RIS309023 Aan de slag! Onderzoek naar de begeleiding van jongeren naar werk of school
Tekst van het document
73
RIS281392 Commissiebrief 'Aanvalsplan Jeugdwerkloosheid 2015-2018: Werk maken van Haagse jongeren', College van Burgemeester en Wethouders, 23 maart 2015, p. 2 en 4-5. 74
Interne gemeentelijke management rapportages 'Factsheets beleid WenI' (dec 2015, jan 2016).
75
Interne gemeentelijke management rapportages 'Factsheets beleid WenI' (dec 2015, dec 2016, dec 2017 en jun 2018); CBSdata op basis van microdata-analyse door rekenkamer. Microdata zijn hiervoor aangeleverd door het CBS en de gemeente Den Haag. Alle gegevens van het CBS hebben peildatum 1 oktober 2017. Zie voor een nadere toelichting de onderzoeksverantwoording in het feitenrapport. 76
RIS304121 'Samen voor de stad: coalitieakkoord 2019-2022', College van Burgmeester en Wethouders, 9 december 2019, p. 27; RIS305240 Commissiebrief 'Aanbiedingsbrief tweede voortgangsrapportage Werkoffensief +500', College van Burgemeester en Wethouders, 12 mei 2020.
Deelconclusie 3
26
Deelconclusie 4: Het college realiseert in de uitvoering niet alle voorwaarden die nodig zijn om integraal maatwerk te kunnen bieden Toelichting Het Rijk heeft bij het vormgegeven van de decentralisaties aangegeven dat maatwerk van belang is om mensen op een doeltreffende manier te kunnen begeleiden.77 Alleen met maatwerk kan rekening gehouden worden met de specifieke problemen en kwaliteiten van een persoon. Ook kan met maatwerk problematiek integraal per persoon worden aangepakt. In de verschillende documenten die ten grondslag liggen aan de decentralisaties worden zes belangrijke voorwaarden genoemd waar een integrale maatwerkbegeleiding aan moet voldoen (zie hierna de toelichting bij bevinding II).78 Van deze zes voorwaarden ontbreken er in de gemeentelijke uitvoering drie. Daarmee biedt de gemeente onvoldoende garanties voor een doeltreffende begeleiding van jongeren. Deze deelconclusie is gebaseerd op de volgende bevinding:
Hieronder lichten we deze bevinding toe.
Bevinding 8
Drie van de zes voorwaarden voor maatwerk bij de begeleiding
ontbreken Uit ons onderzoek komt naar voren dat de gemeente ten dele voldoet aan de voorwaarden voor maatwerk en een integrale aanpak die het Rijk in dit verband van belang vindt (zie Tabel 2).
77
Onder meer: Memorie van toelichting 'Wijziging van de Wet Werk en Bijstand, de Wet Sociale Werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Wet werken naar vermogen)', Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2011-2012, 33 161 Nr. 3, p. 42. 78
De zes voorwaarden zijn gebaseerd op onder andere de volgende bronnen: Kamerbrief 'Decentralisatiesbrief: kamerbrief aanpak decentralisaties op terrein van ondersteuning, participatie en jeugd', Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 19 februari 2013, p. 1 en 12; Memorie van toelichting 'Wijziging van de Wet Werk en Bijstand, de Wet Sociale Werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Wet werken naar vermogen)', Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2011-2012, 33 161 Nr. 3, 2 februari 2012, p. 20; Memorie van toelichting 'Regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015)',, Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2013-2014, 33 841 Nr.3, p. 13 en 28. Zie voor een volledig overzicht van de bronnen in het normenkader in het feitenrapport.
Deelconclusie 4
27
Voorwaarden voor maatwerk en integraliteit
Wordt aan voldaan?
