RIS309531 bijlage 2
Tekst van het document
Mik op preventie en verwacht niet te veel van heterdaad of opsporing; Communiceer vaak en veel en communiceer dan nog meer; Zorg voor optimale samenwerking (“een vuist in plaats van vijf vingers”); Meet continu wat het effect is en draai aan knoppen (communicatie, handhaving, techniek) om uit te vinden hoe alles werkt en hoe lang de effecten duren.
Preventie boven repressie Ervaringen in andere steden en de informatie uit Den Haag hebben ons ervan overtuigd dat het niet realistisch is te verwachten dat de camera’s de pakkans substantieel zullen vergroten. Meer heterdaad is buitengewoon lastig te organiseren omdat handhavers dan uitzonderlijk snel ter plaatse moeten zijn om mensen in hun kraag te kunnen vatten die vuilnis bijplaatsen. Dat zou bij wijze van spreken betekenen dat er vlak naast elke camera continu (dag en nacht) een handhaver klaar moet staan om in actie te komen. Dat is onrealistisch. Opsporing achteraf kent ook beperkingen, omdat mensen niet of nauwelijks zullen kunnen worden geïdentificeerd op basis van camerabeelden. Het is eenvoudig je te vermommen (en veel mensen dragen momenteel een mondkapje) en al helemaal als het donker is. En indien iemand wel duidelijk in beeld is, zal het lastig zijn daar een naam
23
en adres aan te koppelen. In Venray bleek dat de boetes uitsluitend konden worden uitgedeeld op basis van kentekens van bijplaatsers en niet op basis van het herkennen van personen. Dus moet om bijplaatsingen te voorkomen vooral effect worden verwacht van preventie. Dat is ook een zeer aantrekkelijk uitgangspunt, want voorkomen is om veel redenen beter dan genezen. In het ideale geval hoeven de camerabeelden nooit bekeken te worden, omdat niemand de regels nog overtreedt na het plaatsen van de camera’s. Dat is the best of both worlds: geen bijplaatsingen meer én geen privacyschendingen én geen spoedeisende bestuursdwang of bestuurlijke boetes. De drie c’s: communicatie, communicatie en communicatie Als ergens camera’s worden geplaatst zonder aanvullende communicatie, toezicht of handhaving verandert er meestal niet veel. Dat blijkt uit evaluaties van camera’s tegen bijplaatsingen, maar ook uit internationaal onderzoek naar cameratoezicht in het algemeen. Uit experimenten in Amerikaanse steden bleek dat camera’s een kortstondig effect hadden op het gedrag van voorbijgangers: na een “schokeffect” dat een paar weken duurde keerde het gedrag weer terug naar de situatie van vóór de plaatsing van de camera’s.
De aanbevelingen waren dan ook om camera’s maximaal een of twee maanden op te hangen en om vooral veel informatiebordjes te plaatsen en omwonenden via brieven en andere (sociale) media te informeren. De bordjes en de informatie hadden namelijk meer effect dan de camera’s zelf.5
1. Communicatie algemeen Iedereen moet weten wat de regels omtrent bijplaatsingen zijn. De gemeente investeert daar flink in: er is een folder in zes talen met beeldtaal die de regels uitlegt. Ook zit er op elke ORAC een sticker met beeldtaal. Dit kan niet genoeg benadrukt worden want als mensen niet weten wat de regels zijn werkt een camera ook niet corrigerend. 2. Communicatie richting potentiële bijplaatsers Leg uit dat er camera’s zijn, waar ze voor zijn en bevestig daarmee de norm (en leg de regels nog een keer goed uit – indien nodig). Wijs op de sancties: waarschuwingen en boetes die op basis van de camera’s zullen worden opgelegd. Daarmee wordt de generale preventie die van de camera’s uitgaat versterkt. Door regelmatig breed te communiceren (“Er zijn in de afgelopen periode alweer X personen betrapt en aangepakt voor bijplaatsen”) wordt voorkomen dat het schokeffect na de eerste paar weken uitdooft. De camera moet blijven voelen als “een politieagent op een paal”. 3. Communicatie richting omwonenden Leg uit waar de camera’s voor zijn. Toon aan dat de privacybescherming goed is geregeld en geef aan waar mensen meer informatie kunnen krijgen. Doe dit op de manier zoals de Europese privacywaakhond (EDPB) dat voorstelt: bordjes of stickers op de plek zelf met globale informatie met daarbij een verwijzing naar een website waar meer informatie te vinden is.
Wijs mensen ook op het inzagerecht in de eigen persoonsgegevens, op het feit dat er een DPIA is opgesteld en dat de privacy officers en de FG van de gemeente bij het project betrokken zijn.
Noot 5 Zie voor een overzicht Stichting Veilig Ontwerp en Beheer (2013), Cameratoezicht en Design, in opdracht van Ministerie van Justitie/Den Haag.
24
Samenwerking Een van onze gesprekspartners merkte terecht op dat het cameratoezicht alleen gaat werken als er een vuist wordt gemaakt: vijf losse vingers zijn niet voldoende. Er is een integrale aanpak met krachtige centrale projectleiding nodig die ervoor zorgt dat alle cruciale ingrediënten (lees: alle relevante organisatieonderdelen) aan de aanpak worden toegevoegd en zich daaraan aanpassen en niet andersom. Het resultaat telt, niet de organisatie. Daarom moet voor een eventueel experiment glashelder zijn welke mogelijkheden en beperkingen de bij het experiment benodigde partijen hebben:
• • • • • •
Bestuurlijke rugdekking (College van B&W) Justitiële rugdekking (OM, politie) Projectorganisatie (beleid, juridisch advies) Praktijk en uitvoering (reinigers, boa’s, e.d.) Informatiebeveiliging (privacy officer, FG) Communicatie en publiekszaken/voorlichting
Meten en bijstellen Om te bepalen of een eventueel experiment een succes is, is monitoring essentieel. Van belang is dan allereerst dat de doelpalen tijdens de wedstrijd niet worden verplaatst (bijvoorbeeld van preventie naar opsporing). Dat vereist dat er vooraf overeenstemming moet zijn over doelen en aanpak bij alle betrokken instanties. Dit gaat niet vanzelf goed, weten we uit andere gemeenten. Voorts is monitoring tijdens het experiment van groot belang: er is betrouwbare en specifieke informatie nodig om te zien wat de camera’s opleveren. Ten eerste moet worden gemonitord hoeveel bijplaatsingen er zijn op de locaties waar de camera’s staan. De gemeente Den Haag houdt al enige tijd bij hoeveel bijplaatsingen er per ORAC zijn, dus die informatie is er.
Meten van de outcome (de hoeveelheid bijplaatsingen) is niet genoeg om te begrijpen wat er “onder de motorkap” van het cameratoezicht gebeurt op het vlak van preventie, heterdaad en opsporing. Ook de output moet worden gemeten tijdens het experiment.
25
De hoeveelheid bijplaatsingen hangt niet alleen af van de camera’s: deze indicator laat zien wat het uiteindelijke effect is van alle maatregelen en alle externe factoren samen (outcome). Het is in theorie mogelijk dat de hoeveelheid bijplaatsingen stijgt door externe factoren, bijvoorbeeld als mensen ineens massaal hun huis gaan verbouwen door de corona-pandemie, maar dat het nog erger zou zijn geweest zonder de camera’s. Dan stijgt het aantal bijplaatsingen dus, maar zijn de camera’s feitelijk toch een succes. Andersom kan natuurlijk ook: de hoeveelheid bijplaatsingen kan dalen, maar dat wil niet automatisch zeggen dat de camera’s een succes zijn. Daarom moeten er voor de output (preventie, heterdaad en opsporing) van de camera’s specifiekere informatiebronnen worden geraadpleegd en verschillende en herhaalde varianten van de inzet van camera's worden uitgetest. De onderzoeksopzet is onderdeel van het advies aan het eind van dit rapport.
