RIS310032 Bijlage
Tekst van het document
Werken aan weerbaarheid van Haagse leerlingen Een evaluatie van de projecten VIP, MIJ en MIJ jr.
Colofon
Titel van het onderzoek: Werken aan weerbaarheid van Haagse leerlingen Ondertitel: Een evaluatie van de projecten VIP, MIJ en MIJ jr. Opdrachtgever: Gemeente Den Haag Onderzoekers:
Amy-Jane Gielen (A.G. Advies) Malon Peeters (RadarAdvies) Lieke Wouterse (RadarAdvies) Ron van Wonderen (Verwey-Jonker Instituut)
Datum: 5 juli 2021 Status: Eindversie
1
Inhoudsopgave Managementsamenvatting....................................................................................................... 4 Achtergrond ............................................................................................................................ 4 Onderzoeksopzet .................................................................................................................... 4 Resultaten ............................................................................................................................... 5 Werkzame elementen ............................................................................................................. 7 Relevante contexten en randvoorwaarden .............................................................................. 8 Risico’s en neveneffecten ....................................................................................................... 9 Aanbevelingen ...................................................................................................................... 10 1. Introductie........................................................................................................................... 13 1.1 Achtergrond ....................................................................................................................
13 1.2 Onderzoeksvragen en wensen ........................................................................................ 14 1.3 Onderzoeksopzet ............................................................................................................ 14 1.4 Leeswijzer ....................................................................................................................... 15 2. Theoretisch kader: antiradicalisering in relatie tot weerbaarheid, identiteit en burgerschap ............................................................................................................................ 16 2.1
Relatie burgerschap & weerbaarheid en radicalisering ............................................. 16
2.1.1 Weerbaarheid ............................................................................................................... 17 2.1.2 Identiteit ....................................................................................................................... 19 3. VIP: uitvoering en het effect.............................................................................................. 21 3.1 Procesevaluatie VIP ........................................................................................................ 21 3.1.1 Inzichten VIP o.b.v. observatie ................................................................................... 21 3.1.2 Perspectief leerlingen VIP ........................................................................................... 25 3.1.3 Perspectief docenten VIP............................................................................................. 30 3.1.4 Perspectief gastdocent VIP .......................................................................................... 36 3.1.5 Conclusies en aanbevelingen procesevaluatie VIP ..................................................... 38 3.2 Effectevaluatie VIP .........................................................................................................
39 3.2.1 Resultaten effectonderzoek .......................................................................................... 40 3.2.3 Verschillen naar onderwijsniveau en aantal gastlessen ............................................... 50 3.2.3 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................... 51 4. MIJ en MIJ jr.: de onderbouwing, uitvoering en het effect ........................................... 53 4.1 Procesevaluatie MIJ en MIJ jr. ................................................................................... 53 2
4.1.1 Inzichten MIJ (jr.) o.b.v. observatie ............................................................................ 53 4.1.2 Perspectief leerlingen MIJ (jr.) .................................................................................... 55 4.1.3 Perspectief docenten MIJ (jr.) ..................................................................................... 61 4.1.4 Perspectief gastdocenten MIJ (jr.) ............................................................................... 67 4.1.4 Conclusies en aanbevelingen procesevaluatie MIJ (jr.) .............................................. 71 4.2 Effectevaluatie MIJ (jr.) ................................................................................................. 73 4.2.1 Resultaten effectonderzoek .......................................................................................... 74 4.2.2 Conclusies en aanbevelingen o.b.v. effectevaluatie .................................................... 96 5. Conclusie en aanbevelingen ............................................................................................... 99 5.1 Resultaten ....................................................................................................................... 99 5.2 Werkzame elementen ...................................................................................................
101 5.3 Relevante contexten en randvoorwaarden .................................................................... 102 5.4 Risico’s en neveneffecten ............................................................................................. 103 5.5 Aanbevelingen .............................................................................................................. 105 Bijlage 1 Methodologische verantwoording ....................................................................... 108 Bijlage 2: Geraadpleegde literatuur ................................................................................... 118 Bijlage 3: Planevaluatie VIP................................................................................................ 120 Bijlage 4: Planevaluatie MIJ (jr.) ....................................................................................... 128 Bijlage 5: Gestandaardiseerde vragenlijst nulmeting VIP ............................................... 134 Bijlage 6: Gestandaardiseerde vragenlijst nameting VIP ................................................ 139 Bijlage 7: Gestandaardiseerde vragenlijst nulmeting MIJ (jr.) ....................................... 144 Bijlage 8: Gestandaardiseerde vragenlijst nameting MIJ (jr.) ........................................ 148
3
Managementsamenvatting Achtergrond Bij het voorkomen en tegengaan van radicalisering wordt veelal ingezet op het wegnemen van de voedingsbodem en risicofactoren voor radicalisering. In toenemende mate is er aandacht voor weerbaarheid en veerkracht. In het Haagse antiradicaliseringsbeleid richt het vierde speerpunt “Versterken maatschappelijke weerbaarheid” zich op activiteiten die Haagse bewoners weerbaar moeten maken tegen polarisatie, radicalisering en extremistische invloeden. Dat heeft in Den Haag geleid tot diverse initiatieven, zoals projecten op scholen over identiteitsontwikkeling. MIJ & MIJ jr. en Vrijheid, Identiteit en Polarisatie (VIP) zijn twee projecten die in Den Haag worden ingezet om jongeren weerbaar te maken tegen polarisatie, radicalisering en extremisme. VIP is een workshop voor jongeren, waarin zij debatvaardigheden bijgebracht krijgen en vervolgens met elkaar in discussie gaan over gevoelige thema’s zoals grondrechten, identiteit, polarisatie en uitsluiting. Het doel hierbij is de weerbaarheid van leerlingen te vergroten, gevoelige kwesties bespreekbaar te maken en te bouwen aan wederzijds begrip. Naast de preventie van radicalisering, beoogt VIP hiermee ook polarisatie bespreekbaar te maken. VIP wordt gegeven aan verschillende opleidingsniveaus: op het praktijkonderwijs op het vmbo/kader, op havo/vwo en op hogescholen.
Centrum 16-22, een instelling voor vormingswerk voor kinderen en jongeren, heeft twee identiteitsprojecten ontwikkeld: MIJ & MIJ jr. Doel van deze projecten is kinderen en jongeren te laten nadenken over wat identiteit betekent, wat hun eigen identiteit is en hoe zij zich verhouden tot anderen. Hiermee wordt gepoogd om de bewustwording van de opbouw van de eigen identiteit te vergroten en begrip voor de identiteit van anderen te versterken. MIJ richt zich op leerlingen vanaf de derde klas van het voortgezet onderwijs (14 jaar en ouder), en op mbo’s (tot 20 jaar). MIJ jr. richt zich op de groepen 7 en 8 van het primair onderwijs en klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs. Deze twee projecten draaien nu enkele jaren en de wens is om meer inzicht te krijgen in de effecten hiervan.
