CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS309878 bijlage 1a

Algemene Raadscommissie 11 mei 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Raadsvoorstel: Voorstel van het college inzake Vaststelling bestemmingsplan Waldeck 202139.241 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. In een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied worden op bouwplanniveau op grond van de Regeling Bouwbesluit nadere eisen gesteld aan kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord.

Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Op 27 juni 2013 en gewijzigd bij besluit van 16 mei 2019 heeft de gemeenteraad een nieuw routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2). Hierbij is de Ockenburghstraat aangewezen voor het vervoer van routeplichtige stoffen. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten.

De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een

64

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

beperkte verantwoording: 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Gasleiding Evenwijdig aan de Lozerlaan bevindt zich een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie met een diameter van 30” en een werkdruk van 67 bar (westzijde). Bij de overgang van de Lozerlaan naar de Ockenburghstraat wijzigt het verloop van deze aardgastransportleiding richting Monster. Voor deze leiding geldt met het in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen een toetsingsafstand van 220 m. Gemeentelijk beleid De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS259485 en besluitenlijst, RIS260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: 3. De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid. 4.

Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen. 5. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten. 6. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk. 7. Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: -

Structuurvisieniveau

--> Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen

-

Bestemmingsplanniveau --> Veiligheidsgeïntegreerd ordenen

-

Bouwplanniveau:

--> Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen.

Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen. Onderzoek en conclusie Net buiten het plangebied, aan de Ockenburghstraat is een LPG-tankstation gevestigd. Binnen een straal van 150 m vanaf het LPG-tankstation voorziet het bestemmingsplan niet in het veranderen of uitbreiden van de bestaande functies. De Ockenburghstraat is aangewezen voor het vervoer van routeplichtige stoffen. Het groepsrisico blijft daarmee ongewijzigd. Evenwijdig aan de Lozerlaan bevindt zich een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie. De contour op basis van de toetsingsafstand ligt maar voor een zeer klein deel binnen het plangebied. Binnen deze contour ligt een beperkt aantal kwetsbare bestemmingen (woningen). Het

65

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

bestemmingsplan voorziet niet in het veranderen of uitbreiden van de bestaande functies binnen deze contour. Het groepsrisico blijft daarmee ongewijzigd. Eindconclusie Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.4

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. Als geluidsgevoelige gebouwen dan wel terreinen zijn aangewezen: woningen onderwijsgebouwen*; ziekenhuizen en verpleeghuizen*; verzorgingstehuizen*; psychiatrische inrichtingen*; kinderdagverblijven*; woonwagenstandplaatsen; ligplaatsen voor woonschepen (*) geldt niet voor de delen van een gebouw die een andere bestemming hebben dan genoemd in artikel 1.1.,lid 1 onderdeel d van het Besluit geluidhinder De Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer: Wegverk eers- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, en waarbinnen bij het opstellen van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Die verplichting geldt niet indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan de (spoor)weg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de betreffende weg opgenomen geluidsgevoelige gebouwen die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn. Daarnaast maakt de wet een uitzondering voor wegen waar de maximaal toegelaten snelheid 30 km/uur is.

Deze wegen hoeven niet in het onderzoek te worden betrokken. De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Voor nieuwe situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Deze bedraagt voor wegverkeerslawaai maximaal 63 dB. Een uitzondering wordt gemaakt als het gaat om vervangende nieuwbouw langs wegen. De gevelbelasting mag dan maximaal 68 dB bedragen. De wet bepaalt hierbij dat de vervanging niet zal leiden tot: een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur of functie; een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen. In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen spoorwegen aanwezig. Met lawaai van railverkeer hoeft geen rekening te worden gehouden. Reconstructie van wegen Binnen het plangebied zullen de komende jaren naar verwachting geen straten ingrijpend gereconstrueerd worden. Industrielawaai In en rond het plangebied zijn geen industrieterreinen aanwezig waarop aangewezen inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd.

66

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

Procedure hogere waarden Wanneer de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, is parallel aan de bestemmingsplanprocedure een procedure ontheffing hogere waarden ingevolge de Wet geluidhinder noodzakelijk. De hogere waarde procedure moet zijn afgerond alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Op locaties waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de maximale ontheffingswaarde niet, kunnen hogere waarden worden aangevraagd bij B en W.

4.5

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd.

De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het bestemmingsplan Waldeck 2021 maakt geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk en heeft daarom geen gevolgen voor de luchtkwaliteit.

4.6

Natuurbescherming

4.6

Groene waarden

De wet- en regelgeving voor de groene waarden betreft de Wet natuurbescherming, de Wet milieubeheer, de Gemeentewet en de Wet ruimtelijke ordening. De bescherming van de groene waarden kent in de wet- en regelgeving verschillende invalshoeken: gebiedsbescherming, soortenbescherming, bomenbescherming areaalbescherming en netwerkbescherming. Op elk wordt ingegaan. 4.6.1

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de gebiedsbescherming van bijzondere natuurgebieden, de zogenoemde Natura2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hieraan voorafgaand is in januari 2006 de formele aanwijzingsprocedure van Natura 2000-gebieden gestart. Na deze aanwijzing is de gebiedsbescherming uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en sinds 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland. In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (inclusief Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (inclusief Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (inclusief landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreft Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden

67

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

in de gemeente Den Haag. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. Is er op grond van de Wet milieubeheer (Wm) sprake van een passende beoordeling dan is een MER nodig. Voor de andere gevallen kent de Wm de vormvrije merbeoordeling. In het bestemmingsplan dient aangegeven te worden in hoeverre de uitvoering van het plan onder de verplichtingen vanuit deze wet valt. Voor de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden, zie onderstaande afbeelding. Het plangebied zelf maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, maar grenst bij de Ockenburghstraat aan een Natura2000-gebied: Solleveld & Kapittelduinen. Er worden met het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, zodat er geen sprake is van effecten op Natura 2000-gebieden.Wat betreft de locatie voor een nieuwbouw appartementengebouw aan de Aaltje Noordewierstraat, hoek Louis Davidsstraat is in het kader van de daarvoor gevoerde uitgebreide Wabo-procedure onderzoek gedaan. Hierbij is het volgende geconcludeerd: De onderzoekslocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, 'Solleveld & Kapittelduinen', bedraagt circa 400 meter. Dit Natura 2000-gebied is gevoelig voor stikstofdepositie.

