RIS309265 Bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing VVGB Laan van Ypenburg naast 64
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Datum Auteur
Laan van Ypenburg in Den Haag Definitief 21033 20 april 2021
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1 2
3
4
5
Inleiding Projectbeschrijving
4 5
Projectlocatie Projectplan Vigerend bestemmingsplan
5 5 7
Ruimtelijk beleid
10
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
10 13 18
Omgevingsaspecten
24
Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geluid Hoogspanningsleidingen Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling
24 24 26 26 28 28 29 31 32 34 38
Beschrijving uitvoerbaarheid
39
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39 39
Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7
Masterplan Tech Park Den Haag Verkennend bodemonderzoek (Kwinfra, 2020) Quickcan flora en fauna (Van der Goes en Groot, 2021) Kwantitatieve risicoanalyse (AVIV, 12 februari 2021) Stikstofdepositieonderzoek (Mees Ruimte & Milieu, d.d. 2 februari 2021) Watersleutel, d.d. 16 februari 2021 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (Mees Ruimte & Milieu, 17 februari 2021)
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 3
1
INLEIDING In opdracht van CV Ypenburg heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van een nieuw bedrijfspand ter plaatse van de Laan van Ypenburg in Den Haag. Het gaat om een bedrijfspand voor een juweliersketen waarbij een deel van het pand als kantoor in gebruik wordt genomen en een deel als distributiecentrum. Het bedrijfspand is beoogd op het bestaande bedrijventerrein waar dergelijke functies reeds planologisch zijn toegestaan. Vanwege het feit dat er geen bouwvlak is opgenomen op de locatie, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd. Deze onderbouwing gaat voornamelijk in op de impact van de beoogde bebouwing, aangezien de functie al is toegestaan op grond van het vigerende bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 4
2
PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de Laan van Ypenburg in Den Haag en heeft de volgende kadastrale gegevens: sectie BK, nummer 2238 van de kadastrale gemeente ’s-Gravenhage (gemeentecode GVH49). De locatie maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein, maar het perceel zelf is vooralsnog niet als zodanig in gebruik. Ten noorden en oosten van de projectlocatie is reeds bedrijvigheid aanwezig. In het westen ligt de A4 en in het zuiden wordt de projectlocatie begrensd door een bomenrij. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie
PROJECTPLAN In de huidige situatie is ter plaatse van de projectlocatie sprake van een braakliggend terrein. Het terrein is, op een aantal parkeerplaatsen na, grotendeels onverhard. Het voornemen bestaat om ter plaatse van de projectlocatie een nieuw bedrijfspand met een vloeroppervlakte van 3.915 m2 te realiseren. Het bedrijfspand wordt gerealiseerd ten behoeve een landelijke juweliersketen en zal bestaan uit een distributiecentrum (2.915 m2) en daarbij behorend kantoor (circa 1.000 m2). In het distributiecentrum vindt opslag plaats en worden orders gereed gemaakt voor verzending. De
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 5
bebouwing krijgt een maximale hoogte van circa 9,5 meter. In figuur 2 is de kaveltekening weergegeven en in figuur 3 zijn de aanzichten van de beoogde bebouwing opgenomen. Figuur 2. Kaveltekening (Bron: Groothuis bouwgroep, d.d. 15 februari 2021)
Figuur 3. Aanzichten beoogde bedrijfsbebouwing (Bron: Groothuis bouwgroep, d.d. 18 december 2020)
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 6
Voor de beoogde locatie is in 2017 een masterplan opgesteld. Dit betreft het Masterplan Tech Park Den Haag van Duijnstede Beheer en EGM architecten (d.d. 6 november 2017). Met het plan is invulling gegeven aan de ambitie om het bedrijventerrein te ontwikkelen naar een Tech Park. Hierbij wordt aandacht besteed aan een verzorgde buitenruimte, met veel ruimte voor groen. Het doel is om individuele gebouwen, verspreidt over een ruim opgezet terrein, zowel individueel als collectief een zekere identiteit te geven. Om te streven naar eenheid en uitstraling van de gebouwen afzonderlijk, maar ook als geheel, wordt een beperkt palet aan materialen voorgesteld. Gebouwen dienen in de basis licht van teint te zijn, in combinatie met matte en metallic materialen. Kleuraccenten worden beperkt, en in gedempte tonen toegepast. Donkere materialen kunnen ingezet worden om accenten aan te brengen (plinten, dakranden, etc). Ook is het doel om de historie van het terrein (vliegveld, Fokkerterrein) te behouden en parkeren zoveel mogelijk uit het zicht plaats te laten vinden. Daarnaast is het van belang dat gebouwen geen duidelijk achterzijde hebben, zodat de gebouwen ook vanaf te A4 als ‘etalage’ kunnen fungeren. Hier wordt met het beoogde bedrijfspand zoveel mogelijk rekening gehouden.
VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Ypenburg” vigerend. Dit plan is op 17 oktober 2013 vastgesteld door de raad van de gemeente Den Haag. De projectlocatie heeft de bestemming ‘Bedrijventerrein’. Een deel van de projectlocatie kent een functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4’. Op de gronden die met deze functieaanduiding zijn aangewezen is het toegestaan om bedrijven te vestigen die behoren tot categorieën 1, 2, 3.1, 3.2, 4 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten. Ter plaatse van deel van de projectlocatie waar geen functieaanduiding is opgenomen zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die behoren tot de categorieën 1, 2 en 3.1 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten. Er is ter plaatse geen bouwvlak opgenomen. Figuur 5 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief. Naast het bestemmingsplan “Ypenburg” vigeren ook het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren”, vastgesteld op 20 september 2018 en het bestemmingsplan “Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten”, vastgesteld op 20 december 2018 op de projectlocatie. In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren.
De parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten is voor de beoogde ontwikkeling niet relevant. Daar wordt dan ook niet nader op ingegaan. Figuur 4. Uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl geraadpleegd op 28 januari 2021)
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 7
Artikel 4 – Bedrijventerrein 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten ten behoeve van: a. bedrijf; b. perifere detailhandel, waaronder wordt begrepen detailhandel in volumineuze goederen; c. groothandel; d. ter plaatse van de aanduiding “nu”: nutsbedrijf, waaronder wordt begrepen 150 kV-station en warmtekrachtcentrale; e. opslag; een en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijde, al dan niet gebouwde parkeervoorzieningen, wegen, groen, water, geluidswerende voorzieningen en overige voorzieningen, alsmede kantoren en detailhandel zoals nader omschreven in lid 4.4. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen dienen binnen het aangegeven bouwvlak te worden gebouwd; b. indien op de plankaart een bebouwingspercentage is opgenomen, mag dit bebouwingspercentage niet overschreden worden; c. de minimale en maximale bouwhoogte van de bedrijfsgebouwen mag niet minder en/of meer bedragen dan op de plankaart staat aangegeven; d. volledige beneden peil gelegen bebouwing mag uit niet meer dan twee lagen bestaan; e.
ter plaatse van de aanduiding “onderdoorgang” dient een onderdoorgang ter breedte van de aanduiding in stand te worden gehouden en mag geen bebouwing worden opgericht tot de onderkant van de vloer van de eerste verdieping; 4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijde gelden de volgende regels: a. de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 5 meter; b. de hoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 15 meter; c. het gestelde onder a is niet van toepassing op het plaatsen van masten en soortgelijke bouwwerken; d. in uitzondering op het gestelde onder a mag de hoogte van erf- en of terreinafscheidingen niet meer bedragen dan: 1. 1 meter voor zover deze zich voor de voorgevel en het verlengde daarvan bevinden, en; 2. 2 meter, voor zover deze zich achter de voorgevel en het verlengde daarvan bevinden. 4.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan afwijken toestaan van: a. lid 4.2.2, onder a ten behoeve van bouwwerken geen gebouwen zijnde tot een maximumhoogte van 15 m; 4.4 Specifieke gebruiksregels a. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4’ zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die behoren tot de categorieën 1, 2, 3.1, 3.2 en 4; b.
ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die behoren tot de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 uit de staat van bedrijfsactiviteiten als opgenomen in de bijlage; c. op de gronden waar geen categorieaanduiding is opgenomen zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die behoren tot de categorieën 1, 2 en 3.1 uit de staat van bedrijfsactiviteiten als opgenomen in de bijlage; d. in uitzondering op het gestelde in lid 4.1 zijn ter plaatse van de aanduiding 'dhp' ook andere perifere detailhandelsbedrijven toegestaan met de daarbij behorende aan de hoofdfunctie gerelateerde horeca, met uitzondering van detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen; e. ten hoogste 50% van het bedrijfsvloeropervlak van een bedrijf mag gebruikt worden ten behoeve van kantoren behorende bij het bedrijf, zulks met een maximum van 2000 m2; f. in uitzondering op het gestelde onder f is ter plaatse van de aanduiding "k" zelfstandige kantoorruimte toegestaan; g. op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn; h. vanaf het bestemmingsvlak begrensd door de A13, het Henricuspad, de Singel/Poortweg en het verlengde van de Rijswijkse Landingslaan is het niet toegestaan een ontsluiting te realiseren voor uitrijdend bezoekersverkeer via het Henricuspad.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan een afwijking toestaan van het bepaalde in lid 4.4: a. opdat niet in de staat van bedrijfsactiviteiten voorkomende bedrijven eveneens kunnen worden toegelaten, voor zover deze bedrijven naar hun aard en milieuhygiënische invloed op de omgeving gelijkgesteld kunnen worden met wel in voornoemde staat opgenomen bedrijven; b. ten behoeve van bedrijven behorende tot categorie 4 uit de staat van bedrijfsactiviteiten daar waar maximaal categorie 3.2 is toegestaan en bedrijven behorende tot categorie 3.2 waar maximaal categorie 3.1 is toegestaan, voor zover deze bedrijven qua aard en omvang en invloed op het milieu gelijk te stellen zijn met bedrijven uit een lagere milieucategorie en: 1. het geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen betreft; 2. omtrent de vergelijkbaarheid van de invloed op het milieuadvies wordt gevraagd aan een onafhankelijke deskundige;
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 8
c.
ten behoeve van perifere detailhandelsbedrijven zoals bedoeld in lid 4.4 onder d op gronden die niet zijn aangeduid met de aanduiding "dhp" op de plankaart, mits hierover aan het Dagelijks Bestuur van het Stadsgewest Haaglanden, nadat zij kennis hebben genomen van de uitkomsten van een distributie-planologisch onderzoek, schriftelijk advies is gevraagd.
