RIS307827 Bijlage 3
Tekst van het document
Routeboek Stadsbomen in Beheer behorend bij Nota Stadsbomen
16-2-2021
1
1 Inleiding Over dit Routeboek
Beleidsachtergrond: Nota Stadsbomen
Het Routeboek Stadsbomen in Beheer maakt integraal onderdeel uit van de Nota Stadsbomen maar kan ook als los boekwerk worden gebruikt (vandaar dat sommige teksten worden herhaald).
• We werken aan de toekomstbestendigheid van ons bomennetwerk: Daarom moeten we de basis goed houden en zelfs versterken. Wanneer we ontwerpen met bomen, dan doen we dat met aandacht voor diversiteit, ecologie en het maken van diverse microklimaten in onze stad. • We willen meer kroonoppervlak in onze stad. Meer kroonoppervlak zorgt namelijk voor hogere ecosysteemdiensten: Daarvoor zijn goede groeiplaatsen voor de boom essentieel. Anders kan de boom niet goed presteren, of zelfs overlast veroorzaken. Meer kroonoppervlak realiseren we ook door ‘gewoon’ extra bomen te planten, bestaande groeiplaatsen te verbeteren en onze bestaande bomen goed te beheren.
Dit ‘Routeboek Stadsbomen in Beheer’ geeft de werkwijze weer voor het beheer van onze stadsbomen. Het is vooral bedoeld voor boombeheerders. Het verduidelijkt de te gebruiken procedures door kaders en richtlijnen voor beheer te geven. Zo draagt het Routeboek bij aan transparante afwegingen, een eenduidige werkwijze en een heldere informatievoorziening.
Voor de boombeheerder is het belangrijk dat we in elk stadsdeel op dezelfde wijze met onze bomen omgaan. Het doel van dit Routeboek is om handzaam en overzichtelijk voor alle gebruikers de richtlijnen voor de dagelijkse beheerpraktijk van stadsbomen te bundelen. Het routeboek informeert over diverse gemeentelijke kerntaken voor het boombeheer, zoals: • vertaling van het boomonderhoud naar efficiënt cyclisch (snoei) beheer; • invulling van de zorgplicht door boomveiligheidscontroles; • uitvoering van veiligheidsmaatregelen op basis van de boomveiligheidscontroles; • monitoring en bestrijding van ziekten, aantastingen en plagen; • omgang met meldingen openbare ruimte over bomen.
In de Nota Stadsbomen is de ambitie om tot een hogere leefkwaliteit in de stad te komen beschreven. Dit is concreet in twee doelen vertaald:
Nota Stadsbomen Leefkwaliteit voor de stad
In de Nota Stadsbomen is de ambitie om tot een hogere leefkwaliteit in de stad te komen uitgebreid beschreven en vertaald
We hebben prachtige essen in ons beheer. Foto: Paul Boeters.
naar twee hoofddoelen.
Voorpagina: De term ‘boompje groot plantertje dood’ gaat niet op voor het project Haagse loper. Al na vier jaar een prachtig groen resultaat. Foto: Valerie Kuypers. Routeboek Stadsbomen in Beheer
2
Cyclus van de stadsboom: leeswijzer
Het beheer van de stadsboom volgt de levenscyclus van de boom in de stad. Het begint voor elke boom bij de aanplant en sluit af bij de vervanging. In de levenscyclus worden verschillende handelingen uitgevoerd om de boom in een zo goed mogelijke conditie te houden. Daarvoor moet de boom wel aan verschillende ‘voorwaarden’ voldoen. We behandelen negen thema’s in dit routeboek, in hoofdstuk 2 tot en met 10. Een kort overzicht: Hoofdstuk 2: Inrichting groeiplaats en aanplant van bomen Jaarlijks worden door boombeheerders tussen de 1200 – 1700 nieuwe bomen aangeplant om een verwijderde boom te vervangen. We noemen dit herplant of inboet. Daarvan worden er 100 – 300 vervangen als gevolg van storm en 1100 – 1400 bomen omdat ze onveilig, ziek of dood zijn. Om meer kroonoppervlak te realiseren worden door de boombeheerder in de bestaande stad ook extra bomen geplant. Een nieuwe jonge boom wordt doorgaans met een omtrekmaat 18 – 20 aangeplant (dit betekent een diameter van circa 6 cm). Hij krijgt twee boompalen die de boom ondersteunen tegen wind. Ook krijgt hij een gietrand voor het watergeven in het eerste groeiseizoen. Er kan ook gekozen worden voor een grotere maat boom. Een jaar na aanplant wordt gecontroleerd of de boom is aangeslagen. Als dat niet het geval is, wordt de boom vervangen. Dat noemen we inboet. Dit gebeurt in de periode november-maart.
We zorgen bij aanplant voor een juiste groeiplaats en monitoren bodemlucht en de bodemverdichtingsgraad. De boom krijgt zo nodig bescherming door middel van een boomrooster of een anti-aanrijdpaal.
3
Hoofdstuk 3: Groei en snoei – boomonderhoud Na aanplant groeit de boom verder op de nieuwe plek. De jonge bomen worden dan begeleid bij hun ontwikkeling. Dit doen we door de boomspiegel te schoffelen, de voedingstoestand te controleren en door begeleidingssnoei toe te passen. Hierbij zagen we probleemtakken af (bijvoorbeeld zuigers en plakoksels) en wordt de boom geleidelijk opgekroond. Na twee jaar wordt de gietrand verwijderd en na drie jaar de boompalen en boomband. Sommige bomen (vooral lindes) hebben last van waterlot op de stam, dat regelmatig wordt verwijderd. In het halfwas en volwassen stadium worden bomen verder begeleid in hun ontwikkeling door onderhoudssnoei. Dode takken en probleemtakken worden dan verwijderd. Om bomen gezond te houden, wordt indien noodzakelijk een groeiplaatsverbetering toegepast. Hiervoor bestaan specifieke werkpakketten. Door het uitvoeren van een BOC (boomonderhoudscontrole) wordt bepaald of een boom snoeibehoeftig is. Deze controle is leidend voor de te nemen maatregelen. Hoofdstuk 4: Boomveiligheidscontrole (BVC) Iedere boomeigenaar is verantwoordelijk voor een veilig bomenbestand. Voor een systematische controle van alle bomen in de openbare ruimte hanteert de gemeente de richtlijn boomveiligheidscontrole (BVC). Hoofdstuk 5: Werkzaamheden rondom een boom De stad Den Haag is continu in ontwikkeling, er gebeurt veel.
Kabels, leidingen en rioleringen worden gelegd en vervangen, evenementen vinden plaats et cetera. Om bomen te beschermen bij deze werkzaamheden gebruiken we de richtlijn ‘Werken bij Haagse Bomen’.
Hoofdstuk 6: Omgaan met ziekten, plagen en aantastingen We hebben een richtlijn opgesteld met de werkwijze voor de in Den Haag meest voorkomende boomziekten, plagen en aantastingen.
Snoeien waterlot stamvoet linde. Foto: Jurriaan Brobbel.
Hoofdstuk 7: Omgaan met meldingen van overlast van stadsbomen Bomen kunnen ook overlast geven. Dit bestaat in veel vormen, bijvoorbeeld schaduw, vallend blad, vogelpoep, boomwortelopdruk of vallende vruchten. Via het meldingssysteem van de gemeente krijgen de boombeheerders hierover vragen. Voor een uniforme behandeling en afweging van deze vragen is een richtlijn opgesteld. Hoofdstuk 8: Vervangen van stadsbomen Vroeg of laat takelt een boom af of gaat dood. In die fase is het voor de boombeheerder van belang om met behulp van een richtlijn de vervangingsmogelijkheden vast te stellen. De gemeente heeft een zorgvuldige kapregelgeving in de APV vastgelegd. Ook voor het kappen van dode en slechte bomen geldt een vergunningsplicht. Te kappen dode en slechte bomen staan vrijwel altijd individueel in een rij met gezonde bomen. Met de ‘Richtlijn Herplant’ bepaalt de boombeheerder de mogelijkheden voor aanplant van een vervangende boom. Hoofdstuk 9: Duurzaam omgaan met groenafval Bij het snoeien en kappen van bomen komen takken en stamhout vrij. De mogelijkheden voor een duurzame verwerking van de vrijkomende materialen worden onderzocht.
Hoofdstuk 10: Stormschade Incidenten, zoals storm, zijn een regelmatig terugkerende calamiteit. Jaarlijks gaan 100 tot 300 bomen verloren als gevolg van storm. De afhandeling van incidenten valt onder verantwoordelijkheid van de boombeheerder. In de meeste gevallen is de capaciteit van het gemeentelijk Groenbedrijf Den Haag voldoende om incidenten te bestrijden. Indien nodig kan de gemeente een beroep doen op aannemers. Zo kan de gemeente vrijwel altijd de benodigde maatregelen nemen die dringend nodig zijn.
