde parkeerplaatsen op een piekdag van uitgegaan dat Madurodam niet meer dan 8.000 bezoekers trekt. In het parkeeronderzoek staat hierover dat Madurodam het voornemen heeft om bij de uitbreiding meer binnenattracties te realiseren en dat Madurodam daarmee juist meer bezoekers zal trekken op dagen met minder goede weersomstandigheden. Ook is het doel van Madurodam volgens het parkeeronderzoek om een meer evenwichtige spreiding van de bezoekers over het jaar te creëren.
In het parkeeronderzoek wordt gelet hierop geconcludeerd dat de piekdagen in de plansituatie ongeveer even druk zijn als de piekdagen in de referentiesituatie. De Afdeling twijfelt net als [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen aan de aannemelijkheid hiervan. Het plan biedt immers de planologische mogelijkheid om de totale bebouwing op het toekomstige Madurodam - binnen het bestaande park en in het uitbreidingsgebied - met in totaal 4.000 m2 toe te laten nemen tot maximaal 12.500 m2. De Afdeling acht het gelet op deze uitbreiding in combinatie met
het voornemen van Madurodam om samen met deze uitbreiding ook het bestaande park verder te vernieuwen, niet onaannemelijk dat op piekdagen het aantal bezoekers zal toenemen. Het maximum aantal bezoekers per dag, ook rekening houdend met de bezoekers van de overige in de planregels toegestane activiteiten in Madurodam, zoals een congrescentrum, is in het plan echter niet begrensd. 18.2. Naast het ontbreken van een begrenzing van het totale aantal bezoekers, ontbreekt in de planregels ook een borging van de beschikbaarheid van het aantal benodigde parkeerplaatsen. Weliswaar is in de planregels onder meer bepaald dat een gebouw alleen mag worden gebouwd als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij wordt verwezen naar de Nota parkeernormen Den Haag. In deze nota zijn echter - zoals de raad heeft erkend en zoals ook in het parkeeronderzoek staat - geen parkeernormen opgenomen voor een attractiepark. Een borging van de beschikbaarheid van het aantal benodigde parkeerplaatsen is in dit geval naar het oordeel van de Afdeling wel vereist. De Afdeling verwijst ter onderbouwing naar het parkeeronderzoek, waaruit blijkt dat de bestaande parkeergelegenheid van Madurodam aan de Doctor Aletta Jacobsweg, die in de plansituatie bestaat uit 415 parkeerplaatsen, reeds in 2016 en 2017 op verschillende dagen niet toereikend was voor het totaal aantal bezoekers.
Uit tabel 5 van het parkeeronderzoek blijkt namelijk dat de bezettingsgraad van de parkeergelegenheid op 20 dagen in 2016 en op 31 dagen in 2017 reeds tussen de 80 en 100% bedroeg en op 10 dagen in 2016 en op 19 dagen in 2017 meer dan 100%. In het parkeeronderzoek staat dat in een dergelijke situatie kan worden uitgeweken naar de parkeergarage van het World Forum, waar 250 parkeerplaatsen voor de bezoekers van Madurodam beschikbaar zijn, maar in de planregels is hiervoor geen nadere borging opgenomen. Een dergelijke borging acht de Afdeling in dit geval wel noodzakelijk, mede gelet op de omstandigheid dat op de zitting is gebleken dat Madurodam een privaatrechtelijke overeenkomst heeft gesloten over de beschikbaarheid van de parkeerplaatsen in het World Forum, waarvan niet is uitgesloten dat die wordt beëindigd. 18.3. De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het plan op het gebied van het parkeren en de borging van de beschikbaarheid van het aantal benodigde parkeerplaatsen in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. 18.4. Het is aan de raad om dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De raad kan dit doen door in de planregels naast een begrenzing van het maximaal aantal bezoekers per dag ten behoeve van het attractiepark en de overige in de planregels toegestane gebruiksfuncties, ook nadere regels te stellen over de beschikbaarheid van de extra parkeervoorzieningen die op drukkere dagen noodzakelijk zijn. De raad kan dit bijvoorbeeld doen door te berekenen voor hoeveel bezoekers de bestaande parkeergelegenheid aan de Doctor Aletta Jacobsweg ruimte biedt en in de planregels te borgen dat een gebruik ten behoeve van meer bezoekers uitsluitend is toegestaan indien een aanvullende parkeergelegenheid beschikbaar is, waarbij het aan de raad is om
nadere regels te stellen over het aantal extra aantal parkeerplaatsen dat gelet op het toegestane maximum aantal bezoekers nodig is als ook over de bereikbaarheid van deze extra parkeerplaatsen. Hierbij tekent de Afdeling aan dat zij - anders dan [appellant sub 1] betoogt - geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen niet mag aansluiten bij de in het parkeeronderzoek gehanteerde aanname dat 32% van de bezoekers met de auto komt. Daarbij acht de Afdeling van belang dat uit tabel 4 van het parkeeronderzoek blijkt dat dit percentage is gebaseerd op een gemiddelde van de mobiliteitscijfers over een langere periode, namelijk van 2006 tot en met 2017. Hoewel op zichzelf niet is uitgesloten dat er in deze periode ook bezoekers zijn geweest die buiten Madurodam in de omliggende woonwijken hebben geparkeerd, zoals [appellant sub 1] stelt, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat dit een zodanig substantieel aantal is, dat aan de juistheid van het gehanteerde percentage van 32 moet worden getwijfeld. Daarbij merkt de Afdeling op dat het jaarlijks aandeel autogebruik gelet op tabel 4 varieert tussen de 28% en 32% en dat het percentage van 32 dus al aan de bovenkant van dit gemiddelde ligt. 18.5.
