RIS308677 Bijlage Beleidsnota Bibob Den Haag 2021
Tekst van het document
Bijlage 1 Beleidsnota Bibob Den Haag 2021 1. Inleiding Op 1 juni 2003 is de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) in werking getreden. Deze wet geeft een bestuursorgaan, zijnde de burgemeester dan wel het college van burgemeester en wethouders dan wel een rechtspersoon met een overheidstaak (hierna: de gemeente) de mogelijkheid zich te beschermen tegen het risico dat ongewild criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Na de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet Bibob op 1 juli 2013 en de latere wijziging van de wet op 1 augustus 2020 1 heeft de gemeente meer mogelijkheden gekregen om de wet toe te passen. De gemeente heeft momenteel de mogelijkheid om een Bibob-toets uit te voeren bij een zeer groot aantal beschikkingen en subsidies. Hetzelfde geldt voor de rol van de gemeente als contractpartij bij vastgoedtransacties (waaronder grondtransacties) en als gunner van overheidsopdrachten. In de regeling Bibob Den Haag 2021 (hierna: de regeling) is dan ook een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de status van de gemeente als publiekrechtelijk rechtsorgaan met het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester als bestuursorganen, en anderzijds de status als privaatrechtelijke partij, zijnde de rechtspersoon gemeente Den Haag.
De integriteit van de gemeente wordt aangetast als betrokkenen bij een verleende of te verlenen beschikking (vergunning of subsidie), overheidsopdracht, vastgoed- of grondtransactie financieel voordeel aanwenden dat is verkregen uit (reeds gepleegde) criminele activiteiten, dan wel indien een betrokkene de beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie misbruikt door het plegen van strafbare feiten. Deze strafbare feiten hoeven niet alleen op veroordelingen te zien. Ook transacties en strafbeschikkingen zijn bijvoorbeeld relevant. De Wet Bibob kan ook bij vermoedens van strafbare feiten worden toegepast, indien deze vermoedens voldoende sterk zijn. Zo kan ook handhavingsinformatie of informatie uit lopende onderzoeken leiden tot een negatief besluit. De Wet Bibob dient ter bescherming van de integriteit van de gemeente. De gemeente zet sterk in op het voorkomen van ondermijnende activiteiten. De Wet Bibob vervult hierin een belangrijk en onmisbaar instrument. 2. Het toepassingsbereik van de Wet Bibob Beschikkingen Op grond van artikel 3 van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan een beschikking weigeren of intrekken wanneer: a. sprake is van ernstig gevaar dat de beschikking mede gebruikt zal worden voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten 2 (bijvoorbeeld het witwassen van zwart geld); 3 en/of b.
sprake is van ernstig gevaar dat de beschikking mede gebruikt zal worden voor het plegen van strafbare feiten; 4 en/of c. feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. 5 Voor de beoordeling van de hierboven genoemde ‘A-grond’ zijn strafbare feiten relevant waarmee financieel voordeel kan worden verkregen. Om tot een ernstig gevaar op de A-grond te komen moet aannemelijk zijn dat er (tenminste) een groot voordeel is behaald met de vermoedelijk door een (rechts)persoon gepleegde feiten.
1 Zie Kamerstukken II, 2018/19, 35152, nr. 3. 2 Met ‘strafbare feiten’ wordt aangesloten bij de definitie die in de Wet Bibob wordt gehanteerd in artikel 3, achtste lid.
Hieronder worden dus ook overtredingen verstaan waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. 3 Dit is de zogenaamde ‘A-grond’ die volgt uit artikel 3, eerste lid onderdeel a van de Wet Bibob. 4 Dit is de zogenaamde ‘B-grond’ die volgt uit artikel 3, eerste lid onderdeel b van de Wet Bibob. 5 Dit volgt uit artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob.
Gemeente Den Haag
Spui 70 Den Haag
Postbus 12600 2500 DJ Den Haag
Telefoonnummer 14070 www.denhaag.nl
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Dat voordeel mag niet (geheel) ontnomen zijn en gekeken moet worden naar de grootte van het voordeel in combinatie met het tijdsverloop sinds de genoten voordelen. Niet aannemelijk hoeft te worden gemaakt dat het voordeel ook daadwerkelijk is of wordt geïnvesteerd in de onderneming. Voor de beoordeling van de hierboven genoemde ‘B-grond’ zijn feiten relevant die overeenkomen of samenhangen met de activiteiten waar de beschikking op ziet. Daarbij zijn ook strafbare feiten relevant die in het verlengde liggen van de beschikkingsactiviteiten. Daarnaast zijn ook strafbare feiten die door de beschikking kunnen worden gefaciliteerd van belang of feiten waarvoor de betreffende branche waarop de beschikking toeziet, kwetsbaar is. Bij de B-grond wordt verder rekening gehouden met het aantal feiten of de pleegperiode van de antecedenten, evenals met het tijdsverloop sinds de feiten zich hebben voorgedaan. Op grond van artikel 4 van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan een reeds verleende beschikking bovendien intrekken indien betrokkene weigert het Bibob-vragenformulier volledig in te vullen en/of weigert de gevraagde aanvullende gegevens aan het bestuursorgaan te verschaffen. De Wet Bibob merkt dit aan als ernstig gevaar, zoals genoemd in artikel 3, eerste lid van de wet.
In geval het gaat om een aanvraag om een beschikking, zal het niet (tijdig) of onvoldoende aanleveren van gegevens leiden tot het buiten behandeling laten van die aanvraag. Gedacht moet hier bijvoorbeeld worden aan het geval de (wijze van) financiering of zeggenschap onvoldoende inzichtelijk wordt gemaakt. Indien betrokkene weigert gevraagde gegevens aan te leveren aan het Landelijk Bureau Bibob wordt dit ook in het geval van een beschikkingaanvraag aangemerkt als een ernstig gevaar zoals genoemd in artikel 3, eerste lid van de wet. Dit kan dan weer leiden tot een weigering van de aangevraagde beschikking. Daarnaast kan het bestuursorgaan een beschikking weigeren of intrekken wanneer feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of ter behoud van de beschikking een strafbaar feit is gepleegd. Hierbij kan bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) gedacht worden aan het geval dat sprake is van valsheid in geschrifte door het onjuist invullen van een Bibobvragenformulier, door geen melding te maken van eerdere contacten met politie of justitie.
Overheidsopdrachten In geval van een overheidsopdracht kan de gemeente Den Haag, in de hoedanigheid van een rechtspersoon met een overheidstaak, een gegadigde uitsluiten van gunning van die opdracht, dan wel een reeds gesloten overeenkomst ontbinden, met inachtneming van de criteria voor de kwalitatieve selectie in de zin van de richtlijnen die genoemd worden in artikel 9, tweede lid onder a en b van de Wet Bibob. Vastgoedtransacties Indien het gaat om een vastgoedtransactie kan de gemeente Den Haag, in de hoedanigheid van een rechtspersoon met een overheidstaak, besluiten een vastgoedtransactie niet aan te gaan, dan wel op te schorten of te ontbinden, in het geval er sprake is van een mindere mate van gevaar of een ernstig gevaar dat: - de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten (bijvoorbeeld het witwassen van zwart geld); en/of; - in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd; en/of; - feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd.
Daarnaast kan de gemeente besluiten een vastgoedtransactie niet aan te gaan of op te schorten of te ontbinden indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of ter behoud van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd.
