RIS308747 Bijlage
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING PROJECT
Laan van NOI 123 – 125 - 127 te Den Haag
STATUS
definitief 1.3
PROJECTNUMMER
18104
DATUM
25 mei 2020
AUTEUR
A. van Dam LLB
CONTROLE
R. Droogendijk LLB
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 www.meesruimteenmilieu.nl Dorpsstraat 50 te Zoetermeer Nijverheidsweg 16A te Utrecht A. Hofmanweg 5A te Haarlem Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 2
Inhoudsopgave 1
Inleiding
pagina 4
2
Projectbeschrijving 2.1 Projectlocatie 2.2 Projectplan 2.3 Vigerend planologisch regime 2.4 Planuitwerkingskader (PUK) 2.5 Stedenbouw
5 5 5 11 15 18
3
Ruimtelijk beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
19 19 20 27 28
4
Omgevingsaspecten 4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.2 Bezonning 4.3 Windhinder 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Archeologie en cultuurhistorie 4.6 Water 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Externe veiligheid 4.9 Geluid 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Natuur 4.12 Bodem 4.13 Duurzaamheid 4.14 (Vormvrije) m.e.r-beoordeling
37 37 38 39 40 43 45 46 48 50 52 53 54 55 57
5
Beschrijving uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
58 58 58
6
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
60
Bijlagen Bezonning- en windklimaatonderzoek DGMR Verkeer- en parkeeronderzoek – Goudappel Coffeng Akoestisch onderzoek - DGMR Ecologische quickscan - Groenteam Stikstofdepositieonderzoek - DGMR Bodemonderzoek – IDDS Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling – Mees Ruimte & Milieu
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 3
1
Inleiding
In opdracht van Laan van NOI BV heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste herontwikkeling van de gronden behorende bij Laan van Nieuw Oost-Indië 123 – 125 – 127 te Den Haag. Omdat de ontwikkeling niet past binnen het vigerende bestemmingsplan “Bezuidenhout”, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 4
2
Projectbeschrijving
2.1
Projectlocatie
De projectlocatie is gelegen aan de Laan van Nieuw-Oost Indië 123 – 125 – 127 (hierna: Laan van NOI), in de wijk Bezuidenhout-Midden. De wijk Bezuidenhout is centraal gelegen in de stad. Zo grenst de wijk aan het Haagse Bos en is het in de nabijheid van het Openbaar Vervoer (OV) gelegen. Meer specifiek wordt het projectgebied ingeklemd tussen de Theresiastraat aan de noordwestzijde, de Laan van Nieuw Oost-Indië aan de noordoostzijde, bebouwing aan de zuidoostzijde en de Carpentierstraat aan de zuid- en westzijde. figuur 1. luchtfoto projectlocatie (bron: QGIS eigen bewerking)
2.2
Projectplan
2.2.1 Huidige situatie In de huidige situatie zijn de gronden behorende bij de projectlocatie bestemd voor een kantoorfunctie. Door het bombardement (3 maart 1945) werd het grootste deel van Bezuidenhout-midden verwoest. Zo ook het gebied van het latere perceel Laan van NOI 123 (projectlocatie). In 1957 werd het Wederopbouwplan van architect Dudok vastgesteld. Bezuidenhout werd niet herbouwd zoals het was, er werd aanvullend gesloopt om onder andere te voorzien in brede verkeerswegen zoals de Juliana van Stolberglaan en de Utrechtsebaan, maar ook kavels voor nieuwe kantoren van het Rijk rondom station Den Haag Centraal. De vroege Wederopbouw kenmerkt zich nog met (deels) gesloten bouwblokken, ambachtelijke architectuur en met functiemenging aan de stadsstraten. Het later in 1970 opgeleverde vrijstaande kantoor op de projectlocatie, en de in dit bouwblok gelegen andere vrijstaande gebouwen zijn dan ook een stijlbreuk. Hierdoor vertoont dit deel van de Laan van Nieuw Oost-Indië weinig samenhang. De stijlbreuk is het resultaat van de gunstige ligging van de wijk Bezuidenhout ten opzichte van ontsluitingswegen en het openbaar vervoer in periode van de stadsvernieuwing en cityvorming. In die
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 5
periode ontstaat de verkantorisering van de wijk en schaalvergroting van de bebouwing. Een veelvuldige kaalslag van woningen ten behoeve van de nieuwbouw van grote kantoren kwam veel voor. Dit maakte dat de leefbaarheid onder druk kwam te staan en er, na samenspraak met de wijkvereniging, geen verdere schaalvergroting van kantoorgebouwen heeft plaatsgevonden in Bezuidenhout-Midden. Een weergave van de huidige bebouwing op de projectlocatie is opgenomen in onderstaand figuur. figuur 2. huidige situatie
2.2.2 Toekomstige situatie De herontwikkeling van de locatie bestaat voor het merendeel uit de transformatie van de huidige bebouwing op de locatie. Daarnaast vindt op een deel van de locatie nieuwbouw plaats. Hieronder worden het toekomstige programma en het ontwerp van een nadere toelichting voorzien. Programma Voor de herontwikkeling van de projectlocatie is door gemeente Den Haag in november 2018 het ‘Planuitwerkingskader Laan van Nieuw Oost-Indië 123 – 127’ (PUK) opgesteld. In het PUK zijn ruimtelijke en stedenbouwkundige randvoorwaarden opgenomen. Op deze randvoorwaarden uit het PUK zal in paragraaf 2.4 nader worden ingegaan. Hieronder wordt eerst het te realiseren programma op de projectlocatie beschreven. De voorgenomen hoofdfunctie voor de locatie is wonen. In totaal worden ca. 221 woningen gerealiseerd, waarvan 205 huurappartementen en 16 eengezinswoningen (koop) . De appartementen variëren in grootte tussen de 40 en 190 m2 bvo. De grondgebonden woningen hebben een oppervlak van ca. 130 m2 bvo. Door de variërende grootte van de woningen, wordt met de voorgenomen ontwikkeling bijgedragen aan de wens van de gemeente om verschillende typen woningen in diverse segmenten te realiseren. Hierbij wordt in ieder geval voorzien in de eis dat 30% van de woningen in het sociale segment wordt gerealiseerd.