Routeboek Stadsbomen in Beheer
4
5
2 Inrichting groeiplaats en aanplant van bomen Het leven van een stadsboom in Den Haag start bij de aanplant. De keuze voor een bepaalde soort of cultivar hangt af van veel verschillende factoren, zoals groeiplaats, functie en soortspecifieke eigenschappen. Den Haag vindt bij haar bomen diversiteit belangrijk. Als hulpmiddel voor het kiezen van de boom wordt door de boombeheerder gebruik gemaakt van de Sortimentslijst. Deze lijst is terug te vinden in het Handboek Openbare Ruimte.
Aanplant bomen in stadsdeel Escamp. Foto: Jurriaan Brobbel.
De meest gebruikelijke aanplantmaat is 18 – 20 (omtrek in cm; dit betekent een diameter van circa 6 cm). Bij deze aanplantmaat heeft de boom vaak, zonder al te veel extra zorgen, een goede en snelle ontwikkeling na aanplant. De bomen worden voor aanplant gekeurd op locatie van herkomst en gemerkt. We planten tussen 15 november en 15 april. Bij strenge vorst wordt er niet geplant. Het plantgat wordt bij droog weer gegraven, de wanden worden losgestoken en de onderzijde van het plantgat wordt doorgespit om wortelontwikkeling en wateropname te stimuleren. Het plantgat mag nooit dieper zijn dan de hoogste grondwaterstand. Het plantgat dient dan ook 10 cm boven de hoogste grondwaterstand te blijven. Bij een grotere maat bomen wordt het gaas en de gloeidraad wat de wortelkluit tijdens het transport beschermd, losgemaakt en opgevouwen nadat de boom in het plantgat is geplaatst. De kluit wordt opgeruwd en de boom wordt even diep geplant als dat hij op de kwekerij heeft gestaan. Snoeien doen we alleen als takken zijn beschadigd. Als wortels zijn beschadigd bij het planten nemen we de takken in, dat doen we ook bij late aanplant (na maart). Bomen kunnen anders te snel uitdrogen. Als dit onverhoopt toch gebeurt, dan moet er tijdig en zo vaak als nodig water worden gegeven.
Grotere bomen aanplanten op plein 1813. Het gaas en de gloeidraad zijn goed zichtbaar. Foto Jurriaan Brobbel.
Bomen planten Escamp. Foto: Jurriaan Brobbel. Routeboek Stadsbomen in Beheer
6
Groenbedrijf Den Haag zorgt voor kwalitatieve aanplant in de stad Groenbedrijf Den Haag waakt over de kwaliteit van aanplant in onze stad. Dat doet het al tientallen jaren door het inkopen en aanplanten van stadsbomen voor de stadsdelen. Met hun jarenlange ervaring hebben zij contacten en contracten met veel leveranciers in binnen- en buitenland. Ze kopen de bomen in, zorgen voor de kwaliteitscontrole en adviseren over voorraden, soorten, ziekten, aantastingen en plagen in het actuele bomenbestand.
Bomen worden geleverd op het groencentrum van Groenbedrijf Den Haag. Foto: gemeente Den Haag.
7
Na aanplant moet de conditie en hergroei worden gemonitord. De hergroei wordt beoordeeld conform de indeling uit Handboek Bomen 2018 van het Norminstituut Bomen. Daarbij worden onderstaande waarden gemonitord: • • • • •
bodemzuurstof (O2), bodemkoolzuur (CO2), bodemgas (CH4), bodemvocht (H2O), bodemverdichting (MPa).
De Haagse bomen worden jaarlijks gecontroleerd op de aanwezigheid van de aanplantvoorzieningen zoals boompalen en gietranden. Na twee jaar wordt de gietrand verwijderd en na drie jaar de andere aanplantvoorzieningen zoals de boompalen en het boomband. Dit wordt als vrijkomend materiaal afgevoerd. Vanwege het ontbreken van voldoende beheerbudget (zie toelichting in de Nota Stadsbomen) worden deze laatste acties niet altijd uitgevoerd.
Groeiplaats in de bestaande stad Groeiplaats in gazons, bermen en plantvakken: doormengen bomenvoedingsgrond De beste groeiplaats ligt in ‘open grond’. Om ervoor te zorgen dat de nieuwe groeiplaats voldoende vocht, zuurstof en voeding levert, bereiden we de groeiplaats standaard voor. Dit doen we door 1 m3 bomenvoedingsgrond te mengen met 6 m3 bestaande grond. Hiermee maken we de bodem luchtig en voldoende voedingsrijk. Deze hoeveelheid is altijd gelijk, of het nu een 1e, 2e of 3e grootte boom is.
Uitgraven plantgat voor herplant. Foto: gemeente Den Haag.
Gesloten groeiplaats in verharding: Haags bomenzand In Den Haag is een boom vaak omringd door verharding. Bij de herplant van een boom is het doel om vooraf ‘breder’ te kijken en de mogelijkheden om te onstenen te onderzoeken. Om te onstenen zijn extra budgetten zoals het extra groenbudget beschikbaar. Door te ontstenen wordt een ‘open grond’ situatie met beplanting gemaakt wat de beste groeiplaats is voor een boom. Wanneer het onstenen niet mogelijk of gewenst is wordt de boom in de verharding teruggeplant. Bij de vervanging gelden voor bomen van de 1e grootte de normen zoals opgenomen in de tabel op pagina 9. Het is daarbij belangrijk een gat breder uit te graven om het instorten te voorkomen. Zo’n 40% breder uitgraven is het uitgangspunt. Het vullen van het plantgat met bomenzand vindt plaats in drie lagen. Na het aanbrengen moet elke laag worden verdicht tot een indringingsweerstand van 1,5 tot 2,0 MPa. Het vochtgehalte in de grond mag maximaal 22% (bij voorkeur 15 – 20%) bedragen.
Groeiplaats voor een 2e grootte boom in verharding. Foto: gemeente Den Haag.
Routeboek Stadsbomen in Beheer
8
In bijna alle gevallen wordt onder de verharding bomenzand toegepast om zo wortelgroei onder het verharde oppervlak mogelijk te maken. Bomenzand heeft wel ‘beperkingen’. Zo kan het niet teveel verdicht worden en zal er sprake zijn van nazakking. Nazakking is in parkeervakken sterker aanwezig dan onder voet- en fietspaden. In parkeervakken is het daarom prettig als de bomen in zogenaamde ‘oortjes’ staan. Maar in de bestaande situaties is dat niet overal het geval. In parkeervakken is het wel mogelijk om met kratjessystemen te werken. De kratjes verdelen de druk en er is geen nazakking. Het gebruik hiervan past niet binnen de bestaande beschikbare middelen. In de praktijk is het ook niet altijd mogelijk ineens veel kubieke meters aan ondergrondse ruimte te realiseren zonder hiervoor extra of bijzondere inspanningen te verrichten. Soms kan alleen met kunst en vliegwerk een boom worden geplant. Bijvoorbeeld omdat er te veel kabels en leidingen liggen. Of omdat de groeiplaats is opgesloten tussen asfaltwegen. In die gevallen wordt kritisch gekeken of de ruimte wel geschikt is om een boom gezond en veilig te laten groeien. Daarom is voor elke boomgrootte een ondergrens bepaald. De afwijkingen in de groeiplaats worden vastgelegd zodat bekend is waar in de toekomst de groeiplaats nog verbeterd kan worden.
