RIS310364 Bijlage 1 Tussenuitspraak Raad van Staten 1 september 2021
Tekst van het document
Ga naar de inhoud
hoog contrast
Uitspraak 201907590/1/R3 ECLI ECLI:NL:RVS:2021:1971 Datum uitspraak 1 september 2021 Inhoudsindicatie Bij besluit van 18 juli 2019 heeft de raad van de gemeente Den Haag het bestemmingsplan "Madurodam" vastgesteld. Met het plan wordt voorzien in de gedeeltelijke in- en uitbreiding van het attractiepark Madurodam. Het plan biedt verruiming van de planologische bouwmogelijkheden met 4.000 m2, tot in totaal 12.500 m2. Het bestemmingsplan voorziet in het aan het bestaande attractiepark grenzende gebied de Scheveningse Bosjes in een uitbreiding met een oppervlakte van 0,6 ha. Naast de gronden voor het attractiepark omvat het plangebied ook een gebied van ongeveer 1 ha tussen de keerlus naast het George Maduroplein, het Hubertusviaduct en de Koninginnegracht. Op deze gronden is de compensatie voorzien voor de bomen die als gevolg van de uitbreiding van Madurodam in een deel van de Scheveningse Bosjes moeten worden gekapt. Appellanten vrezen als gevolg van het plan voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat en de natuur- en landschapswaarden in en om het plangebied. • • • •
tussenuitspraak/bestuurlijke lus ro - zuid-holland Volledige tekst Persbericht
Volledige tekst 201907590/1/R3. Datum uitspraak: 1 september 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: 1.
[appellant sub 1], wonend te Den Haag,
2. Bomenstichting Den Haag, gevestigd te Den Haag, en anderen (hierna: de Bomenstichting en anderen), appellanten, en de raad van de gemeente Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 juli 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Madurodam" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1], de Bomenstichting en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2021, waar zijn verschenen: - de Bomenstichting en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. R.B. van Heijningen en mr. dr. M.B. Nijhof, advocaten te Den Haag; - de raad, vertegenwoordigd door M. Soetbrood Piccardt, bijgestaan door mr. E.C.M. Schippers en mr. J.S. Kramer, advocaten te Den Haag. Ook zijn op de zitting als partij gehoord Madurodam B.V., Stichting Miniatuurstad Madurodam en Stichting Madurodam Kinderfonds, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A. de Groot, advocaat te Den Haag. Overwegingen Inleiding 1. Met het plan wordt voorzien in de gedeeltelijke in- en uitbreiding van het attractiepark Madurodam. Het plan biedt verruiming van de planologische bouwmogelijkheden met 4.000 m2, tot in totaal 12.500 m2.
Het bestemmingsplan voorziet in het aan het bestaande attractiepark grenzende gebied de Scheveningse Bosjes in een uitbreiding met een oppervlakte van
0,6 ha. Naast de gronden voor het attractiepark omvat het plangebied ook een gebied van ongeveer 1 ha tussen de keerlus naast het George Maduroplein, het Hubertusviaduct en de Koninginnegracht. Op deze gronden is de compensatie voorzien voor de bomen die als gevolg van de uitbreiding van Madurodam in een deel van de Scheveningse Bosjes moeten worden gekapt. 2. [appellant sub 1] en de natuurlijke personen namens wie het beroep van De Bomenstichting en anderen mede is ingesteld, wonen in de directe omgeving van het plangebied. Zij vrezen als gevolg van het plan voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat en de natuur- en landschapswaarden in en om het plangebied. Naast de natuurlijke personen is ook de Bomenstichting in beroep gekomen, omdat ook zij een aantasting vreest van de natuur- en landschapswaarden als gevolg van de voorgenomen uitbreiding van Madurodam. Toetsingskader 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht.
De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Betrokkenheid bij de planvoorbereiding 4. [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen betogen dat zij in de voorfase onvoldoende zijn betrokken bij de voorbereiding van de uitbreidingsplannen van Madurodam. In dit verband wijzen zij op de randvoorwaarden die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan de uitbreiding heeft gesteld. Een van die randvoorwaarden hield in dat omwonenden en belanghebbenden betrokken moesten worden bij de uitwerking van de businesscase. Hieraan is bij de voorbereiding van het plan geen gevolg gegeven, aldus [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen. Zo zijn zij volgens hen niet tot nauwelijks betrokken bij de totstandkoming van de rapporten en de weging van de verschillende alternatieven voor de uitbreidingsplannen van Madurodam. 4.1. De Afdeling stelt voorop dat het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure.
In zoverre bestaat er dus geen wettelijke verplichting voor het bieden van de door [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen gewenste inspraak. Het college heeft vanwege de maatschappelijke impact van de uitbreidingsplannen van Madurodam in
2015, toen Madurodam de wens tot uitbreiding had kenbaar gemaakt, aan Madurodam onder meer de randvoorwaarde meegegeven dat omwonenden en belanghebbenden zullen worden betrokken bij de uitwerking van de businesscase. De raad heeft uit een oogpunt van zorgvuldige planvoorbereiding beoogd rekening te houden met de randvoorwaarden die het college in 2015 heeft gesteld. Volgens de raad is aan de randvoorwaarde dat omwonenden en belanghebbenden zullen worden betrokken bij de uitwerking van de businesscase in voldoende mate gevolg gegeven. Daarbij wijst de raad op de diverse bijeenkomsten, sessies en gesprekken die sinds 2015 zijn georganiseerd en op de betrokkenheid van een klankbordgroep bij onder meer de uitwerking van het ontwikkelingsperspectief van Madurodam. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de planvoorbereiding in strijd met de eerder gestelde randvoorwaarde over het betrekken van omwonenden is verlopen en daardoor in zoverre niet zorgvuldig zou zijn. De betogen slagen niet. De noodzaak voor de uitbreiding van Madurodam 5. [appellant sub 1] wijst erop dat in de planstukken ter onderbouwing van de belangen van Madurodam bij de uitbreiding van het attractiepark onder meer wordt verwezen naar het rapport "De economische impact van Madurodam", opgesteld door BDO in maart 2017 (hierna: het BDO-rapport).
Dit rapport bevat volgens [appellant sub 1] onrealistisch hoge aannames wat betreft het werkgelegenheidseffect en de effecten op de economie die de uitbreiding van Madurodam tot gevolg heeft. Ook betoogt [appellant sub 1] dat in het BDO-rapport ten onrechte wordt gesteld dat wanneer niet wordt geïnvesteerd in de uitbreiding van Madurodam, dit zal leiden tot een afname van de bezoekersaantallen van 5% per jaar. Deze stelling klopt volgens hem niet met de werkelijkheid, omdat onder meer in 2019 nog sprake was van een hoger aantal bezoekers dan in enkele daaraan voorafgaande jaren. Ook wanneer aangenomen wordt dat het voor het behoud van de bezoekersaantallen noodzakelijk is dat Madurodam blijft uitbreiden en vernieuwen, dan is volgens [appellant sub 1] niet toereikend onderbouwd waarom het bestaande park daarvoor niet zou kunnen volstaan. Zo heeft Madurodam volgens hem al het voornemen om een deel van de totale uitbreiding binnen de grenzen van het bestaande park te realiseren. Hij wijst daarbij ook op plannen van Madurodam om een gedeelte van de uitbreiding pas tegen 2030 te realiseren. De Bomenstichting en anderen betogen eveneens dat de noodzaak tot uitbreiding voor het voortbestaan van Madurodam niet overtuigend is komen vast te staan.
