CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307967 Bijlage 1a Ruimtelijke onderbouwing Hotel Bleijenburg

Gemeenteraad 20 mei 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Commissiebrief: Ontwerp Verklaring van geen bedenking (Wabo) ten aanzien van aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een hotel ter plaatse van het te slopen kantoor Bleijenburg 1 (RIS307967)15.593 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoofdstuk 4

28

van de berekende fietsparkeerbehoefte. Onderhavig plangebied ligt in het gebied met een hoge parkeerdruk. Het beoogde plan heeft een parkeerbehoefte van 8 en ligt daarmee onder de vrijstellingsgrens van 10. Hiermee wordt voldaan aan de Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016. Verkeersgeneratie Voor berekening van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd met de functiewijziging wordt gebruik gemaakt van kencijfers verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer die van en naar het projectgebied rijdt. Voor het bepalen van de kencijfers wordt gebruikt gemaakt van publicatie 317 “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” van het CROW (kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte). Bij het bepalen van de kencijfers is rekening gehouden met de bereikbaarheid van de locatie, specifieke kenmerken van de functie en mobiliteitskenmerken van de gebruikers/bezoekers. De komst van 80 hotelkamers en het onttrekken van 1.613 m 2 bvo kantoorruimte leidt per saldo tot iets motorvoertuigbewegingen per etmaal en daarmee een lagere verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie in de toekomstige situatie verandert nauwelijks vergelijking met de huidige situatie. Om deze reden zijn dan ook geen negatieve effecten op de verkeersdrukte en –veiligheid te verwachten. Functie

Omvang programma

Kencijfer CROW

Aantal mvt/etmaal

3* hotel

80 kamers

5,8 mvt/ etmaal per 10 kamers*

+46,4

Kantoor

1.613 m2 bvo

2,95 mvt/ etmaal per 100 m2

-47,6

bvo* Per saldo

-1,2

*gemiddeld aantal verkeersbewegingen op een gemiddelde weekdag op basis van omgevingstype zeer sterk stedelijk, centrum 4.1.3 Conclusie Het plan voldoet in eerste instantie niet aan de parkeernormen. Uit onderzoek blijkt echter dat er ten alle tijden genoeg parkeerplaatsen aanwezig zijn in de omgeving. Op het drukste telmoment waren 1.148 parkeerplaatsen beschikbaar in de garages. Op de werkdagavond en zaterdagmiddag waren respectievelijk 1.717 en 1.570 parkeerplaatsen beschikbaar. Ook bleek dat de dichtstbijzijnde parkeergarage, Q-Park Muzenplein, 179 en 140 vrije plekken heeft tijdens de drukste weekmomenten voor het hotel. Het plan leidt bovendien tot een lagere verkeersgeneratie dan de huidige situatie. Ten aanzien van verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor het initiatief.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer

Hoofdstuk 4

29

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 76a Wgh) dient bij het afwijken van het bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het project mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. 4.2.2 Onderzoek Een hotel wordt niet aangemerkt als geluidgevoelige functie. De wet geluidhinder stelt geen eisen aan deze functies.

Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor het plan. Daarnaast neemt met het plan de verkeersgeneratie licht af (zie par. 4.1) waardoor het op voorhand aannemelijk is dat het wegverkeerslawaai afneemt. Een akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. 4.2.3 Conclusie Hiermee vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële

Hoofdstuk 4

30

regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek In paragraaf 4.1 is berekend dat het beoogde hotel geen verkeersaantrekkende werking heeft ten opzichte van de huidige situatie. Geconcludeerd kan worden dat deze ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. 4.3.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor onderhavig project.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat bedrijven hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde uitgave Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Scheiding van functies versus functiemenging Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen.

Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding binnen een gemengd gebied niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Richtafstanden In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Hoofdstuk 4

31

Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNGbrochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. Functiemenging De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Door het hanteren van richtafstanden tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid), wordt de toelaatbaarheid van milieubelastende functies beoordeeld. Binnen gemengde gebieden kan echter ook sprake zijn van functiemenging. Dit betekent dat op gebouwniveau meerdere functies gecombineerd zijn, zoals wonen boven winkels.

In de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is voor gebieden met functiemenging een aparte lijst (bijlage 4 VNGuitgave) opgenomen. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan:  stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden met dorpskernen;  horecaconcentratiegebieden;  woon-werkgebieden met kleinschalige, vooral ambachtelijke bedrijvigheid;  gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies;  lintbebouwing in buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. In tegenstelling tot rustige woonwijken zijn in dergelijke levendige gebieden desgewenst ook milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Het kan gaan om gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. 4.4.2 Onderzoek Het plangebied maakt deel uit van het centrumgebied van Den Haagwelke voornamelijk bestaat uit diverse centrumfuncties, waaronder detailhandel, dienstverlening, horeca, maatschappelijke functies en woningen. In gebieden met functiemenging gelden geen richtafstanden.

Om aan te geven welke lichthinderlijke bedrijfsactiviteiten in (gemengde) gebieden met functiemenging zijn toegestaan, is in het tevens vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten’ (vastgesteld op 20 december 2018) een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging opgenomen. Deze is gebaseerd op lijst 4 van de VNG-brochure en specifiek gemaakt voor de functies die op grond van opgenomen bestemmingen zijn toegestaan binnen het bestemmingsplan. De activiteiten in de Staat van bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid:

Hoofdstuk 4

32

categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen -in gebieden met functiemenging- kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit zijn daarbij toereikend; categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

Een hotel valt onder functiemengingscategorie A. Eisen uit het Bouwbesluit voor de scheiding tussen woningen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Een hotelfunctie in het pand zal omliggende panden en percelen niet in hun gebruiksmogelijkheden beperken. 4.4.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de

Hoofdstuk 4

33

verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.5.2 Onderzoek Om te bepalen of sprake is van een veilige verblijfssituatie zijn inrichtingen en transportrouters in de omgeving geïnventariseerd, middels de Risicokaart. In figuur 4.5 zijn deze inrichtingen en transportroute in kaart weergegeven. Ten oosten van het plangebied bevindt zich aan de Bezuidenhoutseweg 2 een gasdrukregel- en meetstation waarvoor een plaatsgebonden risicocontour 10-6 geldt van 15 meter. De geplande ontwikkelingen bevinden zich op ruime afstand daarvan. Een nader onderzoek naar het groepsrisico, als gevolg van stationaire risicobronnen, is niet vereist. Verder zijn er in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of transportroutes aanwezig. Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er daarom geen belemmeringen voor het plan.

Projectgebied

Figuur 4.5: Uitsnede risicokaart met potentiele risicobronnen in de omgeving

4.5.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 4

34

4.6 Ecologie 4.6.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Hoofdstuk 4

35

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

4.6.2 Onderzoek In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de sloop van het huidige kantoorpand en de realisatie van een hotel, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit deze quickscan. Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Meijendel & Berkheide”, bevindt zich op circa 2,8 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een hotel betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten.

Er is daarom vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd (opgenomen als separate bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing). Afgaande op de worst-case inschattingen voor de ontwikkeling Hotel Bleijenburg is berekend dat zowel tijdens de aanlegfase in 2020 en 2021 én de gebruiksfase in 2022 geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr plaats vindt. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 720 meter ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen

Hoofdstuk 4

36

plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. 4.6.3 Conclusie Het aspect ‘ecologie’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.7 Bodem 4.7.1 Toetsingskader Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieu hygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 4.7.2 Onderzoek In verband met de geplande ontwikkeling van het beoogde hotel is in het projectgebied een verkennend bodemonderzoek conform de NEN-5740 uitgevoerd. De relevante onderdelen van de samenvatting en conclusie van dit onderzoek worden hierna weergegeven. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de in bijlage opgenomen onderzoeksrapportage. In diverse grondmengmonsters zijn verhoogde gehalten aangetroffen. De lichte verhoogde gehalten zijn echter dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken.

Hoofdstuk 4

37

4.7.3 Conclusie Het aspect ‘bodem’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.8 Water 4.8.1 Toetsingskader Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. In afwachting van de inwerkingtreding van de Omgevingsvisie is de Waterwet nog van toepassing. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Er is daarom door Aeres Milieu een rapportage opgesteld, waarin het wateraspect wordt onderbouwd. Deze rapportage is opgenomen in de bijlagen Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit deze rapportage. 4.8.2 Onderzoek De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grond-, oppervlakte-, afvallen hemelwater.

Hieronder zijn deze aspecten kort beschreven. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m-mv. voor bebouwing en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Het plangebied en omgeving ligt van oudsher in een gebied dat voornamelijk uit strandwallen en -vlaktes bestaat. Strandwallen zijn zandruggen die enkele duizenden jaren gelden onder invloed van zee en branding langs de kust zijn gevormd. Tussen de verschillende ruggen in bleef het oppervlak een stuk lager. Daar ontstond in de loop der eeuwen een soms dik veenpakket. Het plangebied ligt op een smalle strandwal. De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in onderstaande tabel.

Hoofdstuk 4

38

Het stedelijk gebied van Den Haag bestaat uit diverse peilgebieden waarbij het grondwater beheerd wordt middels het oppervlaktewater. Het plangebied ligt in het boezemgebied van Delfland met een vast waterpeil van –0,43 meter NAP met een maximaal toelaatbare peilstijging van 40 cm. Dit komt overeen met de grondwaterstanden die bij peilbuizen van het Dinoloket in de omgeving van het plangebied vastgesteld zijn. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Bij de nieuwbouw is een kelder gepland waarbij ontgraven wordt tot ca. 3,6 m-peil. Om instroom te vermijden wordt een begane grondniveau van ca. 20 cm boven de kruin van de weg geadviseerd zodat eventuele instroom in het pand vermeden wordt. Een kelder is een ondoorlatende ondergrondse voorziening. Deze dient in ieder geval waterdicht aangelegd te worden. Door de aanleg van een kelder kan opstuwing van het grondwater plaatsvinden en wordt de grondwaterstroming bemoeilijkt. In het onderhavige stedelijke gebied dient ten tijde, voorafgaand aan de bouwvergunning, het effect door de aanleg van een enkellaagse kelder bepaald te worden op de optredende grondwaterstanden, waarmee aan de gestelde eisen wordt voldaan. Gezien de betreffende holocene laag niet voor meer dan 60% doorsneden wordt, is geen grote invloed te verwachten.

Een en ander hangt tevens af van de bouwfase. Verder ligt de onderzoekslocatie in een beperkt zettingsgevoelig gebied door de ligging op een strandwal. Tevens dient een voldoende stevige damwandconstructie aangelegd te worden waarbij opbarsting van de putbodem vermeden dient te worden. Gezien de beperkte ontgravingsdiepte zal dit geen bezwaar vormen. Tenslotte wordt geadviseerd om maatregelen te treffen om kwelstroming via de funderingspalen te voorkomen. Dit kan worden gedaan door het aanbrengen van bentoniet langs de funderingspalen. Het bestemmingsplan maakt ondergronds bouwen mogelijk. In procedures is vastgelegd dat, alvorens met de bouw kan worden begonnen, eerst onderzoek wordt gedaan naar de effecten van het bouwen op de stand en de kwaliteit van het grondwater. Dit wordt normaal samen uitgevoerd met het funderingsonderzoek. Dit onderzoek dient aan het toetsend gezag (gemeente) voorgelegd te worden ter controle om geen overlast in de omgeving van de nieuwbouw te vermijden. De initiatiefnemer blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de (water)gevolgen van plaatsen van de bouwconstructie. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied.

Bij eventuele bemaling en lozing ten behoeve de nieuwbouw wordt aangeraden de kwaliteit van het onttrokken water vast te stellen/te monitoren. Door het planvoornemen (bouw hotel) is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Oppervlaktewater Binnen en direct nabij de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig door de ligging in het centrum. Primair oppervlaktewater is op ca. 180 meter westelijk (nabij het Binnenhof) en op ca. 210 meter noordoostelijk nabij de Prinsessegracht aanwezig. Hierdoor kan niet rechtstreeks aangesloten worden op het oppervlaktewater en is geen direct nadelig effect te verwachten door de planontwikkeling op het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Het oppervlaktewater wordt beheerd door Hoogheemraadschap Delfland. Bij werkzaamheden en/of wijzigingen hieraan dient het waterschap betrokken te worden bij het watertoetsproces. Dit is niet van toepassing bij dit planvoornemen.

Hoofdstuk 4

39

Hemel- en afvalwater De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel. In het gemeentelijk rioleringsplan is aangegeven dat het uitgangspunt is dat de waterstromen gescheiden worden bij herontwikkelingen. Bij afwezigheid van oppervlaktewater kan dit naar het gemeentelijk rioolstelsel afvoeren. Bij toekomstige scheiding van het stelsel kan het plangebied hierop dan eenvoudig aangesloten worden. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden. Door de sloop van het kantoorpand tot een hotel neemt de afvalwaterhoeveelheid uit het plangebied toe. De verwachte totale afvoerhoeveelheid bedraagt ca. 7-10 m3/dag (ca. 0,7-1 m3/u) met piekmomenten. Voor het afvalwater in de kelder is een pompput benodigd. Zover bekend kan deze hoeveelheid in het bestaande stelsel verwerkt worden. De aansluiting en wijziging aan de afvoerhoeveelheid dient ten tijde aangevraagd te worden bij de gemeente Den Haag. Het terrein is momenteel reeds volledig verhard. Het gehele perceel wordt onderkelderd met hierop een hoogbouw. Zuidwestelijk op het perceel nabij de binnentuin wordt een gedeelte niet bebouwd en wordt de bestaande afscheiding behouden. Derhalve is er geen toename aan verharding en is er ook geen compensatie vereist. Het hemelwater zal net als bestaand, weliswaar gescheiden, aangesloten worden op het gemeentelijk rioolstelsel.

Hergebruik kan overwogen worden maar is geen strikte eis en niet geadviseerd gezien het toekomstig gebruik als hotel. Bij hergebruik dient in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en mag geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaan. Ter plaatse zijn behoudens een gedeelte van het plat dak waarop een groendak aangelegd kan worden geen mogelijkheden tot wateropvang aanwezig. 4.8.3 Conclusie Het aspect ‘water’ zorgt niet voor belemmeringen. Wel dient voor de bouw van de enkellaagse kelder in het stedelijk gebied ten tijde, voorafgaand aan de bouwvergunning, het effect door de aanleg van een enkellaagse kelder bepaald te worden op de optredende grondwaterstanden, waarmee aan de gestelde eisen wordt voldaan. Gezien de betreffende holocene laag hierbij niet voor meer dan 60% doorsneden wordt, is geen grote invloed te verwachten. Een en ander hangt tevens af van de bouwfase van de kelder. Verder ligt de onderzoekslocatie in een beperkt zettingsgevoelig gebied door de ligging op een strandwal. Het plan maakt ondergronds bouwen mogelijk. In procedures is vastgelegd dat, alvorens met de bouw kan worden begonnen, eerst onderzoek wordt gedaan naar de effecten van het bouwen op de stand en de kwaliteit van het grondwater. Dit wordt normaal samen uitgevoerd met het funderingsonderzoek.

Dit onderzoek dient aan het toetsend gezag (gemeente) voorgelegd te worden ter controle om geen overlast in de omgeving van de nieuwbouw te vermijden. De initiatiefnemer blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de (water)gevolgen van plaatsen van de bouwconstructie.

Hoofdstuk 4

40

4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. 4.9.2 Onderzoek Cultuurhistorie Op grond van Cultuurhistorisch Atlas van de provincie Zuid Holland valt het projectgebied onder de type afzetting ‘Stads- en dorpskernen’. Op grond van de Atlas hebben gronden binnen deze gebieden een hoge waarde. In de toelichting van de Atlas is het volgende opgenomen: De huidige stads- en dorpskernen zijn vaak van middeleeuwse oorsprong (1500 tot 500 jaar geleden).

Bewoningslagen van verschillende eeuwen liggen hier op elkaar. Het bodemarchief in deze kernen bevat zodoende zeer belangrijke informatie over hun ontstaansgeschiedenis. Verder in deze paragraaf wordt ingegaan op het aspect archeologie.

Figuur 4.6: Uitsnede Cultuurhistorisch Atlas

Ter plaatse van het plangebied tevens de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ opgenomen. De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende hoofdbestemmingen mede bestemd voor behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht Centrum Den Haag, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit Rijksbeschermd stadsgezicht 's Gravenhage uitbreiding van 28 juni 1994 met de bijbehorende toelichtingen, als opgenomen in bijlagen 6 tot en met 21 bij de regels van dit plan. Voor het bouwen

Hoofdstuk 4

41

binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' geldt de regel dat het bouwen pas mag plaatsvinden nadat hierover advies is ingewonnen van de Monumentencommissie. De Welstands- en Monumentencommissie heeft op 19 februari het bouwplan getoetst aan de Welstandsnota en beoordeeld in het kader van de dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie'. De commissie heeft ingestemd met het ontwerp. Zowel op zichzelf als in de relatie tot de directe, zeer diverse omgeving is het ontwerp overtuigend. In hoofdopzet is sprake van een overhoeks pand met een klassieke gevelopbouw van een plint met souterrainvensters, vier hoofdlagen, een overgangslaag met afwijkende kleinere vensters op een strak ritme en een kap daarboven. Deze opbouw maakt het duidelijk één gebouw, maar geeft ook geleding die zorgt voor een goed inpassing tussen (de kwaliteit van) de omringende bebouwing. In de architectonische uitwerking met penanten, banden en verschillende verbanden in het metselwerk wordt die geleding nog verder doorgezet. De entree van het hotel op de hoek is een passende verbijzondering, waarin dubbele hoogte, een dubbele deur, een luifel en de naam van het hotel samenkomen. De commissie constateert dat voor de dorpels, banden en platen in de gevel “Belgisch hardsteen of gepolijst beton” wordt voorgesteld. Zij ziet een definitieve graag bemonsterd ter nadere goedkeuring.

De achtergevel is neutraal, een metselwerk vlak met een consequente indeling en invulling, waaraan een vluchttrap als één element wordt toegevoegd. Die sluit aan bij en past in de omgeving. Archeologie Op grond van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Den Haag bevindt het projectgebied binnen de zone ‘Zone met archeologische verwachting (Waarde 2)’. Daardoor is in het vigerende bestemmingsplan aan het gebied een dubbelbestemming met betrekking tot de archeologie toegekend. In gebieden die zijn aangemerkt als archeologische verwachtingszone (Waarde 2) geldt een vrijstellingsgrens voor plangebieden met een oppervlak tot 50 m2 en tot 50 cm onder maaiveld. Deze grenzen worden bij onderhavig project overschreden wat betekent dat het plangebied eerst dient te worden onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen en resten. Om deze reden is een archeologische bureauonderzoek uitgevoerd om een specifiek verwachtingsmodel op te kunnen stellen. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen van deze onderbouwing. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek. Het bureauonderzoek wijst uit dat in het plangebied nog archeologische sporen en resten kunnen voorkomen. Dit potentiële archeologische niveau wordt bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden; deze omvatten onder meer de aanleg van een kelder.

Geadviseerd wordt om daarom een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Uit de aanbevelingen in het rapport blijkt dat de archeologische waarde van het terrein conform bestemmingsplan nog niet ‘in voldoende mate is vastgesteld’ en dat archeologische sporen en resten in het plangebied kunnen voorkomen. Vanwege de huidige bebouwde staat van het plangebied is het niet mogelijk het vooronderzoek af te ronden. In het kader van de archeologische monumentenzorg wordt daarom aan de vergunning de voorwaarde verbonden dat de sloopwerkzaamheden van de huidige bebouwing onder maaiveld archeologisch moeten worden begeleid. Mede op basis van de resultaten van de archeologische begeleiding kan het bevoegd gezag besluiten tot het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek om de archeologische waarde van het terrein definitief vast te stellen.

Hoofdstuk 4

42

Aan de vergunning wordt ook de voorwaarde verbonden dat bij de aanwezigheid van een behoudenswaardige vindplaats er nadere eisen kunnen worden gesteld aan de omgang met deze archeologische waarde. Bovenstaande onderzoeksstappen (begeleiding, proefsleuven, eventueel opgraven) moeten worden uitgevoerd conform richtlijnen en eisen in een definitief en goedgekeurd Programma van Eisen. Het PvE wordt op verzoek en initiatief van de aanvrager opgesteld door de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag (bevoegd gezag). 4.9.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen, mits de sloopwerkzaamheden van de huidige bebouwing onder maaiveld archeologisch begeleid worden.

4.10 Toetsing Besluit m.e.r. Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.

De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Wij bevelen u aan - na nadere kennisname van deze beoordeling - een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het voornemen “Hotel Bleijenburg” geen milieueffectrapportage wordt vereist.

Hoofdstuk 4

43

5.

UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, lid 1 Wro.

De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer zal de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend bestemmingsplan. Op de onderhavige aanvraag voor planologisch strijdig gebruik is (ex artikel 3.10 lid 1, onder a Wabo) de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. In deze paragraaf wordt de procedure rondom de omgevingsvergunning toegelicht.

Hoofdstuk 4

44

4.2.1 Tervisielegging De ontwerp omgevingsvergunning van burgemeester en wethouder alsmede de ontwerp verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad worden gedurende een periode van zes weken ter visie gelegd. De aanvraag, de bijlagen en de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing zijn onderdeel van de (ontwerp) omgevingsvergunning. Gedurende de termijn van de ter visie ligging kan eenieder een zienswijze indienen tegen deze ontwerpbesluiten. Op basis van de zienswijzen nemen de raad en het college van burgemeester en wethouders een definitief besluit over het al dan niet afgeven van de verklaring van geen bedenkingen, respectievelijk het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.2.2 Beroep / hoger beroep Na verlening van de omgevingsvergunning wordt deze voor de tweede maal voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen de omgevingsvergunning bij de rechtbank en later in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien binnen de beroepstermijn geen beroep wordt ingesteld, is de omgevingsvergunning na het verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.

Hoofdstuk 4

45

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Quickscan flora en fauna Bijlage 2: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 3: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 4: Watertoets Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: M.e.r.-aanmeldingsnotitie Bijlage 7: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 8: Bezonningsstudie

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9835079/1