Conclusie: Monitoring en bijsturen tijdens het eventuele experiment is cruciaal om te ontdekken aan welke “knoppen” gedraaid kan worden om de beoogde effecten te bereiken.
26
5
Conclusies en advies
5.1
Conclusies 1. Cameratoezicht is alleen toegestaan als het noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is. Gezien de omvang van de problematiek, het op orde hebben van de basis (schoon, werkend en tijdig geleegd) en de reeds genomen overige maatregelen en inspanningen door de gemeente Den Haag om bijplaatsingen tegen te gaan is de inzet van een relatief zwaar middel als cameratoezicht gerechtvaardigd. Of het ook noodzakelijk is hangt mede af van de effectiviteit: die is nog niet bekend en zou in een experiment kunnen worden onderzocht; 2. Artikel 151c Gemeentewet is volgens ons de meest voor de hand liggende grondslag voor dit type cameratoezicht. Die keuze houdt automatisch in dat de politie in juridische zin verantwoordelijk is voor de beelden conform de Wet politiegegevens. Dat betekent echter niet dat alleen politiemensen naar de beelden zouden mogen kijken: dat mogen ook anderen doen. Hierover moeten goed praktische afspraken worden gemaakt. 3. Automatische gezichtsherkenning is geen optie voor dit project om meerdere redenen. Wel kunnen “slimme camera’s” wellicht helpen bij het beperken van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van voorbijgangers. 4. Door een Data Protection Impact Assessment op te stellen kunnen de privacyrisico’s van de camera’s zo klein mogelijk worden gehouden.
Tevens zou er vanaf de tekentafel moeten worden gewerkt volgens de principes van privacy by design. 5. In andere gemeenten zijn de effecten van cameratoezicht op bijplaatsingen niet overal hetzelfde en ook niet in alle gevallen heel duidelijk; 6. Het opzetten en laten functioneren van het cameratoezicht kost veel tijd, geld en energie: het is een omvangrijke klus; 7. Camera’s hebben alleen maar zin op plekken waar een aanzienlijk deel van de bijplaatsingen wordt veroorzaakt door “handhavingsafgeschrikten”: mensen die de regels kennen en deze willens en wetens overtreden omdat ze denken dat ze toch niet worden betrapt; 8. Er zullen altijd overtreders overblijven die zich niet aan de regels houden – zelfs bij grote pakkans; 9. Cameratoezicht gericht op het op heterdaad betrappen van bijplaatsers zal naar verwachting een dergelijk zware inzet vergen en relatief weinig opleveren dat we dat afraden; 10. Ook het achteraf uitlezen van camerabeelden zal de pakkans slechts beperkt verhogen: als er al iemand herkenbaar in beeld zal zijn is de kans klein dat er een naam of adres aan gekoppeld kan worden; 11. Cameratoezicht achteraf kan wel effectief zijn tegen bijplaatsers die met de auto komen waarvan het kenteken zichtbaar is (mits geen buitenlands kenteken of leasauto); 12.
Het voordeel van cameratoezicht moet vooral gezocht worden in preventieve zin en daarom ook gecombineerd moeten worden met duidelijke en voldoende communicatie; 13. Monitoring en bijsturen tijdens het eventuele experiment is cruciaal om te ontdekken aan welke “knoppen” gedraaid kan worden om de beoogde effecten te bereiken.
27
5.2
Advies Hopelijk heeft het voorgaande rapport een paar zaken heel duidelijk gemaakt: cameratoezicht naast afvalcontainers levert een inbreuk op de privacy van mensen op en dat mag niet zomaar. Verder heeft het nogal wat voeten in de aarde en is het geen panacee om bijplaatsingen tot nul terug te brengen. Er zijn gemeenten in Nederland die alleen al om die redenen hebben besloten geen cameratoezicht voor dit probleem in te zetten. Dat is begrijpelijk. Wij zijn echter van mening dat camera's in de Haagse situatie, mits goed ingeregeld en georganiseerd, wel degelijk kunnen en ook effect kunnen hebben. Hoeveel effect is echter lastig te voorspellen: andere gemeenten hebben in de meeste gevallen of te weinig ervaring of beperkt geëvalueerd of zijn slecht vergelijkbaar met de Haagse situatie. Wij concluderen dat de pakkans met camera's beperkt zal zijn: op heterdaad betrappen vergt een grote investering in beschikbaar personeel en het herkennen van bijplaatsers op basis van hun uiterlijk is ook maar mondjesmaat mogelijk. Een afschrikwekkende werking kan cameratoezicht daarentegen wel degelijk hebben. Maar hoe groot dat effect kan zijn en hoe dat cameratoezicht dan het best kan worden ingeregeld is niet op voorhand te zeggen. Daarom geven wij de gemeente Den Haag in overweging een experiment met flexibel cameratoezicht op ORAC's uit te voeren.
Het experiment moet antwoord geven op de vraag: Hoe en in welke mate kan flexibel cameratoezicht bijdragen aan de vermindering van afvalbijplaatsingen bij ORAC’s in Den Haag? Om uiteindelijk te kunnen beslissen over invoering is het belangrijk dat deze onderzoeksvraag op basis van de evaluatie van het experiment zo eenduidig mogelijk kan worden beantwoord. Het vraagt dus om een scherpe aanpak, uitvoering en analyse onder deskundige en stevige begeleiding. Die aanpak moet antwoord geven op de volgende subvragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Welk effect hebben (dummy)camera's op (het aantal) bijplaatsingen? Hoe groot is de pakkans voor bijplaatsers? Hoe reageren mensen op het feit dat er cameratoezicht wordt toegepast? Welke andere patronen en effecten worden zichtbaar? Wat zijn de geleerde lessen voor een eventuele bredere uitrol binnen de gemeente?
Een nadere uitwerking van een voorstel voor een dergelijk experiment alsmede een inschatting van de tijd en kosten staat in de bijlagen.
28
Bijlagen
29
Bijlage 1 – Beschrijving experiment Advies: Voer een stevig begeleid experiment uit Wij zijn van mening, op basis van de juridische analyse, ervaringen elders en de door de gemeente Den Haag ondernomen andere acties om bijplaatsingen te voorkomen, dat cameratoezicht ter vermindering van bijplaatsingen van afval bij ORAC’s een interessante optie is voor de gemeente Den Haag. Tegelijkertijd constateren we dat nog onvoldoende duidelijk is in welke mate en op welke wijze cameratoezicht effect sorteert op bijplaatsingen van afval bij ORAC’s. Veel hangt af van de wijze waarop het cameratoezicht wordt georganiseerd in Den Haag. Alvorens te beslissen over definitieve invoering van cameratoezicht adviseren we de gemeente Den Haag dan ook te experimenteren met deze vorm van cameratoezicht. Wat willen we leren? De hoofdvraag is onderscheiden in vijf subvragen waarop in het experiment gestuurd kan worden. In het navolgende worden die subvragen verder uitgewerkt en wordt op hoofdlijnen weergegeven hoe in het experiment daarmee omgegaan zou kunnen worden. Voorts wordt op de organisatie van het experiment ingegaan.
Samengevat moeten voor het experiment de volgende zaken goed worden geregeld: 1) Beslissing over omvang en aanpak; 2) Budget en projectorganisatie; 3) Juridische borging (aanwijzen gebied, DPIA, bevoegdheden, etc); 4) Het organiseren en op- en verhangen van de camera’s; 5) Het uitkijken van de beelden; 6) Opvolging na constatering van een bijplaatsing; 7) Communicatie; 8) Dataverzameling en evaluatie. Dat werken we hieronder op hoofdlijnen uit. Onderzoeksvraag Het doel van het experiment moet een antwoord op deze vraag zijn:
Hoe en in welke mate kan flexibel cameratoezicht bijdragen aan de vermindering van afvalbijplaatsingen bij ORAC’s in Den Haag? Om uiteindelijk te kunnen beslissen over bredere invoering van cameratoezicht, is het belangrijk dat deze onderzoeksvraag op basis van het experiment zeer precies kan worden beantwoord. Dat vergt een scherpe aanpak, uitvoering en analyse onder deskundige en stevige begeleiding. Het experiment moet antwoord geven op de volgende subvragen – deze worden hieronder verder uitgewerkt: 1) 2) 3) 4) 5)
Welk effect hebben (dummy)camera's op (het aantal) bijplaatsingen? Hoe groot is de pakkans voor bijplaatsers? Hoe reageren mensen op het feit dat er cameratoezicht wordt toegepast? Welke andere patronen en effecten worden zichtbaar? Wat zijn de geleerde lessen voor een eventuele bredere uitrol binnen de gemeente?