Hierna zal de Afdeling eerst de andere beroepsgronden bespreken om vervolgens onder 34 te beoordelen of ten aanzien van het hiervoor geconstateerde gebrek aanleiding bestaat om een bestuurlijke lus toe te passen. Het Planuitwerkingskader en de groene inpassing van Madurodam in de omgeving Het PUK in zijn algemeenheid 19. Voorafgaand aan de voorbereiding van het bestemmingsplan is een Planuitwerkingskader (hierna: PUK) opgesteld. De raad heeft in zijn vergadering van 6 juli 2017 ingestemd met het PUK. 20. [appellant sub 1] betoogt dat door te werken met een PUK voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure aan omwonenden en andere betrokkenen rechten worden onthouden. Met de vaststelling van het PUK heeft de raad zich namelijk verbonden in te stemmen met de uitbreidingsplannen van Madurodam, met als gevolg dat de raad in de daarop volgende bestemmingsplanprocedure niet meer een vrije afweging kan maken en alle ingekomen bezwaren op zijn eigen merites kan beoordelen, aldus [appellant sub 1]. Hij betoogt in dit verband dat in onder meer het coalitieakkoord 20182022 wordt gesproken over juridisch bindende afspraken die zijn gemaakt over de uitbreiding van Madurodam. Naar aanleiding hiervan heeft [appellant sub 1] bij het college een verzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur ingediend over wat deze juridische afspraken inhouden en wat in dit verband de rol is van het PUK.
[appellant sub 1] stelt dat hij de gevraagde informatie nog niet heeft ontvangen en dat het gelet hierop niet mogelijk is om een gedegen oordeel te geven over het vastgestelde bestemmingsplan, omdat het van belang is om te weten wat de invloed is geweest van Madurodam in de
besluitvorming en welke beslissende besluitvorming al voor de vaststelling van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden. 20.1. De raad stelt naar het oordeel van de Afdeling terecht dat het PUK slechts de ruimtelijke contouren bevat voor de uitwerking van het plan op hoofdlijnen. De volledige ruimtelijke afweging van de uitbreiding van Madurodam vindt plaats bij de vaststelling van het bestemmingsplan en wordt in deze beroepsprocedure aan de hand van de beroepsgronden getoetst. De Afdeling deelt dan ook niet de opvatting van [appellant sub 1] dat de vaststelling van het PUK in de weg zou staan aan een gedegen beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het vastgestelde bestemmingsplan. De Afdeling ziet om die reden ook geen aanleiding om de door [appellant sub 1] in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur opgevraagde stukken over de voorbereiding en uitwerking van het PUK en de rol daarin van Madurodam af te wachten en te betrekken in deze beroepsprocedure. Het betoog slaagt niet. Inpassing van Madurodam in de omgeving op basis van het PUK 21.
[appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen betogen dat in het PUK verschillende voorwaarden zijn opgenomen om te komen tot een verantwoorde ruimtelijke inpassing van Madurodam, waaronder een vergroening van de bebouwing, groene bufferranden en een beperking van de begrenzing van het uitbreidingsgebied ter hoogte van de Haringkade. Dit is volgens hen ten onrechte niet terug te vinden in het vastgestelde bestemmingsplan. Hierna zal de Afdeling deze betogen beoordelen. - Groene daken en gevels 22. [appellant sub 1] betoogt dat in het PUK is uitgegaan van een vergroening van het totale park van Madurodam, dus niet alleen van het uitbreidingsgebied, maar ook van het bestaande park. Dit betekent volgens hem dat in de planregels had moeten worden opgenomen dat alle nieuwe gebouwen in Madurodam, ook die welke worden gebouwd binnen het bestaande park, worden voorzien van daken en gevels met een groenfunctie. De raadsleden verkeerden tijdens de planvaststelling volgens [appellant sub 1] in de veronderstelling dat dit in de planregels is geborgd, terwijl de planregels op dit punt in werkelijkheid zijn beperkt tot het uitbreidingsgebied. De raad heeft volgens hem in zoverre niet geregeld wat hij heeft beoogd. 22.1.
De planregels over de groene daken en gevels zijn gelet op wat hiervoor onder 12.3 is overwogen, gekoppeld aan de op de verbeelding opgenomen aanduiding "specifieke vorm van groen - groen 1". Deze aanduiding is niet opgenomen ter plaatse van de gronden die zijn gelegen binnen het bestaande park. Dat betekent dat in de planregels niet is voorgeschreven dat nieuw te realiseren gebouwen in het bestaande park moeten worden voorzien van groene daken en gevels. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op dit punt niet zou
hebben geregeld wat hij heeft beoogd. De Afdeling verwijst hierbij naar de zienswijzennota die door de raad is vastgesteld. Hierin is expliciet vermeld dat geen aanleiding wordt gezien om dwingend vast te leggen dat de planregels die gelden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen - groen 1" ook gelden voor het bestaande, in de kom gelegen, parkdeel. Het bestaande park is volgens de zienswijzennota ook in de toekomst gericht op de miniatuurstad en de bij een attractiepark behorende voorzieningen en wordt om die reden gekenmerkt als een meer verstedelijkt gebied met bestrate ondergronden, terwijl het uitbreidingsgebied specifiek gekenmerkt wordt door een groene(re) omgeving. In verband met de gewenste landschappelijke inpassing en overgang naar het aangrenzende boslandschap, wordt het voor het uitbreidingsdeel noodzakelijk geacht om deze belangen te verwoorden in specifieke regels gericht op het waarborgen van de noodzakelijke landschappelijke inpassing, zo staat in de zienswijzennota. Voor wat betreft het bestaande park is volgens de zienswijzennota geen sprake van zodanig gewijzigde planologische inzichten dat na een afweging van alle betrokken belangen nadere eisen ter beperking van het gebruik van deze gronden moeten worden gesteld.
