RIS308749 Bijlage 1
Tekst van het document
•
•
Buitenruimte
Eisen: • Het ontwerp voor de inrichting van de buitenruimte wordt afgestemd op het nog op te stellen integrale buitenruimteplan. • De inrichting van het maaiveld is conform de richtlijnen in ‘Kadernota’ en het ‘Handboek Openbare Ruimte’ (HOR) die op dat moment vigerend zijn en de ‘Nota Straten, Wegen, Lanen’ (RIS 280303). Hierin staan de ontwerpeisen beschreven waaraan de gemeente toetst.
•
De huidige ‘Kadernota Openbare Ruimte Den Haag’ geeft als kwaliteit voor de openbare ruimte op deze locatie residentiekwaliteit aan. In het kader van het CID wordt de ‘Gereedschapskist Buitenruimte CID’ opgesteld. Deze vormt een bijlage bij de Ontwerp-Structuurvisie. Voor het gebied rondom station Laan van NOI is de Hofstadkwaliteit aangegeven. Planvorming en realisatie kan plaats vinden wanneer de dekking voor deze hogere inrichtings- en beheerkwaliteit is geregeld. Er wordt een nieuw autovrij stationsplein gerealiseerd met verblijfskwaliteit (verblijfsplekken en vergroening van de buitenruimte), passend bij het toekomstige intensievere gebruik door de intensivering van het programma. Prioriteit ligt bij de voetganger en de fietser, die het station ongehinderd moeten kunnen bereiken. De huidige functies aan deze zijde van het spoor t.b.v. het station dienen op een goede manier te worden ingepast en moeten ten alle tijde kunnen blijven functioneren (logistiek, hulpdiensten, kiss en ride, halte voor het treinvervangend busvervoer (nader te onderzoeken), etc.) Aan de Schenkkade (langs de noordzijde van de Sozakavel) wordt voldoende ruimte gereserveerd om een nieuw vrijliggend fiets- en voetpad door te trekken tot aan de Laan van Nieuw Oost-Indië (zie ook profiel AA’ en CC’).
Referentiebeelden buitenruimte
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
41
Grens ontwikkelgebied Plangebied (ontwikkelgebied inclusief openbare ruimte) Publieke ruimte (semi-openbaar) Beheer, onderhoud, aansprakelijkheid en eigendom bij private partij
res
e erv
g rin
ng eri erv st res ekom to
toe
ko
ms
t
Publieke ruimte (zone uitkraging) Beheer en onderhoud n.t.b.
Identiteit van de buitenruimte
Beheer buitenruimte
Grens ontwikkelgebied Plangebied (ontwikkelgebied inclusief openbare ruimte) Stedelijke vergroende pleinruimte / trottoir (omgevingsdomein station) Bestaande bomen (onderzoeken kwaliteit, aantallen in het gebied blijven minimaal gelijk) Toevoegen van nieuwe bomen Straat met levendige plinten en extra groen (d.m.v. o.a. straatbomen, 1 rij, 1e orde) Doorsteek met extra groen Bestaande / toekomstreservering toegang perrons en/of interwijkverbinding Ecologische verbinding respecteren & versterken (ambitie herinrichting) Visueel verbreden van ecologische verbinding Schenkzone Groene verblijfsruimte voor de buurt Publieke groene binnenhof/daktuin met verblijfsfunctie (ontmoeten / spelen) Levendige plint (1e prioriteit, geen woningen op BG) Levendige plint (ambitie; buiten plangebied) Realiseren van buitenruimte en vergroening van de stedelijke laag conform Nota Haagse Hoogbouw Toegang publieke daktuin vanaf maaiveld (tenminste gedurende de dag)
42
11 meter uitbreiding spoor reservering
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
Referentiebeelden buitenruimte
Private parkeervoorziening/kelder onder publieke ruimte Stationsdomein en/of interwijkverbinding Kelder- / garagelaag
•
•
•
•
•
•
•
•
•
De vernieuwde inrichting van de Wilhelmina van Pruisenweg wordt vergroend: de straat krijgt meer bomen en minder parkeerplaatsen. De mate waarin dit mogelijk is bij inpassing van de tramkeerlus wordt nader onderzocht. Aan deze straat zullen de ingangen van parkeren en expeditie gelegen zijn. Indien er nieuw (semi-)openbaar gebied ontstaat dienen hiervoor nadere afspraken met de gemeente gemaakt te worden. De constructie van het dak van de parkeergarage onder openbare ruimtes moet minimaal geschikt zijn voor voertuigen, hulpdiensten en logistiek (verkeersklasse 45). Ruimte voor groei omstandigheden flora meenemen. Bij beplanting op daken betekent dit dat voor bomen met 100 cm en voor struiken met 50 cm leeflaag. Samen met de gemeentelijke en ontwikkelende stakeholders zal worden besproken hoe de organisatie en programmering van de bebouwing zo goed mogelijk wordt aangesloten op de organisatie en programmering van de openbare ruimte. Voor afvalinzameling wordt verwezen naar de ‘Nota Haagse Hoogbouw. Eyeline & skyline.’ Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor hun afvalinzameling. Afvalinzameling vindt gescheiden plaats, bij voorkeur circulair en grondstofgericht. Hiervoor moet ruimte worden gereserveerd in het bouwplan.
Het faciliteren van het zoveel mogelijk scheiden van huishoudelijk afval (herbruikbare grondstoffen) en het hergebruiken van deze stromen zal onderdeel zijn van de duurzaamheidsopgave in deze ontwikkeling. Het project en de omliggende buitenruimte kunnen goed onderhouden worden (veegmachine en maaimachine moet erbij kunnen). De toegang tot de bebouwing vanuit de openbare ruimte moet geschikt zijn voor mindervaliden. Trafo en/of andere nutsvoorzieningen (inclusief KPN en CAI) zijn inpandig opgelost, passend binnen de regelgeving van deze nutsbedrijven (zie ook Checklist Gezondheid in Planvorming (GGD Den Haag). Het aspect sociale veiligheid is belangrijk in relatie tot het ontwerpen van de buitenruimtes en eventuele tunnels en onderdoorgangen. Het gebied tussen de hoek van de ontwikkeling aan de
•
Schenkkade en het tankstation; expeditie) wordt zoveel mogelijk vergroend (maaiveld en gevel) t.b.v. ruimtelijke kwaliteit (zie afbeeldingen hiernaast). Voor het beheer, eigendom, aansprakelijkheid en toegankelijkheid van buitenruimte boven ondergrondse voorzieningen van derden moeten nadere afspraken worden gemaakt. De inrichting van deze buitenruimte vormt een eenheid met de aangrenzende openbareAfschuining ruimte.
Groene invulling
plint (twee lagen)
Ambities: Aansluiting Anna van Hannoverstraat i.r.t. spoorboog bestaandegroen trambaan en • De buitenruimte moet integraal ontworpen, klimaatbestendig zijn. De inrichting van de buitenruimte draagt bij aan de interactie in het gebied en wordt afgestemd op de gebruiker. • Het is wenselijk om het aanleggen van kabelgoten mee te nemen in ontwerp- en bouwfases, zodat bij de vraag t.z.t. naar bijvoorbeeld meer elektriciteit of warmtenetten ruimte is voor kabels en leidingen. • Door het verminderen van het volume aan afval dat moet worden aangeboden kan de impact op de openbare ruimte voor deze utilitaire functie worden geminimaliseerd. Dit kan betekenen dat bijvoorbeeld GFT-vermalers worden toegepast in elke woning en een apart afvoer systeem daarvoor deel wordt van het gebouw ontwerp, gecombineerd met andere systemen die het volume kunnen verminderen. Digitale toepassingen Ambities: • Bij bovengrondse objecten, zoals lichtmasten en abri’s, die mogelijkheden bieden voor toekomstige digitale toepassingen -mogelijk in aansluiting op smartcity beleid en passend bij het IT en security gebied, kan nu ondergronds een lege mantelbuis aangelegd worden of dient te worden gewerkt met gebundelde voorzieningen (speciale kabel- en leidingsgangen). Bij de maatvoering, het materiaal en de vormgeving van deze objecten kan nu al rekening gehouden worden met toekomstige digitale toepassingen.