Toets voorgenomen bouwplan Ten aanzien van stikstof is voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase een stikstofdepositieberekening (AERIUS 2019) uitgevoerd. De rapportage is als aparte bijlage in het OLO gevoegd.

4.6.2

Natuurnetwerk Nederland

Om het nationale ruimtelijke beleid te borgen in bestemmingsplannen is op grond van de Wet ruimtelijke ordening door het Rijk het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (BARRO) van kracht. Daarin wordt de mogelijkheid geboden om stelsels van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang aan te wijzen dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten - het natuurnetwerk Nederland. Deze gebieden moeten bij provinciale verordening worden aangewezen en hun ligging geometrisch vastgelegd. Ook de Wnb kent een gelijke bepaling voor dit netwerk. De door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgestelde Omgevingsverordening vervult deze functie. In artikel 2.3.2.1 van deze verordening wordt gesteld dat een bestemmingsplan voor gronden binnen dit netwerk, met bestaande natuur, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld, geen bestemmingen aanwijst die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Het plangebied is niet aangewezen tot onderdeel van het natuurnetwerk Nederland.

68

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

4.6.3

Soortenbescherming

Verder heeft de Wnb de bescherming van planten- en diersoorten uit de Flora- en faunawet overgenomen. De wet gaat ervan uit dat zonder uitdrukkelijke toestemming geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. Dit betekent dat het gaat om het effect van een handeling op beschermde soorten. De wet kent een drie aparte beschermingsregimes voor: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; 3. andere soorten' die vanuit nationaal oogpunt zijn beschermd. Hierbij hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden in de soorten die beschermd zijn. De wet legt een zorgplicht op voor alle dieren en planten in Nederland, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de wijze en het tijdstip van uitvoering van bouwplannen waarbij men rekening houdt met het voortplantingsseizoen en met winterverblijfplaatsen en waardoor dieren niet onnodig worden verontrust. Ook legt de wet een beschermingsplicht op voor een groot aantal met name genoemde soorten. De wet bevat verbodsbepalingen voor het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten en het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.

Voor de algemene beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling, voor andere soorten die strenger zijn beschermd (vleermuizen, vogels, eekhoorns) kan onder voorwaarden een ontheffing worden aangevraagd. Binnen het plangebied bevinden zich vleermuisroutes, een foerageergebied (zie onderstaande afbeelding), alsmede kwaamverblijven en winterverblijfplaatsen.

Er worden met het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt en heeft daardoor geen effect op de voorkomende beschermde soorten. Het plan voldoet hiermee aan de Wet natuurbescherming. 4.6.4

Bescherming bossen

De Wnb beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de bebouwde kom ligt, wordt bepaald door de gemeenteraad. Anders dan de naam wellicht doet vermoeden, gaat het hier niet om de grens van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Aangezien de gemeente op 1 januari 2017 nog geen (nieuwe) komgrens op grond van deze wet heeft vastgesteld geldt volgens artikel 9.9 van de Wnb de komgrens zoals die door de gemeenteraad op 5 maart 1998 is vastgesteld onder de Boswet (RIS 021312). Deze gebieden vallen per 1 januari 2017 onder de werking van de Wnb. Dit betekent dat duurzame instandhouding van het bos is verzekerd en wat bos is ook bos moet blijven. Financiële tegemoetkomingen (subsidies) van Rijk en Provincie zijn mogelijk. Bescherming vindt plaats door

69

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

middel van een meldings- en herplantingsplicht. 4.6.5

De Wet natuurbescherming: meld- en herplantingsplicht

De Wnb kent voor de meld- en herplantingsplicht voor het vellen van houtopstanden. Houtopstanden die onder de werking van de Wet natuurbescherming vallen, mogen alleen worden gekapt als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Allereerst moet de kap van te voren worden gemeld. Voor dunningen is de meldings- en herplantingsplicht niet van toepassing. Anders dan onder de Boswet moet de kap vanaf 1 januari 2017 worden gemeld bij Gedeputeerde Staten van de provincie. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding en bepalen welke gegevens moeten worden verstrekt, de termijn en de wijze waarop moet worden gemeld en over de wijze waarop moet worden herbeplant. Na de (gemelde) kap dient de eigenaar van het bos ervoor te zorgen dat drie jaar na het kappen van het bos, hetzelfde areaal bos aanwezig is in de vorm van jonge beplanting. Het herbeplanten van het perceel kan plaatsvinden door aanplant, bezaaiing, natuurlijke verjonging of op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand. 4.6.6

Houtopstanden

Ook voor de reikwijdte van te beschermen houtopstanden is in de Wnb grotendeels aangesloten op de Boswet. Wederom geldt de meld- en herplantingsplicht voor houtopstanden van 10 are en groter en een bomenrij van 20 bomen. De term 'houtopstand' is gedefinieerd als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Niet voor alle houtopstanden die aan deze vereisten voldoen, geldt de meld- en herplantingsplicht. Net zoals onder de werking van de Boswet zijn bomen op erven en tuinen en een rij wilgen of populieren op of langs landbouwgronden uitgezonderd. Ook is in de Wet natuurbescherming gedacht aan de praktische problemen bij de productie van hout als biomassa. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als houtige biomassa zijn uitgezonderd van de meld- en herplantingsplicht indien ten minste eens per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan bepaalde beplantingseisen is voldaan. Italiaanse populieren, linden, paardenkastanjes en treurwilgen worden vanaf 1 januari 2017 -in tegenstelling tot voorheen onder de Boswet - wél beschermd. 4.6.7

Bomenbescherming

In de op grond van de Gemeentewet door de gemeenteraad vastgestelde Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is de bescherming van bomen vastgelegd. Volgens de APV van Den Haag, artikel 2.80 e.v., is voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig (RIS 174540). Door deze bescherming kunnen belangen zorgvuldig worden afgewogen voordat een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel geweigerd. Daarnaast is een mogelijkheid opgenomen om monumentale bomen aan te wijzen. Monumentale bomen hebben een hogere beschermingsstatus. Voor een volledig overzicht van de monumentale bomen in Den Haag is op de website van de gemeente Den Haag de meest actuele lijst en kaart terug te vinden. Op onderstaande afbeelding is te zien dat de hoofdboomstructuur deels door het plangebied loopt, Pissuissestraat, Laan van Meerdervoort en Ockenburghstraat.