30
Beleidslogica Het idee achter de camera’s is dat ze het sluitstuk vormen in een integrale en goed doordachte aanpak van afvalbijplaatsingen. Het hoofddoel van de camera’s zou moeten zijn een bijdrage leveren aan preventie: bijplaatsingen moeten worden voorkomen door de camera’s. Dat betekent dat communicatie in dit hele experiment centraal moet staan. En communicatie moet dan zeer breed worden opgevat: ook het uiterlijk van de camera’s en de informatieborden vallen onder “communicatie”: het is het hele verhaal waar het om draait. Alles moet gericht zijn op het maximaal stimuleren van generale preventie: “Afval bijplaatsen? Dat doe je niet!” Het op heterdaad betrappen van bijplaatsers achten we geen haalbare doelstelling. Er moeten dan voortdurend handhavers beschikbaar zijn en er moet iemand rechtstreeks naar de camerabeelden kijken. Dat is in een klein experiment al niet haalbaar, laat staan schaalbaar naar de hele gemeente. We sluiten overigens niet uit dat het experiment met cameratoezicht kan laten zien op welke tijdstippen veel bijplaatsingen plaatsvinden. Dat kan leiden tot handhavingsacties op die tijden op incidentele basis waarbij de camera’s actief worden bekeken om bijplaatsers op heterdaad te betrappen of handhavers preventief te laten surveilleren. Maar dat is niet het hoofddoel.
Vaststellen van de identiteit van bijplaatsers achteraf op basis van de beelden is wel een onderdeel van het experiment dat wij adviseren. Als opgenomen camerabeelden laten zien dat er een bijplaatsing is geweest, kan de projectleider die beelden “veilig stellen” en informatie over de bijplaatsing registeren (locatie, tijd, soort afval, beschrijving personen/kentekens e.d.). Het bijgeplaatste afval moet vervolgens op de reguliere wijze worden doorzocht op persoonsgegevens, zoals enveloppen of dozen met adressen. Als er op basis van die informatie of op basis van een herkenning op basis van de camerabeelden een identificatie van de bijplaatser kan plaatsvinden, kan een sanctie worden opgelegd. Over die opgelegde sanctie moet vervolgens breeduit worden gecommuniceerd zodat ook anderen zich realiseren dat de camera’s echt werken. Dat versterkt het generale preventieve effect. Een echt experiment Dit project moet als een echt experiment worden opgezet met als doel de onderliggende mechanismen van bijplaatsingen te gaan begrijpen. We stellen voor om te beginnen met de best denkbare opzet van het cameratoezicht, dan te kijken wat er precies gebeurt en dan tijdens de looptijd van het experiment de opzet bij te stellen tot het nog beter werkt.
We willen dus experimenteren zoals het ook in een laboratorium gaat: we hebben al wel een idee wat nodig is voor succes, maar we weten niet precies welke factoren en randvoorwaarden cruciaal zijn voor dat succes. We gaan niet alleen maar camera’s plaatsen en het aantal bijplaatsingen monitoren: we gaan proberen te begrijpen hoe het cameratoezicht werkt. Wat is het precies dat overtreders overhaalt zich nu wel aan de regels te houden? Dat is belangrijk want: “pilots never fail, but pilots never scale”. Als onduidelijk is waarom een experiment een succes was en in welke mate de context daaraan heeft bijgedragen, dan is het onmogelijk de geleerde lessen elders in de praktijk te brengen.
Van belang is dus dat er bewust mechanismen worden geactiveerd om het gedrag van overtreders te beïnvloeden. We weten al uit andere onderzoeken dat inzet van een “mix aan maatregelen” het meeste oplevert. En we weten ook dat heel veel afhangt van de context: het soort bijplaatsingen, de hoeveelheid bijplaatsingen, het soort gebied (wonen, werken, winkels). Daarbij komt het belang van communicatie (in verschillende talen of met beeldtaal), het sneller schoonmaken en repareren van defecte ORAC’s en het
31
communiceren over uitgedeelde sancties. Alleen als we weten welke combinatie is toegepast, kunnen we bepalen of het genoeg is om aan één knop te draaien (“cameratoezicht lost alle problemen op”) of dat het een combinatie van knoppen moet zijn (“eerst camera’s plaatsen, dan een paar boetes uitdelen en daar breeduit over communiceren”). Dit klinkt wellicht heel complex en wellicht een beetje topzwaar, maar als cameratoezicht eenvoudig zou zijn, zou elke gemeente in Nederland het wel inzetten. We moeten de tijd nemen om goed “onder de motorkap” van het cameratoezicht te kijken en te begrijpen wat er werkt en wat niet. Anders heeft een experiment eigenlijk geen zin.
De onderzoeksvragen in detail Welk effect hebben (dummy)camera's op (het aantal) bijplaatsingen? • Is er een significante verandering in bijplaatsingen na het plaatsen van de camera’s? • Is het effect hetzelfde voor verschillende soorten bijplaatsingen (vuilniszakken, dozen, grofvuil, bedrijfsafval)? • Hoe groot is het “uitdoofeffect” van camera’s als ze er enige tijd staan? • En nadat ze zijn weggehaald? • Wat is het effect van dummy-camera’s?
Om te kunnen bepalen of er een verandering heeft plaatsgevonden in bijplaatsingen zijn cijfers nodig over de bijplaatsingen: voorafgaand en gedurende het experiment. De gemeente Den Haag houdt sinds enige tijd bij waar bijplaatsingen plaatsvinden, welke hoeveelheden en onderscheidt dat ook naar soort (vuilniszakken, dozen en grofvuil). Dat is voldoende voor het beantwoorden van de kwantitatieve subvragen hierboven. Maar als er ondertussen ook nog andere zaken veranderen, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van tuintjes rond de ORAC's zoals op sommige plekken in de stad gebeurt, heeft dat ook effect op de bijplaatsingen. Dat soort andere veranderingen moeten dus in nauw overleg ingepast worden in het experiment. Er zal met verschillende “hangperiodes” van camera's worden gewerkt om de uitdoofeffecten van camera's te kunnen meten. We denken aan drie camera's die na één, twee of drie maanden worden weggehaald of elders opgehangen. We kijken wat het effect is van het weghalen en verplaatsen van de camera's; daarmee worden de andere subvragen beantwoord. Tevens zullen we één of twee dummycamera’s inzetten die ook meedraaien in dit experiment alsof het echte camera's waren. Hoe groot is de pakkans bij cameratoezicht? • Is de pakkans veranderd? • Hoe komt dat (bijv. herkenning personen, kentekens, etc) ?
