CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS309056 Bijlage 2

Gemeenteraad 15 juli 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake derde wijziging van de Verordeningen voorzieningen huisvesting onderwijs Den Haag 2015 (RIS309056)28.892 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

151 alinea's met “onderwijs”: 3 6 11 12 13 15 23 29 32 35 38 41 44 49 56 61 64 67 70 84 100 104 109 113 127 140 142 158 162 169 174 178 183 188 233 234 255 260 291 329 …

Verordeningenverzameling gemeente Den Haag: Vastgesteld in raadsvergadering: Bekend gemaakt: In werking getreden:

1/2015 22-01-2015 (rb 2) 27-01-2015 gemeenteblad 17, 2015 xx-xx-2021 en werkt terug tot 01-01-2021

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Den Haag 2015 PARAGRAAF 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder

a.

aanvraag:

verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding, al dan niet elektronisch via het onderwijsloket ingediend;

b.

aanvrager:

het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 8.1 van deze verordening heeft ingediend;

accountbeheerder:

degene die op grond van een, door het bevoegd gezag conform een door het college vastgesteld model, aan hem verleende volmacht, door het college elektronisch is geautoriseerd om namens het bevoegd gezag via het onderwijsloket elektronische berichten te verzenden;

advies Onderwijsraad:

een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting en inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;

bevoegd gezag:

bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;

c.

d.

e.

Mei 2021

Pagina 1

f.

beslissing gedeputeerde staten:

de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;

g.

college:

het college van burgemeester en wethouders;

h.

eigendomsoverdracht:

de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;

i.

elektronische handtekening:

de ondertekening van een elektronisch bericht, welke automatisch plaats vindt zodra namens het bevoegd gezag een bericht via het onderwijsloket wordt verzonden, waarbij geen twijfel bestaat over de authenticiteit van het bericht;

j.

gezamenlijke akte:

de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;

k.

gymnastiekruimte:

ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke oefening;

l.

lesgebouw:

een gebouw of gebouwdeel dat door een school wordt aangewend ten behoeve van het geven van onderwijs en dat niet wordt aangewend ten behoeve van lichamelijke oefening;

m.

minister:

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

n.

monumentaal schoolgebouw:

een schoolgebouw dat is opgenomen op de Rijks- dan wel gemeentelijke monumentenlijst;

o.

onderwijsloket:

daartoe door het college aangewezen of aan te wijzen en verplicht te gebruiken elektronische weg of systeem voor gegevensverwerking, zoals bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, via welke elektronisch berichten tussen het bevoegd gezag en het college kunnen worden gezonden ter zake de gehele of gedeeltelijke toepassing van deze verordening;

p.

overzicht:

het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 4.3 van deze verordening;

q.

permanent gebouw:

schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;

Mei 2021

Pagina 2

r.

programma:

het programma als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening; -school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

s.

school:

-school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; -school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs voor voorbereidend beroepsonderwijs; -school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs voor voorbereidend beroepsonderwijs;

t.

tijdelijk lokaal:

verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten hoogste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;

u.

verhuur:

het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;

v.

voor blijvend gebruik bestemde voorziening:

voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk is;

w.

voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening:

voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk is;

x.

voorziening:

een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 1.2 van deze verordening;

Mei 2021

Pagina 3

y.

nevenvestiging:

deel van een school dat door de minister ingevolge de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht.

Artikel 1.2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:

a.

de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen bestaande uit:

1.

Mei 2021

nieuwbouw van een lesgebouw of een voorziening voor lichamelijke oefening als bedoeld in bijlage I, deel B, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een lesgebouw of een voorziening voor lichamelijke oefening als bedoeld in bijlage I, deel B, al dan niet op dezelfde locatie. Onder nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een lesgebouw of een voorziening voor lichamelijke oefening wordt tevens verstaan het zoveel mogelijk vernieuwen van een niet-monumentaal gebouw, of een gedeelte daarvan, dat om stedenbouwkundige, architectuur- en/of cultuurhistorische redenen naar het oordeel van het college niet kan worden gesloopt;

2.

uitbreiding van een lesgebouw of een voorziening voor lichamelijke oefening als bedoeld in bijlage I, deel B;

3.

gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw dan wel huur van een ander gebouw of een deel daarvan ten behoeve van de huisvesting van een school;

4.

verplaatsing of sloop van een of meer bestaande tijdelijke lokalen ten behoeve van de huisvesting van een school;

5.

terrein voor zover benodigd voor de realisering van een onder a sub 1. tot en met 4. omschreven voorziening;

6.

inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks of gemeentewege in aanmerking is gebracht;

7.

inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks of gemeentewege i aanmerking is gebracht;

8.

medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is, waaronder begrepen een gymnastiekruimte en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;

Pagina 4

b .

herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw en/of terrein veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet manifest geworden materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;

c.

herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw en/of terrein, onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;

d .

revitalisering monumentale schoolgebouwen, voor zover deze erkend zijn als Rijks- en/of gemeentelijk monument;

e.

huur van een sportterrein, dat niet het eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening. Onder de voorzieningen als vermeld onder a., sub 1, 2 en 3, worden tevens begrepen de toeslagen daarop als vermeld bij de desbetreffende voorzieningen in bijlage IV.