70

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

4.6.8

Verlichting met oog voor de natuur

Eind 2017 stelde de gemeenteraad voor het eerst een 'Lichtvisie' vast voor de stad. Hierin staat op hoofdlijnen hoe de gemeente de openbare plekken in de stad wil verlichten. Stadsverlichting draagt bij aan (een gevoel van) veiligheid, maar voor sommige nachtdieren zoals vleermuizen is kunstlicht ongewenst. Vleermuizen leven en jagen 's nachts en kunstlicht kan hun gedrag flink verstoren. In de Lichtvisie is een richtlijn 'Licht op de Natuur' (RIS 298658) opgenomen. Hier staat dat in de Haagse natuur alleen openbare verlichting wordt gebruikt waar dat echt nodig is. Als er licht moet zijn voor bijvoorbeeld de veiligheid, dan wordt het zo toegepast dat dieren er zo min mogelijk last van hebben, door gebruik te maken van gericht/afgeschermd wit licht met een maximum van 3000K (geen UV).

4.7

Bodem

Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of de projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

71

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

Situatie in het plangebied Het plangebied is in gebruik geweest bij agrarische bedrijven. In de 17e eeuw zijn er naast boerderijen ook buitenplaatsen gebouwd. Verder waren er tot de jaren '80 van de 19e eeuw veel tuinbouwbedrijven gevestigd. In Waldeck en in de directe omgeving hebben, naast tuinbouwbedrijven, slechts enkele bedrijven met bodembedreigende activiteiten hun vestiging gehad. Het gaat hierbij om een drukkerij en een chemische wasserij. Verder hebben bij woongebouwen in de wijk ondergrondse huisbrandolietanks gelegen. Een beperkt aantal woongebouwen wordt nog verwarmd met huisbrandolie; de tanks zijn hier dan ook nog aanwezig. In Waldeck en in de directe omgeving zijn bodemonderzoeken uitgevoerd in verband met aangetroffen verontreinigingen, herinrichting en/of bouwplannen. Hieruit is gebleken dat er sprake is van meerdere gevallen van ernstige bodemverontreiniging. Hiervan is sprake bij een gemiddelde overschrijding van de interventiewaarde in meer dan 25 m3 vaste bodem en/of 100 m3 grondwater (bodemvolume) of bij de overschrijding van de norm voor asbest van 100 mg/kg.ds. Enkele zijn (deels) gesaneerd waarbij er soms restverontreiniging is achter gebleven waardoor er gebruiksbeperkingen zijn. Op een aantal locaties is de bodem verontreinigd met minerale olie ten gevolge van lekkage van de ondergrondse olietanks.

Tijdens het verwijderen van de tanks zijn deze verontreinigingen veelal gesaneerd.Tevens is ter plaatse van de chemische wasserij aan het Alphons Diepenbrockhof 82 een bodemv·erontreinigingmet oplosmiddelen geconstateerd. Hier is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.Ter plaatse van de Pisuissetraat (binnenterrein Pisuissestraat / Aaltje Noordewierstraat / Louis Davidsstraat)is een grondwaterverontreiniging met arseen aangetroffen. Deze verontreiniging is vermoedelijk ontstaan ten gevolge van de tuinbouwactiviteiten uit het verleden. Voor dit geval van ernstige bodemverontreiniging is een bodemsanering uitgevoerd . Er is een beperkte restverontreiniging in het grondwater achtergebleven. Er gelden gebruiksbeperkingen m.b.t. de restverontreiniging met arseen in het grondwater hiervoor geldt een beperking voor grondwateronttrekking. Ter plaatse van het Arnold Spoelplein 75 liggen drie gevallen van ernstige bodemverontreiniging met PCB, lood en minerale olie. Er is een deelsanering uitgevoerd ter plaatse van één van de gevallen. Zeer plaatselijk worden in het gebied sterk verhoogde gehalten aan zware metalen in de grond aangetroffen. Uit de bodemkwaliteitskaart gemeente Den Haag blijkt dat de bovengrond (0-0,5 m-maaiveld) in het plangebied gemiddeld licht verontreinigd is met lood zink en PAK (teerachtige stoffen).

In de diepere bodemlagen worden geen verontreinigingen meer aangetoond. Op nog niet alle verdachte deellocaties in het plangebied heeft bodemonderzoek plaatsgevonden. Het plangebied is niet gelegen in een drinkwaterbeschermingsgebied. Voor die delen van het plangebied waar herinrichting en/of nieuwbouw plaats zal vinden en waar nog geen onderzoek en/of sanering heeft plaatsgevonden, zal bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd en eventueel gesaneerd moeten worden. Naast het feit dat nog niet overal bodemonderzoek heeft plaatsgevonden, zijn er locaties waar het uitgevoerde bodemonderzoek verouderd is (ouder dan vijf jaar). Indien op deze locaties herinrichting en/of nieuwbouw zal plaatsvinden, zullen de bodemonderzoeken geactualiseerd moeten worden.

72

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

4.8

Windhinder en bezonning

Onderdeel van de toetsing voor stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor windhinder en bezonning gehanteerd (RIS 170509). 4.8.1

Algemeen

Indien het project niet voldoet aan de normen dan kan het project worden geweigerd dan wel desalniettemin worden besloten dat onder voorwaarden met de planontwikkeling wordt ingestemd. Naast bezonning en wind weegt de gemeente immers nog vele andere aspecten af zoals architectonische vormgeving, functies, verkeer, parkeren, financiën, volkshuisvesting, sociale veiligheid etcetera. Onderdeel van de afweging is ook dat er voorwaarden (financieel en materieel) kunnen worden opgelegd aan de initiatiefnemer om maatregelen te nemen aan de vormgeving van het project en/of in de openbare ruimte met het oog op de reductie van windhinder. Overeenkomstig de nieuwe Wet ruimtelijke ordening kunnen deze eisen worden vastgelegd in een grondexploitatieplan of in een overeenkomst met de initiatiefnemer. De gemeente heeft als taak om al deze aspecten op een evenwichtige wijze tot gelding te laten komen. Het spreekt voor zich dat het aspect veiligheid/gevaar en een slecht klimaat bij wind een hard punt moet zijn. Indien hiervan toch wordt afgeweken dan moeten daarvoor zwaarwegende redenen zijn. De overige aspecten t.a.v. wind en bezonning maken deel uit van de genoemde bredere afweging. Afwijking van die normen is in concrete gevallen mogelijk als de totale belangenafweging daartoe noopt. 4.8.2