Hierbij wordt het evenwicht bewaakt tussen het uiterlijk aanzien en maximale flexibiliteit voor het toevoegen van digitale toepassingen. • De ruimtelijke randvoorwaarden voor gebruik én beheer van deze objecten, inclusief de bijbehorende infrastructuur, moeten inzichtelijk gemaakt worden.
Aansluiting Anna van Hannoverstraat
Situatie hoek Laan van NOI
Situatie hoek Laan van NOI •
•
•
Vergroening hoek BP (bron: studie Rijnboutt)
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
43
Bij plaatsing van poller halverwege W. van Pruisenweg parallel aan het spoor Grens ontwikkelgebied Plangebied (ontwikkelgebied inclusief openbare ruimte) Kelder- / garagelaag shared space (autovrij) 50 km - zone 30 km - zone 30 km - zone (privaat terrein) route voor laden en lossen (venstertijden en beperking aslast en lengte stationsdomein en/of interwijkverbinding
&R
K
keermogelijkheid auto onderzoek mogelijke inpassing Mobi hub onderzoek inpassing K&R & taxistandplaats
P L
in- en uitgang parkeergarage en/of logistiek (locatie indicatief) fietsparkeren (inpandig) in- en uitrit benzinepomp tramlijn Bebouwing Station Laan van NOI
L
Mobiliteit
44
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
n eri erv s e r
ko oe gt
ms
t
11 meter uitbreiding spoor reservering
referentiebeelden mobi hub
6.4
Ontsluiting en parkeren
Ontsluiting en verkeerstructuur • De Anna van Hannoverstraat wordt autovrij (alleen toegankelijk voor laden & lossen gedurende venstertijden, calamiteitenverkeer). De inrichting van de openbare ruimte wordt hierop afgestemd. • Gemeente bepaalt de venstertijden (buiten de spits) voor laden en lossen in combinatie met aslastbeperking en/of lengtebeperking (kleine, schone voertuigen). • De Wilhelmina van Pruisenweg (haaks op de Schenkkade) wordt ingericht als 30 km gebied. • Ruimtereservering opnemen voor een eventuele nieuwe verbinding voor voetganger en fietser naar de andere zijde van het spoor in het verlengde van de Wilhelmina van Pruisenweg. • Nood- en hulpdiensten hebben in alle gevallen doorgang. • De inpassing van K&R voorzieningen en taxi’s wordt nader onderzocht op de aangegeven locatie in de kaart mobiliteit. Er wordt nader onderzocht of de aangegeven locatie hiervoor geschikt is. • Locatie voor railvervangend vervoer wordt in nader overleg met NS onderzocht en aangegeven. Mogelijk valt deze buiten het plangebied van het PUK (zuidkant station). • In het vervolgproces dient de ontwikkelaar modelberekeningen uit te voeren, die inzicht geven in de mobiliteitsvraag en toekomstige verplaatsingen. Autoparkeren en logistiek Eisen: • Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’ is leidend voor het stallen van fietsen.
De daarin aangegeven normen voor het type programma in dit deel van de stad is leidend. • Voor het CID gebied en de Binkhorst Den Haag zijn recentelijk nieuwe beleidsregels, de Nota Parkeernormen CID en Binckhorst Den Haag 2020 (RIS 306160) door de Raad vastgesteld. Deze nota gaat uit van een gebiedsgerichte aanpak, waarmee de bereikbaarheid
•
•
•
•
•
•
en leefbaarheid van het gebied en de (economische) uitvoerbaarheid van de bouw en parkeeroplossingen als uitgangspunt zijn gekomen. In het planvoorstel ‘Anna’ sluit de ontwikkelaar aan bij deze beleidsregels, en is dit voorstel uitgewerkt in het bij het PUK bijgevoegde Mobiliteitsplan. Het plan moet voorzien in parkeerplaatsen voor bezoek op eigen terrein. Er is een ambitie om een openbare parkeergarage in het gebied te realiseren. Onderzocht wordt of dit gecombineerd kan worden met de parkeergarage van de herontwikkeling Soza. Er moeten oplaadpunten voor elektrische auto’s inpandig worden gerealiseerd en parkeerplaatsen voor mindervaliden (voor minima: zie normen CROW). In een hoogstedelijk gebied met ruim OV-aanbod in de directe omgeving wordt uitgegaan van een mobiliteitsconcept dat duurzaam is. Het laden en lossen, distributie en andere logistieke functies zoals afvalinzameling en verhuizingen vinden plaats op eigen terrein. Het is niet toegestaan om dit langs een stedelijke hoofdweg of wijkontsluitingsweg te laten plaatsvinden. Er komen geen reguliere parkeerplekken in de buitenruimte.
Ambities: • In het kader van de mobiliteitstransitie is de ambitie dat de ontwikkelaar ten minste 10% deelauto’s gebruikt als onderdeel van zijn mobiliteitsplan. Hiervoor gelden de bepalingen uit paragraaf 6 van de Nota Parkeernormen CID en Binckhorst Den Haag 2020 over de inzet van deelauto’s en het stappenplan voor het berekenen van de parkeereis. • De ambitie is een mobiliteitshub binnen het plangebied te realiseren die voorziet in deelauto’s, deelfietsen en een verzamelpunt voor pakketdiensten.
Fietsparkeren Eisen: • Er wordt voldaan aan de fietsparkeernormen uit de ‘Beleidsregels Fietsparkeernormen’ van de gemeente Den Haag (RIS294386) of de op dat moment geldende normen. • Goede bereikbaarheid van de stalling en adequate/ comfortabele inrichting en toegang is essentieel. • Fietsparkeren op maaiveld in de buitenruimte is niet toegestaan • Fietsparkeren voor bewoners, werknemers en bezoekers wordt op eigen terrein opgelost, met dien verstande dat het stallen van fietsen voor bewoners gecombineerd wordt met de stallingsruimte voor gebruikers en bezoekers van kantoren. E.e.a. als opgenomen in het Mobiliteitsplan. De fietsparkeervoorzieningen moeten inpandig en bij voorkeur op maaiveld (begane grond) gesitueerd worden. • Op basis van gelijkwaardigheid worden bij voorkeur gemeenschappelijke stallingsvoorzieningen gerealiseerd, eventueel in combinatie met individuele bergingen in de woning. • Oplossingen voor (deel) scooters, scootmobielen, buitenformaat- en elektrische-fietsen moeten ook in de ontwikkeling worden meegenomen en worden opgelost in inpandige stallingsvoorzieningen.
Ambities: • Bij voorkeur wordt rekening gehouden met enige overmaat in alle fietsparkeervoorzieningen t.o.v. de gestelde norm. Hiermee wordt voorkomen dat bij toename van het aantal fietsen, deze in het openbaar gebied belanden.
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
45
6.5 Duurzaamheid De gemeente en initiatiefnemer hebben de ambitie dat de nieuwe bebouwing als geheel zal voldoen aan hoge duurzaamheidseisen Algemeen: • Een volledig ingevulde en gemotiveerde duurzaamheidsparagraaf conform het Gebiedsgericht milieubeleid (RIS 127626) is onderdeel van het toekomstig juridisch kader. • De ontwikkelaar wordt geadviseerd vroegtijdig een vormvrije M.E.R.- beoordeling te laten uitvoeren (in ieder geval vóór de aanvraag van de omgevingsvergunning). Ambities: • Circulair bouwen: hergebruik wordt gestimuleerd. Voor nieuwe bouwmaterialen worden materialenpaspoorten opgesteld met de intentie dat deze materialen in de toekomst kunnen worden hergebruikt. • Duurzame mobiliteitsoplossing; faciliteren van de mogelijkheden voor deel / elektrische auto’s, elektrische fietsen. Energie Eisen: • Gasloos bouwen is de norm. Per 1 juli 2018 is de verplichting om een bouwwerk aan te sluiten op een gasnet voor nieuw te bouwen bouwwerken vervallen (‘Gasaansluitingsplicht kleine verbruikers’) [1]. (Wijziging Warmtewet Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 723, nr. 9). • Op bouwaanvragen die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend zijn de BENG-eisen (=Bijna Energieneutraal Gebouwen) van toepassing. Ambities: • Het toevoegen van duurzame BREEAM (nieuwbouw) kantoren, smart offices en WELL gecertificeerd.