Naast de woonfunctie wordt het appartementengebouw voorzien van een commerciële plint met een oppervlakte van ca. 1.000 m2 bvo. De exacte invulling van deze plint is nog niet bekend, maar – conform de randvoorwaarden uit het PUK – wordt in ieder geval rekening gehouden met: - Bedrijven die behoren tot milieucategorie a t/m c van de staat van functiemenging (zie ook paragraaf 4.8 van deze ruimtelijke onderbouwing). - Kleinschalige detailhandel tot een maximum oppervlak van 250 m2.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 6
-
Cultuur en ontspanning, waarbij gedacht moet worden aan een atelier, lichte horeca (max. 350 m2), zelfstandige kantoorruimte, dienstverlening en maatschappelijke functies (zoals gezondheidszorg, openbare dienstverlening, verenigingsleven, zorg- en welzijnsinstelling). - Kantoorfunctie. De commerciële plint wordt daarnaast onderverdeeld in minimaal drie eenheden. De voorziene mix van wonen en werken op de projectlocatie heeft tot gevolg dat een impuls wordt gegeven aan de stedelijke kwaliteit ter plaatse. Zo wordt aangesloten op de winkels en voorzieningen aan de Theresiastraat en wordt het anonieme karakter van het gebied weggenomen doordat er meer dynamiek in de straat ontstaat. Tot slot wordt parkeren voorzien op eigen terrein in de vorm van 158 parkeerplaatsen. Impressies van de nieuwe situatie zijn in onderstaande figuren weergegeven. figuur 3. Impressie toekomstige situatie, beeld vanaf Laan van NOI zijde (bron: Geurst & Schulze Architecten)
figuur 4. Impressie toekomstige situatie, beeld eengezinswoningen (bron: Geurst & Schulze Architecten)
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 7
Ontwerp Zoals reeds aangegeven vindt op de projectlocatie zowel een transformatie van de huidige bebouwing als nieuwbouw plaats (in de vorm van grondgebonden woningen). De transformatie van de huidige bebouwing op het perceel behelst de transformatie van een monofunctioneel kantoorgebouw naar een gemengd stedelijk bouwblok (de functie kantoor naar wonen/werken). De transformatie gaat gepaard met een aantal (bouwkundige) ingrepen, waarbij het uitgangspunt is dat het hoogste punt op basis van het vigerende bestemmingsplan – te weten 35 meter – niet wordt overschreden. De huidige bebouwing kan worden onderverdeeld in ‘hoogbouw’ en ‘laagbouw’, zie hiervoor figuur 5. Het huidige hoogste punt van de hoogbouw, wordt niet overschreden maar deze laag wordt ‘uitgevuld’. Van de reeds bestaande laagbouw wordt een laag gesloopt en twee lagen toegevoegd. Dit resulteert per saldo in het toevoegen van een bouwlaag. Uitgedrukt in bouwhoogte wordt de maximale bouwhoogte van de hoogbouw ca. 34 meter en de maximale hoogte van de laagbouw ca. 27 meter. figuur 5. Visualisatie bestaande ‘hoog- en laagbouw’ op de projectlocatie (bron: QGIS eigen bewerking)
De plint van het bestaande gebouw wordt in de toekomstige situatie ingevuld met commerciële functies. Om een (visueel) aantrekkelijke plint te realiseren, bedraagt de verdiepingshoogte van de plint ca. 5 meter. De commerciële ruimten in de plint worden onderverdeeld in tenminste drie eenheden. Derhalve zullen er tenminste drie entrees naar de commerciële ruimten gerealiseerd worden. Voor de toegang tot de woningen in het hoofdgebouw, worden eveneens entrees op de begane grond gerealiseerd. Dit betreffen eveneens drie hoofdentrees, waarvan er twee zijn onderverdeeld in twee aparte entrees. Tot slot vindt door de voorgenomen bouwkundige ingrepen een uitbreiding van het hoofdgebouw plaats richting de Laan van NOI. Naast de transformatie wordt voorzien in de nieuwbouw van ca. 16 grondgebonden eengezinswoningen. De eengezinswoningen worden voorzien van een dakopbouw. Deze dakopbouw is, conform de randvoorwaarden van het PUK, ondergeschikt en is op tenminste drie meter afstand van de voorgevel gelegen. Hierdoor bedraagt de maximale bouwhoogte ter plaatse van het ondergeschikte bouwdeel 12 meter. De bouwhoogte van de voorgevel van de woningen bedraagt ca. 9,5 meter. Op de figuren 6 t/m 9 zijn de gevelaanzichten van de voorgenomen herontwikkeling weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 8
figuur 6. DO Noordoostgevel (bron: Geurst & Schulze Architecten)
figuur 7. DO Zuidoostgevel (bron: Geurst & Schulze Architecten)
figuur 8. DO Zuidwestgevel (bron: Geurst & Schulze Architecten)
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 9
figuur 9. DO Noordwestgevel (bron: Geurst & Schulze Architecten)
2.2.3 Operationaliseren begrippen In (sub)paragraaf 2.2.2 zijn in de toelichting op het programma ten behoeve van de commerciële plint diverse begrippen gehanteerd om de mogelijke functies in de commerciële plint te duiden. Om een goed beeld te krijgen wat met deze begrippen wordt bedoeld c.q. wat deze functies inhouden, worden deze hieronder geoperationaliseerd. Bedrijven die behoren tot milieucategorie a t/m c van de staat van functiemenging: op de tekeningen die onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning aanvraag voor de activiteiten ‘handelen in strijd regels ruimtelijke ordening’ en ‘bouwen’ wordt deze functie aangeduid als zijnde ‘commercieel’. Conform het vigerende paraplubestemmingsplan ‘Parapluherziening Staat van bedrijfsactiviteiten’ (zie ook paragraaf 2.3 van deze ruimtelijke onderbouwing) geldt voor de projectlocatie de bijlage ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten – functiemenging’, welke als bijlage 3 bij de planregels van het paraplubestemmingsplan zijn opgenomen. Kleinschalige detailhandel tot een maximum oppervlak van 250 m2: op de tekeningen die onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning aanvraag voor de activiteiten ‘handelen in strijd regels ruimtelijke ordening’ en ‘bouwen’ wordt deze functie aangeduid als zijnde ‘detailhandel’.
