CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS310282 bijlage 4 bijlage bij toelichting

Commissie Ruimte 26 januari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Hoorzitting inzake het ontwerpbestemmingsplan Maestro33.478 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing af te voeren; of b. te geleiden door een doelmatige ontgeuringsinstallatie (bijvoorbeeld doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter). Met andere woorden zal de milieuwetgeving ervoor zorgen dat de milieuhinder van de bedrijvigheid binnen de beoogde sloop-nieuwbouwontwikkeling tot een minimum wordt bewerkt en dus met name lokale hinder betreft. Daarbij geldt dat de commerciële ruimte in gebruik genomen zal worden als kantoorruimte en een dergelijke functie niet gepaard gaat met stof- en geurhinder. Geluidhinder

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 18

De geluidhinder in de gebruiksfase zal met name afkomstig zijn van voertuigen van de bewoners en bedrijven (motor en banden). De bevoorrading van de bedrijven met vrachtauto’s zal het meeste geluid genereren. Geluid kan ver reiken maar zal in de binnenstad, met vele obstakels (gebouwen) en andere geluidsbronnen, over het algemeen als lokaal worden ervaren. Lichthinder De verlichting in de openbare ruimte en aan de gebouwen dienen zo uitgevoerd te worden dat lichthinder naar de naastgelegen ecologische verbindingszones en woonbebouwing wordt voorkomen. De verlichting dient hierbij te worden afgeschermd (bijvoorbeeld met lichtkappen) en afgesteld zodat uitstraling naar omgeving wordt voorkomen. Bodemhinder Door in de gebouwen geen uitloogbare materialen te gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met hemelwater wordt verontreiniging van de bodem en grondwater voorkomen. De bedrijvigheid wordt door de voorschriften uit het Activiteitenbesluit verplicht om de eventuele aanwezige bodembedreigende activiteiten zo uit te voeren dat een verwaarloosbaar bodemrisico ontstaat. Bodemrisico is hiermee verwaarloosbaar en eventuele hinder beperkt zich tot de directe omgeving van de activiteit. Conclusie Tijdens de gebruiksfase ontstaat eveneens hinder. Dit betreft, op stikstofdepositie na, over het algemeen hinder die ervaren wordt in de nabijheid van de projectlocatie.

Door gebruik te maken van de best beschikbare technieken wordt hinder zoveel mogelijk beperkt. 2.3.5

Risico van ongevallen

Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee. Daarnaast vormt het bouwveiligheidsplan een onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag ‘bouwen’. Hierdoor wordt de kans op ongelukken tot een minimum beperkt. Daarnaast zal gebruik gemaakt worden van materieel dat regelmatig onderhouden en gekeurd wordt waardoor de kans op ongevallen, overmatig brandstofverbruik of vermeerderede uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt voorkomen. 2.3.6

Klimaatadaptie

Door klimaatverandering krijgt Den Haag te maken met grotere extremen in neerslag en temperaturen als ook met een stijging van de zeespiegel. Dit kan schade en overlast veroorzaken in de stad. Het plan houdt rekening met deze omstandigheden door groen- en natuur inclusieve maatregelen te nemen, het betreft zodoende een ‘natuur-inclusieve’ ontwikkeling. Zo wordt een groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen gerealiseerd. Daarnaast worden insectenstenen, nestplaatsen voor gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen toegepast. Naast het groene dak vinden hier ook ingrepen plaats door het gebruik van retentiekratten. Hiermee wordt het terrein minder verhard dan in de huidige situatie waardoor het water langer wordt vastgehouden binnen de projectlocatie. Dit draagt bij aan het tegengaan van hittestress. Daarnaast dragen de tuinen bij aan verhoging van de biodiversiteit.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 19

3

Plaats project

3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik

De projectlocatie is gelegen aan de Randveen 64. Het projectgebied maakt onderdeel uit van ‘Bouwlust en Vrederust’, een naoorlogse wijk in het zuidwesten van Den Haag die tussen 1953 en 1967 gebouwd is op het grondgebied van het oude Loosduinen. De Lozerhof is gelegen in het stadsdeel Escamp dat gekenmerkt wordt door de multiculturele bevolkingssamenstelling, een eenzijdige woningvoorraad met een groot aanbod aan sociale huurwoningen (69,9%) en een ruime hoeveelheid groen waaronder twee groengebieden; het Zuiderpark en De Uithof. Ten zuidoosten grenst de projectlocatie aan de Hengelolaan en ten noorden bevindt zich het Hengelolaanpark. Ten noordwesten, daar waar de Laagveen ontsluit op de Randveen zijn woningen gesitueerd. Ten noorden van de projectlocatie is de openbare basisschool Anne Frank + peuterspeelzaal Anne Frank (dependance) gelegen. Geconcludeerd kan worden dat de projectlocatie in een hoogstedelijk gebied is gelegen. figuur 7. Luchtfoto projectlocatie (bron: QGIS eigen bewerking)

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 20

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse uitgevoerd naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt onderstaand beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven. 3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn

In onderstaande tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Type gebied Wetlands

Juridisch kader Conventie van Ramsar

Kustgebieden Berggebieden en bosgebieden

(o.a.) Wet natuurbescherming

Reservaten en natuurparken: • Nationale Landschappen • Nationale parken

Nationale Landschappen zijn benoemd in de Nota Ruimte. De Nationale Parken zijn onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) Wet natuurbescherming

Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn)

Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid

Europese milieurichtlijnen (o.a. kaderrichtlijn Luchtkwaliteit en kaderrichtlijn Water)

Landschappen van: • Historisch belang • Cultureel belang o Beschermd stads- en dorpsgezicht • Archeologisch belang

• •

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Verdrag van Valletta Erfgoedwet

Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling In of in de directe nabijheid van de projectlocatie zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig. De projectlocatie is niet gelegen in een kustgebied. De projectlocatie is niet gelegen in een berg- of bosgebied. De projectlocatie is niet in een Nationaal Landschap of Nationaal Park gelegen.