Toets aan bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bedrijfspand welke deels als kantoor en deels als distributiecentrum in gebruik wordt genomen. Distributiecentra (pakhuizen) kennen conform de bij de planregels behorende ‘Staat van bedrijven op bedrijventerreinen’ een milieucategorie 3.1 (SBI-code 2008, 52101, 52109). De daarbij behorende kantoorruimtes zullen een lagere categorie kennen. Geconcludeerd kan worden dat beide functies zijn toegestaan op de projectlocatie.
Aangezien ter plaatse van de projectlocatie geen bouwvlak aanwezig is, is de ontwikkeling van een nieuw bedrijfspand in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De strijdigheid is gelegen in: artikel 4.2.1, lid a van het bestemmingsplan “Ypenburg”. Gebouwen dienen binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak te worden gebouwd. Op de projectlocatie is echter geen bouwvlak aangegeven op de plankaart. Om de genoemde strijdigheid weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunningprocedure doorlopen voor het aspect ‘planologisch strijdig gebruik’.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 9
3
RUIMTELIJK BELEID De beoogde functies zijn reeds toegestaan op grond van het vigerende bestemmingsplan “Ypenburg”. Vanwege het ontbreken van een bouwvlak, dient aangetoond te worden dat de bebouwing passend is op de projectlocatie. De inpasbaarheid van de beoogde bebouwing wordt in voorliggend hoofdstuk aangetoond aan de hand van het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 5. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 10
1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Conclusie Geen van de 21 nationale belangen worden geraakt met voorliggend project. Beleid voor deze specifieke locatie wordt gezien het lokale karakter overgelaten aan de provincie en de gemeente.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Conclusie Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 3.1.4) en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De overige relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld.
Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 11
Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Artikel 3.1.6 van het Bro:
Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
3.1.4.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling betreft de realisatie een bedrijfspand op een bedrijventerreinen en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) is een ontwikkeling die voorziet in een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 in beginsel aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, onder i Bro. De beoogde bedrijfsbebouwing wordt voorzien met een oppervlakte van circa 4.000 m2 en is daarmee een stedelijke ontwikkeling. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de beoogde functies reeds volgens het vigerende bestemmingsplan zijn toegestaan. Dit geldt alleen niet voor de beoogde bebouwing. Nut en noodzaak is middels de beleidsscan aangetoond in hoofdstuk 3 van deze onderbouwing. Met oog op zorgvuldig ruimtegebruik wordt de inpasbaarheid van het project aangetoond in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. 3.1.4.2 Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is met succes doorlopen.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 12
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid-Holland Per 1 juli 2020 is de Verzamelherziening Omgevingsbeleid 2020 vastgesteld. De Verzamelherziening is een bundeling van een aantal kleine aanpassingen van onder andere de Omgevingsvisie Zuid-Holland. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta 2. Naar een nieuwe economie: the next level 3. Naar een levendige meerkernige metropool 4. Energievernieuwing 5. Best bereikbare provincie 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing 2. Aanpassing 3. Transformatie
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 13
Figuur 6. Soorten ontwikkeling
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is conform de kwaliteitskaart ‘Laag van de ondergrond’ gelegen binnen ‘Veencomplex – oude zeeklei, zie figuur 7. Figuur 7. Uitsnede kaart ‘Laag van de ondergrond’, bron: http://gebiedsprofielen.zuidholland.nl/Gebiedsprofielen/website/index.html?webmap=7f51b45574524e0c92d831237d7eb5ef
Het richtpunt voor gebieden die zijn gelegen in ‘Veencomplex – oude zeeklei’ heeft betrekking op het leveren van een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding. In paragraaf 4.10 wordt een beschouwing gegeven van het aspect ‘Water’. Uit deze beschouwing volgt dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de waterhuishouding in het gebied. Ook is de projectlocatie conform de kwaliteitskaart ‘Laag van de stedelijke occupatie’ gelegen binnen ‘Steden en dorpen’ en ‘Bouwwerken voor energieopwekking’, zie figuur 8.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 14
Figuur 8. Uitsnede kaart ‘Laag van stedelijke occupatie’, bron: http://gebiedsprofielen.zuidholland.nl/Gebiedsprofielen/website/index.html?webmap=7f51b45574524e0c92d831237d7eb5ef
Het richtpunt voor gebieden gelegen in ‘Bouwwerken voor energieopwekking’ heeft betrekking op het plaatsen van nieuwe bouwwerken voor energieopwekking. Aangezien met het voorgenomen initiatief geen bouwwerk wordt gerealiseerd voor energieopwekking, is dit richtpunt niet van belang voor de beoogde ontwikkeling. Voor gebieden gelegen in ‘Steden en dorpen’ gelden daarentegen wel een aantal richtpunten die relevant zijn voor de ontwikkeling. Deze (relevante) richtpunten zijn: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. De ontwikkeling betreft de realisatie van een bedrijfspand aan de rand van een bestaand bedrijventerrein. Conform het Masterplan Tech Park Den Haag (zie bijlage) zijn panden gelegen aan de A4 beoogd als ‘etalage’ voor het Tech Park. Het is de bedoeling dat deze panden geen duidelijke achterzijde hebben. Ook wordt rekening gehouden met beeldkwaliteit. Het doel is om de panden een eigen identiteit te geven, maar samenhang te creëren door een beperkt palet aan materialen toe te passen.