Hieronder wordt verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; onder detailhandel wordt niet begrepen belwinkels, internetcafés, coffeeshops, paddoshops en het verkopen en/of leveren van goederen voor het gebruik ter plaatse; eveneens is daaronder niet begrepen het verkopen van (consumenten)vuurwerk, inclusief de daarbij behorende opslag van vuurwerk, en het verkopen van munitie inclusief de daarbij behorende opslag van munitie en kruit. Cultuur en ontspanning: op de tekeningen die onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning aanvraag voor de activiteiten ‘handelen in strijd regels ruimtelijke ordening’ en ‘bouwen’ wordt deze functie aangeduid als zijnde ‘cultuur en ontspanning’. Zoals reeds in paragraaf 2.2.2 is aangegeven dient bij deze functie gedacht te worden aan een atelier, lichte horeca (max. 350 m2), zelfstandige kantoorruimte, dienstverlening en maatschappelijke functies (zoals gezondheidszorg, openbare dienstverlening, verenigingsleven, zorg- en welzijnsinstelling).
Lichte horeca: op de tekeningen die onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning aanvraag voor de activiteiten ‘handelen in strijd regels ruimtelijke ordening’ en ‘bouwen’ wordt deze functie aangeduid als zijnde ‘bijeenkomst’. Onder lichte horeca worden horeca-inrichtingen verstaan, waaraan volgens de 'Staat
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 10
van Horeca-categorieën'1 de categorie Licht wordt toebedeeld. Over het algemeen betreft het horecainrichtingen, waarvan de exploitatie aansluit bij winkelvoorzieningen en voornamelijk gericht is op het winkelend publiek en omliggende kantoren. De openingstijden liggen van maandag tot en met zondag tussen 07.00 uur en 23.00 uur. Het aanbieden van vermaak maakt geen onderdeel uit van de exploitatie. Het gaat om horeca-inrichtingen, waarbij de exploitatie onder andere gericht is op: o verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide maaltijden en etenswaren. Alcoholische dranken worden slechts ondersteunend aan de maaltijd geschonken, of; o het verstrekken van niet-alcoholische dranken; Horecavormen die onder deze categorie vallen zijn onder andere: lunchroom/broodjeszaak, cafetaria/snackbar, koffieconcept/koffiehuis, ijssalons en take away / maaltijdbezorging. Kantoorfunctie: een gebouw, dat in hoofdzaak dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het in administratieve zin doen functioneren van de instelling, waaronder een vergaderaccommodatie.
2.3
Vigerend planologisch regime
Bestemmingsplan Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Bezuidenhout” vigerend. Dit plan is op 24 april 2014 vastgesteld door de gemeenteraad van Den Haag. De gehele projectlocatie heeft de bestemming ‘Kantoor - 2’ (roze vlak, figuur 10). Er geldt een bouwvlak, waarbinnen gebouwd mag worden tot een bouwhoogte van respectievelijk 24 meter, 31 meter en 35 meter. Figuur 10 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan, waarop de maatvoering (middels eigen bewerking) is weergegeven. Naast de bestemming ‘Kantoor’ heeft een klein gedeelte van de projectlocatie (zijde Laan van NOI) de bestemming ‘Verkeer - Hoofdverkeersweg’ (grijze vlak, figuur 10). Hierna worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief. figuur 10. Indicatieve uitsnede bestemmingsplankaart met maatvoering (bron: QGIS eigen bewerking)
1 Deze Staat van Horeca-categorieën maakt onderdeel uit van het vigerende bestemmingsplan ‘Bezuidenhout’.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 11
Artikel 11 – Kantoor – 2 11.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Kantoor – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor kantoor, één en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, groen, water, (gebouwde) parkeervoorzieningen en overige voorzieningen. 11.2 Bouwregels 11.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de gebouwen moeten zich bevinden binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak; b. de hoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de plankaart staat aangegeven; c. ter plaatse van de aanduiding ‘onderdoorgang’, dient een onderdoorgang in stand te worden gehouden, het gebruik is mede aansluitend op de naastgelegen verkeersbestemming; d. ondergrondse parkeervoorzieningen zijn toegestaan in maximaal twee lagen. 11.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m. b. het gestelde onder a is niet van toepassing op het plaatsen van masten en soortgelijke bouwwerken; c. in uitzondering op het gestelde onder a mag de hoogte van erf- en/of terreinafscheidingen, voor zover deze zich voor de voorgevel bevinden, niet meer dan 1 m bedragen. 11.3 Specifieke gebruiksregels a.