De Afdeling ziet geen aanleiding de raad niet te volgen in het gemaakte onderscheid tussen het bestaande park, dat reeds als meer verstedelijkt gebied kan worden gekenmerkt, en het nieuwe uitbreidingsgebied dat wordt gekenmerkt door een groene(re) omgeving. Gelet op dit onderscheid acht de Afdeling de keuze van de raad om de planregels over de groene daken en gevels niet ook te laten gelden voor het bestaande park niet onredelijk. Het betoog slaagt niet. 23. [appellant sub 1] heeft bij zijn beroepsgrond over de groene daken en gevels ook verwezen naar de als bijlage 2 bij de plantoelichting gevoegde Watertoets, waarin er volgens hem van is uitgegaan dat met een totaal van ongeveer 8.200 m2 aan groene daken op zowel het huidige als het nieuwe terrein aan de benodigde waterbergingsopgave van 500 m3 kan worden voldaan. Voor zover hij hiermee heeft beoogd te betogen dat met het niet verplicht voorschrijven van groene daken in het bestaande park de waterbergingsopgave vanwege de toename aan verharding niet kan worden gecompenseerd, deelt de Afdeling dit betoog niet. Uit tabel 4 van de Watertoets blijkt dat afhankelijk van het type groen dak ook met minder dan de helft van de genoemde oppervlakte van 8.200 m2 aan groene daken de benodigde waterbergingsopgave kan worden gerealiseerd.
Bovendien worden in de Watertoets ook nog alternatieve oplossingen voor het realiseren van de waterbergingsopgave aangedragen. Op grond van artikel 3.2.1, onder g, van de planregels, is vereist dat voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen in het uitbreidingsgebied advies dient te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland over de waterbergingscapaciteit. Hierop heeft de raad ook gewezen in het verweerschrift. [appellant sub 1] heeft geen omstandigheden aangedragen, waaruit desondanks zou kunnen worden
afgeleid dat geen sprake zal zijn van een toereikende waterbergingscapaciteit na realisatie van het plan. Het betoog slaagt niet. - Groene bufferranden en begrenzing van het uitbreidingsgebied bij de Haringkade 24. [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen betogen ook dat in het PUK en de diverse planstukken wordt gesproken over een robuuste groene rand rond het gehele park van Madurodam. In de planregels is dit volgens hen ten onrechte beperkt tot de zone waar het uitbreidingsgebied grenst aan het Olifantenpad. [appellant sub 1] wijst hierbij specifiek op de noordelijke rand van Madurodam die grenst aan de Haringkade en is gelegen tegenover zijn appartement. Ter plaatse is de huidige grens van Madurodam bij de diensteningang volgens [appellant sub 1] in afwijking van het PUK opgeschoven richting de Haringkade tot in de noordelijke duinrug, terwijl die duinrug volgens het PUK behouden zou blijven. Ook de Bomenstichting en anderen wijzen op het belang van het behoud van deze noordelijke duinrug. Met het afgraven van een deel van de noordelijke duinrug om de uitbreiding richting de Haringkade mogelijk te maken, zal de nieuwe bebouwing ter plaatse volledig in het zicht komen, aldus [appellant sub 1].
Het gaat daarbij volgens hem, gelet op de op de verbeelding opgenomen maximum bouwhoogte van 10 m, om een ongeveer 8,5 m hoge gevel aan bebouwing boven het straatniveau die direct langs de Haringkade en het daaraan grenzende kanaal kan verrijzen. Dit leidt volgens hem naast een aantasting van zijn uitzicht ook tot een aantasting van het rijksbeschermd stadsgezicht, waaronder de landschappelijke waarden van het kanaal. Wat betreft de gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat, zoals zijn uitzicht, is de raad volgens [appellant sub 1] door het college voorzien van onjuiste informatie, door te stellen dat zijn appartement op 100 m van het uitbreidingsgebied niet direct tegenover het bos is gelegen, terwijl hij direct zicht heeft op de huidige noordelijke duinrug met het duinbos die zijn gelegen op slechts 35 tot 40 m van zijn appartement. Voor het behoud van het groene aanzicht van het gebied is het volgens [appellant sub 1] noodzakelijk dat de begrenzing van Madurodam bij de Haringkade beperkt blijft tot de huidige dienstingang, dat de nieuwe bebouwing achter de noordelijke duinrug gesitueerd blijft en dat dit landschappelijk wordt ingepast door vanaf de top van de duinrug een bufferstrook en ecowal voor te schrijven. Ook dient volgens hem de nieuwe bebouwing bij de Haringkade in hoogte te worden beperkt. 24.1.