Deze vraag heeft betrekking op de mate waarin bijplaatsers met behulp van cameratoezicht kunnen worden geïdentificeerd en aangepakt. Zoals is aangegeven in het basisrapport is het onmogelijk om op basis van cameratoezicht “automatisch” namen en adressen van bijplaatsers vast te stellen. Mensen zullen dus “achteraf” herkend moeten worden door professionals van de gemeente of in sommige gevallen met hulp van boa's, politie of eventueel nog anderen, zoals naar verluid gebeurt in andere gemeenten, zoals Almelo en Genk. Het experiment zal duidelijkheid verschaffen over de juridische en praktische haalbaarheid van die werkwijze. Ook het antwoord op de vraag in welke mate het waarnemen van kentekens van voertuigen van bijplaatsers met camera’s leidt tot meer sancties zal na het experiment beantwoord kunnen worden. Het bovenstaande betekent dat goede afspraken gemaakt moeten worden over de informatie die moet
32
worden verzameld, gebruikt en gedeeld met alle relevante partijen. Welke beelden mogen, kunnen of moeten zelfs gedeeld worden en waar en hoe wordt de informatie opgeslagen? Hoe reageren mensen op het feit dat er cameratoezicht wordt toegepast? • Hoe beoordelen omwonenden de aanwezigheid van camera’s? • Welke communicatie is nodig? • Is de “gevoelde” pakkans veranderd? • Kunnen omwonenden eventueel in combinatie met het cameratoezicht een rol spelen bij vermindering van het aantal bijplaatsingen?
Enkele andere gemeenten hebben afgezien van cameratoezicht om bijplaatsingen te voorkomen vanuit het idee dat de aantasting van de privacy te groot is. Maar van de gemeenten die het wel hebben ingevoerd hebben we begrepen dat het draagvlak onder omwonenden van afvalcontainers met veel bijplaatsingen juist groot is. Kennelijk vinden veel mensen de privacyschending, als het cameratoezicht goed is georganiseerd, minder erg dan de overlast en ergernis van bijplaatsingen. Deze inzichten betekenen dat bij een eventueel experiment heel goed moet worden nagedacht over de communicatie met omwonenden over de komst, maar ook over de resultaten (al dan niet in de vorm van vermindering van het aantal bijplaatsingen of het aantal “gepakte” daders). Voorafgaand aan en zeker ook tijdens het experiment zal een strak communicatieplan moeten worden gevolgd. Dat plan moet zich natuurlijk niet alleen richten op de omwonenden, maar ook op de mogelijke bijplaatsers. Daar is de gemeente al mee bezig, maar in een experiment kunnen we, ook door te variëren, leren wat niet, een beetje of goed werkt. Er zijn daarnaast in Den Haag veel mensen die een ORAC hebben geadopteerd. Ook deze mensen moeten bij het experiment betrokken worden, want zij hebben lokale kennis, zien dagelijks wat er gebeurt en beïnvloeden met hun acties het aantal bijplaatsingen. Daar zal dus slim mee moeten worden omgegaan.
We hebben een ORAC-adoptant (@holtenstraat) gesproken en die gaf direct aan graag mee te willen doen. Waarschijnlijk geldt dat voor de meeste adoptanten, omdat zij een drive hebben om de buurt schoon te houden. Welke andere patronen worden zichtbaar? Een experiment met cameratoezicht levert inzichten op die er op dit moment niet zijn. Te denken valt aan:
• •
• • • •
Op welke momenten vinden bijplaatsingen vooral plaats (“hottimes”)? Is er een waterbedeffect van camera’s: dus een verschuiving van bijplaatsingen naar omliggende ORAC’s? Zo ja: geldt dat in dezelfde mate voor alle soorten afval? Is er een positieve uitstraling: dus een vermindering van bijplaatsingen bij omliggende ORAC’s zonder dat daar cameratoezicht is? Wie veroorzaken de bijplaatsingen: zijn het steeds dezelfde mensen of elke keer anderen? Wat is er te zeggen over de motieven van bijplaatsers? Zijn er nog andere onvoorziene neveneffecten: positief of negatief?
Met camerabeelden wordt informatie verzameld die op andere wijze nauwelijks boven water te krijgen is. In het experiment zal informatie verzameld worden over de 33
bovengenoemde vragen. Met deze kennis kan het (reguliere) toezicht gerichter plaatsvinden. Van belang is dus, net als in de voorgaande paragraaf aangegeven, dat die informatie net als de informatie over de aangetroffen bijplaatsingen (hoeveelheid en soort) zorgvuldig wordt opgeslagen en geanalyseerd. Wat betekenen de geleerde lessen voor een bredere uitrol binnen de gemeente? • In welke mate zeggen de resultaten van het experiment iets over de te verwachten effecten elders in Den Haag? • Wat zijn de kosten van cameratoezicht bij ORAC’s als de camera’s op grotere schaal zouden worden ingevoerd in Den Haag? • Welke winst/besparing is op basis van het experiment mogelijk indien het breder wordt ingezet? • Aan welke technische eisen moeten de camera's en bijbehorende hard- en software en handelingen voldoen? • Hoe gevoelig is de apparatuur voor vandalisme en diefstal? • Hoe zou het cameratoezicht organisatorisch in de gemeente ingebed moeten worden?
Uiteindelijk moet, indien er sprake lijkt te zijn van voldoende succesvol resultaat, nagedacht worden over grootschaliger en/of langduriger inzet van cameratoezicht. Dat betekent dat de verzamelde data en ervaringen moeten worden vertaald naar een meer permanente of bredere uitrol. Op de vraag over de kosten van de camera’s zal het experiment in elk geval antwoord kunnen geven. Daar wordt ook hieronder in de projectaanpak verder op in gegaan. De uitrol op bredere schaal zal daarnaast echter sterk afhangen van de resultaten van het experiment. Op dit moment is het niet mogelijk om daar al uitspraken over te doen.
Wat geregeld moet worden voor het experiment: techniek Camera’s We hebben navraag gedaan bij andere gemeenten die er inmiddels ervaring mee hebben en we hebben gesproken met twee bedrijven die dit soort camera’s leveren: ASR en ConnectionSystems. Op basis hiervan is duidelijk wat de kosten van een experiment ongeveer zullen zijn, wat de gemeente zelf kan doen, wat moet worden ingehuurd en hoe snel er kan worden begonnen.
Beeldkwaliteit De beeldkwaliteit moet aan de volgende eisen voldoen: • Voldoende kwaliteit om mensen bij daglicht, maar ook bij duisternis te kunnen herkennen op basis van uiterlijk en kleding; • Kentekens moeten kunnen worden afgelezen om mensen die met de auto afval komen dumpen op basis van het kenteken aan te kunnen pakken; • Nog uitzoeken: infrarood en beeldresolutie (aantal pixels). Bevestiging en stroom Het meest gebruikelijk is een bevestiging aan een lantaarnpaal op ten minste 4 meter hoogte i.v.m. vernieling en overzicht. Ook de weg naast de ORAC moet in beeld worden gebracht om kentekens van bijplaatsers te kunnen zien. Er zijn ook zelfstandige mobiele units die op straat kunnen worden geplaatst, zoals op bouwplaatsen. De camera’s kunnen het beste van stroom worden voorzien via het netwerk van
34
straatverlichting. Daar is alleen bij duisternis spanning aanwezig, dus moet er een batterij in de unit zitten voor het overdag filmen als er geen stroom is. Verplaatsing De leveranciers zijn de meest geschikte organisatie om de camera’s te verplaatsen. Zij beschikken over kennis en materieel om dat snel en vakkundig te doen. Zij kunnen die momenten dan meteen gebruiken voor onderhoud en reiniging. Dit zou voorafgaand aan een eventueel experiment met de leveranciers afgesproken moeten worden zodat dit bij het contract inbegrepen is. Software Sommige leveranciers zijn heel voorzichtig in hun beloftes over dit soort technologie. Andere leveranciers zeggen: “technisch kan alles”. Hier is dus een stevige en nuchtere blik vanuit de opdrachtgever nodig. Over slimme software kan nu al het volgende worden gezegd: • Om het verzamelen van persoonsgegevens te minimaliseren kan worden besloten alleen opnames te maken zodra er een persoon bij de ORAC is. Dit kan op basis van bewegingsdetectie; • Een andere mogelijkheid is alleen te filmen als er een object wordt achtergelaten bij de ORAC.