1. Eén begeleider met een integraal plan voor de begeleiding. 2. Vraaggericht aanpak, gericht op gehele problematiek. 3. Er wordt gewerkt op basis van een integrale probleemanalyse. 4. De begeleiding biedt ruimte voor individuele afwegingen van de begeleider. 5. De probleemanalyse en plan voor de begeleiding
Geen gegevens
worden in samenspraak met de klant opgesteld.
beschikbaar
6. De begeleiding wordt ondersteund met een integrale informatiehuishouding. Tabel 2 Voorwaarden voor maatwerk en integraliteit in de uitvoering. De gemeente voldoet aan de voorwaarde van een integrale probleemanalyse (3). Uit ons onderzoek komt naar voren dat de gemeente verschillende instrumenten tot haar beschikking heeft om de kwaliteiten en belemmeringen van jongeren te kunnen beoordelen.79 Ook blijkt dat de gemeente deze instrumenten daadwerkelijk inzet en dat de meeste jongeren ervaren dat tijdens de begeleiding met hen was gesproken over hun kwaliteiten en belemmeringen bij het zoeken naar school of werk.80 In de begeleiding is ook ruimte voor individuele afwegingen voor de begeleider (4). Jongeren hebben echter niet één begeleider of regiehouder (1). Het plan voor de begeleiding dat de gemeente op basis van de probleemanalyse opstelt, is daarnaast onvoldoende integraal. Dit plan stemt de gemeente ook niet altijd af op de hulpvraag (2). Verschillende aspecten van de begeleiding worden in afzonderlijke systemen bijgehouden en er bestaan voor afzonderlijke trajecten op zichzelf staande cliëntvolgsystemen. Er is daarmee geen sprake van een integrale informatiehuishouding, waarbij een regiehouder of begeleider zicht heeft op alle voorzieningen of vormen van ondersteuning die aan de betreffende jongere worden geleverd (6).
Op basis van ons onderzoek kunnen wij geen uitspraak doen over de vraag in hoeverre de probleemanalyse en het plan van aanpak in samenspraak met de jongere worden opgesteld. Dit is omdat hierover geen gegevens beschikbaar zijn (5).
79
Bronnen: diverse interne werkinstructies voor de begeleiding van jongeren in het kader van de participatiewet; dossieranalyse van 10 klanten van de gemeente. Zie voor een nadere toelichting op deze bronnen en de wijze van analyse de onderzoeksverantwoording in het feitenrapport. 80
Voor dit onderzoek is een telefonische enquête gehouden onder 49 jongeren die door de gemeente werden begeleid. Zie voor een nadere toelichting op deze enquête in de onderzoeksverantwoording in het feitenrapport.
Deelconclusie 4
28
Voor dit deel van het onderzoek hebben we gesproken met jongeren. Aanvullend hebben we een analyse gemaakt van interne 'werkinstructies' van de gemeentelijke organisatie en van dossiers van jongeren die zijn begeleid door de gemeente.81 We hebben in deze werkinstructies en dossiers gekeken of wordt voldaan aan de hierboven genoemde zes voorwaarden.
81
In bijlage 4 'Verantwoording en literatuur' van het feitenrapport is beschreven op welke wijze deze gesprekken en analyses zijn uitgevoerd.
Deelconclusie 4
29
4. Aanbevelingen De rekenkamer heeft naar aanleiding van de hoofdconclusie en de vier deelconclusies zes aanbevelingen geformuleerd. Met deze aanbevelingen willen we de raad en het college ondersteunen bij het verbeteren van de doeltreffendheid van de begeleiding van jongeren naar school of werk. De rekenkamer beveelt het volgende aan:
1. Stel als gemeenteraad (periodiek) een beleidsplan vast, waarin de doelen en kaders voor de uitvoering van de Participatiewet zijn opgenomen Hierin zou moeten zijn opgenomen: •
Strategische, tactische en operationele (SMART) doelen, opgesteld aan de hand van een doelenboom,82 voor de uitvoering van de Participatiewet. Waarbij in ieder geval ook een relatie wordt gelegd tussen het resultaat van begeleiding en het aantal mensen met een bijstandsuitkering.
•
Een aanpak voor het voorkomen van instroom én het begeleiden van jongeren die al langer een bijstandsuitkering hebben.
•
Aandacht voor duurzaamheid van de resultaten.
•
Een beschrijving van de werkwijze waarmee groepen met verschillende kenmerken en/of problematiek worden benaderd en begeleid (specifiek beleid voor doelgroepen of generiek beleid met maatwerk op individueel niveau).
•
De relatie met de andere taken in het sociale domein (waaronder de Jeugdzorg en de Wet maatschappelijke opvang).