Windhinder

Van windhinder is sprake als gedurende een te groot aantal uren per jaar een bepaalde windsnelheid wordt overschreden. Dit treedt op rond hoge gebouwen wanneer er sprake is verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk maken. In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder. Over het algemeen wordt gesteld dat voor gebouwen hoger dan 30 meter windonderzoek noodzakelijk is. De gemeente Den Haag sluit zich wat betreft beleid ten aanzien van windhinder aan op de normen in NEN 8100. Hierin wordt aangegeven wanneer onderzoek naar wind bij bouwwerken nodig is, hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd, aan welke eisen moet worden getoetst en hoe rapportage moet plaatsvinden. De gemeente Den Haag hanteert als ondergrens een 'matig' windklimaat. Een 'slecht' windklimaat wordt slechts bij hoge uitzondering en onder nadere voorwaarden toegestaan. In het bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarbij sprake is van een bouwhoogte van 30 meter of meer. Er is daarom geen onderzoek verricht in het kader van dit bestemmingsplan. 4.8.3

Bezonning

De realisatie van bouwwerken kan gevolgen hebben voor de schaduwwerking in de omgeving. Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Gemeente Den Haag sluit grotendeels aan op de 'lichte TNO-norm'. De Haagse bezonningsnorm gaat er vanuit dat de ondergrens op tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van meer dan 10 graden, moet liggen. In afwijking van de lichte TNO-norm is in de Haagse norm de bezonning van gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen. De Haagse bezonningsnorm is van toepassing op de omgeving van de te realiseren nieuwbouw en geldt voor bouwwerken vanaf een hoogte van 25 meter of indien de nieuwbouw ten minste 1,5 maal hoger is dan de gemiddelde hoogte van de omgeving.

73

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

74

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

Hoofdstuk 5 5.1

Planbeschrijving

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken zijn de bestaande situatie (hoofdstuk 2), het beleidskader (hoofdstuk 3) en de milieukwaliteitseisen (hoofdstuk 4) uiteengezet. Dit diende ertoe om de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen voor het bestemmingsplan. In paragraaf 5.2 wordt het plan beschreven en in paragraaf 5.3 worden de in het plan opgenomen ontwikkelingen aangegeven. Aan de hand hiervan wordt in paragraaf 5.5 een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen gemaakt. Met deze keuze kan de opzet van het bestemmingsplan in paragraaf 5.6 en de bestemmingen globaal beschreven worden.

5.2

Beschrijving van het plan

5.3

Ontwikkelingen

5.3.1

Extra bouwlagen

5.3.1.1 Vijf Bouwlagen Zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven volgt uit de structuurvisie dat voor bebouwing langs doorgaande wegen en groen wordt uitgegaan van de mogelijkheid om minimaal vijf bouwlagen te realiseren. Verdichting langs hoofdontsluitingswegen is gebaseerd op het streven naar intensief ruimtegebruik in bestaand stedelijk gebied. De belangrijkste criteria aan de hand waarvan besloten wordt of verdichting wordt toegepast wordt zijn: de betekenis van de route in de stad; de verhouding tussen de profielbreedte en de aanwezige bebouwing; de bestaande ruimtelijke kwaliteit; In het plangebied komen de bebouwing van de volgende straten in aanmerking voor een bouwhoogte van vijf lagen: Ockenburghstraat en Pisuissestraat. Er dient op basis van de structuurvisie sprake te zijn van herstructurering (uitspraak Raad van State 200907208/1/R1). Hiervan is in onderhavige plangebied geen sprake. Het is niet aannemelijk dat er binnen de planperiode van dit bestemmingsplan (10 jaar) een bouwplan tot verdichting langs deze wegen wordt ontwikkeld. Ook individuele aanvragen zijn niet te verwachten. De bebouwing bestaat grotendeels uit 2 of 3 lagen met een plat dak of met een kap. Binnen de bestemming Wonen is voor een aantal locaties een afwijkingsmogelijkheid voor extra bouwhoogte opgenomen.

Dit betreffen de locaties die eerder in aanmerking kwamen voor extra bouwlagen op basis van het thans geldende bestemmingsplan "Waldeckt"uit 2009. Hiervoor is nu een afwijkingsmogelijkheid voor extra bouwhoogte opgenomen. In blijlage 2 Onbenutte bouwlagen behorende bij de regels van dit bestemmingsplan, zijn de betreffende locaties opgenomen. Ten tijde van het geldende bestemmingsplan "Waldeck" uit 2009 is de ruimte voor extra bouwlagen hier ontstaan als gevolg van de Structuurvisie Den Haag 2020 'Wereldstad aan Zee', met als doel om te kunnen verdichten langs lange lijnen. De extra bouwhoogte (uitgedrukt in meters), mag evenals de eerdere extra bouwlagenregeling onder een aantal voorwaarden worden gebruikt voor extra woningen. Het is dan ook zeker niet hetzelfde als een dakopbouwmogelijkheid, die enkel dient ter uitbreiding van de ondergelegen woning. Voorwaarden De ruimtelijke stedenbouwkundige toetsingscriteria voor extra bouwlagen zullen het uitgangspunt hebben dat bij een afwijkingsmogelijkheid getoetst wordt op de inpassing van te realiseren bebouwing in de bestaande stedelijke structuur en geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefklimaat (bv. privacy, bezonning en voorkoming van windhinder en parkeerproblematiek). Daarbij

75

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

zullen de volgende voorwaarden gaan gelden: Ten aanzien van bezonning dient de aanvrager een bezonningsonderzoek te overleggen dat voldoet aan de Haagse bezonningsnorm, waarbij: I. De situering van de extra bouwlaag dient zodanig te zijn, dat de (het) perce(e)l(en) aan de overzijde van de straat gelegen geen onevenredige schaduwhinder ondervind(t)(en). Er is sprake van een onevenredige schaduwhinder, indien als gevolg van de plaatsing van de extra bouwlaag tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 19 februari- 21 oktober bij een zonhoogte van meer dan 10° niet zijn gewaarborgd. II. Aan de achterzijde van het gebouw, waarop de extra bouwlaag zal worden geplaatst, dient de situering van de extra bouwlaag zodanig te zijn, dat de aangrenzende percelen en/ of aan de achterzijde gelegen percelen en de daarbij behorende tuinen als gevolg van de extra bouwlaag geen onevenredige schaduwhinder ondervinden; Ten aanzien van de stedenbouwkundige inpasbaarheid worden voorwaarden gesteld voor de waarborging van het behoud van het aanwezige stedenbouwkundig ensemble. Hiervan zal sprake zijn indien aanwezige straatwanden vrijwel identiek zijn en deze daardoor een stedenbouwkundige samenhang vertonen. Er geen onevenredige aantasting is van de leefomgeving; Nadere eisen kunnen gesteld worden ten opzichte van de situering en/of opbouw van het bouwvolume.