De projectlocatie is op ca. 2,2 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied “Solleveld & Kapittelduinen” gelegen. Daarnaast is op ca. 3,3 kilometer afstand het Natura 2000-gebied “Westduinpark & Wapendal” gelegen. “Meijendel & Berkheide” is op circa 8,7 kilometer van de projectlocatie gelegen. Onder deze tabel wordt hierop nader ingegaan. De projectlocatie is niet gelegen in een gebied waar o.b.v. communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden.

De stad Den Haag kent over het algemeen een hoge bevolkingsdichtheid (conform cijfers CBS). Onder deze tabel wordt hier nader op ingegaan. De projectlocatie is niet gelegen in een gebied met een historisch-, cultureel- of archeologisch belang.

Pagina | 21

Natura 2000-gebied Zoals in de tabel reeds is benoemd, is de projectlocatie in de nabijheid van een tweetal Natura 2000-gebieden gelegen. De Natura 2000-gebieden maken onderdeel uit van het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk een effect hebben op de in de nabijheid gelegen Natura 2000-gebieden. Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader op het aspect ecologie (gebiedsbescherming) ingegaan. figuur 8. Luchtfoto projectlocatie (bron: QGIS eigen bewerking)

Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Over het algemeen geldt dat hoe meer personen zich in een gebied bevinden, hoe meer personen hinder kunnen ondervinden van eventuele nadelige milieugevolgen. Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader ingegaan op de eventueel nadelige milieugevolgen die de voorgenomen ontwikkeling met zich mee kan brengen.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 22

3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden

Naast de gebieden die specifiek zijn genoemd in Bijlage III van de EU-Richtlijn, wordt eveneens getoetst of de projectlocatie gelegen is in gevoelige gebieden op grond van overige nationale of provinciale wet- en regelgeving. Type gebied Natuurnetwerk Nederland

Juridisch kader Provinciale verordening

Weidevogelleefgebied

Provinciale verordening

Stiltegebied Bodembeschermingsgebied

Provinciale verordening Wet milieubeheer Provinciale verordening

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

Beschermingszone waterkering

Legger en Keur hoogheemraadschap van Delfland Wet natuurbescherming

Gebied geschikt voor beschermde soorten

Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling De projectlocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De projectlocatie is niet gelegen in een weidevogelleefgebied. De projectlocatie is niet gelegen in een stiltegebied. De projectlocatie is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied. De projectlocatie is niet gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied. De projectlocatie is niet in of in een beschermingszone van een waterkering gelegen. De projectlocatie is geschikt gebleken voor beschermde soorten. Onder deze tabel wordt hier nader op ingegaan.

Beschermde soorten Op de projectlocatie kunnen zich mogelijk beschermde dier- of plantensoorten bevinden. Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader op het aspect ecologie (soortenbescherming) ingegaan.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 23

4

Kenmerken van het potentiële effect

4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit, waarbij het gaat om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken (kenmerken van het project en plaats van het project). Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de aard, het grensoverschrijdende karakter, de intensiteit en de waarschijnlijkheid van het effect. Daarnaast dient de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect beschouwd te worden. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningbouw. De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals wordt besproken in de navolgende paragrafen is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie en expert-judgement. Dit is aangevuld met een tweetal onderzoeken (stikstofdepositie- en ecologisch onderzoek) die zijn uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling vooruitlopend op de te doorlopen planologische procedure.

4.2

Te beoordelen aspecten

Uit hoofdstuk 2 blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een sloop-nieuwbouw ontwikkeling waarbij het bestaande woon-zorgcomplex ‘De Lozerhof’ wordt getransformeerd tot een stedelijk bouwblok met een woon- en zorgprogramma. Het planprogramma omvat op deze locatie maximaal 388 wooneenheden, waarvan 136 zorgeenheden en aanvullende voorzieningen in de plint. Het woningprogramma bevat woningen die variëren van 60 m2 t/m 120 m2 gbo (behoudens enkele penthouses in de kroon van het gebouw en een aantal kleinere studio’s). Tevens worden in de plint commerciële functies opgenomen, bestemd voor kleinschalige dienstverlening en maatschappelijk gerelateerde functies die ook voor de omgeving een toegevoegde waarde hebben. De bestaande bebouwing, dat bestaat uit een verouderd en gedateerd verzorgingstehuis/woon-zorgcomplex, dient hiertoe gesloopt te worden. Reeds is in hoofdstuk 3 van onderhavig rapport geconcludeerd dat de projectlocatie gelegen is in een hoogstedelijke omgeving. De kwetsbaarheden van de projectlocatie, zoals tevens beschreven in hoofdstuk 3, zijn beperkt. Op circa 2,2 en 3,5 kilometer is een tweetal Natura 2000-gebieden gelegen. Hiertoe is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd.