Jeugd-, kinder- en buitenschoolse opvang dient te voldoen aan de criteria genoemd in de beleidsnota ‘Ruimtelijke implementatie kindercentra in Den Haag’(RIS085329).
11.4 Wijzigingsbevoegdheid a. het bevoegd gezag kan de bestemming ‘Kantoor – 2’ wijzigen in de bestemming ‘Gemengd – 4’ met inachtneming van de bestemmingsomschrijving en bouwregels zoals opgenomen in de bestemming ‘Gemengd – 4’; b. voor de percelen grenzend aan de Theresiastraat kan het bevoegd gezag de bestemming tevens wijzigen in de bestemming ‘Gemengd – 1’ met inachtneming van de bestemmingsomschrijving en bouwregels zoals opgenomen in de bestemming ‘Gemengd – 1’; c. bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in lid 11.4 van dit artikel dient de procedure te worden gevolgd als bedoeld in artikel 34 Algemene procedureregels. Artikel 15 Verkeer - Hoofdverkeersweg 15.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Hoofdverkeersweg' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen met een ontsluitingsfunctie voor de wijk en stad; b. openbaar vervoerstroken- en banen; c. ongebouwde parkeervoorzieningen; d. ondergrondse parkeervoorzieningen in 2 lagen en bijbehorende in- en uitritten; e. toegangsportalen, ontluchtingsmiddelen en daarmee vergelijkbare bouwwerken; f. voet- en fietspaden, en ter plaatse van de aanduiding: g. 'specifieke vorm van verkeer - viaduct' en 'brug' is een viaduct ten behoeve van railverkeer en overig verkeer en bruggen ten behoeve van de verkeersfunctie toegestaan; h.
'openbaar vervoer' is een boven maaiveld gelegen openbaar vervoerbaan toegestaan met tramsporen, bovenleidingen, kunstwerken, technische ruimten ten behoeve van het tramverkeer; i. 'openbaar vervoer station' is een openbaar station toegestaan met bijbehorende kunstwerken, haltes, liften, trappen, technische ruimten en perronoverkappingen; j. 'horeca tot en met horecacategorie 1', gebruik als horecainrichting in de categorie 'Licht', één en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, groen, water en overige voorzieningen.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 12
15.2 Bouwregels 15.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. op de in het eerste lid bedoelde gronden mogen, anders dan wat daar is toegestaan, geen gebouwen worden gebouwd; b. in uitzondering op het bepaalde onder a is ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 1', een gebouw toegestaan van ten hoogste 50 m2 b.v.o. met een maximale hoogte van 3,5 m; c. de maximale hoogte van viaducten is niet hoger dan het was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan; d. in uitzondering op het bepaalde onder a zijn in de Beatrixlaan maximaal vier kiosken met elk een bvo van maximaal 40 m2 en een hoogte van 3,5 m toegestaan, welke gepositioneerd dienen te zijn binnen de aanduiding 'openbaar vervoer'. 15.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. op de gronden zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming toegestaan, zoals verkeersgeleiders en kunstwerken. b. de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg', bedraagt: 1. voor palen en masten 9 m; 2. voor een luifel 6 m; 3. voor erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn en het verlengde daarvan 1 m; 4.
voor erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn en het verlengde daarvan 2 m; 5. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 3 meter; c. ten behoeve van de bestemming Gemengd - 3 aan de Prinses Beatrixlaan dient er een onderdoorgang in stand te worden gehouden.
Toets aan bestemmingsplan De voorgenomen herontwikkeling is op drie onderdelen in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De strijdigheden zijn gelegen in: De voorgenomen gemengde functies van het plan, daar conform het vigerende planologische regime enkel de kantoorfunctie is toegestaan. Het overschrijden van de bouwhoogte ter plaatse van respectievelijk de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte: 24 m’ en ‘maatvoeringsaanduiding ’31 m’. De bouwhoogte van 24 meter wordt met ca. 3 meter overschreden en de bouwhoogte van 31 meter wordt eveneens met ca. 3 meter overschreden. Het realiseren van bebouwing buiten het huidige bouwvlak. Het betreft hier de realisatie van de grondgebonden woningen aan de zijde van de Carpentierstraat en de uitbreiding van het reeds aanwezige hoofdgebouw naar de zijde van de Laan van NOI. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’. Parapluherziening (fiets)parkeren Op 20 september 2018 heeft de gemeenteraad van Den Haag het paraplubestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’ vastgesteld. Dit plan draagt er zorg voor dat overal in de stad Den Haag bij nieuwbouwplannen of wijzigingen van het gebruik dezelfde eisen voor het (fiets)parkeren kunnen worden gesteld.