In het Handboek Openbare Ruimte zijn alle specificaties voor het maken van de groeiplaats opgenomen. Jaarlijks wordt het volume van de nieuw aangebrachte groeiplaatsen bij aanleg en via een steekproef gecontroleerd.
e
3e
Groeiplaats bij structurele herplant
> 5 m3
1e grootte 2e grootte 3e grootte
1e 2e
2e
3e
6 m3
> 7,5 m3
0 – 2020
2020 – 2030 bij bestaande middelen
9
> 6 m3
Doel leeftijd Minimale grootte Ondergrens aanplant groeiplaats (minimaal bij knelpunten in ondergrond streven naar) verharding 45 jaar 45 jaar 30 jaar
7,5 m3 6,0 m3 5,0 m3
6,0 m3 5,0 m3 2,0 m3
Voorzieningen bij aanplant
Met het planten van de boom is het van belang de juiste voorzieningen aan te leggen. Een deel van de voorzieningen wordt bij het inrichten van de groeiplaats aangelegd. Een ander deel na het planten. De keuze voor (tijdelijke) voorzieningen is afhankelijk van diverse factoren, zoals standplaats, boomgrootte en de gebruiksintensiteit van de locatie. Watergeefsysteem Het eerste jaar na aanplant krijgt de boom altijd water. Om de boom water te geven wordt gebruik gemaakt van een tijdelijk watergeefsysteen. Een gietrand heeft de voorkeur. Dit is een kunststof watergeefrand van circa 25 cm hoog. Deze wordt op het maaiveld geplaatst. Als een gietrand niet mogelijk is, kan ook worden gekozen voor andere systemen zoals een watergeefdrain (geperforeerde drain direct rond de bovenste helft van de kluit). Boorpijlers grondwater Boorpijlers worden aangebracht als er storende lagen voorkomen die het de wortels lastig maken om het grondwater te bereiken of wanneer het grondwater dieper ligt dan 150 cm. Met de huidige droge zomers is dit belangrijk om de bomen zo snel mogelijk op ‘eigen voeten’ te laten staan. Met het aanbrengen van wortelpijlers worden storende lagen doorbroken, wordt grondwater makkelijker bereikt en kan een grotere bewortelingsdiepte worden gerealiseerd. Er worden 4 pijlers per boom, in de hoeken van het plantgat, aangebracht.
Bovengrondse verankering Voor de stabiliteit van de boom in de eerste jaren worden steunmaterialen aangebracht. Bovengrondse verankering heeft de voorkeur. De boom wordt vastgezet aan twee kastanjehouten palen (niet-verduurzaamd, gefreesd, wigvormig gepunt en gekruind) van 3,00 m lengte met een diameter van 8 – 10 cm. Palen worden
Foto links: Watergeefrand. Foto rechts: Water geven. Foto’s: gemeente Den Haag.
tot 1,70 m boven maaiveldniveau geplaatst. De palen worden haaks op de windrichting geplaatst en 10% schuin zodat deze onder spanning staan na bevestiging met de boombanden. De boombanden zijn van kunststof (5 cm breed, met gevlochten nylondraad in zigzagverband, dichte zetting, kleur zwart). Ondergrondse verankering Soms willen we bomen ondergronds verankeren aan de kluit. We doen dit in principe alleen bij bomen in halfverharding of wanneer boomroosters het niet mogelijk maken om palen bovengronds aan te brengen. De ankers worden al toegepast vanaf maat 18-20 (omtrek). We gebruiken vier ankers en biologisch afbreekbaar materiaal. Ook bij een verplante boom of bij grote boommaten wordt een ondergrondse verankering toegepast. De kluit wordt dan vastgezet met drie ankers. Door boombanden gelijkmatig over de kluit te spannen komt de boom vast te staan. De banden worden zo
aangebracht dat ze de kluit en stamvoet (op de lange termijn) niet insnijden, afknellen of beschadigen. Boombeschermer Een boombeschermer is een fysieke constructie die, meestal permanent, de stam beschermt tegen mechanische beschadiging. In Den Haag dienen bij aanplant van bomen in parkeerstroken en op pleinen boombeschermers te worden geplaatst. We kennen drie types – betongevulde Hagenaar, elektrolytisch verzinkt stalen beschermingsbeugels of een boomkorf. De laatste brengt relatief hoge kosten met zich mee. De boombeschermer moet natuurlijk geen schade veroorzaken aan de stamvoet en wortels en ook moet er rekening worden gehouden met de toekomstige diktegroei (om schuren, afknellen of insnoeren te voorkomen). Wortelbarrière Boomwortels zoeken naar voeding, lucht en water. Met een wortelscherm als wortelbarrière kunnen de wortels worden
Routeboek Stadsbomen in Beheer
10
Verankering met twee kastanjehouten palen. Foto: Jurriaan Brobbel.
Verwachte einddiameter
Afstand wortelwerking tot hart stam
>60 cm 40 – 60 cm 25 – 40 cm >25 cm Vormbomen
2,0 – 2,5 cm 1,5 – 2,0 cm 1,25 – 1,5 cm 1,0 – 1,25 cm 0,75 – 1,25 cm
‘gestuurd’ en kan op sommige plekken ongewenste wortelgroei worden voorkomen. Hiervoor gebruiken we wortelwerende schermen. Die plaatsen we bij bomen indien de afstand tot (verharde) paden minder dan 2,00 m meter bedraagt. We plaatsen het scherm van net boven het maaiveld (circa 1 cm) tot in het grondwater. Als het plaatsen tot in het grondwater niet mogelijk is, moet de wering ten minste tot in een wortelwerende bodemzone worden geplaatst. De afstand tot de boom bedraagt bij voorkeur de rand van de groeiplaats. Indien dit niet mogelijk is, gelden de afstanden in de tabel als richtlijn. Boomspiegel We proberen zoveel mogelijk bomen in open grond te planten. In de bestaande stad zijn er echter veel situaties aanwezig waar bomen in de verharding staan. Dan wordt de boomspiegel op een specifieke manier ingericht. In gebieden op residentiekwaliteit wordt standaard gebruik gemaakt van een betonnen boomkrans. Dit is nodig om de boomspiegel te beschermen tegen betreding, verdichting en verslemping van de toplaag. De boomkrans is minimaal 1,20 m bij 1,20 m.
Betonnen boomkrans van 120 x 120 cm. Foto: gemeente Den Haag.
11
In een gebied met Hofstadkwaliteit wordt een stalen boomkrans gebruikt. Op locaties met veel voetgangers kan de boomspiegel worden afgedekt met een boomrooster of een cortenstalen afdekplaat. Boomroosters en afdekplaten moeten juist en voldoende ruim geplaatst zijn zodat deze geen schade veroorzaken aan de stam, stamvoet en stabiliteitswortels bij toenemende diktegroei.
Zoeken naar diversiteit We werken gezamenlijk aan het toekomstbestendig maken van het Haagse bomennetwerk. Bij aanplant wordt daarom de mogelijkheid voor het aanbrengen van diversiteit altijd onderzocht. Hiermee zorgen we voor een minder grote kans op grootschalige uitval en dragen we bij aan ecologische variatie. De boombeheerder heeft hiervoor hulpmiddelen zoals de Haagse sortimentslijst. Een boom kiezen: Inspiratie voor boombeheerders en ontwerpers We hebben in de Nota Stadsbomen het doel geformuleerd dat in 2030 75% van de bomen ecologisch passend 4*,3* of 2* is. Op dit moment is dit 70% (zie kader op pagina 31 in de Nota Stadsbomen). We hebben in de Haagse sortimenstlijst gekeken welke bomen nog maar weinig in de stad staan maar hoog scoren op dit thema. Het overzicht in bijlage 1 vormt een inspiratie voor het toepassen van bomen die we nu nog niet zo veel in de stad hebben. Toepassen diversiteit in langere boomstructuren zoals de Hoofdboomstructuur Voor het toepassen van diversiteit in bestaande langere boomstructuren, zoals de hoofdboomstructuur, wordt in samenwerking met landschapsontwerpers gekeken naar het beste maatwerk voor een structuur. Ondanks dat een boombeheerder vaak maar enkele bomen in een structuur vervangt is het prettig te weten welke toekomstvisie er is.
Dit is bijvoorbeeld gedaan voor de lange lijn in Ypenburg: de Weidevogellaan – Kiekendiefstraat – Plesmanlaan – Schenklaan. Totaal staan hier 339 stuks hemelbomen (Ailanthus altissima). De hemelboom is in 2019 op de lijst van ‘invasieve exoten’ geplaatst. Inmiddels mag ook niet meer gehandeld worden in deze boom. Dat betekent dat nieuwe hemelbomen bij uitval niet meer worden aangeplant. En er is sprake van een regelmatige uitval. Er wordt nu gekozen voor het toepassen van meerdere geslachten. De straten zijn hiervoor in delen en naar ‘uitstraling’ opgedeeld. Er zijn straatdelen met een brede middenberm, en straatdelen met bomen groepsgewijs in verharding. Afhankelijk van het type straat is gekozen voor een andere menging gebaseerd op het type boomkroon. Bij de middenbermen is een meer groepsgewijze variatie mogelijk en kan ‘ruimer’ worden gedacht in de soorten boomkronen. In de straatsituaties wordt gewerkt met meerdere geslachten met soortgelijke boomkronen.
Impressie voor vervanging Ailanthus Weidevogellaan. Illustratie: gemeente Den Haag.