46
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
Groen- en natuurinclusief gebouw en gebied Eisen: • Toepassing van maatregelen op basis van het puntensysteem Groen- en natuurinclusief bouwen omruimte te bieden aan nieuwe natuur in de stad (vastgesteldbeleid). Deze locatie betreft een ‘Grootschalig project’ en wordt getoetst aan de daarbij behorende minimale score. De maatregelen die hier toegepast kunnen worden behoren tot de categorie ‘Grootschalige bebouwing en hoogbouw’. Zie ook Puntensysteem Groenen natuurinclusief bouwen (RIS 301953). • Het groen areaal in de openbare ruimte wordt vergroot. In de bestaande situatie is 2314 m2 groen aanwezig. • De bomenbalans is minimaal positief. Te kappen bomen worden gecompenseerd. Hierbij moet rekening worden gehouden met voldoende groeiruimte op en nabij ondergrondse infrastructuur en de parkeergarage. Bomen op eigen terrein worden in eerste instantie gecompenseerd op eigen terrein en anders binnen het plangebied. In aansluiting op de typologie van de bebouwing in de omgeving worden groene binnenhoven (al dan niet op maaiveldniveau) onderdeel van het bouwplan. • Groen is: • uitwisselbaar met oppervlakte water (t.b.v. de benodigde waterberging), bijvoorbeeld door bestaand water te verbreden, aanleggen van natuurlijke oevers en nieuw oppervlakte water. Dit oppervlaktewater compenseert tenminste de te dempen vijver op het perceel van Soza (secundaire watergang).
• Combineerbaar met waterberging; bijvoorbeeld waterberging op daken, op of onder het maaiveld met vertraagde afvoer (48 uur) naar het oppervlaktewater als compensatie voor de toename van de verharding. •
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten waterneutraal worden aangelegd, zodat de negatieve effecten op de waterhuishouding worden voorkomen of gecompenseerd. Kansen om het watersysteem
te verbeteren worden zo mogelijk benut (Toekomstbestendig Haags Water! Visie op het voorkomen van wateroverlast, RIS 280009). Ambities: • Publiek en privaatgroen wordt zoveel mogelijk met elkaar verbonden. • Waar mogelijk worden bomen, die op de huidige situatie niet behouden kunnen worden, herplant in het gebied. • Het gebouwgebonden groen wordt georiënteerd op de ecologische verbinding Schenk, waardoor synergie ontstaat. Het groen sluit zoveel mogelijk aan op bestaande ecologische structuren en zones in de stad en biedt ruimte aan lokaal relevante Flora en fauna. Bij de verder uitwerking wordt verzocht in gesprek te gaan met de stadsecoloog. • Om opwarming te voorkomen is de ruimtelijk stedelijke opzet belangrijk, om verkoeling door de aanvoer van verse lucht en de afvoer van warme lucht mogelijk te maken. Daarnaast is het belangrijk om groen en bomen toe te voegen voor schaduw en verdamping. • Algemene aanbevelingen vanuit groen- en natuurinclusief bouwen zijn: • Samenwerking met een ecoloog en/of landschapsarchitect gedurende het hele bouw(plan) proces • Zorg voor robuust groen • Raadpleeg Natuurkaart Den Haag • Koppel meerdere doelen mee (wateropvang, hittestress, biodiversiteit, belevingswaarde) • Maak een plan voor meerjarig beheer en onderhoud • Zorg voor borging behoud van het groen bij verkoop pand.
Advies Haags duurzaamheidsteam Voorgaande is opgenomen in het Duurzaamheidsplan van de ontwikkelaar, welke ter advisering is voorgelegd aan het HDT. De hieruit volgende adviezen zullen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de plannen (zie ook bijlage 4): 1. Energie: a. Overleg met programmateam Energietransitie, Stedin en afdeling Bouwecologie en Fysica over de energievoorziening en de daarbij behorende infrastructuur. b. Houd in het ontwerp rekening met ‘koeling’. 2. Klimaat, water en groen: a. Toepassing van de principes van natuurinclusief bouwen. b. Houd het regenwater vast in het gebied (zie paragraaf 7.7.1.). c. Aansluiting van het plangebied op de ecologische verbindingszone Schenkzone. 3. Mobiliteit en toegankelijkheid: a. Beperk het aantal verkeersbewegingen (zie paragraaf m.b.t. mobiliteit). b. Maakt het gebied en vastgoed toegankelijk voor mindervaliden. 4. Circulariteit: a. Pas de principes van circulair bouwen toe. b. Maak het materialenlogboek overdraagbaar. 5. Milieu: a. Pas CEM-3 beton i.p.v. Portland cement toe wat zorgt voor CO2 reductie en houd daarmee rekening in de bouwplanning. b. Onderzoek of het mogelijk is om een toplaag te maken van FSC-hout.
6.6 Beeldkwaliteit Het onderwerp ‘ruimtelijke kwaliteit’ krijgt een prominente plek in het planvormings- en ontwikkelproces. De nieuwe bebouwing rondom station Den Haag Laan van NOI is een belangrijk onderdeel van de nieuwe stadsentree en draagt bij aan ‘beleving op ooghoogte’ van de ICT-Security Campus. Daarom stellen we een beeldkwaliteitsplan op voor de omgeving van station Den Haag Laan van NOI (plangebied van de gebiedsagenda) als uitwerking van de beeldkwaliteitsregels uit de ‘Nota Haagse Hoogbouw. Eyeline en Skyline’. Het gebied Typerend voor de omgeving van het station Den Haag Laan van NOI is het samenkomen van het kantorencluster, woonwijken en de nabijheid van groen. De bestaande strook kantoren parallel aan het spoor is ingepast en onderdeel van een stedelijke omgeving. Het aangrenzende Beatrixkwartier wordt getypeerd door stedelijke bouwblokken met hogere accenten en ‘specials’, zoals de bruggebouwen. De bebouwing tussen het spoor en de Schenkkade bestaat uit gebouwcomplexen van circa 30 meter hoog, die aan de Schenkkade gedeeltelijk zijn ingebed in een groene setting. Binnen de bouwblokken zijn collectieve ruimtes toegevoegd: bebouwd (atriums e.d.) en onbebouwd (hoven of ‘corporate gardens’). De bebouwing van de stedelijke woonwijken van Bezuidenhout en Leidschendam-Voorburg wordt getypeerd door een verkaveling in traditionele bouwblokken in circa drie bouwlagen.
De ambitie is de omgeving van station Den Haag Laan van NOI te ontwikkelen naar één van de hoogbouwclusters in Den Haag met het karakter van een stedelijke campus aan weerszijden van het spoor. De identiteit van het gebied wordt bepaald door een samenspel tussen stedenbouw/openbare ruimte, programmering van de bebouwing en de architectuur van de gebouwen.
In aansluiting op de bestaande (kantoor)bebouwing in de zone tussen het spoor en de Schenk reageren de bouwvolumes in nieuwe ontwikkelingen ook met groene hoven aan en oriëntatie op de groene Schenk. Eerste uitgangspunten Bij de nieuwe hoogbouw krijgt de overgang naar de schaal en korrelgrootte van de bebouwing in de aangrenzende bestaande wijken veel aandacht. Gebouwen ogen aantrekkelijk en hebben een eigen herkenbare identiteit. De uitstraling draagt bij aan het kennis- en innovatiekarakter van het gebied en het realiseren van een aantrekkelijk vestigingsmilieu. Op het schaalniveau van de ruimere omgeving zijn de zorgvuldige plaatsing en de opzet van het gebouw van belang. Vanuit de verschillende zichtlijnen in de omliggende buurten is een zeker mate van differentiatie in de hoogte wenselijk. Tussen de hoge gebouwen dient de lucht zichtbaar te blijven. In de stedelijke laag en met name de plint openen de gebouwen zich naar de straat met veel transparantie: open gevel, veel glas, laat zien wat binnen gebeurt (relatie met werkvloer) en vergroot interactie buiten-binnen. Collectieve ruimtes zoals atria, hallen en daktuinen zijn onderdeel van de typologie, ter ondersteuning van de interactie tussen verschillende functies en gebruikers. Langs de Anna van Hannoverstraat vormen de onderste twee lagen de plint, die visueel herkenbaar is binnen de stedelijke laag.