De AERIUS-calculator 2020 geeft als uitkomst van de berekening dat in het zwaarste jaar van de aanlegfase sprake zal zijn van een overschrijding van 0,02 mol/ha/jr aan stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Voor deze overschrijding zal intern gesaldeerd worden met het gebruik van de huidige situatie van het Lozerhof. Tevens kan geconstateerd worden dat de projectlocatie op basis van bestaande gegevens (Adviesbureau Mertens, 2015) invloed kan hebben op eventueel voorkomende beschermde soorten. Op grond hiervan is door ditzelfde adviesbureau onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen. Uit de resultaten van dit onderzoek (mei 2020) komt naar voren dat in het gebied rondom de projectlocatie gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Er zijn ter plaatse geen verblijfplaatsen vastgesteld. Op grond hiervan worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten. Beide hoofdstukken in samenhang bezien, heeft voorgenomen ontwikkeling qua aard en omvang naar verwachting een beperkt effect op de omgeving.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 24

Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten nader behandeld: • Natuur Op grond van de reeds uitgevoerde stikstofdepositieberekening en ecologisch onderzoek, blijkt dat het project niet leidt tot negatieve milieueffecten op beschermde natuurgebieden en beschermde flora en fauna-soorten. • Archeologie De projectlocatie kent op grond van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Ten behoeve van het plan is bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. • Verkeer Het plan heeft een verkeersaantrekkende werking. Bij een mogelijke toename aan verkeer kan eventueel sprake zijn van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en verkeersveiligheid. • Geluid(hinder) Door de verkeersaantrekkende werking van het plan, kan een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving bij voorbaat niet worden uitgesloten. • Luchtkwaliteit Een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van de toename van verkeer is op voorhand niet uitgesloten. • Gezondheid Gezondheid wordt bepaald door verschillende factoren. Te denken valt aan geluid, luchtkwaliteit, groen, bewegen en sociale aspecten.

Zoals uit hetgeen hiervoor is beschreven reeds blijkt, zijn negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van de aspecten geluid en luchtkwaliteit niet op voorhand uit te sluiten. Om die reden wordt het aspect geluid nader beoordeeld. • Externe veiligheid De functies in onderhavig project leiden niet tot externe veiligheidseffecten. De voorgenomen ontwikkeling is immers zelf geen risicovolle activiteit. De locatie gelegen op circa 90 meter van de Lozerlaan, die is aangewezen voor het vervoer van routeplichtige stoffen. Tevens bevindt zich op circa 90 meter een tweetal buisleidingen, waarvan het invloedsgebied 170 meter bedraagt. Om die reden dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. • Wind- en bezonning Ten behoeve van het plan is door Actiflow (kenmerk: AFR – 8004 versie 1.1) het windklimaat onderzocht (Bijlage 3). De toevoeging van de nieuwbouw heeft onmiskenbaar invloed op het lokale windklimaat. De norm betreffende het windklimaat in de openbare ruimte vindt haar oorsprong in NEN 8100:2006 en geeft richtlijnen omtrent het bepalen van het niveau van windhinder en windgevaar en de classificering en beleving die hieruit voortkomt. Het is niet bekend in hoeverre verminderde bezonning kan leiden tot gezondheidsklachten of andere belangrijke nadelige milieugevolgen.

Desondanks is conform het Haagse bezonningsbeleid (RIS170509_11-FEB-2010, kenmerk: DSO/2009.2144-RIS 170509) door LBP|SIGHT een bezonningsstudie verricht naar de gevolgen van het project en of wordt voldaan aan de ‘Haagse bezonningsnorm’ (bijlage 2). Aspecten waarbij op voorhand geen effecten te verwachten zijn Van de overige (milieu)aspecten wordt op basis van de beoordeling die heeft plaatsgevonden in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Volledigheidshalve worden deze aspecten hieronder kort aangehaald: • Water De nieuwe functies op de projectlocaties zijn niet van dien aard, dat deze mogelijk gevolgen hebben op de waterhuishouding. Ook is geen negatieve invloed op de veiligheid van waterkeringen in de omgeving te verwachten, daar de projectlocatie niet in of in een beschermingszone van een in de nabijheid gelegen waterkering is gelegen. Het plan resulteert

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 25

•

•

•

niet in een toename aan verhard oppervlakte. Door het aanbrengen van retentiekratten wordt het terrein minder verhard dan in de huidige situatie en wordt het water langer vastgehouden binnen de projectlocatie. Bodem De voorgenomen ontwikkeling bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. Ten behoeve van het initiatief is door BK Ingenieurs met een verkennend- en nader bodemonderzoek de huidige bodemkwaliteit alsmede de eindsituatie ter plaatse van de verdachte activiteiten (bovengrondse dieseltank en vetvangput) vastgelegd (bijlage 1). De (onder)grond ter plaatse van de binnenplaats (opgebrachte grond) is plaatselijk sterk verontreinigd met PCB’s. De sterke verontreiniging is zowel verticaal als horizontaal afgeperkt en de omvang bedraagt minder dan 10 m3 grond. Derhalve is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, zoals beschreven in de Wet bodembescherming. De slibhoudende ondergrond op het voorterrein, ter plaatse van een voormalige watergang, is matig verontreinigd met PAK. De matige verontreiniging is in dit bodemonderzoek in voldoende mate afgeperkt. In de grond zijn geen sterke verontreinigingen met PAK aangetoond. De resultaten van het nader onderzoek bevestigen de verwachtingen zoals aangegeven in het conceptueel model.