Routeboek Stadsbomen in Beheer
12
13
3 Groei en snoei Richtlijn Snoeien van stadsbomen
Onze gemeente bestaat uit acht stadsdelen. Bomen, en zeker bomen langs straten en trambanen, moeten met name in de jonge en halfwasfase regelmatig worden gesnoeid. Verkeersdeelnemers zoals voetgangers, fietsers en autobestuurders moeten veilig onder bomenkronen door kunnen lopen en rijden. Snoei is noodzakelijk om de boom naar een volgroeide fase te begeleiden. We kennen twee vormen van snoei: begeleidingssnoei en onderhoudssnoei. Wanneer niet tijdig wordt gesnoeid, moeten te grote takken worden verwijderd. Hierdoor ontstaan grote snoeiwonden. Dit geeft kans op infecties door schadelijke schimmels. Ook kan de groei stagneren en daarmee de levensduur van de boom, hij wordt minder oud. Begeleidingssnoei Goede begeleidingssnoei in met name de jonge en halfwasfase vormt de basis voor het uiteindelijke eindbeeld van de boom. Bij snelgroeiende bomen is de eerste snoeibeurt na 3 jaar, bij langzaam groeiende soorten kan dit 4 tot 5 jaar na aanplant zijn. Bij nieuwe snelgroeiende soorten komen we in de eerste tien jaar zelfs elk jaar even langs. Hierna worden de bomen in een regelmatige cyclus opgenomen. Stelregel hierbij is dat de diameter van de takken in centimeters niet groter mag zijn dan de boomhoogte in meters. De maximale takdikte voor begeleidingssnoei in een boom van 5 meter hoogte is dan 5 centimeter.
Door de juiste snoei ontwikkelen bomen zich tot gezonde en structureel sterke bomen met een lange levensloop en beperkte onderhoudskosten.
Onderhoudssnoei In de volwasfase worden in principe geen regelmatig terugkerende snoeimaatregelen meer toegepast. De snoei beperkt zich tot het voorkomen van schade. We snoeien dan alleen nog dood hout, risicotakken of takken met schade door weersinvloeden, menselijk toedoen of verandering van de omgeving. Wanneer we juiste begeleidingssnoei (in de groei) hebben toegepast is de onderhoudsfrequentie bij bomen in de volwasfase laag: eens per 4 tot 10 jaar.
BoomOnderhoudsControle (BOC)
In 2020 is in twee stadsdelen geëxperimenteerd met een uniforme methode van snoeien. Het doel is in 2021 een voor Den Haag goed toepasbare methode van uniforme snoei te ontwikkelen. Er bestaan namelijk verschillende inzichten en methoden. Een van de vorbeeldmethoden is opgenomen in het Handboek Bomen van het Norminstituut. Dat voorbeeld is hier in het Routeboek opgenomen. Deze methode vormt het uitgangspunt voor het gesprek. Bij de BOC wordt elk stadsdeel in drie deelgebieden verdeeld, waardoor een driejaarlijkse cyclus mogelijk is. Elk jaar wordt een BoomOnderhoudsControle (BOC) uitgevoerd in één deelgebied. Met de BOC wordt een opname van de snoeibehoefte gedaan. Dit is leidend voor de te nemen maatregelen. De BOC geeft duidelijkheid over de jaarlijks benodigde financiën. Door de maatregelen van de BOC uit te voeren worden snoeiachterstanden voorkomen of weggewerkt. De voorgestelde maatregelen vanuit de BoomVeiligheidsControle (BVC, zie hoofdstuk 4) worden waar mogelijk gelijktijdig uitgevoerd met de voorgestelde maatregelen vanuit de BOC.
Bomen snoeien Goudenregenstraat. Foto: Paul Boeters. Routeboek Stadsbomen in Beheer
14
De BOC is een andere controle dan de BVC. Het vraagt een andere deskundigheid en ze worden apart van elkaar uitgevoerd. De BOC gaat om het bepalen van planmatig onderhoud. De BVC is een controle in verband met de veiligheid in de stad. Richtlijn BOC Projectvoorbereiding • Elk van de acht Haagse stadsdelen is verdeeld in drie deelgebieden. Er wordt een efficiënte verdeling (in verband met verkeersvoorzieningen, doorgaande wegen en wijkgrenzen) gehanteerd waarbij elk deelgebied een min of meer gelijk aantal bomen heeft. • De vormbomen (knotbomen, leibomen en gekandelaberde bomen) maken geen onderdeel uit van de BOC. Het snoeien van deze bomen wordt in een vaste cyclus uitgevoerd, afhankelijk van de benodigde intensiteit. In Den Haag staan circa 4500 vormbomen. Uit GISIB (boombeheersysteem) worden de benodigde kenmerken ten aanzien van de BOC zoveel als mogelijk overgezet naar de controlemodule voor de BOC.
Begeleidingssnoei met een stokzaag in de Goudenregenstraat. Foto: Paul Boeters.
15
Uitvoering Bij de BOC worden de volgende kenmerken opgenomen: 1. boomtype; 2. snoeiwijze (koppeling met boomtype); 3. wegtype (koppeling met onderhoudspakket); 4. wettelijke doorrijhoogte; 5. beoogde opkroonhoogte (koppeling met wettelijke doorrijhoogte); 6. actuele opkroonhoogte; 7. boombeeld; 8. boomhoogte.
De acht kenmerken uitgewerkt aan de hand van Handboek Bomen 2018 (Norminstituut Bomen): 1. Bij de BOC is als eerste het boomtype van belang: Bij vrij uitgroeiende bomen zijn er geen eisen ten aanzien van de doorgang en hoeft er in principe niet of matig te worden gesnoeid. Dit in tegenstelling tot niet vrij uitgroeiend – dan worden er eisen aan de kroonhoogte gesteld, bijvoorbeeld boven wegen (zie kenmerk 5). Uiteraard zijn veel bomen in Den Haag niet vrij uitgroeiend.
Wegtype - Boom langs tramtracé (boom < 5 m van trambaan) - Boom langs wegen - Boom langs fiets- en voetpaden - Boom met kroonbereik buiten wegen/paden (boomtype vrij uitgroeiend)
4. Vervolgens wordt de wettelijke doorrijhoogte bepaald. De wettelijke doorrijhoogte is afhankelijk van het wegtype.
<1% 3%
3. Het wegtype wordt onderscheiden op basis van de locatie van de boom. Deze kan worden bepaald op basis van de werkpakketten uit GISIB.
<1%
Boomtype Niet vrij uitgroeiend
23%
Vrij uitgroeiend Knotboom Gekandelaberde boom
74%
Leiboom
2. Het boomtype en de leeftijdsklasse bepalen de snoeiwijze. De volgende snoeiwijzen zijn mogelijk:
Vereiste wettelijke doorgang Extra vrije doorgang (bomen langs tramtracé) Auto(rij)weg Voet- en fietspad Boom met kroonbereik buiten wegen/paden (boomtype vrij uitgroeiend)
6,5 m + maaiveld 4,5 m + maaiveld 2,5 m + maaiveld 0,0 m + maaiveld
5. De beoogde opkroonhoogte wordt vastgesteld aan de hand van de wettelijke doorrijhoogte en de boomsoort (bomen met overwegend afhangende takken moeten hoger opgekroond worden dan bomen met opgaande takken). Indien wenselijk kan worden gekozen voor een ongelijke opkroonhoogte door een verschil van doorrijhoogte aan beide zijden van een boom zoals bijvoorbeeld bomen langs grachten.
Snoeiwijze - Begeleidingssnoei - Onderhoudssnoei
Routeboek Stadsbomen in Beheer
16
Beoogde opkroonhoogte (gelijk) 8 meter 6 meter 4 meter 2 meter (bijv. i.v.m. grasmaaier) 0 meter (van onderaf vertakt)
Beoogde opkroonhoogte (ongelijk) 8 m/6 m; 8 m/4 m; 8 m/2 m; 8 m/0 m 6 m/4 m; 6 m/2 m; 6 m/0 m 4 m/2 m; 4 m/0 m 2 m/0 m
6. Vervolgens wordt bepaald of de beoogde opkroonhoogte al bereikt is. Indien de beoogde opkroonhoogte (zie kenmerk 5) wel bereikbaar is en nog niet bereikt, wordt nog altijd gesproken van begeleidingssnoei. Indien een boom niet meer wordt opgekroond, ofwel omdat de opkroonhoogte reeds bereikt is, ofwel omdat deze onbereikbaar is, wordt gesproken van onderhoudssnoei. Een onbereikbare opkroonhoogte kan twee oorzaken hebben: • Een boom die vanwege een geringe omvang nooit de beoogde opkroonhoogte kan behalen omdat de verhouding van stam en kroon dan meer dan 1:1 is. Bijvoorbeeld een sierkers van de 3e grootte langs een trambaan heeft al snel een onbereikbare opkroonhoogte omdat deze boom nooit 16 meter hoog zal worden. Dit is namelijk de minimale hoogte voor een boom om een bereikte opkroonhoogte te halen, zonder de verhouding 1:1 te overschrijden; • Een boom waarbij verder opkronen onverantwoord is omdat dan te dikke takken gesnoeid moeten worden. Dit kan bijvoorbeeld komen door verkeerde begeleidingssnoei in het verleden. Het kan echter ook soortspecifiek zijn, zoals bijvoorbeeld bij haagbeuken of essencultivars.