Artikel 1.3 Bouwvoorbereiding voorzieningen Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 1.2, onder a sub 1° kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereidingen. In dat geval is het bepaalde in paragraaf 8 van toepassing. Artikel 1.4 Vaststelling vergoeding voorzieningen

1.

Bij toekenning van een van de in artikel 1.2 genoemde voorzieningen wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval.

2.

De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A.

3.

Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen als bedoeld in artikel 1.2, onder a sub 1, 2, 5, 6, 7, en onder d en e, alsmede de bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 1.3. De niet in de eerste volzin genoemde voorzieningen worden vergoed op basis van feitelijke kosten.

4.

Indien er voor de voorzieningen als bedoeld in artikel 1.2 onder a sub 1, sub 2 en onder d aantoonbaar sprake is van extra, locatiegebonden bouwkosten kan het college op verzoek van het bevoegd gezag besluiten een opslag te verstrekken boven de geldende normbedragen. Dit stelt het bevoegd gezag in staat de bouwkosten te voldoen vanwege door het college gestelde randvoorwaarden op het gebied van stedenbouw en welstand, een beperkt beschikbare bouwkavel, buitengewone bouwplaatskosten, het aansluiten van nieuwbouw op de maatvoering van een te handhaven gebouw(deel) en overige kosten die samenhangen met onvermijdelijke locatiegebonden omstandigheden, alle zulks ter goedkeuring van het college.

Mei 2021

Pagina 5

Voor het indienen van een dergelijk verzoek is paragraaf 2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.5 Informatieverstrekking

1 .

Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van het onderwijsloket of, voor zover de elektronische weg daartoe niet is geopend een door het college vastgesteld formulier.

2 .

3 .

Mei 2021

De in het eerste lid bedoelde gegevens worden onderscheiden in:

a.

basisgegevens, zijnde gegevens die eenmalig in hun geheel worden verstrekt en vervolgens alleen in geval van wijzigingen worden gemeld bij het college;

b.

periodieke gegevens, zijnde gegevens die regelmatig door het bevoegd gezag dienen te worden verstrekt indien en voor zover deze niet regulier vanuit een andere erkende bron aan het college beschikbaar worden gesteld;

c.

overige gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van deze verordening.

De in het tweede lid onder a genoemde basisgegevens omvatten:

1 .

gegevens over het bevoegd gezag, bestaande uit naam, adres, denominatie en vestigingsplaats, alsmede een opgave van een contactpersoon inzake aangelegenheden aangaande de huisvesting en een per gewone post toe te zenden afschrift van de door het bevoegd gezag aan de accountbeheerder, conform een door het college vastgesteld model, verleende volmacht ten behoeve van het gebruik van het onderwijsloket;

2 .

gegevens over de onder het beheer van het bevoegd gezag staande school of scholen die geheel of gedeeltelijk gehuisvest zijn in een gebouw gelegen in de gemeente, bestaande uit het brinnummer, naam, adres, onderwijssoort en eventuele onderwijsafdelingen en, voor zover van toepassing, de aanduiding of de school bestaat uit een hoofdvestiging met een of meer nevenvestigingen;

3 .

gegevens over de bij de school in gebruik zijnde gebouwen gespecificeerd per gebouw, bestaande uit:

Pagina 6

4 .

-

het adres;

-

de status van het gebouw zijnde hoofdgebouw of dislocatie dan wel (tijdelijke) nevenvestiging;

-

de bouwaard zijnde permanent of tijdelijk;

-

het bouwjaar zijnde het oorspronkelijk bouwjaar of, ingeval het gebouw bestaat uit in verschillende jaren gebouwde delen, de bouwjaren onderscheiden naar gebouwdeel met de daarbij behorende bruto vloeroppervlakte;

-

de bruto vloeroppervlakte van het gebouw uitgedrukt in m²;

-

de genormeerde en feitelijke capaciteit van het gebouw voor zover bestemd voor een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, te bepalen aan de hand van het gestelde in bijlage III, deel A en B;

-

een plattegrond van het gebouw;

-

gegevens over het adres, het stichtingsjaar en de oppervlakte van de oefenzaal indien een bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal onderwijs of school voor voortgezet onderwijs eigenaar is van een gymnastiekruimte.

De in het tweede lid onder b genoemde periodieke gegevens omvatten:

1.

de jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum per locatie staat ingeschreven op de school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw gelegen op het grondgebied van de gemeente;

2.

een tussentijdse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat staat ingeschreven op de school in verband met een groei van het aantal leerlingen;

5 .

Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens:

Mei 2021

Pagina 7

6 .

1.

de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal klokuren;

2.

de aanduiding van de gymnastiekruimte of –ruimten waarin het gebruik wordt gewenst;

3.

de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt gewenst.

De in het tweede lid onder c genoemde gegevens omvatten in ieder geval:

1.

inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het opmaken van de staat van het onderhoud als bedoeld in paragraaf 12;

2.

de gereedmelding van een op het programma onderwijshuisvesting in enig jaar toegekende voorziening, dan wel de melding van ingebruikneming of medegebruik van een voorziening. Het bevoegd gezag verstrekt deze gegevens uiterlijk op de datum van oplevering van de voorziening, dan wel de datum van ingebruikneming of medegebruik;

3.

een door de architect ondertekende verklaring met betrekking tot gebouw- en terreingegevens van de toegekende voorziening. Het bevoegd gezag verstrekt deze gegevens binnen drie maanden na de datum van oplevering van de voorziening.

PARAGRAAF 2 Programma en overzicht: Aanvragen programma Artikel 2.1 Indiening aanvraag

1.

Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het programma dient uiterlijk op 31 januari van het jaar van vaststelling van het betreffende programma te zijn ontvangen door het college. Hiervoor kan op grond van artikel 1.1, onder a van deze verordening in de regel uitsluitend gebruik gemaakt worden van het onderwijsloket. Indien géén gebruik van het onderwijsloket gemaakt kan worden, dient per aan te vragen voorziening gebruik te worden gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

2.

Indien de aanvraag niet uiterlijk op 31 januari is ontvangen, besluit het college de aanvraag niet te behandelen. Het besluit de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken na ontvangst van de ingediende aanvraag.

3.

Het bepaalde in de voorgaande leden is van overeenkomstige toepassing op aanvragen of verzoeken tot wijziging of aanvulling van op enig programma reeds toegekende voorzieningen.

Mei 2021

Pagina 8

Artikel 2.2 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag

De aanvraag wordt (digitaal) ondertekend en bevat ten minste: 1 .

2 .

Mei 2021

a.

de naam en het adres van de aanvrager;

b.

de dagtekening;

c.

de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;

d.

welke voorziening wordt aangevraagd;

e.

de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening;

f.

tenzij de aanvrager bij de onderbouwing van de aanvraag anders aangeeft, wordt voor de geplande aanvangsdatum van de voorziening 1 januari van het jaar van uitvoering van het programma genomen.

In aanvulling op de in eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag vergezeld van:

a .

een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 1.2, onder a onderdelen 6. tot en met 8. en artikel 1.2 onder e. Indien de aard en de omvang van een voorziening als bedoeld in artikel 1.2, onder b en c daartoe aanleiding geeft, kan het college de prognose-eis laten vervallen. Inzending van een prognose blijft achterwege indien het bevoegd gezag zich bij het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 conformeert aan de gemeentelijke prognose;

b .

de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 1.2, onder a, onderdelen 1. tot en met 4., en onder e;

c .

een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt indien het een voorziening betreft bestaande uit nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw, uit herstel van een constructiefout of uit revitalisering van een monumentaal schoolgebouw. Hiertoe dient een onderbouwde rapportage conform NEN 2767 van een onafhankelijke, ter zake deskundig adviesbureau te worden bijgevoegd. Inzending van een bouwkundige rapportage blijft achterwege indien de gevraagde voorziening in een door het college opgesteld indicatief meerjareninvesteringsplan is opgenomen. Indien het bedrag van het totaal aantal aanvragen voor

Pagina 9

investeringen in enig jaar het budget daarvoor overschrijdt, bepaalt het college een prioriteitsvolgorde op basis van een daartoe in opdracht van het college op te stellen rapportage. d .

een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 1.2, onder a, onderdelen 1., 3., 4., en onder b tot en met d;

e .

een uitgewerkt voorlopig ontwerp (VO+) voor wat betreft plattegronden, gevelbeeld en doorsnedes, zoals omschreven in de DNR 2011 rechtsverhouding opdrachtgever - architect met een stichtingskostenoverzicht conform NEN2631 en een onderbouwde reëel geplande datum van aanbesteding en start bouw, voor wat betreft de voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen als vermeld in artikel 1.2, onder a, sub1, en d. Indien geen VO+ kan worden overgelegd, dient de aanvraag ten minste te duiden op een zodanig stadium van bouwvoorbereiding dat de voorziening naar het oordeel van het college redelijkerwijs in het jaar na vaststelling van het programma uitvoerbaar is;

f.

voor zover de gewenste voorziening betrekking heeft op de voorziening huur van een ander gebouw of een deel daarvan ten behoeve van de huisvesting van een school, een afschrift van het concept-huurcontract met betrekking tot de te huren ruimte.

g .

voor zover de gewenste voorziening betrekking heeft op de voorziening revitalisering monumentale gebouwen tevens: 1. een verklaring van een onafhankelijk, ter zake deskundig adviesbureau dat het gebouw, na revitalisering op een (zo veel mogelijk) vergelijkbaar technisch niveau zal zijn gebracht met nieuwbouw, en 2. een verklaring van het schoolbestuur:

i.