2/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Bij vastgoedtransacties geldt het beginsel van contractsvrijheid. Dit houdt in dat partijen vrij zijn om met elkaar in onderhandeling te treden en het hen ook vrij staat deze onderhandelingen weer af te breken. Wel is de gemeente gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en ook anderszins geldt dat het afbreken van onderhandelingen onaanvaardbaar kan zijn indien de wederpartij van de gemeente het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat een overeenkomst tot stand zou komen. Of onderhandelingen kunnen worden afgebroken gelet op de contractsvrijheid is dus afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij is in dit verband ook belangrijk dat een wederpartij op de hoogte is gesteld dat een toetsing op grond van de Wet Bibob onderdeel uitmaakt van de onderhandelingen (en eventueel het voortbestaan van een overeenkomst). In het kader van deze contractsvrijheid kan door de gemeente ook worden besloten een vastgoedtransactie niet aan te gaan of op te schorten of te ontbinden indien uit de Bibob-toets weliswaar geen ernstig gevaar of mindere mate van gevaar is gebleken, maar wel in enige andere mate een naar het oordeel van de gemeente onaanvaardbaar integriteitsrisico is gebleken.
Ook indien uit een Bibob-toets geen gevaar is gebleken dat er criminele voordelen worden benut door de vastgoedtransactie of het plegen van strafbare feiten in of met de onroerende zaak, kunnen er toch feiten en omstandigheden uit de toets naar voren zijn gekomen die het aangaan of voortzetten van een overeenkomst onwenselijk maken omdat de gemeente wel degelijk van oordeel is dat daarmee een integriteitsrisico bestaat. De gemeente kan in het kader van de contractsvrijheid dan besluiten om geen vastgoedtransactie aan te gaan of deze op te schorten of te ontbinden. Ook het niet (volledig) invullen van een Bibob-vragenlijst of het niet beantwoorden van aanvullende vragen in het kader van de Bibobtoets kan reden zijn om de onderhandelingen af te breken of een overeenkomst te ontbinden. Deze gevolgen dienen wel duidelijk te volgen uit hetgeen partijen zijn overeengekomen of in de onderhandelingen hebben afgesproken omtrent de (uitkomst van een) Bibob-toets. Voor alle hierboven genoemde beschikkingen en de andere genoemde rechtshandelingen die de gemeente aangaat met een wederpartij, geldt overigens dat de uitkomst van de Bibob-toets er ook toe kan leiden dat er voorschriften worden verbonden aan de beschikking of voorwaarden worden opgenomen in de (te sluiten) overeenkomst. 3. Waarom een regeling? Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet Bibob.
Het betreft een facultatieve wet, waarbij de gemeente zelf de bevoegdheid heeft om te bepalen in welke door de wet geboden mogelijkheden het dit instrument zal toepassen. In de regeling staat aangegeven op welke beschikkingen (vergunningen en subsidies), overheidsopdrachten en vastgoedtransacties de Wet Bibob wordt toegepast en in welke gevallen de Bibob-toets wordt uitgevoerd. Daarmee maakt de regeling het voor betrokkenen voorzienbaar wanneer de wet kan worden toegepast. De regeling voorkomt verder dat er sprake is van willekeur van de gemeente in de toepassing van het beleid en geeft een nadrukkelijk signaal voor de bescherming van haar integriteit. Een preventieve werking kan daarvan het gevolg zijn. De afweging om tot een Bibob-toets over te gaan, dient -juist met het oog op het ingrijpende karakter van het instrument- weloverwogen en met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur te worden genomen. Daarbij spelen proportionaliteit, subsidiariteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid een belangrijke rol. De sinds 1 augustus 2020 gewijzigde Wet Bibob biedt de gemeente meer mogelijkheden om tot toepassing van de wet over te gaan. In de regeling zijn deze uitbreidingen ook opgenomen. Voor alle beschikkingen (vergunningen en subsidies) geldt dat het toepassingsbereik van de wet in beginsel niet algemeen is, maar beperkt wordt door lokale keuzes.
Belangrijk is daarbij het wel/niet aanwezig zijn van specifieke relevante informatie, die kan duiden op een integriteitsrisico voor de gemeente.
3/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
De kracht van het Bibob-instrument neemt nadrukkelijk toe als de toepassing door zoveel mogelijk bestuursorganen gebeurt en de onderliggende toepassingscriteria van de in de regio gelegen bestuursorganen zo veel mogelijk eenduidig zijn. Het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) vervult hierbij een belangrijke ondersteunende en coördinerende rol. Met de komst van een tweede tranche van de Wet Bibob 6 zal informatie uit Bibob-onderzoeken ook tussen gemeenten onderling mogen worden gedeeld. 4. Nadere uitwerking van het eigen onderzoek Versterking eigen onderzoek Vanaf artikel 4:1 wordt in de regeling de uitvoering van het eigen onderzoek beschreven. De wet legt in de uitvoering van de Bibob-toets de nadruk op het eigen onderzoek door de gemeente. Voor zover een Bibob-toets niet standaard volgt uit het beleid van de gemeente, zal de tipfunctie van het OM of het Bureau vaak een aanleiding vormen om een eigen onderzoek te starten. Maar ook signalen die de gemeente op andere wijze ontvangt, zoals bijvoorbeeld publicaties in de media of andere (handhavings)informatie waarover de gemeente beschikt, kunnen aanleiding vormen voor een eigen onderzoek. Bij de uitvoering van het eigen onderzoek zal de gemeente in eerste instantie gebruik maken van alle relevante gegevens uit zijn eigen informatiehuishouding.
Ook zal het gebruik kunnen maken van de relevante informatie, die voor haar beschikbaar is in de open en gesloten bronnen, zoals volgt uit de Wet Bibob. Bij raadpleging van open bronnen valt onder meer te denken aan informatie uit het Handelsregister, het Kadaster, het insolventieregister en informatie van het internet. De beschikbaarheid van relevante informatie in de zogenaamde gesloten bronnen is in onderliggende regelgeving geregeld. Zo heeft de gemeente bijvoorbeeld de mogelijkheid om de justitiële documentatie op te vragen van de betrokkene, en van degenen met (indirecte) zeggenschap en leiding over de betrokkene, (indirecte) financiers, leidinggevenden en personen die grote feitelijke invloed hebben op de betrokkene. De gemeente kan eveneens informatie opvragen bij het OM, de politie en de Belastingdienst. Om te komen tot een goede beoordeling in het kader van de Wet Bibob heeft de gemeente op grond van artikel 7a van de Wet Bibob de mogelijkheid om de betrokkene vragen te stellen die zien op de bedrijfsstructuur, financiering, betrokken (rechts)personen, etc. Hiervoor zijn bij ministeriële regeling Bibob-vragenformulieren vastgesteld die door de betrokkene(n) dienen te worden ingevuld.
De Bibob-toets bij (risicovolle) aanvragen om beschikkingen, reeds verleende beschikkingen, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten zal grotendeels worden uitgevoerd door het Gemeentelijk Bureau Bibob. Om inzicht te krijgen in de bedrijfsstructuur, de financiering, de zakelijke omgeving en de antecedenten van betrokkene(n) bij de (aanvraag om) beschikking (vergunningen en subsidies), de overheidsopdracht en de vastgoedtransactie zal in de meeste gevallen een Bibob-vragenformulier worden uitgereikt dat is gebaseerd op het daarvoor bij ministeriële regeling vastgestelde formulier. Op het moment dat de gemeente middels een Bibob-toets een verantwoorde inschatting heeft gemaakt van het integriteitsrisico, kan in het verdere verloop van de bestuurlijke relatie tussen de gemeente en betrokkene(n), maatwerk worden ontwikkeld, bijvoorbeeld in geval er sprake is van een aanvraag voor een nieuwe beschikking. Belangrijk daarbij is dan, dat zowel ten aanzien van de betrokkene(n) zelf als de (rechts)personen waarmee de betrokkene in een relevante relatie volgens de wet staat (zoals leidinggevenden, (rechts)personen met zeggenschap, financiers en (rechts)personen die op betrokkene invloed kunnen uitoefenen) zich geen veranderingen hebben voorgedaan.