Eveneens zullen daartoe strekkende nadere eisen gesteld kunnen worden ter waarborging van de identieke situering en opbouw van het bouwvolume binnen het desbetreffende woonblok waarop de extra bouwlaag geplaatst zal worden. Ongewenste solitaire toevoegingen Het is niet de bedoeling dat een extra bouwlaag wordt gebruikt voor de toepassing van solitaire dakopbouwen. Daarnaast is het bovenop alle, hiervoor in aanmerking komende, panden ruimtelijk onvoorstelbaar, omdat: het, de ensemblewaarde en architectuur aantast (zeer zuivere wederopbouwarchitectuur). Het rafelige gevelbeeld dat zal ontstaan als gevolg van solitaire toevoegingen van één of meer lagen zal onvoldoende passen bij de uniformiteit van de wederopbouwarchitectuur. Bovendien ligt een groot deel van de bebouwing ook nog eens in een gemeentelijk beschermd stadsgezicht, wat vraagt om extra voorzichtigheid; het, de symmetrie en/of continuïteit op deze bepalende locaties verstoort; er plaatselijk onevenredige aantastingen van het woon- en leefklimaat te verwachten zijn (bv. privacyaantasting, bezonningaantasting, windhinder en parkeerproblematiek).

5.3.1.2 Dakopbouwen (extra bouwlaag) De gemeente Den Haag tracht in het beginsel bij de opmaak van een bestemmingsplan op verantwoorde locaties dakopbouwen mogelijk maken omdat: deze vorm van woninginnovatie een (duurzame) bijdrage kan leveren in het vergroten van woningoppervlaktes; het een alternatief alternatief vormt voor het verhuizen naar een grotere woning elders. Hierdoor komt de sociale structuur minder onder druk te staan; het middeninkomens vasthoudt; het past binnen de binnenstedelijke verdichtingsopgave (gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid). Concreet worden bij de afweging van een dakopbouw de volgende stappen doorlopen: 1. Inventarisatie van twee- en drielaagse platte bebouwing en bestaande planologische rechten uit het vigerende bestemmingsplan. Woningen met een duidelijke kapconstructie of gootlijn aan de straatzijde en bebouwing die al minimaal vier bouwlagen hoog is, komen niet in aanmerking voor een dakopbouw. Een uitzondering hierop is de 4-laagse bebouwing langs de lange lijnen zie 5.3.4.1. 2. Stedenbouwkundige afweging over de wenselijkheid van een dakopbouw.

76

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

Straatprofielen: het betreffende straatprofiel moet voldoende ruim bemeten zijn om dakopbouwen aan één of twee kanten toe te voegen. Hierbij speelt enerzijds de lichtinval en de bezonning van de gevels een rol, maar ook de verhoudingen tussen straatbreedte en hoogte van de omliggende bebouwing (minimale verhouding straat - gevelwand ongeveer 1:1). Binnenterreinen: het betreffende binnenterrein moet voldoende maat hebben om ophoging van de aanliggende bebouwing mogelijk te maken. Hierbij spelen met name lichtinval en de mate van bezonning van de gevels een rol. Hoogte stedelijke omgeving: hoe hoog zijn de omliggende panden? Hoe verhoudt zich het toevoegen van een dakopbouw tot het omliggend stedelijk gebied? De behoefte aan dakopbouwen speelt met name bij twee of drie bouwlagen in de bestaande situatie. Dakvormen: dakopbouwen liggen het meest voor de hand bij platte daken en zeer flauw hellende daken (vlieringen; geen stahoogte); Ensemblewaarde: Hier wordt met name gekeken naar de stedenbouwkundige samenhang. Architectuur: de architectuur van het pand kan van invloed zijn op de positionering van de dakopbouw op het dakvlak, maar is niet bepalend voor het al dan niet toestaan van een dakopbouw. 3. Noodzaak tot bezonningsonderzoek. Hierbij moeten in de omgeving de panden voldoen aan de Haagse bezonningsnorm. 4. Stedenbouwkundige beoordeling waar dakopbouwen mogelijk zijn. 5.

Vertaling naar het bestemmingsplan Binnen het plan Waldeck 2021 wordt, op basis van de hierboven beschreven stappen, geen ruimte geboden aan dakopbouwen. Concreet heeft dit te maken met: dat de architectuur van appartementengebouwen zeer uniform van aard is, waardoor het niet geschikt is voor incidentele 'pandsgewijze' dakopbouwen. In het geval er collectief, door bijvoorbeeld een VvE, gekozen wordt voor een uniforme dakopbouw bovenop het volledige bestaande gebouw, is dit eventueel middels een uitgebreide vergunningsvraag te overwegen. Dit geldt echter enkel onder voorwaarde dat het niet de ensembleachtige stedenbouwkundige structuur en de hieraan verwante hoogteopbouw aantast. Daarnaast dient er bijzonder veel rekening gehouden te worden met de bestaande architectuur en de bezonning van het omliggende gebied (Haagse Bezonningsnorm). dat er in Waldeck (jaren '60 gedeelte, bijvoorbeeld aan de Aaltje Noordewierstraat) enkel een zeer gering aantal rijwoningen met een plat dak te vinden zijn en een dakopbouw hierop: a. een aanzienlijke schaalvergroting voor het straatbeeld betekent, waardoor het duidelijk doordachte spel aan verschillende bouwhoogten (hiërarchie) van bouwblokken verloren gaat; b. fragmentatie ontstaat (sommigen woningen wél en anderen géén dakopbouw), waardoor het uniforme karakter verdwijnt.

dat er in de zuidwesthoek voor wat betreft de vrije sector bebouwing enkel woningen aanwezig zijn met een zadeldak. Deze daktypologie is niet geschikt is voor een dakopbouw.

