RIS308747 Bijlage
Tekst van het document
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 42
De plantoename ten opzichte van het kantoorgebouw is maximaal 608 motorvoertuigen per etmaal, bestaande uit 304 vertrekkende en 304 aankomende ritten. De toekomstige verkeersdruk op De Carpentierstraat wordt daarmee 400 + 304 = 704 motorvoertuigen per etmaal. Deze verkeersdruk van de maximale planvariant (met 100% ontsluiting van het plangebied via De Carpentierstraat) past binnen de richtlijn van 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Door initiatiefnemer worden de overige ontsluitingsvarianten nader onderzocht en uitgewerkt, om de (technische) uitvoerbaarheid c.q. haalbaarheid van deze ontsluitingsvarianten te kunnen beoordelen. Vooralsnog kan geconcludeerd worden dat ontsluitingsvariant B de verkeersgeneratie voldoende kan opvangen. Het streven van initiatiefnemer is er echter op gericht om de ontsluiting evenredig over de Carpentierstraat en Laan van NOI te verdelen (ontsluitingsvariant C). 4.4.3
Conclusie
In de studie van Goudappel Coffeng is voor het bepalen van de (fiets)parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie uitgegaan van een worst-case invulling van de commerciële plint. Geconcludeerd kan worden dat op basis van deze invulling, met toepassing van deelauto’s en een duurzaam mobiliteitsconcept, voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig zijn. De berekende verkeersgeneratie kan door een volledige ontsluiting op de Carpentierstraat goed worden opgevangen. Derhalve vormen de verkeer- en parkeeraspecten geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
4.5.1 Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.
Archeologisch beleid gemeente Den Haag De afdeling Archeologie van Den Haag heeft een gemeente dekkende kaart opgesteld, de zgn. Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart, kortweg ‘AWVK’. Hierop is aangegeven waar belangrijke archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, waar vindplaatsen worden verwacht, en welke zones geen archeologische betekenis hebben. Per zone is aangegeven welke onderzoekseisen, diepteen oppervlaktevrijstellingen er bij ruimtelijke ontwikkelingen gelden voor de omgang met het al dan niet aanwezige bodemarchief. Zo wordt aangesloten bij de nieuwe wetgeving en het onderliggende Europees Verdrag van Malta, die beogen archeologie vast onderdeel te laten zijn van de besluitvorming over de ruimte. In totaal zijn er vier verschillende zones aangegeven op de AWVK. Ten eerste is er de zone met archeologische verwachtingswaarde (Waarde 2), ten tweede de zone met archeologische
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 43
waarde (Waarde 1), ten derde de zone met archeologische waarde Statenkwartier (Waarde 1) en tot slot de zone zonder archeologische verwachting. De onderzoekseisen, diepte- en oppervlaktevrijstellingen voor de zones luiden als volgt. 1. Zone met archeologische verwachting Eisen archeologie: Waarde2: Voor bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld: archeologisch vooronderzoek om risico’s in kaart te brengen. Beleidsdoelstelling 1) Vooronderzoek om vast te stellen of behoudenswaardige archeologie wordt bedreigd 2) Indien van toepassing: opgraven/begeleiden 2. Terreinen van archeologische waarde Eisen archeologie: Waarde1: Archeologisch onderzoek verplicht voor bodemingrepen groter dan 0 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld. 3. Waarde 1 Statenkwartier: In het Statenkwartier geldt de verplichting voor bodemingrepen vanaf 15 m2 en dieper van 1,50 m onder maaiveld. Beleidsdoelstelling 1) Behoud van archeologie in de bodem. 2) Als behoud niet mogelijk/wenselijk is: het veiligstellen van de archeologische resten d.m.v. opgraving of begeleiding. 4. Zone zonder verwachtingen Geen eisen archeologie 4.5.2 Archeologie in relatie tot ontwikkeling Op basis van Archeologische Waarden- en verwachtingenkaart van Den Haag is de projectlocatie gelegen in een gebied zonder archeologische verwachting. Dit is weergegeven op figuur 19.