Het RIEC is op grond van de Wet Bibob bevoegd om zowel het volledige eigen onderzoeksdossier van de gemeente, als een daarop gebaseerd adviesrapport van het Bureau in te zien.
6 Kamerstukken 35152.
4/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Op die manier wordt zijn ondersteunende en coördinerende rol naar bestuursorganen bij de uitvoering van de Bibob-wetgeving, nadrukkelijk versterkt. Het RIEC kan de eigen onderzoeksfase van de gemeente versterken door het verstrekken van relevante informatie die afkomstig is van de partners in het samenwerkingsverband. De gemeente kan door het doen van eigen onderzoek zelfstandig een gevaarsconclusie trekken op grond van de Wet Bibob en hierop bijvoorbeeld een weigering of intrekking van een beschikking baseren, bijvoorbeeld aan de hand van informatie die naar voren komt uit bestuurlijke rapportages van de politie en justitiële gegevens of strafvorderlijke gegevens. De gemeente kan er echter ook voor kiezen om advies aan te vragen bij het Bureau. Onderzoek door het Bureau Indien de gemeente na het eigen onderzoek en de aanvullende vragen nog onvoldoende duidelijkheid heeft over de integriteit dan kan een verzoek om advies worden ingediend bij het Bureau. De gemeente zal dit doen indien er na de aanvullende toets nog onduidelijkheid is over: - de integriteit van de persoon van de aanvrager of de houder van de beschikking; en/of; - de financier of overige zakenpartners van de onderneming; en/of; - de bedrijfsstructuur of het bedrijf; en/of; - de financiering van het bedrijf. Het Bureau onderzoekt of betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in de Wet Bibob.
Het Bureau is onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid en heeft toegang tot openbare en gesloten bronnen zoals politiegegevens, strafregisters, gegevens van de Belastingdienst, gegevens van het UWV en diverse inspecties. Doordat het Bureau in veel gevallen over een bredere kring van (rechts)personen rondom de betrokkene informatie kan opvragen, is een bredere screening en een diepgaander onderzoek van de betrokkene en diens financier(s) en/of overige zakelijke partners mogelijk. Naast de betrokkene kunnen dus ook andere (rechts)personen betrokken worden in het onderzoek. Indien deze (rechts)personen antecedenten hebben, kunnen deze worden betrokken bij de mate van gevaar op misbruik van de beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht. Het doel hiervan is onder meer om stromanconstructies te kunnen voorkomen. In artikel 3 van de wet Bibob is bepaald dat betrokkene tevens in relatie staat tot strafbare feiten als die feiten (vermoedelijk) door een ander gepleegd zijn en deze (rechts)persoon: - direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan betrokkene; of; - direct of indirect zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over betrokkene; of; - vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene; of; - in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat dan wel heeft gestaan.
Het Bureau kent drie soorten uitkomsten in zijn adviezen: - er is sprake van ernstig gevaar; of; - er is sprake van een mindere mate van gevaar; of; - er is sprake van geen gebleken gevaar. Indien de gemeente advies aanvraagt bij het Bureau, informeert het de betrokkene hierover. De wettelijke termijn waarbinnen de gemeente de beschikking moet geven, wordt opgeschort gedurende de adviestermijn van het Bureau. Hierbij geldt dat het Bureau zijn advies binnen acht weken uit moet brengen, welke termijn met vier weken kan worden verlengd. De opschortingstermijn begint met de dag waarop het advies bij het Bureau is aangevraagd en eindigt op de dag dat het advies door de gemeente is ontvangen, waarbij de in artikel 15 van de wet genoemde termijnen het maximum van deze opschortingstermijn bepalen.
5/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Verdere procedure bij de gemeente Indien de gemeente een advies heeft ontvangen van het Bureau dient zij op grond van artikel 3, vijfde, zesde en zevende lid van de Wet Bibob zelf een afweging te maken over de (aangevraagde) beschikking of over de vastgoedtransactie of overheidsopdracht. De gemeente hoeft het advies van het Bureau dus niet te volgen en dient hierin een eigen afweging te maken. De gemeente kan besluiten de beschikking te verlenen, te verlenen met voorschriften, te weigeren en/of in te trekken, of de rechtshandeling al dan niet (onder het stellen van extra voorwaarden) aan te gaan of voort te laten duren. Indien de gemeente voornemens is om een negatief besluit te nemen omtrent de (aangevraagde) beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie, dan wordt betrokkene (en eventueel (een) derde(n)) in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven. Na een negatief besluit kan de betrokkene in geval van een beschikking bezwaar of beroep instellen. In het geval de gemeente besluit om bij vastgoedtransacties of overheidsopdrachten geen overeenkomst aan te gaan of deze te beëindigen, kan betrokkene daartegen geen bezwaar of beroep instellen. De betrokkene kan zich dan tot de civiele rechter wenden. Proportionaliteit en subsidiariteit De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn belangrijke uitgangspunten van de Wet Bibob.
Zo dient de gemeente eerst te bekijken of bestaande weigerings- of intrekkingsgronden mogelijkheden bieden om bijvoorbeeld een beschikking al dan niet te weigeren of in te trekken. Dit betekent dat alvorens er een advies wordt aangevraagd aan het Bureau, eerst onderzocht moet worden of niet met minder ingrijpende middelen kan worden volstaan. Toepassing van de Wet Bibob is daarmee een zogenaamd ‘ultimum remedium’. Het proportionaliteitsbeginsel wordt ook tot uitdrukking gebracht door de selectieve en risicogestuurde wijze van toetsen. Door het instellen van grensbedragen, het selecteren van risicocategorieën en het creëren van uitzonderingen worden niet alle aanvragers en/of houders van beschikkingen of betrokkenen bij vastgoedtransacties of overheidsopdrachten aan de Bibob-toets onderworpen. Uitgangspunt bij toepassing van de Wet Bibob is dat een ernstig gevaar leidt tot een intrekking of weigering van een beschikking, danwel tot het niet aangaan van een vastgoedtransactie of het niet gunnen van een overheidsopdracht. Dit besluit dient echter wel evenredig te zijn met de mate van gevaar.
Dit kan er in uitzonderlijke situaties toe leiden dat wanneer de uitkomst van de Bibob-toets een ernstig gevaar is, een weigering of intrekking van een beschikking of het niet aangaan of ontbinden van een vastgoedtransactie, dan wel het niet gunnen van een overheidsopdracht, niet in verhouding staat tot de belangen van de betrokkene of bijvoorbeeld het algemeen belang. De aard of de ernst van de strafbare feiten waarop het gevaar is gebaseerd kan daartoe in zeer specifieke gevallen bijvoorbeeld aanleiding geven. In het geval het bijvoorbeeld gaat om zeer ‘lichte’ antecedenten en de belangen van betrokkene of andere bestuurlijke belangen erg groot zijn, kan besloten worden om voorschriften of voorwaarden te verbinden aan de beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht. Deze voorschriften of voorwaarden zullen gericht zijn op het wegnemen van het gevaar. Of er voorschriften of voorwaarden (kunnen) worden verbonden in geval van een ernstig gevaar zal steeds afhankelijk zijn van de bijzondere omstandigheden van het geval. 5. Nadere uitwerking per toepassingsgebied Omdat de Wet Bibob op verschillende soorten overheidsbeslissingen van toepassing is en er per toepassingsgebied sprake is van een verschil in werkwijze, worden deze overheidsbeslissingen hierna per toepassing nader toegelicht.