Onderzoeksopzet Dit onderzoeksrapport beantwoordt de volgende deelvragen: • In hoeverre worden de beschreven doelen van de projecten VIP en MIJ (jr.) behaald? • Welke werkzame elementen zijn er binnen de projecten VIP en MIJ (jr.)? • Onder welke omstandigheden (context) werken deze werkzame elementen het beste, waardoor deze projecten aangescherpt kunnen worden en ook in een veranderende context toepasbaar blijven? • Welke risico’s of negatieve effecten hebben deze trainingen? Deze evaluatie is uitgevoerd door een team van wetenschappelijke experts op het gebied van radicalisering, evaluatie en weerbaarheidsprojecten. Voor de evaluatie van VIP en MIJ (jr.) is gebruik gemaakt van een drietal evaluatiemethoden: een plan-, proces- en een effectevaluatie. De verschillende evaluatievormen zijn mede gebaseerd op de Toolkit Evidence Based 4
Werken ter Preventie van Radicalisering. Allereerst toetsen we VIP en MIJ (jr.) met behulp van een planevaluatie op hun theoretische effectiviteit. Een planevaluatie geeft inzicht in de bestaande werkwijze van de projecten VIP en MIJ (jr.) op papier en beschrijft de opzet, doelstellingen, doelgroepen en risico’s. Waar een planevaluatie vooral een theoretische toets betreft, biedt een procesevaluatie de mogelijkheid te onderzoeken hoe de uitvoering in de praktijk verloopt. Hoe worden VIP en MIJ (jr.) in de praktijk uitgevoerd? Zijn er verschillen waar te nemen in de uitvoering bij verschillende schooljaren en -typen? Wat zijn succes- en faalfactoren bij de uitvoering van deze interventies? Het geeft daarbij dus informatie over de aanscherping van de inzet op VIP en MIJ (jr.), maar vormt (o.a.) ook een belangrijke bron van informatie over werkzame elementen en onder welke omstandigheden (context) deze het beste werken. Voor de procesevaluatie is gesproken met 41 leerlingen, 8 docenten, 4 gastdocenten en is bij 14 lessen geobserveerd. Tot slot maken we gebruik van een effectevaluatie. Een effectevaluatie is bedoeld om vast te stellen of de projecten hebben bijgedragen aan het behalen van de doelstellingen bij de verschillende doelgroepen van VIP en MIJ (jr.) In totaal zijn hiervoor 616 vragenlijsten onder leerlingen afgenomen.
Resultaten Uit de planevaluatie in Bijlage 3 bleek dat VIP een breed scala aan doelstellingen heeft, waarbij de gastdocent zelf aangeeft dat het niet reëel is om deze doelstellingen in een of hooguit twee VIP-lessen te behalen. Daarom heeft dit onderzoek zich toegespitst op de doelstellingen uit de daadwerkelijk behandelde lesstof. Hierbij dient overigens te worden aangemerkt dat uit de procesevaluatie is gebleken dat geen enkele VIP-les hetzelfde is, wat toetsing op doelstellingen verder bemoeilijkt. Desalniettemin kan op de volgende aspecten gesproken worden van effect: • •
• • • •
Het aantal leerlingen dat de Grondwet belangrijk of heel belangrijk vindt is toegenomen. De kennis van specifieke Grondwetsartikelen 1 (gelijke behandeling en discriminatieverbod), 6 (vrijheid van godsdienst en levensovertuiging), 7 (vrijheid van meningsuiting), 11 (onaantastbaarheid van het lichaam) is toegenomen. De open houding van leerlingen ten aanzien van andere opvattingen/mensen (geloof, afwijkende mening, homoseksualiteit) is toegenomen. Leerlingen hechten na de VIP-lessen meer belang aan democratische waarden. Leerlingen en docenten zijn in hoge mate tevreden en enthousiast over VIP. Leerlingen en docenten rapporteren het meeste effect op kennis, gevolgd door meer bewustzijn/attitude.
Op andere thema’s stellen we geen effect van de VIP-gastlessen vast. Het gaat hierbij om de thema’s: • Positief gedrag naar anderen met een andere mening (luisteren, begrijpen, praten). • Kritisch zijn – en handelen - met betrekking tot informatie op internet. • Docenten en leerlingen rapporteren in de interviews zelf geen effecten in gedrag. • Empathie naar andere groepen. • Oordeel over discriminatie en buitensluiten. 5
Kortom, op basis van de vragenlijst komt naar voren dat bij VIP sprake is van enkele effecten op zowel kennis/bewustzijn en attitude/houding. Er is geen sprake van effect op gedragsintentie en gedrag. Dit laatste is verklaarbaar omdat een of twee lessen (van welke interventie dan ook) nooit voldoende zullen zijn om gedragsverandering te realiseren. Een randvoorwaarde voor gedragsverandering is meerdere lessen over een langere periode. De bovengenoemde effecten van de VIP-lessen gelden onafhankelijk van het aantal lessen (een of twee) of het schooltype. Uit onze analyses blijken geen ‘overall’ (over alle criteria heen) hoofdeffecten van onderwijstype en het aantal gevolgde lessen. Wel zien we verschillende resultaten op een aantal deelonderwerpen die in de VIP-lessen worden behandeld. Dit kan worden verklaard vanuit de procesevaluatie. In sommige lessen worden onderwerpen intensiever behandeld dan in andere lessen. De mate waarin de stof tijdens lessen behandeld is, draagt bij aan het wel of niet behalen van het effect. Bij MIJ (jr.) kan op de volgende aspecten gesproken worden van effect: • Het percentage leerlingen dat kennis heeft over de betekenis van ‘primaire identiteit’ en 'secundaire identiteit' en ‘imago’ is toegenomen.
• Het percentage leerlingen dat het (heel) erg vindt als iemand wordt gepest vanwege zijn of haar primaire identiteit (huidskleur, geloof en handicap) is gestegen. • Bij de nulmetingen bleken de meeste leerlingen voorafgaand aan de lessen een tolerante houding te hebben over thema’s als andere religies, andere meningen, seksuele voorkeur en gelijke rechten. Desalniettemin zien we bij MIJ jr. een significante positieve verschuiving op tolerantie voor andere meningen. • Leerlingen zeggen na afloop meer kennis te hebben over hoe beïnvloeding door anderen werkt. Daarnaast blijkt bij leerlingen dat zij vaker denken dat ‘ouders’ en ‘vrienden’ invloed hebben op welke kleren of muziek zij mooi vinden en op welke sporten ze doen. In de effectmeting van MIJ jr. geldt dit effect ook nog voor het besef van beïnvloeding door ‘reclame’. • De zelfkennis over de eigen identiteit is op een overkoepelend niveau (alle zes stellingen over eigen identiteit samengenomen) licht toegenomen. • Na afloop vinden meer leerlingen het belangrijk om te controleren of informatie op internet waar of nep is. • Na afloop zijn meer leerlingen het oneens met de stelling dat informatie op internet meestal waar is. Leerlingen lijken kritischer te zijn geworden over het waarheidsgehalte van informatie op het internet.
• Bij MIJ is de houding van leerlingen ten aanzien van het gebruik van geweld (op twee van de drie stellingen) afwijzender geworden. • We constateren op een aantal thema’s een groter effect van de MIJ-lessen in het primair onderwijs (po) dan bij leerlingen uit het voortgezet onderwijs (vo) evenals een groter effect bij leerlingen van het praktijkonderwijs (pro) dan bij havo/vwo-leerlingen. De vermoedelijke reden hiervoor is het feit dat op de nulmeting bij po- en pro-leerlingen de startwaarde (kennis of positieve houding) lager ligt dan voor vo-leerlingen, waardoor een grotere toename mogelijk is. De uitvoerder voegt eraan toe dat dit ook kan komen door een aantal andere of aanvullende redenen, 6
• •
namelijk 1) dat leerlingen in het po en praktijkonderwijs normaliter minder vaak met dit soort thema’s in aanraking komen (hebben het er minder met vrienden en familie over, zit minder in het standaard curriculum); 2) dat docenten in het po en praktijkonderwijs de klassen veelal meer/langer zien gedurende de week dus ook vaker kunnen terugpakken op de thema’s tussen de gastlessen door. Leerlingen en docenten zijn in hoge mate tevreden en enthousiast over MIJ (jr.) Leerlingen en docenten rapporteren het meeste effect op kennis, gevolgd door meer bewustzijn/attitude.