De stedelijke laag heeft een uitstraling die uitdrukking geeft aan de beoogde mix van functies in het totale gebied rondom station Den Haag Laan van NOI). Er zijn geen uitkragende buitenruimtes op de begane grond en 1e etage. In het beeldkwaliteitplan zullen nadere uitspraken worden gedaan over de inpassing en het ontwerp van de (private) buitenruimtes in het gehele plan.
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
47
Ooorlogsmonument aan de Schenkkade
48
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
7. SECTORALE KADERS 7.1 M.e.r.-beoordeling
In paragraaf 8.2 is een nadere toelichting op de planologische kaders en de m.e.r.-beoordeling opgenomen.
7.2 Stedenbouw & Planologie Ontwerp-Structuurvisie CID Zie paragraaf 4.2 Coalitieakkoord 2019-2022: Samen voor de stad “ Voor de stedelijke ontwikkelingen in Den Haag is de Agenda Ruimte voor de Stad leidend. We zetten in op vergroening en verduurzaming. We voegen alleen woningen toe in wijken (verdichten) die daar beter van worden. Dit doen we in nauw overleg met de bewoners. Het karakter van de stad, wijk en buurt nemen we mee in stedelijke ontwikkelingen. We houden wijken groen en leefbaar. Kleinschalige nieuwbouw is alleen mogelijk als het past bij de wijk en voldoet aan de 30-20 doelstelling. “ “Grote gebiedsontwikkelingen vinden plaats in het CID, de Binckhorst en Den Haag Zuidwest. Het programma De Kust Gezond zetten we voort. In het CID en de Binckhorst worden de plannen uit de gebiedsvisies en de structuurvisie afgemaakt. De gebiedsagenda’s vormen de kaders, waarbij (toekomstige) bewoners zoveel mogelijk worden betrokken. Hoogbouw is geen doel op zich, maar slechts een middel. We maken hierbij een afweging tussen stedenbouwkundige alternatieven en woningbouwambities.” Nota Haagse hoogbouw. Eyeline & Skyline Op deze ontwikkeling is de nota ‘Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline’ (d.d. 15 november 2017; RIS298448) van toepassing omdat er sprake is van hoogbouw bij 50 meter of hoger. De nota geeft stadsbrede ambities en regels aan voor hoogbouwontwikkelingen; o.a. t.a.v.
wonen, microklimaat en mobiliteit.
Het projectgebied valt binnen het gebied Schenkverbinding. Dit betreft het gebied tussen Laakhaven en Laan van NOI aan weerszijden van het spoor. Grootste opgave is het opheffen van infrastructurele barrières en het structureel verbinden van de gebieden rondom het spooremplacement, waardoor kansen voor verdichting ontstaan. De nadruk ligt op het versterken en uitbreiden van aanwezige economische clusters met een hoge concentratie aan werkgelegenheid, stedelijke voorzieningen en woningen. Verdichting vindt plaats langs de spoorlijnen. De generieke typologie van het samengestelde bouwblok met stedelijke laag en torens omzoomt de infrastructuur. Op verschillende niveaus worden aansluitingen gemaakt tussen gebouwen, buitenruimtes en routes. Rond knooppunten en entrees naar de binnenstad is nadrukkelijk plek voor hoogbouw. Bij nieuwe hoogbouw krijgt de overgang naar de schaal en korrelgrootte van de bebouwing in de aangrenzende wijken veel aandacht. Minimaal de onderste twee lagen bestaan uit werkruimten en voorzieningen met daarboven woningen. Een hoge mate van flexibiliteit is vereist zodat de gebouwen in de loop van de tijd van functie kunnen veranderen. Collectieve ruimtes zoals atria, hallen en daktuinen zijn onderdeel van de typologie, ter ondersteuning van de interactie tussen de verschillende functies en gebruikers.
Nieuwe hoogbouwontwikkelingen moeten bijdragen aan het kennis- en innovatieve karakter van het gebied en het realiseren van een aantrekkelijk vestigingsmilieu. De nota ‘Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline’ is in de raadsvergadering van 25 januari 2018 vastgesteld (RIS 298448) en vervangt de Agenda voor de Haagse Verdichting uit 2009 (RIS159469), voor zover het hoogbouw betreft.
7.3 Economie Algemeen Het verdichten en toevoegen van meerdere functies in ICT – Security Campus is vanuit economisch perspectief een goede manier om dit stuk stad ‘economisch aantrekkelijker’ te maken. Het gebied is een belangrijke plek in de stad en biedt allerlei kansen voor zowel woningbouw en kantoren als bedrijven, horeca en detailhandel. Daarbij is van belang dat er stevig wordt ingezet op commerciële plintfuncties en een open en publiek karakter van de bebouwing met een beleving en ‘placemaking ‘die aansluit op de campus filosofie. De huidige Tech bedrijven die in het voormalige SZ&W zijn gehuisvest, en in het bijzonder de start- en scale ups die onderdeel uitmaken van The Hague Tech community, wil de gemeente graag behouden voor de dynamiek en de innovatie kracht van de huidige en toekomstige campus. Economische Visie Economische ontwikkeling is cruciaal voor een aantrekkelijke, leefbare, gezonde stad waarin iedereen mee kan doen. Met de kadernota Economische Visie (RIS 302017) wordt een extra impuls en stevige meerjarenkoers neergezet. Om op weg naar 2030 economisch beter te presteren richt Den Haag zich op: • een attractieve stad voor bewoners, bezoekers en bedrijven, • een krachtige economische structuur, • een excellent ondernemersklimaat, • voldoende en aantrekkelijke ruimte voor bedrijven.
Ingezet wordt om de Haagse economie te rusten op meer verschillende krachtige sectoren. Het Central Innovation District (CID) is hiervoor het nieuwe economische topmilieu van Den Haag en de groeimotor voor de Haagse en regionale economie. De spin-off van het Rijk wordt vergroot, onder andere door de policy campus rond het Centraal Station door te ontwikkelen.
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
49
Rond het thema beleid, bestuur en recht liggen veel kansen om de economische spin-off te vergroten, juist in combinatie met alle kennisinstellingen, ICT en nieuwe technologieën. De stuwende kracht van de aanwezige partijen kan hier opgeschaald worden. Dit zijn innovatiemilieus, met veel interactie tussen stuwende bedrijven en overheden, cultuur-, kennis- en onderwijsinstellingen, mkb en talent. Hier en in de tussenliggende zones, zoals het Beatrixkwartier, is ook plek voor (inter)nationale hoofdkantoren. De infrastructurele barrières die de drie polen nu nog scheiden, zullen worden geslecht, zodat één samenhangend district ontstaat.
7.4 Wonen Het Haagse Woonbeleid is vastgelegd in de Woonagenda 2020-2023 (RIS305711); www.denhaag.nl/woonagenda). Het woonprogramma van nieuwbouwontwikkelingen moet hier aan voldoen. Den Haag is een groeiende stad in een tijd waarin veranderingen steeds sneller gaan en die de maatschappelijke en economische verhoudingen blijvend veranderen. Het is een uitdaging om mensen, bedrijven en banen aan de stad te blijven binden. Om een fijne, leefbare en groene woonstad te blijven moeten we zorgen dat de sociaaleconomische verschillen niet te groot worden. De Woonagenda is ingedeeld in vier thema’s die elk eisen en wensen bevatten met betrekking tot nieuwbouw. Voor deze locatie zijn echter in het verleden afspraken gemaakt met het Rijk als gevolg van de verplichting om op deze locatie statushouders te huisvesten. Deze zijn in de commissiebrief van het college d.d. 10 februari 2016 (RIS 291685) benoemd. Ten aanzien van het woonprogramma is hierin aangegeven dat: “de woningen die worden toegevoegd, ..., zijn behouden voor de particuliere markt iwaarbij de eigenaar de woningen in een door hem gewenst segment kan positioneren.” Het woonprogramma voor de ontwikkeling waar dit PUK voor is opgesteld reflecteert in het verleden gemaakte afspraken die de gemeente als betrouwbare partner uiteraard honoreert.