Dit kan op basis van een left luggage algoritme; • Privacygevoelige gegevens die vastgelegd worden maar niet het doel zijn, zoals bijvoorbeeld tuinen of voordeuren en ramen van woningen, dienen standaard te worden geblokt of geblurd; • ANPR (kentekenherkenning) is mogelijk volgens de leveranciers, maar volgens ons niet nodig als de beelden scherp genoeg zijn om het kenteken door een mens te laten aflezen; • Automatische gezichtsherkenning is mogelijk volgens sommige leveranciers, maar volgens ons niet zinvol aangezien er geen database is om de gezichten mee te vergelijken en aangezien de juridische houdbaarheid zeer twijfelachtig is. Datatransport De camera maakt opnames die lokaal worden opgeslagen. Daarna kunnen ze worden verzonden (standaard of on demand) naar een server van de gemeente, dan wel naar een server van een bedrijf waar alleen de gemeente toegang toe heeft. Na overdracht worden de gegevens bij de camera gewist. • Het verzenden van de beelden dient draadloos en voldoende beveiligd te gebeuren. • Er kan worden gekozen voor video (ca. 25 beelden per seconde) maar ook voor foto’s, bijvoorbeeld een opname per 10 seconden. • Het moge duidelijk zijn dat het opslaan en verzenden van een klein aantal laag resolutie foto’s aanzienlijk goedkoper is dan full HD video, maar dat video de kans op herkenning en bruikbare inzichten aanzienlijk vergroot.
Nog te regelen voor het experiment: projectorganisatie Projectuitvoerder Omdat het een experiment betreft is ons advies om niet direct en volledig uit te gaan van de Haagse gemeentelijke organisatie. Dat legt te veel beperkingen op die de uitkomst of het experiment zelf beperken door “de waan van de dag” en hardnekkige structuren en gewoontes die lastig zullen zijn te doorbreken in de relatief korte tijd die er voor het experiment is. We stellen daarom voor een persoon gedurende de looptijd
35
van het experiment gedeeltelijk vrij te maken als projectuitvoerder. We denken daarbij aan: • Opstellen en uitvoeren van het communicatieplan; uiteraard wel in nauwe afstemming met de afdeling communicatie/voorlichting van de gemeente. Het betreft met name het verspreiden van informatie onder de bewoners en beschikbaar zijn als aanspreekpunt voor vragen; • Spin in het web voor alle dagelijkse en ad hoc handelingen en het onderhouden van contacten met alle betrokken partijen binnen en buiten de gemeente; • Verzamelaar en bewaker van alle relevante informatie in het kader van het experiment; • Verantwoordelijke voor de (ver)plaatsing van de camera’s alsmede het onderhoud ervan; • Uitlezer van de camerabeelden en het uitzetten van acties op basis daarvan. Een grove inschatting is dat een halftijdse aanstelling voldoende is. Dit moet wel iemand zijn die dagelijks kan werken, want de beelden moeten dagelijks worden bekeken. Deze persoon moet verder tamelijk zelfstandig deze klus kunnen uitvoeren, praktisch zijn en beslissingen kunnen nemen. Een boa-bevoegdheid is niet per sé nodig, maar wel handig. Projectleiding De projectleiding is verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de werkzaamheden door de projectuitvoerder. Ze controleren of zijn werk van voldoende kwaliteit is en of de organisatie voldoende soepel en conform het voorgestelde experiment verloopt.
De projectleiding zal ongeveer een halve dag per week kosten, waarin het sommige weken rustiger is en andere weken drukker. Gezien het door ons voorgestelde gebied achten we plaatsing van deze persoon bij stadsdeel Laak (Slachthuisstraat Den Haag) een logische. Deze persoon zou aangestuurd moeten worden door een projectleiding die overlegt met alle relevante stakeholders, zoals de wethouder(s), privacy-juristen, informatiebeveiligers, e.d. Indien er een besluit genomen is zal er een concreet plan van aanpak opgesteld moeten worden met data, namen en “rugnummers” alsmede concrete invulling van de afspraken met de handhaving en politie en andere diensten. Tevens moet er een werving plaatsvinden voor projectuitvoering en projectleiderschap. Adoptanten Betrek de eventuele adoptanten van de ORAC’s waar het om gaat. Zij kunnen cruciaal blijken voor het succes van het cameratoezicht, zoals in Venray. Ook nemen zij veel werk uit handen.
Nog te regelen voor het experiment: praktische zaken Installatie en beheer Wie selecteert de locaties? Wie doet acceptatie? Locaties De burgemeester moet het cameragebied aanwijzen. Daar moet tijd voor worden ingeruimd binnen de gemeentelijke organisatie. Er moet vervolgens een duidelijk gebied zijn waarbinnen gemeten gaat worden. Eisen waaraan het gebied moet voldoen zijn:
36
• • • •
Waar ORAC’s staan waar met regelmaat bijplaatsingen worden aangetroffen; Waarbinnen een eventueel waterbed-effect of positieve uitstraling meetbaar zal kunnen zijn; Waarvan data beschikbaar zijn over een flinke periode vóórdat het experiment begint; Waar een goed overzicht is van reeds getroffen maatregelen.
Een gebied dat aan deze eisen voldoet is de driehoek binnen de Jan van der Heijdenstraat, de Van Musschenbroekstraat en de Rijswijkseweg (zie afbeelding). Daar zijn meer dan tien ORAC-locaties waarvan er bij 6 locaties regelmatig sprake is van flinke hoeveelheden bijplaatsingen.
Doorlooptijd Om te kunnen vaststellen aan welke “knoppen” je kunt draaien en welk effect dat heeft na de eerste kortstondige schokeffecten, moet elke locatie zo’n 3 maanden worden gemonitord met cameratoezicht. Daarna moet ook in de “afkoelperiode” worden gemonitord. Als er op een locatie verschillende varianten moeten worden uitgetest, is al gauw een jaar doorlooptijd nodig. Dat is een periode die ook in andere gemeenten wordt gekozen: daar duren experimenten meestal een of twee jaar voordat de balans wordt opgemaakt. De voorbereiding zal – afhankelijk van de slagkracht en financiele en arbeidscapaciteit bij de gemeente – ook een paar maanden kosten, dus is een doorlooptijd van minimaal een jaar logisch. Evaluatie Het registreren van bijplaatsingen moet op de huidige wijze doorgaan: dit is een cruciale bron van informatie voor de evaluatie. Verder is er behoefte aan informatie over de reactie van bijplaatsers en bewoners op de camera’s. Daar willen we een enquête overvoor houden “voor”, “tijdens” en “na” de plaatsing van de camera’s. We meten de
37
opinies van omwonenden over de camera’s en uiteraard peilen we (bijvoorbeeld met rapportcijfers) hoe men de reinheid in de openbare ruimte rondom de betreffende ORAC’s beoordeelt. Hetzelfde onderzoek doen we onder een controlegroep van omwonenden van andere ORAC’s waar geen camera’s hangen: zo krijgen we een “wel” en “niet” vergelijkingsconditie die noodzakelijk is voor het meten van de relatieve veranderingen. Kosten Hardware en software De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat als er voor een experiment zou worden gekozen, dat er dan uit moet worden gegaan van huur van camera’s in plaats van aanschaf. Op basis van de ervaringen elders en de grove indicaties die we van twee leveranciers hebben gekregen, moet uitgegaan worden van de volgende kosten voor een experiment. Als de proef een jaar duurt, zullen de kosten voor de camera’s (hardware en software) ongeveer €65.000 tot €100.000 exclusief BTW bedragen. Wordt gekozen voor een pilot van een half jaar, dan zijn de kosten ongeveer €40.000 tot €75.000.
Overige kosten Projectuitvoering (0.5 FTE) Communicatie Evaluatie Projectleiding
ca. €40.000 ca. €10.000? ca. €10.000? p.m.
Alles bij elkaar en met een flinke slag om de arm bedragen de kosten naar schatting ca. €100.000 tot €160.000 exclusief BTW en exclusief projectleiding.