De aangetoonde sterke verontreiniging met PCB’s in het verkennend bodemonderzoek blijkt op basis van de resultaten nog steeds niet duidelijk aan een oorzaak te relateren. De matige verontreinig is te relateren aan de slib-bijmenging. Beide verontreinigingen zijn incidenteel van aard. De overige bodem (grond en grondwater) ter plaatse van het overige terrein en de verdachte deellocaties (bovengrondse dieseltank en voormalige vetvangput) is maximaal licht verontreinigd met de geanalyseerde parameters. De lichte verontreinigingen in de bodem (grond en/of grondwater) zijn niet te relateren aan de (voormalige) activiteiten. Er kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen ten aanzien van het aspect bodem. Door de ODH is geconcludeerd dat er geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Cultuurhistorie Er zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig op de projectlocatie. Derhalve kan op voorhand geconcludeerd worden dat geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

Duurzaamheid, klimaat en energie Zoals in de paragrafen 2.3.2 en 2.3.3 reeds is beschreven worden diverse duurzaamheidsmaatregelen getroffen bij de voorgenomen ontwikkeling (circulair slopen, circulair bouwen, Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een sloopnieuwbouwontwikkeling, waarbij een verouderd verzorgingstehuis gesloopt wordt ten behoeve van een nieuw wooncomplex, wat per definitie duurzamer is. Zo is onder andere het huidige gebouw gasgestookt en wordt het nieuwe complex gasloos aangesloten.

4.3

Archeologie

4.3.1

Huidige situatie

De projectlocatie kent op grond van het vigerend bestemmingsplan “Bouwlust” de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In verband met de sloop- en nieuwbouw is archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek bestaat de ondergrond in het westelijk deel van het plangebied vermoedelijk uit een strandvlakte (Laag van Rijswijk, afgedekt door midden grof en grof zand van het Laagpakket van Wormer en/of Hollandveen). In de ondergrond van het oostelijk deel van het plangebied is mogelijk nog een restant van de Oude Duinen (Laag van Voorburg) aanwezig. De archeologische verwachting verschilt binnen deze twee eenheden. Voor het gehele plangebied geldt voor de Romeinse tijd in principe een lage archeologische verwachting. Het is bekend dat Romeinse bewoning zich concentreerde langs de geulen van het Gantelsysteem.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 26

Deze geulen zijn nog niet gekarteerd maar een (onverwachte) geul is in het plangebied niet uitgesloten. Op basis van het booronderzoek wordt geconcludeerd dat de verwachte bodemopbouw grotendeels overeenkomt met de resultaten van het bureauonderzoek. In het plangebied is onder een subrecente ophoging en een verstoorde bovenlaag sprake van een natuurlijk profielverloop, waarbij (rest)geulafzettingen van het Gantelsysteem (Laagpakket van Walcheren) zijn aangetroffen. Door de spreiding en de grote diepte waarop bodemverstoringen in grote delen van het plangebied zijn aangetroffen, wordt de kans klein geacht dat eventueel aanwezige archeologische niveaus en vindplaatsen worden verstoord. De archeologische waarde van de projectlocatie is conform het bestemmingsplan in voldoende mate vastgesteld. Er kan derhalve geconcludeerd worden dat er geen sprake is van negatieve effecten op archeologische waarden.

4.4

Verkeer

4.4.1

Huidige situatie

Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft de projectlocatie de bestemming ‘Maatschappelijk’. Het bestaande verzorgingstehuis De Lozerhof is gedateerd en verouderd. De bestaande situatie betreft een woon-zorgcomplex van totaal ca. 14.500 m2 BVO bestaande uit 130 kamers t.b.v. bewoners en faciliteiten. De faciliteiten zijn als onderstaand verdeeld: • 605 m2 restaurant voor de bewoners • 713,65 m2 kantoor • 213 m2 zorggerelateerde medische diensten voor de bewoners De verkeersgeneratie van de huidige situatie bedraagt:

Voor de zorgwoningen zijn geen kencijfers opgenomen in de CROW publicatie. Het aantal zorgwoningen in de huidige situatie en nieuwe situatie blijft nagenoeg gelijk (130 versus 136). 4.4.2

Effecten ontwikkeling

Door Adviesbureau Omega is een parkeer- en verkeersstudie uitgevoerd (bijlage 4). In deze studie is onder andere de verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling berekend. De verkeersgeneratie is vergeleken met de verkeersgeneratie van de huidige (planologische) invulling van de projectlocatie. Op deze wijze kan het planeffect bepaald worden. Voor het bepalen van het aantal autoverplaatsingen van woningen worden veelal de kencijfers van CROW – publicatie Toekomstbestendig parkeren december 2018; kencijfers parkeren en verkeersgeneratie gebruikt. De Lozerhof is gelegen in een schil centrumgebied met een mate van verstedelijking die zeer sterk stedelijk is. Voor het toekomstige project worden, voor het dagpatroon

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 27

intensiteit autoverkeer op werk en weekenddagen binnen de bebouwde kom, de percentages aangehouden zoals genoemd in de ASVV. Voor het autoverkeer vindt de ochtendspits, met een piek van 10%, tussen 8.00 uur en 9.00 uur plaats De piek van de avondspits, met 10% van het autoverkeer, vindt plaats tussen 17.00 uur en 18.00 uur. De verkeersgeneratie op basis van het maximale planprogramma, zijnde 252 woningen conform onderstaande berekening bedraagt totaal 1.010 motorvoertuigbewegingen per etmaal en in de ochtend- en avondspits 101 motorvoertuigbeweging per uur.

De verkeerstoename in de ochtend- en avondspits is dusdanig klein dat dit naar verwachting geen gevolgen voor de doorstroming zal hebben. Relatief gezien betekent dit een forse toename van het verkeer voor de Randveen. Op basis van het programma geven de ochtend- en avondspits en de motorvoertuigbewegingen per etmaal geen belemmering en wordt een goede verkeersdoorstroom gegarandeerd. De parkeervoorziening wordt dusdanig vormgegeven dat de veiligheid van verkeer, wat zich voor de garage verplaatst, kan worden gewaarborgd.