50
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
Dit vertaalt zich in combinatie met de uitgangspunten uit de Woonagenda tot de volgende verdeling voor het woonprogramma: Eisen: • 20% van de woningen heeft een middeldure huur tussen de liberalisatiegrens en de €985. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van CPI (+1%) alle huishoudens volgens de ‘jaar-op-jaarmethode’, reeks 2019=100 + 1%. De huur mag jaarlijks stijgen met dezelfde indexatie. De middeldure huurwoningen worden minimaal 20 jaar verhuurd met een middeldure huur, ook na mutatie. De gemeente wordt gedurende deze 20 jaar jaarlijks ingelicht over de huurprijzen. Voor 2020 komt de indexatie van CPI + 1% uit op een stijging van 3,6%. De ondergrens is de liberalisatiegrens. • Minimaal 15% van de woningen is sociale huurwoningbouw. Dit is het resultaat van een onderhandelingstraject ondanks de eerdere afspraken die over deze locatie gemaakt zijn tussen de gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf. Voor de realisatie van de sociale woningen geldt dat woningcorporaties het primaat hebben. Daarom moet een initiatiefnemer in het beginstadium een samenwerking aangaan met een in Den Haag actieve woningcorporatie. Bij gemengde ontwikkelingen wordt de onrendabele top op sociale woningbouw evenredig verdeeld tussen initiatiefnemer en woningcorporatie. Het is niet mogelijk om het aandeel sociale huur af te kopen.
Door in een vroeg stadium een woningcorporatie te betrekken kan er nog invloed uitgeoefend worden op het sociale programma, de kosten en het beheer. Als blijkt dat geen van de woningcorporaties capaciteit heeft om de woningen tegen een sociale prijs af te nemen moet een andere verhuurder het aandeel sociale woningen op zich nemen. Hierbij gelden voorwaarden. • De sociale huurwoningen worden minimaal 50 jaar verhuurd met een huur onder de liberalisatiegrens conform ‘regels voor toewijzing naar inkomen’ die jaarlijks door de Rijksoverheid worden gepubliceerd, ook na mutatie. De
•
•
•
gemeente wordt gedurende deze 50 jaar jaarlijks ingelicht over de huurprijzen. De woningen worden verhuurd via het regionale woonruimteverdeelsysteem, in beheer van de Sociale Verhuurders Haaglanden (1), indien deze woningen in eigendom komen van aangesloten woningbouwcoöperaties. Er dienen voldoende betaalbare woningen in het programma te worden voorzien. Deze woningen kennen een verkoopprijs onder of op de NHG grens, zijnde € 325.000,- v.o.n. (NHG grens per 1 januari 2021). Er is voldoende diversiteit in woningtypen/groottes. Om een te eenzijdig aanbod van kleine woningen te voorkomen geldt dat maximaal 20% van de woningen een kleine woning mag zijn met een woonoppervlak van maximaal 40 m2 GBO. Uitzondering hierop is mogelijk voor studentenhuisvesting, zorgwoningen en bijzondere concepten. In het geval van studentenhuisvesting hebben deze woningen een huurprijs onder de kwaliteitskortingsgrens. Studentenwoningen kunnen zowel zelfstandig- als onzelfstandige eenheden zijn.
Ambitie: • Om speculatie, prijsopdrijving en misstanden te voorkomen, worden instrumenten toegepast om ervoor te zorgen dat particuliere kopers zelf in hun woning gaan wonen (een zelfbewoningsplicht en/of opkoopbescherming). • Een deel van de nieuwbouwhuurwoningen (middensegment) wordt verhuurd aan onmisbare beroepsgroepen, dit zijn: politieagenten, zorgpersoneel of leraren. De gemeente verwacht hier geen specifiek percentage, maar verwacht dat hier een serieuze inspanning wordt geleverd die leidt tot daadwerkelijk huisvesten van mensen uit deze beroepsgroepen. Met het expertisecentrum groepswonen worden de mogelijkheden voor groepswonen verkend. • In het geval dat het sociale huurprogramma niet door een
Voetnoten: 1. Arcade, DUWO, Haag Wonen, Rijswijk Wonen, Staedion, Vestia, WoonInvest of Woonzorg Nederland. 2. Zelfstandige huurwoning met een prijs onder de eerste aftoppingsgrens voor zorgdoelgroepen waarbij de bewoner ambulante begeleiding ontvangt. Zorgdoelgroepen bestaan uit beschermd wonen, ex-gedetineerden, ex-verslaafden, maatschappelijke opvang, mensen met verstandelijke beperkingen en/of zorgjongeren vanaf 17 jaar die uit een instelling komen en de stap naar zelfstandig wonen zetten.
woningcorporatie wordt afgenomen geldt dat (een deel van) de sociale huurwoningen kan worden verhuurd aan zorgdoelgroepen (2).
7.5 Mobiliteit De ontwikkeling van het CID leidt tot meer verplaatsingen in een gebied waar de openbare ruimte schaars is. Een transitie naar ruimte-efficiënte, schone en klimaatneutrale mobiliteit is een randvoorwaarde voor de ontwikkeling van het CID. Dat betekent prioriteit voor mobiliteit op menselijke maat; een openbare ruimte die in eerste instantie is ingericht voor (1) voetgangers, (2) fietsers en (3) openbaar vervoer. Deze vervoersmiddelen moeten de mobiliteitsgroei in het CID voor hun rekening nemen. Voor de auto wordt ingezet op meer gedeeld gebruik en een versnelde transitie naar elektrisch rijden. Met de inzet op deze mobiliteitstransitie wordt ruimte vrijgemaakt die nodig is voor de energietransitie, groen, klimaatadaptieve maatregelen en verblijfskwaliteit. De mobiliteitstransitie is een essentiële voorwaarde om de bereikbaarheid van het CID te behouden en verbeteren. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is daarom voorgeschreven dat een pakket van mobiliteitsmaatregelen wordt vastgesteld, waarin wordt voorzien in deze bereikbaarheidsopgave en tevens de gezondheid en leefbaarheid worden gewaarborgd. In de structuurvisie CID zijn de uitgangspunten voor de mobiliteitstransitie opgenomen.
Uitsnede uit Afbeelding 4.6 Wandel- en fietsstad van de ontwerp structuurvisie CID.
Openbaar vervoer, lopen en fietsen De situering van deze locatie in de onmiddellijke nabijheid van het station en de bijbehorende hoogwaardige openbaar vervoersverbindingen en als onderdeel van het CID biedt veel potentie voor stedelijke intensivering in combinatie met mobiliteitstransitie. Het station biedt rechtstreekse verbindingen per trein naar toplocaties zoals Amsterdam, Rotterdam en Schiphol en de regionale toplocaties Leiden en Delft. RandstadRail biedt hoogfrequente verbinding met Zoetermeer en Rotterdam en samen met tramlijn 2 worden ook het Centrum van Den Haag en grote delen van de Haagse agglomeratie en Voorburg rechtstreeks ontsloten. De Oude Lijn en de Leyenburgcorridor van RandstadRail vormen twee van de drie OV corridors waarop OVNext (Schaalsprong OV Den Haag) inzet om het OV hoofdnet in de agglomeratie op orde te brengen. Op orde brengen van deze corridors in samenhang met de verstedelijking is een van de grote opgaven gericht op structuurversterking van de Zuidelijke Randstad. Laan van NOI biedt met het intercity-station een belangrijke verknoping van deze regionale netwerken met de netwerken op de hogere schaalniveaus. De locatie is per bus rechtstreeks en hoogfrequent verbonden met de Internationale Zone en Scheveningen.en Voorburg en Rijswijk.