Het paraplubestemmingsplan schrapt een aantal regels uit bestaande bestemmingsplan en vervangt deze voor nieuwe regels.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 13
In onderstaande tabel wordt weergegeven welke regels het paraplubestemmingsplan vervangt de uit het bestemmingsplan “Bezuidenhout” (het vigerende planologische regime voor de projectlocatie): Regel uit “Bezuidenhout”
Wordt vervangen door:
Artikel 29 sub l welke bepaalt dat ‘een ruimte voor het parkeren van een personenauto in de buitenruimte de afmetingen moet hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: 1. Indien de afmetingen van een parkeerruimte voor een personenauto en minste 1,80 m bij 5,50 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedraagt, uitgaande van langsparkeren en ten minste 2,50 m bij 5,00 m in geval van haaks parkeren; 2. Indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte, voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan trottoir grenst, ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedraagt.’ Artikel 30 sub c welke bepaalt dat ‘indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet volgens de parkeernormen en kaart zoals opgenomen in Bijlage 3 parkeernormen van de regels ten behoeve van het parkeren of stallen van personenauto’s ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel met inachtneming van het bepaalde hieromtrent in de bestemmingsregels op of onder het bebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.’ Artikel 30 sub d welke bepaalt dat ‘indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het stallen of parkeren van fietsen en bromfietsen en voor het laden of lossen van goederen, moet volgens de parkeernormen en kaart zoals opgenomen in
Bijlage 3 Parkeernormen van de regels in deze behoefte zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort’
Artikel 5 Algemene bouw- en gebruiksregels 5.1 Algemeen a. Indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft, mag een gebouw of functie alleen worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren van voertuigen en (brom)fietsen, met dien verstande dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie behoort; b. of sprake is van voldoende (fiets)parkeergelegenheid, zoals genoemd onder a wordt bepaald op basis van de (fiets)parkeernormen, (fiets)parkeereisen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in: 1. voor motorvoertuigen: de Nota parkeernormen Den Haag, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; 2. voor fietsen: de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; c. burgemeester en wethouders passen de Nota parkeernormen Den Haag en beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning;
Artikel 32.2 sub b welke bepaalt dat ‘met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de parkeernormen die gehanteerd worden voor het parkeren of stallen van auto’s, fietsen, bromfietsen en voor het laden en lossen van goederen, indien: 1. op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien; 2. nadere besluitvorming ten aanzien van het parkeerbeleid en/of parkeernormen aanleiding geeft om af te wijken van de parkeernormen; 3. het voldoen aan de parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend: een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw; een te verwachten meer dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers, indien het gebouw bestemd is voor de vestiging van één of meer detailhandelsbedrijven, dienstverlening of cultuur en ontspanning; een bestemming van het gebouw als parkeergarage dan wel garagebedirjf. Bijlage 3 ‘parkeernormen’
5.2 Afmetingen ruimte voor parkeren a. Een ruimte voor het parkeren van personenauto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: 1. Indien de afmetingen van een voor een gehandicapte gereserveerde parkeerruimte, bij haaks parkeren ten minste 3.50 meter bij 5.00 meter bedraagt; 2. Indien de afmetingen van een parkeerruimte uitgaande van langsparkeren, voor een personenauto ten minste 1.80 meter bij 5.50 meter en ten hoogste 3.25 bij 6.00 meter bedraagt, en in geval van haaks parkeren, ten minste 2.50 bij 5.00 meter bedraagt. 5.3 Specifieke parkeerregelingen a. In uitzondering op het gestelde in artikel 5.1 onder a: 1. mogen parkeerplaatsen die op grond van een specifieke parkeerregeling in hoofdstuk 2 van de regels van de bestemmingsplannen die zijn opgenomen in bijlage 1, zijn voorzien, worden gerealiseerd en/of gehandhaafd; 2. mag het aantal parkeerplaatsen in het plangebied niet meer of minder bedragen dan het maximaal of minimaal toegestane aantal parkeerplaatsen dat op grond van een specifieke parkeerregeling in hoofdstuk 2 van de regels van de bestemmingsplannen die zijn opgenomen in bijlage 1 is toegestaan; b. de bestemmingsplannen waarin een specifieke parkeerregeling als bedoeld onder a is opgenomen, zijn opgenomen in bijlage 2. 5.4 Verwijzingen a.
Indien in hoofdstuk 2 van de regels van het bestemmingsplan of de beheersverordening als opgenomen in bijlage 1 ten aanzien van het parkeren wordt verwezen naar de Nota parkeernormen, wordt geacht verwezen te worden naar de vigerende Nota parkeernormen, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze nota; b. in bestemmingsplan Molenvlietpark e.o. wordt in artikel 21.1 sub i onder 3 geacht verwezen te worden naar het bepaalde in artikel 5.2 van dit bestemmingsplan Parapluherziening (fiets)parkeren. Artikel 6 Algemene afwijkingsregels a. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de (fiets)parkeernormen als bedoeld in artikel 5.1 onder b die worden gehanteerd voor het parkeren van voertuigen, fietsen en bromfietsen
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 14
alsmede de bepaling dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie behoort de indien: 1. op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien conform de voorwaarden zoals opgenomen in: voor motorvoertuigen: de Nota parkeernormen Den Haag, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; voor fietsen: de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; 2. het voldoen aan de (fiets)parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw of functie.
Toets aan paraplubestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’ De toets aan de parkeernormen voor auto- en fietsgebruik vindt plaats in paragraaf 4.5 van deze ruimtelijke onderbouwing. Parapluherziening Staat van bedrijfsactiviteiten Het paraplubestemmingsplan ‘Parapluherziening Staat van bedrijfsactiviteiten’ is vastgesteld door de gemeenteraad van Den Haag. Dit paraplubestemmingsplan heeft voor het bestemmingsplan “Bezuidenhout” (waar de projectlocatie in is gelegen) tot gevolg dat bijlage 2 van het plan wordt vervangen door een nieuwe bijlage. Toets aan paraplubestemmingsplan ‘Parapluherziening Staat van bedrijfsactiviteiten’ In paragraaf 4.8 van deze ruimtelijke onderbouwing vindt de toets van de voorgenomen ontwikkeling aan het aspect bedrijven en milieuzonering plaats. In dit kader zal rekening gehouden worden met de vernieuwde bijlagen ‘staat van functiemenging’ en ‘staat van bedrijfsactiviteiten’.