Het beoogde bedrijfspand heeft een bouwhoogte van circa 9,5 meter en sluit daarmee aan bij de omliggende bedrijfsbebouwing. Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat de bebouwing past bij de gebiedsidentiteit en zich voegt binnen de bestaande (beoogde) structuur. Het initiatief past daarmee binnen het soort ontwikkeling ‘inpassing’. 3.2.1.2 Conclusie De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Zuid-Holland.
Omgevingsverordening Zuid-Holland Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 15
opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit opgenomen. Tabel 1. Artikel 6.9, lid 1, sub a van de Omgevingsverordening Zuid-Holland 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
In paragraaf 3.2.1.1 is gemotiveerd waarom sprake is van inpassing voor dit project. Aan de voorwaarden uit artikel 6.9 van Omgevingsverordening kan worden voldaan. In artikel 6.10 zijn eisen opgenomen waar een stedelijke ontwikkeling aan moet voldoen. Tabel 2. Artikel 6.10, lid 1, sub a en b van de Omgevingsverordening Zuid-Holland 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Op de kaart van Bestaand stads- en dorpsgebied 2018 van Staat van Zuid-Holland is te zien dat de projectlocatie is gelegen in bestaand stads- en dorpsgebied (zie figuur 9). Figuur 9. Bestaand stads- en dorpsgebied, Staat van Zuid-Holland (projectlocatie rood omcirkeld)
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 16
In paragraaf 3.1.4 wordt daarnaast ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Hierin komt naar voren dat de Ladder met succes doorlopen kan worden. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de vereisten uit artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. In artikel 6.11 van de Omgevingsverordening zijn de voorwaarden genoemd voor bestemmingsplannen die voorzien in kantoren. Deze voorwaarden zijn echter niet van toepassing, aangezien het beoogde kantoor binnen de uitzonderingen van lid 2, sub b en d valt. Tabel 3. Artikel 6.11, lid 2 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging; c. kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling.
In lid 2 sub b en d is opgenomen dat kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m2 en bedrijfsgebonden kantoren met een brutovloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf, zijn uitgezonderd. De voorwaarden uit dit artikel gelden daarmee niet voor de beoogde ontwikkeling. Tevens is artikel 6.12 van de Omgevingsverordening van toepassing op de ontwikkeling. In dit artikel zijn de eisen opgenomen met betrekking tot bedrijven. Tabel 4. Artikel 6.12, lid 1 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland
1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein laat conform dit artikel bedrijven toe: uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; passend bij de omgeving van het bedrijventerrein; waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen; die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte. De beoogde functies zijn volgens het vigerende bestemmingsplan “Ypenburg” toegestaan. In het Masterplan Tech Park Den Haag (zie bijlage 1) zijn de uitgangspunten voor bebouwing op het bedrijventerrein opgenomen. De bouwhoogte, het materiaalgebruik en de uitstraling van het beoogde bedrijfspand sluit aan bij deze uitgangspunten. Conform het Masterplan Tech Park Den Haag is het doel om het bedrijventerrein te renoveren en bebouwing te realiseren die bijdraagt aan het versterken van het aanzien en de identiteit van het park als geheel. Het beoogde bedrijfspand draagt hieraan bij.
3.2.2.2 Conclusie Aan de vereisten van de relevante artikelen uit de Omgevingsvisie kan worden voldaan.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 17
GEMEENTELIJK BELEID Structuurvisie Den Haag 2020 Vastgesteld door de gemeenteraad van Den Haag op 17 november 2005. De structuurvisie Den Haag 2020: Wéreldstad aan Zee betreft een toekomstvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad in regionaal perspectief tot het jaar 2020, maar vigeert op dit moment nog. In de structuurvisie zijn vier troeven geformuleerd over Den Haag: 1. Het is een multiculturele stad; 2. Het is een internationale stad; 3. Het is een stad aan zee; 4. Het is een monumentale residentie. Door deze troeven te versterken kan Den Haag kwaliteiten toevoegen aan de stad, de regio en aan Nederland. Werken aan deze ambitie betekent ook dat welzijn en welvaart worden veiliggesteld, dat geïnvesteerd wordt in leefkwaliteit en bijzonder waarden als cultuurhistorie en groen. Naast zorg voor een goede leefomgeving wordt ook ingezet op de groei van werkgelegenheid in de kennis- en diensteneconomie met 40.000 extra arbeidsplaatsen. Voor bedrijvigheid die veel ruimte vraagt en niet stadsverzorgend is, zal in de stad steeds minder ruimte zijn. Die economische ambitie speelt een belangrijke rol bij het bieden van topkwaliteit en goed gastheerschap om als internationale stad concurrerend te zijn in de wereld, door ruimte te reserveren voor nieuwe instellingen en door nieuwe topvoorzieningen aan te trekken.