6/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
5.1 Nadere uitwerking van de toepassing bij vergunningen In de regeling wordt een onderscheid gemaakt tussen vergunningen waarbij het bestuursorgaan standaard een Bibob-toets zal uitvoeren en vergunningen waarbij het bestuursorgaan, met inachtneming van het bepaalde in de regeling, slechts een Bibob-toets zal uitvoeren wanneer er signalen zijn die daartoe aanleiding geven. In risicovolle branches vindt standaard een Bibob-toets plaats. Het bestuursorgaan zal daarnaast bij elke vergunning in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren indien het bestuursorgaan een tip van het Openbaar Ministerie en/of een signaal van een van de partners van het RIEC en/of een signaal van het Bureau ontvangt 7 en/of uit eigen informatie of open bronnen, danwel uit een ander signaal blijkt dat nader onderzoek noodzakelijk is. Bovendien geldt dat het bestuursorgaan namen van betrokkenen en diens zakelijke relaties kan melden bij de Bibob-officier van justitie van het Arrondissementsparket Den Haag. De Bibob-officier kan gebruik maken van de mogelijkheid om op grond van artikel 26 van de Wet Bibob aan het bestuursorgaan een zogenoemde OM-tip te verstrekken. In het geval hiertoe aanleiding bestaat kan het bestuursorgaan ook gebruik maken van de samenwerking met het RIEC om de informatiepositie te versterken.
Het belang van de integriteit van het openbaar bestuur rechtvaardigt een zekere mate van verhoging van de administratieve lastendruk voor ondernemers. In de uitvoering van de wet wordt er uiteraard naar gestreefd om deze lastendruk zoveel mogelijk te beperken. Hieronder volgt allereerst een toelichting op de gevallen waarin is gekozen een standaard Bibob-toets toe te passen, daarna worden enkele voorbeelden beschreven van vergunningen waarbij een Bibobtoets in principe slechts plaatsvindt wanneer signalen daartoe aanleiding geven. Bij de bespreking van de diverse vergunningen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de volgorde van typen vergunningen die in de artikelen 2:1 tot en met 2:7 van de regeling is gehanteerd. De standaard Bibob-toets Hierbij een overzicht van het (standaard) toepassen van de Wet Bibob bij vergunningplichtige activiteiten: Horeca-inrichtingen: artikel 3 van de Drank- en Horecawet en artikel 2:28 van de APV Sinds de start van de Wet Bibob op 1 augustus 2003 worden drank- en horecawetvergunningen en exploitatievergunningen getoetst aan deze wet. Dit heeft ertoe geleid dat de afgelopen jaren diverse aanvragen om een vergunning zijn geweigerd en bestaande vergunningen zijn ingetrokken naar aanleiding van een ‘ernstig gevaar’-conclusie.
Daarnaast zijn de afgelopen jaren vergunningen verleend onder het stellen van extra voorschriften naar aanleiding van een ‘mindere mate van gevaar’-conclusie. Horeca-inrichtingen worden dan ook nog steeds gezien als een risicovolle branche voor het plegen van ondermijnende activiteiten. Daarom is bepaald dat bij aanvragen om een drank- en horecawetvergunning in de in artikel 2:1, tweede lid, onder a genoemde situaties standaard een Bibobtoets zal worden uitgevoerd. Voor reeds verleende vergunningen geldt dat een Bibob-toets tussentijds zal worden uitgevoerd in de gevallen zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling, te weten indien gemeentelijke informatie, informatie van het RIEC, het Bureau of een OM-tip, dan wel informatie uit open bronnen of andere signalen daartoe aanleiding geven. Slijterijen: artikel 3 van de Drank- en Horecawet In de regeling is bepaald dat aanvragen voor slijterijen in principe worden getoetst aan de Wet Bibob.
7 Dit signaal van het Bureau kan bestaan uit een eerder ontvangen advies, of een tip als bedoeld in artikel 11 van de wet.
7/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Indien slijterijen echter onderdeel uitmaken van een landelijke keten, wordt er in beginsel geen Bibobtoets uitgevoerd. Voor dit onderscheid in te toetsen slijterijen is gekozen, nu bij landelijke ketens de wijze van financiering en zeggenschap vaak duidelijk zijn. Bovendien is uit eerdere ervaringen gebleken dat zich juist bij kleine slijterijen vaak onduidelijkheden voordoen met betrekking tot de wijze van financiering van en zeggenschap over de onderneming. Wijziging aanhangsel Drank- en Horecawet: artikel 30a van de Drank- en Horecawet De wijziging van de Drank- en Horecawetvergunning door bijschrijving van een leidinggevende op de vergunning vormt eveneens een aanleiding om hierbij standaard een Bibob-toets uit te voeren. Dit leidt immers tot het aangaan van een nieuwe Bibob-relatie door betrokkene met deze leidinggevende. Kansspelautomaten: artikel 30b van de Wet op de kansspelen De Wet op de kansspelen bepaalt dat voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten op of aan de openbare weg, op voor het publiek toegankelijke plaatsen en ook voor niet voor publiek toegankelijke plaatsen, waarvoor een drank- en horecawetvergunning is verplicht, een vergunning van de burgemeester is vereist. De aanwezigheid van kansspelautomaten is hiermee veelal verbonden aan horeca-inrichtingen, waarvoor een exploitatievergunning en/of een drank- en horecawetvergunning is vereist.
In de praktijk betekent dit dat de daadwerkelijke Bibob-toets veelal wordt uitgevoerd bij de aanvraag om een exploitatievergunning en/of drank- en horecawetvergunning. Speelautomatenhal: artikel 2 van de Verordening op de kansspelen De vergunningplicht voor het vestigen of exploiteren van een speelautomatenhal is vastgelegd in de Verordening op de kansspelen. In de gemeente Den Haag geldt een maximum van zeven speelautomatenhallen. De gemeente Den Haag heeft dit maximum aantal speelautomatenhallen al bereikt. De vergunde speelautomatenhallen zijn gevestigd in stadsdeel Centrum (drie speelautomatenhallen) en het Periferie-gebied (vier speelautomatenhallen). De vergunning is echter niet overdraagbaar. Een nieuwe ondernemer zal bij de overname van een speelautomatenhal een (nieuwe) vergunning dienen aan te vragen. Bij dergelijke aanvragen zal een Bibob-toets worden uitgevoerd. Voor reeds verleende vergunningen geldt dat een tussentijdse Bibob-toets wordt uitgevoerd in geval er sprake is van signalen op basis van informatie zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling. Vechtsportgala’s en evenementen: artikel 2:25 van de APV De Wet Bibob zal standaard worden toegepast op de evenementenvergunning voor vechtsportgala’s. Een vechtsportgala betreft een professioneel en groots opgezet vechtsportevenement met een galakarakter.
Dit type vechtsportevenementen is bij aanwijzingsbesluit vergunningplichtig gemaakt, gelet op het criminogene karakter van deze sector voor zover het ziet op de zogenaamde ‘full-contact’ vechtsporten die gericht zijn op het vermaak van publiek en vanwege de wens om meer te kunnen toezien op de organisatoren van deze vechtsportgala’s. De vechtsportevenementen met een toernooikarakter, waarbij de nadruk ligt op de uitoefening van de sport, worden in beginsel niet getoetst aan de Wet Bibob. Een vechtsportevenement, dat wordt georganiseerd door een bij het NOC/NSF aangesloten landelijke sportbond of door een vereniging die lid is van een dergelijke bond, heeft immers een wezenlijk ander doel dan de vechtsportgala’s. Bij vechtsportgala’s staat het amusement centraal, waarbij naast de tribunes voor de gewone toeschouwers rondom de ring vaak zogeheten VIP-tafels zijn. Er zijn geen aanwijzingen of criminaliteitsbeeldanalyses waaruit blijkt dat bij de vergunning voor evenementen op het gebied van bijvoorbeeld muziek, dans, toneel, en (professionele) sport sprake is van de betrokkenheid van criminelen en crimineel geld bij het organiseren van evenementen.