Niet alleen het BDO-rapport, maar ook het in de planstukken genoemde Ontwikkelingsperspectief, getiteld "De toekomst van Madurodam; Ontwikkelingsperspectief voor een Haags Icoon" dat in 2017 in opdracht van Madurodam door Royal HaskoningDHV is opgesteld (hierna: het Ontwikkelingsperspectief), bieden hiervoor volgens hen onvoldoende onderbouwing. Het beleid van de gemeente is volgens de Bomenstichting en
anderen bovendien al gericht op het aanzienlijk vergroten van het aantal toeristische bezoekers aan de stad. Met deze stijging van het aantal bezoekers is bij de voorbereiding van het plan onvoldoende rekening gehouden, aldus de Bomenstichting en anderen. 5.1. In zowel het BDO-rapport als het Ontwikkelingsperspectief wordt gesteld dat het park zich moet ontwikkelen en vernieuwen om aantrekkelijkheid als dagattractie te behouden. Daarbij is vermeld dat een dagattractie zonder vernieuwing jaarlijks 5% van de bezoekers verliest, waarbij op het moment dat deze ontwikkeling zich een aantal jaren voortzet het voortbestaan van het park in gevaar komt. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat Madurodam heeft gesteld en ook in het Ontwikkelingsperspectief wordt bevestigd dat in de periode 2000-2010, toen het park niet investeerde in aanpassing en vernieuwing, het aantal bezoekers daadwerkelijk jaarlijks met ongeveer 5% afnam. Dat deze bezoekersafname zich in de daaropvolgende jaren niet heeft voorgedaan, zoals [appellant sub 1] stelt, komt doordat Madurodam in de periode na 2010 wel heeft geïnvesteerd in de vernieuwing van het aanbod van het park.
Om Madurodam de mogelijkheid te bieden te vernieuwen en daarmee voldoende bezoekers te trekken, heeft het park bouwmogelijkheden nodig om nieuwe concepten en attracties te kunnen toevoegen, zo staat in het Ontwikkelingsperspectief. De Afdeling acht dit, gelet op wat hiervoor over de bezoekersafname bij het uitblijven van investeringen is vermeld, niet onaannemelijk en ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie van de raad dat het noodzakelijk is dat Madurodam mogelijkheden krijgt om het aanbod in het park toekomstbestendig te vernieuwen en uit te breiden. De omstandigheid dat de werkgelegenheidseffecten en de bijdrage van Madurodam aan de economie volgens [appellant sub 1] in het BDO-rapport zijn overschat, doet aan deze noodzaak niet af. Verder overweegt de Afdeling dat, zoals de Bomenstichting en anderen stellen, het op zich juist is dat de gemeente Den Haag inzet op het vergroten van het aantal toeristische bezoekers aan de stad. Niet is echter gebleken dat de daarmee gepaard gaande toename van het aantal bezoekers aan Madurodam zodanig is dat geen noodzaak bestaat voor Madurodam om het bestaande attractiepark te vernieuwen en uit te breiden. 5.2. De vervolgvraag is of, zoals [appellant sub 1] stelt, de benodigde ruimte voor vernieuwing en uitbreiding in voldoende mate kan worden gevonden binnen de grenzen van het bestaande attractiepark.
In het Ontwikkelingsperspectief is hier nader op ingegaan. Daarin is de lange termijnvisie van Madurodam omschreven. Daarbij is voorop gesteld dat het uitsluitend tonen van miniaturen niet meer voldoende is om publiek te trekken. Om nieuwe generaties aan zich te binden, is het introduceren van nieuwe verhalen die met behulp van eigentijdse methodes en technologieën worden verteld noodzakelijk, zo staat in het Ontwikkelingsperspectief. Voor het toevoegen van nieuwe en eigentijdse manieren van vertellen en beleven, biedt het huidige attractiepark volgens het Ontwikkelingsperspectief geen plaats.
Naar de huidige maatstaven van attractieparkbeleving is het huidige park reeds te vol en te makkelijk te overzien, aldus het Ontwikkelingsperspectief. Naast een verbreding van het aanbod, zet Madurodam gelet op het Ontwikkelingsperspectief ook in op een nieuwe parkopzet met meer groen voor het vergroten van de parkbeleving en daarnaast op het realiseren van overdekte paviljoens, zodat een bezoek aan het park minder weersafhankelijk is. De Afdeling acht gelet op alle veranderingen die nodig zijn om het park toekomstbestendig te houden, waaronder dus niet alleen het vergroten van het aanbod, maar ook het beschikken over meer slechtweervoorzieningen in de vorm van verschillende overdekte paviljoens en het bieden van meer gelegenheid voor een ontspannen verblijf in het park door een verdere vergroening en verruiming daarvan, voldoende aannemelijk dat hiervoor naast een gedeeltelijke inbreiding ook enige uitbreiding van het bestaande park nodig is. 5.3.
De betogen slagen niet.
Alternatieven voor de uitbreidingslocatie 6. [appellant sub 1] betoogt dat ook wanneer zou worden aangenomen dat een verdere uitbreiding van het bestaande park noodzakelijk is, hiervoor niet een deel van de Scheveningse Bosjes hoeft te worden aangewend. In plaats daarvan kan volgens hem worden gekozen voor ondergronds bouwen of het realiseren van bebouwing aan de minder kwetsbare voorkant van Madurodam aan de zijde van de Professor B.M. Teldersweg. Hij wijst hierbij op het bij de planvoorbereiding onderzochte alternatief om inbreiding te combineren met extra bebouwing op het voorplein van Madurodam. De stelling dat dit alternatief zal leiden tot een ongewenste splitsing van het park is volgens hem niet aangetoond. Verder betoogt [appellant sub 1] dat het eventueel opkopen van de direct tegenover Madurodam gelegen tennisbanen ook tot de mogelijkheden behoort. De Bomenstichting en anderen betogen dat bij de afweging van de alternatieven om de uitbreiding van Madurodam mogelijk te maken geen rekening is gehouden met de maatschappelijke kosten van de uitbreiding. Zo zijn volgens hen de nadelige gevolgen als gevolg van natuurverlies, milieuschade en stikstofdepositie onvoldoende in de alternatieve afweging meegewogen. Ook wijzen zij in dit verband op de mogelijkheid van ondergronds bouwen.