Er is wel een archeologische meldingsplicht. Dit houdt in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten aangetroffen worden, dit gemeld moet worden aan het bevoegd gezag. figuur 19. Indicatieve uitsnede projectlocatie Archeologisch waarden- en verwachtingenkaart Den Haag (bron: gemeente Den Haag)
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 44
4.5.3 Cultuurhistorie in relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is niet gelegen in beschermd stadsgezicht. Eveneens is de huidige bebouwing op de projectlocatie niet aan te merken als een monument. De Laan van NOI kenmerkt zich wel door de Wederopbouw-architectuur. Met de transformatie van het huidige gebouw en de nieuwbouw van de grondgebonden woningen, wordt met het karakter van de Laan van NOI rekening gehouden. 4.5.4 Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Water
4.6.1 Algemeen Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Waterbeheerplan 2016 – 20201; strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Delfland. In het Waterbeheerplan heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2027. Delfland zet in op stedelijk waterbeheer en samen met gemeenten werken wij aan klimaatadaptatie. Belangrijk uitgangspunt voor Delfland is dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen niet mag verslechteren (standstill beginsel). Watertoets Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets.
Het hoogheemraadschap toetst bouwinitiatieven en herinrichtingsplannen aan het nationaal waterbeleid en het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Delfland heeft de Handreiking Watertoets voor gemeenten opgesteld. In de Handreiking Watertoets (www.hhdelfland.nl/watertoets) worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht en op welke wijze deze in het plan dienen te worden verwerkt. Waterbergingsvisie Den Haag Bezuidenhout (waar het projectgebied onderdeel van uitmaakt) is onderdeel van het boezemgebied. Afgesproken is dat in bestaand stedelijk gebied in het centrum geen extra waterberging hoeft te worden gerealiseerd. Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 – 2020 Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020. Werken aan duurzaamheid betekent voor de riolering dat meer rekening gehouden dient te worden met: het voorkomen dan wel het scheiden van afvalwaterstromen aan de bron, meer oog te hebben voor hergebruik, het terugdringen van energiegebruik, het voorkomen dat schoon water vuil wordt.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 45
Hierbij is het gebruik van voor het oppervlaktewater schadelijke stoffen zoals koper, zink en bitumineuze dakbedekking niet toegestaan. Duurzaam denken en doen komt zo terug in het ontwerp, de aanleg, het beheer en het gebruik van riolering. Afkoppelen van hemelwater is een voorbeeld van een aanpak, waarmee zoveel mogelijk bij de bron wordt voorkomen dat water vuil wordt, dat water wordt vastgehouden op de plaats waar het valt en waarmee gemalen en zuiveringsinstallaties niet onnodig worden belast met het verwerken van schoon hemelwater. 4.6.2 Relatie tot ontwikkeling In onderhavige waterparagraaf wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het vigerende beleid t.a.v. het aspect water. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden / niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit In de huidige situatie is de gehele projectlocatie verhard. Daarnaast is het op basis van het vigerende bestemmingsplan reeds mogelijk het volledige plangebied te verharden. Doordat de projectlocatie reeds volledig verhard is, kan met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van extra verharding.
Derhalve wordt voldaan aan het standstill beginsel van het hoogheemraadschap van Delfland. Hier komt nog bij dat in de toekomstige situatie het plangebied zoveel mogelijk van een groene invulling voorzien (tenminste 20% van het plangebied). Dit zorgt voor vergroening van de openbare en buitenruimte. Daarnaast kan het bijdragen aan extra bergingscapaciteit van water op de daken. Beschermde gebieden De locatie is niet in of in de nabijheid van een waterkering of een primaire watergang gelegen. Riolering Met de voorgenomen ontwikkeling zal aangesloten worden op de bestaande riolering. Grondwater Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een deel van de huidige bestrating vervangen door nieuwbouw. De invloed op de grondwaterstand hiervan is echter nihil en derhalve te verwaarlozen. 4.6.3
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen (significant) negatieve invloed op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Het wateraspect vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1
Algemeen
Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 46
In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. figuur 20. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Naast de systematiek van richtafstanden, bestaat de systematiek functiemenging. Binnen gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. De richtafstanden zijn dan niet toepasbaar. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieu categorieën: categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen: de eisen uit het Bouwbesluit zijn toereikend; categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Voor de diverse functies binnen een functiemengingsgebied zijn echter wel voorwaarden gesteld. Parkeergarages en supermarkten dienen in principe bouwkundig afgescheiden van andere gevoelige functies plaats te vinden vanwege de milieubelasting die zij kunnen veroorzaken.
Verder moet het gaan om: Kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; Productie en laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; De activiteiten, inclusief opslag, geschieden hoofdzakelijk inpandig.