5.3.2

Mogelijke ontwikkellocaties binnen plangebied

Op dit moment bevinden zich in het plangebied geen vergunde ontwikkelingen. Wel kent het gebied een aantal mogelijke concrete en toekomstige ontwikkellocaties.

77

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

5.3.2.1 Ontmoetingskerk Voor de locatie van de ontmoetingskerk wordt momenteel een bouwplan ten behoeve woningbouw ontwikkeld. De programmatische verandering is hierbij een gevolg van het onmogelijk blijken van het behoud van maatschappelijk programma op de locatie van de leegstaande Ontmoetingskerk. Met de woningbouwontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de verdichtingsopgave op binnenstedelijke locaties voor Den Haag en wordt invulling gegeven aan de Agenda Ruimte voor de stad 2016 en de Haagse Woonvisie 2017. Het programma van 78 woningen vormt een substantiële toevoeging aan het woningaanbod van Loosduinen. De locatie versterkt het draagvlak van het winkelgebied Loosduinse Hoofdplein, dat op 400 meter is gelegen. Het bouwplan kenmerkt zich door een compacte opzet, waarbij het woongebouw als een slinger rondom een binnenhof gevouwen is. Hierbij neemt het gebouw de rooilijnen en richtingen van de omgeving op. Dit geldt ook voor de bouwhoogtes. Het gebouw is overal één laag hoger dan de aanliggende bebouwing: 6 lagen aan de Louis Davidstraat, 9 lagen aan de hoek Louis Davidsstraat - Aaltje Noordewierstaat, 5 lagen aan de hoek Aaltje Noordewierstraat - Stephanus Cousijnsstraat en 4 lagen achter de woningen de Pieter de Voisstraat (deze hebben echter geen plint). De hoek van 9 lagen vormt een accent op een knikpunt in de Noordewierstraat.

Het plan voldoet aan de Haagse bezonningsnorm. Ten behoeve van deze ontwikkeling zal een uitgebreide Wabo-procedure gevoerd worden. In afwachting van de uitkomst van die procedure is de locatie buiten dit bestemmingsplan gelaten. 5.3.2.2 Cornelie van Zantenstraat Tussen het centrale park in Waldeck en de hoek van de Cornelie van Zantenstraat is een nieuwbouwontwikkeling met wonen voorstelbaar. Bij deze ontwikkeling dient de bestaande stedenbouwkundige opzet versterkt te worden. Het is hierbij van belang dat het aansluiting zoekt op zowel de wijkopbouw van Waldeck, als op de aangrenzende jaren '80 wijk Nieuw Waldeck. Daarnaast biedt ontwikkeling op deze locatie de kans om een nieuwe verbinding te creëren tussen de Cornelie van Santenstraat en het park. Thans loopt voor deze locatie een participatieproces waarbij in een klankbordgroep met omwonenden de mogelijkheden van woningbouw overlegd worden.Hierdoor bestaat thans onvoldoende zicht op de uiteindelijke planontwikkeling en is deze niet in het bestemmingsplan opgenomen. De huidige maatschappelijke bestemming is mitsdien gehandhaafd. Aangezien er nog geen sprake is van een definitief ontwerp en ook de milieutechnische onderzoeken nog niet zijn verricht is deze ontwikkeling niet in het bestemmingsplan meegenomen. Hiervoor kan t.z.t. een afzonderlijke uitgebreide Wabo-procedure gevoerd worden.

5.3.2.3 Locatie Gemaal Op de locatie van het gemaal aan de Ouverturestraat zal een kleinschalige woningbouwontwikkeling plaatsvinden. Het straatbeeld wordt bepaald aan deze zijde van de straat bepaald door rijwoningen (koopsector) van twee lagen en een kap. De nieuwbouw moet zoveel mogelijk hierop aansluiten. Aangrenzende goot- en nokhoogten en rooi- en bouwlijnen zijn daarom leidend. Het parkeren zal op eigen terrein moeten worden ingepast. Dit gebeurt bij voorkeur aan de achterzijde van de kavel. Hoewel de plannen daartoe nog niet afgerond zijn is het gewenst de voor deze locatie in het bestemmingsplan Waldeck opgenomen wijzigingsbevoegdheid ook in voorliggend bestemmingsplan te handhaven. Deze locatie ligt buiten de 200 m zone van de N221 (vervoer LPG). Een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) is daarom niet vereist. De locatie ligt wel binnen het invloedsgebied (355 m) van de N211. Bij een te ontwikkelen bouwplan dient aandacht te worden besteed aan de mogelijkheden van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. 5.3.2.4 Sonatinestraat Het is voorstelbaar dat het jaren 50 schoolgebouw aan de Sonatinestraat wordt herontwikkeld binnen zijn eigen bestemming. Hierbij is het wenselijk dat het bouwvolume van eventuele nieuwbouw naar achteren (het noorden) schuift, waardoor het oostelijk en westelijk gedeelte van de Sonatinestraat met elkaar kunnen worden verbonden.

Op deze wijze ontstaat een nieuwe pleinwand, gelegen in het verlengde van omliggende rooilijnen, en wordt het plein beter zichtbaar bij het betreden van de straat.

78

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

Indien voor deze locatie een herontwikkeling plaatsvindtzal vanwege de afstand tot de N211, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt een verantwoording van het groepsrisco (QRA) uitgewerkt worden 5.3.3

Projectbesluiten en omgevingsvergunningen

In het plangebied is in het verleden een aantal projectbesluiten en (ontwerp)omgevingsvergunningen verleend die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Het betreft onder andere de kiosken in het winkelcentrum aan het Alphons Diepenbrockhof en de nieuwvestigingen in het voormalige postkantoor aan het Arnold Spoelplein.