Aan dit alternatief had volgens hen de voorkeur moeten worden gegeven, om te voorkomen dat een deel van de Scheveningse Bosjes verloren gaat. 6.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. 6.2. Over ondergronds bouwen is zowel in de plantoelichting als op de zitting door Madurodam gesteld dat dit alternatief financieel niet haalbaar is,
vanwege de daarvoor benodigde investeringen en de omstandigheid dat het park dan tijdens de bouwperiode gesloten moet blijven. Daarnaast hebben Madurodam en de raad op de zitting benadrukt dat het ook niet wenselijk is om een deel van het park ondergronds te situeren, omdat dit niet past bij de bovengrondse parkbeleving die Madurodam juist nog verder wil versterken. Dat ondergronds bouwen aanzienlijke extra investeringen vergt vanwege de hogere bouwkosten, acht de Afdeling aannemelijk. Ook acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad een zwaarder gewicht heeft toegekend aan het behoud van de parkbeleving in Madurodam, gelegen nabij de Scheveningse Bosjes. Om deze redenen heeft de raad het alternatief van ondergronds bouwen in redelijkheid kunnen afwijzen. Dat, zoals de Bomenstichting en anderen op de zitting hebben gesteld, bij Ecomare op Texel, waar verschillende aquaria zijn gesitueerd, ook gedeeltelijk ondergronds is gebouwd, geeft de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel, reeds omdat Ecomare als natuurmuseum niet vergelijkbaar is met een attractiepark zoals Madurodam. 6.3. Wat betreft de mogelijkheid om de nieuwe bebouwing die is voorzien in de Scheveningse Bosjes te realiseren aan de voorkant van Madurodam, stellen Madurodam en de raad dat dit zal leiden tot een vanuit de parkbeleving ongewenste hoogbouw aan de zijde van de Professor B.M. Teldersweg.
Ook zal dit volgens hen leiden tot een splitsing van het park zonder directe relatie tussen de bebouwing op het voorterrein en de miniaturen in het bestaande park, wat voor de beleving van de bezoekers onwenselijk is. Verder stellen zij dat het in tweeën splitsen van het park de routering in het park moeilijk maakt en dat er vele kabels en leidingen onder het voorplein liggen die bebouwen daar bemoeilijken. Deze belemmeringen, waarvan aannemelijk is dat die zich zullen voordoen, acht de Afdeling toereikend voor het oordeel dat de raad het alternatief voor de bebouwing aan de voorkant van Madurodam in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Hetzelfde geldt voor het door [appellant sub 1] aangedragen alternatief dat betrekking heeft op de aan de overzijde van de Professor B.M. Teldersweg gelegen tennisbanen. Behalve dat het opkopen van een tennisbaan inclusief het verwerven van de gronden volgens de raad en Madurodam financieel onrealistisch is, zal ook dit alternatief volgens hen leiden tot een ongewenste fysieke splitsing van het park. De Afdeling acht deze afweging van belangen niet onredelijk. 6.4. De Afdeling concludeert dat de raad de door [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen aangedragen alternatieven heeft afgewogen en in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.
Niet gezegd kan immers worden dat door middel van deze alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt, maar met aanmerkelijk minder bezwaren. De stelling van de Bomenstichting en anderen dat hierbij geen rekening is gehouden met de maatschappelijke kosten die de uitbreiding van Madurodam tot gevolg heeft, zoals de gevolgen van de uitbreiding voor de natuur en het milieu, deelt de Afdeling niet. Uit de
plantoelichting en de daarbij behorende onderzoeken blijkt dat deze aspecten wel degelijk in de belangenafweging zijn betrokken. Op basis daarvan heeft de raad geconcludeerd dat de negatieve effecten van het plan op het gebied van de natuur en het milieu in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het onderstaande zal de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden deze conclusie in relatie tot het vastgestelde plan inhoudelijk beoordelen. De Scheveningse Bosjes Inleiding 7. Voor de uitbreiding van Madurodam wordt een deel van de Scheveningse Bosjes van ongeveer 0,6 ha aangewend. Hiervoor moeten de daar aanwezige bomen worden gekapt. [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen hebben diverse beroepsgronden naar voren gebracht over de aantasting van de Scheveningse Bosjes, onder meer dat de bomenkap ten behoeve van de uitbreiding van het park in de Scheveningse Bosjes in strijd moet worden geacht met de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb), de Omgevingsverordening Zuid-Holland (hierna: de Omgevingsverordening), de gemeentelijke aanwijzing van het gebied als Stedelijke Groene Hoofdstructuur en de aanwijzing van het gebied als beschermd stadsgezicht. In het onderstaande zal de Afdeling deze beroepsgronden beoordelen. Beheersverordening 8.
Zowel [appellant sub 1] als de Bomenstichting en anderen betogen dat met het plan ten onrechte wordt voorzien in een aantasting van de Scheveningse Bosjes. Zij wijzen er daarbij op dat dit gebied in de voorheen geldende beheersverordening "Van Stolkpark - Scheveningse Bosjes" uit 2013 was bestemd als "Groen - Park". Bovendien vermeldde de toelichting bij die beheersverordening dat de verwachting was dat er zeker tien jaar geen ontwikkelingen zouden komen in dit gebied, aldus [appellant sub 1]. 8.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan of beheersverordening geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De omstandigheid dat in de toelichting bij de beheersverordening zou zijn vermeld dat de verwachting is dat er gedurende tien jaar geen ontwikkelingen in het gebied zouden volgen, staat er op zichzelf dan ook niet aan in de weg dat de raad in het voorliggende plan een gedeelte van de Scheveningse Bosjes heeft kunnen aanwenden voor de uitbreiding van Madurodam. Of deze keuze in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, zal de Afdeling in deze uitspraak aan de hand van de beroepsgronden beoordelen. Het betoog slaagt niet. ¬Compensatie: Wet natuurbescherming en provinciale Omgevingsverordening
9. Zoals hiervoor bij de inleiding is vermeld, is beoogd om de houtopstand die moet worden gekapt in het deel van de Scheveningse Bosjes te compenseren ter plaatse van de groenstrook die is gelegen op het talud tussen de Koninginnegracht en het Hubertusviaduct. Dit betreft een gebied van ongeveer 1 ha dat in dit plan is meegenomen en is bestemd als "Groen Bos". Zowel [appellant sub 1] als de Bomenstichting en anderen betogen dat de compensatie die hier is voorzien niet voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld in de Wnb en de Omgevingsverordening. Zo betogen [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen dat niet wordt voldaan aan de in artikel 3.66 van de Omgevingsverordening gestelde eisen aan de herbeplanting. Het terrein waar de compensatie is voorzien, is volgens hen een ingeklemde strook snippergroen tussen twee drukke verkeersaders, waar de herbeplanting gezien het drukke verkeer in de omgeving nooit zal kunnen uitgroeien tot een volwaardig bos met dezelfde ecologische waarde als het te compenseren bosgebied. Ook is volgens hen op de compensatielocatie onvoldoende ruimte voor de compensatie van alle bomen die in de Scheveningse Bosjes als gevolg van het plan verloren gaan.