4.7.2
Relatie tot ontwikkeling
Gemengd gebied De projectlocatie heeft de bestemming ‘Kantoor – 2’. In de nabijheid van de projectlocatie kennen de gronden onder andere gemengde bestemmingen. De projectlocatie ligt daarmee in gemengd gebied. In de nabijheid van de projectlocatie wordt gewoond en gewerkt. Het naastgelegen pand, aan de Laan van NOI 131-133, kent tevens een kantorenbestemming. Kantoren vallen op basis van de VNG Bedrijfsactiviteitenlijst functiemenging (SBI-2008 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82) onder categorie 1 en kent binnen gemengd gebied geen richtafstand. Aan de overzijde van het plangebied is een commerciële plint met daarboven woningen gevestigd. In deze commerciële plint zijn bedrijven in milieucategorie 1, maximaal milieucategorie 2 gelegen. Daarnaast zijn aan de Theresiastraat verschillende
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 47
bedrijven gevestigd, zoals een Gall&Gall, een bakkerij, een apotheek, een Albert Heijn, een Kruidvat en een Blokker. Voor deze bedrijven gelden de volgende richtafstanden: Bedrijf
SBI-2008
Categorie
Bakkerij
4724 (detailhandel brood en banket met bakken voor eigen winkel) 4773, 4774 (apotheken en drogisterijen) 47 (detailhandel voor zover n.e.g.) 471 (supermarkten, warenhuizen) Diverse bedrijvigheid tot maximaal categorie 2
Apotheek Kruidvat, Blokker, Gall&Gall Albert Heijn Commerciële plint aan overzijde projectgebied
Afstand tot projectlocatie
1
Richtafstand in gemengd gebied 0
1 1
0 0
ca. 35 meter ca. 15 meter
1 max. 2
0 10 meter
ca. 50 meter ca. 40 meter
ca. 15 meter
De bedrijvigheid in de directe omgeving van de projectlocatie kent weinig milieubelasting en valt onder milieucategorie 1. Deze milieucategorie kent geen richtafstand binnen gemengd gebied. Functiemenging Naast de toets aan de richtafstanden, dient eveneens getoetst te worden aan de systematiek van functiemenging. In het projectgebied zelf vindt immers functiemenging plaats, daar een commerciële plint wordt gerealiseerd in het pand dat grenst aan de Laan van NOI. Conform het PUK zijn in de commerciële plint bedrijven t/m categorie C van de staat van functiemenging mogelijk. De Laan van NOI is aan te merken als een hoofdweg. De functies die de voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt betreffen de volgende: Bedrijven die behoren tot milieucategorie a t/m c van de staat van functiemenging. Kleinschalige detailhandel tot een maximum oppervlak van 250 m2. Cultuur en ontspanning, waarbij gedacht moet worden aan een atelier, lichte horeca (max. 350 m2), zelfstandige kantoorruimte, dienstverlening en maatschappelijke functies (zoals gezondheidszorg, openbare dienstverlening, verenigingsleven, zorg- en welzijnsinstelling). Kantoorfunctie. Bovenstaande functies betreffen allen functies die aan te merken zijn als kleinschalige bedrijvigheid, waarbij de activiteiten hoofdzakelijk inpandig plaatsvinden.
Ook eventuele laad- en loswerkzaamheden (ten behoeve van de detailhandel en de lichte horeca) vinden enkel in de dagperiode plaats. Tot slot wordt bij de uitwerking van het bouwplan het uitgangspunt gehanteerd dat de woningen bouwkundig worden afgescheiden van de commerciële plint. 4.7.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Algemeen
Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 48
buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd. 4.8.2
Relatie tot ontwikkeling
Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting.. Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute: o De projectlocatie is immers op ruim 600 meter van de A12 gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient een ontwikkeling die binnen 200 meter van een transportroute ligt, het groepsrisico te verantwoorden. Omdat de projectlocatie op ruim 600 meter afstand is gelegen, is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. o Het invloedsgebied van de transportroute A12 is afhankelijk van de vervoerde stoffen. Over de Utrechtsebaan vindt vervoer van LPG plaats (stof behorende tot categorie GF33). Het invloedsgebied voor stofcategorie GF3 bedraagt 355 meter. Het projectgebied ligt buiten deze contour (op ruim 600 meter afstand gelegen). o De gemeenteraad van Den Haag heeft op 16 mei 2019 een aangepast routeringsbesluit vastgesteld. Dit routeringsbesluit is op 1 oktober 2019 in werking getreden. Over de Benoordenhoutseweg is vervoer van LPG door middel van een ontheffing mogelijk. De Benoordenhoutseweg ligt echter ook op ruime afstand van het projectgebied.