3 .

A.

dat het gebouw bij uitvoering van het ingediende ontwerp van de revitalisering - met de kennis van nu ten minste de komende 25 jaren geen revitalisering of nieuwbouw behoeft, waarvoor op grond van de huidige regelgeving aanspraak kan bestaan op vergoeding van gemeentewege, en

B.

dat met behulp van de aan het schoolbestuur op grond van de huidige regelgeving door het Rijk verstrekte middelen in normale, gebruikelijke, staat van onderhoud gehouden kan worden, alsmede bedrijfsmatig functioneel.

alle overige gegevens die het college nodig acht voor de beoordeling van de noodzaak van de gevraagde voorziening. Het college kan bepalen dat een nadere toelichting of aanvulling op andere wijze dan uitsluitend via het onderwijsloket kan worden verstrekt.

Het geheel of gedeeltelijk ontbreken van de vereiste gegevens kan bij gebruikmaking van het onderwijsloket leiden tot het niet ter behandeling elektronisch kunnen indienen van de aanvraag. In alle overige gevallen deelt het college bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid dit voor 15 februari mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de

Mei 2021

Pagina 10

gelegenheid gesteld voor 15 maart de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet heeft verstrekt voor 15 maart, besluit het college alsnog de aanvraag niet te behandelen. 4 .

Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de aanvraag is ingediend, dan zendt de aanvrager onverwijld aan het college een afschrift van de opgave als bedoeld in artikel 1.5, vierde lid onder 1. Indien het afschrift niet binnen een week na het tijdstip van de wettelijke teldatum is ontvangen, kan het college besluiten de aanvraag af te wijzen.

5 .

Het besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken na het verstrijken van de termijn in het derde of vierde lid.

Artikel 2.3 Opgave ingediende aanvragen Het college verstrekt ter informatie aan de bevoegde gezagsorganen voor 1 mei een opgave van de ingevolge artikel 2.1 en artikel 8.1 ingediende aanvragen. Voor zover van toepassing geeft het college daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen. PARAGRAAF 3 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht Artikel 3.1 Toelichting aanvraag Na het in behandeling nemen van een aanvraag door het college, kan de aanvraag voor 1 mei volgend op de datum als genoemd in artikel 2.1 door de aanvrager nader worden toegelicht. De toelichting kan plaatsvinden op verzoek van de aanvrager of op verzoek van het college. Artikel 3.2 Overleg programma en overzicht

1.

Alvorens het college een besluit neemt met betrekking tot het programma en het overzicht, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat besluit naar voren te brengen.

2.

Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij tevens in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het voorstel.

3.

De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis.

4.

Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college op deze zienswijzen, wordt door het college een verslag gemaakt. Het college zendt het concept van het verslag toe aan alle bevoegde gezagsorganen. Binnen één week na de dag van toezending maken de bevoegde

Mei 2021

Pagina 11

gezagsorganen aan het college schriftelijk hun opmerkingen over het verslag kenbaar. Vervolgens stelt het college, met inachtneming van de opmerkingen, het verslag definitief vast. Het vastgestelde verslag wordt meegewogen bij de besluitvorming als bedoeld in het eerste lid.

PARAGRAAF 4 Vaststelling bekostigingsplafond, programma overzicht Artikel 4.1 Tijdstip vaststelling

1.

Het college stelt het bekostigingsplafond vast dat beschikbaar is voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort en/of per voorziening.

2.

Het college stelt zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de gemeentebegroting door de raad, doch uiterlijk op 31 december van het jaar, waarin de datum genoemd in artikel 2.1 valt, het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht vast.

Artikel 4.2 Inhoud programma

1 .

De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot:

a.

de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;

b.

de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;

c.

de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage III.

Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, toereikend zijn. 2 .

Mei 2021

Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven:

Pagina 12

a.

het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld;

b.

het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, laatste volzin;

c.

de voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.

Artikel 4.3 Inhoud overzicht

1. 2.

Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het bepaalde in artikel 4.2, eerste lid, niet in het programma zijn opgenomen. Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.

Artikel 4.4 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht

De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de besluiten door het college schriftelijk mededeling gedaan aan de overige bevoegde gezagsorganen.

PARAGRAAF 5 Uitvoering programma Artikel 5.1 Overleg wijze van uitvoering Binnen twaalf weken nadat het collegebesluit over het programma aan de bevoegde gezagsorganen is bekendgemaakt, treden het college en de aanvrager met elkaar in overleg over de wijze van uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening indien hierom door partijen schriftelijk wordt verzocht. In dit overleg wordt alle informatie vertrekt die nodig is voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij kunnen, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt worden over onder meer:

a.

het bouwheerschap als bedoeld in de wet;

b.

het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de aanvrager.