4.5

Geluid

4.5.1

Huidige situatie

Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft de projectlocatie de bestemming ‘Maatschappelijk. Het huidige pand op de projectlocatie is reeds in gebruik als woon- zorgcomplex. 4.5.2

Effect ontwikkeling

Zoals uit paragraaf 4.3 is gebleken leidt de voorgenomen ontwikkeling tot een toename van maximaal 899 motorvoertuigen per etmaal. Uit de Wet geluidhinder volgt dat een toename van 1,5 dB voor het menselijk oor niet waarneembaar en dus niet merkbaar is. Bij een toename van 3 dB wordt gesproken van een net waarneembaar verschil en bij een toename van 5 dB wordt gesproken over een waarneembaar verschil. Dit resulteert er niet direct is dat indien sprake is van een waarneembaar verschil direct maatregelen getroffen dienen te worden. Door LBP|SIGHT is een akoestisch onderzoek verricht (bijlage 5) naar de geluidbelasting door het wegverkeer op het Randveen op de gevels van de bestaande woningen langs het Randveen in huidige situatie en in de nieuwe situatie (na realisatie van het plan).

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 28

In de nieuwe situatie is uitgegaan van een extra verkeergeneratie op het deel van het Randveen tussen de Hengelolaan en de inrit van de parkeergarage van Maestro van 899 motorvoertuigen. Deze extra toename wordt onderbouwd in het rapport van Omega met kenmerk V6 JSABD van 5 oktober 2020. Totaal is gerekend met 1.221 motorvoertuigen per etmaal op het gedeelte van het Randveen tussen de Hengelolaan en de inrit aan de parkeergarage. De wegdekverharding op het Randveen bestaat uit klinkers en de maximumsnelheid is 30 km/h. De geluidbelasting die in de nieuwe situatie als gevolg van het verkeer over het Randveen gaat ontstaan is bij de bestaande woningen aan het Randveen ten hoogste 48 dB. De Wet geluidhinder geeft beoordelingskaders aan wanneer de geluidbelasting van wegverkeer zonder meer toelaatbaar is en wanneer er aanvullende maatregelen getroffen moeten worden uit. Uit het systeem van de Wet geluidhinder blijkt dat in een nieuwe situatie een geluidbelasting van 48 dB voor het wegverkeer zondermeer toelaatbaar is ongeacht wat die geluidbelasting in een bestaande situatie is. Nu de geluidbelasting ten hoogste 48 dB is en die geluidbelasting geen grenswaarden uit de Wet geluidhinder overschrijden is beoordeeld dat de geluidbelasting in de nieuwe situatie toelaatbaar is en ook niet leidt tot aanvullende maatregelen.

Voorbij de inrit van de parkeergarage veranderd de geluidbelasting langs het Randveen nauwelijks, aangezien dit deels tweerichtingsverkeer zal worden. Indien rekening wordt gehouden met de aftrek van 5 dB(A) ex artikel 110g van de Wet geluidhinder bedraagt de geluidbelasting bij de bestaande woningen langs het Randveen in de nieuwe situatie ten hoogste 48 dB. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Nieuwe bedrijvigheid Het beoogde bouwplan maakt commerciële ruimten mogelijk. Door de betere isolatie van de nieuwe gebouwen zal de geluidsuitstraling naar buiten toe alleen maar afnemen, wat zal bijdragen aan een beter woon- en leefklimaat. Geluidseffecten tijdens bouw De bouw van de voorgenomen ontwikkeling vindt in een tijdsperiode van circa 4 jaar plaats. De bouw zal voldoen aan de eisen volgens artikel 8.3 van het Bouwbesluit. Eventuele tijdelijke geluidsproductie door de werkzaamheden in de aanlegfase zal in zeer beperkte mate additionele geluidhinder veroorzaken.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Huidige situatie

Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn op basis van de NSL-monitoringstool de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5) bestudeerd. Deze kunnen daarna worden gerelateerd aan de wettelijke grenswaarden, aangezien deze een indicatie geven of sprake kan zijn van een slechte bestaande luchtkwaliteit. In de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer) zijn wettelijke grenswaarden genoemd voor de betreffende stoffen; die bedraagt voor de jaargemiddelde immissieconcentraties 40 µg/m 3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5.

tabel 3.

Jaar

Huidige achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het projectgebied (bron: nsl-monitoring.nl)

GCN-achtergrondconcentratie t.p.v. rekenpunt ID 108023

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 29

NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

22,93

18,865

10,814

2030

16,245

16,933

9,026

Grenswaarden

40

40

25

De NSL Monitoringstool (geraadpleegd d.d.23 december 2020) laat zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO 2 22,93 µg/m3, van fijnstof PM10 18,865 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 10,814 µg/m3 zijn en daarmee ver onder de grenswaarden liggen. Daarnaast is het in dit kader relevant om op te nemen dat in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM) luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen. In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3).

Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: • woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; • kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In de huidige (planologische) situatie wordt ver onder deze 3% norm gebleven. 4.6.2

Effecten ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van de gronden behorende bij de projectlocatie. Deze herontwikkeling brengt een toename van verkeer met zich mee. Uit paragraaf 4.3 is gebleken dat op het deel van het Randveen tussen de Hengelolaan en de inrit van de parkeergarage van Maestro wordt uitgaan van een toename van 1.010 motorvoertuigen. De ontwikkeling bevindt zich zeer ruim onder de grens van projecten die op grond van de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ als ‘NIBM’ worden beschouwd (de ‘grens’ ligt bij een woonbuurt met één ontsluitingsweg op 1.500 woningen). Dit is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van een betekenisvol negatief milieueffect. Hierbij komt dat de bestaande achtergrondconcentraties erg laag zijn en de grenswaarden voor deze achtergrondconcentraties, bij het optellen van de maximale bijdrage van verkeer, niet worden bereikt dan wel worden overschreden. Hierdoor kan er zonder meer worden aangenomen dat ook na realisatie van het plan de achtergrondconcentraties nog steeds laag zijn en in ieder geval nog steeds ver onder de wettelijke grenswaarden liggen. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 30

Tot slot wordt in dit kader nog opgemerkt dat de Wereldgezondheidsorganisatie (of WHO) strengere normen adviseert dan de Europese Unie. De maximale normen voor fijnstof volgens de Wereldgezondheidsorganisatie bedragen 20 µg/m³ voor PM10 en 10 µg/m³ voor PM2,5.. Aan deze normen wordt ter plaatse van het projectgebied in 2030 voldaan. De NSL Monitoringstool (geraadpleegd d.d. 23 december 2020) laat zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2030 van stikstofdioxide NO 2 16,245 µg/m3, van fijnstof PM10 16,933 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 9,026 µg/m3 zijn en daarmee gelegen onder de strengere normen zoals geadviseerd door de WHO. De verwachte oplevering van het bouwplan in 2024 plaatsvinden waarbij de fijnstofconcentraties al richting de adviesnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie verschuiven. Hierbij kunnen in de periode tussen 2023 en 2030 gezondheidsrisico’s optreden voor met name ouderen en mensen met hart-, vaat- of longaandoeningen. Levenslange blootstelling aan fijnstof boven deze norm kan leiden tot blijvende gezondheidseffecten zoals verminderde longfunctie, verergering van luchtwegklachten en vroegtijdige sterfte aan met name luchtwegklachten en hart- en vaatziekten. Aangezien de normen van de WHO maar voor een beperkt aantal jaar zal worden overschreden zullen de gezondheidsrisico’s verwaarloosbaar zijn.

4.7

Ecologie

4.7.1

Huidige situatie

In de huidige situatie is een verouderd en gedateerd verzorgingstehuis/woon-zorgcompex aanwezig op de projectlocatie. 4.7.2

Effecten ontwikkeling

Door de toename in verkeersbewegingen en de voorgenomen bouwkundige ingrepen op de locatie, kan de voorgenomen ontwikkeling theoretisch negatieve effecten hebben op de natuur in en rondom het projectgebied. In dat kader is onderzoek gedaan naar de effecten van het plan op de natuur in de vorm van een ecologisch onderzoek (Adviesbureau Mertens B.V.) en in de vorm van een stikstofdepositieberekening (uitgevoerd door Mees Ruimte en Milieu). Soortenbescherming Uit het onderzoek van Adviesbureau Mertens blijkt dat er geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vastgesteld (bijlage 6). Op basis van inspectie en condities komt naar voren dat in het gebied gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Gedurende en na de realisatie van de sloop-nieuwbouwplannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Tevens hebben de voorgenomen werkzaamheden géén consequenties voor andere beschermde flora of fauna. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek en de aanvraag van een ontheffing. Voorgaande betekent dat er geen sprake is van negatieve milieueffecten op beschermde soorten. Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is door Mees Ruimte en Milieu een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (rapportage Versie 7, d.d.

22 maart 2021, bijlage 7), om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op een in de nabijheid gelegen Natura 2000-gebied te bepalen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de systematiek ‘intern salderen’, waarbij de depositie van de toekomstige situatie wordt afgezet tegen de depositie van de referentiesituatie (bestaande situatie). Het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze rapportage. De conclusie van het onderzoek wordt hieronder weergegeven. De AERIUS-calculator 2020 geeft als uitkomst van de berekening dat in het zwaarste jaar van de

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 31

aanlegfase een overschrijding van de drempelwaarde plaatsvindt. Het eerste jaar van de aanlegfase zal een overschrijding van 0,02 mol/ha/jr aan stikstofdepositie met zich meebrengen op de omliggende Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase van het nieuw te ontwikkelen Lozerhof wordt de drempelwaarde niet overschreden. Voor de overschrijding in de aanlegfase zal intern gesaldeerd worden met het gebruik van de huidige situatie (referentie) van het Lozerhof. Het huidige gasgebruik zorgt samen met de verkeersaantrekkende werking jaarlijks voor een depositie van 0,02 mol/ha/jr. Uit de verschilberekening blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van intern salderen de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/j. niet overschrijdt. In het zwaarstwegende jaar in de aanlegfase is een stikstofdepositie berekend die lager is dan de jaarlijkse depositie als gevolg van het huidige gebruik. In de overige periode van de aanlegfase en de gebruiksjaren daarna is de stikstofdepositie lager. Zodoende is zowel de aanlegfase als de gebruiksfase een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie. Middels intern salderen is de ontwikkeling mogelijk. Met de uitspraak van januari 2021 betreffende het vervallen van de vergunningplicht Wnb bij een positief resultaat na intern salderen, is een vergunning in het kader van de Wnb niet nodig