2. Draag het college op naar aanleiding van het beleidsplan periodiek een uitvoeringsnota voor de Participatiewet vast te stellen Waarin: •
Een expliciete koppeling wordt aangebracht tussen doelen (wat willen we bereiken/wat hebben we bereikt), beleidsinstrumenten (wat is daarvoor nodig om te doen/wat is daarvoor gedaan) en middelen (wat gaat dat kosten/wat heeft het gekost).
82
Zie ook RIS302387 Tel uit je winst, onderzoek naar het Economisch beleid, Rekenkamer Den Haag, april 2019, paragraaf 2.2, p. 21.
Aanbevelingen
30
•
Gebruik wordt gemaakt van prestatie en effectindicatoren.
3. Laat het college in elk geval jaarlijks verantwoording afleggen over de resultaten van de begeleiding Waarbij: •
Ingegaan wordt op de resultaten ten aanzien van de gestelde doelen (tactisch, strategisch en operationeel) uit het beleidsplan en de uitvoeringsnota.
•
Inzicht wordt gegeven in relevante cijfers over de doeltreffendheid van de begeleiding van jongeren naar werk of school (zie ook aanbeveling 4).
4. Draag het college op de informatiepositie van de gemeentelijke organisatie te versterken Waarbij: •
Voor elke persoon die wordt begeleid in elk geval inzichtelijk is welke vormen van ondersteuning deze ontvangt van de gemeente (op alle beleidsterreinen) en wat (op hoofdlijn) de status van die ondersteuning is (bijvoorbeeld in een dashboard met actuele informatie).
•
Inzicht mogelijk is in de doorloop (tijd en resultaat) van het totale begeleidingstraject (zowel op individueel als op geaggregeerd niveau) en in de resultaten voor afzonderlijke groepen met specifieke kenmerken (bijvoorbeeld jongeren met een arbeidsbeperking of geraamde begeleidingsduur tot uitstroom naar werk of school).
•
De gemeente ter onderbouwing van het beleid gebruik gaat maken van uitgebreidere informatie over de doelgroep. De gemeente kan hiervoor onder meer gebruik maken van 'microdata'83 van het CBS voor analyse van kenmerken van de doelgroep en bijvoorbeeld het verkrijgen van inzicht in duurzame uitstroom.
5. Draag het college op bij de begeleiding naar werk of school te voldoen aan alle voorwaarden voor maatwerk en een integrale aanpak Waarbij: •
Elke persoon voortaan in principe één regiehouder voor de begeleiding heeft.
83
Dit zijn gegevens op persoonsniveau. Het CBS maakt het mogelijk ten behoeve van onderzoek dergelijke gegevens geanonimiseerd te verwerken, waarmee de privacy gewaarborgd is.
Aanbevelingen
31
•
Bij de start van een begeleidingstraject een integrale84 probleemanalyse wordt opgesteld.
•
In samenspraak met de kandidaat een plan voor de begeleiding wordt opgesteld op basis van de probleemanalyse op alle beleidsdomeinen (integraal en vraaggericht).
•
Informatiesystemen ter ondersteuning van de begeleiding aan de regiehouder van een kandidaat inzage geven van alle door de gemeente verstrekte voorzieningen/begeleiding en (op hoofdlijn) de status daarvan (zie ook aanbeveling 4).
6. Draag het college op binnen zes maanden gevolg te geven aan deze aanbevelingen •
Door binnen zes maanden te komen met een beleidsplan en uitvoeringsnota als bedoeld bij aanbevelingen 1 t/m 3 en een plan van aanpak voor het realiseren van aanbeveling 4 en 5.
84
Zie ook de Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 2.1.2, vierde lid.