De Bezuidenhoutseweg, tussen de Laan van Nieuw Oost-Indië en de Boslaan, maakt deel uit van de zogenaamde ‘gesloten verklaring’ (onderdeel van het routeringsbesluit). Over dit traject kan vervoer van LPG plaatsvinden maar daarvan zal in de praktijk (conform opgave van de ODH)2 geen sprake zijn. Hoewel het project binnen 355 meter van deze weg ligt, behoeft (conform opgave van de ODH) niet specifiek aandacht aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid te worden besteed. Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. De projectlocatie is immers op meer dan 900 meter afstand gelegen. De 1%letaliteitsgrens bedraagt 170 meter. De 100%-letaliteitsgrens bedraagt 80 meter.
2
Brief Omgevingsdienst Haaglanden d.d. 14 januari 2020 met kenmerk ODH-2020-00002840
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 49
figuur 21. Uitsnede risicokaart, projectlocatie t.p.v. rode pijl (bron: www.nederland.risicokaart.nl)
4.8.3
Conclusie
De projectlocatie is op voldoende afstand van de risicobronnen gelegen en de voorgenomen ontwikkeling zelf is ook geen risicovolle activiteit. Derhalve vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Geluid
4.9.1
Algemeen
In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Hogere waardenbeleid gemeente Den Haag Indien hogere waarden dienen te worden aangevraagd, dient getoetst te worden aan het hogere waardenbeleid van de gemeente Den Haag. Deze schrijft voor dat de gecumuleerde geluidbelasting op de gevel lager moet zijn dan 69,5 dB en de woning en geluidsluwe gevel moet hebben waarop de gecumuleerde geluidsbelasting voor wegverkeer (na aftrek) lager is dan 53 dB.
Voor eenzijdig georiënteerde één- en tweekamerwoningen mag voor maximaal 50% van de woningen afgeweken
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 50
worden van de voorwaarde van een geluidsluwe zijde. Verder hanteert het beleid gelijkwaardige oplossingen voor de geluidsluwe gevel als er zich in de praktijk onder andere situaties voordoen waarbij er een geluidsluwe gevel wordt gerealiseerd die niet strikt voldoet aan de definitie van een gevel. 4.9.2
Relatie tot ontwikkeling
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de realisatie van geluidsgevoelige objecten, te weten woningen. Derhalve is door DGMR een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij de voorgenomen ontwikkeling getoetst is aan de normen uit de Wet geluidhinder en het geluidbeleid van gemeente Den Haag. Als sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarden, dan moet eveneens een procedure hogere waarde worden doorlopen en geldt ook de verplichting dat aangetoond moet worden dat de geluidwering van de gevel voldoende is om te voldoen aan het Bouwbesluit. In het onderzoek is onderzocht wat als gevolg van wegverkeer de geluidsbelasting op de gevel van de nieuwe woningen is. Vervolgens is beoordeeld of op basis daarvan hogere waarden aangevraagd dienen te worden, en zo ja welke hogere waarden aangevraagd moeten worden. Tot slot richt het onderzoek zich op de vraag of aanvullende maatregelen nodig zijn om de bouw van de woningen mogelijk te maken. Hierna wordt de conclusie van het onderzoek weergegeven. Het volledige akoestisch onderzoek (kenmerk: B.2017.0946.40.R001) is opgenomen in bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Voor de inhoud daarvan wordt derhalve verwezen naar de bijlagen.
Maximaal optredende geluidbelasting Uit het onderzoek blijkt dat de maximaal optredende geluidsbelasting 61 dB bedraagt (na aftrek volgens artikel 110g Wgh) en optreedt bij de woningen op de eerste, tweede en derde verdieping aan de oostzijde van het hoofdgebouw (zijde Laan van NOI). Volgens de Wet geluidhinder wordt voor de woningen aan de noord-, oost- en zuidzijde van het hoofdgebouw de voorkeursgrenswaarde als gevolg van de Laan van NOI overschreden. Voor de woningen aan de noordzijde van het hoofdgebouw wordt de voorkeursgrenswaarde als gevolg van de Theresiastraat overschreden. Voor deze woningen moet een hogere waarden worden aangevraagd. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Hogere waarden In totaal dienen als gevolg van de Laan van NOI voor 96 woningen een hogere waarde te worden aangevraagd. Als gevolg van de Theresiastraat betreffen dit 11 woningen. Voor beide wegen zijn de betreffende woningen voornamelijk aan de noord-, oost- en zuidgevel van het hoofdgebouw gelegen. Alle woningen in het plan hebben een geluidsluwe gevel, met uitzondering van in totaal zeven woningen. Het betreft (eenzijdig georiënteerde) tweekamerappartementen aan de zuidzijde – hoek noordoostgevel (Laan van NOI) op respectievelijk de begane grond, eerste, tweede, derde, vierde, zesde en zevende verdieping.