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Huidige situatie

Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft de projectlocatie de bestemming ‘Maatschappelijk. Het huidige pand op de projectlocatie is reeds in gebruik als woon-zorgcomplex. Een dergelijke bestemming betreft geen risicobron. De locatie is gelegen in de wijk Bouwlust, waar woningen, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen zijn gelegen. De bestaande woningen worden in het kader van externe veiligheid als kwetsbare objecten gezien. 4.8.2

Effecten ontwikkeling

De ontwikkeling bestaat uit vier bouwdelen, waarvan één hogere toren, in een open bouwblokformatie waarbij de binnenplaats ruimte biedt aan een overdekte parkeergarage met toegankelijk dek. Onder de woontoren en aan de Randveen bestaat het voornemen om circa 362 m2 commerciële ruimte te realiseren. Het totale programma, inclusief parkeergarage en techniekruimten, betreft circa 44.000 m2 bvo. Door de omvang van het plan zal ter plaatse van de locatie sprake zijn van de aanwezigheid van een groter aantal personen. De Lozerlaan/N211, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, ligt op circa 80 meter afstand van het plangebied. De Lozerlaan maakt deel uit van de, door de gemeenteraad vastgestelde, route gevaarlijke stoffen (zoals opgenomen in raadsvoorstel RIS258608, besluitenlijst RIS260481 onder E.2 en het aanvullend routeringsbesluit d.d. 16 mei 2019). Echter, deze weg is niet opgenomen in het Basisnet, derhalve is geen plasbrandaandachtsgebied vastgesteld. De weg is zonder beperkingen open voor vervoer van gevaarlijke stoffen voor alle rijbanen (met uitzondering van busbanen) en beide rijrichtingen. Op de Lozerlaan geldt een maximum snelheid van 50 km/uur. Over deze weg vindt transport plaats van LPG ter bevoorrading van diverse tankstations. Het is aannemelijk dat tankstations aan de Lozerlaan of in de nabijheid van de Lozerlaan worden bevoorraad via deze route.

Daarnaast is de projectlocatie gelegen op een relatief korte afstand van de hogedruk aardgasleidingen A-617 en W-509-02. Ten behoeve van de ontwikkeling is berekening uitgevoerd (bijlage 8), waaruit geconcludeerd kan worden dat voor de Lozerlaan geen plaatsgebonden risicocontour (10 -6) is bepaald en het

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 32

plangebied buiten de contour van de buisleidingen is gelegen. Tevens is gebleken dat het berekende groepsrisico voor bovengenoemde risicobronnen ruim onder de oriëntatiewaarde ligt en er als gevolg van het plan geen sprake is van een toename.

4.9

Gezondheid

4.9.1

Huidige situatie

Zoals eerder in de rapportage benoemd, wordt gezondheid bepaald door verschillende factoren. Te denken valt aan geluid, luchtkwaliteit, groen, bewegen en sociale aspecten. De onderdelen geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en groen zijn, in relatie tot de huidige situatie, in dit hoofdstuk reeds behandeld. Daarom wordt in deze (sub)paragraaf enkel nog ingegaan op het aspect sociale veiligheid. In dit kader wordt onder sociale (on)veiligheid verstaan: criminaliteit, overlast en onveiligheidsbeleving. Voorbeelden hiervan zijn ordeverstoring, vernielingen, geweldsmisdrijven, berovingen, woninginbraken, diefstal, maar ook niet direct strafbare zaken als rondslingerend afval op straat, hangjongeren en intimiderend gedrag. In het algemeen wordt een meervoudige relatie gevonden tussen ervaren gezondheid en gevoelens van sociale (on)veiligheid: slechte gezondheid werkt een verhoogd gevoel van kwetsbaarheid in de hand, maar ook kan een gevoel van onveiligheid de mobiliteit verminderen met gezondheidsverlies als gevolg (Van Gemerden, 2006). Als een buurt veiliger aanvoelt dan gaan mensen meer naar buiten, bewegen meer en dit draagt bij aan een betere gezondheid. Een veilige buurt haalt mensen uit een isolement, doordat er meer mogelijkheden zijn om elkaar te ontmoeten.

Onveiligheid beperkt mensen dus in hun regie en veerkracht en is op die manier van invloed op gezondheid en welzijn. In de huidige situatie is sprake van een woon-zorgcomplex op de projectlocatie. Hierdoor is er ’s avonds en ’s nachts levendigheid in delen van het projectgebied waardoor dit gebied minder kwetsbaar is voor criminaliteit en/of overlast. Daarnaast is de projectlocatie volledig verhard en bebouwd, waardoor het niet aantrekkelijk is op de projectlocatie te (ver)blijven. 4.9.2

Effecten ontwikkeling

De onderdelen geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en natuur zijn in dit hoofdstuk reeds behandeld. Door de verkeersaantrekkende werking die van het project uitgaat zal de luchtkwaliteit verslechteren en het geluid toenemen. Zoals uit de uitgevoerde beschouwingen voor deze aspecten blijkt dat deze toenames beperkt zijn. Voor alle aspecten geldt dat ruimschoots aan de geldende wettelijke normen wordt voldaan. De projectlocatie is in de huidige situatie volledig verhard. In de nieuwe situatie wordt de projectlocatie (sterk) vergroend. Onder andere wordt voorzien in de realisatie van een binnentuin. Mensen voelen zich prettig in het groen. Dat is ook niet vreemd, want groen is belangrijk voor onze gezondheid. Met de groene inrichting van het projectgebied wordt het groen binnen in het gebied en de directe omgeving versterkt. Dit zal bijdragen aan het welzijn en de gezondheid van de mensen in en nabij de projectlocatie. Daarnaast wordt de functie van de projectlocatie gewijzigd van maatschappelijk (woonzorgcomplex voor dementerende oudere) naar wonen, inclusief zorgwoningen met een commerciële plint. De plint zal bestemd zijn voor kantoor- en artsenruimtes. Door de menging van functies wordt de levendigheid, en daarmee de sociale controle, binnen het projectgebied vergroot.

Bij de inrichting van de openbare ruimte wordt voorkomen dat geïsoleerde ruimten ontstaan die aan het oog onttrokken worden. Op deze wijze wordt de sociale veiligheid verhoogd en bijgedragen aan de gezondheid van de mensen binnen en de directe nabijheid van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 33

Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een negatief (milieu)effect ten aanzien van het aspect gezondheid. De voorgenomen ontwikkeling draagt juist bij aan het versterken van de waarden behorende bij dit thema.

4.10 Wind- en bezonning 4.10.1 Bezonning Ten behoeve van de herontwikkeling is een bezonningsstudie verricht naar de gevolgen van het project. Hierbij is de invloed op de bezonningssituatie in de directe omgeving in kaart gebracht. Bij het realiseren van nieuwbouw worden op verschillende momenten eisen en richtlijnen gesteld aan de bezonningssituatie. Zo moet bij het opstellen van een bestemmingsplan een goede ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld waarbij ook de bezonning van de omgeving moet worden beschouwd. Voor een goede ruimtelijke ordening worden op het gebied van bezonning en beschaduwing geen wettelijke of publiekrechtelijke eisen gesteld aan bijvoorbeeld de maximale afname van het aantal bezonningsuren door toename van belemmering in de directe omgeving. Wel is er, zij het zeer beperkt, enige jurisprudentie voorhanden. De gemeente Den Haag heeft een eigen bezonningsrichtlijn opgesteld. Bezonningsnorm Den Haag Een woning krijgt de waardering ‘voldoende’ wanneer er sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober (acht maanden). De bezonningsuren bij een zonshoogte van meer dan 10º, worden meegenomen bij de beoordeling. Als beoordelingspunt geldt een denkbeeldig meetpunt op de gevels. Er is sprake van bezonning wanneer het denkbeeldige meetpunt zon ontvangt.

Het meetpunt ligt op 0,75 meter hoogte op het midden van de gevel. De ‘twee’ uur zon hoeft niet aansluitend plaatst te vinden. De bezonningsduur aan de voor-, zij- en achtergevel van een woning mag bij elkaar worden opgeteld en alle mogelijke bezonningsmomenten over de dag mogen gesommeerd worden. 4.10.2 Effecten ontwikkeling Uit de bezonningsstudie blijkt dat de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op de omgeving beperkt is. De bezonningsuren zijn bij een aantal omliggende woningen korter, maar aan het minimum van de lichte TNO norm van 2 bezonningsuren per dag wordt overal voldaan (exclusief de woningen die in de bestaande situatie ook minder dan 2 uur bezonning hebben). 4.10.3 Wind Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een windstudie uitgevoerd. In de bestaande situatie is op de locatie een gebouw aanwezig met een hoogte ca. 29 meter. De locatie bevindt zich op de grens van de stedelijke omgeving van zuidwest Den Haag, met voornamelijk laag- en middenbouw, en “de Uithof”, een bosrijke omgeving. Ten noorden, noordoosten, oosten en zuidoosten van de locatie zijn voornamelijk gebouwen aanwezig met hoogtes van circa 10 tot 20 m hoog. De toevoeging van de nieuwbouw heeft onmiskenbaar een invloed op het lokale windklimaat. Hierbij is het de vraag of het windklimaat na realisatie van de nieuwbouw acceptabel is.

De gemeente Den Haag heeft hier prestatie-eisen voor vastgelegd in de ‘actualisering van de normen ten aanzien van bezonning en windhinder’ d.d. 9 februari 2010.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 34

4.10.4 Effecten ontwikkeling Het inpassen van de nieuwbouw heeft aan de west- en noordzijde geen noemenswaardige invloed op het windklimaat in de ruime omgeving. Hier is zowel in de bestaande als toekomstige situatie een luw windklimaat aanwezig. Op de kruising tussen het Randveen en de Hengelolaan zorgt de nieuwbouw voor een toename van de windhinderklassen. Nabij bestaande bebouwing leidt dit niet tot overschrijding van de prestatie-eisen met uitzondering van de zone nabij de entrees van het appartementengebouw aan de zuidoostzijde van de Hengelolaan. Nabij enkele bestaande entrees aan de Hengelolaan neemt het niveau van winderhinder wel toe, echter blijft dit acceptabel. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een negatief (milieu)effect voor wat betreft wind en bezonning.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 35

5

Conclusie

Uit de effecten die in deze aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn beschreven, kan geconcludeerd worden dat als gevolg van de voorgenomen herontwikkeling van de gronden te Den Haag geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. De “Activiteiten” die mogelijk worden gemaakt met voorliggende ontwikkeling zijn, gelet op de kenmerken, plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiele effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage doorlopen dient te worden.

Mees Ruimte & Milieu | 18115.01 aanmeldnotitie

Pagina | 55

Bijlage

Aanvullend en nader bodemonderzoek

Bijlage

Bezonning

Bijlage

Wind

Bijlage

Parkeerbalans

Bijlage

Geluidsbelasting omgeving Maestro

Bijlage

Actualiserende Quickscan beschermde planten- en diersoorten

Bijlage

Stikstofdepositieonderzoek

Bijlage

Externe veiligheid

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10687223/1