In de Structuurvisie CID zijn hoofdroutes voor de voetgangers opgenomen, zodat het plangebied te voet uitstekend ontsloten is binnen het CID. In de structuurvisie zijn ook de hoofdroutes voor de fiets opgenomen.Met name de dichtbij gelegen Velostrada is een cruciale hoofdverbinding voor fietsers binnen het CID en biedt een rechtstreekse verbinding met de regio en de hoogwaardige koppeling aan de andere hoofdfietsroutes in Den Haag.
Autoverkeer De ontwikkellocatie ligt ingeklemd tussen de Schenkkade, Laan van Nieuw Oost-Indië, Anna van Hannoverstraat en Wilhelmina van Pruisenweg. De Schenkkade is in de nota Straten Wegen Lanen, op de Hoofdroutekaart hulpdiensten Den Haag 2016 (RIS296077) aangemerkt als hoofdweg en de Laan van Nieuw Oost-Indië als wijkontsluitingsweg. De Anna van Hannoverstraat en Wilhelmina van Pruisenweg zijn beiden erftoegangswegen (30 km/uur) en van ondergeschikte betekenis. Het meest logisch en ook meest wenselijk is het ontsluiten van de nieuwe ontwikkeling op de Soza-kavel via de Wilhelmina van Pruisenweg zodat de ruimte op de Anna van Hannoverstraat gevrijwaard kan worden van gemotoriseerd verkeer (m.u.v. laden en lossen binnen nog af te spreken venstertijden en alleen voor kleinformaat voertuigen (zie 6.4)). Dit komt ten goede aan de kwaliteit van de openbare ruimte en veiligere loop en fietsroutes. Omdat de Wilhelmina van Pruisenweg als ontsluitingsweg van eigen terrein en parkeergarages wordt gebruikt, kan de Wilhelmina van Pruisenweg niet autovrij worden. Intensiteit autoverkeer De initiatiefnemer toont aan met een verkeersgeneratie onderzoek dat de herontwikkeling passend is in de verkeerscapaciteit van de omliggende wegen. Mocht op basis hiervan maatregelen benodigd zijn, dan komt dit voor rekening van de initiatiefnemer.
Het onderzoek vindt plaats in samenhang met de andere ontwikkelingen in de directe omgeving, zodat een totaalbeeld van de invloed van de ontwikkelingen inzichtelijk wordt. Hiervoor dient het actuele verkeersmodel van de MRDH (V-MRDH) met prognosejaar 2030 als basis worden gebruikt. Deze cijfers dienen als basis waarbij de extra verkeersbewegingen van de ontwikkeling moeten worden toegevoegd. Hierbij moeten ook de eventuele effecten op Rijkswegen worden meegenomen. Het genoemde verkeersmodel voor de modelberekeningen is op te vragen bij de gemeente Den Haag.
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
51
Autoparkeren Locaties nabij Openbaar Vervoer zijn de kansrijke plekken om in hogere dichtheden te bouwen en te voorzien in de woningbouwopgave. De uitstekende OV voorzieningen bij deze ontwikkellocatie zullen leiden tot een relatief laag autobezit van de toekomstige bewoners. Binnen het vigerende parkeerbeleid is er voor bouwplannen in het CID de mogelijkheid om in afwijking van de geldende parkeernormen van een lagere parkeeropgave uit te gaan, bijvoorbeeld door deelauto’s en -fietsen beschikbaar te stellen en een hubfunctie te creëren . Daarnaast kan de parkeereis tot de helft van de normen worden afgekocht in de Voorziening Parkeren en Mobiliteitsmaatregelen Den Haag 2020 (RIS 306158). Nieuwe bewoners en gebruikers van deze ontwikkeling komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning in de openbare ruimte. Ook worden geen bezoekersvergunningen uitgegeven. Naast wonen komen er ook andere functies op de locatie, waardoor rekening kan worden gehouden met dubbelgebruik van parkeerfaciliteiten en daardoor minder parkeercapaciteit nodig is. Daarnaast is gesteld dat bij nieuwbouw parkeren moet worden opgelost op eigen terrein. Parkeergelegenheid voor bezoekers moet (bij voorkeur) openbaar toegankelijk zijn. Het is gewenst het parkeren op te lossen in een centrale parkeervoorziening, waardoor tevens ingroei mogelijk wordt.
Hiermee wordt bedoeld dat een parkeergarage ook opengesteld kan worden aan andere doelgroepen als blijkt dat het autobezit-/ gebruik van de gebruikers voor wie de garage in eerste instantie bedoeld is, afneemt. Voorwaarde is wel dat voor het gebruik marktconforme tarieven worden gehanteerd. Als alternatief kan worden gekeken naar gebruik van parkeergarages in de omgeving. Om deze te kunnen meenemen in de parkeeroplossing moet een overeenkomst met de betreffende partij worden meegeleverd bij de vergunningaanvraag.
52
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
Fietsparkeren De fiets is een uitstekend vervoermiddel om binnen de stad te verplaatsen. Voor de toekomstige bewoners moet er bergruimte van de juiste afmetingen zijn om te voorzien in adequate en veilige stallingsmogelijkheden voor de fiets. Voor het stallen van de fiets voor bewoners en gebruikers van het te ontwikkelen plan op de Soza-kavel kan worden ingezet op een gemeenschappelijke fietsenstalling. In de uitwerking moet rekening worden gehouden met verschillende type fietsen, waaronder ook fietsen van afwijkend formaat, zoals bakfietsen. Voor bewoners kan het tevens noodzakelijk zijn dat er in de berging of centrale fietsenstalling ruimte komt voor het opstellen en opladen van elektrische fietsen en scootmobielen (i.p.v. de geldende fietsnormering en niet daar boven op). In het kader van de zogenoemde stadsentrees moet de inrichting van de openbare ruimte van de omgeving station Den Haag Laan van NOI een aantrekkelijke verblijfsruimte worden. Uitnodigend voor bezoekers die via het station de stad binnenkomen. Om de entree aantrekkelijk te maken moet deze aan verblijfskwaliteit winnen en daarin past het minder goed om de schaarse ruimte in te zetten voor het stallen van de fiets of het parkeren van de auto.
Bij de herontwikkeling van het voormalige ministerie ligt er een belangrijke opgave om het stallen van de fietsen van de bezoekers van de ontwikkeling op een goede manier te accommoderen. Fietsparkeren op maaiveld in de buitenruimte is niet toegestaan. Het gebied is handhavingsbied voor het stallen van fietsen. Kiss & ride Aan Haagse zijde moet ter hoogte van de entree naar het station aan de Schenkkade een opstelgelegenheid komen voor autoverkeer om reizigers af te zetten of op te halen. Bij het opstellen om reizigers uit- of in- te laten stappen mag het overige verkeer niet worden gehinderd. In de openbare ruimte dienen er daarom opstelplaatsen te komen, waardoor de rijbaan vrij blijft voor het overige verkeer.
De ligging van de opstelplaatsen moet zo worden gekozen dat passagiers veilig tussen deze opstelplaatsen en de entree van het station kunnen lopen. Nadere afstemming over inpassing en inrichting dient plaats te vinden in overleg met de stakeholders Laden en lossen Bij de herinrichting van de openbare ruimte moet rekening worden gehouden met het laden/lossen door vrachtverkeer ten behoeve van de bevoorrading van de functies die in de te ontwikkelen Soza-kavel komen. Bevoorradend vrachtverkeer mag een adequate en verkeersveilige doorgang van het overige verkeer niet hinderen. Het laden en lossen voor de ontwikkeling op de Soza-kavel moet plaatsvinden binnen de huidige kavel.
7.6 Duurzaamheid Kadernota Duurzaamheid De nota ‘Duurzaamheid. Schone energie in een groene stad’ (RIS301829) geeft richting aan het beleid voor vier belangrijke thema’s, namelijk die van energie, mobiliteit, leefomgeving en grondstoffen. De aanpak voor elk van deze thema’s is op hoofdlijnen beschreven. Het college wil de uitvoering hiervan versneld uitvoeren. ”Duurzame stad” is een speerpunt in het coalitieakkoord 2019-2022 waarin de ambitie is uitgesproken om naar een klimaatneutrale stad te gaan in 2030 met het aanpakken van de volgende opgaven: Energietransitie Nieuwbouw en grootschalige renovatie wordt klimaatneutraal en zonder aardgas opgeleverd. Een belangrijk speerpunt bij de verduurzaming van onze stad is het realiseren van duurzame en betaalbare warmte, waarbij fors geïnvesteerd wordt energietransitie, de verduurzaming van de gebouwde omgeving en in klimaatadaptatie.