In de Structuurvisie wordt onderscheid gemaakt tussen vijf zones: 1. Het Centrum; 2. De Lijn 11-zone; 3. De Internationale kustzone; 4. De Vliet/A4-zone; en 5. De Schakelzone Lozerlaan 3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is volgens de structuurvisie gelegen in De Vliet/A4-zone. In deze zone komen drie belangrijke snelwegen samen en heeft daarmee de potentie om uit te groeien tot een belangrijke, centraal in de regio gelegen, economische pool. De ligging van de Vliet/A4-zone en de aanwezigheid van railinfrastructuur maken het gebied bij uitstek geschikt voor het topsegment kantoren en bedrijvigheid. Het is wenselijk langs de snelweg A4 een strook hoogwaardige bedrijvigheid te ontwikkelen in een landschappelijke en waterrijke setting waarbij maximaal wordt geprofiteerd van de zichtbaarheid vanaf de snelweg. De bedrijvigheid vormt een buffer voor de milieubelasting van de snelweg, zodat in de tweede rij bebouwing wonen mogelijk wordt. Met het voornemen wordt langs de rand van het bedrijventerrein, aan de zijde van de A4, bedrijfsbebouwing gerealiseerd op vooralsnog braakliggend (bedrijven)terrein. Met het toevoegen van deze bedrijfsbebouwing kan het bedrijventerrein optimaal worden gebruikt en kan een bijdrage worden geleverd aan het realiseren van een buffer voor de milieubelasting ten gevolge van de snelweg.
3.3.1.2 Conclusie De ontwikkeling past binnen de ambities zoals opgenomen in de Structuurvisie Den Haag 2020.
Bedrijventerreinenstrategie Den Haag In de bedrijventerreinenstrategie is omschreven op welke wijze de gemeente Den Haag om wil gaan met haar bedrijventerreinen. Daarin is omschreven dat door de groei van Den Haag, in de afgelopen 25 jaar is het aantal inwoners met 80.000 toegenomen, dat ook de werkgelegenheid is gestegen. Het beschikbare aanbod voldoet daarbij vaak niet aan de vraag. Er is sprake van een forse veroudering van het vastgoed, ook is het
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 18
beschikbare aanbidt aan bedrijfsruimten veelal gerealiseerd als maatwerk voor een specifieke gebruiker en daardoor moeilijk afzetbaar. Herontwikkeling van leegstaande kantoren en bedrijfsruimten tot nieuwe bedrijfsruimten is over het algemeen financieel niet haalbaar. Door deze situatie neemt de veroudering van de bedrijventerreinen verder toe. Aangezien ondernemers steeds hogere eisen stellen aan de kwaliteit van de bedrijfsomgeving en het vastgoed geven ze de voorkeur aan een bouwkavel op een nieuw bedrijventerrein. Zeker ook omdat de prijskwaliteitverhouding gunstiger is dan de herontwikkeling van een bestaand bedrijfspand. Om Den Haag optimaal te laten profiteren, is het cruciaal dat de stad beschikt over voldoende aantrekkelijke bedrijventerreinen en bedrijfshuisvesting. Ook voor de stabiliteit van de economie en om te voorzien in voldoende laaggeschoolde banen, zijn een aantal ambities geformuleerd. 3.3.2.1 Relatie tot ontwikkeling In onderstaande tabel zijn de ambities die zijn geformuleerd in de strategie, voor zover ze relevant zijn voor de beoogde ontwikkeling, aan de linkerkant opgenomen. In de rechterkolom worden deze ambities getoetst aan het project. Figuur 10. Ambities bedrijventerreinen, bron: Bedrijventerreinen strategie Den Haag Ambities bedrijventerreinen Toetsing aan ambities bedrijventerreinen Ambitie 1: Vernieuwing bedrijventerreinen
Aangezien een deel van de huidige bedrijventerreinen is verouderd in Den Haag, kan het toestaan van bedrijfsbebouwing op de projectlocatie zorgen voor vernieuwing van bedrijventerreinen door nieuwbouw. Hiermee draagt het project bij aan deze ambitie.