Mei 2021

Pagina 13

Artikel 5.2 Instemming bouwplannen en begroting: toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden: overlegging offertes

1.

Met betrekking tot voorzieningen als bedoel in artikel 5.1 dient de aanvrager met inachtneming van de eventueel hierover op grond van het overleg als bedoeld in artikel 5.1 gemaakte afspraken, voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, de bouwtekeningen bestaande uit de situatietekening, de doorsneden, de gevels, de plattegronden met de functie per ruimte, een opgave van het te realiseren bruto vloeroppervlak en het aantal lokalen, de omgevingsvergunning indien benodigd en de desbetreffende stichtingskostenbegroting conform NEN 2631 ter instemming in bij het college. Met betrekking tot de voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen als bedoeld in artikel 1.2, onder a sub 1, 2, en onder d omvat het bouwplan in ieder geval de nodige maatregelen die ertoe leiden dat het schoolgebouw rolstoelvriendelijk is, een en ander in lijn met het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de wetgeving inzake passend onderwijs. De aanvrager overlegt met inachtneming van de eventueel hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 5.1 aan het college tevens minimaal drie aan de aanvrager uitgebrachte offertes of inschrijvingsbiljetten met proces verbaal van aanbesteding, voorzien van de inschrijfbegroting van de geselecteerde partijen voor de uitvoering van de voorziening.

Het opvragen van offertes of de inschrijving op het werk vindt niet eerder plaats dan nadat de aanvrager jegens het college op basis van een begroting van de stichtingskosten heeft aangetoond dat realisatie van de bouw gekwalificeerd kan worden als financieel haalbaar. Voor de vaststelling van het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening is de offerte of het inschrijvingsbiljet met de laagste prijsstelling dan wel de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) bepalend.

2.

Binnen vier weken na ontvangst beslist het college over de instemming met het bouwplan en de stichtingskostenbegroting als bedoeld in het eerste lid. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Binnen twee weken na de datum van de beslissing over het bouwplan en de stichtingskostenbegroting deelt het college de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.

3.

Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden, waaronder begrepen de ontwikkeling van het leerlingenaantal, ten tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar oordeel van het college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking.

4.

Het bepaalde in het eerste, het tweede en het derde lid vindt in ieder geval geen toepassing indien het voorzieningen betreft als bedoeld in artikel 1.2, onder a sub 6 en 7 of voorzieningen, dan wel toeslagen daarop die op het programma zijn opgenomen tot en met een bedrag gelijk aan het drempelbedrag voor onderhandse enkelvoudige aanbesteding van werken als vermeld in bijlage IV. Het college verstrekt hiertoe aan de aanvrager een algemene uitvoeringsbeschikking.

5.

Het college kan bij het nemen van een beslissing als bedoeld in het tweede en het vierde lid besluiten een slottermijn vast te stellen en aan de betaalbaarstelling van de slottermijn voorwaarden te verbinden.

Mei 2021

Pagina 14

Artikel 5.3 Bekostiging

1.

Betaalbaarstelling van het per afzonderlijke voorziening toegekende bedrag, of een gedeelte daarvan, vindt op verzoek van de aanvrager plaats. Het verzoek vermeldt de hoogte van het bedrag waarvan betaling wordt verzocht alsmede het kenmerk van de toekenning. Bij elk verzoek tot betaalbaarstelling worden door de aanvrager de facturen met de bijbehorende betalingsbewijzen welke de uitgaven verantwoorden meegezonden, alsmede voor die gevallen waarop artikel 5.2, vierde lid, van toepassing is, het op grond van bijlage IV, deel B vereiste aantal offertes, open begroting, inschrijvingsbiljetten en/of overeenkomsten inzake aannemings- en installatiewerkzaamheden en advieskosten, dan wel huurovereenkomsten. Ten aanzien van de voorzieningen als bedoel in artikel 1.2, onder a, sub 6 en 7, worden door de aanvrager alleen bescheiden ingezonden die enkel betrekking hebben op één van deze twee voorzieningen.

2.

Bij de aanvraag om definitieve vaststelling en betaalbaarstelling van het per voorziening toegekende bedrag dient in aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens, tevens een verklaring dat ter zake van de betreffende voorziening geen andere financiering van overheidswege wordt genoten.

3.

Indien en voor zover bij de definitieve vaststelling en betaalbaarstelling van het per voorziening toegekende genormeerde vergoedingsbedrag een onderschrijding blijkt, kan het college indien de aanvrager hierom heeft verzocht bij de aanvraag om definitieve vaststelling en betaalbaarstelling besluiten het aldus vrijvallende bedrag toe te kennen ter dekking van een overschrijding bij de vaststelling van het genormeerde vergoedingsbedrag ten behoeve van andere aan de aanvrager toegekende voorzieningen.