8/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Een en ander laat onverlet de bevoegdheid van het bestuur om, indien signalen vanuit de gemeentelijke organisatie, van het Bureau, van partners vanuit het RIEC, een OM-tip informatie uit open bronnen of overige signalen daartoe aanleiding geven, ook naar andersoortige typen evenementen een Bibob-toets uit te voeren. Terrasvergunningen: artikel 2:10, tweede lid van de APV In de regeling is ervoor gekozen om aanvragen om een terrasvergunning standaard aan een Bibobtoets te onderwerpen in het geval er door de exploitant niet eveneens een Drank- en Horecavergunning en/of een exploitatievergunning op grond van de APV wordt aangevraagd, dan wel indien deze vergunning wel is aangevraagd, maar deze is geweigerd of ingetrokken dan wel buiten behandeling is gelaten. Gelet op het huidige beleid van de gemeente Den Haag kan een ondernemer die geen Dranken Horecavergunning en/of exploitatievergunning krijgt nog wel een horecazaak exploiteren op grond van een melding (zij het dat er aan de exploitatie dan beperkingen kleven). Daarmee kan toepassing van de Wet Bibob omzeild worden, hetgeen onwenselijk is. Daarom is ervoor gekozen om terrasvergunningen die door dit type horeca-ondernemingen kunnen worden aangevraagd wel onder het bereik van de Wet Bibob te brengen. Zodoende is er ook zicht op deze specifieke horecaactiviteiten.
Voor reeds verleende terrasvergunningen geldt dat deze aan een Bibob-toets kunnen worden onderworpen in geval van signalen zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling die daartoe aanleiding geven. Ligplaatsvergunningen: artikel 4 van de Verordening op de binnenwateren van de gemeente Den Haag Evenals hiervoor ten aanzien van de terrasvergunningen is overwogen, geldt voor ligplaatsvergunningen die voor horeca-terrasboten worden aangevraagd en voor bedrijfsschepen waarop horeca-activiteiten plaatsvinden dat deze ook standaard aan een Bibob-toets zullen worden onderworpen voor zover er door de exploitant van de horeca-inrichting niet tevens een Drank- en Horecavergunning en/of een exploitatievergunning op grond van de APV wordt aangevraagd, dan wel indien deze vergunning wel is aangevraagd, maar deze is geweigerd of ingetrokken dan wel buiten behandeling is gelaten. Ligplaatsvergunningen voor horeca-terrasboten worden verleend voor de duur van drie jaar, waarna een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. Bij de aanvraag om een nieuwe vergunning zal de Bibob-toets plaatsvinden. De ligplaatsvergunningen voor bedrijfsschepen worden voor onbepaalde tijd verleend. Voor zover het reeds verleende vergunningen betreft is een Bibob-toets tussentijds mogelijk in geval van signalen zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling daartoe aanleiding geven.
Vergunning voor verkoop van consumentenvuurwerk: artikel. 2:72 van de APV Nu onderzoek (o.a. van de Politieacademie) heeft uitgewezen dat de handel in (illegaal) vuurwerk verweven is met ondermijnende criminaliteit, vindt het college het wenselijk om ook de vergunning voor de verkoop van consumentenvuurwerk aan een Bibob-toets te onderwerpen voor zover het gaat om een aanvraag van deze vergunning. Ten aanzien van reeds verleende vergunningen geldt dat een Bibob-toets tussentijds zal worden uitgevoerd indien de in artikel 2:2 van de regeling genoemde signalen daartoe aanleiding geven. Standplaatsvergunning voor seizoensplaatsen: artikel 5 van de Verordening straathandel Den Haag 2017 Bij de standplaatsvergunningen voor seizoensplaatsen gaat het feitelijk met name om de verkoop van kerstbomen en oliebollen waarbij de activiteiten over een beperkte (vastgestelde) periode zijn toegestaan. Momenteel worden vergunningen voor seizoensplaatsen ieder jaar opnieuw verleend. De gemeente gaat over op een vijfjaarlijkse verlening om het proces voor vergunningverlening voor ambulante handel eenduidig te maken. Het stimuleren van de kwaliteit van de branche betekent ook een integer ondernemersklimaat, om die reden is een standaard Bibob-toets op zijn plaats.
9/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Ten aanzien van reeds verleende vergunningen geldt wederom dat een Bibob-toets tussentijds zal worden uitgevoerd indien de in artikel 2:2 van de regeling genoemde signalen daartoe aanleiding geven. Taxivergunning: artikel 3 van de Taxiverordening Den Haag 2014 De Toegelaten Taxi Organisaties (TTO’s) dienen, conform de Taxiverordening Den Haag 2014, in het bezit te zijn van een vergunning. Een kwalitatief goede en integere taxibranche is belangrijk, mede gezien het internationale karakter van de gemeente Den Haag, als stad van Vrede en Recht. Het college vindt de integriteit van deze branche belangrijk. Daarom zal een Bibob-toets standaard worden toegepast op aanvragen om een vergunning in het geval sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, wijziging van exploitanten van een bestaand bedrijf, de overname van aandelen van een bestaand bedrijf, wijziging in het bestuur van een bestaand bedrijf of wijziging van rechtsvorm van de onderneming. Het bestuursorgaan zal daarnaast steeds een Bibobtoets uitvoeren, indien signalen zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling daartoe aanleiding geven. Milieuvergunning artikel 9.2.2.3 van de Wet Milieubeheer en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e en i van de WABO De afgelopen jaren is in ruime mate onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van criminaliteit binnen de milieubranche.
Uit verschillende onderzoeken, alsmede uit enkele grote strafzaken, blijkt dat het werkveld milieu gevoelig is voor criminele handelingen. Dit kan variëren van het overtreden van milieuregels, een combinatie van overtreding van milieuregels en commune delicten, tot het gebruiken van bedrijven als dekmantel voor criminele handelingen. Het is dus noodzakelijk dat ook de lokale overheid het Bibob-instrument kan inzetten binnen het werkveld milieu. Binnen dit werkveld is met name een deel van de afval- en autobranche gevoelig gebleken voor criminaliteit. De redenen hiervoor zijn onder andere: de branche is moeilijk controleerbaar door productdiversificatie en complexiteit; de grote tendens tot monopolies en aaneensluiting van bedrijven waardoor de overheid buiten spel kan worden gezet en de overheidscontrole op illegale activiteiten kan worden verhinderd; door het opleggen van aangescherpte milieunormen stijgen de kosten. Hoe hoger de kosten des te aantrekkelijker is de illegale stort of verwerking; door de hoge mate van regeldichtheid en complexiteit van de milieuwetgeving bestaan er veel mazen in de wet. Deze worden door malafide bedrijven uitgebuit; het behalen van hoge winstmarges door illegale verwerking of bewerking; de discrepanties op wetgevingsgebied, handhavingsambitie en handhavingscapaciteit, waarvan malafide bedrijven gebruik maken.
Gezien het criminogene karakter van deze branche zal de inzet van het Bibob-instrumentarium vooralsnog in ieder geval worden ingezet bij alle aanvragen om vergunningen binnen de afval- en autobranche. Het gaat om de vergunning met betrekking tot: vergunningplichtige inrichtingen binnen de sector afval; en vergunningplichtige inrichtingen binnen de bedrijfsonderdelen autobranche (handel, demontage, garages en leasebedrijven). Het betreft zowel de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu (artikel 2.1, eerste lid, onder e) als de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1, eerste lid, onder i). In geval van reeds verleende vergunningen geldt dat deze aan een Bibob-toets kunnen worden onderworpen indien signalen zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling daartoe aanleiding geven. De vergunningplicht geldt niet voor inrichtingen die bij de AMvB krachtens artikel 8.40 van de Wet Milieubeheer zijn aangewezen als meldingsplichtig. De Wet Bibob geldt dan ook niet voor dergelijke meldingsplichtige inrichtingen.