Aanbevelingen
32
5. Reactie college van burgemeester en wethouders Rekenkamer Den Haag Manus Twisk Postbus 16079 2500 BB Den Haag
Datum 18 mei 2021
Onderwerp
Bestuurlijk wederhoor op rekenkamer onderzoek naar begeleiding jongeren
Geachte voorzitter, Het college bedankt de rekenkamer voor de grondige analyse en waardevolle aanbevelingen ten aanzien van de begeleiding van jongeren naar werk of school, als gemeentelijke taak vanuit de Participatiewet. Het onderzoek van de rekenkamer geeft het college handvatten om in gesprek met de gemeenteraad zowel de integrale maatwerk uitvoering te verbeteren als de informatiepositie intern en informatievoorziening aan de raad te verbeteren. Dit draagt bij aan een zinvolle uitwisseling tussen het college en de raad, die de kaderstellende en controlerende rol van de gemeenteraad ten goede komt. In deze brief richten we ons met name op de aanbevelingen. Wij kijken graag vooruit naar hoe we de begeleiding van jongeren in de toekomst kunnen verbeteren. Jongeren prioriteit van het college De rekenkamer merkt terecht op dat het huidige Coalitieakkoord 2019-2022 aandacht geeft aan de begeleiding van jongeren in het kader van de Participatiewet. Hiermee worden waardevolle elementen uit de jongerenaanpak zoals die met het Coalitieakkoord 2014-2018 zijn opgezet behouden. Als college willen we jongeren toekomstperspectief en bestaanszekerheid bieden en de afhankelijkheid van een bijstandsuitkering voorkomen.
Wij zetten in op generiek beleid voor de brede doelgroep jongeren, waarbij begeleiding en het toepassen van interventies maatwerk zijn en aansluiten bij wat jongeren nodig hebben. In de praktijk betekent dit dat iedere jongere een casemanager heeft, die de jongere begeleidt en samen met de jongere een haalbaar perspectief bepaalt, dat ze vastleggen in een persoonlijk ontwikkelplan. Als college 2019-2022 richten wij ons meer dan voorheen op jongeren met een bijstandsuitkering en niet-uitkeringsgerechtigde/niet-uitkeringsontvangende (nug/nuo) jongeren die het risico lopen afhankelijk te zijn van een uitkering. Mede om een oplopend BUIG tekort tegen te gaan. We begrijpen de onduidelijkheid die er is ontstaan en waar de rekenkamer ons op wijst, waarbij er in commissiebrieven van 2015 beleid opgenomen is en wij ons eigen beleid met enkele koerswijzigingen niet nadrukkelijk in brieven aan de raad geformuleerd hebben. Dit gaan wij in de toekomst beter doen. Persoonsgerichte aanpak en doelen formuleren De rekenkamer wijst er op dat in het Aanvalsplan Jeugdwerkloosheid 2015 en Wijkbanenplannen 2015 ‘(sub)doelgroepen’ benoemd zijn, waarmee aan de raad een ‘doelgroepenbeleid’ geformuleerd is voor de begeleiding van jongeren naar school of werk die niet aansluit op de uitvoering.
Wij zullen in het vervolg duidelijker aan de raad formuleren over het persoonsgerichte beleid voor de brede doelgroep jongeren waar wij voor staan, zonder subdoelgroepenbeleid. Waarbij we oog hebben voor de brede groep kwetsbare jongeren die moeite heeft een plek op de arbeidsmarkt te bemachtigen en te behouden. Waarbinnen vanuit onze wettelijke opdracht gericht aandacht is voor jongeren met een bijstandsuitkering. Dit nemen wij in de eerste plaats ter harte voor de verdere uitwerking van extra inzet op de jongerenaanpak, in het kader van het Sociaal-economisch herstelplan. Ook nemen wij uw aanbevelingen over het stellen van doelen en kaders hierbij ter harte. Wij zullen bij de nadere uitwerking van de extra inzet op de jongerenaanpak aan de raad duidelijker SMART doelen stellen. In
33
de tweede plaats nemen wij het duidelijker formuleren ter harte in de begrotingscyclus waar de raad zowel een kaderstellende als controlerende rol heeft. Huidige uitwisseling tussen raad en college Als college omarmen wij de aanbevelingen van de rekenkamer. De rekenkamer wijst terecht op de huidige werkwijze, tussen raad en college afgesproken, van begrotingscyclus (met een afgestemd beperkt aantal prestatie indicatoren en effectindicatoren), verordeningen en commissiebrieven. In commissiebrieven rapporteren we op basis van actuele ontwikkelingen en vragen van de gemeenteraad. Hierin rapporteren we altijd wat we stellen dat we zullen rapporteren. Zo brachten we in de ene commissiebrief het resultaat van begeleiding (uitstroom routes) in kaart en rapporteerden we in een andere brief over resultaten op de uitkering (BUIG-rapportages). Waar de rekenkamer wijst op onvoldoende duidelijke doelen voor de begeleiding van jongeren, is de doelstelling van het voormalige aanvalsplan Jeugdwerkloosheid 2015 wat ons betreft helder. Waar de doelstelling was om 5.000 jongeren geheel of gedeeltelijk naar school of werk te begeleiding, is duidelijk het resultaat van begeleiding bedoeld. Waarbij we bij ‘uitstroom uit begeleidingsroutes’ onderscheid maken of het gaat om jongeren met een bijstandsuitkering of om nug/nuo jongeren.