Op de volgende items zijn bij MIJ (jr.) geen of contraire effecten waar te nemen: • Op kennis van het begrip vooroordelen is geen significant effect waar te nemen. Dat komt naar alle waarschijnlijkheid door de hoge startwaarde. • Het percentage leerlingen dat pesten op secundaire identiteit erg vindt is op de nameting minder toegenomen dan het percentage leerlingen dat pesten op primaire identiteit erg vindt. Een mogelijke verklaring die de uitvoerder hiervoor geeft is dat de gastdocenten in de lessen met grotere regelmaat benadrukken hoe ‘pijnlijk’ pesten op basis van primaire identiteit is. • Het percentage leerlingen dat zegt het verschil te weten tussen feiten en meningen is (alleen bij MIJ jr.) afgenomen. Hier komen we in de beantwoording van de vraag over neveneffecten nog op terug. Onze conclusie is dat het volgen van MIJ (jr.)-lessen daadwerkelijk bijdraagt aan meer kennis/bewustzijn en een opener houding op thema’s die in de lessen worden behandeld. De gerapporteerde effecten manifesteren zich echter vooral op kennis/bewustzijn en deels ook de houding van leerlingen, echter minder op gedragsintentie en gedrag. Dat wordt ook ondersteund door het kwalitatieve onderzoek. Werkzame elementen Bij VIP zijn belangrijke werkzame elementen: • •
•
• •
De gastdocent zelf die voor leerlingen met haar culturele achtergrond en werkervaring in de Tweede Kamer fungeert als een rolmodel voor leerlingen De rollenspellen, omdat het een manier is om het gesprek op gang te brengen over moeilijke thema’s. De gastdocent kiest bewust het standpunt dat stof doet opwaaien/waar de meerderheid van de leerlingen het niet mee eens is. Zo ontstaat een gesprek dat meningen van leerlingen uitlokt. De directe stijl van interactie met leerlingen, waarbij ingegaan wordt op vragen en opmerkingen van leerlingen en deze aan de stof van het project worden gekoppeld of leerlingen op een gepast moment juist worden afgekapt. Vragend onderzoeken. De gastdocent stelt veel vragen aan leerlingen, om te achterhalen hoe ze denken en ze te stimuleren een eigen mening te vormen. Het bespreken en laten zien (in filmpjes) van gepolariseerde thema’s, wederom om dat moeilijke gesprek op gang te brengen. Met name het filmpje van Malala maakt op leerlingen veel indruk. 7
Bij MIJ (jr.) zijn de volgende werkzame elementen te onderscheiden: • • •
• •
•
De thema’s zelf, deze worden door zowel leerlingen als docenten als nieuw, interessant en relevant ervaren. Afwisseling in de lessen. De gastdocenten: verbinding kunnen maken met leerlingen, vermogen om abstracte begrippen aan concrete situaties te koppelen, herkenning oproepen bij leerlingen d.m.v. kleding, uitstraling, taalgebruik en soms ook een andere culturele achtergrond en tot slot het zelf kwetsbaar opstellen. Het regelmatig herhalen van de thema’s. De interactieve oefeningen, met name: - De kaartjes met ‘panic, stretch, comfort’ - Imago-oefening - Kledingopdracht - ‘Code kraken’ De filmpjes.
Relevante contexten en randvoorwaarden Bij VIP dragen de volgende contexten en randvoorwaarden bij aan effectiviteit en tevredenheid over het programma: •
• •
•
•
•
Behandeling van stof. Niet zozeer de lesduur, opleiding en leeftijd is bepalend voor de effectiviteit, maar de mate waarin bepaalde stof wel of niet aan bod komt is bepalend voor de mate van effectiviteit. Aanwezigheid en betrokkenheid reguliere docent. Dit draagt bij aan een andere belangrijke randvoorwaarde: orde houden. Nazorg. Soms maakt de VIP-les een hoop los bij leerlingen. Idealiter is er dan tijd voor een nagesprek, extra begeleiding voor de docent of een terugkomdag. Dit element is nu niet structureel ingebouwd en erg afhankelijk van de school of ze bijvoorbeeld ook kiezen voor een workshop voor docenten (HIP). Basiskennis of basishouding van leerlingen. De gastdocent heeft aangegeven soms te schrikken van het niveau van leerlingen. Veel leerlingen zijn helemaal niet gewend om met elkaar in gesprek te gaan, missen essentiële burgerschapsvaardigheden en zijn soms erg intolerant. Goede ingang bij de school. Scholen hebben al het gevoel dat ze zoveel ‘moeten’ en staan niet per definitie enthousiast tegen over projecten van externe aanbieders, omdat dit van hun vaak kostbare lestijd afgaat. Een goede ingang en goed interpersoonlijke contacten, maakt het toch mogelijk – om zelfs tijdens een lockdown – het project uit te voeren. Leeftijd en opleidingsniveau minder relevant.
Bij aanvang van deze evaluatie was de aanname dat leeftijd en/of opleidingsniveau een bepalende randvoorwaarde waren voor de mate van effectiviteit. Dat is niet gebleken uit de evaluatie. Desalniettemin geeft de gastdocent aan dat dit project voor vmbo- en mbo-leerlingen het meest relevant is.
8
Bij MIJ (jr.) dragen de volgende contexten en randvoorwaarden bij aan effectiviteit en tevredenheid over het programma: •
• • • •
Leeftijd van de leerlingen, met name de bovenbouwleerlingen lijken er concrete en toepasbare lessen uit te halen. Alle ‘typen’ geïnterviewden (leerlingen, docenten en gastdocenten) geven ook aan dat de lessen het best passen wanneer leerlingen in de puberteit zitten en met dit soort thema’s bezig zijn. Onafhankelijkheid van de gastdocent. Aanwezigheid en betrokkenheid reguliere docent. Dit draagt bij aan een andere belangrijke randvoorwaarde: orde houden. Meer tijd voor lessen. Dit punt is door leerlingen, docenten en gastdocenten veelvuldig genoemd. Een goede balans in theorie/uitleg versus opdrachten en interactie.
Risico’s en neveneffecten Bij VIP signaleren we de volgende risico’s en (mogelijke) neveneffecten: • Geen vaste methodiek. De gastdocent maakt nu gebruik van een grote PowerPointpresentatie waar afhankelijk van de lesduur en de doelgroep uit geput kan worden. Het verschilt daarom per school en per klas en zelfs per les welke stof er wel en niet behandeld wordt. In die zin is dus geen sprake van een vaste methodiek met een duidelijke opbouw waarin duidelijk is welke stof behandeld wordt en welke effecten daarmee mogen worden verwacht. Een vaste(re) methodiek zou niet alleen de effectiviteit verhogen, maar ook de tevredenheid van leerlingen. Sommigen van hen ervaren het ad hoc gebruik van een hele grote PowerPointpresentatie als ‘rommelig’. • Afhankelijkheid van één specifieke gastdocent. De gastdocent is een belangrijke kracht en werkzaam element van de VIP-lessen. Zij verzorgt de lessen echter in haar eentje en zonder een methodiekbeschrijving. Als zij vanwege welke reden dan ook de lessen van VIP niet of alleen maar beperkt kan verzorgen, gaan waardevolle schoolcontacten en inhoud van het project verloren. Omdat er op dit moment geen vaste methodiek is, kan deze ook niet geleerd worden aan anderen. • Ontbreken van structurele nazorg en bredere inbedding in (zorg)structuur van de school. VIP-lessen maken veel los in de klas.