Zij wijzen daarbij op het ruimtebeslag van de op de compensatielocatie al aanwezige bomen en boomgroepen en de ruimte die de nieuw te planten bomen nodig hebben om uit te kunnen groeien tot een volwaardig bos. De beschikbare ruimte voor de herbeplanting is volgens de Bomenstichting en anderen bovendien nog beperkter wanneer rekening wordt gehouden met de struiklaag die langs de randen van het compensatiegebied zal worden gerealiseerd. Dat geen volwaardig compensatiebos kan ontstaan, is volgens de Bomenstichting en anderen ook een gevolg van de toekomstige verkeersontwikkelingen die bij het Hubertusviaduct en de nabijgelegen Professor B.M. Teldersweg zijn voorzien, waaronder plannen voor vervanging van het Hubertusviaduct en plannen op het gebied van het openbaar vervoer. Daarnaast betogen [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen dat gelet op de op de compensatielocatie al aanwezige bomen en boomgroepen geen sprake is van onbeplante grond. Dit betekent volgens hen dat op grond van artikel 3.68 van de Omgevingsverordening ook geen ontheffing zal worden verleend van de verplichting tot herbeplanting van dezelfde grond, dat wil zeggen de grond waarop de bomen staan die verloren zullen gaan door het plan. 9.1. In zowel de Wnb als de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor het vellen van houtopstand. Deze regels gelden op het moment dat de houtopstand wordt geveld.
In deze procedure over het bestemmingsplan staat ter beoordeling of de regels over het vellen van houtopstand aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan. Wat [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen hierover hebben aangevoerd, kan dan ook alleen leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan als de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat deze regels aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan.
- Artikel 3.66 van de Omgevingsverordening 9.2. In artikel 4.3, eerste lid, van de Wnb is, voor zover in dit geval van belang, bepaald dat ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de rechthebbende zorgdraagt voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten daarvan. In het derde lid is bepaald dat provinciale staten bij verordening regels kunnen stellen over de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, bedoeld in het eerste lid. Deze regels zijn opgenomen in artikel 3.66 van de Omgevingsverordening. In dit artikel is het volgende bepaald: "Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming is sprake indien: a. de oppervlakte van de herplant ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; b. de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of anderszins tenietgegane houtopstand; c. de te herplanten houtopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand." 9.3. Voorafgaand aan de planvaststelling is onderzocht of ter plaatse van het compensatiegebied aan de Koninginnegracht een compensatiebos kan worden gerealiseerd dat voldoet aan de eisen van artikel 3.66 van de Omgevingsverordening.
De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het bij de plantoelichting gevoegde rapport "Boscompensatieplan, Uitbreiding Madurodam" van Antea Group van 10 september 2018 (hierna: het Boscompensatieplan). In het Boscompensatieplan staat dat uit de goede groei en vitaliteit van de bestaande boombeplanting die verspreid over het compensatiegebied aanwezig is, kan worden afgeleid dat het terrein geschikt is voor de aanplant van bos. Rekening houdend met de aanwezige boomkronen is er volgens het Boscompensatieplan ruim voldoende oppervlak om aan de compensatieplicht te voldoen. Dit is in hoofdstuk 3 van het Boscompensatieplan nader uitgewerkt in een beplantingsplan, waar de bestaande bomen en struiken in zijn geïntegreerd. Voor zowel de beschikbare ondergrondse als bovengrondse groeiruimte is rekening gehouden met de bestaande bomen in het compensatiegebied. Zo is over de ondergrondse groeiruimte vermeld dat op basis van de beschikbaarheid van voeding en water een contour is getrokken rondom de bestaande bomen, waarbinnen geen nieuwe aanplant zal plaatsvinden. Voor de bovengrondse groeiruimte is rekening gehouden met de beperkingen in de beschikbare hoeveelheid licht als gevolg van de schaduw van de bestaande bomen.
Dit heeft geresulteerd in een perceelindeling bestaande uit drie delen met verschillende condities voor bosgroei: niet geschikt voor aanplant, geschikt voor schaduw verdragende boomsoorten en geen beperkingen voor boomsoorten. Dit is nader inzichtelijk gemaakt op de bij het Boscompensatieplan gevoegde tekening. In paragraaf
3.3.3 van het Boscompensatieplan is vervolgens toegelicht welke boomsoorten per deelgebied gerealiseerd kunnen worden. Deze voorgestelde aanplant van het bos leidt volgens het Boscompensatieplan tot het ontstaan van een gemengd loofbos van inheemse soorten dat voldoet aan de gestelde eisen voor de boscompensatie. 9.4. De Afdeling acht het op basis van wat in het Boscompensatieplan is vermeld in combinatie met de daarbij gevoegde tekening, waarop is aangeduid waar binnen het compensatiegebied van in totaal 1 ha bosaanplant kan plaatsvinden, aannemelijk dat binnen het compensatiegebied een compensatiebos kan worden aangeplant dat qua oppervlakte ten minste even groot is als de gevelde houtopstand. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de gevelde opstand een kleiner gebied omvat, namelijk van 0,6 ha. Ook acht de Afdeling aannemelijk gemaakt dat de her te beplanten houtopstand ondanks de ligging van het compensatiegebied nabij een druk verkeerspunt kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand die kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde houtopstand. Daarbij betrekt de Afdeling de op basis van de in het Boscompensatieplan omschreven beschikbare ruimte, de vermelde goede groei en vitaliteit van de al bestaande bomen in het compensatiegebied en de mogelijkheden om een gemengd loofbos van inheemse soorten te realiseren.
Hierbij betrekt de Afdeling ook de in het Boscompensatieplan omschreven meerwaarde om het compensatiegebied op korte afstand van het plangebied in de stad te kunnen realiseren, waarmee de verbinding tussen de Scheveningse Bosjes en het Sint Hubertuspark wordt versterkt. De Afdeling concludeert dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de eisen die in artikel 3.66 van de Omgevingsverordening zijn gesteld aan de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het plan. In de verwijzing van de Bomenstichting en anderen naar toekomstige verkeersontwikkelingen die bij het Hubertusviaduct zijn voorzien, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel, reeds omdat niet is gebleken van concrete plannen op dit punt. De betogen over artikel 3.66 van de Omgevingsverordening slagen niet. - Artikel 3.68 van de Omgevingsverordening 9.5. In artikel 4.3, eerste lid, van de Wnb is bepaald dat herbeplanten van de houtopstand plaatsvindt op dezelfde grond, waarbij in artikel 4.5, eerst lid is bepaald dat gedeputeerde staten hiervan ontheffing kunnen verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. Deze regels zijn opgenomen in artikel 3.68 van de Omgevingsverordening.
In dit artikel is als voorwaarde voor de ontheffingverlening voor herbeplanting op andere grond onder meer vereist dat deze andere grond onbeplant moet zijn en vrij van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wnb.