10/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten: artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a juncto artikel 2.20 van de Wabo In artikel 2.20, eerste lid van de Wabo, respectievelijk artikel 5.19, vierde lid, onder b, van de Wabo is geregeld dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten (hierna: bouwvergunning) (deels) kan worden geweigerd respectievelijk een verleende bouwvergunning (deels) kan worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. In artikel 2.20, eerste lid van de Wabo is bovendien bepaald dat in geval van een aanvraag tevens als betrokkene kan worden aangemerkt degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld. Er kunnen in geval van een aanvraag dus meerdere (rechts)personen als betrokkene in de Bibob-toets worden aangemerkt. De inzet van het Bibob-instrumentarium gebeurt risicogestuurd. Bepaalde handelsactiviteiten en branches zijn meer dan andere gevoelig voor criminele beïnvloeding. De Bibob-toets zal daarom plaatsvinden als een bouwactiviteit toeziet op het gebruik van het bouwwerk in één van de risicocategorieën als genoemd in artikel 2:3, eerste lid van de regeling. Op grond van nieuwe ontwikkelingen kunnen deze risicocategorieën worden aangepast.
Hiernaast zal een Bibob-toets naar een bouwvergunning plaatsvinden indien het specifieke gebouw bij Aanwijzingsbesluit is aangewezen als bouwwerk waarin bedrijfsmatige activiteiten worden verricht en waarvoor een vergunning is vereist op grond van artikel 2:98 van de APV. Ditzelfde geldt in de gevallen waarin het te verbouwen of te realiseren bouwwerk is gelegen in een specifiek aandachtsgebied (ook wel: prioritair gebied) dat krachtens artikel 2:98 van de APV als zodanig is aangewezen bij een Aanwijzingsbesluit. Ditzelfde geldt voor gevallen waarin het te verbouwen of te realiseren bouwwerk is gelegen in een prioritair gebied dat door het college als zodanig is aangewezen. In het Coalitieakkoord 2019-2022 is bepaald dat als aandachtsgebieden binnen de gemeente Den Haag waar de veiligheid en leefbaarheid onder druk staan, zijn aangemerkt: de Weimarstraat, de Zevensprong, het Kaapseplein en de Van Baerlestraat (Zuid-West). Duindorp is eveneens door het college aangemerkt als prioritair gebied (zie RIS305826). De wijk waarin het bouwwerk zal worden ver- of gebouwd kan immers bepalend zijn voor het risico op criminele beïnvloeding. Hierbij wordt een financiële ondergrens voor de bouwsom gehanteerd van €50.000,-.
Voor een deel van de risicocategorieën, of daartoe aangewezen gebouwen of gebieden, geldt dat, naast een bouwvergunning, uiteindelijk (mogelijk) ook een exploitatievergunning nodig is voor de bedrijfsmatige activiteiten op die locatie. Die vergunning kan ook onder de reikwijdte van de Wet Bibob vallen. Toch blijft een eerder Bibob-toetsmoment in het kader van de bouwvergunning dan wenselijk. Een ondernemer verkrijgt hierdoor zo vroeg mogelijk een eerste integriteitstoets en niet pas op het moment dat de bouwactiviteiten van een project al volledig zijn gerealiseerd. Een positieve uitkomst hiervan, houdt echter niet per definitie in dat de Bibob-toets ten aanzien van eventueel benodigde exploitatievergunningen ook positief zal uitvallen. Per vergunning kunnen de toetsingscriteria namelijk verschillen. Daarnaast kan de (financiële) situatie bij de aanvraag van een bouwvergunning ook anders zijn ten opzichte van de situatie bij de aanvraag voor een exploitatievergunning, hetgeen gevolgen heeft voor (de reikwijdte van) het onderzoek. Verder is in het beleid opgenomen dat in geval van een melding op grond van artikel 2:25, tweede lid van de WABO eveneens een Bibob-toets plaatsvindt, nu de aanvrager of vergunninghouder in dat geval wijzigt, zodat voorkomen wordt dat de vergunning ongemerkt aan een malafide (rechts)persoon overgedragen kan worden.
Los van het voorgaande zal steeds een Bibob-toets plaatsvinden indien daar aanwijzingen voor naar voren zijn gekomen uit de informatie zoals genoemd in artikel 2:1, eerste lid en artikel 2:2 van de regeling.
11/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Coffeeshops: artikel 2:28 van de APV Sinds de start van de Wet Bibob op 1 augustus 2003 wordt de vergunning voor de exploitatie van horeca in een coffeeshop getoetst aan deze wet, door over elke nieuwe coffeeshopondernemer een advies aan het Bureau te vragen. In 2010 zijn over alle reeds bestaande coffeeshopondernemers adviezen aan het Bureau gevraagd. Met de gemeenteraad is afgesproken de coffeeshopbranche periodiek te toetsen aan de Wet Bibob. Bij nieuwe coffeeshopondernemers wordt standaard een advies gevraagd aan het Bureau. De reeds gevestigde ondernemers worden iedere vier jaar aan een Bibobtoets onderworpen, hetgeen in 2014 en 2018 is gebeurd. Deze periodieke Bibob-toets bestaat onder andere uit het uitreiken van het Bibob-vragenformulier en het opvragen van gegevens bij de Justitiële Informatiedienst en het RIEC. Alleen als de nieuw verkregen gegevens daartoe aanleiding geven, zal het bestuursorgaan een advies aan het Bureau vragen. Daarnaast kunnen ook signalen zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling aanleiding geven tot het uitvoeren van een Bibob-toets bij verleende vergunningen. Seksinrichtingen en escortbedrijven: artikel 3:3 van de APV Sinds de start van de Wet Bibob op 1 augustus 2003 wordt de vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting of een escortbedrijf getoetst aan deze wet.
Dit heeft ertoe geleid dat de afgelopen jaren enkele aanvragen om vergunning zijn geweigerd en/of reeds verleende vergunningen zijn ingetrokken. Seksinrichtingen en escortbedrijven worden standaard getoetst gezien de kwetsbaarheid van de branche, die gevoelig is voor uitbuiting en mensenhandel. De APV bepaalt dat een vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting of escortbedrijf wordt verleend voor de duur van één jaar. Gezien deze bepaling zal er ieder jaar een nieuwe vergunning worden aangevraagd door de (huidige) exploitant. Een Bibob-toets bij elke aanvraag door dezelfde exploitant wordt niet passend geacht. Een dergelijke toets heeft weinig toegevoegde waarde en brengt voor een exploitant een onevenredige verzwaring van de administratieve lasten met zich mee. Een Bibob-toets vindt in dergelijke gevallen een keer in de vier jaar plaats bij de jaarlijkse vergunningaanvraag. Wanneer er sprake is van signalen als genoemd in artikel 2:1, eerste lid en artikel 2:2 van de regeling, kan een Bibob-toets eveneens tussentijds worden uitgevoerd. Gebouw-, gebieds- of branchegebonden vergunning: art. 2:98, derde lid van de APV Op 18 februari 2020 is art.