Beide hebben een beperkend effect op het aantal bijstandsuitkeringen (uitstroom uitkeringen en beperken instroom uitkeringen), maar wij zullen nooit stellen dat deze één op één is. Zoals aangegeven is in andere rapportages over het aantal uitkeringen bericht. De informatie over resultaten gerelateerd aan doelstellingen is hiermee juist, maar we herkennen ook de veelheid van aan elkaar gerelateerde informatie die het gesprek complexer maakt. De rekenkamer heeft ons daarnaast terecht gewezen op een zetfout die gemaakt is in de ‘Voortgangrapportage Jeugdwerkloosheid’ van februari 2017 (RIS296329) en die aan onze aandacht was ontgaan. Hier stond per abuis een verkeerde definitie in de tekst, waarbij aantal uitkeringen en aantal jongeren door elkaar gehaald zijn85. Om op basis hiervan te concluderen dat aan de raad cijfers niet juist zijn weergegeven, vinden wij te ver gaan. De informatie over resultaten die wij voorts relateren aan de doelstellingen van dit college is correct. Uiteraard zullen wij in de toekomst goed blijven letten op de juistheid van dergelijke formuleringen. Sturingsvraagstuk - Afstemming tussen raad en college verbeteren Wij danken de rekenkamer voor de aanbevelingen om de afspraken over afstemming tussen college en raad te verbeteren. Het toekomstperspectief van jongeren en daarmee de begeleiding van jongeren naar school en werk vinden wij belangrijk.
Daarom stemmen wij graag met de raad af over de informatie die de raad denkt nodig te hebben om haar kaderstellende en controlerende rol uit te kunnen oefenen. Als de raad hierin voor de begeleiding van jongeren in het kader van de Participatiewet een andere werkwijze wil dan gaat het college hier vanzelfsprekend in mee, nadat de contouren en de termijn hiervan met de raad zijn afgestemd. De rekenkamer beveelt hiertoe aan dat een beleidsplan, uitvoeringsnota en verantwoording onderdeel zijn van afstemming tussen college en raad, om (het zicht op) de doeltreffendheid van de begeleiding van jongeren naar school en werk te verbeteren. Wij zijn dan ook graag bereid samen met de raad te kijken welke set instrumenten de raad het beste in staat stelt om haar kaderstellende en controlerende rol uit te voeren. De raad krijgt hiermee meer handvatten om de begeleiding van jongeren naar werk of school aandachtig te volgen en zowel haar kaderstellende als controlerende rol uit te oefenen. Als de raad conform aanbevelingen van de rekenkamer een beleidsplan wil vaststellen voor de begeleiding van jongeren naar school of werk, kunnen wij daar in overleg met de raad een voorstel voor doen. De doelen en kaders voor de uitvoering van de Participatiewet hierin opnemend.
Wij nemen hierbij het advies van de rekenkamer graag ter harte, om in het beleidsplan strategische, tactische en operationele (SMART) doelen op te nemen op basis van een doelenboom, voor de
85
In de tekst stond aantal ‘jongeren met een bijstandsuitkering’ in relatie tot Den Haag, waar dit aantal in feite ‘aantal bijstandsuitkeringen voor jongeren’ betrof. Enkele regels verder is in de gerelateerde tekst voor de vergelijking met andere G4 steden correct het ‘aantal bijstandsuitkeringen voor jongeren’ aangehaald. Bij een cijfer hoort uiteraard een juiste definitie te staan, naast dat deze brief zich mogelijk meer had geleend voor ‘aantal jongeren’ rapporteren in plaats van ‘aantal uitkeringen’.