Uit de in paragraaf 1.8 van het verweerschrift en de bij sub k van de zienswijzennota weergegeven afbeeldingen blijkt dat bij de Haringkade uitsluitend een puntvormig stuk grond van ongeveer 15 m lang en op het breedste punt ongeveer 10 m breed bij het park is getrokken. Dit stuk grond vormt de uitloper van de noordelijke duinrug en lag in het vorig planologisch regime al ingeklemd tussen gronden met de bestemming "Cultuur en
Ontspanning". De Afdeling deelt het standpunt van de raad dat het park door dit puntvormige stuk grond ook te bestemmen als "Cultuur en Ontspanning" ruimtelijk een duidelijke en logische begrenzing krijgt. De toegestane bouwhoogte is op het deel langs de Haringkade tegenover het appartement van [appellant sub 1] 10 m. De Afdeling deelt niet de opvatting van [appellant sub 1] dat deze hoogte landschappelijk gezien niet passend is en dat de nieuwe bebouwing van Madurodam verder van de Haringkade moet worden gesitueerd met een tussenliggende bufferzone en ecowal, net als langs het Olifantenpad. Daarbij verwijst de Afdeling naar de zienswijzennota en het verweerschrift, waarin erop is gewezen dat het karakter van het gebied langs de Haringkade niet vergelijkbaar is met de westzijde van het uitbreidingsgebied waar het onverharde en landschappelijk waardevolle Olifantenpad in de Scheveningse Bosjes is gelegen. De Haringkade is een geasfalteerde weg die ter hoogte van Madurodam overgaat in een fietspad met aan weerszijde een rij hoge bomen die het zicht op park gedeeltelijk ontnemen. Deze rij bomen is in het plan bestemd als "Groen - Bos". Het achter deze rij bomen bij de huidige dienstingang mogelijk maken van een geringe uitbreiding van Madurodam acht de Afdeling niet onredelijk.
De toegestane maximum bouwhoogte van 10 m zal gedeeltelijk wegvallen achter de rij bomen langs de Haringkade en is bovendien in een meer stedelijk gebied, met aan de overzijde van het kanaal de hoogbouw van het appartementencomplex aan de Nieuwe Parklaan, niet afwijkend van de bebouwing in de omgeving. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat, anders dan wordt betoogd, bij de Haringkade uitsluitend een relatief beperkt deel van de noordelijke duinrug wordt afgegraven. 24.2. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan langs de overige randen van Madurodam een bredere groene bufferzone had moeten worden voorgeschreven, zoals [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen betogen. Dat een dergelijke bufferzone met ecowal wel is voorgeschreven langs het aan de westzijde van het uitbreidingsgebied gelegen Olifantenpad heeft, zoals hiervoor is vermeld, te maken met de bijzondere landschappelijke waarde van dit Olifantenpad. De andere randen van Madurodam zijn voor een groot deel al voorzien van een groene aankleding, zoals de bestaande rij bomen tussen het park en het kanaal die op de verbeelding is bestemd als "Groen - Bos" en de bestaande bomen langs de Professor B.M. Teldersweg. Daarbij wijst de Afdeling er bovendien op dat het voor een groot deel gaat om een bestaand attractiepark.
Bij het deel dat wordt uitgebreid richting de Scheveningse Bosjes heeft de raad bijzondere aandacht gegeven aan de landschappelijke inpasbaarheid daarvan, door het uitbreidingsgebied grotendeels te situeren binnen de aan de noord- en zuidzijde daarvan gelegen duinruggen en door de westzijde van het uitbreidingsgebied bij het daar gelegen Olifantenpad grotendeels aan het zicht te onttrekken door middel van een ecowal. 24.3. De betogen slagen niet. Overige betogen van [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen
Geluid 25. [appellant sub 1] vreest dat als gevolg van de uitbreiding van Madurodam de geluidbelasting bij zijn woning zal toenemen. In het bij de plantoelichting gevoegde rapport "Geluid naar omgeving ten gevolge van de uitbreiding van Madurodam" van Peutz van 14 augustus 2018 (hierna: het akoestisch onderzoek) is hier volgens hem ontoereikend onderzoek naar gedaan. Zo is volgens [appellant sub 1] in het akoestisch onderzoek uitgegaan van een onjuiste afstand van het uitbreidingsgebied tot de dichtstbijzijnde woning van 62 m, terwijl de afstand tot zijn woning 40 m bedraagt. Daarnaast is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van een gesloten rand aan bebouwing bij de Haringkade, terwijl ter plaatse een open verbinding met het achterterrein wordt gerealiseerd, waardoor een geluidlek ontstaat richting zijn woning. Verder vreest [appellant sub 1] dat het stemgeluid van bezoekers is onderschat, omdat daarbij uitsluitend is uitgegaan van gemiddelden en een te laag aantal bezoekers. Uit het akoestisch onderzoek blijkt volgens hem dat rekening houdend met het stemgeluid de geluidgrenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde wordt overschreden. De aanvaardbaarheid van deze overschrijding is niet gemotiveerd, aldus [appellant sub 1]. 25.1.
De Afdeling deelt niet de opvatting van [appellant sub 1] dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een onjuiste afstand van zijn woning tot het plangebied. De in het akoestisch onderzoek genoemde afstand van 62 m is gelet op figuur 1.1 van het akoestisch onderzoek gemeten tot de noordelijke rand van het uitbreidingsgebied dat verder in de Scheveningse Bosjes is gelegen. Voor de afstand van het plangebied bij de Haringkade tot de dichtstbijzijnde woningen aan de Nieuwe Parklaan is gelet op deze afbeelding uitgegaan van een afstand van 36 m. Ook deelt de Afdeling niet de opvatting van [appellant sub 1] dat geen rekening zou zijn gehouden met de open verbinding die bij de Haringkade met het achterterrein wordt gerealiseerd. Peutz heeft in de nadere notitie van 6 oktober 2020, getiteld "Aspect geluid in het beroep tegen het bestemmingsplan" (hierna: de nadere notitie van Peutz) aan de hand van de als bijlage 3 bij het akoestisch onderzoek gevoegde afbeelding uit het akoestisch rekenmodel toegelicht dat deze opening wel degelijk in het akoestisch rekenmodel is opgenomen. 25.2. Wat betreft de rekenresultaten blijkt uit het akoestisch onderzoek dat bij sommige rekenpunten de geluidbelasting toeneemt, maar deze toename is volgens het akoestisch onderzoek slechts beperkt. In het akoestisch onderzoek zijn hierbij verschillende rekenpunten langs de Nieuwe Parklaan gehanteerd.