Ambitie 2: Extra behoefte aan 250.000 tot 450.000 m3 bedrijfsruimten
Op bedrijventerreinen is een grote behoefte aan bedrijven in milieuhindercategorieën 1, 2 en 3 en een beperkte behoefte aan bedrijfsruimten met een hoge milieucategorie (4 en 5). Met dit project wordt voorzien in extra bedrijfsruimte voor activiteiten met maximaal een milieucategorie 3.1, waardoor kan worden voorzien in deze behoefte.
Ambitie 3: Naar energieneutrale bedrijventerreinen
Door middel van besparing en duurzame opwekking moeten bedrijven de komende jaren stevige stappen zetten naar een aardgasvrije energievoorzienig. De beoogde nieuwbouw van een bedrijfspand biedt mogelijkheden om aan deze ambitie te voldoen.
3.3.2.2 Conclusie Met het beoogde project kan worden voorzien in de ambities die zijn geformuleerd in de bedrijventerreinen strategie.
Parkeerkader Den Haag 2010-2020 Het parkeren en stallen van auto’s neemt een belangrijke plaats in binnen het verkeers- en vervoerbeleid van de gemeente Den Haag. In de nota “Parkeerkader Den Haag 2010-2020” is het algemene parkeerbeleid vastgelegd. Dit beleid gaat vooral over het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte maar moet ook automobilisten prikkelen om meer met het openbaar vervoer te reizen of de fiets te pakken. Hoge stedelijke bebouwingsdichtheden leiden zonder adequate parkeervoorzieningen tot een vaak te zware belasting van de openbare ruimte. Dat geldt zowel voor woon- als werkfuncties als voor locaties die veel bezoekers trekken. Behalve de noodzaak tot de verdeling van schaarse (openbare) parkeergelegenheid in een aantal gebieden in de stad, zijn mobiliteitsoverwegingen gericht op het streven naar een bereikbare en leefbare (woon)omgeving voor de gemeente aanleiding tot het stellen van parkeereisen bij nieuwe ontwikkelingen. Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 19
De parkeernormen en de toepassing ervan zijn uitgewerkt in de beleidsnota: “Nota Parkeernormen Den Haag” (vastgesteld in de raadsvergadering van 10 november 2011). Nieuwbouw- en verbouwplannen worden aan dit beleid getoetst. Aan de hand van de parkeernormen wordt de parkeerbehoefte berekend en vergeleken met de voorzieningen die in het plan zijn opgenomen. Het kan zijn dat in de visie van de initiatiefnemer de genormeerde parkeerbehoefte van de in het plan opgenomen functies afwijkt van de werkelijke parkeerbehoefte. Het is dan aan de initiatiefnemer om dit aan te tonen en goed te onderbouwen. Uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte van een bouwontwikkeling op het eigen terrein wordt opgelost. Soms is dat niet mogelijk en het is ook niet altijd strikt noodzakelijk. De gemeente kan onder andere de parkeerdruk en eventuele beschikbare parkeerruimte binnen loopafstand in de omgeving, meewegen. Dat geldt ook voor functies waarvan de parkeerplaatsen onderling uitwisselbaar zijn. Daarnaast kan de gemeente in afwijkende situaties maatwerk toepassen. 3.3.3.1 Relatie tot ontwikkeling In figuur 11 is een uitsnede opgenomen voor de zones voor de parkeernormen in Den Haag. De projectlocatie is globaal weergegeven middels de gele cirkel. In deze figuur is te zien dat de projectlocatie is gelegen in zone 2. Figuur 11. Zonering voor de Parkeernormen voor Kantoren, Bedrijven en Voorzieningen
Voor de beoogde ontwikkeling zijn de parkeernormen voor kantoren, bedrijven en voorzieningen relevant. De ontwikkeling is getoetst aan deze normen in paragraaf 4.10. Uit deze toets blijkt dat in de parkeerbehoefte kan worden voorzien op de projectlocatie. 3.3.3.2 Conclusie De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de nota “Parkeerkader Den Haag 2010-2020”.
Beleidsnota Archeologie 2011-2020 Door nieuwe wet- en regelgeving is archeologie is het Haagse archeologiebeleid up-to-date gemaakt. Van de beleidsnota maken twee documenten onderdeel uit: 1. De Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart met Toelichting (AWVK): Hierop is voor het Haagse grondgebied aangegeven waar wel en waar geen archeologie aanwezig is of verwacht wordt, en welke planologische eisen dat met zich meebrengt. In de toelichting worden de totstandkoming, de keuzes en de consequenties van deze kaart besproken. Hiermee is het voor alle Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 20
belanghebbenden in de ruimtelijke ontwikkeling op voorhand duidelijk wanneer wel of niet rekening moet worden gehouden met archeologie, en waarom. De AWVK vormt daarmee de basis voor de ruimtelijke uitwerking van het Haagse archeologiebeleid. 2. De Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie (GOA) van de Gemeente Den Haag. Hierin is vastgelegd hoe het archeologiebeleid inhoudelijk kan bijdragen aan lokale en nationale onderzoeksvragen en hoe dat door de gemeente wordt uitgewerkt in Programma’s van Eisen. Op die manier wordt de gemeentelijke beslissingsbevoegdheid inhoudelijk vormgegeven en geborgd. 3.3.4.1 Relatie tot ontwikkeling Conform de archeologische waarden- en verwachtingenkaart is geen sprake van een archeologische verwachtingswaarde, zie ook figuur 12. Figuur 12. Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingen Den Haag
3.3.4.2 Conclusie De projectlocatie is op grond van het gemeentelijk archeologiebeleid gelegen in een zone zonder archeologische verwachting.