Soms worden ook in de laatste tien minuten van de les zeer gevoelige thema’s behandeld, zoals de zaak rondom Samuel Paty. Dat maakt veel los in de klas en soms wordt boosheid, frustratie of een mening geuit die niet past bij de normen en waarden van onze democratische samenleving. Juist dan is het belangrijk om door te kunnen pakken en het gesprek daarover verder te kunnen voeren. Die ruimte is er momenteel niet, omdat structurele nazorg niet is ingebouwd in het project. De gastdocent probeert soms langer te blijven, in de gang, kantine of werkkamer bij de docenten, maar het verschilt per les of daar wel of geen mogelijkheden voor zijn. Dat is afhankelijk van de tijd en beschikbaarheid van de docent van dat moment. De gastdocent vertrouwt erop dat een docent, mentor of zorgmedewerker dit verder oppakt in de klas. Hoewel je dat idealiter wel zou mogen verwachten, is daar momenteel niet op structurele wijze in voorzien. Hier zouden voor aanvang van het project goede afspraken over gemaakt moeten worden, om zeker te 9
•
weten dat aan bepaalde leerlingen een docent, mentor of zorgmedewerker die followup en nazorg kan bieden. Mogelijke bijdrage aan vergroten frustraties. In navolging op bovenstaande, is er door het ontbreken van structurele nazorg, geen mogelijkheid om die boosheid en frustratie te kanaliseren. Dit is niet expliciet getoetst in ons onderzoek, maar zou mogelijk wel voor jongeren die al kwetsbaar zijn, frustraties verder kunnen vergroten.
Bij MIJ (jr.) signaleren we de volgende risico’s en (mogelijke en onbedoelde) neveneffecten: • Meer leerlingen bewust onbekwaam op onderscheiden feiten en meningen. Onze evaluatie heeft laten zien dat het percentage leerlingen dat zegt het verschil te weten tussen feiten en meningen (alleen bij MIJ jr.) is afgenomen. Mogelijk kan dit worden verklaard uit de aanname dat leerlingen zich in de MIJ jr.-lessen vooral bewuster worden van het feit dat feiten en meningen soms moeilijk zijn te onderscheiden. Voor het leren van vaardigheden om feiten en meningen ook daadwerkelijk van elkaar te scheiden is echter meer educatie nodig. • Mogelijke stigmatisering met specifiek filmpje. Het filmpje van M. legt sterk de nadruk op het geloof en specifiek de islam. Hoewel dit niet uit ons onderzoek naar voren is gekomen (hier hebben we niet expliciet op getoetst), zou dit mogelijk stigmatiserend kunnen werken. Als er verschillende vormen van extremisme besproken worden, zou dit voorkomen kunnen worden. • Discrepantie in leefwerelden blootgelegd. Juist door de focus op verschillende identiteiten wordt de (soms grote) discrepantie in leefwereld blootgelegd. Hoewel leerlingen wel leren over ‘de ander’, legt het ook de verschillen heel duidelijk bloot. • Minder tevredenheid op specifieke onderdelen. Hoewel leerlingen en docenten in grote mate enthousiast en positief zijn over MIJ en MIJ jr.
benoemen ze op onderdelen wel zaken waar ze minder tevreden over zijn. - Het individuele werken in het werkboek van MIJ en het online lesprogramma van MIJ jr. - Theorie/uitleg werd door leerlingen en docenten soms als te lang/teveel benoemd (met name basisschool en praktijkonderwijs). - De filmpjes werden door sommige leerlingen als niet modern genoeg en ‘te geacteerd’ beschouwd. - Het niet goed kennen van de klas als gastdocent (daarom belangrijk daar goede afstemming over te hebben met de reguliere docent). Aanbevelingen Op basis van onze evaluatie kunnen een aantal inhoudelijke, organisatorische en procesmatige aanbevelingen worden gedaan. Het is belangrijk hierbij op te merken dat er aanbevelingen zijn die de effectiviteit verhogen en aanbevelingen die meer de tevredenheid van leerlingen en/of docenten en/of gastdocenten verhogen. Een overkoepelende beleidsmatige aanbeveling is om te kijken naar hoe de projecten intern zijn belegd. Hoewel we geen onderzoek hebben gedaan naar de bredere projectenportefeuille van de gemeente Den Haag en sturing vanuit andere partners, is het ons wel opgevallen dat de gemeentelijke aansturing van deze projecten 10
geborgd is bij IPPR. VIP en MIJ (jr.) zijn typisch projecten die vallen onder de zogenaamde ‘primaire preventie’ van het preventieclassificatiemodel zoals beschreven in Hoofdstuk 2. Vanuit dit perspectief bekeken is het wellicht logischer om de projecten intern te borgen bij de afdeling Sociaal Domein (Onderwijs) in plaats van bij de afdeling Veiligheid. Aanbevelingen voor VIP zijn: • Meer methodisch werken. Op dit moment ontbreekt een methodiek voor VIP. VIP bestaat op dit moment uit één grote PowerPointpresentatie waarbij per les verschilt wat daaruit wel en niet behandeld wordt. Door het scrollen en zoeken naar relevante slides gaat kostbare tijd verloren en raakt de gastdocent de aandacht van de leerlingen soms kwijt. Bovendien is door deze werkwijze onvoldoende duidelijk wat het effect van een les zal zijn. Het meer methodisch werken zal de effectiviteit van de lessen verhogen. • Doorlopende leerlijn. Een VIP-les duurt in sommige gevallen maar 50 minuten. Dit onderzoek laat zien dat er in 50 minuten al effect behaald kan worden. Een methodisch opgebouwde doorlopende leerlijn bestaand uit meer lessen, waarin meer stof behandeld kan worden, zal naar alle waarschijnlijk ook meer effecten genereren. • Een meer diverse scholenselectie.
Uit de observaties van de lessen is gebleken dat de lessen met name zijn verzorgd op scholen met leerlingen die een andere culturele achtergrond hebben. Dat heeft o.a. te maken met de persoonlijke contacten van de gastdocent met deze specifieke scholen en de specifieke leerlingpopulatie op Haagse vmbo’s en mbo’s. Gelet op het feit dat er tegenwoordig dreiging uitgaat van alle vormen van extremisme (NCTV, 2021), zou men kunnen opteren voor een diversere scholenselectie om zo te werken aan de weerbaarheid en democratisch burgerschap van álle Haagse leerlingen. • Overdragen van methodiek. De afhankelijkheid van het project van een gastdocent maakt de continuïteit van het project kwetsbaar. Dit zou voorkomen kunnen worden door de methodiek over te dragen aan anderen, zodat er een pool van gastdocenten is waarvan gebruik gemaakt zou kunnen worden. Voorwaarde is dan wel dat er gastdocenten worden gevonden die eenzelfde rolmodelfunctie hebben als de huidige gastdocent. • Duidelijke afspraken en voorwaarden met scholen incl. bredere inbedding in burgerschapsprogramma en (zorg)structuur school. De aanwezigheid & actieve bijdrage van de reguliere docent tijdens de les helpt om orde te houden in de klas. Zo kan de gastdocent concentreren op de inhoud van de les in plaats van ook nog als een soort politieagent te moeten optreden.
Daarnaast bepalen de scholen nu in grote mate zelf hoe lang een les duurt. Idealiter worden aan de voorkant afspraken gemaakt dat als scholen VIP af willen nemen dat zij zich dan ook committeren aan de tijd die nodig is om de lessen goed te kunnen verzorgen. Een bredere inbedding in de (zorg)structuur van de school, draagt bij aan betere follow-up die na de VIP-lessen soms nodig is voor specifieke leerlingen. Dit kan gedaan worden door aan de voorkant afspraken te maken wat de school kan doen, indien VIP bij specifieke leerlingen veel losmaakt of dat zij zich zorgen maken om radicalisering. Aanvullend kan ook een verbinding 11
•
worden gemaakte met het bredere antiradicaliseringsbeleid van de gemeente Den Haag, door bijvoorbeeld binnen de school een aandachtsfunctionaris aan te stellen en te trainen. Scherpere sturing van de opdrachtgever. Het ontbreken van een vaste(re) methodiekbeschrijving met duidelijke doelstellingen per VIP-les, alsmede de keuze voor scholen is een aspect waar de opdrachtgever in de toekomst scherper op zou kunnen sturen.