9.6. De compensatieopgave is in dit geval voorzien op andere grond, namelijk op het talud tussen de Koninginnegracht en het Hubertusviaduct. Tussen partijen bestaat verschil van mening over de vraag of deze andere grond onbeplante grond is als bedoeld in de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening is niet gedefinieerd wat onder onbeplante grond moet worden verstaan. Volgens de raad wordt in dit geval voldaan aan het vereiste van onbeplante grond, omdat gelet op het Boscompensatieplan het herbeplanten van de houtopstand plaatsvindt op de delen van het talud waar op dit moment geen houtopstand aanwezig is. Zo worden de bestaande bomen die al op het talud aanwezig zijn, mits deze nog in goede staat zijn, niet gekapt, maar in het te ontwikkelen bos geïntegreerd. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om de raad op dit punt niet in zijn standpunt te volgen. Omdat de herbeplanting gelet op het Boscompensatieplan kan plaatsvinden op de onbeplante delen van het talud en gesteld noch gebleken is dat voor deze grond al een andere herbeplantingsplicht geldt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat artikel 3.68 van de Omgevingsverordening aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Daarbij overweegt de Afdeling dat niet is vereist dat de op grond van artikel 3.68 van de Omgevingsverordening vereiste ontheffing al voor de vaststelling van het bestemmingsplan is verleend. Ook is niet vereist dat al voor de planvaststelling over deze ontheffing overleg heeft plaatsgevonden met het bevoegd gezag, in dit geval gedeputeerde staten. Wat de Bomenstichting en anderen over het al dan niet plaatsvinden van dit overleg hebben aangevoerd, laat de Afdeling daarom buiten bespreking. Ook de betogen over artikel 3.68 van de Omgevingsverordening slagen gelet op het vorenstaande niet. Compensatie: Algemene Plaatselijke Verordening 10. De Bomenstichting en anderen hebben op vergelijkbare wijze als ten aanzien van de Wnb en de Omgevingsverordening, ook betoogd dat de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Den Haag, waarin eveneens regels zijn opgenomen over het vellen van houtopstand, aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Hieraan hebben zij hetzelfde argument ten grondslag gelegd, namelijk dat het talud tussen de Koninginnegracht en het Hubertusviaduct volgens hen - vanwege de ter plaatse al aanwezige bomen en boomgroepen - onvoldoende ruimte biedt om het aantal gevelde bomen te compenseren. Dit betoog kan gelet op wat hiervoor onder 9.3 en 9.4 is overwogen niet slagen.
Gemeentelijk groenbeleid: Stedelijke Groene Hoofdstructuur en Stedelijke Ecologische Hoofdstructuur 11. [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen wijzen erop dat de Scheveningse Bosjes waar de uitbreiding van Madurodam is voorzien, ook onderdeel is van de op gemeentelijk niveau aangewezen Stedelijke Groene
Hoofdstructuur (hierna: SGH) en de Stedelijke Ecologische Hoofdstructuur (hierna: SEHS). Uit het gemeentelijk beleid dat is opgenomen in de beleidsdocumenten "Agenda Groen voor de Stad 2016" (hierna: het beleidsdocument "de Agenda Groen") en "Groen kleurt de stad; Beleidsplan voor het Haagse groen 2005-2015" (hierna: het beleidsdocument "Groen kleurt de stad") blijkt volgens hen dat het gemeentebestuur zich heeft verplicht om de SGH op eenduidige en herkenbare wijze duurzaam in stand te houden en waar mogelijk te versterken. Ook blijkt volgens de Bomenstichting en anderen uit dit beleid dat voor het groen dat deel uitmaakt van de SGH slechts in uitzonderlijke gevallen, als de ambitie zoals neergelegd in de "Structuurvisie Den Haag 2020" in het geding is, een incidentele heroverweging mogelijk is, waarbij een duurzaamheidsparagraaf onderdeel dient uit te maken van de bestemmingswijziging. Het realiseren van de uitbreiding van Madurodam in een deel van de Scheveningse Bosjes is in strijd met dit beleid, aldus [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen. Ook wijzen zij erop dat de raad gelet op het voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan genomen besluit van 6 juli 2017 heeft beoogd om de door de uitbreiding van Madurodam ontstane aantasting van de SGH te compenseren door een gebied van 0,65 ha naast de Kwekerijweg in Den Haag toe te voegen aan de SGH.
Volgens de Bomenstichting en anderen is van compensatie geen sprake, omdat zowel uit de kaart behorende bij het beleidsdocument "Groen kleurt de stad" als uit het gemeentelijke beleidsdocument "Nota Ecologische Verbindingszones 2008-2018" (hierna: de Nota Ecologische Verbindingszones), blijkt dat de groenstrook bij de Kwekerijweg al voor het raadsbesluit van 6 juli 2017 onderdeel was van de SGH. Ook [appellant sub 1] betoogt dat de groenstrook bij de Kwekerijweg niet als compensatiegebied kan worden gezien. Deze strook is volgens hem al onderdeel van het groengebied Klein Zwitserland-Sint Hubertuspark. 11.1. Niet in geschil is dat de Scheveningse Bosjes deel uitmaken van de op gemeentelijk niveau aangewezen SGH en SEHS. Omdat de uitbreiding van Madurodam ten koste gaat van een deel van dit gebied, heeft de raad op 6 juli 2017, toen is besloten over het uitwerkingskader voor de uitbreiding van Madurodam, ook besloten dat ter compensatie van deze aantasting een gebied van 0,65 ha gelegen naast de Kwekerijweg in Den Haag aan de SGH wordt toegevoegd. De Afdeling volgt [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen niet in hun standpunt dat dit gebied ook al voor het besluit van 6 juli 2017 tot de SGH zou behoren en dat daarom van een toevoeging aan de SGH geen sprake zou zijn.
Daartoe overweegt de Afdeling dat het gemeentelijk beleid voor de SGH voor de periode 2005-2015 was neergelegd in het beleidsdocument "Groen kleurt de stad" en nadien vanaf 2016 in het beleidsdocument "de Agenda Groen". Op de zitting heeft de raad een vergroting overgelegd van kaart 4 behorende bij het beleidsdocument "Groen kleurt de stad", waarop de SGH is afgebeeld. Uit deze vergroting is gebleken dat het gebied bij de Kwekerijweg op deze kaart niet is ingetekend als onderdeel van de SGH. Volgens de raad is de begrenzing van de SGH op dit
punt niet gewijzigd in het nadien voor de SGH vastgestelde beleid neergelegd in het beleidsdocument "de Agenda Groen" uit 2016. De Afdeling ziet geen aanleiding de raad in zoverre niet in zijn standpunt te volgen. Dat het gebied bij de Kwekerijweg volgens de Bomenstichting en anderen op de kaart op pagina 40 van de Nota Ecologische Verbindingszones wel zou zijn aangeduid als onderdeel van de ecologische verbindingszone "De Scheveningse zone" vormt, daargelaten de juistheid daarvan, voor de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat deze kaart niet tot doel heeft de begrenzing van de SGH vast te leggen. Dat de groenstrook bij de Kwekerijweg volgens [appellant sub 1] feitelijk al onderdeel is van het groengebied Klein Zwitserland-Sint Hubertuspark, betekent evenmin dat van de door de raad beoogde compensatie geen sprake zou zijn. Voor de vraag of een gebied onderdeel is van de SGH is niet de feitelijke situatie bepalend, maar de begrenzing die op de kaart is opgenomen waarmee de SGH is vastgelegd. 11.2. Aanvullend overweegt de Afdeling over de gestelde strijd met het gemeentelijk groenbeleid nog het volgende. In het beleidsdocument "de Agenda Groen" is het sinds 2016 geldende groenbeleid vastgelegd.