4.

Op verzoek van de aanvrager kan het college besluiten (een) voorschot(ten) te verstrekken. Het college kan aan dit besluit onder meer de ontbindende voorwaarde verbinden dat voorafgaand aan de betaling van een volgend voorschot telkens verantwoording plaatsvindt van (een) verstrekt(e) voorschot(ten) tot minstens dit bedrag op grond van gegevens en/of bescheiden als vermeld in het eerste lid.

Artikel 5.4 Vervallen aanspraak op bekostiging

1.

De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op het door het college vastgestelde tijdstip waarop de bekostiging daadwerkelijk een aanvang kan nemen een onherroepelijke bouwopdracht is verleend dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten. Een afschrift hiervan dient uiterlijk op 15 oktober van het in de eerste volzin genoemde jaar door het college te zijn ontvangen. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht vermeldt de aanvangsdatum. De in de eerste volzin bedoelde huur- of erfpachtovereenkomst vermelden de datum van inwerkingtreding. In geval van een koopovereenkomst wordt daarin de datum van aankoop vermeld.

2.

De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.

Mei 2021

Pagina 15

4.

De aanspraak op bekostiging van het resterende krediet voor een toegekende voorziening vervalt, indien de voorziening niet uiterlijk op 31 december van het derde jaar, te rekenen vanaf de aanvang van het jaar waarvoor de voorziening is toegekend, is gerealiseerd en de aanvraag tot subsidievaststelling niet uiterlijk op deze datum is ontvangen. Indien door het college op verzoek van de aanvrager uitstel verleend is als bedoeld in het derde lid, dient voor “het jaar waarvoor de voorziening is toegekend” te worden gelezen: het jaar, waarin de termijn als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van dit artikel, verloopt.

5.

Het college stelt de subsidie definitief vast uiterlijk op 31 december van het jaar, volgende op het einde van de termijn als bedoeld in het vierde lid.

6.

Het college kan, enkel indien de voorziening na opdrachtverstrekking als bedoeld in het eerste lid, als gevolg van bijzondere omstandigheden die naar het oordeel van het college niet voor rekening van de aanvrager kunnen worden gelaten, niet binnen de termijn als bedoeld in het derde lid, kan worden afgerekend, deze termijn ambtshalve verlengen.

7.

In afwijking van de in het vierde lid gestelde termijn dient de aanvraag tot betaalbaarstelling van de voorziening huur als bedoeld in artikel 1.2, onder a, sub 3, over een (deel van een) kalenderjaar uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van bedoeld kalenderjaar door het college te zijn ontvangen. De aanspraak op bekostiging van het (resterende) krediet voor de toegekende voorziening vervalt, indien niet aan het gestelde in de vorige volzin is voldaan.

PARAGRAAF 6 Aanvragen met spoedeisend karakter Artikel 6.1 Indiening aanvraag Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang van hetonderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het college. Hiervoor kan géén gebruik gemaakt worden van het onderwijsloket en dient gebruik te worden gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Artikel 6.2 Inhoud aanvraag

1 .

Mei 2021

De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in artikel 2.2, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:

a.

een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;

b.

de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma;

c.

een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 1.2 onder a, onderdelen 6. tot en met 8. en artikel 1.2 onder e. Indien de aard en omvang van een voorziening als bedoeld in artikel 1.2 onder b en c daartoe aanleiding geeft, kan het college de prognose-eis laten vervallen. Inzending van

Pagina 16

een prognose blijft achterwege indien het bevoegd gezag zich bij het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 6.1 conformeert aan de gemeentelijke prognose; d. 2 .

een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering.

Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager heeft de gelegenheid de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te behandelen.

PARAGRAAF 7 Beoordeling aanvraag met spoedeisend karakter: uitvoering besluit Artikel 7.1 Tijdstip beslissing Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag of binnen twaalf weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het college. Indien een beschikking niet binnen twaalf weken kan worden gegeven, stelt het college de aanvragerdaarvan in kennis en noemen daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Artikel 7.2 Inhoud beslissing

1 .

2 .

Mei 2021

De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe met betrekking tot:

a.

de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;

b.

de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;

c.

de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III.

De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten.

Pagina 17

3 .

Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, laatste volzin.

Artikel 7.3 Uitvoering beslissing

1.

2.

Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 5.1, 5.2 en 5.3 is daarbij overeenkomstig van toepassing, met uitzondering van de in tweede lid van artikel 5.2 genoemde termijn van zes weken. Hiervoor moet worden gelezen drie weken. Indien het college een beschikking, als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, heeft afgegeven, dient binnen een termijn van drie maanden na de datum van bekendmaking van de beschikking, waarbij de voorziening met spoedeisend karakter is toegekend, een bouwopdracht te zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst te zijn gesloten.