Welstandsnota Den Haag 2017 De ‘Welstandsnota Den Haag 2017’ is bedoeld om vast te leggen waaraan het uiterlijk van een bouwwerk in Den Haag moet voldoen. In de nota zijn criteria opgenomen die opsommen wat de mogelijkheden en de onmogelijkheden zijn. Hoe kan een huis verbouwd worden of uitgebreid, hoe kunnen duurzaamheidmaatregelen geïntegreerd worden, hoe kan een nieuw gebouw een goede toevoeging zijn aan de stad? Samenhang van de verschillende onderdelen van een bouwwerk en samenhang van het bouwwerk en de omgeving zijn hiervoor benodigd. Het uitgangspunt van samenhang is de basis voor verschillende soorten criteria: algemene criteria: deze richtlijnen gelden voor alle nieuwe bouwwerken; objectspecifieke criteria: hierin zijn de algemene criteria uitgewerkt tot gedetailleerde richtlijnen voor de meest voorkomende soorten bouwwerken. Deze criteria gelden niet voor het toevoegen van nieuwbouw; gebiedsspecifieke criteria: deze richtlijnen of kaders zijn toegesneden op een bepaald deel van de stad. Dit deel betreft het strandgebied.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 21
excessenregeling: deze regeling beschrijft wanneer een bestaand bouwwerk een exces is: een overduidelijke aantasting van de stad.
3.3.5.1 Relatie tot ontwikkeling Voor de beoogde ontwikkeling gelden alleen de algemene criteria, aangezien de locatie niet is gelegen in een gebied waar de gebiedsspecifieke criteria op van toepassing zijn. De relevante algemene criteria worden hieronder getoetst. Algemene criteria Een bouwwerk vertoont samenhang op alle schaalniveaus: in materialen, kleuren en detaillering, in geleding en verhoudingen, in volumeopbouw en schaal, en in de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan.
Toetsing aan algemene criteria Met het beoogde bedrijfspand wordt aansluiting gezocht bij de bebouwde omgeving. Hierover vindt nog verdere afstemming plaats met de welstandscommissie van de gemeente. Verwacht wordt dat het plan voldoet aan de welstandsnota.
3.3.5.2 Conclusie Het aspect stedenbouwkundige motivering vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling. Aan de redelijke eisen van welstand kan worden voldaan.
Technology Park Ypenburg – Ruimtelijk programmatische verkenning In 2019 is een verkenning naar de doorontwikkeling van het Technology Park Ypenburg (TPY) gestart. De concrete aanleiding voor de verkenning vormt de vraag vanuit de markt naar ruimte voor uitbreiding en de potentie die de locatie heeft. De stad Den Haag groeit de komende jaren verder. Door de verstedelijking is er ook een groeiende vraag naar ruimte voor hoogwaardige bedrijvigheid in de High Tech sector. Het Technology Park Ypenburg heeft de potentie om uit te breiden. Hierdoor wordt tevens de aantrekkelijkheid van de omgeving vergroot en de kwaliteit van de leefomgeving in Ypenburg verbeterd. De gemeente en het Technology Park Ypenburg (hierna TPY) hebben de ambitie om het bedrijvencomplex tot een hotspot van High Tech maakindustrie door te ontwikkelen. Dit komt overeen met de ambitie die in het Coalitieakkoord als volgt omschreven is: “Den Haag aantrekkelijk maken voor hoogwaardige bedrijvigheid.” Groei van bestaande en aantrekken van nieuwe bedrijven en kennisuitwisseling om innovatie te stimuleren vragen om kwalitatieve binnen- en buitenruimte en sterke lokale en regionale verbondenheid, zowel fysiek als mentaal.
De behoefte is ontstaan om de ruimtelijke-programmatische potenties van het bedrijventerrein Ypenburg te verkennen die nodig zijn om de locatie tot een centrum van hoogwaardige maakindustrie te ontwikkelen en tevens een meerwaarde voor de stad te creëren. 3.3.6.1 Relatie tot ontwikkeling In de Verkenning TPY is opgenomen dat de gemeente Den Haag inzet op het aantrekkelijk maken van de stad voor hoogwaardige bedrijvigheid. Hierdoor neemt de werkgelegenheid en bekendheid van de stad toe. In het Masterplan Tech Park Den Haag (d.d. 6 november 2017) zijn de aanwezige kwaliteiten van het terrein beschreven. Het oude vliegveld en fokkerterrein geven het park een identiteit, welke gewaarborgd dient te worden. Door te voorkomen dat parkeren te veel in het zicht plaatsvindt blijft de open en groene structuur van het terrein behouden. Ook worden de gebouwen op gepaste afstand van de weg gesitueerd, zodat de gebouwen ieder een eigen, hoogwaardige identiteit hebben. De gebouwen die langs de A4 zijn gelegen, fungeren als het ware als ‘etalage’ wat een aantrekkelijk aanzicht geeft vanaf de weg. De verkenning en het masterplan sluiten daarmee op elkaar aan en hebben een aantal gemeenschappelijke ambities. De beoogde bebouwing kan een bijdrage leveren aan deze ambities en het versterken van hetgeen is beoogd op en dergelijk goed bereikbare locatie.