5.4

Duurzaamheid

5.4.1

Ladder voor duurzame verstedelijking

Volgens de Verordening Ruimte van de Provincie Zuid-Holland bevat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een nieuwe ontwikkeling met wonen, bedrijven, zelfstandige kantoren, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen een verantwoording van de locatiekeuze. Hiervoor is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk geïntroduceerd. Het bestemmingsplan is conserverend van aard en bevat geen (grootschalige) ontwikkelingen. 5.4.2

Waterhuishouding

Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor het beheer van de primaire waterkering en het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het plangebied. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is in het kader van de watertoets overleg gevoerd over deze waterparagraaf, de verbeelding en de regels. Deze waterparagraaf bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. 5.4.3

Duurzaamheidsbeleid

Het duurzaamheidsbeleid van de gemeente is beschreven in de kadernota Duurzaamheid (5 maart 2019, RIS 301829) en de bijbehorende jaarlijkse programmabrief. Deze duurzaamheidsparagraaf bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met het duurzaamheidsbeleid van de gemeente. Het plangebied is een bestaand woongebied. In dit bestemmingsplan zijn geen maatregelen in de openbare ruimte in het kader van klimaatbestendigheid voorzien. Mogelijk worden in de toekomst klimaatbestendige maatregelen genomen in groen- en waterstructuren in het plangebied. Indien nodig, zullen voor die aanpassingen van het openbaar gebied aparte ruimtelijke procedures worden gevolgd. Voor de verduurzaming van bestaande woningen zijn geen specifieke regels in dit bestemmingsplan opgenomen, Het Besluit ruimtelijke ordening voorziet reeds in het vergunningvrij toepassen van diverse duurzame maatregelen aan bestaande woningen.

5.5

Keuze en verantwoording van bestemmingen

5.5.1

Het digitale bestemmingsplan

Een belangrijk onderdeel van Wet ruimtelijke ordening (Wro) vormt de digitaliseringsverplichting. De Wro bepaalt dat een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar moet zijn. Dit heeft onder meer geleid tot de introductie van twee nieuwe begrippen: 'digitale verbeelding' en de 'analoge verbeelding'. Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding (plankaart), regels en een toelichting en is digitaal raadpleegbaar. De eerste twee onderdelen zijn juridisch bindend, de toelichting is juridisch niet bindend maar helpt bij de interpretatie van de kaart en de regels. De 'digitale verbeelding' is een interactieve raadpleegomgeving die o.a. via het internet (www.ruimtelijkeplannen.nl) die de gehele inhoud van het bestemmingsplan ontsluit overeenkomstig de

79

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

SVBP2012: Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Door een muisklik op een bepaalde plek verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in een nieuw tabblad in beeld. Onder de term digitale verbeelding wordt dan ook niet alleen het ruimtelijk beeld, maar ook de daarbij behorende juridische informatie (regels) verstaan. Indien de digitale en de analoge verbeelding tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale verbeelding beslissend. Onder analoge verbeelding wordt verstaan: alle te verbeelden informatie van een ruimtelijk plan op papier. De term analoge verbeelding is dus een synoniem voor de term plankaart. Op de bij het onderhavige bestemmingsplan behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke en op grond van het Besluit ruimtelijke ordening vereiste gegevens ingetekend. Er is daarbij onderscheid gemaakt in bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. Elk stuk grond van het plangebied heeft een bestemming. Deze wordt zichtbaar gemaakt door middel van een kleur, op de digitale verbeelding wordt de informatie in een aparte deel van het scherm zichtbaar, op de analoge verbeelding al dan niet in combinatie met een letter, ter aanduiding van de bestemming en een getal dat de maximale toegestane (goot- en nok)hoogte en/of het bebouwingspercentage aangeeft.

Op deze wijze is het mogelijk om te zien welke bestemmingen zijn gegeven aan de gronden en opstallen binnen het plangebied. Elke op de verbeelding aangegeven bestemming is gekoppeld aan een bestemmingsartikel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt mogen worden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar aanduidingen op de plankaart. Aanduidingen geven dientengevolge, in samenhang met de regels, duidelijkheid over wat binnen een bestemmingsvlak al dan niet is toegestaan. Op de digitale en analoge verbeelding van de plankaart zijn bouwhoogten aangegeven. Gekoppeld aan bouwvlakken is een maatvoering voor (goot- en nok)hoogte, afgerond in meters en conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012, opgenomen. De waarde op de plankaart geeft de maximaal toegelaten (goot- en nok)hoogte van een gebouw aan. Daarnaast wordt ook in de bouwregels van het bestemmingsplan een en ander bepaald over bouwhoogten. Bij het bepalen van de daadwerkelijke hoogte van gebouwen is gebruik gemaakt van stereokartering met behulp van luchtfoto's. De maximaal toegelaten bouwhoogte kan afwijken van de daadwerkelijke hoogte van een gebouw: aan het vaststellen van een maximale bouwhoogte liggen stedenbouwkundige overwegingen ten grondslag.

Voorts wordt de opzet van het bestemmingsplan ingegeven door de relevante beleidskaders en omgevingsfactoren. In onderstaande tabellen (beslissingstabel) is aangegeven op welke onderdelen de in dit bestemmingsplan beschreven beleidskaders en omgevingsfactoren hun vertaling hebben gevonden in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze paragraaf vormt dan ook als het ware de schakel tussen de toelichting van het bestemmingsplan en de daarbij behorende regels en plankaart. De analoge verbeelding wordt, gelet op de aard en omvang van het plangebied, afgedrukt op een topografische ondergrond met een schaal van 1:2000. 5.5.2

Keuze en verantwoording van de bestemmingen

Beleidskader Ruimtelijk beleid

Vertaling in het bestemmingsplan

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De ladder voor duurzame verstedelijking is wordt de ladder voor duurzame verstedelijking beschreven in hoofdstuk 5 paragraaf 5.4.1. In het geïntroduceerd. De ladder voor duurzame plan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt verstedelijking is kaderstellend voor alle juridisch waarop de ladder voor duurzame verstelijking van verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale toepassing is. overheden.

80

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

Het Omgevingsbeleid van de provincie Het bestemmingsplan Waldeck 2021 is in Zuid-Holland zet in op een samenhangend overeenstemming met het provinciaal beleid. stedelijk en landschappelijk netwerk, goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur. De Structuurvisie / Haagse Verdichting / Agenda Ruimte voor de Stad houdt voor Waldeck 2021 in dat invulling wordt gegeven aan: Dat langs doorgaande wegen en groen wordt uitgegaan van minimaal vijf bouwlagen.

Optoppen

Verruiming van mogelijkheden voor bouwen van aan- en bijgebouwen

In het plangebied komen de volgende wegen (routes) hiervoor in aanmerking: Ockenburghstraat en Pisuissestraat. Het is echter niet aannemelijk dat er binnen de planperiode van dit bestemmingsplan (10 jaar) een bouwplan tot verdichting langs deze wegen wordt ontwikkeld. Ook individuele aanvragen zijn niet te verwachten. Een ontwikkeling om te verdichten in de toekomst blijft mogelijk. Wanneer de kans zich voordoet en de gemeente hieraan wil meewerken, kan een aparte planologische procedure worden gevolgd. Voor een binnenplanse afwijking is een regeling opgenomen voor onbenutte bouwlagen voor locaties, zoals opgenomen in de bijlage 3 van de regels. In algemene zin leent de architectuur zich binnen dit bestemmingsplan niet voor de plaatsing van een dakopbouw. Wel is er binnen de bestemming Wonen in lid 3 een binnenplanse afwijkingsregeling opgenomen om dakopbouwen en/of kapverdiepingen mogelijk te maken. Deze afwijkingsbevoegdheid geldt voor woninguitbreidingen die in het voorafgaande bestemmingsplan reeds waren toegestaan op grond van het zogenaamde vijf-bouwlagen beleid ingevolge de Structuurvisie/Haagse Verdichting/Agenda Ruimte voor de Stad. Hiervoor bevatten de regels een verwijzing naar de in de bijlage opgenomen kaart en de daarop aangeduide onbenutte bouwlagen. Er is aangesloten op de landelijke regeling voor het vergunningvrij bouwen van aan- en bijgebouwen.

Buiten het vergunning vrij bouwen worden geen extra bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt ten aanzien van aan- en bijgebouwen. In de regels van het bestemmingsplan Waldeck 2021 is daardoor niets opgenomen ten aanzien van aan- en bijgebouwen.

Cultureel erfgoed Archeologische waarde

81

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

De Erfgoedwet legt de verplichting op om in nieuwe bestemmingsplannen en bij wijziging van bestaande bestemmingsplannen met de archeologische waarden rekening te houden. Bestemmingsplannen moeten een juridische regeling bevatten die voldoende bescherming biedt tegen werkzaamheden die tot een verstoring van het bodemarchief zouden kunnen leiden.

De archeologisch waardevolle gebieden zijn geïnventariseerd (zie paragraaf 2.3.2 Archeologie). De archeologische waarden worden in dit bestemmingsplan beschermd: de dubbelbestemming Waarde - Archeologie is gericht op behoud en bescherming van deze waarden. Voor bouwwerkzaamheden die de grond roeren zijn aanvullende bouwregels gesteld. Er is aangesloten op de landelijke regeling voor het vergunningvrij bouwen van aan- en bijgebouwen. Buiten het vergunningvrij bouwen worden geen extra bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt ten aanzien van aan- en bijgebouwen. In de regels van het bestemmingsplan Waldeck 2021 is daardoor niets opgenomen ten aanzien van aan- en bijgebouwen. Voor werkzaamheden geen bouwwerken zijnde, die de grond roeren is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, verplicht gesteld.

Water Waterhuishouding

De aanwezige watergangen in het plangebied hebben de bestemming water gekregen.

Groen Inzet is de Stedelijke Groen Hoofdstructuur (paragraaf Natuurbescherming) duurzaam in stand te houden en waar mogelijk te versterken.

De bescherming van de als zodanig aangewezen Stedelijke Groene Hoofdstructuur is geregeld door middel van de gebiedsaanduiding Overige zone ecologische verbindingszone in artikel 20.2 Overige zone - ecologische verbindingszone.

Verkeer en parkeren De Haagse Nota Mobiliteit hanteert een rangorde De bestemming Verkeer-Hoofdverkeersweg is gericht in haar wegenstructuur. Naast de hoofdwegen op de hoofdverkeerswegen: Pisuissestraat, Laan van voor het doorgaande verkeer zijn er wegen van Meerdervoort, Ockenburghstraat en een klein een lagere orde die het verkeer tussen wijken en gedeelte van de Beethovenlaan. Alle straten in het het buurtgebonden verkeer moeten afwikkelen: plangebied die niet als hoofdverkeersweg of straat buurtontsluitingswegen (straten) en kunnen worden geclassificeerd, vallen onder de erfontsluitingswegen (verblijfs- en woonstraten). bestemming Verkeer-Verblijfsstraat (30 km/uur Verblijfsgebied ten slotte is openbare ruimte waar verblijfsstraten). geen autoverkeer is toegestaan en waar de verkeersfunctie ondergeschikt is aan de verblijfsfunctie

82

bestemmingsplan Waldeck 2021 (ontwerp)

De nota “Parkeerkader Den Haag 2010-2020” gaat mede in op het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte

Aan de regels van het bestemmingsplan zijn de parkeernormen van de gemeente Den Haag door middel van een dynamische verwijzing verbonden. Omdat de komende jaren de mobiliteit en het autobezit blijven toenemen, zal de parkeerbehoefte en de druk daarvan op de openbare ruimte niet minder worden. Hiervoor is gericht beleid nodig. De Parkeernormen zijn aan de orde bij nieuw- en verbouw van vastgoed. Wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd toetst de gemeente of aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, waaronder of er in voldoende mate wordt voorzien in parkeercapaciteit ten behoeve van het bouwplan. De parkeerbehoefte geeft aan welke parkeercapaciteit er in theorie beschikbaar moet zijn binnen (of in de omgeving van) het bouwplan. Aan de hand daarvan wordt de parkeereis opgesteld, waarin wordt aangegeven welk aantal parkeerplaatsen daadwerkelijk gerealiseerd dient te worden. Deze parkeereis is juridisch bindend.

Wonen De kern van de Woonvisie 2009-2020 is als Den Woningen hebben de bestemming Wonen gekregen. Haag zich meer op de kaart wil zetten als In de regels is opgenomen dat bouwkundig splitsen woonstad, dan moet de stad zich versterken door van woningen niet is toegestaan. meer differentiatie in woonmilieus en woonsferen te creëren en de woonkwaliteit verhogen Economie Detailhandel en Dienstverlening

Horeca

Het gemeentelijk beleid voor deze buurt gaat uit van minimaal het behoud van de winkelconcentraties die tot de hoofdwinkelstructuur worden gerekend. Bestaande detailhandel en dienstverlening zijn positief bestemd. In het plangebied zijn diverse horecavestigingen aanwezig. Het betreft lichte horeca (winkelondersteunend) en is ondergebracht binnen de bestemming Gemengd. Binnen de hoofdwinkelstructuur mag maximaal 30% lichte horeca zijn. Zwaardere horeca is niet toegestaan in het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10617109/1