In de nadere notitie van Peutz zijn hier twee rekenpunten aan toegevoegd, waaronder specifiek voor de woning van [appellant sub 1]. Uit tabel 2.1 van deze nadere notitie blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de dag en in de avond bij de woning van [appellant sub 1] niet toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en beperkt blijft tot 45 dB(A). Ook de etmaalwaarde neemt niet toe en blijft volgens tabel 2.1 beperkt
tot 50 dB(A). Bij zijn woning doet zich, anders dan [appellant sub 1] heeft verondersteld, dus geen overschrijding voor van de door hem genoemde geluidgrenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde. 25.3. In de nadere notitie van Peutz staat dat de geluidbelasting is bepaald inclusief de geluidbijdrage van pratende bezoekers op het buitenterrein. In de nadere notitie is toegelicht hoe het aantal bezoekers op het buitenterrein dat in het geluidmodel is gehanteerd, is berekend en waarom dit gelet op de totale lengte van de wandelpaden op het buitenterrein als een representatief aantal kan worden gezien. Hierbij merkt de Afdeling bovendien op dat ook indien het aantal bezoekers op het buitenterrein hoger zal zijn dan waar in het akoestisch onderzoek van uit is gegaan, er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de akoestische situatie bij de woning van [appellant sub 1] dan zodanig zal verslechteren dat zou moeten worden geoordeeld dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daartoe wijst de Afdeling erop dat de raad op het gebied van geluid, waaronder ook het stemgeluid van de bezoekers, heeft aangesloten bij het toetsingskader voor geluid dat is opgenomen in de Brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure).
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de raad in dit geval de in het toetsingskader van de VNGbrochure vermelde geluidbelasting voor een gemengd gebied van 55 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau nog aanvaardbaar acht, gezien niet alleen de ligging van het plangebied in een gemengd gebied, maar ook gezien de omstandigheid dat in de huidige situatie al een attractiepark aanwezig is met de daarbij horende geluidbelasting. De Afdeling acht deze afweging niet onredelijk. Gelet op de in tabel 2.1 van de nadere notitie van Peutz vermelde geluidwaarden, waarbij rekening is gehouden met de geluidbijdrage van pratende bezoekers, wordt bij de woning van [appellant sub 1] nog ruim onder de waarde van 55 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gebleven, namelijk 50 dB(A). Niet aannemelijk is dat bij een op sommige momenten wellicht hoger aantal bezoekers op het buitenterrein dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan, deze berekende geluidbelasting zodanig zal toenemen dat de conclusie van de raad dat sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet langer kan worden gevolgd. 25.4. Het betoog slaagt niet. Evenementenregeling 26. De Bomenstichting en anderen betogen dat het plan binnen de bestemming "Cultuur en Ontspanning" ook andere gebruiksvormen toestaat, zoals het exploiteren van horeca- en congresruimten en het organiseren van evenementen.
In de planvoorbereiding zijn de ruimtelijke gevolgen daarvan volgens hen ten onrechte niet onderzocht. Zij richten zich daarbij specifiek op de volgens hen in het plan geboden mogelijkheid voor het organiseren van evenementen. Volgens de Bomenstichting en anderen had gelet hierop een evenementenregeling in het plan moeten worden opgenomen over de toegestane hoeveelheid en de aard van de evenementen en had voorafgaand
aan de planvaststelling onderzoek moeten worden gedaan naar de daarmee gepaard gaande geluidhinder en verkeers- en parkeerdruk. 26.1. In artikel 3.1 van de planregels is bepaald dat de voor "Cultuur en Ontspanning" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. attractiepark; b. congrescentrum; c. dagrecreatieve voorzieningen; d. educatieve en sociaal-culturele voorzieningen; e. ontvangst- en representatiedoeleinden; f. aan de hoofdfunctie gerelateerde horeca zoals nader bepaald in artikel 3.4; g. detailhandel zoals nader bepaald in artikel 3.4. 26.2. Uit artikel 3.1 van de planregels volgt niet dat op de voor "Cultuur en Ontspanning" bestemde gronden het organiseren van grootschalige evenementen is toegestaan. De raad heeft toegelicht dat de bestemming "Cultuur en ontspanning" aansluit bij bestaand gebruik en niet meer toestaat dan al was toegestaan op basis van de beheersverordening. De ruimtelijke effecten van dit gebruik, waaronder dus ook de horeca- en congresfunctie, zijn daarom al meegewogen. Niet uitgesloten is echter dat op een drukkere dag in het attractiepark ook een intensievere benutting van de horeca- en congresfaciliteiten plaatsvindt, met de daarbij horende extra verkeers- en parkeerdruk tot gevolg.