Aanbevelingen voor MIJ en MIJ jr. zijn: •
•
•
•
•
Meer tijd. Er moet minstens 60 minuten voor een les zijn, anders is er onvoldoende tijd voor alle onderdelen. Op zelfkennis over de eigen identiteit vonden we weinig effect. Dat past bij onze observaties dat in de lessen veelal te weinig tijd was voor de opdrachten die erbij hoorden. Ook voor het thema radicalisering in de lessen zijn er nog ontwikkelkansen, met name het verwerken van een meer divers scala aan voorbeelden van typen extremisme en meer ruimte voor het gesprek over radicalisering (bijvoorbeeld door meer lestijd, een extra les, het toevoegen van een extra gespreksoefening). Filmpjes en materiaal actualiseren en toepasbaar maken op verschillende vormen van extremisme. Het werkmateriaal is ontwikkeld in een periode dat de grootste dreiging vanuit het jihadisme kwam. Inmiddels is er sprake van dreiging vanuit allerlei verschillende vormen van extremisme. Daarvoor kan bijvoorbeeld steeds uit de actualiteiten geput worden; in programma’s als het Jeugdjournaal komen regelmatig toepasbare voorbeelden voorbij. In het huidige filmpje wordt daarnaast ook gerefereerd aan de aanslagen op 11 september 2001. Dat speelde zich af in een periode dat de leerlingen nog niet geboren waren. Goed inbouwen online lesprogramma. Momenteel wordt erg weinig gebruik gemaakt van het online lesprogramma van MIJ jr.
Dit zou beter geïntegreerd kunnen worden en mogelijk ook bijdragen aan het kunnen maken van opdrachten waar nu geen tijd voor is, zodat met name op zelfkennis van identiteit en goed onderscheid kunnen maken tussen feiten en meningen meer effect zou kunnen worden behaald. Duidelijke afspraken en voorwaarden met scholen. De aanwezigheid van de reguliere docent tijdens de les die een actieve bijdrage levert aan orde houden in de klas. Zo kan de gastdocent zich concentreren op de inhoud van de les in plaats van ook nog als een soort politieagent te moeten optreden. Ook kan zo vooraf afgestemd worden over eventuele gevoelige thema’s bij deze klas of specifieke leerlingen. Idealiter worden aan de voorkant ook afspraken gemaakt dat als scholen MIJ jr. willen afnemen, zij zich ook committeren op het online lesprogramma. Goede balans tussen theorie en interactie. De uitleg wordt nu soms als (te) lang ervaren door leerlingen en het werkboek als erg ‘schools’. Een betere balans tussen theorie en interactie, zal de tevredenheid van leerlingen naar alle waarschijnlijkheid verhogen.
12
1. Introductie 1.1 Achtergrond Bij het voorkomen en tegengaan van radicalisering wordt veelal ingezet op het wegnemen van de voedingsbodem en risicofactoren voor radicalisering. In toenemende mate is er aandacht voor weerbaarheid en veerkracht. Een inzet op het versterken van weerbaarheid en veerkracht heeft een positieve insteek, door niet te focussen op risico’s en tekortkomingen van individuen, maar juist te investeren in capaciteiten van individuen en die van zijn of haar omgeving. Het versterken van beschermende factoren kan zowel in een vroegtijdig preventief stadium van grote waarde zijn, als in stadia waarin polarisatie, vervreemding en nietgewelddadige radicalisering reeds aan de orde zijn (Sieckelinck & Gielen, 2020). Binnen de Haagse aanpak van polarisatie en radicalisering kunnen vier speerpunten worden onderscheiden: • Netwerken en Communicatie • Persoonsgerichte aanpak CTER • Kennis en Kunde • Versterken maatschappelijke weerbaarheid Het vierde speerpunt “Versterken maatschappelijke weerbaarheid” richt zich op activiteiten die Haagse bewoners weerbaar moeten maken tegen polarisatie, radicalisering en extremistische invloeden. Dat heeft in Den Haag geleid tot diverse initiatieven, zoals projecten op scholen over identiteitsontwikkeling.
MIJ (jr.) en Vrijheid, Identiteit en Polarisatie (VIP) zijn twee projecten die worden ingezet om jongeren weerbaar te maken tegen polarisatie, radicalisering en extremisme. VIP is een workshop voor jongeren, waarin zij debatvaardigheden bijgebracht krijgen en vervolgens met elkaar in discussie gaan over gevoelige thema’s zoals grondrechten, identiteit, polarisatie en uitsluiting. Het doel hierbij is de weerbaarheid van leerlingen te vergroten, gevoelige kwesties bespreekbaar te maken en te bouwen aan wederzijds begrip. Naast de preventie van radicalisering, beoogt VIP ook hiermee polarisatie bespreekbaar te maken. VIP wordt gegeven aan verschillende opleidingsniveaus: op het praktijkonderwijs op het vmbo/kader, op de havo/vwo en op hogescholen. Centrum 16-22, een instelling voor vormingswerk voor kinderen en jongeren, heeft twee identiteitsprojecten ontwikkeld, MIJ & MIJ jr. Doel van deze projecten is kinderen en jongeren te laten nadenken over wat identiteit betekent, wat hun eigen identiteit is en hoe zij zich verhouden tot anderen. Hiermee wordt gepoogd om de bewustwording van de opbouw van de eigen identiteit te vergroten, en begrip voor de identiteit van anderen te versterken. MIJ richt zich op leerlingen vanaf de derde klas van het voortgezet onderwijs (14 jaar en ouder), en op mbo’s (tot 20 jaar). MIJ jr.
richt zich op de groepen 7 en 8 van het primair onderwijs en klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs.
13
Deze twee projecten draaien nu enkele jaren en de wens is om meer inzicht te krijgen in de effecten hiervan. 1.2 Onderzoeksvragen en wensen De gemeente Den Haag heeft voorafgaand dit onderzoek enkele vragen geformuleerd om de evaluatie vorm te geven: • In hoeverre worden de beschreven doelen van de projecten VIP en MIJ (jr.) behaald? • Hoe kan de inzet op VIP en MIJ (jr.) verder worden aangescherpt? • Welke werkzame elementen zijn er binnen de projecten VIP en MIJ (jr.)? • Onder welke omstandigheden (context) werken deze werkzame elementen het beste, waardoor deze projecten aangescherpt kunnen worden en ook in een veranderende context toepasbaar blijven?1 • Welke risico’s of negatieve effecten hebben deze trainingen? De gemeente Den Haag heeft daarbij vooraf een aantal uitgangspunten geformuleerd voor dit onderzoek: • Er dient gebruik gemaakt van de Toolkit Evidence Based Werken ter Preventie Radicalisering. Hierin worden verschillende evaluatievormen beschreven: planevaluatie, procesevaluatie en effectevaluatie. • Mogelijkheid tot vergelijkingsonderzoek. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling VIP en MIJ (jr.) onderling te vergelijken, maar wel om een vergelijking te maken met de uitvoering van ieder afzonderlijk project op de verschillende onderwijsniveaus. Zo kan inzicht worden verkregen of onderwijsniveau en leeftijd relevant is voor het succes van de interventie.