Over de wijze waarop daar invulling aan wordt gegeven wordt nog nader met de gemeente afgestemd. De beoogde activiteiten zijn wellicht niet direct als 'high tech' aan te merken, maar dragen wel degelijk bij aan het realiseren van kwalitatief hoogwaardige bebouwing en het toestaan van een diversiteit aan bedrijvigheid die elkaar kunnen versterken. De herstructurering van het terrein geeft ook mogelijkheden om te verduurzamen. Dit zal bijdragen aan het versterken van het aanzien van het terrein en de identiteit van het park als geheel. De locatie wordt versterkt door groenstructuren te plaatsen en
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 22
verlichtingselementen toe te voegen. Hiermee kan de nieuwe bebouwing een bijdrage leveren aan de uitgangspunten van de Verkenning TPY. 3.3.6.2 Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de ambities die in de Verkenning TPY zijn geformuleerd. Met de gemeente vindt nog nadere afstemming plaats over de concrete uitwerking en invulling van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 23
4
OMGEVINGSASPECTEN ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.
Relatie tot ontwikkeling Archeologie De projectlocatie is op basis van het bestemmingsplan “Ypenburg” niet aangewezen met een bestemming ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden. Daarnaast blijkt ook uit het gemeentelijk archeologiebeleid dat de locatie niet is gelegen in archeologisch waardevol gebied, zie paragraaf 3.3.4. Cultuurhistorie De projectlocatie betreft zelf geen rijks- of gemeentelijk monument. Daarnaast is de locatie niet gelegen in een rijks- of gemeentelijk beschermd stadsgezicht.
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde realisatie van een bedrijfspand ter plaatse van de projectlocatie.
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 24
zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Figuur 13. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Bedrijventerrein’ waar volgens het bestemmingplan reeds activiteiten met respectievelijk een milieucategorie 3.1 en 4 zijn toegestaan. De beoogde activiteiten kennen maximaal een milieucategorie 3.1. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Bedrijventerrein’, ‘Groen’ en ‘Gemengd -3’. Ook is de projectlocatie gelegen aan de snelweg A4. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd wel dat sprake is van gemengd gebied. Bedrijven vormen ten opzichte van andere bedrijven geen hinder. Binnen de bestemming ‘Groen’ en ‘Gemengd – 3’ zijn geen woningen toegestaan. De meest nabijgelegen woningen zijn gelegen op een afstand van circa 500 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan die voor de activiteiten geldt wanneer wordt uitgegaan van een rustige woonwijk. Deze afstand is namelijk 50 meter. Gezien de ligging van de projectlocatie op een bedrijventerrein waar activiteiten met de betreffende categorie reeds zijn toegestaan ontstaat geen hinder en gevaar voor woningen ten gevolgde van de beoogde ontwikkeling.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 25
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van een bedrijfspand op een locatie die reeds voor dergelijke activiteiten is bestemd. Bedrijven betreffen geen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Vanwege de beoogde bouwwerkzaamheden, is een bodemonderzoek uitgevoerd door Grondslag bodemkwaliteitsbureau. De rapportage d.d. 18 december 2020 is opgenomen in bijlage 2 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek volgt dat in de boven- en ondergrond plaatselijk lichte verhogingen aan zware metalen zijn aangetoond. Er zijn in de bodem geen verhogingen gemeten aan minerale olie en/of PAK. In het grondwater is een lichte verhoging gemeten aan barium. De lichte verhoging in het grondwater wordt gezien als een regionaal verhoogde achtergrondconcentratie. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Indien de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is mogelijk een keuring nodig.
De bovengrond (klei) is vermoedelijk niet elders toepasbaar door het hoge PFAS-gehalte, of dit voor andere bodemlagen geldt is in het milieukundig bodemonderzoek niet naar voren gekomen.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Mees Ruimte & Milieu | 21033 1.2.RO
Pagina | 26
Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Relatie tot ontwikkeling Op 12 februari 2021 is door Adviesgroep Aviv onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de ligging van de projectlocatie binnen de invloedszone van de A13 en knooppunt Ypenburg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (zie bijlage 4). De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de projectlocatie niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR10-6 contour) van zowel de A13 als het knooppunt Ypenburg. In onderstaand figuur is een uitsnede opgenomen van de plaatsgebonden risicocontouren. Figuur 14. PR10-6 contouren, onderzoek Adviesgroep Aviv 12 februari 2021