17
Acuele opkroonhoogte Snoeiwijze Nog niet bereikt Begeleidingssnoei Bereikt Onderhoudssnoei Onbereikbaar, overschrijding stam:kroon 1:1 Onderhoudssnoei Onbereikbaar, snoei-ingreep ongewenst Onderhoudssnoei
7. Vervolgens wordt het boombeeld opgenomen. Bij de opname van het boombeeld is het van groot belang dat de inspecteur drie jaar vooruit kijkt. Is de boom op dit moment nog niet snoeibehoeftig, maar wordt verwacht dat dit binnen drie jaar wel zo is -> snoeien. Indien de boom een aanvaard boombeeld heeft, wordt deze boom ook daadwerkelijk niet gesnoeid in de periode tot de volgende controle (circa 3 jaar). Bij begeleidingssnoei worden de boombeelden als volgt gedefinieerd: Boombeeld Definitie begeleidingssnoei Aanvaard boom is niet snoeibehoeftig tot de volgende controle (drie jaar) Regulier alle probleemtakken kunnen binnen één reguliere snoeibeurt worden verwijderd. Daarbij wordt max. 25% van het kroonvolume verwijderd Achterstallig alle probleemtakken kunnen binnen één verzwaarde snoeibeurt worden verwijderd. Daarbij wordt max. 30% van het kroonvolume verwijderd of minimaal 2 takken met diameter >15 cm. Verwaarloosd om alle probleemtakken te kunnen verwijderen zijn minimaal twee (verzwaarde) snoeibeurten nodig. Daarbij wordt per snoeibeurt max. 30% van het kroonvolume verwijderd.
Bij onderhoudssnoei wordt het boombeeld niet bepaald aan de hand van het percentage probleemtakken. Bij onderhoudssnoei worden de boombeelden als volgt gedefinieerd:
De streefwaarde maximale opkroonhoogte, dus de verhouding kroon:stam
Boombeeld Definitie onderhoudssnoei Aanvaard boom is niet snoeibehoeftig tot de volgende controle (drie jaar) Regulier alle probleemtakken kunnen binnen één reguliere snoeibeurt worden verwijderd. Het betreft hier bijvoorbeeld dood hout verwijderen, losse takken of het tak-op-tak snoeien boven de rijbaan. Achterstallig alle probleemtakken kunnen binnen één verzwaarde snoeibeurt worden verwijderd. Het betreft hier bijvoorbeeld het innemen of verwijderen van gesteltakken i.v.m. een plakoksel of overmatige aanwezigheid van dood hout (>50% v/d gesteltakken bevat dood hout) Verwaarloosd n.v.t. in de blijvende kroon moeten alle probleemtakken áltijd binnen één snoeibeurt kunnen worden verwijderd, omdat het meestal veiligheidsgerelateerd is.
8. De boomhoogte maakt nu nog geen onderdeel uit van het GISIB-paspoort. GISIB is het beheersysteem van de gemeente. De boomhoogte (in combinatie met snoeiwijze en boombeeld) is echter van belang voor de uitvraag van de snoeiwerkzaamheden. De boomhoogte wordt dus toegevoegd aan het GISIB-paspoort.
ligt na snoei tussen 1:1 en 2:1. Bron: Handboek Bomen, Norminstituut bomen.
Na het snoeien dient de boom vrij te zijn van probleemtakken. Probleemtakken in de
Werkplan Na afronding van de BOC in het betreffende gebied wordt een werkplan opgesteld en een globale kostenraming gemaakt. Afhankelijk van het beschikbare onderhoudsbudget worden de maatregelen geheel of gedeeltelijk uitgevoerd.
tijdelijke kroon zijn in de onderste afbeelding weergegeven. Bron: Handboek Bomen, Norminstituut bomen.
Routeboek Stadsbomen in Beheer
18
Uitvoering Vervolgens worden de maatregelen uitgevoerd. Zoals reeds vermeld wordt afzonderlijk van de BOC een BVC uitgevoerd. De uitvoering van de maatregelen uit deze twee controles kunnen deels worden gecombineerd, afhankelijk van de urgentieperiode van het BVC-advies. De maatregelen worden uitgevoerd conform Handboek Bomen hoofdstuk 8 en 9 van het Norminstituut Bomen. Dit betekent dat op basis van het opgenomen boombeeld wordt bepaald óf en in welke mate snoei wordt uitgevoerd. Te dikke takken zijn:
deze boom worden wel gemuteerd. Het boombeeld wordt in het systeem benoemd als achterstallig. Deze bomen worden toegevoegd aan de BOC van het eerstvolgende jaar. Dan wordt opnieuw bepaald wat de snoeibehoefte is (regulier/achterstallig/ verwaarloosd).
Groeiplaatsverbetering voor meer kroonoppervlak
Na verloop van een aantal jaren kan blijken dat de groeiplaats niet toereikend is voor een bestaande boom. Dit resulteert vaak in verminderde groei of afstervingsverschijnselen met bijvoorbeeld de vorming van grof dood hout tot gevolg. De boom stagneert soms in groei en de bijdrage aan kroonoppervlak wordt niet groter. Ook kan het risico’s met zich meebrengen waardoor maatregelen noodzakelijk zijn. Een oplossing kan zijn om met groeiplaatsverbetering de conditie van de bomen te verbeteren. Dit kan op verschillende manieren: wortelstraten, wortelpijlers, voedingspijlers, ploffen & injecteren of mulchen. De Hoofdboomstructuur en onze monumentale bomen krijgen voor deze oplossingen de eerste prioriteit.
Mutaties Tijdens de uitvoering van werkzaamheden worden de gesnoeide bomen digitaal afgemeld als zijnde uitgevoerd werk. Bomen met een regulier of achterstallig boombeeld dienen na de snoei veilig te zijn en vrij van probleemtakken. Het boombeeld wordt in het systeem benoemd als aanvaard. Bomen met een verwaarloosd boombeeld kunnen niet in één snoeibeurt vrij zijn van probleemtakken. De gegevens van
19
Wortelstraten Door een wortelstraat te graven bij bestaande bomen wordt extra doorwortelbare ruimte gecreëerd. We realiseren horizontale wortelverbindingen via kunstmatige ’wortelstraten’ door het graven van doorwortelbare grondstroken. De verbindingsstroken hebben een doorsnede van 0,5 tot 1,0 m.
Wortelpijlers Met het aanbrengen van wortelpijlers worden storende lagen doorbroken en kan een grotere bewortelingsdiepte worden gerealiseerd. Door uitboren, uitzuigen of uitspuiten worden verticale wortelgeleidende pijlers aangebracht met een diameter van 10 tot 40 cm. De pijlers kunnen worden opgevuld met bijvoorbeeld Haags bomenzand. De wortelpijlers moeten binnen de bestaande groeiplaats vallen, maar wel buiten de stabiliteitswortels. Voedingspijlers In gefixeerde voedingspijlers worden organische (duurzame) meststoffen geïnjecteerd. De pijlers zijn 10 tot 20 cm in diameter. Per 4 m2 worden bij voorkeur 2 à 3 voedingspijlers geplaatst. Ploffen & injecteren Om een verdichte bodemstructuur los te breken worden met een holle lans luchtimpulsen in de grond geblazen. Op deze wijze worden verdichte toplagen en storende bodemlagen doorbroken. Vervolgens worden structuurverbeteraars en/of meststoffen geïnjecteerd. De lanspunten worden gelijkmatig verdeeld binnen het grondoppervlak van de groeiplaats op verschillende diepte. Per 4 m2 grondoppervlak worden 1 – 2 lanspunten gebruikt. Mulchlaag Mulchen is het aanbrengen van een toplaag op de open boomspiegel of het open maaiveld. Binnen de kroonprojectie worden de bestaande beplanting of graszoden verwijderd en vervolgens de mulchlaag aangebracht.
De toplaag is 5 tot 7 cm dik en bestaat uit gecomposteerde houtsnippers of schimmeldominante compost.
Wortelgroei in bomenzand onder straatzand. Foto: gemeente Den Haag.