Voor deze eenzijdig georiënteerde appartementen mag worden afgeweken van de in het geluidbeleid gestelde voorwaarde van een geluidsluwe zijde; het aantal tweekamerappartementen zonder geluidsluwe zijde bedraagt minder dan 50% van het totaal aantal woningen. Voor de Laan van NOI moeten hogere waarden van 49 tot 61 dB worden aangevraagd. Voor de Theresiastraat moeten hogere waarden van 49 tot 52 dB worden aangevraagd. Een volledig overzicht is opgenomen in bijlage 6 van het akoestisch onderzoek (bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing). Aanvullende maatregelen In het plan is de volgende maatregel toegepast; een verhoogde gesloten borstwering van 1.4 meter hoog op de balkons en niet gesloten loggia’s van de eerste verdieping aan de noordoostzijde (zijde Laan van NOI) van het hoofdgebouw. De overige balkons en loggia’s hebben een borstwering van 1.2 meter hoog. De plafonds boven de balkons aan de noordoostgevel (zijde Laan van NOI) moeten geluidsabsorberend (NRC ≥ 0,80) uitgevoerd worden. Op basis van deze maatregel is voor deze woningen een geluidsluwe gevel gecreëerd en wordt voldaan aan de aanvullende eisen van het hogere waardenbeleid van gemeente Den Haag.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 51
4.9.3
Conclusie
Voor de Laan van NOI zijn er 96 woningen waarvoor een hogere waarde moet worden aangevraagd. Voor de Theresiastraat zijn er 11 woningen waarvoor een hogere waarde moet worden aangevraagd. Voor deze woningen wordt voldaan aan het hogere waardenbeleid van gemeente Den Haag. Het aanvragen van hogere waarden staat niet in de weg aan de conclusie dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Luchtkwaliteit
4.10.1 Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de lucthkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. 4.10.2 Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de ontwikkeling van ca. 221 woningen gecombineerd met maximaal 1.000 m2 commerciële functies. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Bovendien is in het onderhavige geval sprake van nieuwbouw van met name woningen waar voorheen een kantoor gevestigd is geweest. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentraties voor een bepaald jaar zijn ter plaatse van een projectgebied. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van een planlocatie. De NSL Monitoringstool (geraadpleegd d.d.
4 december 2019) laat zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2 23,3 µg/m3, van fijnstof PM10 20,8 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 12,4 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing van de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3. De maximale bijdrage van het extra verkeer is niet van zodanige omvang dat de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide de grenswaarden overschrijden.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 52
tabel 1.
Achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van het plangebied (bron: nsl-monitoring.nl)
Jaar
GCN-achtergrondconcentratie t.p.v. rekenpunt ID 113362 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3) PM2,5 (µg/m3)
2017 2020
28,6 23,3
20,3 20,8
12,2 12,4
Grenswaarden
40
40
25
4.10.3 Conclusie Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.
4.11
Natuur
4.11.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Natuurnetwerk Nederland Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft.
Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. 4.11.2 Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door GroenTeam een nader onderzoek uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van GroenTeam is bijgevoegd in de bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Uit het onderzoek van GroenTeam blijkt dat er geen potentieel jaarrond beschermde nesten zijn aangetroffen. Daarnaast is de kans dat overige broedende vogels tijdens het broedseizoen worden aangetroffen uiterst gering. Op basis van inspectie en condities kunnen verblijfplaatsen en vaste vliegroutes van vleermuizen worden uitgesloten. Tevens hebben de voorgenomen werkzaamheden géén consequenties voor zwaarder beschermde flora of fauna. Derhalve bestaat geen aanleiding voor de aanvraag van een ontheffing.
Gebiedsbescherming GroenTeam heeft eveneens geconcludeerd dat op de projectlocatie geen regelgeving met betrekking tot
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 53
de ‘externe werking’ van Natura 2000-gebieden van toepassing is. Daarnaast vormt het plangebied geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of van weidevogelleefgebieden. In het kader van gebiedsbescherming is door DGMR een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (kenmerk: B.2017.0946.24N001), om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op een in de nabijheid gelegen Natura 2000-gebied te bepalen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de systematiek ‘intern salderen’, waarbij de depositie van de toekomstige situatie wordt afgezet tegen de depositie van het referentiesituatie (bestaande situatie). Het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlage 5 van deze ruimtelijke onderbouwing. De conclusie van het onderzoek wordt hieronder weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Er is daarom geen ontwikkelingsruimte nodig. figuur 22. Uitsnede resultaten stikstofdepositie (bron: DGMR)
In het onderzoek is echter wel het uitgangspunt gehanteerd dat tijdens de aanlegfase gebruik wordt gemaakt van materieel van stage klasse IV (bouwjaar 2015 of jonger). Mogelijk kan deels gebruikgemaakt worden van stage klasse IIB. Omdat gebruik wordt gemaakt van de systematiek van intern salderen, dient een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. De vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is reeds voorafgaand aan de omgevingsvergunningprocedure voor de activiteiten ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘bouwen’ aangevraagd en in deze vergunning is het in te zetten bouwmaterieel nader uitgewerkt.3 Op basis van de onderzoeksresultaten van DGMR blijkt dat van een toename van stikstofdepositie geen sprake is. Derhalve is er geen aanleiding om de vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet te verkrijgen en kan gesteld worden dat zicht is op het verkrijgen van ontheffing. Het aspect gebiedsbescherming staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling in de weg. 4.11.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12
Bodem
4.12.1 Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem.
3 De vergunning Wet natuurbescherming is op 17 december 2019 aangevraagd.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 54
De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. 4.12.2 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek (bestaande uit een milieu hygiënisch vooronderzoek, een verkennend milieukundig bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek) uitgevoerd door onderzoeksbureau IDDS. De rapportage d.d. 13 december 2019 is opgenomen in bijlage 6 van deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt door IDDS het navolgende geconcludeerd: Algemene milieu hygiënische bodemkwaliteit De zandige bodem met een zwakke bijmenging met bodemvreemde materialen, vanaf het maaiveld tot 1,5 m-mv, is overwegend licht verontreinigd met enkele zware metalen (kobalt, koper, kwik, lood, nikkel en zink), PCB en PAK. Zeer plaatselijk is de ondergrond (1,0 – 1,5 m-mv) matig verontreinigd met lood.
Het grondwater is niet verontreinigd. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrond- en tussenwaarden dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden aangenomen. De lichte verontreinigingen in de grond en in het grondwater geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. In het kader van de voorgenomen werkzaamheden wordt aanvullend onderzoek naar de matige verontreiniging met lood niet doelmatig geacht. Asbest In de grond is geen asbestverdacht materiaal (grove fractie) aangetroffen. Op basis van de asbestbepalingen (fijne fractie) blijkt in de bodem geen asbest te zijn aangetoond. Aangezien op de locatie visueel geen asbesthoudend materiaal is waargenomen en geen analytisch aantoonbaar gehalte aan asbest is aangetoond wordt de hypothese verdacht ten aanzien van asbest verworpen. PFAS onderzoek Op basis van de PFAS analyse wordt de bodem ingedeeld als zijnde Klasse Wonen / Industrie. 4.12.3 Conclusie Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13
Duurzaamheid
4.13.1
Algemeen
Gemeente Den Haag heeft haar duurzaamheidsdoelstellingen in diverse nota’s/ beleidsstukken verwoord. Met de nota ‘Den Haag Duurzaam Agenda 2015 – 2020’ (RIS 283893) verbindt de gemeente Den Haag zich aan vier prioriteiten en brengt het tegelijkertijd focus aan voor nieuw beleid: 1. verder verlagen van de CO2 uitstoot; 2. uitbreiden en verduurzamen van het warmtenet;
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 55
3. klimaatbestendig maken van de stad; 4. versterken van duurzame ‘Haagse Kracht’. Daarnaast wil het college van B&W van Den Haag het natuurinclusief bouwen in de stad bevorderen (RIS 288182). Enerzijds gaat het om het verbeteren van de leefomstandigheden van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Anderzijds gaat het om een veel bredere opgave om meer (natuurlijk) groen in de directe woonomgeving toe te passen. Tot slot is in het Coalitieakkoord van 2018 nadrukkelijk aandacht gevraagd voor duurzaamheid. Binnen duurzaamheid worden vier thema’s benoemd, te weten: 1. energietransitie; 2. groene en klimaatbestendige stad; 3. afval / circulaire economie; 4. dieren(-welzijn) 4.13.2
Relatie tot ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling draagt bij in de onder paragraaf 4.13.1 benoemde duurzaamheidsdoelstellingen van gemeente Den Haag. Zo is transformatie van leegstaande kantoorgebouwen naar gebouwen met een woonfunctie per definitie duurzaam. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden het casco, de fundering (i.c. de kelder) en ook het hoofdtrappenhuis opnieuw gebruikt. Dat spaart nieuwe bouwmaterialen uit en geeft bestaande grondstoffen een langere technische levensduur. Daarnaast past het hergebruik van een bestaand pand reeds binnen de circulaire economie. Naast het hiervoor genoemde hergebruik, wordt middels een Wearthy scan onderzocht of nog andere delen van het pand her te gebruiken zijn. Tevens volgen uit een Wearthy scan concrete materiaaladviezen, die de CO2-emissie verlagen. Ook is de initiatiefnemer voornemens circulair te slopen. Meer specifiek zijn de volgende duurzaamheidsmaatregelen doorgevoerd. De thermische schil van het te transformeren gebouw is – bijna overal – geüpgraded tot op het nieuwbouwniveau uit het huidige Bouwbesluit. Daarnaast is vanwege de realisatie van nieuwe gevels ook de kierdichting aanzienlijk verbeterd, hetgeen niet alleen het comfort van de bewoners ten goede komt maar ook het beperken van verwarmingsenergie.