Artikel 7.4 Vervallen aanspraak bekostiging

1.

Indien niet voor de in artikel 7.3 tweede lid bedoelde tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het gestelde in artikel 5.4, eerste lid van overeenkomstige toepassing.

2.

De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn.

3.

Het college beslist binnen drie weken na ontvangst van het verzoek. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.

4.

De aanspraak op bekostiging van het resterende krediet voor een toegekende voorziening met spoedeisend karakter, als bedoeld in artikel 6.1, vervalt indien de voorziening niet uiterlijk binnen een termijn van 9 maanden, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beschikking als bedoeld in artikel 7.2 is gerealiseerd en afgerekend.

PARAGRAAF 8 Bekostiging kosten bouwvoorbereiding Artikel 8.1 Aanvraag

1 .

Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening als bedoeld in artikel 1.3, kan daaraan voorafgaand een aanvraag indienen bij het college voor een bekostiging van de kosten van de bouwvoorbereiding. Hiervoor

Mei 2021

Pagina 18

kan op grond van artikel 1.1. aanhef, en onder l van deze verordening in de regel uitsluitend gebruik gemaakt worden van het onderwijsloket. Indien géén gebruik van het onderwijsloket gemaakt kan worden dient per aan te vragen bekostiging van de kosten van bouwvoorbereiding gebruik te worden gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 2 .

De aanvraag dient uiterlijk op 31 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging gewenst wordt, te zijn ontvangen.

3 .

De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:

4 .

a.

de naam en het adres van de aanvrager;

b.

de dagtekening;

c.

de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt gewenst;

d.

de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie van de voorziening;

e.

het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;

f.

een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het bevoegd gezag zich bij het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 8.1 conformeert aan de gemeentelijke prognose.

Het geheel of gedeeltelijk ontbreken van de vereiste gegevens kan bij gebruikmaking van het onderwijsloket leiden tot het niet ter behandeling elektronisch kunnen indienen van de aanvraag. In alle overige gevallen deelt het college bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde lid dit voor 15 februari mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld voor 15 maart de ontbrekende gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 2.2, derde en vijfde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.2 Toelichting en overleg aanvraag

1.

Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag is het gestelde in artikel 3.1 van overeenkomstige toepassing.

2.

Alvorens het college een besluit neemt met betrekking tot het besluit over de aanvraag om een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid. De leden twee, drie en vier van artikel 3.2 zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

Mei 2021

Pagina 19

Artikel 8.3 Beschikking op aanvraag

Het college neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 4.1 een beslissing over de aanvraag. 1 . 2 .

De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:

a.

er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;

b.

de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat blijkend uit opneming van de met de bouwvoorbereiding beoogde voorziening in een door het college opgesteld indicatief meerjareninvesteringsplan;

c.

er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht.

3 .

Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in het programma bouwvoorbereiding overeenkomstig het bepaalde in bijlage IV, deel A, aanhef, vermeld tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt tussen aanvrager en het college.

4 .

Betaalbaarstelling van het toegekende bedrag, of een gedeelte daarvan, vindt op verzoek van de aanvrager plaats. Het verzoek vermeldt de hoogte van het bedrag waarvan betaling wordt verzocht alsmede het kenmerk van de toekenning. Bij het verzoek tot betaalbaarstelling worden door de aanvrager de facturen met de bijbehorende betalingsbewijzen welke de uitgaven verantwoorden meegezonden, alsmede afschriften van de contracten met architect en/of adviseurs.

5 .

Op verzoek van de aanvrager kan het college bepalen (een) voorschot(ten) te verstrekken. Het college kan bepalen dat betaling van een volgend voorschot eerst plaatsvindt na verantwoording van een eerder verstrekt voorschot op grond van gegevens en/of bescheiden als vermeld in het vierde lid.

6 .

Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma.

7 .

Het toegekende bouwvoorbereidingskrediet zal in mindering worden gebracht op de in enig toekomstig programma toe te kennen bekostiging ter realisering van de huisvestingsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 1.2.

Artikel 8.4 Vervallen aanspraak bekostiging

1.

De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van een bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de aanvrager niet voor 1 oktober van het jaar dat volgt op het jaar

Mei 2021

Pagina 20

waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de bouwvoorbereiding en niet voor 15 oktober daaropvolgend informatie is verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. 2.

De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.

4.

De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van een bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien blijkt dat de aanvrager niet (langer) voornemens is een bouwplan volgend op de bouwvoorbereiding te realiseren.

5.

De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van een bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt niet, indien de aanvrager met instemming van het college tot de conclusie komt dat een bouwplan volgend op de bouwvoorbereiding onhaalbaar is of de noodzaak tot realisatie daarvan is komen te vervallen. Eenzelfde aanspraak heeft de aanvrager aan wie niet eerder een bouwvoorbereiding is toegekend.

6.