38
Bijlage 2 – Concept DPIA Deze DPIA is een conceptversie voor de besluitvorming over het experiment. Als daartoe wordt besloten zullen aan het begin de technische details verder worden uitgewerkt en voorgelegd worden aan de FG van de gemeente en de FG van de politie. Inleiding In art. 35 Algemene Verordening Gegevensbescherming en art. 4c Wet politiegegevens wordt een Data Protection Impact Assessment verplicht gesteld voor verwerkingen die een hoog risico voor de rechten en vrijheden van personen opleveren. Dat is het geval bij cameratoezicht op openbare plaatsen. Daarom moet er voor de gemeentelijke camera’s tegen bijplaatsingen een DPIA worden opgesteld. Voor deze DPIA is het model gebruikt dat de politie hanteert voor, onder andere, gemeentelijk cameratoezicht: het model bestaat uit 17 punten verspreid over vier onderdelen: i) een beschrijving van de verwerking, ii) het juridische kader, iii) risico’s voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen en iv) de beoogde maatregelen om de risico’s aan te pakken. In deze DPIA worden alle punten afhankelijk van de aard en omvang van de verwerking uitgewerkt: soms zeer gedetailleerd, soms minder gedetailleerd omdat het niet van toepassing is. Maar voor elk punt is een keuze vastgelegd.
Een DPIA is eigenlijk nooit “af”, want de techniek en de wettelijke kaders veranderen regelmatig. Dat levert nieuwe privacyrisico’s of juist nieuwe beschermingsmogelijkheden op. Daarom dient deze DPIA elke twee jaar te worden herzien, maar ook na elke grote verandering in de techniek, uitvoeringswijze of wetgeving. Verwerkingsverantwoordelijken: burgemeester en politie De burgemeester kan op grond van artikel 151c Gemeentewet en de APV cameratoezicht inzetten om de openbare orde te handhaven. Onder handhaving van de openbare orde valt ook het voorkomen van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeente (leefbaarheid). De burgemeester beslist of, wanneer en hoe lang de gemeente cameratoezicht inzet en maakt voor de uitvoering van het cameratoezicht gebruik van de politie. De burgemeester is de verwerkingsverantwoordelijke voor de inzet van cameratoezicht. De politie mag deze camerabeelden gebruiken om strafbare feiten op te sporen. De verwerking van de persoonsgegevens volgens artikel 151c van de Gemeentewet is een verwerking als bedoeld in de Wet politiegegevens. De persoonsgegevens zijn daarmee politiegegevens. De politie moet de operationele regie over het cameratoezicht voeren en is verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens. Dat betekent dat de politie verwerkingsverantwoordelijke is voor de camerabeelden.
Daarom zijn de gemeente en de politie beide verwerkingsverantwoordelijke voor hun deel van de verwerking van persoonsgegevens met cameratoezicht. Omdat beide verwerkingen zo met elkaar verweven zijn is voor een gezamenlijke DPIA gekozen. Dit sluit ook aan bij het standpunt van de Autoriteit Persoonsgegevens. Doel Het doel van de verwerking is handhaving van de openbare orde. Onder deze handhaving valt ook het voorkomen van strafbare feiten.6 Daar worden ook leefbaarheidsovertredingen onder verstaan, zoals bijplaatsingen.7 Bijplaatsingen kunnen de Noot 6 Bijplaatsingen – het onjuist aanbieden van afval bij een inzamelvoorziening – is strafbaar gesteld in de Afvalstoffenverordening Den Haag. Noot 7 Kamerstukken II, 2012/13, 33 582, nr. 6, p. 7.
39
veiligheidsbeleving van bewoners negatief beïnvloeden en zorgen voor een verloederd straatbeeld en het aantrekken van ongedierte hetgeen bijdraagt aan problemen in de sfeer van de openbare orde. Niet elke plek waar bijplaatsingen plaatsvinden kan cameratoezicht krijgen: alleen plekken waar inzet van de camera’s noodzakelijk is als sluitstuk in de aanpak. Ook moeten de ORAC’s in principe goed functioneren en de capaciteit van de containers moet normaal gesproken voldoende zijn c.q. frequent genoeg geleegd worden voor de hoeveelheid afval die op die plek wordt aangeboden. Alleen als dergelijke “lichtere” maatregelen om bijplaatsingen te voorkomen onvoldoende opleveren kan cameratoezicht als “zwaardere” maatregel in het totale pakket worden overwogen. Rechtsgrond De inzet van de camera’s is gegrond op artikel 151c Gemeentewet. De doeleinden waarvoor de camerabeelden mogen worden verwerkt is beschreven in artikelen 8 tot en met 13 Wet politiegegevens, waarbij artikel 8 de belangrijkste is: de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Indien er concrete aanleiding is kunnen de camerabeelden verder worden verwerkt ten behoeve van de opsporing. Beschrijving van de verwerking #Hier komt een beschrijving van het cameratoezicht en van de momenten waarop persoonsgegevens worden verwerkt. Die beschrijving kan pas goed worden opgesteld als er meer concrete informatie is.
Stap 1: Plaatsen van de camera’s en beelden maken Waar komen de camera’s te staan, wanneer staan ze aan, welke kant filmen ze precies op? Stap 2: Opslaan van de beelden Waar worden de beelden opgeslagen: lokaal of centraal? Hoe worden ze beveiligd? Hoe wordt eventueel transport van de beelden beveiligd? Stap 3: Gebruiken en beveiligen van de beelden Wie kan er bij de beelden? Voor welke doelen? Hoe wordt de toegang beveiligd? Hoe stuur je beelden op een veilige manier door naar een andere afdeling? Hoe worden alle handelingen met de beelden gelogd? Stap 4: Verwijderen van de beelden Hoe lang worden de beelden bewaard? Hoe worden ze verwijderd? Hoe wordt gecontroleerd of dit ook echt volgens afspraak gebeurt? Beoordeling noodzaak en evenredigheid Cameratoezicht is tot op zekere hoogte altijd een inbreuk op de privacy van de personen die in beeld komen. Het is daarom alleen toegestaan alleen als het voor een gerechtvaardigd doel gebeurt en het noodzakelijk is voor het bereiken van dat doel. De rechtmatigheid moet volgen uit een in een wet genoemde grondslag en de noodzakelijkheid hangt af van de proportionaliteit en subsidiariteit. Proportionaliteit gaat over de vraag of de inzet van cameratoezicht in evenwichtige verhouding staat tot het doel. Anders gezegd: is het probleem zo ernstig en groot dat het de inzet van cameratoezicht rechtvaardigt?
40
#Dit wordt nog verder uitgewerkt op basis van de analyses van de gemeente over de omvang van het probleem, de roep om handhaving vanuit de stad en de gemeenteraad. Aan de subsidiariteitseis is ook voldaan omdat er al veel andere, lichtere, maatregelen zijn getroffen die niet voldoende resultaat hebben opgeleverd. In het afvalbeleid van de gemeente worden alle mogelijke maatregelen voortdurend overwogen en in een gebalanceerde mix ten uitvoer gebracht. Naast de camera’s wordt een waaier aan andere maatregelen en instrumenten ingezet. Uit eerder onderzoek door de Autoriteit Persoonsgegevens blijkt dat de proportionaliteit en subsidiariteit van cameratoezicht ook wordt vergroot door het aantal camera’s zo klein mogelijk te houden en door niet meer plaatsen en personen in beeld te brengen dan strikt noodzakelijk. Aan die eisen is ook voldaan: er worden zo min mogelijk camera’s neergezet en de gegevensverwerking wordt zo mimimaal mogelijk ingericht. Hoe dit wordt gedaan komt hieronder aan bod bij de bespreking van de principes van de verwerking, waaronder dataminimalisatie. Op grond hiervan komt de gemeente Den Haag tot de slotsom dat het cameratoezicht noodzakelijk is. De omvang en de ernst van het probleem rechtvaardigt de inzet van een relatief zwaar middel als cameratoezicht op de voorgestelde wijze.