Routeboek Stadsbomen in Beheer
20
21
4 BoomVeiligheidsControle (BVC) In Den Haag worden sinds 1994 alle halfwas en volwassen stadsbomen specifiek gecontroleerd op veiligheid. Den Haag behoort namelijk tot de intensiefst gebruikte en dichtstbevolkte steden van Europa. De gemeente is als eigenaar aansprakelijk voor eventuele gevolgen die kunnen ontstaan door de circa 120.000 stadsbomen. Deze aansprakelijkheid kan worden voorkomen als de gemeente aan haar zorgplicht voldoet, wat is vastgelegd in het boomveiligheidsbeleid. Hoe groter en ouder bomen zijn, des te hoger de ecosysteemdiensten voor de omgeving. Maar oude bomen kunnen ook aan verval onderhevig zijn. Dat betekent niet dat de boom direct een gevaar vormt en vervangen moet worden. Maar gezien de massa van een volwassen boom, en daarmee het risico voor zijn directe omgeving, is het van belang om dan tijdig passende maatregelen te nemen. Naast de 15-maandelijkse controle van alle stadsbomen worden ook alle bomen langs de randen in bosgebieden en de niet individueel geregistreerde bomen langs de randen van houtsingels en struweel elke drie jaar gecontroleerd.
Boomveiligheidsbeleid Den Haag
Volgens de wet moet een boomeigenaar/boombeheerder kunnen aantonen dat er voldoende zorg is besteed aan de bomen en die werkwijze ook vastlegt. De zorgplicht wordt als volgt ingevuld: • met voldoende zorg uitvoeren van het normale onderhoud, • het uitvoeren van een zorgvuldige controle op gebreken, • het schriftelijk vastleggen van de controlegegevens, • het uitvoeren van de noodzakelijke maatregelen. Bij schade door bomen, als gevolg van afgebroken takken of omgevallen bomen, geldt in beginsel een schuldaansprakelijkheid. De eigenaar/beheerder van bomen moet het nalaten van voldoende zorg van zijn bomen kunnen worden verweten of toegerekend. Het doel van de zorgplicht is het realiseren van een aanvaardbaar veiligheidsniveau en het voorkomen van onveilige situaties. In de praktijk worden de volgende vormen van zorgplicht onderscheiden: • De algemene zorgplicht, hieronder valt het reguliere onderhoud van de bomen en de periodieke controle van bomen op uitwendig zichtbare gebreken; • De verhoogde zorgplicht, deze geldt op plaatsen met een zogenaamde verhoogde gevaarzetting. Hiermee worden plaatsen bedoeld waar, indien er een tak uitbreekt of een
Aantasting met tonderzwam. Foto: Jurriaan Brobbel. Routeboek Stadsbomen in Beheer
22
boom omvalt, te voorzien is dat er veel schade kan ontstaan (stedelijk gebied en doorgaande verkeerswegen). Een wettelijke controletermijn is niet vastgelegd maar uitgaande van de huidige jurisprudentie en de richtlijn van de CROW geldt een controlefrequentie van 1 tot 3 jaar; • De onderzoeksplicht, hiervan is sprake wanneer een boom één of meerdere uitwendig zichtbare gebreken vertoont, of wanneer de eigenaar anderszins weet dat de boom een extra risico kan veroorzaken.
Afstemming van de zorgplicht op de Haagse situatie Bij de invulling van de zorgplicht voor bomen dient voorop te staan dat een aanvaardbaar veiligheidsniveau voor de gebruiker wordt gerealiseerd en onveilige situaties worden voorkomen. Om dit te bereiken zijn de Haagse bomen op basis van de standplaats en leeftijd/omvang ingedeeld in de volgende omgevingsrisicoklassen. Jonge stadsbomen De zorgplicht voor de jonge stadsbomen is geregeld via het reguliere onderhoudspakket. In het jaarlijkse onderhoudspakket is de controle van de boom en van de boompalen opgenomen. Bij dit intensieve onderhoud worden tijdig eventuele afwijkingen waargenomen en verholpen. Daarnaast betreft het bomen met een zeer beperkte omvang. Het risico voor de omgeving is heel laag waardoor in Den Haag geen specifieke boomveiligheidscontrole met registratie bij jonge bomen wordt uitgevoerd.
Halfwas en volwassen stadsbomen en overige individueel geregistreerde bomen Bij alle halfwas en volwassen stadsbomen is gezien de standplaats in Den Haag als zeer dichtbevolkte stad en de omvang van de bomen sprake van een verhoogde gevaarzetting. Ditzelfde geldt voor de bomen langs de randen van houtsingels en struwelen in de directe woonomgeving. Deze bomen zijn individueel geregistreerd in het gemeentelijk groenbeheersysteem waarin ook de inspectiegegevens van de boomveiligheidscontrole worden vastgelegd. De boomveiligheidscontrole wordt uitgevoerd door een gecertificeerd boomveiligheidscontroleur in de periode van februari tot en met december. De controle is primair gebaseerd op uiterlijke kenmerken van bomen (Visual Tree Assessment). Omdat de uiterlijke kenmerken van bepaalde afwijkingen (bijvoorbeeld zwammen) niet in ieder jaargetijde zichtbaar zijn, is in Den Haag gekozen om het controlemoment te variëren. Volgens een vastgelegde planning worden in één kalenderjaar de bomen in zeven van de acht stadsdelen gecontroleerd. Het achtste stadsdeel wordt vervolgens als eerste gecontroleerd in het volgende jaar. Zo verschuift ieder jaar het controletijdstip van dezelfde boom met ongeveer 3 maanden waardoor de interval tussen twee controlerondes van hetzelfde stadsdeel 15 maanden bedraagt.
Bomen die één of meerdere uitwendig zichtbare gebreken vertonen die van invloed kunnen zijn op de veiligheid, worden indien nodig aan een nader onderzoek onderworpen. Bomen in bosgebieden en overige niet individueel geregistreerde bomen Dit betreft bomen langs de randen van bosgebieden en de niet individueel geregistreerde bomen langs de randen van houtsingels
23
en struweel die minder intensief worden gebruikt. Deze bomen staan binnen een straal van 10 m vanaf (half)verharde voet- en fietspaden, ruiterpaden, parkeerterreinen, erfgrenzen, watergangen en speelterreinen en kunnen daarmee van invloed zijn op de veiligheid.
Zowel de boomgegevens als de boomgebrekenlijst zijn bij de inspectie digitaal beschikbaar voor de controleur. De inspectiegegevens en de bijbehorende risicocategorie worden per boom ter plaatse digitaal vastgelegd in een PDA en opgeslagen in het gemeentelijk groenbeheersysteem.
Vanwege de beperkte gevaarzetting van de bomen in deze gebieden worden deze één keer per drie jaar gecontroleerd. Het betreft hier bomen die niet individueel geregistreerd zijn in het gemeentelijk groenbeheersysteem.
Beschrijving van de risicocategorieën: Categorie A De categorie bomen zonder gebreken die van invloed zijn op de veiligheid. Lage risicokans, geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Categorie B De categorie bomen waarbij een of meer boomgebreken worden opgemerkt die niet binnen een jaar zullen leiden tot een veiligheidsrisico maar wel in het daaropvolgende jaar of jaren extra aandacht behoeven. Categorie C Bomen die één of meerdere uitwendig zichtbare gebreken vertonen. Deze gebreken kunnen van invloed zijn op de veiligheid van de boom. Het betreft bomen met een verhoogde risicokans, waarvoor een onderzoeksplicht geldt. Nader onderzoek is noodzakelijk. Categorie D Bomen die op basis van uiterlijke gebreken een zodanig verhoogd risico vormen dat ze gevaar op kunnen leveren voor de omgeving waarin ze staan. Actie noodzakelijk. Categorie E Boom is ter plaatse niet meer aanwezig.
Volgens een vaste planning, die in december wordt opgesteld, zijn al deze gebieden verdeeld in drie percelen. Jaarlijks wordt één perceel gecontroleerd. De interval tussen twee controlerondes bedraagt hierdoor drie jaar. De BVC wordt uitgevoerd door een gecertificeerd boomveiligheidscontroleur in de winterperiode waarbij de onderbegroeiing van struiken grotendeels bladloos is en de aanwezigheid van kruidachtigen beperkt. Hierdoor is de toegankelijkheid van het terrein en het zicht op de stamvoeten voor de controleur beter. De controle is gebaseerd op uiterlijke kenmerken van bomen (VTA, Visual Tree Assessment).
Uitvoering boomveiligheidscontroles Halfwas en volwassen stadsbomen en overige individueel geregistreerde bomen De gegevens van te controleren bomen worden ontleend aan het digitale groenbeheersysteem van de gemeente. Voor wat betreft de mogelijke boomgebreken die moeten worden vastgelegd tijdens de inspectie, wordt verwezen naar de Boomveiligheidsrichtlijnen van het CROW.