De aanspraak op bekostiging van het resterende krediet voor een toegekende bouwvoorbereiding vervalt, indien de bouwvoorbereiding niet uiterlijk op 31 december van het derde jaar, te rekenen vanaf de aanvang van het jaar waarvoor de vergoeding bouwvoorbereiding is toegekend, is afgerond en de aanvraag tot subsidievaststelling niet uiterlijk op deze datum is ontvangen. Indien door het college op verzoek van de aanvrager uitstel verleend is als bedoeld in het derde lid, dient voor “het jaar waarvoor de bekostiging van bouwvoorbereiding is toegekend” te worden gelezen: het jaar, waarin de termijn als bedoeld in het derde lid van dit artikel, verloopt.

7.

Het college kan, enkel indien de bekostiging van bouwvoorbereiding na de daadwerkelijke start van de bouwvoorbereiding als bedoeld in het eerste lid, als gevolg van bijzondere omstandigheden die naar het oordeel van het college niet voor rekening van de aanvrager kunnen worden gelaten, niet binnen de termijn als bedoeld in het zesde lid, kan worden afgerekend, deze termijn ambtshalve verlengen.

PARAGRAAF 9 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie Artikel 9.1 Aanduiding omstandigheden

1 .

Het college kan overgaan tot het in medegebruik geven van dan wel vordering van (een gedeelte van) een gebouw of terrein, bestemd voor een school indien:

a.

Mei 2021

er sprake is van een tekort aan huisvestingcapaciteit bij een school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 of artikel 6.1 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;

Pagina 21

b.

het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;

c.

er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijzen;

d.

er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;

e.

er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.

2 .

Het college gaat niet over tot het in medegebruik geven van dan wel vordering, indien de te verwijzen school reeds in twee locaties met tenminste twee groepen per locatie medegebruik toegewezen heeft gekregen.

3 .

Het college gaat niet over tot in medegebruik geven dan wel vordering, indien het bevoegd gezag van de school, waarvan een gedeelte van het gebouw wordt gevorderd aan de hand van prognose die voldoet aan de vereisten van bijlage II kan aantonen dat binnen een termijn van 4 jaren de te vorderen ruimte weer benodigd zal zijn voor het onderwijs aan de eigen school.

Artikel 9.2 Omschrijving leegstand

Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: 1 .

2 .

Mei 2021

a.

wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal groepen ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er ruimte voor ten minste één groep niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen;

b.

wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er onderbenutting van de voor medegebruik benodigde ruimte is.

Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:

Pagina 22

a.

wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat wordt vergoed op grond van artikel 13.1 minder is 26 klokuren;

b.

wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40 lesuren;

c.

wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.

Artikel 9.3 Nalaten vordering: volgorde van vorderen

1 .

Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan die school of scholen.

2 .

Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingcapaciteit.

3 .

Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:

4 .

a.

als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering plaats vindt;

b.

vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag en;

c.

vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde richting is gehuisvest.

Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.

Artikel 9.4 Overleg en mededeling

1 .

Mei 2021

Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand

Pagina 23

gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in artikel 3.2. 2 .

Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld in artikel 4.1, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering te hebben.

3 .

Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6.1 voert het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd.

4 .

Binnen een week na afloop van het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering te hebben.

5 .

De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in de tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:

a.

de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt gevorderd;

b.

voor het basis- en (voortgezet) speciaal onderwijs een aanduiding van het aantal groepen en voor het voorgezet onderwijs het aantal leerlingen ten behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;

c.

een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;

d.

een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd wordt;

e.

de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het medegebruik.

Artikel 9.5 Vergoeding De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt in het geval van vordering het bepaalde in bijlage IV, deel C. PARAGRAAF 10 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden Artikel 10.1 Aanduiding omstandigheden Het college kan overgaan tot vordering indien:

Mei 2021

Pagina 24

a.

er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals bepaald in artikel 30 en deze ruimte binnen de reguliere lestijden niet in gebruik is;

b.

er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.

Artikel 10.2 Overleg en mededeling

Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met het bevoegd gezag. 1 . 2 .

3 .

In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:

a.

voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;

b.

of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;

c.

welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;

d.

wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;

e.

de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan nemen.

Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag. Indien het overleg zoals bedoeld in het eerste lid heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken. Voor zover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming bestond. Indien het bevoegd gezag in overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden afgezien.

PARAGRAAF 11 Verhuur Artikel 11.1 Toestemming van het college

Mei 2021

Pagina 25

1 .

Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd gezag toestemming voor de verhuur, niet zijnde medegebruik, aan het college.

2 .

Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een aanduiding van de huurder, alsmede van de bestemming van het te verhuren gedeelte van het gebouw of terrein.

3 .

Het college verleent de toestemming in ieder geval niet indien:

4 .

a.

de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs of regelgeving;

b.

de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.

Het college neemt binnen vier weken na ontvangst van het verzoek een besluit en zendt dat aan het bevoegd gezag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10272995/1