2:98 in de APV in werking getreden, waarmee een vergunningplicht is gecreëerd voor bedrijfsmatige activiteiten die plaatsvinden in bepaalde gebieden en daartoe behorende publiek toegankelijke gebouwen, en voor bepaalde daartoe aangewezen (risico)branches. Deze gebouwen, gebieden of branches worden bij aanwijzingsbesluit door de burgemeester aangewezen. Het gaat hier om (gebouwen in) gebieden of branches waar de veiligheid en leefbaarheid onder druk staan. Nu voor deze aangewezen bedrijfsmatige activiteiten een vergunningplicht geldt, kan ook de Wet Bibob worden toegepast. Gelet op de aard van dit vergunningstelsel ligt het in de rede om aanvragen met betrekking tot deze vergunningen standaard aan een Bibob-toets te onderwerpen. Nu de vergunningen voor onbepaalde tijd worden verleend, wordt - eveneens gelet op de aard van dit vergunningstelsel - na verlening van de vergunning een periodieke Bibob-toets passend geacht. Deze toets zal bij verleende vergunningen elke vier jaar plaatsvinden. Daarnaast kan een Bibob-toets bij reeds verleende vergunningen plaatsvinden indien sprake is van signalen zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling. Marktvergunning: artikel 7 van de Marktverordening Den Haag 2016 Per 2 december 2016 is de Marktverordening Den Haag 2016 in werking getreden. De Marktverordening Den Haag 2013 is daarmee herzien.
Met het aanpassen van de regelgeving door de eerdere verordening uit 2013 werd uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken in het convenant tussen de gemeente Den Haag en de vertegenwoordigers van de marktkooplieden, zoals vastgelegd in het raadsbesluit van 8 september 2011. De regelgeving draagt bij aan een schone en veiligere markt en maakt een gevarieerder aanbod van producten op de markt mogelijk.
12/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Om te zorgen voor een kwalitatief goede markt, dienen ondernemers integer te zijn. Om die reden is ervoor gekozen een Bibob-toets standaard uit te voeren ten aanzien van de aanvragers van een marktvergunning die in aanmerking komen voor vergunningverlening op basis van de reguliere criteria van de Marktverordening Den Haag 2016 waaraan eerst wordt getoetst. Ten aanzien van een reeds verleende vergunning zal een Bibob-toets standaard worden uitgevoerd indien een vergunninghouder zich de afgelopen twee jaar tenminste éénmaal schuldig heeft gemaakt aan een zware overtreding conform de Beleidsregels Sancties Markten Den Haag 2017 waarbij de gemeente handhavend heeft opgetreden. Zware overtredingen in het kader van de Beleidsregels Sancties Markten Den Haag 2017 zien op overtredingen die de kern van de markt raken. Het gaat om overtredingen waarbij het ordelijk verloop van de markt wordt verstoord of dreigt te worden verstoord of de veiligheid in gevaar wordt gebracht, gedragingen die te maken hebben met illegale praktijken of overtredingen die te maken hebben met het niet voldoen aan de persoonlijke eisen die aan de vergunninghouder worden gesteld en de branchering. Daarnaast zal een Bibob-toets worden verricht naar een reeds verleende vergunning in de situatie dat er sprake is van signalen zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling.
De signaalgestuurde Bibob-toets Voor een aantal vergunningen zal niet standaard een Bibob-toets worden uitgevoerd. Voor de onderstaande beschikkingen geldt dat een Bibob-toets zal worden uitgevoerd, indien signalen van gemeentelijke informatie en/of informatie van het Bureau en/of vanuit het RIECsamenwerkingsverband en/of een OM-tip, dan wel informatie uit open bronnen of andere signalen aanleiding geven om een Bibob-toets uit te voeren. De onderstaande reeks met genoemde beschikkingen heeft een bedrijfsmatig karakter. De lijst is niet limitatief. Paracommerciële instellingen: artikel 3 en 4 van de Drank- en Horecawet Paracommerciële instellingen worden niet standaard onderworpen aan een Bibob-toets. Deze worden alleen getoetst aan de Wet Bibob, in het geval daar aanwijzingen voor zijn naar aanleiding van de informatie zoals genoemd in artikel 2:2 van de regeling. Onttrekkingsvergunning en splitsingsvergunning: de artikelen 15, 18, 21, 22, 25 en 26 van de Huisvestingswet 2014 en artikel 5:1 en 5:8 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 De gemeente Den Haag hanteert voor het samenvoegen, onttrekken en de omzetting van woningen een vergunningplicht. De onttrekkingsvergunning is vereist indien een woning aan het woonruimtebestand wordt onttrokken.
Dit kan zijn door een woning te veranderen in een winkel/bedrijfsruimte of door een zelfstandige woonruimte om te zetten in een onzelfstandige woonruimte (kamerbewoning). Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten in combinatie met een splitsingsvergunning kan ook door huisjesmelkers worden gebruikt om een woning uit te ponden in het geval de onttrekkingsvergunning niet kan worden afgegeven. Voor huisjesmelkers is de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten in combinatie met een splitsingsvergunning een alternatief voor de onttrekkingsvergunning. De Bibob-toets zal dan worden uitgevoerd met als doel om te voorkomen dat huisjesmelkers in het plegen van (criminele) activiteiten worden gefaciliteerd door de onttrekkingsvergunning of door de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten in combinatie met de splitsingsvergunning. Ten aanzien van aanvragen met betrekking tot omzettingsvergunningen en splitsingsvergunningen geldt dat deze aan een Bibob-toets worden onderworpen als er bij de gemeente al (handhavings)informatie over de aanvrager bekend is of indien informatie van het RIEC, het Bureau of een OM-tip, dan wel informatie uit open bronnen of andere signalen daartoe aanleiding geven.
13/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Overige vergunningen Ook indien signalen bestaan bij andere dan de bovengenoemde vergunningen kan het bestuursorgaan de Wet Bibob toepassen op alle bedrijfsmatige vergunningplichtige activiteiten, in het geval gemeentelijke informatie en/of informatie van het Bureau en/of vanuit het RIECsamenwerkingsverband en/of een OM-tip, dan wel informatie uit open bronnen of andere signalen aanleiding geven om een Bibob-toets uit te voeren. 5.2 Nadere uitwerking van de toepassing bij subsidieverlening De Wet Bibob vereist niet dat een subsidieregeling expliciet verwijst naar de Wet Bibob voordat een subsidie kan worden getoetst aan deze wet. De grondslag voor toepassing van de Wet Bibob op subsidies volgt uit artikel 6 van de Wet Bibob zelf. De verstrekking van subsidies is gebaseerd op grond van wettelijke voorschriften van de gemeente Den Haag die regelen voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Hieronder valt bijvoorbeeld de Algemene Subsidieverordening Den Haag, die op 1 september 2020 in werking is getreden (voor subsidies die tussen 1 juli 2014 en 31 augustus 2020 zijn uitgegeven geldt de Algemene Subsidieverordening Den Haag 2014). Naast de Algemene Subsidieverordening kunnen er ook andere subsidieverordeningen door de raad worden vastgesteld.
De gemeente Den Haag kent bijvoorbeeld specifieke verordeningen op het terrein van onderwijs, onderwijs(huisvesting), leerlingenvervoer, re-integratie, fractieondersteuning en bedrijveninvesteringszone. 8 De aanvraag om een subsidiebeschikking kan worden geweigerd op grond van de Wet Bibob. Daarnaast is het mogelijk om een verleende subsidiebeschikking in te trekken en voorts om de subsidie terug te vorderen of op een lager bedrag (of nihil) vast te stellen. Met de wijziging van de Wet Bibob per 1 augustus 2020 is expliciet aangegeven dat ook de bekostiging van onderwijs als subsidie wordt aangemerkt. Gezien de vele subsidieaanvragen die de gemeente jaarlijks ontvangt, heeft het college besloten om niet alle subsidieaanvragen en vaststellingsbesluiten ten aanzien van reeds verstrekte subsidies aan een Bibob-toets te onderwerpen, maar de toets op een selectieve en risicogestuurde manier toe te passen.
Hieruit volgt dat de toets bijvoorbeeld alleen standaard plaatsvindt wanneer de subsidieaanvraag of de reeds verleende subsidie betrekking heeft op een te subsidiëren activiteit die plaatsvindt in een gebied of gebouw dat bij Aanwijzingsbesluit is aangewezen als prioritair gebied of gebouw op grond van artikel 2:98 van de APV, ofwel wanneer het gebied door het college als prioritair gebied is aangewezen in verband met het onder druk staan van de veiligheid en de leefbaarheid in die gebieden. Ditzelfde geldt wanneer de te subsidiëren activiteit plaatsvindt op een andere locatie dan het betreffende prioritaire gebied of daartoe aangewezen gebouw, maar de betrokkene in dit gebied of gebouw is gevestigd. Daarnaast zal een Bibob-toets plaatsvinden wanneer een rechtspersoon 9 voor de eerste keer een subsidieaanvraag doet bij de gemeente van €10.000,- of meer, of wanneer de rechtspersoon niet langer dan twaalf maanden voor de aanvraag is opgericht. Ook een bestuurswisseling of directiewisseling in de afgelopen zes maanden voor de aanvraag of vaststelling leidt tot het uitvoeren van een Bibob-toets.
Verder is betrokkenheid bij faillissementen door de rechtspersoon die de subsidie aanvraag (of de (middellijk) bestuurder van die rechtspersoon dan wel andere organisaties die aan die (middellijk) bestuurder zijn gelieerd) een reden om een Bibob-toets uit te voeren, alsmede wanneer de accountant zich bij controle heeft onthouden van een oordeel of niet met voldoende zekerheid een oordeel heeft kunnen geven met betrekking tot de gevraagde assuranceverklaring. Ook andere onregelmatigheden of specifieke bijzonderheden bij de aanvraag of bij de vaststelling kunnen aanleiding geven om een Bibob-toets uit te voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan onduidelijkheden in de zeggenschap of onregelmatigheden bij eerdere subsidieverleningen. 8 Zie Kadernota subsidiebeleid Den Haag 2020-2013 (RIS 305416). 9 Het betreft rechtspersonen of samenwerkingsverbanden door natuurlijke personen met een bedrijfsmatig karakter. Het
betreft dus géén natuurlijke personen ten behoeve waarvan de aanvraag wordt gedaan.
14/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
De gemeente kan namen van betrokkenen en diens zakelijke omgeving melden bij de Bibob-officier van justitie van het Arrondissementsparket Den Haag. De Bibob-officier kan gebruik maken van de mogelijkheid om op grond van artikel 26 van de Wet Bibob aan de gemeente een zogenoemde OM-tip te verstrekken. In het geval hiertoe aanleiding bestaat kan het bestuursorgaan ook gebruik maken van de samenwerking met het RIEC om de informatiepositie te versterken. Er zal verder in elk geval een Bibob-toets worden uitgevoerd in het geval eigen informatie van de gemeente en/of informatie verkregen van het Bureau (waaronder een tip op grond van artikel 11 van de wet) en/of het OM conform artikel 26 van de wet (OM-tip) en/of het RIEC en/of informatie uit open bronnen en/of overige signalen daartoe aanleiding geven. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie dat een subsidie(aanvraag) betrekking heeft op bekostiging van onderwijs, waarbij uit informatie zoals hiervoor genoemd aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de onderwijsinstelling mogelijk in verband kan worden gebracht met uitingen die aanzetten tot haat of discriminatie, dan wel gewelddadigheden wegens mensen hun ras, godsdienst, levensovertuiging, seksuele geaardheid e.d.
5.3 Nadere uitwerking van de toepassing bij vastgoedtransacties (waaronder grondtransacties) Sinds 2013 kan de Wet Bibob worden toegepast op vastgoedtransacties (waaronder grondtransacties) waarbij de overheid partij is. Met de wetswijziging van 1 augustus 2020 is het bereik van de wet bij vastgoedtransacties verder uitgebreid. Zo valt sinds die wetswijziging niet alleen de deelname van een gemeente aan een rechtspersoon die een onroerende zaak in eigendom heeft of (ver)huurt onder het bereik van de wet, maar ook de vergroting, vermindering of beëindiging van die deelname. Verder is niet van belang of de rechtspersoon al vastgoed bezit of huurt op het moment van deelname van de gemeente aan die rechtspersoon; ook wanneer dat pas na vergroting, vermindering of beëindiging van de deelname van de gemeente aan die rechtspersoon zal gebeuren is de wet hierop van toepassing. Daarnaast kan sinds de wetswijziging van 1 augustus 2020 een Bibob-toets worden uitgevoerd als de gemeente verzocht wordt om toestemming te verlenen voor de overdracht van erfpacht. De vastgoedsector is in zijn algemeenheid krachtig en betrouwbaar, maar op onderdelen kwetsbaar voor criminele invloeden. In het ondermijningsbeeld van de gemeente Den Haag uit 2019 wordt aangegeven dat criminele investeringen in vastgoed behoren tot de top drie van ondermijnende criminaliteit.
Gemeenten zijn als privaatrechtelijke partij betrokken bij vastgoedtransacties van onroerende goederen en gronden met andere partijen zoals bouwbedrijven, vastgoedontwikkelaars, vastgoedbedrijven, woningcorporaties en ook particulieren. Daarom is het belangrijk om Bibobtoetsen ook uit te voeren bij vastgoedtransacties. De uitkomsten uit de City Deal Zicht op Ondermijning 10 bieden de grondslag om voor wat betreft vastgoedtransacties standaard een Bibobtoets uit te voeren in alle gevallen zoals in dit beleid zijn genoemd. Een Bibob-toets op alle vastgoedtransacties is gelet op de capaciteit niet mogelijk. Daarom wordt de Bibob-toets risicogestuurd ingezet. Een Bibob-toets zal steeds plaatsvinden bij (een voorgenomen) uitgifte in eigendom (tenzij sprake is van omzetting van erfpachtgrond naar vol eigendom waarbij de gemeente het bloot eigendom verkoopt aan de erfpachter) of verhuur van vastgoed en/of gronden door de gemeente (in beide gevallen uitgezonderd snippergroen), alsmede bij het sluiten van ligplaatsovereenkomsten. In geval van verhuur van vastgoed en/of gronden geldt bovendien de uitzondering dat geen Bibob-toets zal worden uitgevoerd naar een huurder die van overheidswege gesubsidieerd wordt. 10 Zie www.zichtopondermijning.nl en https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/08/31/city-deal-zicht-
op-ondermijning-1e-fase.
15/17
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
BSD/10087364
Ook zal een Bibob-toets plaatsvinden wanneer de vastgoedtransactie betrekking heeft op een onroerende zaak (een gebouw of grond) die is gelegen in een prioritair gebied dat krachtens artikel 2:98 van de APV als zodanig is aangewezen, dan wel dat anderszins door het college als zodanig is aangemerkt. Een en ander behoudens de uitzonderingen die zijn opgenomen in de leden a, d en e van artikel 3:1, derde lid van de regeling. Ten aanzien van erfpacht geldt dat een Bibob-toets standaard zal worden uitgevoerd bij de vestiging van dit zakelijke recht, maar niet bij de heruitgifte (conform gemeentelijk beleid), vervreemding en/of wijziging van erfpachtrechten, alsmede de uitgifte in erfpacht van snippergroen. Daarnaast zal een Bibob-toets worden uitgevoerd wanneer het gaat om de verkoop door de gemeente van aandelen in een rechtspersoon die vastgoed in bezit heeft of verhuurt of naar verwachting in bezit zal krijgen of zal gaan verhuren. Dat de rechtspersoon vastgoed in eigendom zal verkrijgen of zal verhuren, zal veelal blijken uit de statuten van die rechtspersoon. Tot slot zal een Bibob-toets plaatsvinden wanneer de vastgoedtransactie grote financiële gevolgen voor de gemeente zal hebben. Ten aanzien van kiosken geldt dat deze niet vallen onder een vergunningstelsel, anders dan dat een bouwvergunning kan zijn vereist voor de oprichting of verbouwing ervan.