Uit het raadsbesluit van 15 december 2016 tot vaststelling van dit beleidsdocument blijkt dat de raad zich op basis van dit beleid gehouden acht de SGH op eenduidige en herkenbare wijze duurzaam in stand te houden en waar mogelijk te versterken. Dat betekent echter niet dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling binnen de SGH in het geheel niet tot de mogelijkheden behoort. Niet al het groen is per definitie te behouden en het kan zijn dat er door veranderingen en/of ontwikkeling groen verdwijnt. Het groen dat dan verdwijnt, dient volgens dit beleid zoveel mogelijk te worden gecompenseerd. Compensatie vindt in dit geval zowel plaats op het talud tussen de Koninginnegracht en het Hubertusviaduct, waar de verloren gegane houtopstand wordt gecompenseerd, als ook in het gebied langs de Kwekerijweg. Daar worden gelet op het voornoemde raadsbesluit van 6 juli 2017 de ecologische waarden van het groen verhoogd, onder meer door het vervangen van gebiedsvreemde soorten door inheemse onderbegroeiing. Hiermee wordt gelet op de ligging van beide gebieden de groene schakel tussen de Scheveningse Bosjes en het Sint Hubertuspark versterkt.
Gelet hierop, op het relatief beperkte deel van de Scheveningse Bosjes dat als gevolg van het plan verloren gaat, en op de ruimte die in het beleidsdocument "de Agenda Groen" is geboden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het bestaande groen van Den Haag, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de uitbreiding van Madurodam in een deel van de Scheveningse Bosjes in strijd is met het gemeentelijk groenbeleid. De betogen slagen niet. Beschermd stadsgezicht 12. [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen wijzen er verder op dat de Scheveningse Bosjes ook behoren tot het beschermde stadsgezicht "Van Stolkpark/Scheveningse Bosjes". Volgens hen leidt de uitbreiding van
Madurodam in een deel van de Scheveningse Bosjes tot een aantasting van dit beschermde stadsgezicht. Zij wijzen daarbij op de op basis van het aanwijzingsbesluit te beschermen waarden, waaronder de hoogteverschillen die herinneren aan het oude duinlandschap, de zichtlijnen en de bijdrage van het gebied aan het groene karakter van de stad. Omdat het plan leidt tot een aantasting van deze waarden, had het plan volgens hen niet op deze wijze mogen worden vastgesteld. De raad is op basis van het overgangsrecht van de Erfgoedwet namelijk verplicht een conserverend bestemmingsplan vast te stellen ter bescherming van het stadsgezicht, aldus de Bomenstichting en anderen. Volgens hen had het bestemmingsplan ter bescherming van het stadsgezicht door middel van bouwvlakken op de verbeelding moeten aangeven waar bebouwing mogelijk is en had voor deze bebouwing een beeldkwaliteitsplan moeten worden opgesteld. 12.1. Het plangebied is gelegen binnen het beschermde stadsgezicht "Van Stolkpark/Scheveningse Bosjes". Anders dan de Bomenstichting en anderen betogen, betekent dit niet dat de verplichting bestaat een conserverend bestemmingsplan vast te stellen, waarin het stadsgezicht wordt bevroren in de toestand waarin het zich bevindt.
De Afdeling verwijst hierbij naar onder meer haar uitspraken van 24 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4835, overweging 2.5.3, en 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1472, overweging 6.3. Ter beoordeling staat of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bescherming van de waarden die met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht beschermd dienen te worden, voldoende in het bestemmingsplan zijn geborgd. Op dit punt overweegt de Afdeling het volgende. 12.2. Aan de gronden in het plangebied is de dubbelbestemming "Waarde Cultuurhistorie" toegekend. In artikel 7.1 van de planregels is ten aanzien van deze dubbelbestemming het volgende bepaald: "De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het rijksbeschermd stadsgezicht, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit met de bijbehorende toelichting en kaart, als opgenomen in de bijlagen 4, 5 en 6 van de regels." In artikel 7.2 van de planregels zijn in dit verband verschillende bouwregels opgenomen.
Zo is bepaald dat het bouwen ter plaatse van de dubbelbestemming moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 7.1 en dat indien het bouwen betrekking heeft op de uiterlijke verschijningsvorm van een bouwwerk, voorafgaand aan het bouwen, over de cultuurhistorische waarden als bedoeld in het aanwijzingsbesluit en de toelichting daarop, advies dient te worden ingewonnen bij de commissie als bedoeld in artikel 1, lid 9, van de Monumentenverordening Den Haag of een deskundig lid van die commissie.
12.3. Verder heeft de raad ter bescherming van de cultuurhistorische waarden aan de gronden die zijn gelegen in het uitbreidingsgebied op de verbeelding de aanduidingen "specifieke vorm van groen - groen 1" en "maximum bouwhoogte: 10 m" toegekend. Aan de aanduiding "specifieke vorm van groen - groen 1" zijn in de planregels specifieke regels gekoppeld voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe bebouwing in het uitbreidingsgebied. Zo is in artikel 3.2.4 van de planregels als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de te verlenen omgevingsvergunning(en) op of binnen deze gronden een ecowal als terreinafscheiding tussen het attractiepark en de naastgelegen bestemming "Groen - Bos" is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. Over deze ecowal is in artikel 3.2.3 van de planregels onder meer bepaald dat de bouwhoogte daarvan minimaal 2,5 meter en maximaal 5 meter bedraagt, de bouwhoogte van gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke tegen of direct achter de ecowal worden gebouwd, niet meer dan 2,5 meter hoger mogen zijn dan de ecowal en dat op of aan de ecowal geen lantaarnpalen, lichtmasten en/of lichtarmaturen mogen worden gebouwd.