Heeft dezelfde interventie hetzelfde effect op een basisschool als op een middelbare school? Specifiek is de wens geuit om inzicht te krijgen in de verschillen tussen: - Project MIJ: Evaluatie van de uitvoer op de middelbare school (vmbo en havo/vwo) in vergelijking met de uitvoer op het praktijkonderwijs. - Project MIJ jr.: Evaluatie op de basisschool groep 8, in vergelijking met de uitvoer in de onderbouw middelbare school (klas 1 of 2). - VIP: Een evaluatie van de uitvoer op een basisschool (groep 7 of 8), in vergelijking met de uitvoer op een mbo en op een middelbare school (vmbo/havo of vwo). • Om structurelere evaluatie van de beide programma’s mogelijk te maken, is de wens om als onderdeel van de evaluatie een gestandaardiseerde vragenlijst te maken die kan worden gebruikt om het mogelijke effect van deze preventieve projecten te evalueren. 1.3 Onderzoeksopzet Voor de evaluatie van VIP en MIJ (jr.) is gebruik gemaakt van een drietal evaluatiemethoden: een plan-, proces- en een effectevaluatie. De verschillende evaluatievormen zijn mede 1
Met ‘aanscherping’ wordt verwezen naar de inhoud van de interventies, zodat deze nog beter aansluiten bij de doelgroep en het doel; de benodigde randvoorwaarden, zoals de inbedding in reguliere lessen, aanwezigheid docent, tijdsinvestering etc. De aanbevelingen zijn voor zowel de gastdocenten, die de inhoud kunnen verbeteren, als de gemeente, die in de procesrol ook medeverantwoordelijk is om de juiste randvoorwaarden te scheppen en afspraken te maken.
14
gebaseerd op de Toolkit Evidence Based Werken ter Preventie van Radicalisering. Allereerst toetsen we VIP en MIJ (jr.) met behulp van een planevaluatie op hun theoretische effectiviteit. Een planevaluatie geeft inzicht in de bestaande werkwijze van de projecten VIP en MIJ (jr.) op papier en beschrijft de opzet, doelstellingen, doelgroepen en risico’s. Waar een planevaluatie vooral een theoretische toets betreft, biedt een procesevaluatie de mogelijkheid te onderzoeken of de praktijk overeenkomt met wat er op papier is bedacht. Hoe worden VIP en MIJ (jr.) in de praktijk uitgevoerd? Zijn er verschillen waar te nemen in de uitvoering bij verschillende schooljaren en -typen? Wat zijn succes- en faalfactoren bij de uitvoering van deze interventies? Het geeft daarbij dus informatie over de aanscherping van de inzet op VIP en MIJ (jr.), maar vormt (o.a.) ook een belangrijke bron van informatie over werkzame elementen en onder welke omstandigheden (context) deze het beste werken. Voor de procesevaluatie is gesproken met 41 leerlingen, 8 docenten, 4 gastdocenten en is bij 14 lessen geobserveerd. Tot slot maken we gebruik van een effectevaluatie. Een effectevaluatie is bedoeld om vast te stellen of de projecten hebben bijgedragen aan het behalen van de doelstellingen bij de verschillende doelgroepen van VIP en MIJ (jr.).
De meeste geijkte methode is om te werken met een vragenlijst waarbij leerlingen voorafgaand aan de het project worden bevraagd (nulmeting) en nogmaals na afloop van het project (nameting). In totaal zijn 616 vragenlijsten onder leerlingen afgenomen. Om de leesbaarheid te vergroten hebben we op verzoek van de opdrachtgever de methodologische verantwoording naar de bijlagen verplaatst. In Bijlage 1 gaan we verder in op de verschillende evaluatievormen en hoe we deze hebben toegepast op beide projecten, welke data we hebben verzameld en hoe we deze hebben geanalyseerd. We gaan ook in op de waarborgen die we hebben ingebouwd om de privacy van zowel scholen als leerlingen te garanderen. Tot slot gaan we in op de beperkingen van het onderzoek, in het bijzonder de beperkingen die twee (scholen)lockdowns in verband met Covid-19 met zich mee hebben gebracht en hoe daar gedurende het onderzoek mee is omgegaan. 1.4 Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt een theoretisch kader gepresenteerd om te laten zien hoe volgens de wetenschappelijke literatuur dergelijke projecten in het onderwijs proberen bij te dragen aan het voorkomen van radicalisering. Hoofdstuk 3 bespreekt de uitkomsten van de proces- en effectevaluatie voor het project VIP. Hoofdstuk 4 bespreekt de uitkomsten van de proces- en effectevaluatie voor het project MIJ (jr.).
Tot slot worden in Hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen besproken. Op verzoek van de opdrachtgever hebben we ten behoeve van de leesbaarheid van de rapportage, de methodologische verantwoording en de planevaluaties naar de bijlagen verplaatst. Bijlage 1 gaat verder in op hoe we precies de data hebben verzameld en geanalyseerd, hoe we met privacy zijn omgegaan en de beperkingen van het onderzoek. Bijlage 2 bevat het overzicht van de gebruikte literatuur. Bijlage 3 beschrijft de uitkomsten van de planevaluatie van VIP. Bijlage 4 beschrijft de uitkomsten van de planevaluatie van MIJ (jr.). Bijlagen 5 tot en met 8 bevatten de gestandaardiseerde vragenlijsten die we voor de evaluatie hebben ontwikkeld en gebruikt en in de toekomst door de gemeente of uitvoerders van de projecten kunnen worden gebruikt om blijvend te evalueren. 15
2. Theoretisch kader: antiradicalisering in relatie tot weerbaarheid, identiteit en burgerschap Polarisatie en radicalisering zijn vaak taboe thema’s binnen het onderwijs. Men wil niet geassocieerd worden met het thema. Het zou niet spelen onder hun leerlingen, ze willen zich bezighouden met onderwijszaken in plaats van een verlengstuk zijn voor de gemeente en politie om leerlingen in de gaten te houden, is veelgehoorde kritiek van het onderwijs op antiradicaliseringsprogramma’s. Derhalve worden programma’s nooit aangeboden als antiradicaliseringsprogramma’s, maar binnen een kader waar scholen (docenten en leerlingen) zich veel meer mee kunnen identificeren: weerbaarheid, identiteit, burgerschap en mediawijsheid. Dit hoofdstuk gaat nader in op hoe deze thema’s zich verhouden tot de preventie van radicalisering. Daartoe presenteren we enkele wetenschappelijke inzichten over weerbaarheid en identiteit t.b.v. het voorkomen van radicalisering. 2.1 Relatie burgerschap & weerbaarheid en radicalisering Preventie van radicalisering kan het beste begrepen worden als een ‘preventieclassificatiemodel’. Dit model onderscheidt drie vormen van preventie: primaire, secundaire en tertiaire preventie.
Een dergelijk classificatiesysteem komt uit de gezondheidszorg en wordt vandaag de dag nog gebruikt in de criminologie, met name in de criminaliteits- en geweldpreventie (Caplan, 1964; Pease, 2002). Het uitgangspunt van een preventieve aanpak is een focus op de oorzaak van de aandoening, het misdrijf of het gewelddadige extremisme in plaats van op de gevolgen. De aanpak heeft tot doel de risicofactoren die tot ziekte, misdaad, of gewelddadig extremisme kunnen leiden te beperken en de beschermingsfactoren te versterken. Het preventieclassificatiemodel is gevisualiseerd in figuur 1 en is een manier van kijken naar antiradicaliseringsbeleid. De meerwaarde van een dergelijke zienswijze is dat dit model heel goed laat zien dat antiradicaliseringsbeleid niet alleen een veiligheidsvraagstuk is, maar nadrukkelijk ook een samenlevingsvraagstuk dat vraagt om integrale samenwerking tussen het veiligheids-, jeugd-, sociaal en onderwijsdomein. Het classificatiemodel schept duidelijkheid en maakt het mogelijk dat verschillende domeinen vanuit hun eigen rol en expertise een bijdrage leveren aan het voorkomen en tegengaan van radicalisering. Voor de ene partij is het logischer een bijdrage te leveren aan het voorkomen van voedingsbodem via primaire preventie en voor een ander zich te richten op individuen die al geradicaliseerd zijn.