2.4
Planuitwerkingskader (PUK)
Voor de voorgenomen ontwikkeling is reeds een Planuitwerkingskader opgesteld door gemeente Den Haag (PUK, november 2018). Het PUK heeft een drieledig doel: 1. Het biedt een ruimtelijke analyse en visie op hoofdlijnen voor de ontwikkelrichting van de projectlocatie. 2. Het biedt ruimtelijke en functionele randvoorwaarden voor de bouwenvelop en de buitenruimte. 3. Het functioneert als basis voor de te volgen juridische-planologische procedure (in casu een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan). Het PUK is vastgesteld door het college van B&W van gemeente Den Haag en de inhoud van het PUK is ambtelijk afgestemd met de verschillende vakdisciplines. In het PUK zijn een aantal ruimtelijke en stedenbouwkundige randvoorwaarden opgenomen, welke als leidraad dienen voor het ontwerp van de voorgenomen ontwikkeling. Deze randvoorwaarden zijn meegenomen in het ontwerp van de voorgenomen ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 15
In onderstaande tabel zijn de relevante randvoorwaarden weergeven. Per randvoorwaarde wordt beschreven op welke wijze dit is verwerkt in het voorgenomen plan. Randvoorwaarden uit PUK 30% van de woningen dienen sociale huurwoningen te betreffen De bomenrij aan de Carpentierzijde dient behouden te worden
De commerciële plint dient te bestaan uit ten minste drie eenheden en is maximaal 1.000 m2 groot Er staan op het terrein een aantal nutsvoorzieningen die gehandhaafd blijven en/of kunnen worden opgenomen in het gesloten bouwblok Er is een ondergrondse bestaande parkeerstalling en er wordt op maaiveld op eigen terrein voorzien in aanvullende autoparkeerstalling Tenminste 20% van de uitgegeven grond wordt met groen (groene voortuin en natuurlijke erfafscheidingen, sedumdak, daktuin, bomen, ingebouwde groenvoorzieningen op- of aan balkons) ingevuld
De daken in het plan worden zo ontworpen dat ze (deels) te gebruiken zijn als dakgroen of tuin en mee kunnen tellen in het te bereiken groenpercentage voor het gehele perceel, zijnde 20%
De bouwhoogte voor de woningen aan de Carpentierzijde bedraagt 10 meter. Een ondergeschikte eenlaagse dakopbouw is mogelijk boven de maximale bouwhoogte van 10 meter, indien deze op ten minste drie meter afstand van de voorgevel gelegen is.
De hogere vleugel van het gebouw krijgt een maximale bouwhoogte van 34 meter De plint aan de Laan van NOI heeft een verdiepingshoogte van 4,5 m Aan de Carpentierstraat is de plint van het gebouw omgeven met een groene voortuin Parkeren van auto’s voor bewoners van het complex en werknemers van de commerciële functies dient plaats te vinden op eigen terrein
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Verwerkt in het plan Tenminste 30 van het aantal woningen worden gerealiseerd in het sociale segment. Een en ander is geborgd in de te sluiten anterieure overeenkomst. Er wordt naar gestreefd om de bomenrij zoveel mogelijk te behouden. Waar dit in de nadere planuitwerking niet mogelijk is, wordt ernaar gestreefd de bomen te herplanten. Het kappen en herplanten van bomen wordt geregeld in secundaire wetgeving en maakt derhalve geen onderdeel uit van deze planologische procedure. In de nadere planuitwerking wordt de commerciële plint in ten minste drie eenheden onderverdeeld. Daarnaast bedraagt het maximale oppervlak van de commerciële functies 1.000 m2. De aanwezige nutsvoorzieningen blijven behouden op de locatie. Parkeren wordt voorzien op maaiveld en in de ondergrondse stalling. In paragraaf 4.5 wordt nader op het aspect parkeren ingegaan. Ten minste 20% van de uitgegeven grond wordt met groen ingevuld. Het totale oppervlakte van de projectlocatie bedraagt ca. 6.197 m2. Dit betekent dat ten minste 1.240 m2 van de grond groen dient te worden ingericht. Dit percentage wordt gehaald door de realisatie van beplanting in de (openbare) buitenruimte, de realisatie van groenbakken en de realisatie van (gedeeltelijke) groene daken. Er wordt naar gestreefd om meer dan 20% groen in te vullen. Op figuur 11 is te zien dat aan de randvoorwaarde van 20% wordt voldaan.
De daken van het bestaande gebouw op de projectlocatie worden uitgevoerd als groendak. Voor de eengezinswoningen wordt hier ook naar gestreefd. Deze worden gedeeltelijk voorzien van een groendak, daar wordt gewerkt met een optionele dakopbouw. De daken kunnen derhalve meegenomen worden in de berekening voor het te bereiken groenpercentage van 20%. Dit groenpercentage wordt echter zonder de groendaken van de eengezinswoningen reeds bereikt. Doordat ervoor is gekozen bij de eengezinswoningen een dakopbouw te realiseren wordt de bouwhoogte van 10 meter overschreden. De basishoogte van de woningen aan de Carpentierzijde bedraagt 9,5 meter. De hoogte inclusief dakopbouw bedraagt 12 meter. De voorgestelde dakopbouw is, conform deze randvoorwaarde uit het PUK, ondergeschikt aan de eengezinswoning en op drie meter afstand van de voorgevel gelegen. De hogere vleugel van het gebouw heeft een bouwhoogte van ca. 34 meter. Derhalve wordt voldaan aan de randvoorwaarde. Om een (visueel) aantrekkelijke plint te realiseren wordt een maximale hoogte van 5 meter voor de plint aangehouden. De voortuinen van de woningen aan de Carpentierstraat worden zo groen mogelijk ingericht. Bijvoorbeeld door het werken met groenbakken. Er wordt voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein. In totaal worden 158 parkeerplaatsen gerealiseerd op de projectlocatie.