Groene en klimaatbestendige stad Doordat het weerpatroon grilliger wordt, zullen neerslag, harde wind en hitte vaker voorkomen. Voor het behoud en versterken van een goed leefklimaat in de stad, komt er meer ruimte voor groen en water in de stad. Bij gebiedsontwikkelingen staat voorop dat de openbare ruimte “klimaatadaptief” is. Bomen vormen ons groene kapitaal. De gemeente gaat zeer terughoudend om met het afgeven van kapvergunningen en zet in op ruimte voor extra bomen en meer groen, vooral in de meest versteende wijken. Operatie ‘Steenbreek’ wordt uitgebouwd, evenals de Duurzame Dakenjacht. Klimaatadapatief en natuurinclusief bouwen blijft bij bouwprojecten de norm.
7.7 Omgevingsaspecten
Circulaire economie, voedsel en afvalscheiding De komende jaren blijft Den Haag voorloper op het gebied van de circulaire economie. Verspilling van grondstoffen wordt tegengegaan en er wordt voor maximaal hergebruik van materialen in en door de stad gezorgd.
Watertoets Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het hoogheemraadschap toetst bouwinitiatieven en herinrichtingsplannen aan het nationaal waterbeleid en het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021.
Er wordt gewerkt aan de vermindering van afval waarbij wordt ingezet op maximale en hoogwaardige bronscheiding en het benutten van mogelijkheden van nascheiding. Verder worden initiatieven ondersteund die gericht zijn op het lokaal en regionaal produceren en promoten van voedsel.
7.7.1 Waterparagraaf Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. In het ‘Waterbeheerplan 2016-2021’ heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2027. Delfland zet in op stedelijk waterbeheer en werkt samen met gemeenten aan klimaatadaptatie. Belangrijk uitgangspunt voor Delfland is dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen niet mag verslechteren (standstill beginsel).
In de Handreiking Watertoets (www.hhdelfl and.nl/watertoets) worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht en op welke wijze deze in het plan dienen te worden verwerkt. Haagse ambities en eisen extreme neerslag Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect heeft een grote impact in stedelijk gebied. Wateroverlast is bij deze extreme buien niet te voorkomen. Het is daarom niet de vraag of, maar vooral waar de wateroverlast zal optreden, en welke gevolgen te verwachten zijn. Het Hoogheemraadschap Delfland geeft aan dat er een belangrijke opgave voor dit plangebied is ten aanzien van wateroverlast. In de Veen- en Binckhorstpolder, waar het plan gebied ligt, liggen enkele lage plekken. Als het lang en hard regent dan overstroomt het oppervlaktewater daar het land. Bij het huidige Soza-kavel ligt zo’n plek aan de zijde van Schenk. Dit betekent dat het belangrijk is dat de gebouwen qua peil voldoende hoog moeten liggen om te voorkomen dat oppervlaktewater de gebouwen in loopt. De afbeelding ‘Stedelijke wateroverlast’ laat wateroverlast zien in de bestaande situatie bij de voorgeschreven maatbui (Deltaprogramma ruimtelijke adaptatie).
Luchtkwaliteit Ook ten aanzien van verkeer en vervoer wordt versneld ingezet op het klimaatneutraal maken. Met deze maatregelen, zoals het versnellen van elektrische mobiliteit, wordt onze lucht schoner en gezonder. Vanwege de gezondheidseffecten van luchtvervuiling wordt overal in de stad gestreefd naar de norm van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit. Gelet op de bouwopgave van de stad wordt ook ingezet op het verbeteren en verduurzamen van de bouwlogistiek in de stad.
Stedelijke wateroverlast
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
53
Dit probleem ontstaat o.a. doordat de riolering en de afvoer van de vijvers op eigen terrein geen onderdeel zijn van het model. Bij de uitwerking van het plan moet de impact hiervan op de waterafvoer worden getoetst. Om te zorgen dat de stad beter bestand is tegen extreme neerslag hanteren we de volgende ambities en eisen in Den Haag:
De volgende voorkeursvolgorde: ‘groen, tenzij - vasthouden – bergen – afvoeren’ is van toepassing: 1. Groen, tenzij: ingezet moet worden op het minimaliseren van verharding, Dus maak het groen tenzij het ter plekke vanuit de functie niet kan. Kies waar mogelijk voor groene oppervlakken of open verharding en soortgelijke maatregelen om regenwater vast te houden en tijdelijk te bergen. 2.
Als algemene ambitie streven we ernaar dat in 2050 in Den Haag bij een korte hevige bui van 70mm in 1 uur (eens in 100 jaar in 2015 volgens klimaatscenario KNMI/ STOWA): • • • •
er geen schade ontstaat aan gebouwen en infrastructuur; de belangrijkste hoofdwegen begaanbaar blijven voor noodhulp; vitale infrastructuur en nutsvoorzieningen blijven functioneren en; Routes en locaties voor hulpdiensten beschikbaar.
3.
Bergen en gebruiken: regenwater tijdelijk ergens ‘parkeren’. Dit kan een ‘droge’ voorziening zijn op een dak, op het maaiveld in de openbare ruimte (holle ruimte) of onder het maaiveld. Water kan ook tijdelijk geborgen/ geparkeerd worden op natte bergingsvoorzieningen, zoals een vijver, een seizoens-waterberging, waar de peil kan fluctueren. Water uit de berging wordt waar mogelijk in tijden van droogte hergebruikt voor beregening/ irrigatiie.
4.
Afvoeren: als bovenstaande maatregelen niet (voldoende) mogelijk zijn, wordt, het overschot aan regenwater vertraagd afgevoerd. De voorkeursvolgorde voor afvoer is naar de bodem, dan via een regenwatersysteem, naar het oppervlaktewater (polder- en boezemwater) en als niet anders kan mogelijk naar de vuilwaterriolering.
Bij nieuwbouw stellen we de eis dat: • •
er 50 mm van een korte hevig bui van 70 mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen en; dat na minimaal 24 en maximaal 48 uur de bergingscapaciteit weer beschikbaar is.
Bij nieuwe ontwikkelingen is de ambitie dat we waterrobuust bouwen •
•
Een waterrobuust ontwerp op het niveau van het gebouw voorkomt/beperkt waterschade bij extreme neerslag (b.v. geen vitale of kwetsbare functies in kelders). Ontwikkelende partijen worden gewezen op de uitgevoerde stresstesten, zodat ze zelf aanvullende maatregelen kunnen nemen (om bv schade bij een nog extreem heviger bui te voorkomen, bv 100 mm bui/2 uur). Eigenaren van privaat terrein zijn zelf verantwoordelijk voor het voorkomen of beperken van schade door wateroverlast vanuit hun eigen terrein.
Vasthouden: houd regenwater vast op de locatie waar het valt (dak, maaiveld) en infiltreer waar mogelijk in de bodem. Dit draagt ook bij aan meer vocht/ water in de bodem t.b.v. beperking effecten droogte en hitte.
Daarnaast moet de te verwachten bezonningsduur ter plaatse van de te realiseren woningen binnen het plangebied worden bepaald. De bezonning dient te voldoen aan de Haagse normen voor bezonning uit 1996 en de aanvulling uit 2010 (RIS170509 en RIS170509A). In opdracht van de initiatiefnemer is een bezonningsonderzoek uitgevoerd naar de schaduwwerking van het initiatiefplan naar de omgeving. Het plan omvat één bouwdeel tot 125 meter hoogte naast een aantal andere hoogbouwelementen en gaat uit van gehele sloop van de bestaande bebouwing. Het onderzoek is conform de gemeentelijke bezonningsnorm uitgevoerd voor de toetsingsdatum 19 februari.