Voor de transformatie is daarnaast een decentraal gebalanceerd ventilatiesysteem met hoog rendement warmteterugwinning op woningniveau opgenomen. Het dak van het te transformeren gebouw beschikt over zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de voor dit project gestelde ambitie om te voldoen aan de EPC volgens nieuwbouwniveau (EPC 0,4). Voor de eengezinswoningen worden eveneens zonnepanelen toegepast. Voor de warmte-opwekking is er voor gekozen gebruik te maken van een externe opwekking in de vorm van stadsverwarming, welke op dit moment een Equivalent opwekkingsrendement secundair heeft van 1,4. Voor de eengezinswoningen is aanvullend een zogenaamde douchegoot WTW opgenomen. Deze douchegoot heeft een geïntegreerde warmtewisselaar waardoor tijdens het douchen warmteterugwinning uit warm douche(afval)water als restwarmte wordt benut. Met die restwarmte wordt koud aanvoerwater dat naar de douchemengkraan loopt voorverwarmd. Dat staat allemaal voor een lage energierekening. Tot slot wordt op woningniveau ingezet op beperking van drinkwatergebruik door installatie van waterbesparend sanitair; toiletten meteen spoelkeuzeknop, doorstroombegrenzers, perlators op kranen en een waterbesparende douchekop.
Naast deze maatregelen worden op de daken van zowel het te transformeren gebouw als op de eengezinswoningen (gedeeltelijk) groene daken toegepast, met inheemse en biodiverse soorten beplanting. Eveneens wordt ingezet op een groene (openbare) buitenruimte. Alle genoemde maatregelen leveren het gebouw een GPR-score van gemiddeld 7,5 op over de vijf categorieën met een minimum van 7,0 per categorie.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 56
4.13.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling draagt in voldoende mate bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen van gemeente Den Haag.
4.14
(Vormvrije) m.e.r-beoordeling
4.14.1
Algemeen
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. 4.14.2
Relatie tot ontwikkeling
De ontwikkeling omvat de realisatie van ca. 221 woningen en maximaal 1.000 m2 commerciële functies. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling Op 18 december 2019 is een aanmeldnotitie ingediend ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. In de aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag verzocht het besluit te nemen dat, gelet op de aard en omvang van het project en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, een milieueffectrapportage niet gerechtvaardigd is en dat kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De aanmeldnotitie met daarin de vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in de bijlage 7 van deze ruimtelijke onderbouwing.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 57
5
Beschrijving uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de Laan van NOI 123 – 127 te Den Haag wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen Gemeente Den Haag en Laan van NOI BV. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie en omgevingscommunicatie Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft de initiatiefnemer een onafhankelijk expert, te weten ‘Dietz Strategie & Communicatie’, opdracht gegeven om de participatie en omgevingscommunicatie uit te voeren tijdens de planvormingsfase. In de periode tussen maart 2018 en december 2019 zijn op dit vlak diverse activiteiten uitgevoerd. Dietz Strategie & Communicatie heeft een overzicht gegeven van de ondernomen activiteiten in het kader van de participatie en omgevingscommunicatie. Het participatie- en omgevingscommunicatieproces is als volgt vormgegeven: - Informeren en consulteren t.b.v. vaststelling Planuitwerkingskader (PUK) - Consulteren t.b.v. planvorming Voorlopig Ontwerp (VO) - Informeren en consulteren t.b.v. vaststelling Voorlopig Ontwerp (VO) - Consulteren t.b.v. vaststellen Definitief Ontwerp (DO) Er is gekozen om