Pagina | 16
Ten aanzien van fietsparkeren dient rekening gehouden te worden met de beleidsregels fietsparkeren en het Bouwbesluit
Het appartementencomplex van 200 woningen zal conform het huishoudelijk afvalplan worden voorzien van een inpandige afvalruimte voor laadkisten
In het kader van duurzaamheid is de ambitie uitgesproken dat een EPC van 0,4 behaald wordt. Er dient gasloos gebouwd te worden Ten aanzien van geluid is een geluidreductie tot 9 dB nodig en dienen maatregelen getroffen te worden
In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de parkeerbehoefte van het plan. De beleidsregels van gemeente Den Haag ten aanzien van fietsparkeren hebben betrekking op de realisatie van commerciële functies. Voor de functie wonen gelden de eisen uit het bouwbesluit. In het plan wordt conform de vigerende regelgeving voorzien in fietsparkeerplaatsen. In paragraaf 4.5 wordt hier nader op ingegaan. In de aanvraag om de omgevingsvergunning bouwen wordt aangetoond dat aan dit punt kan worden voldaan. In dit kader is het relevant te vermelden dat in het plan rekening is gehouden met inpandige afvalruimte. Op de begane grond zijn 18 containers ingepast, welke zijn verdeeld over twee containerruimten. Op deze wijze worden alle afvalstromen op de correcte wijze ingepast. Deze ambitie wordt nagestreefd. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.13 van deze toelichting. De voorgenomen ontwikkeling wordt gasloos uitgevoerd. Derhalve wordt voldaan aan de randvoorwaarde. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarin de voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de vigerende wet- en regelgeving omtrent het aspect geluid. Hier wordt in paragraaf 4.9 nader op ingegaan.
Groene inrichting projectlocatie. In onderstaand figuur wordt een impressie gegeven van de groene inrichting van de projectlocatie. Op deze impressie is meer dan 20% van de grond groen ingericht. Dit percentage is nog aan verandering onderhevig, echter wordt te allen tijde voldaan aan de verplichting dat tenminste 20% van de grond groen wordt ingericht. figuur 11. Impressie groene inrichting, inrichting nog aan verandering onderhevig (bron: Geurst & Schulze Architecten)
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 17
2.5
Stedenbouw
De wijk is opgebouwd uit gesloten bouwblokken in een orthogonale structuur met enkele brede ‘lanen’ en pleinen. Men is bij invulling van de kavel met de kantoorbebouwing in de jaren zeventig uitgegaan van het architectonisch object, in plaats van het bouwblok als ordenend principe. Het object is in afwijking op de oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur een vrijstaand gebouw, bestaand uit een hoogteaccent en een langwerpig volume. Vanuit de structuur van de wijk is het maken van gesloten bouwblok uitgangspunt voor de transformatie. Door uit te breiden aan de Laan van NOI wordt de rooilijn weer opgepakt. Het bouwvolume komt net als de meeste andere gebouwen aan de laan in rooilijn te staan. De basis van het blok is het ‘spiegelen’ van het profiel van de laan. Hierin wordt de goothoogte van de overzijde opgenomen in architectuur en massa-opbouw. Het gebouwvolume trapt vanuit de bebouwing van rooilijn af met ruimte terrassen. Net als aan de andere zijde onderscheidt de plint zich functioneel en architectonisch van het gebouw. Het straatprofiel van de Carpentierstraat wordt aangeheeld door te reageren op de eengezinshuizen qua bouwvolume en woningtype als overgang naar de hogere bebouwing aan de Laan van NOI-zijde. De aanwezige bomenrijen geven kwaliteit aan de straat en de (nieuwe) bebouwing.
Hier wordt het straatprofiel gespiegeld door het over nemen van de bouwhoogte en de smalle voortuin met lage erfafscheiding . Het bouwblok wordt visueel afgesloten doormiddel van een architectonische pergola bij de entree van de parkeergarage.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 18
3
Ruimtelijk beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, vastgesteld 13 maart 2012) is een structuurvisie van het Rijk, waarin zij ambities schetst voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. De SVIR bundelt alle infrastructurele en ruimtelijke onderwerpen in één structuurvisie voor Nederland. Met de SVIR is een nieuwe weg ingeslagen, waarbij het Rijk in de eerste plaats verantwoordelijkheden over heeft gedragen aan provincies, gemeenten en waterschappen. Op die manier is de decentralisatie ingezet en brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat. Het Rijk zit daarmee zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel. Door te kiezen voor de selectieve inzet van het Rijksbeleid op 13 nationale belangen, krijgt de overheid de ruimte om haar hoofddoelstelling na te streven: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Die nationale belangen betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden.
Verder blijft het Rijk uiteraard verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Het gaat om het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Relatie tot ontwikkeling Geen van de dertien nationale belangen worden geraakt met voorliggend project. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Relatie tot ontwikkeling Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 19
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. Richtinggevende ambities In de Omgevingsvisie zijn de volgende zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta Het inrichten van de fysieke leefomgeving op een manier waarop deze klimaatbestendig blijft. Voorbeelden daarvan zijn: meer ruimte bieden aan water en het rekening houden met de impact van klimaatverandering bij nieuwe ruimtelijke projecten. 2. Naar een nieuwe economie: the next level De stap naar een circulaire economie in 2050, met grote gevolgen voor onder andere het haven-industrieel complex en de glastuinbouw. Er wordt ingezet op bijvoorbeeld digitalisering en een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. 3. Naar een levendige meerkernige metropool De stap naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Er moet een fors aantal woningen worden gerealiseerd en de woonvoorraad dient te worden verduurzaamd.