34
begeleiding van jongeren naar school en werk als uitvoering van de Participatiewet. Hierbij een relatie leggend tussen resultaat van begeleiding en het aantal mensen met een bijstandsuitkering, evenals dat we aandacht zullen hebben voor de duurzaamheid van de resultaten. Met dien verstande dat we als college invloed hebben op een deel van de instroombeperking en uitstroombevordering, zonder dat we de arbeidsmarkt en economische omstandigheden kunnen controleren (waaronder ook crises zoals de coronacrisis). In afstemming met de raad is, zoals de rekenkamer aanbeveelt, een aanpak te schetsen voor het voorkomen van instroom en het begeleiden van jongeren die al langer een bijstandsuitkering ontvangen. Ook gaan wij graag in gesprek over de relatie met andere taken in het sociaal domein, waaronder jeugdzorg en de Wet maatschappelijke opvang. Wanneer de raad hiertoe wenst over te gaan, zullen wij naar aanleiding van een beleidsplan een uitvoeringsnota vaststellen, voor de begeleiding van jongeren naar school of werk in het kader van de Participatiewet. In afstemming met de gemeenteraad over de contouren hiervan is deze op te stellen, de aanbeveling van de rekenkamer hierin meenemend. De rekenkamer beveelt hierbij aan om expliciet koppeling tussen doelen, beleidsinstrumenten en middelen aan te brengen, gebruik makend van prestatie en effectindicatoren.
Op verzoek van de raad leggen wij graag jaarlijks verantwoording af over de resultaten van begeleiding van jongeren naar school of werk in het kader van de Participatiewet, ten aanzien van gestelde doelen uit een beleidsnota en/of uitvoeringsplan. Relevante cijfers over doeltreffendheid van de begeleiding van jongeren naar werk of school kunnen hierin worden meegenomen. Inclusief, zoals hiervoor aangegeven, de economische omstandigheden en wat in de invloedsfeer van het college ligt. We gaan graag met de gemeenteraad in gesprek over de informatie die hierbij betrokken kan worden. Zie hiervoor ook de passage hierna over informatiepositie gemeentelijke organisatie. Informatiepositie gemeentelijke organisatie en integraliteit Het college versterkt graag de informatiepositie van de gemeentelijke organisatie enerzijds en voldoet anderzijds graag aan alle mogelijke voorwaarden voor maatwerk en een integrale aanpak. Wij herkennen lacunes van onze systemen. Wij richten binnen een vernieuwingsoperatie dan ook een programma data-gedreven werk in en we richten een nieuw basissysteem werk en participatie in. Hiermee ontstaat binnen SZW een vollediger klantbeeld. Klantgerichtheid staat hierbij voorop. Hiermee zal zowel geaggregeerd als op individueel niveau beter zicht komen op de begeleiding van jongeren naar school of werk, de status van ondersteuning en doorloop van totale begeleiding.
Waar interne dashboards nu maandelijks of wekelijks informatie bieden, gaan we zorgen dat deze dagelijks ververst worden. Ook gaan wij graag met de gemeenteraad in gesprek over het betrekken van uitgebreidere informatie over de brede doelgroep jongeren, zoals de mogelijkheid van te bekostigen microdata van het CBS over kenmerken van jongeren. De rekenkamer beveelt aan dat de casemanager/regisseur86 door informatiesystemen ondersteund inzage heeft in alle door de gemeente verstrekte voorzieningen/begeleiding en de status daarvan. Wij bemerken hierbij echter zowel systeembelemmeringen als de belemmering van privacywetgeving. Systemen die breed in het land gebruikt worden voor sociale zaken - zoals Raak, Socrates en Allegro bieden geen integraal aanbod. Binnen de huidige systemen is koppeling nog maar beperkt mogelijk. Met behulp van concernbrede voorzieningen op het gebied van CRM en zaakregistratie wordt in de toekomst een breder klantbeeld mogelijk. Maar om persoonsgegevens uit meerdere domeinen bij elkaar te mogen brengen is een wettelijke grondslag nodig87. Die grondslag ontbreekt op dit moment, aldus de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)88. De losstaande wetten uit het sociaal domein – zoals de Participatiewet, Wet maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet – bieden wel een individuele
86
De casemanager/regisseur wordt door de rekenkamer regiehouder in begeleiding naar werk of school genoemd.
87
Dat er een wettelijke grondslag nodig is, is geregeld in artikel 6 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (‘AVG’).
88
Zie met name de brief van toenmalig college van Bescherming Persoonsgegevens naar aanleiding van rapport over de rol van toestemming in het sociaal domein, Kamerstuk 32 824, nr. 283 aan de Minister van BZK van 18 april 2016, z2015- 00280; Zie ook Kamerstuk 32 761, nr. 98.
35
grondslag om gegevens te mogen verwerken, maar geven geen grondslag voor een gecoördineerde aanpak over meerdere domeinen heen. De AP wijst er verder op dat toestemming van de cliënt om gegevens te delen onvoldoende is als grondslag vanwege de afhankelijke positie van de cliënt. Dit is een bekende uitdaging. Als college onderschrijven wij de wettelijke grondslag die nodig is om informatie in te zien en bij elkaar te brengen. Zo mag verschillende data (zoals of er gebruik wordt gemaakt van schuldhulpverlening en of iemand een bijstandsuitkering ontvangt) niet op individueel niveau gecombineerd worden en kan dit niet integraal inzichtelijk zijn voor de regisseur. Overigens werkt de wetgever op dit moment aan een wetsvoorstel om het combineren van gegevens binnen het sociaal domein mogelijk te maken. Hiervoor is het wetsvoorstel Aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) in de maak. Dit wetsvoorstel zou een duidelijke taak voor gemeenten verankeren om te komen tot een integrale en gecoördineerde aanpak voor meervoudige problematiek. De nieuwe wet wordt niet voor 2023 verwacht. Het college steunt zorgvuldige voorbereiding van deze wet, om zowel begeleidingsmogelijkheden aan onze inwoners te verbeteren als ook hun privacy te waarborgen.
Maatwerk en integrale aanpak Het college omarmt de aanbeveling om bij de begeleiding van jongeren naar school of werk te voldoen aan de voorwaarden voor maatwerk en een integrale aanpak. Wij zien dat er kansen zijn om door te ontwikkelen en bij te sturen. Het onderzoek van de rekenkamer draagt bij aan een continue leer- en verbetercyclus. Wij onderschrijven het belang van integraal maatwerk bij de begeleiding van jongeren en doen dan ook ons voordeel met de voorwaarden die de rekenkamer ons schetst. Dit college heeft net als de rekenkamer geconstateerd dat jongeren te vaak meerdere begeleiders of regiehouders hebben gehad. Zoals in de commissiebrief Begeleiding jongeren 16-27 jaar (RIS 306581) beschreven - en onderdeel van de in uitwerking zijnde extra inzet op de jongerenaanpak - werken we toe naar één regisseur/casemanager voor iedere jongere. Deze persoonsgerichte aanpak wordt doorontwikkeld en breder ingevoerd, waarmee dit voor iedere jongere moet gelden. De aanpak en methodiek is de afgelopen jaren door de gemeente samen met TNO en de Universiteit Tilburg ontwikkeld en beproefd en wordt de komende jaren verder verfijnd. Hierin staan de ontwikkeling van eigen regie (zoveel als mogelijk), werken vanuit motivatie en geloof in eigen kunnen centraal. We gaan in gesprek, brengen de hulpvraag op basis van probleemanalyse, competenties, motivatie en belemmeringen in beeld.