eerst (breed) te informeren, op basis van de eerste reacties een klankbordgroep te vormen, vaste overlegstructuur in te bouwen met het Wijkberaad, een projectwebsite voor vragen en opmerkingen te ontwikkelen en ook de tussentijdse stand van zaken te borgen door middel van een terugkoppeling. Van iedere klankbordgroep bijeenkomst is een verslag gemaakt, dat bij de volgende vergadering steeds in overleg met de klankbordgroep ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Tevens wordt op basis van de klankbordgroep bijeenkomsten, het tussentijdse overleg en overige vragen en opmerkingen een actie- en vragenlijst bijgehouden. Achtereenvolgens hebben de volgende participatie- en omgevingscommunicatiemomenten plaatsgevonden: - Overleg afvaardiging Wijkberaad (29 maart 2018) - Informatiebrief (11 mei 2018) - Informatiebijeenkomst (24 mei 2018) - Klankbordgroep (4 juli 2018) - Klankbordgroep (10 oktober 2018) - Informatiebrief (10 april 2019) - Informatiebijeenkomst (25 april 2019) - Klankbordgroep (4 oktober 2019) - Klankbordgroep (26 november 2019) Tussentijds is met diverse vertegenwoordigers uit de omgeving overleg gevoerd aan de hand van specifieke vragen.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 58
Tijdens de diverse contactmomenten met de klankbordgroep en (brede) omgeving, zijn verscheidene thema’s benoemd. Door initiatiefnemer zijn deze thema’s meegenomen in de verdere planuitwerking en heeft deze, waar mogelijk, verwerkt in de plannen. Zo hebben de gevels van de grondgebonden woningen aan de Carpentierstraat meer gelaagdheid en reliëf gekregen, naar aanleiding van de daartoe aangedragen aanvullingen vanuit de omgeving. Daarnaast wordt, in tegenstelling tot de voorkeursvariant uit het PUK t.a.v. de ontsluiting, de ontsluiting via twee zijden van de projectlocatie nadrukkelijk onderzocht, uitgewerkt en nu voorgesteld door initiatiefnemer om zo aan de wens van de omgeving tegemoet te komen. In de planvorming is daarnaast rekening gehouden met de wensen van de omgeving voor wat betreft het volume van de voorgenomen ontwikkeling. Zo is het hoogste punt van de bestaande bebouwing ‘uitgevuld’, in plaats van het toevoegen van een extra bouwlaag. Ook is dit gebouw enkel uitgebreid naar de zijde van de Laan van NOI en niet naar de zijde van de Theresiastraat. De nieuwe zijgevel blijft daarmee gelijk aan de huidige zijgevel van het bestaande pand op de projectlocatie. Tot slot zijn nog verscheidene suggesties van de omgeving ten aanzien van de thema’s afvalinzameling, afwatering, duurzaamheid en groenvoorzieningen doorgevoerd in de nadere planuitwerking.
Na het indienen van de omgevingsvergunningaanvraag zal een brede informatiebijeenkomst voor de omgeving georganiseerd worden. Daarnaast blijft de opgerichte klankbordgroep bestaan. Procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 59
6
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
De initiatiefnemer heeft als doel op de locatie Laan van NOI 123 – 127 het bestaande pand te transformeren naar de functie wonen gecombineerd met commerciële functies. Daarnaast wordt voorzien in de nieuwbouw van grondgebonden woningen. In totaal worden ca. 221 woningen gerealiseerd, waarvan 205 huurappartementen en 16 eengezinswoningen (koop) . De appartementen variëren in grootte tussen de 40 en 190 m2 bvo. De grondgebonden woningen hebben een oppervlak van ca. 130 m2 bvo. Het appartementengebouw wordt eveneens voorzien van een commerciële plint van maximaal 1.000 m2 bvo. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 60
Bijlage
Bezonning- en windklimaatonderzoek DGMR
Bijlage
Verkeer- en parkeeronderzoek – Goudappel Coffeng
Bijlage
Akoestisch onderzoek - DGMR
Bijlage
Ecologische quickscan - Groenteam
Bijlage
Stikstofdepositieonderzoek - DGMR
Bijlage
Bodemonderzoek – IDDS
Bijlage
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling – Mees Ruimte & Milieu