Minder ingrijpende maatregelen die hetzelfde doel kunnen bereiken zijn er niet. De noodzakelijkheid wordt bewaakt door continu te monitoren hoeveel bijplaatsingen er zijn. Tevens worden er maatregelen getroffen om de privacyrisico’s voor betrokkenen te verkleinen: deze staan hieronder. Het restrisico dat overblijft is laag en dus acceptabel volgens de verwerkingsverantwoordelijke. Beoordeling risico’s Het privacyrisico van de camera’s hangt af van de schade die een betrokkene ondervindt (ieder lichamelijk, materieel of immaterieel nadeel) en de waarschijnlijkheid dat die schade zal optreden. Dat is weergegeven in de volgende risicomatrix:
Schade Waarschijnlijkheid
Geen
Nauwelijks
Aanzienlijk
Ernstig
Onwaarschijnlijk
Geen risico
Geen risico
Laag risico
Laag risico
Laag risico
Gemiddeld risico * Function creep
Hoog risico * Heimelijk filmen * Onbevoegden toegang
Waarschijnlijk of zeker
Geen risico
Zonder beschermingsmaatregelen leveren de camera’s een hoog risico op privacyschending op: als camerabeelden bijvoorbeeld niet goed worden beschermd en in verkeerde handen terechtkomen kan de schade voor betrokkenen ernstig zijn. De kans dat die schade zich voordoet is – zonder voorzorgsmaatregelen – niet denkbeeldig. Daarom is het ‘brutorisico’ hoog. De voorzorgsmaatregelen zijn nodig om dit hoge risico te verkleinen tot een acceptabel lager ‘nettorisico’. De risico’s die worden voorzien zijn: 1. Heimelijk filmen/niet transparant: Als de betrokkenen niet weten dat er camera’s zijn, wordt niet voldaan aan het principe van transparantie. Ook kan er sprake zijn van overtreding van 41
bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht die het heimelijk (en wederrechtelijk) maken van een afbeelding verbieden. Voorts moet ervoor worden gezorgd dat betrokkenen hun rechten (inzage e.d.) kunnen uitoefenen; 2. Function creep, bovenmatige verwerking: Gebruik van de camerabeelden voor meer en andere doelen dan vooraf bepaald of meer beelden verwerken dan noodzakelijk. Op de camerabeelden staan ook andere personen dan degenen die afval bijplaatsen. Dit is onvermijdelijk bij cameratoezicht op straat. De waarborgen om bovenmatige of onrechtmatige verwerking te voorkomen die al bestaan voor de reguliere gemeentelijke camera’s in Den Haag zijn afdoende; 3. Onbevoegden toegang: er is een kans dat onbevoegde personen of hackers toegang krijgen tot de opnames en deze bekijken, bewerken, doorsturen, publiceren of verwijderen. Maatregelen om de risico’s aan te pakken Technische maatregelen Fysieke beveiliging (verkleint risico 2 en 3) Beveiliging van camera’s, verbindingen en opslag door fysieke maatregelen (afgesloten straatkasten, hufterproof behuizing e.d.).
Elektronische beveiliging (verkleint risico 2 en 3) Autorisaties en inlogprocedures: de Wet politiegegevens regelt de beveiliging, de autorisaties en alles dat nodig is om de verwerkingen rechtmatig te laten plaatsvinden. Bij de inrichting van systemen wordt rekening gehouden met privacy by design en privacy by default. De politie kent een autorisatiemodel waarin per functie wordt aangegeven welke informatie noodzakelijk is voor het goed vervullen van de taken door de politieambtenaar. Voor het inzetten en uitkijken van cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet is een Risico Impact Analyse uitgevoerd door de politie. Dat heeft geleid tot een dataclassificatie met een set van maatregelen om de security- en ICT-eisen rondom gemeentelijk cameratoezicht te waarborgen. # Encryptie? #Alles automatisch vastleggen in logboek en audit trail per opname? Bewaartermijn (verkleint risico 2 en 3) #Gaan we voor een kortere bewaartermijn dan de standaard 28 dagen? We hebben wellicht aan 24 uur (of anders 36 of 72 uur) in principe genoeg. Hierdoor wordt het risico op function creep en bovenmatige verwerking aanzienlijk verkleind. De vernietiging van camerabeelden vindt automatisch plaats, evenals de vernietiging van eventuele back-ups in lijn met artikel 14 Wpg.
Organisatorische maatregelen Actief informeren (verkleint risico 1) De bewoners van de buurt waar de camera’s geplaatst worden, worden geïnformeerd door middel van borden op straat en een communicatiecampagne. Op de containers zelf worden ook waarschuwingsstickers aangebracht. Tevens is er informatie op de website van de gemeente waar de aanwijsbesluiten cameratoezicht worden gepubliceerd. Voorts wordt media-aandacht gezocht middels een persbericht. Betrokkenen kunnen hun rechten, zoals het recht op inzage, eenvoudig uitoefenen via de standaardprocedures binnen de gemeente en bij de politie. #websites noemen.
42
Toezicht en controles op de verwerking (verkleint risico 2) De privacy functionaris en de FG’s van de gemeente en de politie hebben het recht aangekondigde of onaangekondigde controles uit te voeren op de plekken waar de persoonsgegevens worden verwerkt. Verder gebruik van de persoonsgegevens die zijn verwerkt is alleen toegestaan als hiervoor in de Gemeentewet en de Wet politiegegevens uitdrukkelijk ruimte voor is gecreeerd. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: • Voorafgaand aan verdere verwerking vraagt de verwerkingsverantwoordelijke juridisch advies; • De politie houdt regie op de verdere verwerking om de doelbinding te bewaken; • Er worden werkinstructies opgesteld om de doelbinding te bewaken; • Nieuwe verwerkingen worden altijd besproken in de driehoek van gemeente, politie en openbaar ministerie; • Deze DPIA wordt periodiek herzien door politie en gemeente. Privacy awareness bij verwerkers (verkleint risico 2 en 3) Privacy awareness zal worden onderhouden middels training en begeleiding van functionarissen betrokken bij de verwerking van de beelden. Er zijn werkinstructies opgesteld om te zorgen dat de operators die de camerabeelden bekijken, die beelden niet voor een ander doel gebruiken. De operators staan onder toezicht van de politie. Geen automatische herkenning, biometrie, BSN, etc.
Enkele belangrijke principiële keuzes en randvoorwaarden zijn: • Er wordt geen automatische kentekenherkenning of automatische gezichtsherkenning of een andere vorm van biometrie toegepast; • Er wordt geen automatische besluitvorming gebaseerd op de camerabeelden; • Er vindt geen verwerking van het BSN plaats; • Er vindt geen verwerking van persoonsgegevens in “derde landen” buiten de EER plaats. Geen bijzondere persoonsgegevens De verwerking van “bijzondere persoonsgegevens” zoals gegevens over gezondheid of etniciteit is in vrijwel alle gevallen (behalve voor medische doeleinden, bijvoorbeeld) verboden. Camerabeelden bevatten kunnen informatie over iemands gezondheid tonen, bijvoorbeeld of iemand een bril draagt of op krukken loopt. Ook kan zichtbaar zijn welke etniciteit iemand heeft. Dus zijn camerabeelden altijd bijzondere persoonsgegevens. De Autoriteit Persoonsgegevens beschouwt camerabeelden van een persoon op dit moment echter niet als bijzondere persoonsgegevens: i) als het doel van de camera’s niet gericht is op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens, ii) als het niet voorzienbaar is dat de camerabeelden zullen leiden tot het maken van onderscheid op grond van die verwerkte bijzondere persoonsgegevens, en iii) als de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens onvermijdelijk is.
Aan die voorwaarden wordt voldaan, dus worden deze beelden niet als bijzondere persoonsgegevens aangemerkt.