De casemanager begeleidt de jongere en zij bepalen samen een haalbaar perspectief. Samen leggen zij dat vast in een persoonlijk ontwikkelplan en bepalen welke voorzieningen en instrumenten hier een bijdrage aan kunnen leveren. Welke inzet nodig is, is maatwerk. Bij het Servicepunt Arbeid is de casemanager afkomstig vanuit een van de verbonden disciplines, afhankelijk van het hoofddoel werk, school of maatschappelijke participatie en stabilisatie op de leefgebieden. Wanneer een deel van de hulpvraag in een ander domein ligt, nemen we hiervoor contact op met de hiervoor aangewezen collega. Aanbevelingen dragen bij aan doorontwikkeling en bijsturing Kortom, de rekenkamer heeft praktische aanbevelingen gegeven ten aanzien van de begeleiding van jongeren naar werk of school, als gemeentelijke taak vanuit de Participatiewet. Deze geven handvatten om de afspraken over afstemming tussen college en raad en daarmee de sturing te verbeteren. Aansluitend bij de aanbevelingen van de rekenkamer, passen de in deze brief geschetste doorontwikkeling en bijsturing in onze ambitie om jongeren toekomstperspectief en bestaanszekerheid te bieden en de afhankelijkheid van een bijstandsuitkering te voorkomen. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, Ilma Merx
Jan van Zanen
36
6. Nawoord rekenkamer We constateren dat het college onze aanbevelingen overneemt. Daarmee ontstaat voor de gemeenteraad de kans om meer grip te krijgen op de begeleiding van jongeren naar school of werk. Maatschappelijk nog belangrijker is dat hierdoor voor jongeren de mogelijkheid voor betere begeleiding ontstaat. Meer maatwerk en integraliteit van de begeleiding van jongeren staan daarbij centraal. Het college kan de verbeteringen niet alleen realiseren. Een deel van onze aanbevelingen richt zich dan ook op de raad. Het belangrijkste punt daarbij is, dat de gemeenteraad een actievere rol kan spelen bij de kaderstelling over dit onderwerp. Een rol die zijn concrete invulling krijgt met het vaststellen van een beleidsplan voor de begeleiding van jongeren. Dit plan kan onderdeel zijn van een beleidsplan voor een bredere doelgroep. Het plan zou hoe dan ook een integrale visie moeten bevatten op de verschillende vormen van ondersteuning die de gemeente in het sociaal domein biedt. Integraliteit is een cruciaal aspect van de decentralisaties die in 2015 zijn doorgevoerd. Dat komt in de gemeentelijke beleidskaders nog onvoldoende tot uiting. Ook de aanbeveling over het versterken van de informatiepositie van de gemeentelijke organisatie neemt het college over. Het college geeft daarbij aan dat een vernieuwing van systemen voor cliëntbegeleiding al in gang is gezet.
Het college noemt in zijn reactie niet dat deze nieuwe systemen ook het ook daadwerkelijk mogelijk maken om meer op effectiviteit te sturen. Voor de controlerende rol van de gemeenteraad is het zeer wenselijk dat er met de nieuwe systemen meer inzicht ontstaat in de resultaten die bereikt worden. Daarvoor is het in ieder geval nodig dat er een relatie gelegd kan worden tussen de aantallen jongeren die zijn begeleid, in hoeverre zij wel of niet een uitkering hadden en in hoeverre ze deze na de begeleiding konden beëindigen. Op dit moment ontbreekt het aan dergelijk inzicht. Het college merkt in zijn reactie verder op dat privacyoverwegingen het voor de gemeentelijke organisatie onmogelijk maken meer gegevens over jongeren te combineren. Het wijst daarbij ook op een komende wetswijziging die wel meer inzicht op individueel niveau mogelijk zou maken. Het zou goed zijn wanneer het college de tijd tot aan de invoering van deze nieuwe wet, in 2023, benut om de praktische voorbereidingen hiervoor te treffen. Dit zodat de gemeente in 2023 daadwerkelijk gebruik kan maken van de mogelijkheden die deze nieuwe wet zal bieden.
37
COLOFON Rekenkamer Den Haag
Leden Manus Twisk, voorzitter Pauline Reeuwijk Robert-Jaap Voorn
Aan dit rapport hebben meegewerkt Arjan Wiggers, secretaris Thijs Bosma, senior onderzoeker - projectleider Coen Eisma, senior onderzoeker Souhaib ben Kchouh, onderzoeker Juliette van Adrichem, onderzoeker
Contactgegevens Rekenkamer Den Haag Postbus 16079 2500 BB Den Haag T: 070 353 2048
Bezoekadres Stadhuis Gemeente Den Haag Spui 70 2511 BT Den Haag
Datum 11 juni 2021
Fotografie Fleur Beemster www.beeldbankdenhaag.nl
RIS nummer 309023
38