Dit kan worden ondervangen door in de planregels een begrenzing op te nemen ten aanzien van het totaal aantal bezoekers dat in het park is toegestaan voor zowel het attractiepark als de overige toegestane gebruiksfuncties. Op dit punt is de Afdeling hiervoor onder 18.4 al ingegaan bij het aspect parkeren. Voor verdere regulering in de vorm van een door [appellant sub 1] gewenste evenementenregeling ziet de Afdeling gelet op het type gebruik dat in artikel 3.1 van de planregels is toegestaan geen aanleiding. Het betoog over de evenementenregeling slaagt daarom niet. Lichthinder 27. [appellant sub 1] betoogt dat de regeling die in het plan is opgenomen met betrekking tot de beperking van lichthinder ten onrechte is beperkt tot de gronden in het uitbreidingsgebied, waaraan de aanduiding "specifieke vorm van groen - groen 1" is toegekend. Ook betoogt hij dat in de planregels had moeten worden geborgd dat op de daken zelf geen verlichting mag worden aangebracht. 27.1. In artikel 3.2.2 van de planregels is voor de bestemming "Cultuur en Ontspanning" het volgende bepaald: "Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
a. […]; b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 8 meter; c. in uitzondering op het bepaalde onder b mag ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - groen 1" (sg-gr1) de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde niet meer bedragen dan 4 meter; d. indien lantaarnpalen, lichtmasten en/of lichtarmaturen worden gebouwd op de gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - groen 1": 1. is lichtgerichtheid naar het bosgebied niet toegestaan; 2. is lichtinval neerwaarts gericht en gebundeld; 3. bedraagt de lichtkleur maximaal 3000 Kelvin; 4. wordt geen ultraviolet licht uitgezonden." 27.2. De in artikel 3.2.2, aanhef en onder d, opgenomen regels ter beperking van lichthinder zijn gekoppeld aan de op de verbeelding opgenomen aanduiding "specifieke vorm van groen - groen 1". Dat geldt ook voor de onder c opgenomen beperking dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals lichtmasten, niet meer mag bedragen dan 4 m. In de zienswijzennota is toegelicht dat deze beperkingen zijn opgenomen voor het uitbreidingsgebied, ter bescherming van de flora en fauna in de aangrenzende Scheveningse Bosjes, en om te zorgen voor een goede aansluiting en overgang van het uitbreidingsgebied op de landschappelijke waarden van de Scheveningse Bosjes.
Voor het bestaande park heeft de raad aangesloten bij de planregels uit het vorige planologische regime, waarin de toegestane bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 8 m bedroeg en waarin geen specifieke regels waren opgenomen ter beperking van lichthinder. In de zienswijzennota staat dat met het opnieuw mogelijk maken van een bouwhoogte van 8 m geen sprake zal zijn van onaanvaardbare lichthinder dan wel onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Verlichting is inherent aan een attractiepark en als zodanig zijn de verlichtingsmogelijkheden met een maximale bouwhoogte van 8 m doelmatig en in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening, bestaande rechten en belangen. De Afdeling ziet, mede gelet op de al bestaande situatie in het park, geen redenen om deze belangenafweging onredelijk te achten. 27.3. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in artikel 3.2.2, aanhef en onder d, opgenomen regels ontoereikend zijn om lichthinder vanaf het uitbreidingsgebied te beperken. De Afdeling ziet anders dan [appellant sub 1] dan ook geen aanleiding van de raad te verlangen dat in aanvulling op deze regels ook wordt vereist dat op de daken zelf geen verlichting mag worden aangebracht.
Op dit punt acht de Afdeling aannemelijk dat het, zoals in de zienswijzennota en het verweerschrift is gesteld, voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is verlichting op daken en gevels te
kunnen aanbrengen. Gelet hierop en mede gelet op de in artikel 3.2.2, aanhef en onder d, van de planregels al opgenomen beperkingen, acht de Afdeling de belangenafweging van de raad hierover niet onredelijk. 27.4. De betogen slagen niet. Overige randvoorwaarden van het college 28. Hiervoor is onder 4 en 4.1 vermeld dat het college in 2015, toen Madurodam de wens tot uitbreiding had kenbaar gemaakt, aan Madurodam enkele randvoorwaarden heeft meegegeven voor de verdere uitwerking van de uitbreidingsplannen. Een van deze randvoorwaarden was dat omwonenden en belanghebbenden zullen worden betrokken bij de uitwerking van de businesscase. Deze randvoorwaarde is hiervoor onder 4.1 besproken. [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen wijzen erop dat het college ook nog een drietal andere randvoorwaarden had opgesteld, namelijk dat het groen in de omgeving groen moet blijven en er in kwaliteit niet op achteruit mag gaan, dat het groen openbaar toegankelijk moet blijven en dat het parkeren en de logistieke afwikkeling zorgvuldig moeten worden uitgewerkt. Ook aan deze drie randvoorwaarden is volgens hen niet voldaan. 29. Wat betreft de randvoorwaarde over de kwaliteit van het groen verwijzen [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen naar de 0,6 ha van de Scheveningse Bosjes die in het uitbreidingsgebied verloren gaat en de volgens hen ontoereikende compensatie daarvan.