De ambitie voor deze locatie is 55 mm/uur regenval op eigen terrein opvangen (daken en tuinen). Deze capaciteit is na minimaal 24 uur en maximaal 48 uur weer beschikbaar voor tijdelijke waterberging op eigen terrein.
7.7.2 Bezonning en windklimaat Bezonning Voor het initiatief dient een bezonningsonderzoek te worden verricht om te kunnen beoordelen wat de invloed is van de realisatie van de bebouwing op de bezonning van omliggende bebouwing en de openbare ruimte. Studie naar bezonning
54
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden:
Uit de resultaten van het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken:
•
•
In de bestaande bezonningssituatie voldoen niet alle adressen aan de bezonningsnorm van 2 uur zon op toetsingsdatum 19 februari. Bij 15 van deze adressen is er een verdere afname van de bezonning op de toetsingsdatum vastgesteld. • Er zijn 4 adressen die in de huidige bebouwingssituatie wel 2 uur zon krijgen en door de schaduwwerking van de nieuwbouw niet meer aan deze eis voldoen. • Uit een gevoeligheidsanalyse blijkt dat de betreffende adressen slechts een beperkt deel van het jaar niet aan de norm voldoen. Het complete onderzoek is te vinden in bijlage 6. Bij het opstellen van het bestemmingsplan/ aanvraagomgevingsvergunning moet worden onderbouwd in hoeverre wordt voldaan aan de Haagse normen. In het bestemmingsplan/ruimtelijke onderbouwing moet expliciet aan de orde wordengesteld waarom bij afwijking van deze normen alsnog medewerking kan worden verleend aan de realisatie van het plan. Windklimaat Voor het initiatief is een windonderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat de kwaliteit van het windklimaat voldoende wordt gewaarborgd. Het plan dient te voldoen aan de Haagse normen voor windhinder uit 1996 en de aanvulling uit 2010 (RIS170509 en RIS170509A). Door de initiatiefnemer is een indicatief onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom het plangebied.
Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving.
•
• •
Op diverse plekken in het plangebied wordt een matig windklimaat voor ‘doorlopen’ wordt verwacht. Tevens zijn er enkele gebieden met een beperkt risico op windgevaar. Langs een groot deel van de westgevel van de 100 meter hoge toren, wordt een slecht windklimaat voor ‘slenteren’ verwacht. Het plaatsen van entrees wordt aan deze zijde, zonder aanvullende maatregelen afgeraden, Nergens in het plangebied wordt een slecht windklimaat voor ‘doorlopen’ verwacht, Het plaatsen van extra begroeiing is een effectieve maatregel om het windklimaat in het plangebied lokaal te verbeteren. Dit middel mag worden ingezet t.b.v. een verdere verbetering; niet om te voldoen aan de norm.
Het complete onderzoek is te vinden in bijlage 7. Bij de verdere uitwerking van het plan dienen maatregelen te worden getroffen om de risico’s op windgevaar weg te nemen en het geconstateerde windklimaat te verbeteren. Uitgangspunt dient te zijn dat wordt voldaan aan de NEN 8100 door windhinderproblemen binnen de kavel op te lossen en niet in de openbare ruimte. Bomen en andere inrichtingselementen in de openbare ruimte mogen alleen worden ingezet ter verdere verbetering van het windklimaat. Bij het opstellen van het bestemmingsplan/aanvraag omgevingsvergunning moet met onderzoek worden onderbouwd in hoeverre wordt voldaan aan de NEN 8100 en de voorwaarden volgens het gemeentelijk beleid. In het bestemmingsplan/ ruimtelijke onderbouwing moet expliciet aan de orde worden gesteld waarom bij afwijking van deze normen en voorwaarden alsnog medewerking kan worden verleend aan de realisatie van het plan. In het windklimaatonderzoek is de context onderdeel van het model (inclusief de spoordijk en het station (inclusief perrons). Studie naar windklimaat (zie bijlage 7)
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
55
7.7.3
Luchtkwaliteit en geluid
De verkennende onderzoeken luchtkwaliteit en geluid geven in eerste indicatie van de effecten van de voorgenomen planontwikkeling. Bij de uitwerking van de definitieve plannen dienen deze nogmaals te worden uitgevoerd.
Geconcludeerd kan worden dat de locatie geluidbelast is. De hoogste geluidbelastingen treden op bij de geluidgevoelige bestemmingen in de bebouwing aan de Schenkkade en Laan van Nieuw Oost-Indië en parallel aan het spoor tot een gecumuleerde waarde van ca. 65 dB.
Luchtkwaliteit Op de concentratie verontreinigende stoffen in de lucht is de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 van toepassing. Verder geldt ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Op grond van wetgeving gelden wettelijke grenswaarden, waaraan de concentratie van verschillende verontreinigende stoffen – waaronder stikstofdioxide en fijnstof – moet voldoen.
Voor de nieuwe bebouwing geldt dat door de nagenoeg alzijdige geluidbelastingen voor een groot deel van de woningen aanvullende maatregelen nodig zijn om een geluidluwe zijde per woning te realiseren. Door de hoogte van de optredende geluidbelastingen dient rekening gehouden te worden met permanente maatregelen, zoals bijvoorbeeld afgesloten serres (dove gevels). Dove gevels zijn onwenselijk en die moeten zo veel als mogelijk in het ontwerp worden voorkomen.
Bij ontwikkelingsmogelijkheden wordt onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Daarbij gaat het om geluidsgevoelige bestemmingen zoals ‘Wonen’. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen.
Bij de uitwerking van het plan zal de initiatiefnemer de mogelijkheden voor alternatieve geluidluwe zijdes onderzoeken. Bij de beoordeling van de aanvraag van de hogere waarden dan wel de voorgestelde gevelmaatregelen beoordeelt ODH of de gekozen oplossingen voldoen aan vereisten van de Wet geluidhinder en het Haags Hogere Waardenbeleid.
In opdracht van de initiatiefnemer is een indicatief onderzoek verricht naar de invloed het beoogde initiatief op de luchtkwaliteit. De uitkomst is dat verder onderzoek achterwege kan blijven omdat wordt voldaan aan de grenswaarden en er per saldo geen verslechtering van de luchtkwaliteit optreedt (zie bijlage 8). Geluid De initiatiefnemer heeft een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de akoestische situatie in het plangebied en de randvoorwaarden voor de planvorming vanuit de wettelijke en gemeentelijke akoestische kaders.
Cumulatief geluid (zonder aftrek) (maximaal 69.5 dB)
7.7.4 Bodem Op 1 januari 2006 is de wijziging van Wet bodembescherming (Wbb) in werking getreden. Vertrekpunt van de nieuwe Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is voortaan functiegericht en houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging;
PUK ANNA VAN HANNOVERSTRAAT 4 - MEI 2021
Cumulatief geluid (zonder aftrek) (maximaal 69.5 dB)
Het complete onderzoek is te vinden in bijlage 9.
c. het wegnemen van actuele risico’s.
56
Cumulatief geluid (zonder aftrek) (maximaal 69.5 dB)
Studie naar geluid
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico’s die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen wordt een stuk flexibeler. Het is niet meer altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.Ter plaatse van de gesaneerde gevallen zijn plaatselijk restverontreinigingen achtergebleven waardoor er gebruiksbeperkingen kunnen zijn. De gesaneerde locaties zijn wel geschikt voor het huidige gebruik. Niet alle verdachte deellocaties in het plangebied zijn voldoende onderzocht. Voor die delen van het plangebied waar herinrichting en/of nieuwbouw plaatsvindt en waar nog geen onderzoek en/of sanering heeft plaatsgevonden, zal bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd en eventueel gesaneerd moeten worden. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag blijkt dat de grond (0-2,0 m-maaiveld) in het plangebied gemiddeld matig verontreinigd is met lood, zink en PAK (teerachtige stoffen) en licht verontreinigd met cadmium, koper en kwik. Het gebied kan derhalve geheel als verdacht worden aangemerkt De risico’s van eventuele vervuiling liggen bij de ontwikkelaar.