Primaire (groepsgerichte) preventie is bijvoorbeeld een logische taak voor gemeenten vanuit de afdeling Onderwijs. Omdat het model inzet op risico- en beschermingsfactoren, kunnen diverse beroepsgroepen zich ermee identificeren. Antiradicalisering gaat in dit model niet (alleen) over terroristen en de politie, maar nadrukkelijk over kwetsbare individuen wiens risicofactoren op radicalisering we proberen te verkleinen en wiens weerbaarheid te vergroten. Daardoor wordt antiradicaliseringsbeleid genormaliseerd en is het in feite niet anders dan ‘business as usual’ voor lokale professionals uit het onderwijs, het jongerenwerk, de jeugdgezondheidszorg en de sociaal wijkteams.
16
Uit het figuur blijkt vooral een duidelijke link tussen primaire preventie en burgerschapsonderwijs. Primaire preventie omvat brede preventieactiviteiten gericht op het wegnemen van de voedingsbodem voor radicalisering en op versterking van beschermende factoren. In deze fase is preventie vaak groepsgericht, maar soms ook gericht op het individu. Algemene preventie richt zich op het wegnemen van de voedingsbodem voor radicalisering en het bevorderen van beschermingsfactoren. Hiervoor hoeven gemeenten veelal geen nieuwe initiatieven te ontplooien, maar goed gebruik te maken van het reguliere aanbod, zoals het jongeren- en welzijnswerk, het sociaal wijkteam, maar nadrukkelijk ook het burgerschapsonderwijs op scholen. Veel jongeren voelen zich namelijk nauwelijks thuis in ons politieke bestel. Maar dat betekent niet dat ze geen politieke vragen of interesses hebben. Achter radicalisering gaan vaak (niet of onhandig geformuleerde) hulpvragen schuil en een gebrek aan (inzicht in) democratische vorming. Dat vraagt om een professionele respons. Burgerschapsonderwijs kan jongeren leren genuanceerder naar de wereld en de politiek te kijken. Het leert jongeren dat ze opgroeien in een diverse samenleving en bevordert kennismaking met die pluriformiteit.
Democratische vorming richt zich op het bevorderen van actief burgerschap en maakt bijvoorbeeld gebruik van filosofische en socratische gespreksvoering. Dat kan helpen om van jongeren zelfstandige kritische burgers te maken. Figuur 1: Preventieclassificatiemodel radicalisering (Platform JEP, 2020, gebaseerd op Gielen, 2020)
2.1.1 Weerbaarheid Uit een review van alle radicaliseringsliteratuur van 2001-2015 blijkt dat wetenschappelijke studies vooral risicofactoren behandelen (Campelo et al., 2018), en zich maar heel beperkt richten op beschermingsfactoren: factoren die juist bijdragen aan weerbaarheid tegen extremistische attitudes en gedrag. Welke factoren dragen er juist aan bij dat iemand níet radicaal wordt? Door niet enkel aandacht te hebben voor risicofactoren voor polarisatie en extremisme, maar ook beschermende factoren in beeld te brengen, kan een positieve benadering worden ontvouwd, die niet op tekorten focust, maar juist investeert in capaciteiten van individu en omgeving (Benson et al., 2004). Beschermende factoren kunnen in een vroegtijdig preventief stadium van grote waarde zijn, maar zijn ook van toepassing in stadia
17
waarin polarisatie2, vervreemding en niet-gewelddadige radicalisering reeds aan de orde zijn. Die realiteit brengt ons bij het begrip ‘weerbaarheid’. Het vergroten van weerbaarheid vormt een belangrijk onderdeel van antiradicaliseringsbeleid. Het vergroten van de weerbaarheid bevordert namelijk beschermingsfactoren tegen radicalisering en gewelddadig extremisme. Interventies om de weerbaarheid te verbeteren kunnen op diverse doelgroepen worden ingezet, zoals kwetsbare individuele jongeren of specifieke groepen en gemeenschappen. Coaching, onderwijsprogramma’s en programma’s voor gemeenschappen en sleutelfiguren zijn vaak toegepaste interventies om de weerbaarheid te vergroten. Onderliggende mechanismen bij deze interventies zijn de theorieën van de morele onthechting (moral disengagement), sociaal kapitaal (bonding en bridging) en waarden complexiteit (value complexity). Bij het vergroten van de weerbaarheid is het belangrijk om in acht te nemen dat weerbaarheid een wederkerig en iteratief proces is op individueel, sociaal en gemeenschappelijk niveau. Alleen een educatieprogramma aanbieden op scholen is onvoldoende, evenals alleen een opvoedondersteuningscursus voor ouders om te leren omgaan met mogelijke signalen van radicalisering.
Het is juist belangrijk dat verschillende doelgroepen gelijktijdig worden bereikt; dus als ouders een opvoedingsondersteuningscursus volgen moeten hun kinderen parallel daaraan een voorlichtingsprogramma op school krijgen (Weine, 2012, Weine, 2017, Gielen, 2020). In de publicatie van Platform JEP ‘Veerkracht bevorderen bij opgroeiende jongeren. Inzetten op beschermende factoren’ benoemen Sieckelinck en Gielen (2020) interventies die een bijdrage kunnen leveren aan beschermende factoren en weerbaarheid: a) Democratische vorming: jongeren genuanceerder naar de wereld en de politiek laten kijken, o.a. door middel van aanpakken in het onderwijs zoals burgerschapsonderwijs; b) Ideologische weerbaarheid, in het bijzonder digitale weerbaarheid tegen fake nieuws en complottheorieën; c) EHBI: Eerste hulp bij identiteitsvraagstukken, waaronder religieuze en ideologische vorming. Jongeren begeleiden in hun zoektocht naar identiteit. Dat kan zowel individueel, in de vorm van coaching en psychologische hulpverlening, als groepsgericht; d) Familieondersteuning: positieve familierelaties is een cruciale beschermende factor bij radicalisering; Weerbaar Opvoeden stelt opvoeders in staat hun kinderen op zo’n manier te ondersteunen dat zij zich thuis voelen in de maatschappij.
Het helpt hen hun kinderen weerbaarder te maken tegen uitdagingen zoals het omgaan met conflicterende normen en waarden, polarisatie, uitsluiting en radicale invloeden; e) Zelfverwezenlijking. Inzet op een sterker gevoel van eigenwaarde en regie maakt teleurgestelde individuen minder vatbaar voor groepsdynamiek, ronselaars en extremistische religieuze ideeën; f) Sociale vaardigheden en normering. Veel jongeren willen niet zomaar alles aannemen, tegelijk zijn ze erg op zoek naar geloofwaardige volwassenen met ervaringen, 2 Door Brandsma gedefinieerd als: gedachtenconstruct over een andere groep.
18
opvattingen en attitudes die hun een idee geven wie ze zelf kunnen worden. Ze zijn op zoek naar een kader. 2.1.2 Identiteit In de MIJ (jr.) interventie is zeer veel aandacht voor identiteit. Daarom is in deze literatuurscan ook de rol van identiteit in het radicaliseringsproces meegenomen. De rol van identiteit in het radicaliseringsproces is eerder uitgebreid onderzocht (Gielen, 2008). Onderzoek laat zien dat identiteit een containerbegrip is, waar vanuit de (sociaal)psychologie, sociologie en antropologie op een andere manier naar gekeken wordt. Psychologen zien identiteit meer als ‘iets van binnen’, waarin verschillende persoonlijkheidskenmerken en existentiële vragen als ‘wie ben ik?’, ‘wat wil ik in het leven?’ en ‘is er leven na de dood?’ een rol spelen. Sociologen daarentegen, beschouwen identiteit vooral in hun sociale context. Identiteit komt in hun visie pas tot uiting in interpersoonlijke contacten en groepsprocessen. Dat maakt identiteit zowel interpersoonlijk als collectief. Beide disciplines beschouwen heden ten dage3 de identiteitsontwikkeling als een dynamisch en reflexief proces: op basis van bepaalde gebeurtenissen of levensfasen kan identiteit veranderen. Omdat identiteit zich ontwikkelt op verschillende aggregatieniveaus (het persoonlijke, het interpersoonlijke en het collectieve) kan ook gesproken worden van meervoudige identiteit.