Ook zullen steden met elkaar verbonden moeten worden tot één metropolitaan gebied. In dit gebied wordt ingezet op het versterken van het leef- en vestigingsklimaat. 4. Energievernieuwing Zuid-Holland wil de fossiele bronnen vervangen door hernieuwbare bronnen. Er worden maatregelen genomen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Ook wordt ingezet op innovatie: nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. 5. Best bereikbare provincie De provincie moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra. Er worden verkeersknelpunten aangepakt en de mobiliteitssector kan schoner worden gemaakt en verduurzamen. Ook wordt ingezet op OV, gebruik van de fiets en vervoer over water. 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Een groene leefomgeving draagt bij aan een gezonde leefstijl van de inwoners van de provincie, maar het landschap en de biodiversiteit staat ook onder druk door het groeiend aantal inwoners, economische ontwikkeling en klimaatverandering. De kwaliteit van de leefomgeving kan worden versterkt door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. Beleidsopgaven Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden.
Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Hieronder zijn de voor onderhavig project relevante beleidsopgaven nader toegelicht, te weten het behouden en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de energietransitie in de gebouwde omgeving en stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. 1. Behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 20
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling. Inpassing.
Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. figuur 12. Soorten ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 21
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. 2. Energietransitie in de gebouwde omgeving De provincie zet zich in voor energiebesparing en -opwekking in bestaand stedelijk gebied, zoals bij beheer en renovatie van woningen (verduurzaming voorraad), woningbouw en herstructurering van bedrijventerreinen, kantorenlocaties en glastuinbouw. Middelen die hiervoor ingezet kunnen worden zijn: isoleren, aansluiten op een warmtenetwerk, cascaderen van lokale warmte, co-siting (bijeenbrengen en plannen van bedrijven met aansluitende warmtebehoeften) en efficiënter gebruik van energie. Nieuwbouwlocaties bieden de grootste kans om energie-efficiency te realiseren. In deze tijd is het ondenkbaar dat er niet energiezuinig of zelfs energieneutraal wordt gebouwd al dan niet in combinatie met een decentrale hernieuwbare energievoorziening.
De provincie is een groot voorstander van aardgasloze wijken, zowel bij nieuwbouw als renovatie. 3. Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied De provincie wil bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), ofwel de bebouwde ruimte, beter benutten. De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de gebiedsidentiteit van de wijk Bezuidenhout-Midden en de Laan van NOI waaraan de projectlocatie is gelegen. Zoals in paragraaf 2.2.1 reeds is aangegeven, vormt de huidige bebouwing op de locatie een stijlbreuk aan de Laan van NOI en vertoont dit gedeelte van de Laan van NOI weinig samenhang. Alhoewel de voorgenomen ontwikkeling uit enerzijds de transformatie van het bestaande gebouw op de projectlocatie en anderzijds uit de nieuwbouw van grondgebonden woningen bestaat, is de voorgenomen ontwikkeling conform de tabel in figuur 12, aan te merken als een inpassingsontwikkeling.
Er is immers sprake van een plan dat aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich in de bestaande structuur voegt. De voorziene mix van wonen en werken op de projectlocatie heeft tot gevolg dat een impuls wordt gegeven aan de stedelijke c.q. ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Zo wordt aangesloten op de winkels en voorzieningen aan de Theresiastraat en wordt het anonieme karakter van het gebied weggenomen doordat er meer dynamiek in de straat ontstaat. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve in lijn met de gebiedsopgave ‘behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit’ (ad. 1). Tevens is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de gebiedsopgave ‘energietransitie in de gebouwde omgeving’, daar de voorgenomen ontwikkeling gasloos wordt uitgevoerd. In paragraaf 4.15 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt nader ingegaan op de te treffen duurzaamheidsmaatregelen op de projectlocatie. Met de transformatie van het bestaande kantoorpand naar een mix van wonen en werken, waarbij de functies gasloos worden uitgevoerd, wordt een grote energie-efficiency slag geslagen. Tot slot is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stadsen dorpsgebied (gebiedsopgave onder ad. 3).
De projectlocatie is gelegen in een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, bedrijvigheid alsmede de daarbij behorende openbare voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. In het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking dient wel de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling aangetoond te worden. Deze toets vindt plaats in paragraaf 4.1 van deze ruimtelijke onderbouwing. Vooruitlopend daarop wordt
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 22
volledigheidshalve vermeld dat vanuit gemeente Den Haag de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling in het door hen opgestelde PUK (zie paragraaf 2.4) reeds is uitgesproken. Zo wordt in het PUK onder andere benoemd dat door de ligging van de projectlocatie nabij het Central Innovation District, de Theresiastraat (als een van de best presterende winkelgebieden van Den Haag) en aan de Laan van NOI tegenover een winkelblok, in samenhang met de voorziene commerciële ruimtes in de plint van het gebouw wordt bijgedragen aan de diversiteit en het verbreden van de mogelijke bestemmingen voor voorbijgangers en bezoekers van de Theresiastraat. Door de grote(re) bevolkingsdichtheid ter plaatse en in de directe omgeving, bestaat een groter draagvlak voor de voorziene commerciële ruimtes. Daarnaast wordt door het realiseren van woningen bijgedragen aan de (grote) woningbehoefte die Den Haag en de regio Haaglanden heeft en wordt, door de variatie in de woningen, bijgedragen aan de realisatie van een toekomstbestendige woningvoorraad. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de ambities en relevante beleidsopgaven uit de Omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden.
De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b.
als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
Mees Ruimte & Milieu | 18104
Pagina | 23
a.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Stedelijke ontwikkelingen Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD.