CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS308009 Bijlage

Gemeenteraad 20 mei 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Brief wethouder van Financiën en Stadsontwikkeling met nadere informatie over aanvraag Zeesluisweg 44 t/m 76 i.h.k.v de Algemene verklaring van geen bedenkingen (RIS308009)13.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 27 van 42 Januari 2021 Versie 01

Conclusies Geconcludeerd wordt dat de locatie geschikt is voor de voorgenomen werkzaamheden en herinrichting. Ter onderbouwing van bovenstaand wordt tevens geconcludeerd dat: - de grond niet verontreinigd is met de onderzochte parameters; - ingevolge de Wet Bodembescherming nader bodemonderzoek en/of het nemen van sanerende maatregelen niet noodzakelijk is; - visueel zowel op het maaiveld als in het opgeboorde materiaal geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen; - uit het PAK-detector onderzoek volgt dat bij beide asfaltkernen geen fluorescenties is waargenomen, hierdoor kan worden gesteld dat het PAK10 gehalte minder dan 250 mg/kg ds bedraagt. Indien het asfalt wordt afgevoerd dient op basis van worst case scenario het asfalt als teer houdend afgevoerd te worden. Opmerkingen Volledigheidshalve moet gemeld worden dat onderhavig milieukundig bodemonderzoek, zoals ieder milieukundig onderzoek, steekproefsgewijs is uitgevoerd en een momentopname betreft. Tenslotte wordt opgemerkt dat de toetsende en handhavende taak uiteindelijk bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Haaglanden) ligt. 4.4

Ecologie De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet vervangt de volgende drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. Het Rijk blijft bevoegd gezag bij ruimtelijke ingrepen met grote nationale belangen. Voor gemeenten geldt dat zij het bevoegd gezag zijn voor omgevingsvergunningen. Er dient bij ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met Europese en nationale wetgeving en beleid ten aanzien van de natuurbescherming. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

4.4.1

Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 28 van 42 Januari 2021 Versie 01

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) - voorheen Ecologische Hoofdstructuur - is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.

Fig. 4.1: Weergave van het plangebied in relatie tot nabijgelegen NNN- gebieden.

Het plangebied ligt niet binnen het NNN, echter rondom het plangebied zijn meerdere NNN-gebieden gelegen. De dichtstbijzijnde grens van NNN ligt echter op ca. 500 meter afstand van het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden zijn echter van dien aard dat het uitgesloten is de kernwaarden van het NNN zullen worden aangetast. Natura 2000 Het plangebied is geen onderdeel van het netwerk Natura 2000. De dichtstbijzijnde grens van een Natura 2000 gebied ligt op circa 1 kilometer afstand van het plangebied.

Fig. 4.2: Weergave van het plangebied in relatie tot nabijgelegen Natura 2000 gebieden.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 29 van 42 Januari 2021 Versie 01

Stikstofdepositie Door Rensen Milieuadvies zijn voor de herontwikkeling van dit project een Aeriusberekening (aanleg- en gebruiksfase) uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr. Op basis hiervan is geen stikstofdepositie in het Natura 2000 gebied aanwezig. De Aerius-berekening is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. 4.4.2

Soortenbescherming Het project voorziet in het slopen van bestaande bebouwing en herontwikkeling in hetzelfde plangebied. Er is het voornemen voor een ruimtelijke ontwikkeling aan de Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen. Deze plannen zouden van negatieve invloeden kunnen zijn op plantenen diersoorten die beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten waaruit naar voren kwam dat deze niet werden niet voorzien1 . Mede op grond van de zorgplicht van de Wet natuurbescherming is aan Adviesbureau Mertens BV te Wageningen gevraagd om een veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van vleermuizen, vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen en de schubvaren en om bij het eventueel voorkomen hiervan, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In onderhavig briefverslag worden deze bevindingen weergegeven. Het (aanvullend) veldonderzoek is door Adviesbureau Mertens uitgevoerd. Het onderzoek ‘onderzoek vleermuizen, vogels en schubvaren Zeesluisweg te Scheveningen’, kenmerk 2020.3728, d.d. 15 oktober 2020 is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. In het rapport zijn de volgende conclusies te lezen. Conclusie Aanwijzingen van het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels worden uitgesloten.