Verder is in artikel 3.2.1 van de planregels bepaald dat gebouwen welke worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen groen 1", aan de attractieparkzijde van de ecowal moeten worden ingepast in het landschap en de groene omgeving en worden voorzien van daken met een groenfunctie. Ook is voorgeschreven dat de gevels van de gebouwen welke worden gebouwd ter plaatse van deze aanduiding moeten worden voorzien van een groenfunctie, voor zover de gebouwen tevens aan of tegen de bestemming "Groen - Bos" zijn gelegen, of direct grenzen aan het aangrenzende plangebied. Deze groenfunctie is nader omschreven in artikel 1.47 van de planregels. Vereist is onder meer dat de begroeiing en bedekking een mantel- en zoomvegetatie vormt en bestaat uit inheemse soorten uit het naastgelegen duinbos. Het gaat om extensieve (lichte) begroeiing voor de gevels en een intensieve (robuuste, tot struikhoogte) bedekking op de daken. 12.4. Volgens de raad is gelet op de dubbelbestemming die voor het hele plangebied is opgenomen, in combinatie met de wijze waarop de nieuwe bebouwing in het uitbreidingsgebied in de Scheveningse Bosjes wordt geïntegreerd, voldoende rekening gehouden met de kenmerkende waarden van het beschermde stadsgezicht. In onder meer de paragrafen 2.3.1 en 3.3.1.1 van de plantoelichting is hier nader op ingegaan.
In deze paragrafen en in de toelichting bij het aanwijzingsbesluit tot beschermd stadsgezicht staat dat de rijk begroeide en geaccidenteerde terreinen van de Scheveningse Bosjes voor zowel het Van Stolkpark als de wijdere omgeving een belangrijke rol vervullen. De gebogen padenstelsels, de waterpartij, de afwisseling tussen open ruimte en dichtbeboste gedeelten en de niveauverschillen waaraan het vroegere duinlandschap nog wordt herkend, worden omschreven als te beschermen waarden. In de plantoelichting is gesteld dat deze waarden zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Zo blijft het aan het uitbreidingsgebied
grenzende kenmerkende onverharde bospad (het zogeheten Olifantenpad) behouden, komt langs dit pad op 3 m afstand als nieuwe terreinafscheidingsgrens een robuuste en groene rand in de vorm van een ecowal die past bij de karakteristieken van de omgeving en krijgen de gevels en het dak van de bebouwing achter de ecowal een robuuste groene aankleding, zodat het landschap van het bos als het ware doorloopt over de terreinafscheiding en de bebouwing, zo staat in de plantoelichting. Verder is toegelicht dat de beperking in maximum bouwhoogte tot 10 m, welke hoogte gelet op artikel 2.4, onder b, van de planregels is uitgedrukt in meters NAP, vanwege de hoogteverschillen in het terrein tot gevolg heeft dat naar de randen met de omgeving op veel plaatsen sprake zal zijn van deels ingegraven bebouwing. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich gelet op deze planregels in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uitbreiding van Madurodam in de Scheveningse Bosjes dusdanig wordt ingepast in het omliggende duinlandschap dat de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht "Van Stolkpark/Scheveningse Bosjes" worden gerespecteerd. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Afdeling voor het bestaande attractiepark.
De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat bij het realiseren van nieuwe bebouwing in het bestaande park de bescherming van de waarden van het beschermde stadsgezicht onvoldoende is geborgd. Die bescherming wordt geboden door de toegekende dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" en de voor deze dubbelbestemming geldende planregels. Voor nadere planregels in de vorm van bouwvlakken en een beeldkwaliteitsplan ziet de Afdeling, anders dan de Bomenstichting en anderen betogen, geen aanleiding. De betogen slagen niet. Stikstof Relativiteit 13. Zowel [appellant sub 1] als de Bomenstichting en anderen betogen dat de uitbreiding van Madurodam die het bestemmingsplan mogelijk maakt een toename aan stikstofuitstoot tot gevolg heeft en leidt tot een extra bijdrage aan de stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Volgens de raad staat artikel 8:69a van de Awb in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van wat [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen hierover hebben aangevoerd. De natuurlijke personen namens wie de beroepen zijn ingediend wonen volgens de raad namelijk op ongeveer 1,1 km van het dichtst bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied.
Een dergelijke afstand is volgens de raad te groot om verwevenheid te kunnen aannemen tussen het belang van deze appellanten bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen.
Ten aanzien van de Bomenstichting stelt de raad dat deze stichting zich inzet voor het behoud van de bomen en het verbeteren van de groene leefomgeving in Den Haag. Dit is volgens de raad een ander doel dan de Wnb ten aanzien van de Natura 2000-gebieden beoogt te beschermen. 13.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." 13.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 13.3.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:206, overweging 10.51, volgt dat dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij beantwoording van de vraag of verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van appellant, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van appellant en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke zicht vanuit de woning op het gebied. 13.4. [appellant sub 1] en de natuurlijke personen namens wie het beroep van de Bomenstichting en anderen is ingediend, wonen allen op ongeveer 1,1 km van het dichtst bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide.
Gelet op deze afstand is de Afdeling van oordeel dat het belang van deze natuurlijke personen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woonomgeving in dit geval niet zo verweven is met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen dat kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk strekken tot bescherming van hun belangen. In de door [appellant sub 1] en de Bomenstichting en anderen naar voren gebrachte omstandigheid dat de Scheveningse Bosjes zich wel nabij hun woning bevindt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat dit gebied geen onderdeel is van een Natura 2000-gebied en daarom op grond van de Wnb geen bescherming geniet tegen de effecten van de uitstoot van stikstof op de natuurwaarden van dit gebied. Gelet hierop staat
artikel 8:69a van Awb ten aanzien van [appellant sub 1] en de natuurlijke personen namens wie het beroep van de Bomenstichting en anderen is ingediend in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van hun beroepsgronden over stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. 13.5. Ten aanzien van de Bomenstichting ziet de Afdeling, anders dan de raad, daarentegen geen aanleiding voor het tegenwerpen van het relativiteitsvereiste. Zoals de Afdeling in de voornoemde uitspraak van 11 november 2020, overweging 10.55, heeft overwogen, kan wanneer het algemeen belang dat een rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt, samenvalt met de belangen die de betreffende bepalingen van de Wnb beogen te beschermen, niet worden geoordeeld dat deze bepalingen kennelijk niet strekken tot bescherming van haar belangen.
De Bomenstichting heeft gelet op artikel 2 van de statuten ten doel: "Het bevorderen van de zorg en aandacht voor en het in stand houden en waar mogelijk verbeteren van de groene leefomgeving en de karakteristieke groene structuren in de gemeente Den Haag met name gericht op bomen, de daarbij horende biodiversiteit en eco-systemen, natuur- en cultuurhistorische waarden, en voorts het bevorderen van het besef dat deze een onmisbare keten in het leven op aarde vormen en daarom onmisbaar zijn voor de mens, zomede al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, in de ruimste zin des woords." Gelet op de omstandigheid dat in de statutaire doelstelling wordt gesproken over de groene leefomgeving en de karakteristieke groene structuren in de gemeente Den Haag, als ook over de daarbij horende biodiversiteit en ecosystemen, natuur- en cultuurhistorische waarden, is de Afdeling van oordeel dat het belang dat de Bomenstichting behartigt samenvalt met de belangen die de bepalingen in de Wnb over de gebiedsbescherming beogen te beschermen.