Onderzoeksplicht bomen categorie C Aansluitend op de visuele controle worden alle bomen uit de C-categorie nader onderzocht door een gecertificeerd boomveiligheidscontroleur, eventueel met behulp van specialistische apparatuur. De resultaten van deze inspectie worden eveneens digitaal vastgelegd in het gemeentelijk groenbeheersysteem.
Routeboek Stadsbomen in Beheer
24
Het resultaat van het nader onderzoek kan leiden tot: • Bomen die één of meerdere uitwendig (zichtbare) gebreken vertonen maar die niet binnen een jaar van invloed zijn op de veiligheid. Deze bomen behoeven in de komende jaren wel extra aandacht en verschuiven daarmee naar de B-categorie; • Bomen die binnen 15 maanden voor een verhoogd risico kunnen leiden voor de omgeving. Deze bomen verschuiven daarmee naar de D-categorie. Het advies of de maatregel kan zijn rooien, dood hout verwijderen et cetera. Urgentie van de voorgeschreven maatregel De categorie D-bomen worden gekoppeld aan een periode waarin het gebrek moet worden verholpen of de situatie wordt veiliggesteld. Afhankelijk van de aard van het gebrek en het risico voor de omgeving kan de inspecteur een keuze maken uit de volgende urgenties: • binnen 12 maanden; • binnen 3 maanden; • acuut = noodkap (bij constateren direct telefonisch melden bij de betreffende boombeheerder). Rapportage Alle inspectiegegevens worden vastgelegd in het gemeentelijk groenbeheersysteem. Daarnaast worden de inspectiegegevens, boomveiligheidsmaatregelen en urgenties na het afronden van een stadsdeel verwerkt in een rapportage en in tweevoud overhandigd aan de opdrachtgever. De opdrachtgever archiveert één exemplaar en overhandigt het andere exemplaar aan de betreffende boombeheerder voor uitvoering.
25
Bomen in bosgebieden en overige niet individueel geregistreerde bomen Gezien het beperkte gevaar van de bomen in deze gebieden worden deze éénmaal per drie jaar geïnspecteerd. Het betreft hier bomen die niet zijn voorzien van een boomnummer zoals stadsbomen of overige geregistreerde bomen. Voor wat betreft de mogelijke boomgebreken die moeten worden vastgelegd tijdens de inspectie, wordt verwezen naar de Boomveiligheidsrichtlijnen van het CROW. Urgenties van de voorgeschreven maatregel Gebreken die tijdens de BVC worden geconstateerd, worden gekoppeld aan een periode waarin het gebrek moet worden verholpen of de situatie moet worden veiliggesteld. Afhankelijk van de aard van het gebrek en het risico voor de omgeving kan de inspecteur een keuze maken uit de volgende urgenties: • binnen 12 maanden; • acuut = noodkap (bij constateren direct telefonisch melden bij de betreffende boombeheerder). Rapportage Per gebied worden de inspectiegegevens verwerkt op een kaart met bijbehorende inventarisatielijst. Een boom met een gebrek wordt ingetekend op de kaart en voorzien van een volgnummer. Het volgnummer wordt geregistreerd op de inventarisatielijst en voorzien van boomsoort, stamdiameter, het gebrek, het advies en de urgentie.
Indien het advies is om de boom te vellen, wordt deze ter plaatse gemarkeerd met een wit kruis aan de achterzijde (gezien vanaf het pad), aan de voet van de stam. Dood hout, dikker dan polsdikte (4 cm), wordt eveneens vastgelegd op de kaart en
bij meerdere bomen wordt een streep getrokken op de kaart als aanduiding met een inschatting van het aantal bomen. De kaarten en inventarisatielijsten worden overgedragen aan de desbetreffende boombeheerder. Deze zorgt voor uitvoering van de voorgestelde maatregelen en bewaart de tekeningen en lijsten 5 jaar.
Verschil tussen BOC en BVC In onderstaande afbeelding is weergegeven hoe de twee controles een rol spelen in het beheer van de Haagse stadsbomen. Haagse Stadsboom Fase 1: Controle
Fase 2: Indeling
Boomonderhoudscontrole (BOC)
Boomveiligheidscontrole (BVC)
Veilige Bomen
Snoeibehoeftig Regulier, Achterstallig, Verwaarsloosd
Risicobomen
Niet Snoeibehoeftig
Nader Onderzoek
Fase 3: Uitvoering
Snoeien Geen maatregel
Kappen
Geen maatregel
Routeboek Stadsbomen in Beheer
26
27
5 Werkzaamheden rondom bomen Richtlijn werken bij Haagse bomen
Onze stad is continu in ontwikkeling, er gebeurt veel. Kabels, leidingen en rioleringen worden aangelegd en vervangen, evenementen vinden plaats. Er wordt dan ook continu gewerkt om de leefkwaliteit in onze stad te verbeteren. Om bomen hierbij te beschermen hanteren wij Haagse richtlijnen zoals beschreven in de folder Werken bij Haagse Bomen.
Het naleven van de folder werken bij Haagse bomen is belangrijk voor behoud van gezonde bomen. Foto: gemeente Den Haag.
Werkzaamheden rondom een boom. Foto: Jurriaan Brobbel. Routeboek Stadsbomen in Beheer
28
29
6 Omgaan met ziekten, plagen en aantastingen Ziekten, plagen en aantastingen in bomen zijn van alle tijden en alle plaatsen. Ook hier geldt: voorkomen is beter dan genezen. De afgelopen decennia is door het veranderend klimaat het aantal en het effect van boomziekten en -plagen echter sterk toegenomen. De vatbaarheid van bomen verschilt ook per soort en hangt af van de omstandigheden. Het is van belang om innovatief en efficiënt om te gaan met de bestrijding ervan. Daarbij gaan we in op monitoring, herkenning, uitvoering van maatregelen en (eventuele) preventieve bestrijding. Hieronder geven we daarom de richtlijn Omgaan met ziekten, plagen en aantastingen. De volgende ziekten en aantastingen worden in de richtlijn behandeld: • • • • •
iepenziekte; paardenkastanjebloedingsziekte; essentaksterfte; roetschorsziekte; eikenprocessierups.
Van elke ziekte of aantasting zijn de volgende onderdelen, indien van toepassing, beschreven: • • • • •
beknopte omschrijving ziektebeeld; monitoring en inspectie; bestrijding en aanpak; onderzoek; vervanging.
Wegzuigen van eikenprocessierups. Foto: ANP foto/ vidiphoto.
Uitgebroken tak door aantasting met paardenkastanjebloedingsziekte. Foto: Jurriaan Brobbel. Routeboek Stadsbomen in Beheer
30
Richtlijn omgaan met ziekten, plagen en aantastingen Iepenziekte Ziektebeeld De zeer besmettelijke iepenziekte is een verwelkingsziekte en wordt veroorzaakt door een schimmel. De ziekte komt voornamelijk voor bij iepen, maar ook bij de zelkova. De sporen van de schimmel worden naar een boom overgebracht door de iepenspintkever. De kevers vreten aan gezonde twijgen en brengen de sporen van de schimmel in de ontstane wond, waarna de schimmel zich via de houtvaten door de boom verspreidt. De boom verweert zich door de besmette houtvaten af te grendelen. Daardoor komt echter het watertransport stil te liggen en verwelken de aangetaste twijgen en takken. Op deze wijze wordt de boom helemaal aangetast. Naast verspreiding via de lucht (iepenspintkever) kan de ziekte zich ook verspreiden door wortelcontact met een andere iep. In dat geval gaat het verwelkingsproces sneller en zal de boom in korte tijd afsterven. Monitoring en inspectie Alle iepen langs straten en in plantsoenen worden tweemaal per jaar geïnspecteerd in de periode mei t/m september. Het betreft circa 14.000 bomen.
31
Bestrijding/aanpak • Het injecteren van iepen tegen de iepenziekte gebeurt in Den Haag sinds 1996. Van de 14.000 geregistreerde iepen worden jaarlijks ruim 8.000 extra beschermd door een injectie. De injectie wordt in mei gegeven aan het begin van het bladseizoen. De bomen die hiervoor in aanmerking komen zijn de waardevolle doorgaande iepenlanen, monumentale iepen en oude individuele iepen of groepen met oude iepen. Het injectiemiddel beschermd een iep voor meer dan 99% tegen een besmetting door de iepenspintkever. We weten dit door monitoring van de uitval van geïnjecteerde iepen. Het middel biedt geen bescherming tegen besmettingen door onderling wortelcontact tussen iepen. Iepen worden dan ook vaak als groep of gehele structuur geïnjecteerd. Als er één iep niet geïnjecteerd is en deze wordt ziek, dan kunnen via wortelcontact ook de geïnjecteerde iepen ziek worden; • Wanneer iepenziekte wordt vastgesteld bij een inspectie of door een melding, wordt de betreffende boom volgens het iepenprotocol zo spoedig mogelijk verwijderd vanwege besmettingsgevaar voor gezonde iepen.
Voor de kap is, gezien de urgentie, geen kapvergunning nodig; • Het protocol hanteert de volgende stappen: - vastleggen van de boom en aantasting op foto en plattegrond; - controle directe omgeving; - zo spoedig mogelijk verwijderen van de zieke boom en gecontroleerd afvoeren van het stam- en takhout naar gecertificeerde verwerker; • Indien in de buurt van de aangetaste boom meer iepen staan, wordt nagegaan of het aanbrengen van een wortelbarrière mogelijk is; in uiterste gevallen worden één of meerdere iepen uit voorzorg geruimd. Op deze manier wordt voorkomen dat de ziekte zich via wortelcontact verder verspreidt.
Injecteren tegen iepenziekte. Foto gemeente Den Haag.
Onderzoek Door jarenlang onderzoek zijn er intussen voldoende resistente iepensoorten ontwikkeld.
Vervanging Bij vervanging van iepen kiezen we – indien weer voor iep wordt gekozen – voor soorten die voldoende resistent zijn, zoals Ulmus ‘New horizon’, Ulmus ‘Rebona’ of Ulmus ‘Columella’. Uitgangspunt voor de soortkeuze is de Sortimentslijst van gemeente Den Haag.
Routeboek Stadsbomen in Beheer
32
Paardenstanjebloedingszoekte. Foto: Jurriaan Brobbel.
Paardenkastanjebloedingsziekte Ziektebeeld Paardenkastanjebloedingsziekte (PKBZ) wordt veroorzaakt door een bacterie die zich nestelt in de cellen die voor voedingstransport zorgen. De cellen raken verstopt waardoor de sapstroom in de bast vermindert. Op de bast van een aangetaste boom ontstaan bruine vochtige bloedplekken waarbij een stroperige vloeistof verschijnt (zie afbeelding). De bruine vlekken verspreiden zich snel over de stam. De bast onder de bloedingsplekken gaat uiteindelijk rotten en sterft af. Het gevolg bij een zware aantasting is dat de conditie van de boom terugloopt en verhoogd breukgevaar ontstaat in aangetaste takken. Verzwakte exemplaren worden vaak aangetast door parasitaire schimmels zoals honingzwam, fluweelpootje of oesterzwam. Monitoring en inspectie Alle kastanjebomen van het geslacht ‘Aesculus’ worden jaarlijks geïnspecteerd. Het betreft bijna 3000 bomen. Bij deze inspectie wordt de ontwikkeling van de ziekte gemonitord. Dit gebeurt al sinds 2005 door dezelfde onderzoeker. Bestrijding en aanpak Uit de monitoring van 2020 is gebleken dat 69% van de kastanjebomen in meer of mindere mate is aangetast door de ziekte. Op basis van het aantastingsbeeld wordt bepaald of de boom nog veilig kan blijven staan of moet worden gekapt. Onderzoek Een klein deel van de kastanjebomen lijkt resistent te zijn voor de PKBZ.
Gemeente Den Haag is actief bezig met DNA-onderzoek bij kastanjebomen.
33
Vervanging Gemeente Den Haag is zeer terughoudend met de aanplant van kastanjebomen. In principe wordt bij kap alleen herplant met kastanjes uitgevoerd bij lanen met een monumentale status. Bij kap buiten deze structuren vindt herplant plaats met andere boomsoorten.
Essentaksterfte
Essentaksterfte is duidelijk zichtbaar
Ziektebeeld Essentaksterfte wordt veroorzaakt door een schimmel die via het blad de bomen infecteert. Dit heeft tot gevolg dat het blad verkleurt en vervolgens afsterft. Indien de aantasting doorzet groeit de schimmel verder in de twijgen. Dit heeft een verstoring van de sapstroom tot gevolg zodat de twijgen afsterven met een kenmerkende verkleuring tot gevolg, zie afbeelding hiernaast. Uiteindelijk kan de hele boom daardoor afsterven. Het betreft vooral de oorspronkelijke Fraxinus excelsior.
in de kroon. Foto: hethaagsegroen.nl.
Monitoring en inspectie De aantastingsgraad onder de Haagse stadsbomen is nog zeer laag. Daarom voert Den Haag geen gerichte monitoring uit voor essentaksterfte onder de stadsbomen. Wel wordt de aanwezigheid van de ziekte geregistreerd tijdens de reguliere BVC (Boomveiligheidscontrole). Bestrijding en aanpak In grote delen van Nederland heeft de ziekte grootschalige sterfte van bomen tot gevolg. In Den Haag leidt de ziekte echter nog niet tot grote problemen. Dit komt hoofdzakelijk doordat binnen de Haagse stadsbomen een grote variëteit aan essensoorten (cultivars) is aangeplant, die vooralsnog beter bestand lijken tegen de essentaksterfte. Waar nodig worden afgestorven takken gesnoeid en bij een vergaande aantasting wordt de stadsboom uiteindelijk verwijderd vanuit veiligheidsoogpunt. Onderzoek Gemeente Den Haag participeert actief in het landelijk onderzoek naar de essentaksterfte. Bij de BVC wordt specifiek gecontroleerd op deze ziekte.
Vervanging Gemeente Den Haag is terughoudend in de aanplant van essen. De ontwikkeling van de ziekte op de langere termijn is nog onduidelijk waardoor het risico van uitval op de loer ligt. Dit kan een grote invloed hebben op het beeld en de ecologsische waarde van een structuur. Ook leidt het tot extra investeringen. Indien essen worden aangeplant, wordt gekozen voor minder vatbare of resistente soorten/cultivars. Daarbij wordt gedacht aan soorten Fraxinus ornus, Fraxinus americana en meer resistente cultivars van de excelsior, zoals ‘Atlas’ of ‘Altena’. Uitgangspunt voor de soortkeuze is de Sortimentslijst van gemeente Den Haag.
Routeboek Stadsbomen in Beheer
34
Verwijderen boom met roetschorsziekte gebeurt volledig beschermd. Foto: gemeente Den Haag.
Roetschorsziekte Ziektebeeld Roetschorsziekte is een zeer zeldzame ziekte die wordt veroorzaakt door een schimmelinfectie die de boom infecteert via wonden of gebroken takken. Met name esdoorns zijn gevoelig voor de schimmel. De bast wordt aangetast waarna de bladeren naar wit/ geel verkleuren. De boom verwelkt vervolgens snel waarbij eerst de kroon en vervolgens de hele boom afsterft. Monitoring en inspectie In Den Haag is tot op heden één geval aangetroffen in december 2017. Aangezien het aantal aangetaste bomen zo klein is, wordt geen afzonderlijke inspectie gedaan voor deze boomziekte. Wel wordt bij de BVC extra gelet op de mogelijke aanwezigheid van roetschorsziekte bij esdoorns. Indien deze wordt aangetroffen wordt dit geregistreerd en direct gemeld, zodat onderstaand protocol in werking kan treden. Bestrijding en aanpak De schimmel is niet alleen schadelijk voor bomen maar ook voor de mens. Langdurige blootstelling aan de schimmel kan zorgen voor ernstige gezondheidsklachten. Het gaat om een ontsteking in en rond de longblaasjes door een allergische reactie (pneumonitis). Daardoor kunnen symptomen als benauwdheid, hoesten en koorts optreden. In verband met deze risico’s voor de volksgezondheid geldt het protocol voor het beheer van roetschorsziekte bij het verwijderen van aangetaste bomen. Een aangetaste boom wordt zo spoedig mogelijk gekapt en gecontroleerd afgevoerd.
Dit gebeurt volgens het volgende stappenplan:
35
1. Vastleggen van de boom en aantasting op foto en op een plattegrond; 2. Controle directe omgeving naar verdere aantasting; 3. De boombeheerder neemt contact op met de gemeentelijke afdeling DSB/BAS over het verwijderen, de communicatie, contact GGD en andere aandachtspunten; DSB/BAS overlegt met afdeling Communicatie over eventuele aanvullende communicatiemaatregelen; 4. Benaderen aannemer en datum bepalen voor het verwijderen; 5. Bewonersbrief opstellen en verspreiden; 6. Zorg dragen dat tijdens de uitvoering een aanspreekpunt namens de gemeente aanwezig is op het werk voor eventuele vragen. Onderzoek De ontwikkeling van roetschorsziekte in Nederland en de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek worden nauwlettend gevolgd. Indien wenselijk wordt het beleid hierop aangepast. Vervanging Er wordt niet specifiek ingezet op andere soorten dan esdoorn omdat we tot op heden slechts met één geval te maken hebben gehad.