Ook komt schubvaren niet voor. Gedurende onderhavig onderzoek en het verkennend veldonderzoek zijn geen aanwijzingen van het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels of groeiplaatsen van de schubvaren. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de ontwikkeling is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden.

1.

1 Adviesbureau Mertens, 2020. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Zeesluisweg te Scheveningen.

Wageningen, 1-13. NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 30 van 42 Januari 2021 Versie 01

4.5

Externe en fysieke veiligheid Het Besluit richt zich primair op inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. In artikel 2, lid 1 van het BEVI staan de inrichtingen genoemd waarop het besluit van toepassing is. Deze inrichtingen brengen risico’s met zich mee voor de in de omgeving aanwezige risicogevoelige objecten. Woningen zijn niet aangemerkt als (risico veroorzakende) inrichting. Woningen zijn echter aan te merken als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat op zich beoordeeld dient te worden of er in de nabijheid van het terrein eventueel Bevi-inrichtingen zijn die van invloed zijn/kunnen zijn op het woningbouwplan. Daartoe onderstaande weergave van de risicokaart.

Fig. 4.3: Weergave van het plangebied (blauwe aanduiding) en nabijgelegen inrichtingen (bron: www.risicokaart.nl)

4.5.1.1

Bevi-inrichtingen binnen en buiten het plangebied Binnen en buiten het plangebied bevinden zich geen Bevi-inrichtingen en/of bedrijven die invloed hebben op het plangebied. Het plangebied ligt niet in een inventarisatiegebied van een Bevi-inrichting. In de haven zijn visbewerkingsbedrijven aanwezig en in oostelijke richting is aan de Duinstraat een Gasdrukregel- en meetstation gelegen. Het betreffen inrichtingen die onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit vallen en geen Bevi-inrichtingen zijn.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 31 van 42 Januari 2021 Versie 01

4.5.1.2

Buisleidingen Er zijn echter geen buisleidingen in nabijheid van het plangebied aanwezig die van invloed zijn op het plangebied.

4.5.1.3

Route gevaarlijke stoffen Nabij het plangebied bevinden zich geen route gevaarlijke stoffen die invloed hebben op het plangebied.

4.5.1.4

Hoogspanningsleidingen Nabij het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen die invloed hebben op het plangebied.

4.5.2

Conclusie Het plan zelf voorziet niet in de oprichting van een risicovolle activiteit. Het project voorziet in het realiseren van kwetsbare objecten (woningen in een woongebouw). Een verdere afweging of de planontwikkeling al dan niet leidt tot (on)aanvaardbaar risico in het kader van de externe veiligheid kan achterwege blijven. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het gewenste project.

4.6

Geluid Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. Ontheffing van de voorkeursgrenswaarde is toegestaan indien maatregelen om de geluidsbelasting op de buitengevels te beperken niet mogelijk zijn of onvoldoende helpen en indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

4.6.1

Wegverkeerslawaai in relatie tot het project Woningen vanuit de Wet geluidhinder aan te merken als geluidsgevoelig objecten. Gelet op de ligging binnen een geluidzone is een akoestisch onderzoek vereist. Door Bureau 1232 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport d.d. 17 juli 2020, nummer 18113 7527 is als bijlage bijgevoegd.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 32 van 42 Januari 2021 Versie 01

Geconcludeerd kan worden dat uit uitgevoerde onderzoek blijkt dat de geluidbeslasting op de gevels van 8 woningen op de begane grond, vanwege het wegverkeer op de Treilerdwarsweg en de Zeesluisweg, hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van maximaal Lden = 48 dB. Er zijn geen realistische mogelijkheden om de geluidbelastingen te beperken. Het plan kan ruimtelijk mogelijk gemaakt worden door het vaststellen van hogere grenswaarden. 4.6.2

Overige bronnen inrichting Er zijn geen overige geluidbronnen, zoals railverkeer of industrielawaai die van invloed zijn op het plangebied. De nabijgelegen bedrijven en instellingen met bijhorende geluidsnormen geven tevens geen belemmering.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Vanuit milieu hygiënisch oogpunt vergt het inpassen van nieuwe functies in het plangebied een goede afstemming met de andere, in de omgeving aanwezige functies. Binnen het plangebied is sprake van het toevoegen van een nieuwe woning. Nieuwe functies kunnen van invloed zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieu hygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt. De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; • de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen „rustige woonwijk‟ en „rustig buitengebied‟; NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 33 van 42 Januari 2021 Versie 01

• •

de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren indien aan de orde.

Fig. 4.4: Weergave van de verbeelding van het bestemmingsplan waaruit blijkt de verschillende bestemmingen. Er is sprake van functiemenging rondom het plangebied.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 34 van 42 Januari 2021 Versie 01

Fig. 4.5: Weergave van de verbeelding van het bestemmingsplan waaruit blijkt de verschillende bestemmingen. Er is sprake van functiemenging rondom het plangebied.

In het betreffende gebied is sprake van stedelijke gebied met overwegend verschillende bestemmingen en functies. Er is sprake van sterke functiemenging rondom het plangebied, zoals bedrijven, gemengd 3 en 4, maatschappelijk, woonfuncties, horeca, verkeer en groen. Geconcludeerd kan worden dat door deze menging van functies het omgevingstype is te karakteriseren als ‘gemengd gebied’ en daarom een verlaging van de afstandsnormen is te rechtvaardigen. Ten zuiden van het plangebied aan de Schokkerweg heb je enkele horecabestemmingen en bedrijvenbestemming “Bedrijf -1” met functieaanduiding milieucategorie 3. Voor dergelijke bedrijven geldt in gemengd gebied een richtafstand van 50 meter (voor het aspect geluid) tot gevoelige functies zoals de nieuwe woningen. Het plangebied met daarin de nieuwe woonfuncties is op grotere afstand dan 100 meter gelegen. Ook de brandweerkazerne (op ca. 56 meter) is niet nadelig van invloed op het plangebied. De nieuwe woningen, die overigens gerealiseerd worden in een positief bestemde woonbestemming, hebben geen zonering en (negatief) effect op het woonen leefklimaat van woningen in de omgeving, bedrijven en maatschappelijke bestemmingen.

Daarmee kan worden geconcludeerd dat de omliggende bedrijven en/of instellingen, niet in hun planologische mogelijkheden worden beperkt en wat betreft de woonfuncties sprake kan zijn van een goed woon- en leefklimaat. De gewenste woningen geven geen onevenredige belemmering en zal ook niet nadelig belemmerd worden. Nader onderzoek naar milieuhinder is niet nodig.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 35 van 42 Januari 2021 Versie 01

4.8

Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Projecten die ‘niet in betekende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de AMvB-nibm zijn de criteria vastgelegd om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van nibm. Met de inwerkingtreding van de NSL op 1 augustus 2009 geldt de volgende bovengrens om als NIBM-project te worden aangemerkt: de bouw van 1500 woningen aan één ontsluitingsweg. Voorliggend plan is qua omvang en verkeersaantrekkende werking veel kleinschaliger als de bouw van 1500 woningen aan één ontsluitingsweg. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig.

4.9

M.e.r.-beoordeling Voor besluiten en plannen die ontwikkelingen bevatten, die (mogelijk) belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben, geldt de plicht voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De drempelwaarden voor projecten waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in het Besluit m.e.r. Bij deze ruimtelijke onderbouwing hoeft geen milieueffectrapportage opgesteld te worden.

De ontwikkeling die met deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk wordt gemaakt, ligt onder de drempelwaarden zoals die genoemd zijn in het Besluit m.e.r. (onderdeel D, kolom 2). In onderdeel D, D.11.2 wordt aangegeven dat voor ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een vormvrij M.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. In dit concrete geval komen we tot de conclusie dat bij voorliggend project geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. De redenen daarvoor zijn, dat: 1. het project is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied; 2. er geen sprake is van een functiewijziging (in het bestemmingsplan is ter plaatse via een gemengde bestemming reeds in wonen en een ‘commerciële plint’ voorzien); 3. er ten opzichte hiervan geen of nauwelijks sprake is van een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 4. uit de hiernavolgende paragrafen blijkt dat er geen sprake is van ‘belangrijke nadelige’ milieueffecten. Het is daarom niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling op te stellen en een aanmeldingsnotitie voor het bevoegd gezag op te stellen.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag

Blad 36 van 42

Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Januari 2021 Versie 01

4.10

Verkeer en vervoer en parkeren Nieuwe functies betekenen meestal ook dat er sprake is of zal zijn van een toename van verkeersbewegingen, alsmede ontstaat er een parkeerbehoefte. Uitgangspunt is dat nieuwe functies geen onevenredige extra hinder veroorzaken voor reeds aanwezige functies in de omgeving. Op 23 maart 2017 heeft de gemeenteraad de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 vastgesteld. Door in bestemmingsplannen een koppeling te leggen met deze beleidsregel, kunnen bij de toetsing van omgevingsvergunningen ook de fietsparkeernormen worden betrokken. Met deze parapluherziening wordt voor alle digitale bestemmingsplannen een koppeling met de Fietsparkeernormen gelegd. Parkeren Voor het project is parkeeronderbouwing door GoudAppel opgesteld. De onderbouwing met kenmerk 008351.20201229.R1.01, d.d. 19 december 2020, is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. Het project voorziet er in om de bestaande bebouwing (woningen, winkels, bedrijvigheid) te transformeren naar een wooncomplex, bestaande uit 121 appartementen. Bovendien wordt 485 m² bvo bedrijfsruimte gerealiseerd. Door de herontwikkeling van bestaande bebouwing met een eigen parkeervraag is het mogelijk te ‘salderen’.

Dit houdt in dat de parkeervraag van de huidige bebouwing, waar al rekening mee is gehouden in de openbare ruimte, kan worden afgetrokken van de parkeervraag van het te ontwikkelen wooncomplex. Wanneer de parkeervraag van de huidige bebouwing wordt afgetrokken van de parkeervraag van de ontwikkeling conform de gemeentelijke parkeernorm is er echter nog sprake van een tekort van 13 parkeerplaatsen. Initiatiefnemer heeft aangegeven deelauto’s aan te bieden aan de bewoners van het toekomstige wooncomplex aan de Zeesluisweg. Door het aanbieden van deelauto’s is een reductie van de gemeentelijke parkeernorm mogelijk. Volgens gemeentelijke richtlijnen zijn maximaal 6 deelauto’s toegestaan voor dit functieprogramma op deze locatie. Door het aanbieden van 6 deelauto’s is een reductie op de parkeernorm van 4 parkeerplaatsen per deelauto mogelijk. Daar staat tegenover dat elke deelauto een eigen parkeerplaats krijgt die enkel voor de deelauto is gereserveerd. Door de reductie van deelauto’s op de gemeentelijke parkeernorm bedraagt de maximale parkeervraag 53 parkeerplaatsen. Aangezien er 53 parkeerplaatsen beschikbaar zijn binnen het plangebied van de ontwikkeling en de aanliggende parkeercapaciteit op de Zeesluisweg is er sprake van een acceptabele parkeersituatie. Het parkeren voorziet in het plangebied in ondergrondse parkeergelegenheid.

Fietsenberging Ten aanzien van de parkeren van fietsen wordt in de gemeentelijke beleidsregels ‘Fietsparkeernormen Den Haag 2016’ voor woonfuncties verwezen naar het Bouwbesluit 2012.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 37 van 42 Januari 2021 Versie 01

Afdeling 4.5 Bouwbesluit 2012 stelt dat een te bouwen woonfunctie een afsluitbare bergruimte om fietsen of scootmobielen heeft ter bescherming van weer en wind. Het project voorziet niet in afzonderlijke bergruimten per woonfunctie, maar in een gemeenschappelijke fietsenberging met stallingsruimte met 326 fietsplekken. In de aanvraag omgevingsvergunning zal er een beroep op gelijkwaardigheid (artikel 1.3 Bouwbesluit 2012) worden gedaan ten behoeve van een gemeenschappelijke fietsenberging. Conform artikel 4 ‘Vormgeving en aantal fietsplekken’ van de gemeenelijke beleidsregels zijn op basis van het plan (aantallen en gebruiksoppervlakte van de woningen) minimaal 297 fietsplekken vereist. Deze aantallen zijn ruimschoots aanwezig in de fietsenberging. 4.11

Water(toets)

4.11.1

Vigerend beleid

4.11.1.1

Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

4.11.1.2

Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

4.11.1.3

Provinciaal beleid Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010 - 2015. Dit waterplan is op 11 november 2009 door Provinciale Staten vastgesteld. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 38 van 42 Januari 2021 Versie 01

Nationale Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: • Waarborgen waterveiligheid; • Zorgen voor mooi en schoon water; • Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening; • Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem. 4.11.1.4

Waterschap Hoogheemraadschap Delfland Het Waterbeheerplan 2010-2015, 'Keuzes maken en kansen benutten' is het document waarin Delfland de ambities voor de komende jaren heeft vastgelegd. Het plan beschrijft de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Delfland investeert de komende jaren volop in het vergroten van de veiligheid, het verbeteren van de waterkwaliteit, het tegengaan van wateroverlast en het optimaliseren van de zuivering van afvalwater. Klimaatverandering, zeespiegelstijging verzilting en nieuwe wetten en regels gaan het waterbeheer de komende decennia ingrijpend veranderen. Bovendien dwingen de complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen tot het stellen van prioriteiten. Delfland spreidt daarom de maatregelen in de tijd, zodat het tempo aansluit bij de mogelijkheden van de organisatie en het gebied. In het recent opgestelde beleidsdocument "beperken en voorkomen van wateroverlast '(Delfland, 2014) is vastgelegd, dat bij nieuwe ontwikkelingen de waterhuishouding op alle aspecten minimaal evengoed moet blijven functioneren, het standstill-principe. Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets.

Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het hoogheemraadschap van Delfland heeft de Handreiking watertoets voor gemeenten opgesteld. In de handreiking worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht. De handreiking staat op http://www.hhdelfland.nl/digitaalloket/watertoetsportaal

4.11.1.5

Afvalwater en Riolering Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is "het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 (RIS 289287). Opgave voor dit vijfde plan (2016-2020) is de behaalde winst vast te houden en gedegen voor bereid te zijn op uitdagingen in de toekomst. In de nieuwe planperiode wordt extra nadruk gelegd op verdere verbetering van de service, op de communicatie en de samenwerking met de partners in de openbare ruimte. Daarnaast krijgt duurzaamheid extra aandacht. Als gevolg van de klimaatverandering nemen de jaarlijkse hoeveelheid neerslag en het aantal hevige regenbuien toe. Die lijn zal zich in de toekomst verder voortzetten. Den Haag kan klimaatverandering niet voorkomen. We kunnen wel maatregelen nemen die de gevolgen ervan beperken. Het vasthouden van regenwater is belangrijk en dat lukt het best in gebieden waar groen en water aanwezig is. Door aandacht bij plannen voor ontwikkeling en herstructurering van de openbare ruimte kan de stad geleidelijk meer klimaatbestendig worden gemaakt zonder dat dit extra geld kost De klimaatverandering zal er onder meer toe leiden dat het vaker en harder zal regenen. Tegelijkertijd worden ook langere periodes van droogte verwacht. Dit zal effect hebben op de grondwaterstand.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 39 van 42 Januari 2021 Versie 01

Vooral gebieden met relatief weinig oppervlaktewater zijn kwetsbaar. Met behulp van metingen en scenariostudies zijn aandachtsgebieden bepaald voor grondwater. In deze gebieden komt de gemiddelde ontwateringsdiepte in 2050 in een natte periode op een niveau waarbij hinder en overlast zou kunnen optreden. In deze aandachtsgebieden wordt intensiever gemeten en vindt bij meldingen van overlast onderzoek plaats. Bij nieuwbouwprojecten wordt in samenwerking met het hoogheemraadschap Delfland de (verplichte) watertoets uitgevoerd waarbij nu ook het grondwatersysteem wordt beschouwd. Met de uitkomsten dient dan rekening te worden gehouden bij het bepalen van de bestemming van de gronden, bijvoorbeeld met het oog op het bebouwen en daarna beheren van de openbare ruimte. Bewoners en ondernemers zijn belangrijke partners bij het realiseren van de doelstellingen die in het Gemeentelijk Rioleringsplan worden beschreven. Eigenaren kunnen maatregelen nemen om regenwater beter vast te houden en/of vertraagd af te voeren, zoals door het aanleggen van groene daken en door het verminderen van verharding in tuinen en op binnenterreinen.

Eigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor het treffen van bouwkundige maatregelen om problemen met water in kelders, tuinen en kruipruimtes tegen te gaan, maar ook – in geval van verkeerd gebruik - voor het aanpakken van verstoppingen in hun aansluiting op de riolering. Het is belangrijk dat eigenaren en ondernemers goed op de hoogte zijn van de verdeling van verantwoordelijkheden, zodat zij weten wat zij zelf moeten doen en waarvoor zij bij de gemeente terecht kunnen. De komende periode spant de gemeente zich in om die groeiende bewustwording verder te faciliteren. Wat betreft de riolering (vuilwater en hemelwater) wordt er aansluiting gezocht op bestaande voorzieningen die ter plaatse reeds aanwezig zijn. De riolering wordt aangesloten op het gemeentelijk stelsel. 4.11.2

Waterparagraaf

4.11.2.1

Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 40 van 42 Januari 2021 Versie 01

4.11.2.2

Watertoetsproces Het plangebied bevindt zich binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Delftlanden. Voor het project is op 19 januari 2021 een watertoets aangevraagd. Zodra de reacties daarvan binnen zijn zullen deze worden verwerkt in de ruimtelijke onderbouwing. PM Toevoegen resultaten ingediende watertoets na ontvangst

4.11.3

Vergunningverlening Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. De watervergunning dekt alle activiteiten in het watersysteem. Een vergunning is nodig als activiteiten worden ondernemen in, op, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam (watergang, vijver, rivier, kanaal, meer of zee) of waterkering, of als grondwater wordt onttrokken of water geïnfiltreerd wordt in de bodem. De watertoets en de vergunningverlening blijven wel twee afzonderlijk procedures. Dit betekent dat het Hoogheemraadschap bij het verlenen van een vergunning altijd aanvullende voorwaarden kunnen stellen. Dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, herstel en verbetering van de waterhuishouding door middel van dijken, kades en dijksloten, één en ander met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, wegen, groen, water en overige voorzieningen. Voor het project is een afzonderlijke watervergunning ingediend bij het Waterschap Hoogheemraadschap Delfland.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Blad 41 van 42 Januari 2021 Versie 01

5

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1

Algemeen Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een project. Wat dat betreft wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het project maatschappelijk draagvlak heeft. Om het project mogelijk te maken dient een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder c. van de Wabo jo. artikel 2.12 lid 1 onder a.3 van de Wabo, worden verleend. Gedurende de uitgebreide voorbereidingsprocedure ligt de ontwerp omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter inzage. Belanghebbenden kunnen een zienswijze kenbaar maken. Na besluitvorming kan tegen het besluit beroep worden ingesteld. In dit geval is de gemeente Den Haag het bevoegd gezag voor het nemen van het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning.

5.3

Economische uitvoerbaarheid Financiële uitvoerbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer draagt de kosten voor het project en de Wabo-procedure en daarmee is het project economisch uitvoerbaar. Planschade De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft in artikel 6.1 aan dat een belanghebbende onder bepaalde voorwaarden en beperkingen recht kan doen gelden op een tegemoetkoming in de schade als gevolg van de bepalingen van een bestemmingsplan, bijvoorbeeld een planwijziging, of een besluit omtrent een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c. van de Wabo.

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Den Haag

Blad 42 van 42

Het bouwen van een woongebouw, Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen

Januari 2021 Versie 01

Projectgegevens Project Projectnummer IMRO Versie Datum

NL.IMRO. Ruimtelijke onderbouwing

: Woongebouw Zeesluisweg 44-76 te Scheveningen : RB 80.024 : NL.IMRO. : 01 : Januari 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9925302/1