Dat betekent dat iemand in staat is in verschillende sociale contexten een bepaalde identiteit te hanteren. Het betekent dus ook dat identiteit geen vaststaand gegeven is, maar – mede afhankelijk van die sociale context en specifieke gebeurtenissen – veranderd kan worden. Dat betekent dat afhankelijk van die sociale context iemand vatbaar of juist minder vatbaar kan worden voor radicalisering. Dat wordt het best geïllustreerd aan de hand van het vraag- en aanbodmodel voor radicalisering Meah & Melis (2007) aangevuld met nieuwere wetenschappelijke inzichten. Dit model gaat uit van een voedingsbodem, de zogenaamde vruchtbare aarde waarop radicalisering kan gedijen. Gevoelens van onzekerheid, onrechtvaardigheid, ervaring met discriminatie, het idee dat de eigen groep bedreigd wordt, zijn allemaal factoren die meespelen bij het ontstaan van de voedingsbodem. Nu is het niet zo dat een ervaring met discriminatie automatisch leidt tot radicalisering. Daar is veel meer voor nodig. Onderzoek heeft laten zien dat er bij veel individuen die radicaliseren sprake is van psychische of psychosociale problematiek, zoals een persoonlijkheidsstoornis of een trauma. Dat betekent dat hun copingsmechanismen over het algemeen verminderd zijn waardoor het lastiger is te dealen met tegenslagen (zoals de factoren uit de voedingsbodem) in het leven.
Gelukkig zijn de meeste mensen desondanks weerbaar tegen radicalisering. Ze hebben als het ware een beschermend laagje wat hen minder vatbaar maakt. Die bescherming komt echter onder druk te staan op het moment dat vraag en aanbod, al dan niet onder invloed van een levensingrijpende gebeurtenis samenkomen. De vraagkant is vooral gerelateerd aan de zoektocht naar identiteit. Uit divers onderzoek (Gielen, 2008; Campelo et al., 2018; Ranstorp, 2016) is gebleken dat de zoektocht naar identiteit een centrale rol speelt in het radicaliseringsproces. Mensen zijn op zoek naar betekenis- en zingeving op belangrijke 3 De psychologen in tegenstelling tot vroeger, nu ook.
19
existentiële vragen: wie ben ik, wat wil ik met mijn leven? Deze vragen hebben we allemaal en spelen het meest in de pubertijd en adolescentiefase. Normaliter wordt, mede onder invloed van de sociale context en in het bijzonder van zogenaamde ‘pedagogische coalities’ (Sieckelinck & De Winter, 2015), deze zoektocht naar identiteit in goede banen geleid. Ouders, docenten en professionals kunnen jongeren begeleiden bij hun identiteitsvraagstukken en sturen en richting geven, zelfs of juist op het moment dat iemand ook in contact komt met extremistisch aanbod. Van een propagandafilmpje van een extremistische organisatie op YouTube ga je niet automatisch radicaliseren. Echter, als er al sprake is van een voedingsbodem, eventueel gecombineerd met de psycho(sociale) problematiek (Thijs et al., 2018) en het je ook nog eens ontbreekt aan een warme en positieve sturende pedagogische coalitie in je zoektocht naar identiteit, dan ben je veel minder weerbaar tegen extremistische invloeden. Zeker als er dan ook nog een zogenaamd ‘triggerevent’ plaatsvindt, een levensingrijpende gebeurtenis die zorgt voor een nog verminderde weerbaarheid, waardoor een cognitieve opening kan ontstaan voor extremistische denkbeelden en invloeden. Kortom, dit radicaliseringsmodel laat zien hoe belangrijk het is jonge mensen te ondersteunen in hun zoektocht naar identiteit.
Figuur 2: Radicalisering in relatie tot weerbaarheid
20
3. VIP: uitvoering en het effect In dit hoofdstuk worden de uitkomsten van de proces- en effectevaluatie van VIP besproken. Voor de leesbaarheid is de planevaluatie verplaatst naar Bijlage 3. 3.1 Procesevaluatie VIP Een procesevaluatie wordt uitgevoerd om na te gaan of de uitvoering van de interventie - of een onderdeel daarvan - verloopt zoals gepland. Ook geeft het inzicht in geleerde lessen, op basis waarvan de inzet/uitvoering van de interventie bijgestuurd kan worden. Het geeft daarbij dus informatie over de aanscherping van de inzet op VIP, maar vormt (o.a.) ook een belangrijke bron van informatie over werkzame elementen en onder welke omstandigheden (context) deze het beste werken.
Vragen die bij deze procesevaluatie centraal staan: • Hoe is de uitvoering van VIP verlopen (uitgesplitst naar de verschillende schooljaren en -typen zoals reeds benoemd in de introductie)? • Wat zijn succes- en belemmerende factoren bij de uitvoering van deze interventies? Bijvoorbeeld: - Welke factoren dragen bij aan een positieve evaluatie van leerlingen op deelname aan VIP? - Welke factoren dragen eraan bij dat leerlingen zich wel of niet aangesproken voelen door het lesaanbod? - Welke werkvormen behorend bij VIP dragen eraan bij dat leerlingen actief meedoen aan de groepsgesprekken/discussies? In deze paragraaf zullen we de uitvoering en ervaring van de verschillende doelgroepen met de interventie beschrijven. We starten met een algemene beschrijving van de uitvoering op basis van onze observaties en vervolgens gaan we op basis van de observaties, interviews en de vragenlijsten in op de beleving en ervaring met de volgende doelgroepen: • Algemene beschrijving van de uitvoering • Leerlingen • Docenten • Gastdocenten De inzichten met betrekking tot deze vragen staan allereerst onderverdeeld per methode (observaties, interviews met de verschillende stakeholders), waarna we op basis van het totaal aan inzichten deelconclusies trekken. 3.1.1 Inzichten VIP o.b.v.
observatie De VIP-lessen zijn in 4 verschillende klassen geobserveerd (groep 7, groep 8, brugklas vmbo basis/kader en mbo-entreeklas).
21
Algemene indruk VIP-lessen Over het algemeen reageren de leerlingen enthousiast op de gastdocent, zeker de jongere leerlingen (t/m brugklas). De leerlingen stellen zich betrokken op en vragen veel, ook na de les gaan sommige leerlingen nog naar de gastdocent toe met vragen. De leerlingen van de mbo-entreeklas waren aanvankelijk niet heel betrokken. Gaandeweg de les raakten zij meer betrokken doordat de gastdocent goed aansloot bij hun leefwereld door bijvoorbeeld de link te leggen met hun stages of werk. Ook in de andere lessen weet de gastdocent goed aan te sluiten bij het niveau van de leerlingen en wordt er doorgevraagd op de antwoorden die leerlingen geven, met name waarom de leerlingen bepaalde dingen vinden. Aan de hand van de observaties is een aantal aspecten te duiden die iedere les naar voren komen: Inhoud: • Artikel 1 Grondwet: Gelijke behandeling en discriminatieverbod • Artikel 6 Grondwet: Vrijheid van godsdienst • Artikel 7 Grondwet: Vrijheid van meningsuiting (vaak i.c.m. voorbeeld van cartoons over profeet Mohammed) Werkvorm: • Rollenspel: voornamelijk een gesimuleerd debat over wetsvoorstellen gelieerd aan religie • Vraag en antwoord: gastdocent vraagt aan leerlingen of ze weten wat een bepaald begrip is, of dat uit kunnen leggen. Hoewel deze aspecten in iedere geobserveerde les terug zijn gekomen, is er niet één gemiddelde VIP-les aan te duiden.