Daarbij wijst de Afdeling ook op haar uitspraken van onder meer 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1214, overweging 8, en 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3462, overweging 5, waarin de Afdeling de beroepsgronden van de Bomenstichting over stikstof en de effecten daarvan op Natura 2000-gebieden ook inhoudelijk heeft beoordeeld. De Afdeling zal de beroepsgronden van de Bomenstichting over de effecten van het plan op de in de gemeente Den Haag gelegen Natura 2000-gebieden daarom inhoudelijk beoordelen. Het stikstofonderzoek dat aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd 14. Aan het bestemmingsplan is het rapport "Stikstofdepositie-onderzoek; Uitbreiding Madurodam" van Antea Group van 14 december 2017 (hierna: het stikstofdepositie-onderzoek) ten grondslag gelegd. Volgens de Bomenstichting is hierin ten onrechte gebruik gemaakt van de passende beoordeling die aan het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) ten grondslag ligt. Zij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei
2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat deze passende beoordeling niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voorvloeien. Om die reden dient het bestemmingsplan volgens de Bomenstichting te worden vernietigd. 14.1. Uit het stikstofdepositie-onderzoek dat aan het vastgestelde bestemmingsplan ten grondslag is gelegd, blijkt dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft aangesloten bij de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt. De Bomenstichting wijst er terecht op dat de Afdeling in haar voornoemde uitspraak van 29 mei 2019 heeft geoordeeld dat deze passende beoordeling niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien. Dat betekent dat de raad het bestemmingsplan niet kon vaststellen onder verwijzing naar de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag was gelegd. Gelet hierop is het bestemmingsplan vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Het betoog van de Bomenstichting slaagt. Nieuwe stikstofonderzoeken 15. Voorafgaand aan de zitting heeft de raad een drietal nieuwe onderzoeken overgelegd, waaruit volgens de raad volgt dat met zekerheid is uitgesloten dat het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden.
De Afdeling ziet uit een oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om aan de hand van de beroepsgronden van de Bomenstichting te beoordelen of met deze drie onderzoeken het hiervoor geconstateerde gebrek is hersteld. 16. In de notitie "Madurodam - uitgangspunten stikstofdepositie aanlegfase" van Peutz van 14 april 2021 is onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie die ontstaat tijdens de realisatie van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. Uitgaande van de worst case situatie dat de uitbreiding van Madurodam binnen één jaar wordt gerealiseerd, bedraagt de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide maximaal 0,11 mol/ha/jaar, op het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal maximaal 0,03 mol/ha/jaar en op het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen maximaal 0,01 mol/ha/jaar, zo staat in de notitie van Peutz. In de memo "Ecologische beoordeling depositie realisatiefase Madurodam" van Koolstra Advies van 19 april 2021 zijn de effecten van deze toename aan stikstofdepositie beoordeeld. In deze notitie is geconcludeerd dat voor geen van de habitats en soorten die in de drie nabijgelegen Natura 2000-gebieden voorkomen de in de notitie van Peutz genoemde toename aan depositie kan leiden tot enig effect op het habitattype of de leefgebieden van de soorten.
Er is geen kans op significante gevolgen en de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden zullen niet worden aangetast, zo staat in de memo van Koolstra Advies. In de notitie "Madurodam; onderzoek naar stikstofdepositie (gebruiksfase) gebaseerd op Aerius Calculator 2020" van Peutz van 16 april 2021 is
onderzoek gedaan naar de toename aan stikstofdepositie in de gebruiksfase. In deze notitie is geconcludeerd dat geen relevante toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van de stikstofdepositie ter plaatse van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden is berekend als gevolg van de voorgenomen uitbreiding van Madurodam. 17. Op de zitting zijn de drie nieuwe onderzoeken die de raad voorafgaand aan de zitting heeft overgelegd, besproken. De Bomenstichting heeft zich daarbij uitsluitend gericht tegen de notitie van Peutz van 16 april 2021 die betrekking heeft op de effecten van de gebruiksfase. In de notitie van Peutz is onderzoek gedaan naar de stikstofemissie vanwege het verkeer van en naar Madurodam. De Bomenstichting twijfelt aan de juistheid van de hiervoor gehanteerde verkeerscijfers. Volgens de Bomenstichting zijn deze verkeerscijfers mogelijk te laag ingeschat, omdat is uitgegaan van een te lage bezoekerstoename die het plan tot gevolg heeft. Ook twijfelt de Bomenstichting of al het verkeer ten gevolge van het plan voldoende in het stikstofonderzoek is meegenomen, omdat uit de notitie van Peutz blijkt dat het verkeer van en naar Madurodam niet in het onderzoek is meegenomen wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De Bomenstichting twijfelt aan de juistheid van deze gehanteerde methode. 17.1.
In paragraaf 3.1 van de notitie van Peutz is voor de vraag welk verkeer van en naar Madurodam moet worden meegenomen in het stikstofonderzoek verwezen naar de "Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020" (hierna: de instructie). In paragraaf 2.6.2 van deze instructie staat dat een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer die door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer, zo staat in de instructie. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054, overweging 15.14, aanvaard dat in de stikstofberekeningen wat betreft het verkeer van een naar inrichtingen wordt aangesloten bij wat in paragraaf 2.6.2 van de instructie over het heersende verkeersbeeld is vermeld.
De enkele twijfel die de Bomenstichting naar voren heeft gebracht over de gehanteerde methode waarbij de effecten van het verkeer niet worden meegenomen wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld, geven geen aanleiding voor het oordeel dat deze in het algemeen aanvaarde methode in dit geval niet mag worden toegepast.
17.2. In tabel 3.1 van de notitie van Peutz staan de verkeersintensiteiten op de wegen van en naar Madurodam. Uit deze tabel blijkt dat het plan op de Doctor Aletta Jacobsweg een toename tot gevolg heeft van 157 mvt/etmaal, wat een toename is van enkele tientallen procenten ten opzichte van de autonome verkeersintensiteit op deze weg. Op de overige wegen van en naar Madurodam is de toename ten opzichte van de autonome verkeersintensiteit volgens tabel 3.1 van de notitie van Peutz beperkt tot ten hoogste 0,5%. Ondanks dat voor deze overige wegen kan worden gesteld dat het verkeer van en naar Madurodam is opgenomen in het heersende verkeersbeeld, is in de notitie van Peutz zekerheidshalve naast het verkeer op de Doctor Aletta Jacobsweg voor de stikstofberekeningen ook nog de toename aan verkeer ten gevolge van het plan meegenomen op de Professor B.M. Teldersweg tot aan de Scheveningseweg en op het Hubertusviaduct. De Afdeling verwijst naar figuur 3.2 van de notitie van Peutz waar de beschouwde wegen in het stikstofonderzoek zijn weergegeven. In zoverre is in de stikstofberekeningen voor de gebruiksfase dus ook een deel van het verkeer meegenomen dat zich al ruimschoots heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. 17.3.