Deze betogen heeft de Afdeling hiervoor onder 7 en verder reeds besproken. Hetzelfde geldt voor de randvoorwaarde over parkeren, waar hiervoor onder 18 en verder op is ingegaan. Resteert de randvoorwaarde over de openbare toegankelijkheid van het groen. De raad heeft bij de planvaststelling, gelet op paragraaf 5.2 van de plantoelichting, onderkend dat hiervan bij de realisatie van het plan zal worden afgeweken. Dit is nader toegelicht in het hiervoor onder 5 genoemde Ontwikkelingsperspectief. In paragraaf 6.2 van het Ontwikkelingsperspectief staat dat is gekeken naar en gesproken over mogelijkheden om het gebied dat Madurodam nodig heeft voor de uitbreiding openbaar toegankelijk te houden, maar dat het in een attractiepark toelaten van niet betalende bezoekers stuit op te veel beheerproblemen. Daarnaast is volgens het Ontwikkelingsperspectief na overleg met vertegenwoordigers uit de buurt gebleken dat in plaats van openbare toegankelijkheid de voorkeur wordt gegeven aan een duidelijke grens tussen het resterende openbare gebied van de Scheveningse Bosjes en het terrein van Madurodam. Aan deze wens is in het plan gehoor gegeven door de hiervoor onder 12.4 besproken wijze waarop de uitbreiding is ingepast in het omliggende landschap.
Deze landschappelijke inpassing heeft voor de raad de aanleiding gevormd in het plan geen nadere regels te stellen waarin bijvoorbeeld de ingebruikname van het uitbreidingsgebied afhankelijk wordt gesteld van de openbare toegankelijkheid daarvan. De Afdeling acht deze belangenafweging, mede gelet op de redenen die voor deze afwijking zijn toegelicht in het Ontwikkelingsperspectief, niet onredelijk en de afwijking van het oorspronkelijke uitgangspunt van openbare
toegankelijkheid deugdelijk gemotiveerd. Het betoog hierover slaagt daarom niet. Overige betogen over de effecten van de uitbreiding van Madurodam 30. [appellant sub 1] heeft verder betoogd dat het verlies van een deel van de Scheveningse Bosjes negatieve gevolgen heeft voor de gezondheidssituatie in de stad, vanwege de compenserende werking van bomen op de uitstoot van CO2 en de reductie van fijnstof. Ook heeft de uitbreiding volgens hem negatieve gevolgen voor de biodiversiteit vanwege een toename aan stikstof, worden de recreatiemogelijkheden van de inwoners van de stad aangetast en ontstaan er negatieve effecten op de economische ontwikkeling van de stad, omdat het groene karakter van de stad bepalend is voor de aantrekkelijkheid van de stad. Hij wijst hierbij ook op de langdurige bouwoverlast die de omgeving vanwege de bouwactiviteiten zal ondervinden. Volgens de Bomenstichting en anderen had voorafgaand aan de planvaststelling een groen/natuurbalans moeten worden opgesteld, waarin de gevolgen van de bomenkap voor de CO2-opnamecapaciteit en de gevolgen voor de stikstofdepositie in beeld waren gebracht. 30.1.
Hoewel mogelijk niet is uitgesloten dat de kap van de bomen in het plangebied enige invloed zal hebben op de concentraties CO2 en fijnstof in de omgeving van het plangebied, heeft de raad - mede gelet op de verplichte compensatie van de in het plangebied te vellen houtopstand - daarin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien het plan niet vast te stellen. Daarbij wijst de Afdeling er bovendien op dat in het als bijlage 6 bij de plantoelichting gevoegde luchtkwaliteitsonderzoek is geconcludeerd dat de luchtverontreinigende stoffen waarvoor in de Wet milieubeheer grenswaarden zijn opgenomen in en nabij het plangebied niet worden overschreden. 30.2. Gelet op het relatief beperkte deel in verhouding tot de totale omvang van de Scheveningse Bosjes dat als gevolg van de uitbreiding van Madurodam verloren gaat en gelet op de hiervoor onder 12.3 voor het uitbreidingsgebied voorgeschreven landschappelijke inpassingsmaatregelen, ziet de Afdeling verder ook geen aanleiding voor het oordeel dat de negatieve gevolgen van het plan voor de recreatiemogelijkheden in de stad Den Haag en het groene karakter van de stad zodanig zijn dat zou moeten worden geoordeeld dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Afdeling voor de te verwachten overlast van de bouwwerkzaamheden.
Naast het feit dat dit een uitvoeringsaspect betreft dat in deze procedure niet aan de orde komen, is bovendien ook niet aannemelijk dat daarmee gepaard gaande hinder zodanig is dat dit de aantrekkelijkheid van de stad en daarmee de Haagse economie negatief zal beïnvloeden. 30.3. Verder wijst de Afdeling erop dat de gevolgen van het plan voor de stikstofdepositie hiervoor onder 13 en verder reeds zijn besproken. Ten
aanzien van de gebieden waarvan wettelijk gezien is vereist dat de effecten van een toename aan stikstofdepositie ten gevolge van het plan worden onderzocht, namelijk de gebieden die op grond van de Wnb zijn aangewezen als Natura 2000-gebied, is hiervoor onder 17.6 geconcludeerd dat het plan de natuurlijke kenmerken niet zal aantasten. Anders dan de Bomenstichting en anderen betogen, is niet vereist dat dit onderzoek naar de gevolgen van een eventuele toename aan stikstofdepositie in combinatie met eventuele andere gevolgen van het plan voor de natuur ook waren neergelegd in een groen/natuurbalans. Wel is, gelet op de omstandigheid dat het plan een uitbreiding van een themapark mogelijk maakt dat als categorie is opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), vereist dat wordt onderzocht of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, waarbij een integrale beoordeling van alle mogelijke nadelige milieugevolgen van het project dient te worden verricht. Op deze integrale milieubeoordeling in relatie tot het Besluit m.e.r. zal de Afdeling hierna nog afzonderlijk ingaan. 30.4. De betogen slagen niet. De betogen over de integrale beoordeling van de milieugevolgen in relatie tot het vereist zijn van een milieueffectrapportage 31.
[appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen kunnen zich tot slot niet verenigen met de conclusie in de "Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling" (hierna: de aanmeldingsnotitie) dat indien alle milieueffecten integraal worden bezien, kan worden geconcludeerd dat de uitbreiding van Madurodam geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Zowel [appellant sub 1] als de Bomenstichting en anderen twijfelen aan de in de aanmeldingsnotitie gehanteerde aanname dat het plan zal leiden tot een groei van het aantal bezoekers van maximaal 35% per jaar, zijnde een toename van 230.000 bezoekers per jaar. Ter onderbouwing van hun betoog dat het plan wel leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen verwijzen zij ook naar hun betogen op het gebied van stikstofdepositie, geluid, parkeren en de volgens hen ontoereikende compensatie van de 0,6 ha dat van de Scheveningse Bosjes verloren gaat. 31.1. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een themapark is opgenomen in categorie 10, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan betreft in dit geval een besluit als bedoeld in kolom 4 van deze categorie, omdat het plan de uitbreiding van het park Madurodam bij recht mogelijk maakt. Indien bij een besluit als bedoeld in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
de drempelwaarden die zijn vermeld in kolom 2 van de desbetreffende categorie worden overschreden, moet gelet op artikel 2, vijfde lid, onder a, van het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling worden gemaakt. Bij het niet overschrijden van de drempelwaarden dient een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht.
Bij categorie 10, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is wat betreft het aantal bezoekers als drempelwaarde 250.000 bezoekers per jaar of meer opgenomen. Hoewel er in de aanmeldingsnotitie van wordt uitgegaan dat het aantal bezoekers als gevolg van het plan per jaar met niet meer dan 230.000 zal toenemen en daarmee dus onder drempelwaarde wordt gebleven, is voorafgaand aan de planvaststelling zekerheidshalve een volledige m.e.r.beoordeling gemaakt. Dit omdat het project met een verwachte bezoekerstoename van 230.000 per jaar dicht tegen de drempelwaarde van 250.000 aanzit, zo is toegelicht in de aanmeldingsnotitie. In zoverre heeft discussie over de vraag of in redelijkheid kon worden uitgegaan van een toename van maximaal 230.000 bezoekers per jaar dus geen betekenis voor de gevolgde m.e.r.-procedure. Verder overweegt de Afdeling dat de stelling dat de bezoekerstoename hoger zal zijn dan 230.000, volgens [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen vooral tot gevolg heeft dat sprake zal zijn van meer autobewegingen met meer stikstofuitstoot tot gevolg, meer geluidhinder en een groter tekort aan parkeerplaatsen op piekdagen. Op deze aspecten is de Afdeling hiervoor ingegaan.
Naast het feit dat de Afdeling hiervoor onder 17.3 heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het voor de bezoekerstoename gehanteerde percentage van 35, heeft de Afdeling ook overwogen dat ook indien de bezoekerstoename iets hoger uit zou vallen dan 35%, niet aannemelijk is dat dit tot een andere conclusie zal leiden wat betreft effecten van het plan op nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden. Tot een vergelijkbaar oordeel is de Afdeling hiervoor onder 25.3 gekomen wat betreft de door [appellant sub 1] gevreesde geluidhinder. Voorts heeft de Afdeling hiervoor onder 7 en verder de betogen over de effecten van het plan Scheveningse Bosjes en de in dit verband benodigde compensatie besproken en geoordeeld dat de betogen hierover niet slagen. De Afdeling heeft hiervoor onder 18.1 en verder uitsluitend een gebrek geconstateerd ten aanzien van het aspect parkeren, dat nog een nader herstel behoeft. Dit gebrek kan gelet op wat hiervoor onder 18.4 is overwogen, worden hersteld door een wijziging van de planregels waartoe de Afdeling de raad hierna in deze uitspraak opdracht zal geven. 31.2. In de aanmeldingsnotitie zijn alle hiervoor besproken en overige milieugevolgen van het plan integraal beschouwd.
De Afdeling ziet gelet op wat hiervoor is overwogen en ervan uitgaande dat het gebrek in de planregels op het gebied van parkeren in de bestuurlijke lus zal worden hersteld, in het aangevoerde geen aanleiding de conclusie in de aanmeldingsnotitie dat als gevolg van de uitbreiding van Madurodam geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, niet te volgen. De betogen slagen in zoverre niet. Herhalen en inlassen zienswijze 32. De Bomenstichting en anderen hebben hun zienswijze herhaald en ingelast. Dit kan niet leiden tot een geslaagd betoog, omdat met het uitsluitend
voor het overige inlassen van de zienswijze geen redenen zijn aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze in de zienswijzennota onjuist is. Bestuurlijke lus 33. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. 34. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het hiervoor onder 18.1 tot en met 18.3 ten aanzien van parkeren en het aantal bezoekers per dag geconstateerde gebrek binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. De Afdeling verwijst naar wat hiervoor onder 18.4 en 26.2 over het herstel van dit gebrek is overwogen. Bij het nemen van een nieuw besluit behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Een nieuw besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt en medegedeeld. 35. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Den Haag op: - om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het onder overwegingen 18.1 tot en met 18.3 genoemde gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; en - de Afdeling en de betrokken partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021 810.