43
Eindafweging Het brutorisico van de camera’s is hoog. Door de voorgestelde beschermingsmaatregelen is het resterende nettorisico laag. De waarschijnlijkheid dat de voorziene risico’s zich voor zullen doen is aanzienlijk verminderd en er worden beschermingsmaatregelen getroffen die de mogelijke schade voor betrokkenen flink beperken of geheel wegnemen. De verwerkingsverantwoordelijke komt op grond hiervan tot de conclusie dat het restrisico acceptabel is gezien de verwachte positieve effecten op de reinheid rondom de ORAC’s en de verbetering van de leefbaarheid.
De FG van de gemeente en de van de politie krijgen de DPIA met het verzoek daar advies op te geven. Het advies komt in de DPIA.
44
Bijlage 3 – Informatie andere gemeenten Ervaringen Venray, Rotterdam en Genk kort samengevat
Algemeen
Venray Drie locaties met camera’s, evaluatie gemaakt en in ons bezit.
Rotterdam Pilot 2019, start nov. 2020. Gebruiken bestaande camera’s. Geen evaluatie. Art 151c Gemeentewet dus openbare orde. DPIA gemaakt voor politie en gemeente.
Privacy/ juridisch
Afvalstoffenverordening en AVG als grondslag. Kenbaar maken.
Omwonenden
Geen bezwaren. Alles wat niet nodig is, wordt automatisch geblurd. Waarschuwingsborden in verschillende talen. Op 2 van de 3 plekken significante verbetering. De grootste progressie op één plek was van een 4,0 naar een 6,3;
Geen bezwaren. Stickers op containers en borden op straat.
Handhaving
Beelden worden achteraf bekeken. Het levert veel werk op: 3 uur boa per dag voor 3 camera’s. Boetes op basis van afvalstoffenverordening (€95). Beboeten bleek alleen te lukken bij auto’s, niet bij anderen. Slechts 6% beboet. Licht waterbedeffect op 2 van de 3 plekken.
Techniek
360 graden camerasysteem. Veel technische aanloopproblemen (uitval, trage beelden). Slimme software werkte veel minder goed dan verwacht en leverde veel onnodig werk op. Beelden uitkijken kost ongeveer 15 uur/week. Vooral gerichte surveillance.
Pilot had als doel meer heterdaad en boetes. Huidige project gaat niet meer om opsporing achteraf of heterdaad, maar afschrikking. Gemeentepersoneel kijkt zelf beelden uit, maar in de centrale waar de politie de regie voert. Was lastig om ze van het belang te overtuigen: “Wij doen openbare orde, geen afval”. Bestaande camera’s nabij ORAC's .
Resultaten
Organisatie
Overig
Probleem op locaties waar mensen veel verhuizen. Hot times voor
Uit pilot: niet helemaal duidelijk, maar wellicht wel enig effect.
Flying Squad (met boa), video-centrale van gemeente.
Evaluatie blijkt moeilijk om goed te doen: nulmeting was er eigenlijk niet,
45
Genk (België) Sinds 2013, 10 camera’s, ook dummies. Geen evaluatie. Belgische Wet 2007 cameratoezicht, kenbaar maken, kenbaar maken, 1 persoon toegang. GASboete plus opruimkosten (gemiddeld €250). Positief, geen vernielingen. Veel voorlichting. Mensen laten zien wat gefilmd wordt. Positief, maar er is een “uitdoofeffect” van camera’s zodra ze ergens worden weggehaald: na drie maanden is het effect weer verdwenen. 1 fte gemeente, beelden achteraf bekijken. GAS-boete indien persoon herkend door ambtenaar of politie plus opruimkosten, geen bezwaren tegen bekeuring, effect binnen 3 maanden na verwijdering camera weg. Geen waterbedeffect. Bijplaatsers leren en laten minder persoonlijke gegevens in de zakken achter. 6 megapixels, infrarood, geen gezichtsherkenning of ANPR. Alleen opnames als er iets beweegt. Gegevens op aparte server, batterijen.
1 medewerker van de gemeente regelt alles: inkoop, techniek, onderhoud, verplaatsing, toezicht en handhaving (ism politie). Camera’s zijn geen wondermiddel.
dumpingen worden inzichtelijk waardoor gerichte surveillance mogelijk wordt. Maar zet vooral in op nette bestrating en goed werkende containers. Ook overtreders zonder auto zouden moeten worden beboet: dat lukt nu nog niet.
dus effecten kunnen niet aangetoond worden. Het is veel werk: juridische voorbereiding alleen al duurde een half jaar (en deze camera’s stonden er dus al).
46
Gemeente Almelo
Project (evt. grondslag) Vaste en mobiele camera’s (151c Gemeentewet)
Echt-Susteren
2 locaties
Enschede
Pilot 1 jaar; 3 hotspots Mobiele camera’s bij 3 afvalpunten
Heerlen
Hengelo Hof van Twente
(151c Gemeentewet) (151c Gemeentewet)
Leudal
Roulerende camera’s (die uit staan?)
Maastricht
Mobiele camera’s
Roermond
Gemeente overweegt camera’s Beelden bekeken onder supervisie politie (151c Gemeentewet) Beelden bekeken onder supervisie politie (151c Gemeentewet) 3 hotspots
SittardGeleen
Stein
Tilburg
Interessante informatie In 2020 legde de gemeente Almelo dankzij het cameratoezicht bij afvalcontainers aan 184 afvaldumpers een boete van 400 euro op (€71.000). Overtreders worden herkend door boa’s op camerabeelden. Opbrengst gaat niet naar gemeentekas, maar naar “schatkist”; dus het is geen bestuursdwang. Er wordt naast de acht vaste camera’s een “nieuw wapen” ingezet: de onopvallende auto (alleen in gebieden waar gemeentelijk cameratoezicht op grond van de Gemeentewet is). Bron: artikel in Tubantia. 91 bijplaatsingen geregistreerd: 10 boetes uitgedeeld. Aantal bijplaatsingen gelijk gebleven: bijplaatsingen verspreid naar overige 17 locaties. Camera’s niet effectief en efficiënt voor bestrijden van bijplaatsingen (Bron: Raadsinformatiebrief 28-04-2020) Gemeente wil het juridisch en privacytechnisch goed regelen; naar verwachting start in het najaar [van 2020 – SF] (Bron: Tubantia) Doel is heterdaad (door boa aangesproken) of opsporing achteraf o.b.v. kenteken. Resultaten: 26 illegale dumpingen vastgelegd (2 – 11 juni); 6 boetes uitgedeeld. Wethouder: “Voorlopig gaan we door met deze aanpak” (Bron: 1Limburg.nl) 2020: Camera’s worden op onverwachte momenten bij afvalcontainers ingezet. Gemeente gaat vervolgens actief op zoek naar mensen. Hoe kon de woordvoerster niet zeggen. Aanwijzingbesluit ontvangen van gemeente Hengelo. Preventie, opsporen en vervolgen.
Afvaldumpingen zorgen voor overlast, verloedering, aantasting gevoel van veiligheid en veroorzaakt mogelijk zelfs gezondheidsrisico’s. (Bron: Aanwijzingsbesluit gemeente) Door het cameratoezicht in Haelen en Horn zijn de bijplaatsingen van afval afgenomen. Cameratoezicht en waarschuwingsborden blijken dus preventief te werken. De gemeente gaat nu daarom op nog twee plaatsen werken met cameratoezicht. De camera’s zullen tussen de wijkmilieuparken rouleren. 38 boetes uitgedeeld. “Deze camera’s hebben voor een afname gezorgd”, zegt een woordvoerster. “Daarom gaan we voorlopig door met het verscherpte toezicht.” (Bron: 1Limburg) Handhavers in burger en onderzoek aan afval leverden geen verbetering op. Reden voor college om inzet camera’s te overwegen. In juni [2019 – SF] moet dat duidelijk worden. Van 01-01-2021 tot 01-07-2021 wordt een evaluatie uitgevoerd.
Aanwijsbesluit voor twee jaar
Informatie uit andere gemeenten uit zoekactie op internet en via eigen netwerk
47