CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307770 Bijlage

Gemeenteraad 7 oktober 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Brief van wethouder Onderwijs, Sport en Buitenruimte inzake Aanpak overlast stadsmeeuwen (RIS307770)35.911 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

12 alinea's met “milieu”: 9 11 13 46 113 230 231 241 259 261 351 483

Het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers. d. Het aanbieden van stevigere vuilniszakken, met name op locaties waar geen ondergrondse containers aanwezig zijn en wel overlast van meeuwen is te verwachten of reeds is geconstateerd. e. Klachtenregistratie en individuele voorlichting. (Ad a, b) Elke gemeente geeft zijn eigen invulling aan communicatie-maatregelen zoals hierboven beschreven. In Alkmaar wordt bijvoorbeeld extra voorlichting gegeven aan toeristen en scholieren. In de gemeenten Haarlem en Zandvoort is een bewonersinitiatief gestart: het oprichten van een Facebook pagina met berichten en pagina’s over meeuwenoverlast. In Rotterdam worden diverse initiatieven georganiseerd om afval op te ruimen en wordt samengewerkt met containeradoptanten die de directe omgeving van een wijkafvalcontainer in de gaten houden. In de gemeente Katwijk worden ieder jaar campagnes gevoerd tegen meeuwenoverlast door middel van verspreiding van folders en informatie in lokale kranten. Aan het begin van elk broedseizoen wordt een officieel persbericht van de gemeente gegeven om burgers attent te maken op ongeschikt maken van daken voorafgaand aan het broedseizoen. Op de website van de gemeente Katwijk is een folder te vinden met advies over ongeschikt maken van daken. Deze wordt tevens bij klachten uitgedeeld aan de betreffende melders.

Daarnaast zijn er over de afgelopen jaren inloopavonden georganiseerd voor burgers en het bedrijfsleven. De gemeente Den Haag heeft een ‘meeuwenwijzer’ ontwikkeld, met daarin informatie over verschillende soorten meeuwen, toegestane en niet-toegestane maatregelen en wetgeving. (Ad c, d) In de gemeenten zijn vrijwel overal ondergrondse containers geplaatst. Op die enkele locaties waar dit (nog) niet mogelijk is, worden (gratis) stevigere vuilniszakken aangeboden. Deze maatregelen hebben vooral betrekking op het beperken van de beschikbaarheid van voedsel en de daarbij horende overlast. Ze hebben geen aantoonbaar effect op overlast door broedende meeuwen. Binnen de gemeente Katwijk is een voerverbod voor meeuwen van kracht zodat overlast door voeren kan worden beperkt. De handhavende instantie in de gemeente Katwijk is door de ecologen op de hoogte gebracht van de meeuwenoverlast en de (on)mogelijkheden, om zo specifieker te kunnen handhaven. In Katwijk zijn deels ondergrondse containers gerealiseerd, maar nog niet overal. Waar dit nog niet het geval is wordt het vuil aangeboden in gesloten containers en wordt geadviseerd om geen zakken vuil op straat te zetten. (Ad e) In de gemeente Katwijk worden alle klachten van meeuwenoverlast geregistreerd, geanalyseerd en behandeld door ecologen van VanderHelm Milieubeheer.

Wanneer een klacht binnenkomt bij de gemeente wordt de melder gecontacteerd en wordt de klachtlocatie bezocht. Bij het bezoek wordt de melder van de klacht geadviseerd over maatregelen die genomen kunnen worden zonder verbodsbepalingen te overtreden. Daarnaast wordt de melder gehoord en wordt meer achtergrond gegeven over de meeuwen, de wetgeving en waarom meeuwen op daken broeden. Zo wordt getracht te werken aan begrip en acceptatie. In veel gevallen is een bezoek aan en/of gesprek met de bewoner die overlast ervaart voldoende, doordat angst kan worden weggenomen of de overlast kan worden Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 20

verminderd door eenvoudige adviezen. De inhoud van de klacht wordt beoordeeld door de ecoloog en gebruikt ter analyse in de jaarlijkse rapportage. Maatregelen ter voorkoming van meeuwenoverlast worden in de gemeente gestimuleerd en geadviseerd, maar worden niet zelf uitgevoerd door de gemeente (Van der Lans 2013, Loeve 2014a, Loeve & Van der Lans 2016, Loeve 2017, Loeve 2018, Loeve 2019). Ondanks veel van deze algemene maatregelen is er nog steeds sprake van overlast door broedende meeuwen. Broedende meeuwen zijn in staat om binnen een straal van vele tientallen kilometers vanaf hun nest voedsel te halen. Door het geven van individuele voorlichting door een meeuwendeskundig ecoloog, naar aanleiding van een overlastmelding, neemt de overlastervaring in veel gevallen wel af. Dit wordt nog niet in alle gemeenten gedaan. In diverse schrijnende gevallen is voorlichting geven en begrip kweken niet voldoende. 4.4 ALTERNATIEVE BESTRIJDINGSMETHODEN - LITERATUURSTUDIE Meeuwen broeden reeds sinds vroeg in de vorige eeuw op daken (o.a. Soldatini et al. 2008), zowel binnen Europa als daarbuiten. In deze literatuurstudie is de gepubliceerde kennis over de aanpak van dakbroedende meeuwen gebundeld.

Enkele rapportages aangaande grondbroedende meeuwen zijn eveneens meegenomen in dit literatuuronderzoek, daar de toegepaste methoden identiek of vergelijkbaar zijn aan degenen die op daken (kunnen) worden toegepast. Ter onderbouwing van de aanvraag is een literatuurstudie uitgevoerd naar de mogelijke bestrijdingsmethoden voor overlast door broedende meeuwen. Vervolgens is beoordeeld welke methode het meest effectief is. Meeuwen in de stad zorgen voor grote overlast en kunnen zorgen voor een situatie waar hoge kosten (dit betreft schade aan gebouwen door verstoppingen (lekkages), schade aan dakinstallaties (airco’s), schade door ontlasting etc).aan verbonden zijn (Rock 2005, Calladine et al. 2006, Soldatini et al. 2008). In hetzelfde artikel stelt Rock (2005) dat het onvermijdelijk is dat het aantal dakbroeders verder toeneemt voordat oplossingen werken en de overlast afneemt . Hij verwacht een toename in het aantal kolonies in steden en bovendien een toename in omvang van die kolonies. François (2002) deelt dezelfde verwachtingen. Volgens Rock (2005) loopt Engeland wat betreft dakbroedende meeuwen voor op de rest van West-Europa, en lijkt de situatie elders in West-Europa in 2005 een kleinere schaal te betreffen. Inmiddels neemt de overlast in Nederland ook toe.

Veel bronnen beschrijven de (vermoedelijke) link tussen de toename van broedkolonies in urbane gebieden en verstoring in (natuurlijke) kolonies in de omgeving (Raven & Coulson 1997, François 2002, Courtens & Stienen 2004). