RIS307967 Bijlage 1a Ruimtelijke onderbouwing Hotel Bleijenburg
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Hotel Bleijenburg Gemeente ’s-Gravenhage Definitief
Ruimtelijke onderbouwing Hotel Bleijenburg Gemeente ’s-Gravenhage Definitief
Rapportnummer:
P03187
Datum:
November 2020
Opdrachtgever:
Boparai Associates Architekten
Projectteam BRO:
RF
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
Ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning ten behoeve van het mogelijk maken van een hotel aan de Bleijenburg 1 te ’s-Gravenhage.
BRO Vestiging Amsterdam Sarphati Plaza Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Projectgebied 1.3Vigerend bestemmingsplan 1.4Procedure 1.5Leeswijzer
4 4 4 6 6 7
2.PLANBESCHRIJVING
7
3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid
10 10
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2Provinciaal beleid
10 10 11 13
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland 3.3Regionaal beleid 3.4Gemeentelijk beleid
13 15 16
3.4.1 Structuurvisie Den Haag 2020 ‘Wereldstad aan Zee’ 3.4.2 Agenda voor de Haagse Verdichting 3.4.3 Agenda Ruimte voor de stad 3.4.4 Haagse hoogbouw, Eyeline en Skyline 3.4.5 Ruimtelijk Economisch Investeringsstrategie (REIS) 3.4.6 Hotelstrategie Den Haag ‘Check in The Hague’ (2013) 3.4.7 'Kantorenstrategie Den Haag 2010-2030 3.4.8 Binnenstadsplan Den Haag 2010-2020 3.4.9 Haagse bezonningsnorm
16 18 19 20 20 21 22 22 24
4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1Verkeer en parkeren
25 25
4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2Geluid
25 26 29 29
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie
29 30 30
Inhoudsopgave
1
4.3Luchtkwaliteit
30
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4Bedrijven en milieuzonering
30 31 31 31
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Externe veiligheid
31 32 33 33
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6Ecologie
33 34 34 35
4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7Bodem
35 36 37 37
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8Water
37 37 38 38
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9Archeologie en cultuurhistorie
38 38 40 41
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10Toetsing Besluit m.e.r.
41 41 43 43
5.UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
44 44 44
4.2.1 Tervisielegging 4.2.2 Beroep / hoger beroep
45 45
Inhoudsopgave
2
SEPARATE Bijlagen Bijlage 1: Quickscan flora en fauna Bijlage 2: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 3: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 4: Watertoets Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: M.e.r.-aanmeldingsnotitie Bijlage 7: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 8: Bezonningsstudie
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer van onderhavig plan is voornemens het kantoorpand aan de Bleijenburg 1 te Den Haag te slopen en er ter plaatse een hotel te realiseren met 88 kamers, waarvan 8 vierpersoonskamers en 80 ‘standaard’ tweepersoonskamers. De beoogde ontwikkeling richt zich primair op gasten die een modern en prijsvriendelijk hotel zoeken in de Haagse binnenstad. De doelgroep is breed, maar het hotel zal zich gezien de kern-kwaliteiten vooral richten op de toeristische markt, met relatief veel jongere gasten. Op de begane grond moet een horecafunctie gerealiseerd worden en wordt er tevens de hotelreceptie gesitueerd. De horeca krijgt een ‘hybride’ functie, met overdag het accent op een moderne bakkerij/ lunchroom. ’s Avonds zal deze ruimte gebruikt worden voor als hotel lounge. Voor het plangebied is het bestemmingsplan “Binnenhof e.o.” (20 februari 2014) vigerend. De gewenste nieuwbouw wijkt op meerdere punten af van dit bestemmingsplan, voornamelijk qua gebruik en beperkt qua bebouwing. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet van het planologische regime worden afgeweken middels een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure op basis van art. 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wabo. Onderdeel van deze procedure is een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
1.2 Projectgebied Het projectgebied is gelegen aan de Bleijenburg 1 in het centrumgebied van Den Haag. Het plangebied ligt op de hoek waar de Bleijenburg en de Casuariestraat kruisen. Kadastraal staat het projectgebied bekend als de gemeente ‘s-Gravenhage, sectie F, perceelnummer 2238. In totaal heeft het projectgebied een oppervlakte van circa 463 m2. Luchtfoto’s met de ligging en de globale begrenzing van het projectgebied zijn weergegeven in figuur 1.1.
Hoofdstuk 1
4
MALIEVELD
DEN HAAG CS
BINNENHOF
Figuur 1.1: Globale ligging in Den Haag (boven) en globale begrenzing projectgebied (onder)
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor onderhavig projectgebied is het bestemmingsplan ‘Binnenhof e.o.’ (vastgesteld op 20 februari 2014) vigerend. In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven. In dit bestemmingsplan heeft het projectgebied de bestemming ‘Gemengd - 5’. Naast de enkelbestemming heeft het projectgebied tevens de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 2’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie. Daarnaast gelden er diverse maatvoeringseisen wat betreft de maximaal toegestane goot- en bouwhoogtes en is er een bouwvlak opgenomen. De voor ‘Gemengd - 5’ aangewezen gronden zijn volgens de regels van het bestemmingsplan bestemd voor wonen, kantoren, dienstverlening en maatschappelijke functies. Op basis van het vigerende plan is een hotel en horeca niet rechtstreeks toegelaten. Voorliggend ruimtelijke onderbouwing voorziet in de juridisch-planologische borging hiervan.
Figuur 1.2: uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding van het projectgebied.
1.4 Procedure De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan ‘Binnenhof e.o’. Gelet op het bepaalde in artikel 2.10, lid 3, van de Wabo, dient beoordeeld te worden of vergunningverlening onder toepassing van artikel 2.12 van de Wabo mogelijk is. Omdat in dit geval wordt afgeweken van het bestemmingsplan, er geen gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, de ontwikkeling niet past binnen de ‘planologische kruimellijst’ zoals deze in het Besluit omgevingsrecht (artikel 4 van Bijlage II) is opgenomen, kan medewerking worden verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3 van de Wabo.
Hoofdstuk 1
6
1.5 Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing wordt het initiatief beschreven en verantwoord, waardoor wordt aangetoond dat het totale initiatief voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. De ruimtelijke onderbouwing beschrijft het planvoornemen en de motivering van het plan op verschillende aspecten. In hoofdstuk 2 wordt het project omschreven. De beleidsanalyse wordt in hoofdstuk 3 weergegeven. Het project is getoetst aan alle relevante milieutechnische aspecten in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 is de uitvoerbaarheid opgenomen.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING Het voorgenomen plan voorziet in volledige sloop van het huidige kantoorpand aan de Bleijenburg 1 te Den Haag ten behoeve van een nieuw te realiseren hotel, waarvan het volume wordt vergroot tot de maximale afwijkingsregels zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. In figuur 2.1 wordt de huidige situatie weergegeven.
Figuur 2.1: Impressie huidige situatie: Bleijenburg in oostelijke richting (links), Casuariestraat in zuidelijk richting (midden) en Casuaristraat in noordelijke richting (rechts)
Het beoogde hotel zal uitgevoerd worden in vijf bouwlagen met dakopbouw en zal ruimte bieden aan 88 kamers, waarvan 8 vierpersoonskamers en 80 tweepersoonskamers. Alle kamers worden modern ingericht en hebben eigen sanitair. Door de relatief bescheiden kameromvang en het ontbreken van grote (dure) voorzieningen kan het hotel worden omschreven als een modern, laagdrempelig, prijsvriendelijk 3-sterren ‘middenklasse’ stadshotel. De doelgroep is breed, maar het hotel zal zich gezien de kern-kwaliteiten vooral richten op de toeristische markt, met relatief veel jongere gasten. De exploitant van het beoogde hotel heeft de ambitie om op de begane grond een mengvorm (binnen de grenzen van de drank- en horecawet) van een hotelbar en broodjeszaak te gaan exploiteren (totaal 140 m² GO (gebruiksoppervlak). Het nieuwe hotel zal in totaal ongeveer 18,1 meter hoog zijn. In de kelder van het pand wordt de ontbijtzaal/ kantine gerealiseerd, net als de keuken/ opslag en installatieruimtes. In het souterrain t/m de vijfde verdieping zullen de bovengenoemde kamers behorende bij het hotel worden gevestigd. Op de begane grond zal tevens de bar/ lobby van het hotel gerealiseerd worden. In onderstaande figuren is een impressie van het plan weergegeven.
Hoofdstuk 2
8
Figuur 2.2: Impressie gevels Bleijenburg-zijde (links) en Casuaristraat (rechts)
Figuur 2.3: Plattegronden begane grond (boven) en 1e verdieping (onder)
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vastgesteld op 13 maart 2012, staan de plannen van de rijksoverheid ten aanzien van aspecten op het gebied van ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening.
Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Doorwerking projectgebied Onderhavig initiatief kan niet gezien worden als een ontwikkeling waarbij nationale belangen gemoeid zijn. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft dan ook geen invloed op dit plan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro.
Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking projectgebied Onderhavig initiatief kan niet gezien worden als een ontwikkeling waarbij nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit plan.
Hoofdstuk 3
10
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zee-haventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige om-vang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking projectgebied Onderhavige ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Voor het project is daarom de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen, welke als bijlage is opgenomen bij de ruimtelijk onderbouwing. In onderstaande alinea worden de belangrijkste conclusies vermeldt. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt verwezen naar de bijlagen. De meest bepalende kernkwaliteiten van het beoogde hotel- en horecaprogramma op onderhavige locatie (Bleijenburg 1, Den Haag) zijn: Setting van de ontwikkeling in het culturele ‘hart’ van Den Haag, op korte afstand van het Binnenhof en uitgaansgebied Plein.
Productvernieuwing en –verbreding: er wordt ‘iets nieuws’ toegevoegd, namelijk een modern, relatief kleinschalig hotel in het betaalbare segment en trendgerichte horeca met een bovenlokale betekenis en spin-off. Het versterkt dus de horecafunctie van de binnenstad. Meer levendigheid in het straatbeeld, aansluitend op de gemeentelijke ambities. Herinvulling van leegstaand vastgoed. Versterking van het gevelbeeld ter plekke. Uitstekende bereikbaarheid locatie per openbaar vervoer (trein, tram, bus) en auto vanaf de regionale hoofdinfrastructuur. Directe OV-verbinding met badplaats Scheveningen. Hotels en horecafuncties kunnen in algemene zin worden beschouwd als beeldbepalende ‘trekkers’ voor gebiedsontwikkelingen, ook in dit binnenstadsdeel. Bij ontwikkelingen als de onderhavige zijn de kwalitatieve aspecten in het kader van de Ladder belangrijker dan de kwantitatieve (cijfermatige) marktruimte. Ze kunnen gemeente en omgeving een kwaliteits- en vernieuwingsimpuls geven door het bieden van ontbrekende marktsegmenten, productformules, werk- of vrijetijdslocaties en/of een oriëntatie op nieuwe doelgroepen.
Hoofdstuk 3
11
Dit is het geval in de beoogde ontwikkeling (hotel en horeca): Het plan speelt in verschillende opzichten in op de (veranderende) behoeften van doelgroepen uit zowel de particuliere, toeristische als de zakelijke markt. Er is in kwantitatieve èn kwalitatieve zin behoefte geconstateerd aan de beoogde ontwikkeling, conform de beschreven kenmerken, invulling, omvang en doelgroepen. Er worden deels nieuwe doelgroepen en extra bezoekers getrokken. De ontwikkeling speelt ook in op de behoefte van de lokale en provinciale overheid, zoals omschreven in diverse beleidsdocumenten. Hotels en horeca hebben een duidelijke meerwaarde voor de economische, maatschappelijke, toeristische en ruimtelijke structuur van Den Haag en de regio. Dit geldt zeker voor de binnenstad. Behoefte hotel De beoogde hotelontwikkeling richt zich primair op het betaalbare segment in de toeristische markt, met relatief veel jongere gasten. Hiervoor is voldoende behoefte (marktruimte) aangetoond en bovendien speelt het in op de beleidsmatige ambities gericht op complementaire hotelformules in Den Haag en in het bijzonder de binnenstad. Daar komt nog bij dat het initiatief (inclusief de horeca) lokaal leidt tot gebiedsversterking en meer ‘reuring’ in de omgeving.
Doordat voldoende marktruimte (behoefte) is aangetoond, zal de ontwikkeling naar alle waarschijnlijkheid geen leegstandseffecten genereren in de regio. Het effect op het regionale woon-, leef- en werkklimaat is positief. Behoefte horeca Het betreft hier een relatief kleinschalige horecafunctie op de begane grond (totaal 140 m² GO (gebruiksoppervlak)), inclusief hotelreceptie. De horeca krijgt een ‘hybride’ functie, met overdag de functie van een moderne bakkerij (lunchroom, winkelondersteunend) en vanaf einde middag tot in de latere uurtjes een bar. De combinatie van restauratieve horeca en een hotelreceptie (feitelijk een soort blurring) is een zeer eigentijdse oplossing, leidend tot efficiënt ruimtegebruik. Bovendien biedt restauratieve horeca aanmerkelijk meer levendigheid ‘naar buiten’ (straatzijde) dan een veelal weinig levendige hotelreceptie van een kleiner hotel. Er is zowel in het HIT (25-04-2018) als in een vooroverleg aangegeven dat er kan worden meegewerkt met de afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een hotel als er ook een publieksgerichte/economische functie in de plint (b.v. horeca) wordt gerealiseerd. Onderhavig project draagt bij aan de vergroting van levendigheid in dit deel van de binnenstad.
Vanuit kwalitatief perspectief zal de nieuwe horeca, ook vanwege haar bijzondere formule, bijdragen aan een sterkere verzorgingsfunctie van de binnenstad voor zowel regionale doelgroepen (shoppen, uitgaan, cultureel bezoek) als toeristische en zakelijke bezoekers en andere gasten van buiten de regio. De ontwikkeling van horeca is daarmee ook passend in het horecabeleid van de gemeente. Er is voldoende kwantitatieve marktruimte beschikbaar voor de horecafunctie. Overigens is deze marktruimte nadrukkelijk indicatief en gebaseerd op landelijke kerncijfers. Vanuit de behoefte van (potentiële) bezoekers zijn kwaliteit, onderscheidend vermogen, locatie en bereikbaarheid in wezen veel belangrijker dan cijfermatige aspecten (aantal zaken, capaciteit, etc.). Toevoeging van nieuwe, innovatieve horecaconcepten of -milieus als de onderhavige kan het de horecafunctie van (binnen)stad en regio ‘overall’ versterken.
Hoofdstuk 3
12
Doordat voldoende marktruimte (behoefte) is aangetoond, zal de ontwikkeling naar alle waarschijnlijkheid geen leegstandseffecten genereren in de regio. Het effect op het regionale woon-, leef- en werkklimaat is ook voor deze functie positief. Aanvaardbaarheid van de effecten De herontwikkeling van het pand Bleijenburg 1 te Den Haag met een hotel en enige restauratieve horeca versterkt de Haagse binnenstad. Door het onderscheidende concept, kwaliteitsniveau en doelgroepen is de ontwikkeling complementair aan het bestaande aanbod in de binnenstad, stad en regio. Het versterkt zowel de toeristische functie van de (binnen)stad als de winkel-, cultuur- en uitgaansfunctie. Doordat voldoende marktruimte (behoefte) is aangetoond voor zowel hotel als restauratieve horeca, zal de ontwikkeling naar alle waarschijnlijkheid geen leegstandseffecten genereren in gemeente of regio. De ontwikkeling betreft bovendien de transformatie van leegstaand vastgoed (opheffing leegstand). De effecten op de regionale verzorgingsstructuur en het woon-, leef- en werkklimaat van de ontwikkeling zijn kortom, vanuit de doelstellingen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, per saldo positief en derhalve aanvaardbaar. Er worden geen negatieve effecten t.a.v. leegstand verwacht.
Ligging binnen / buiten stedelijk gebied De ontwikkellocatie ligt binnen het ‘stedelijk gebied’ en hoeft dus niet nader te worden gemotiveerd.
3.2 Provinciaal beleid Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. 3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd:
Hoofdstuk 3
13
Naar een klimaatbestendige delta. Naar een nieuwe economie: the next level. Naar een levendige meerkernige metropool. Energievernieuwing. Best bereikbare provincie. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Doorwerking plangebied Het plangebied is in de Omgevingsvisie Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stads- en dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Dit kan worden bereikt door de geplande opgave met behulp van regionale visies voor wonen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel met de andere gemeenten in de regio af te stemmen. Hierbij zijn in het Programma Ruimte vastgestelde totalen als behoefteraming per gebied opgenomen.
Wanneer de regionale visies voldoen aan de behoefteramingen (eerste trede op de ladder voor duurzame verstedelijking), locatiekeuzes (tweede trede) en kwalitatieve (derde trede) uitgangspunten, worden die visies door Gedeputeerde Staten formeel aanvaard. Hierdoor beoordeelt de provincie niet langer de individuele bestemmingsplannen. In paragraaf 3.1.3 is reeds uiteengezet dat het initiatief passend wordt geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. 2.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 20 februari 2019 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 april 2019 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:
Hoofdstuk 3
14
De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg.
De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stadsgebied van Den Haag, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De beoogde herontwikkeling van het plangebied draagt hieraan bij. De voorziene hotel- en horecafuncties passen binnen de regionale behoefte. Daarmee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Bovendien past de beoogde hotelontwikkeling ruimtelijk in de aanwezige en te realiseren gebiedsidentiteit van het stadscentrum van Den Haag. Gelet op vorenstaande is hier sprake van een inpassing als bedoeld in artikel 6.9 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland en is geen sprake van wijziging op structuurniveau.
3.3 Regionaal beleid De metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) neemt taken over van het in 2015 opgeheven Stadsgewest Haaglanden De MRDH is een samenwerkingsverband van 23 gemeenten die hun krachten bundelen om het gebied beter bereikbaar te maken en het economisch vestigingsklimaat te
Hoofdstuk 3
15
versterken. De MRDH werkt vanuit twee agenda's. De Strategische Bereikbaarheidsagenda Vervoersautoriteit en de Agenda Economisch Vestigingsklimaat. De metropoolregio zet zich in voor: 1. verbetering van de (internationale) bereikbaarheid van de metropoolregio; 2. economische vernieuwing; 3. transitie naar toonaangevende duurzaamheid; 4. attractiviteit van de regio. Het Stadsgewest Haaglanden heeft per 1-1-2015 zijn werkzaamheden beëindigd. De beleidsterreinen Verkeer en Vervoer en Economisch Vestigingsklimaat worden in MRDH verband gecontinueerd. Het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 (RSP)(vastgesteld in 2008 door het algemeen bestuur van het Stadsgewest Haaglanden) blijft voor de overige beleidsterreinen vooralsnog van kracht; het is een integraal plan voor: de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden; het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie; lokale plannen, zoals bestemmingsplannen. Het RSP kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen. Voor Den Haag /onderhavig plan hebben vooral de volgende regionale prioriteiten hun doorwerking gekregen: intensief ruimtegebruik van stedelijke wijken.
Voor de verschillende beleidssectoren worden de gemeentelijke programma's gemonitord en periodiek binnen het samenwerkingsverband op elkaar afgestemd. Dit geldt men name voor kantoren, bedrijventerreinen, leisurevoorzieningen en detailhandel. Doorwerking plangebied Onderhavig plan. is in overeenstemming met het regionaal beleid zoals verwoord in het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1
Structuurvisie Den Haag 2020 ‘Wereldstad aan Zee’
De gemeenteraad van Den Haag heeft op 17 november 2005 de Structuurvisie Den Haag 2020 ‘Wéreldstad aan Zee’ vastgesteld. De Structuurvisie beschrijft het gewenste toekomstbeeld en de ruimtelijke veranderingen die tot 2020 nodig zijn om dat te bereiken. Den Haag: Wéreldstad aan Zee, daarmee is de ambitie kort samengevat. De Wéreldstad aan Zee heeft vier troeven: het is een multiculturele stad, een internationale stad, een stad aan zee en een monumentale residentie. De structuurvisie gaat uit van een lichte groei van het aantal inwoners (ca 509.000 per 1 januari 2014) en een groei van het aantal arbeidsplaatsen in 2020. Dat betekent dat er ca 40.000 woningen moeten worden toegevoegd in de bestaande stad, door verdichting. In de structuurvisie wordt de Wéreldstad aan Zee vorm gegeven door ontwikkelingen in vijf kansenzones (het Centrum, de Lijn 11-zone, de Internationale Kustzone, de Vliet/A4-zone en de Schakelzone Lozerlaan).
Hoofdstuk 3
16
Doorwerking projectgebied Het projectgebied bevindt zich in de ‘kansenzone het Centrum (zie figuur 3.1). In de kansenzones liggen ontwikkelingsgebieden waarin de ambitie van de structuurvisie het sterkst tot haar recht komt.
Projectgebied
Figuur 3.1: Structuurvisie Den Haag 2020 ‘ Wereldstad aan Zee’
Het centrum is bij uitstek het gebied waar de verschillende facetten van veelzijdig Den Haag zichtbaar zijn. De binnenstad, met markante gebouwen, die tot ver buiten Den Haag bekendheid genieten, is het kloppend historisch hart van de stad. In de afgelopen jaren is veel geïnvesteerd in dit gebied, in het bijzonder in de openbare ruimte. Het is en blijft een visitekaartje van Den Haag dat door permanent onderhoud zijn bijzondere karakter moet blijven houden. Het historisch hart is omgeven door andere delen van het centrum: het moderne hoogbouwgebied van Den Haag Nieuw Centrum en het Beatrixkwartier, China Town in de omgeving van de Wagenstraat, het winkelgebied, het cultuurcluster aan het Spuiplein en het regeringscentrum. Samen vormen die gebieden hèt centrum van de stad en regio. Het centrum heeft de afgelopen vijftien jaar een enorme ontwikkeling doorgemaakt. En is een hoogstedelijk gebied ontstaan van hoge kwaliteit, van architectuur en buitenruimte. Ook is de bereikbaarheid van het gebied sterk verbeterd. Om de stedelijkheid in het centrum te versterken, moet de functie van het centrum als ontmoetingsplaats van verschillende ‘werelden’ in de stad de komende decennia een extra impuls krijgen. Dat vraagt dat woongebieden rond het centrum nauwer op het centrum worden betrokken.
De Rivierenbuurt, de Stationsbuurt en op de langere termijn Bezuidenhout-West, gekoppeld aan mogelijke overbouwing van het spoor, bieden ruimte voor sterk gemengde stedelijke milieus: wonen, ateliers, kroegen, restaurantjes, studenten, werkplaatsen enzovoorts.
Hoofdstuk 3
17
Onderhavig initiatief voorziet in de behoefte het hogostedelijke karakter van het centrum te versterken en bij te dragen aan de functiemenging en de het verlevendigen op straatniveau door het toevoegen van publieksgerichte functies in de plint. Voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de gemeentelijke Structuurvisie. 3.4.2
Agenda voor de Haagse Verdichting
De 'Agenda voor de Haagse Verdichting' (Rv 51 - 2009; RIS 159469) is een thematische uitwerking van de Structuurvisie en dient als leidraad voor de binnenstedelijke verdichting in Den Haag tot 2020. Door middel van verdichting kan de bevolkingsgroei binnen het bestaande stedelijke gebied opgevangen worden. Daarnaast kan verdichting worden aangegrepen om de stedelijke kwaliteit van Den Haag te versterken. In de Verdichtingsagenda wordt gemeld dat verdichting met respect voor, en kennis van de cultuurhistorie, de identiteit en het karakter van Den Haag moet gebeuren. Verdichtingsingrepen mogen deze niet aantasten of negatief beïnvloeden. In de beschermde stadsgezichten is verdichten alleen mogelijk als programma, schaal, maat en architectuur aansluiten bij de bestaande kwaliteiten. Verdichting kan wel eventuele weeffouten in de structuur zelf herstellen. De uiteindelijke kwaliteit van verdichting in de stad staat of valt bij de inpassing in de omgeving. Hierbij zijn de architectuur, de beleving van het bouwvolume vanaf het maaiveld en de invulling van de plint belangrijke factoren. Grofweg zijn drie verdichtingscategorieën te onderscheiden: Kleinschalige verdichting in het bestaande weefsel dooruitbreiden, optoppen en inbreiden. Verdichting tot 50 meter in de vorm van woonhotels, gesloten bouwblokken, of appartementengebouwen.
Verdichting boven de 50 meter in de vorm van hoogbouw. Doorwerking projectgebied Het bestaande kantoorpand met vier bouwlagen met dakopbouw wordt gesloopt en vervangen door een nieuw hotelpand met vijf bouwlagen met dakopbouw. Het hotelpand is gelegen binnen verschillende bouwvlakken en past grotendeels binnen de toegestane goot- en bouwhoogten. Om het hotelgebouw ruimtelijk goed in te passen zijn er drie ingrepen gepleegd om een dakopbouw c.q. extra bouwlaag mogelijk te maken. Zo is de toegepaste verdiepingshoogte in het hotelgebouw lager dan die in het te slopen kantoorgebouw, is de nieuwe dakopbouw niet zichtbaar in de Casuariestraat (het deel gelegen tussen de Lange Houtstraat en de Bleijenburg) en er wordt een ‘gedrukte bouwlaag’ (mezzanino) toegepast. De vergroting van het bouwvolume ten opzichte van de bestaande situatie is hierdoor beperkt en sluit goed aan op de omgeving. De toegestane goothoogte aan de Casuariestraat wordt: 12,5 x 10% = max 13,75 meter. De toegestane goothoogte aan de Bleijenburg wordt: 13,0 x 10% = 14,3 meter. Het initiatief, met een goothoogte van 13,75 meter is daarmee passend en sluit tevens aan op de goothoogte hoek Bleijenburg/Casuariestraat. Hierdoor ontstaat er een doorgaande gootlijn langs alle voorgevels. Een doorgaande gootlijn komt de stedenbouwkundige inpassing ten goede.
De toegestane bouwhoogte aan de Casuariestraat wordt: 16 x 10% = max 17,6 meter. De toegestane goothoogte aan de Bleijenburg wordt: 16,5 x 10% = 18,15 meter. Het initiatief, met een bouwhoogte van 17.6 meter aan de Casuariestraat en 18,1 meter aan de Bleijenburg is daarmee passend.
Hoofdstuk 3
18
Voor de liftschacht is de afwijkingsregel van 10% ontoereikend. Echter is de liftschacht dusdanig gepositioneerd dat deze vanaf openbaar gebied niet zichtbaar is. Daarnaast betreft het een ondergeschikt bouwdeel, vergelijkbaar met ‘liftkokers en installatieruimten’ waardoor overschrijding van de bouwhoogte is toegestaan. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan voldoet aan de uitgangspunten van de agenda voor Haagse Verdichting. 3.4.3
Agenda Ruimte voor de stad
De Agenda Ruimte voor de stad (RIS295016, door de raad vastgesteld op 15 december 2016) is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie die, wanneer de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt, ook voor gemeenten verplicht gesteld is. Voor de Agenda Ruimte voor de Stad zijn vier transitieopgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief. Stedelijke ontwikkeling is geen zaak van de gemeente alleen; allerlei partijen spelen daarin een rol. Er is daarmee ook geen “blauwdrukplanning” aan de orde.
Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd wordt: kwaliteit van het proces door samen de stad maken en mogelijkheden te bieden aan initiatiefnemers; oog hebben voor experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad; ruimtelijke keuzen maken om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven; ruimtelijke kwaliteit voor groen; ruimtelijke kwaliteit voor cultuurhistorisch erfgoed; ruimtelijke kwaliteit voor de buitenruimte; deze factoren dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat; kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie; functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid.
De ruimtelijke opgaven voor Den Haag en de regio zijn in het kort: ruimte voor stedelijk wonen, om de groei van de bevolking te faciliteren; ruimte voor aantrekkelijke groene buitenruimte, van belang voor de kwaliteit van de leefomgeving; ruimte voor (nieuwe) economie en toerisme, ter versterking van het economische vestigingsklimaat; ruimte voor duurzame mobiliteit en ruimte voor energietransitie en klimaatadaptatie, nodig voor de ambitie om de stad in 2040 klimaatneutraal te zijn.
Hoofdstuk 3
19
Doorwerking projectgebied Het motto van de Agenda Ruimte voor de Stad is verdichten, verduurzamen en vergroenen. Tevens wil de gemeente ruimte bieden aan initiatieven in de toeristische sector, ter versterking van het economische vestigingsklimaat. In het voorliggende plan zijn de nieuwe ontwikkelingen die voorzien worden, in lijn met en een aanvulling op de Agenda Ruimte voor de Stad. 3.4.4 Haagse hoogbouw, Eyeline en Skyline De nota 'Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline' is in de raadsvergadering van 25 januari 2018 vastgesteld (RIS 298448) en vervangt de Agenda voor de Haagse Verdichting uit 2009 (RIS159469), voor zover het hoogbouw betreft. Aanleiding voor de nota 'Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline' zijn de ruimtelijke opgaven uit de Agenda Ruimte voor de Stad. In de Agenda heeft Den Haag gekozen om die groei binnenstedelijk op te vangen en de verdichting te concentreren bij OV-knooppunten en concentraties van voorzieningen. Daarnaast vragen actuele ontwikkelingen en initiatieven om nieuwe regels en kaders voor hoogbouwontwikkelingen in Den Haag. De inzet is om de 'skyline' van Den Haag te verbinden met de belevingskwaliteit van de stad op ooghoogte en de buitenruimte ter plekke: de 'eyeline'. Hoogbouw is geen doel op zich, maar een middel om strategisch om te gaan met de beperkte ruimte die de stad nog heeft.
Doel is de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid van de stad op de lange termijn te waarborgen en het vestigingsklimaat te versterken. Door te intensiveren en door hogere bebouwing mogelijk te maken kan de stad de groei van het aantal inwoners faciliteren en voldoende en geschikte woon- en werkruimte bieden, met bijbehorende voorzieningen, nu en in de toekomst. Er is sprake van hoogbouw bij 50 meter of hoger. De nota geeft stadsbrede ambities en regels aan voor hoogbouwontwikkelingen; o.a. t.a.v. wonen, microklimaat en mobiliteit. In de nota worden tevens intensiveringsgebieden aangegeven waar mogelijk hoogbouw kan worden gerealiseerd. Binnen deze gebieden zijn gebiedsspecifieke regels voor typologie, architectuur en buitenruimte opgenomen waaraan hoogbouwinitiatieven getoetst worden. Doorwerking projectgebied Met het planvoornemen worden geen bouwvolumes mogelijk gemaakt met een hoogt van meer dan 50 meter. Er is geen sprake van hoogbouw waardoor het planvoornemen past binnen de nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline. 3.4.5
Ruimtelijk Economisch Investeringsstrategie (REIS)
De Ruimtelijke Economische Investeringsstrategie (RIS295004) geeft jaarlijks inzicht in de investeringsbehoefte voor de komende jaren. Het betreft investeringen, die fysiek ruimtelijkeconomisch van aard en locatiegebonden zijn. Met de Ruimtelijke Economische Investeringsstrategie (REIS) wordt bij de begrotingsbehandeling ook duidelijk voor welke ruimtelijk-economische projecten het college middelen reserveert. Na vaststelling volgt de uitwerking in beslis- en/of projectdocumenten. De Ruimtelijke-Economische Investeringsstrategie komt tot stand in de context van lopende discussies, verkenningen en agenda's/visies, zoals Stad in Transitie, Agenda Ruimte voor de Stad, de
Hoofdstuk 3
20
nieuwe Woonvisie, de versterking van de Haagse economie, de Agenda Groen, de Binnenstadsagenda en het Regionaal Investeringsprogramma van de MRDH. Er wordt tevens gewerkt aan of voortgebouwd op drie elkaar versterkende uitvoeringsagenda's: de Agenda Ruimte voor de Stad, de Economische Agenda's en de Sociale Agenda. Deze agenda's worden onder meer uitgewerkt in vijf proposities: 1. Central Innovation District, 2. Kustontwikkeling, 3. OV-bereikbaarheid, 4. Next Generation woonwijken en 5. Vitaal gezond langer thuis wonen. De investeringsbehoefte, die uit de verschillende agenda's en visies voortkomt, is omvangrijk, maar ook nog niet volledig uitgekristalliseerd. De REIS is dan ook een dynamisch instrument waar in de loop van de tijd (in een jaarlijkse cyclus) investeringsopgaven c.q. investeringsprojecten bijkomen en afgaan. Met de REIS wordt een verbinding tussen de ruimtelijk-economische ambities uit de verschillende agenda's en beleidsvisies en de investeringsbehoefte, die daarmee samenhangt en de toekenning van middelen aan projecten. Doorwerking projectgebied Het planvoornemen valt niet binnen de vijf proposities. Met het planvoornemen zijn geen ontwikkelingen voorzien die voortkomen uit de Ruimtelijk Economisch Investeringsstrategie. 3.4.6
Hotelstrategie Den Haag ‘Check in The Hague’ (2013)
De Hotelstrategie Den Haag 'Check in The Hague' is een vervolg op het hotelbeleid uit 2000 ('Roomservice'). De gemeente wil initiatieven die bijdragen aan een verder diversificatie aan overnachtingsmogelijkheden in de toeristische kerngebieden graag faciliteren. Hotels zijn belangrijk vanwege het belang van toerisme voor Den Haag. Het hotelbeleid is gepositioneerd binnen de grotere kaders van de internationale, economische en toeristische ambities van de stad: 'quality of life', kwaliteit en sterke clusters. De Hotelstrategie is gericht op een klantgericht optreden van de gemeente, het faciliteren van initiatiefnemers in het stedelijke gebied en waar mogelijk het wegnemen van belemmeringen bij de exploitatie van hotels. Substantiële uitbreiding van de hotelcapaciteit (aantal kamers) wordt alleen ondersteund indien er marktruimte bestaat voor het betreffende hotelinitiatief of het extra (additionele) marktvraag genereert. Het bieden van ruimte aan bijzondere en kleinschalige formules vormt één van de elementen in de strategie. Speerpuntgebieden in het hotelbeleid zijn de Binnenstad en Scheveningen. Dat betekent dat de gemeente hier in beginsel positief tegenover nieuwe initiatieven en uitbreidingsplannen en hieraan actief wil meewerken, ook planologisch. Deze moeten wel daadwerkelijk iets toevoegen aan het bestaande aanbod en bijdragen aan de ruimtelijk-economische structuur.
Het hotelbeleid wijst geen locaties aan, maar beschrijft slechts waar ruimte voor bestaat, met name in kwalitatieve zin. De gemeente zal in de toekomst de besluitvorming over het al dan niet faciliteren van een hotelinitiatief af laten hangen van het gebied, de locatie, het concept, de initiatiefnemer en de exploitant.
Hoofdstuk 3
21
Buiten de toeristische kerngebieden geldt het 'nee, tenzij principe'. Dit hangt samen met de economische beleidslijn gericht op enige schaarste en clustering van functies. Alleen als het een ontbrekend uniek en bijzonder concept betreft is gemeente bereid een uitzondering te maken. Doorwerking projectgebied Het beoogde hotel staat in het toeristisch speerpuntgebied ‘Binnenstad’ volgens de Hotelstrategie. Deconcentratie van hotels dient plaats te vinden in deze toeristische gebieden. Daaraan voldoet dit initiatief. 3.4.7
'Kantorenstrategie Den Haag 2010-2030
Het kantorenbeleid is vastgelegd in de nota 'Kantorenstrategie Den Haag 2010-2030, de gebruiker centraal'. Met de kantorenstrategie wil de gemeente regie voeren over de dynamische ontwikkelingen in de kantoormarkt en de positie van Den Haag Kantorenstad verder uitbouwen. Deze kantorenstrategie wordt elk jaar (op delen) middels het IpSO (Investeringsprogramma Stedelijke Ontwikkeling) herzien. In de kantorenstrategie staat aangegeven waar nieuwbouw van kantoren mogelijk is en welke kantoorgebieden voor toevoeging van voorzieningen in aanmerking komen. Deze voorzieningen zijn per gebied verschillend en afhankelijk van de aard en omvang van het gebied en de bestaande voorzieningensituatie. De kantorenprogrammering is per gebied voor de komende jaren gepresenteerd. Daarnaast is het stedelijke kantorenbeleid er ook opgericht om het overaanbod in Den Haag en de regio te verminderen. Daarom wordt transformatie van kantoren naar ander vastgoed gestimuleerd. Volgens het provinciale beleid (AmvB Ruimte) is voor elke afwijking van het bestaande bestemmingsplan van meer dan 1000 m² bvo toevoeging aan kantoren een zgn. SER-laddertoets vereist. Deze toets vereist een aparte onderbouwing die het bouwplan ondersteunt en moet aan het bestemmingsplan c.q. bouwvergunning worden toegevoegd.
Doorwerking projectgebied De Kantorenstrategie stelt dat transformatie van een kantoor dat nu al een gemengde bestemming heeft en bij recht al een andere bestemming toelaat, kan worden toegestaan. Hiermee is onderhavig project niet in strijd met de Kantorenstrategie. 3.4.8
Binnenstadsplan Den Haag 2010-2020
Het Binnenstadsplan Den Haag 2010-2020; “Naar een complete Haagse binnenstad” beschrijft het gemeentelijk beleidskader voor de binnenstad. De Haagse binnenstad heeft een multifunctioneel en dynamisch karakter waar men kan winkelen, werken, ontmoeten, recreëren en wonen. Typisch Haags zijn de verschillende sferen in de binnenstad. Het onderscheid in sfeergebieden is de basis van het binnenstadsbeleid. Door rekening te houden met de sferen kan bij de ontwikkeling en aanpak de kwaliteit en eigenheid per kern verder worden versterkt. Er zijn acht sfeergebieden, elk met een eigen functie, sfeer en uitstraling. In het midden ligt de Winkel Kern, een compact gebied met de meeste raakvlakken met andere gebieden (zie figuur 3.2).
Hoofdstuk 3
22
Figuur 3.2: Sfeergebieden Haagse binnenstad
Het beleid kent vijf speerpunten. Deze vormen een gezamenlijke opgave voor gemeente en marktpartijen: Wonen: De woonfunctie van de binnenstad is nog beperkt en moet aanzienlijk versterkt worden. Hiermee wordt de levendigheid op straat vergroot en worden meer bestedingen aan de binnenstad gebonden. Het versterken van de woonfunctie vraagt om het toevoegen van woningen, maar ook om het verbeteren van het woonklimaat in de binnenstad. Cultuur: Cultuur is al een sterk punt in de binnenstad. Dit verder uitwerken en uitbouwen kan de aantrekkingskracht van de binnenstad verder vergroten. Om de binnenstad in het komende decennium ook cultureel echt goed op de kaart te zetten, hangt veel af van de stuwkracht van het Cultuurforum. Winkels/horeca/toerisme: Den Haag wil “beste winkelstad” worden, het culinaire profiel versterken en in combinatie met de kust het verblijfstoerisme versterken. Hiervoor is nog veel werk aan de winkel. Denk aan de ontwikkeling van een echte publiekstrekker en spraakmakende impulsen voor het winkelapparaat (Grote Marktstraat internationale winkelboulevard). Sfeergebieden en oriëntatie: De afgelopen jaren zijn de sfeergebieden bij het werken aan de binnenstad een sterk leidend concept gebleken. Voor het Binnenstadsplan 2010-2020 wordt dan ook aan het principe van de sfeergebieden vastgehouden en wordt dit verder handen en voeten gegeven.
Marketing en communicatie: De bekendheid met en het imago van de binnenstad van Den Haag versterken, zowel bij consumenten (ook niet-bezoekers) als investeerders, is dé marketingopgave. De marketing van de binnenstad wordt verder uitgebouwd en geïntensiveerd en meer aangesloten op de marketing van de hele stad. Het Binnenstadsplan heeft een tijdspanne van tien jaar. De doelstellingen worden omgezet in een vierjaarlijkse Uitvoeringsagenda Binnenstad. Ook zijn er jaarlijkse voortgangsrapportages.
Hoofdstuk 3
23
Doorwerking projectgebied Het Binnenstadsplan stelt dat het Bleijenburg in sfeergebied de Historische Kern ligt. De Historische Kern is een toeristisch kerngebied en een gebied met cultureel aanbod. Het pand Bleijenburg 1 ligt zowel nabij het Toneelkwartier (schouwburg e.o.) en het Museumkwartier. De opgave is om zowel de toeristische functie als de culturele functie te versterken. Levendige en gemengde straten horen bij een aantrekkelijk toeristisch en cultureel gebied. Daarom sluit de beoogde mengvorm (binnen de grenzen van de drank- en horecawet) van een hotelbar en broodjeszaak in de plint van het pand aan bij de uitgangspunten van het Binnenstadsplan. Een dergelijke functie levert een bijdrage aan de vergroting van levendigheid in dit deel van de binnenstad. In het verlengde van de Bleijenburg (de Schouwburgstraat) kenmerkt de straat zich door achter- en zijkanten van de Koninklijke Schouwburg en het ministerie gebouw. Er is daar sprake van dichte plinten die geen interactie hebben met de straat. Pas bij de faculteit van de Universiteit Leiden is er sprake van een levendigere plint en een entree van een gebouw. Direct aan de overkant van het pand Bleijenburg 1 is er weer sprake van een gesloten plint. De beoogde publieksgerichte horecafunctie in de plan draagt bij aan de transformatie van het nu nog gesloten karakter van de plinten in deze straat.
Die plintfunctie kan bijvoorbeeld een interactie tussen de publieks/economische functie in het pand op Bleijenburg 1 en de faculteit van de Universiteit Leiden teweeg brengen. 3.4.9
Haagse bezonningsnorm
Bestuurlijk en beleidsmatig wordt ingezet op het binden van bewoners aan de stad door woningen uitbreidingsmogelijkheden te geven in de vorm van (onder andere) dakopbouwen. Daarbij vindt in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging plaats tussen enerzijds de belangen van de bewoner die extra uitbreidingsmogelijkheden krijgt ten opzichte van de belangen van omwonenden die o.a. te maken kunnen krijgen met een achteruitgang van de bezonning van hun woning. De Haagse bezonningsnorm geeft een kader om deze afweging te maken. In deze norm is vastgelegd dat de gevels van woningen op 19 februari (en 21 oktober), bij een zonhoogte van meer dan 10 graden, minimaal 2 uur zon moeten ontvangen. Er wordt een meetpunt gehanteerd op 75 centimeter hoogte in het midden van de gevel. Bezonning op de voor- en achtergevel mag bij elkaar worden opgeteld. Als woningen in de bestaande situatie al minder dan 2 uur zon hebben, geldt als uitgangspunt dat de bezonning op de gevels van deze woningen er niet op achteruit mag gaan. Doorwerking projectgebied Om aan te tonen dat de bezonning op omliggende woningen niet negatief worden beïnvloed is een bezonningsstudie uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing.
Hieruit blijkt dat er volgens de Haagse bezonningsnorm geen nadelige gevolgen zijn op de in de norm genoemde referentiepunten van omliggende gebouwen met een (gedeeltelijke) woonbestemming.
Hoofdstuk 3
24
4.
OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Den Haag groeit, er komen meer inwoners, meer banen en ook meer bezoekers. Dit zorgt voor een toename van het verkeer van, naar en in de stad. Bovendien reizen mensen steeds meer en over langere afstanden. Het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Den Haag voor de periode 2010 tot 2020 met een doorkijk tot 2030, is vervat in de “Haagse Nota Mobiliteit” (Rv 115 - 2011; RIS 180762). De visie in de nota is er op gericht van Den Haag een duurzaam bereikbare en een leefbare stad te maken door er voor te zorgen dat reizigers een bewuste keuze kunnen maken voor de vervoerwijze en de route die het beste bij hen past. Gerichte investeringen in het openbaar vervoer en de fiets, goede voorzieningen voor voetgangers, en bundeling en ordening van het autoverkeer moeten er voor zorgen dat reizigers de juiste keuzes kunnen maken. Een wijziging of toevoeging van functies kan gevolgen hebben op de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte. Een toename aan verkeersgeneratie kan gevolgen hebben op de verkeersdrukte en –veiligheid rondom het projectgebied. Er dient gekeken te worden of hiervan sprake is. De berekening van de verkeersgeneratie is gebaseerd op CROW kengetallen 1. Daarnaast moeten voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden.
Het algemene parkeerbeleid is vastgelegd in de nota “Parkeerkader Den Haag 2010-2020” (Rv 166 - 2009; RIS 168473). Dit beleid gaat vooral over het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte maar moet ook automobilisten prikkelen om meer met het openbaar vervoer te reizen of de fiets te pakken. Hoge stedelijke bebouwingsdichtheden zonder adequate parkeervoorzieningen leiden vaak tot een te zware belasting van de openbare ruimte. Dat geldt zowel voor woon- als werkfuncties maar ook voor locaties die veel bezoekers trekken. Behalve de noodzaak tot de verdeling van schaarse (openbare) parkeergelegenheid in een aantal gebieden in de stad, zijn mobiliteits-overwegingen gericht op het streven naar een bereikbare en leefbare (woon)omgeving voor de gemeente aanleiding tot het stellen van parkeereisen bij nieuwe ontwikkelingen. Parkeernormen De parkeernormen en het toepassingskader ervan zijn uitgewerkt in de “Nota Parkeernormen Den Haag” (Rv 139 - 2011; RIS 181571) en is in 2016 op een beperkt aantal onderdelen gewijzigd en aangevuld (Rv21: RIS 291425_160223). Nieuwbouw- en verbouwplannen worden aan dit beleid getoetst. Aan de hand van de parkeernormen wordt de parkeerbehoefte berekend en vergeleken met de voorzieningen die in het plan zijn opgenomen.
Het kan zijn dat in de visie van de initiatiefnemer de genormeerde parkeerbehoefte van de in het plan opgenomen functies afwijkt van de werkelijke 1
CROW Publicatie 317
Hoofdstuk 4
25
parkeerbehoefte. Het is dan aan de initiatiefnemer om dit aan te tonen en goed te onderbouwen. Uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte van een bouwontwikkeling op het eigen terrein wordt opgelost. Parkeren fietsen De aantrekkelijkheid van een reis per fiets wordt mede bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de fietsparkeervoorziening bij herkomst en bestemming. Daarnaast wil de gemeente voorkomen dat de kwaliteit van de buitenruimte onder druk komt te staan doordat fietsen teveel geparkeerd worden op plaatsen met een intensief gebruik van de openbare ruimte. Om die reden gaat de gemeente uit van het faciliteren en sturen op het stallen van fietsen bij belangrijke bestemmingen of bestemmingsgebieden, zoals NS-stations en de binnenstad. Daarnaast hanteert de gemeente fietsparkeer-normen bij nieuwbouw en verbouw van kantoren, bedrijven en voorzieningen. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van het stallen van fietsen is vastgelegd in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” (RIS 294386). Fietsparkeernormen De gemeente Den Haag heeft in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” normen vastgesteld voor de aanwezigheid van fietsparkeerplaatsen bij kantoren, bedrijven en voorzieningen. Deze fietsparkeernormen worden toegepast bij nieuwbouw en verbouw waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is.
Het hanteren van fietsparkeernormen is nodig om het fietsen in Den Haag te stimuleren en het beslag van het fietsparkeren op de schaarse openbare ruimte te kunnen reguleren. Bij de bepaling van de fietsparkeernormen is het faciliteren van het groeiende fietsgebruik het uitgangspunt geweest. 4.1.2 Onderzoek Parkeren In de gemeente Den Haag wordt voor het toepassen van de parkeernormen onderscheid gemaakt tussen verschillende zones. Een kaartje van deze zones met de ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 4.1. Hierop is te zien dat het projectgebied is gelegen in zone 1. De bijbehorende parkeernormen voor kantoren, bedrijven en voorzieningen zijn in figuur 4.2 weergegeven.
Projectgebied
Figuur 4.1: Gebiedsindeling parkeernormen kantoren, bedrijven en voorzieningen
Hoofdstuk 4
26
Figuur 4.2: Parkeernormen
Conform het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’ en op basis van de parkeernormen en berekeningsmethode zoals opgenomen in de Nota parkeernormen Den Haag en de meest recente wijzigingen hiervan is in onderstaande tabel de parkeerbehoefte voor motorvoertuigen berekend. Er is sprake van een verbouwsituatie van kantoor naar hotel. De maatgevende tijd voor motorvoertuigen wijzigt van dag naar avond/ nacht.
Zone 1, bezoek (per kamer) Zone 1, personeel
Norm 0,25 0,1 Totaal benodigd
Aantal 20 3 23
De parkeerbehoefte bedraagt 23 parkeerplaatsen. Het parkeren voor het te realiseren hotel wordt niet op eigen terrein opgelost. Om aan de aanvraag te voldoen is er reeds een reserveringsovereenkomst afgesloten voor 23 parkeerplaatsen op twee locaties in de omgeving, binnen een loopafstand van 700 meter. Dit is conform de Nota Parkeernormen Den Haag, gezien voor zone 1 geldt dat voor bezoek korter dan 2 uur een maximale loopafstand van 200 meter en voor bedrijven en voorzieningen met een bezoek langer dan 2 uur een maximale loopafstand van 700 meter bedraagt. Gezien het merendeel van de bezoekers van het beogode hotel de nacht hier zal doorbrengen (en er dus sprake is van een bezoek van >2 uur), is de 700 meter afstand van toepassing. De betreffende verkeervoorzieningen bevinden zich op een afstand van 170m en 450m van het beoogde hotel. Fietsparkeren In de gemeente Den Haag wordt ook voor het toepassen van de parkeernormen voor fietsen onderscheid gemaakt tussen verschillende zones. Een kaartje van deze zones met de ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 4.3. Hierop is te zien dat het projectgebied is gelegen in zone 1: ‘hoge norm’. De bijbehorende parkeernormen voor kantoren, bedrijven en voorzieningen zijn in figuur 4.4 weergegeven.
Hoofdstuk 4
27
Projecgebied
Figuur 4.3: Zonering fietsparkeernormen
Figuur 4.4: Normen fietsparkeren bij voorzieningen
Conform de Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016 is in onderstaande tabel de parkeerbehoefte voor fietsen berekend.
Zone 1 (per kamer)
Norm 0,1 Totaal benodigd
Aantal 8 8
Het initiatief voorziet niet in 8 fietsparkeerplaatsen op eigen terrein. Met een omgevingsvergunning kan echter worden afgeweken van de fietsparkeereis als bedoeld in artikel 5.1 onder b van de algemene bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’. De gemeente is bereid deze afwijking toe te staan op grond van artikel 6 van de planregels juncto artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 1º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op grond van de volgende motivering: de fietsparkeereis valt binnen de vrijstellingsgrens van 10 fietsparkeerplaatsen zoals omschreven in paragraaf 4.3.1 van de Beleidsregels Fietsparkeernormen den Haag 2016 (RIS294386). In gebieden in de stad met een hoge druk op de openbare ruimte ligt de vrijstellingsgrens voor de parkeerbehoefte van bezoekers lager dan in gebieden met een lagere druk op de openbare ruimte. In het gebied binnen de Haagse Grachten, inclusief het gebied rond CS en HS en Scheveningen kuststrook, wordt een ondergrens van 10 fietsparkeerplaatsen voor bezoekers gehanteerd op basis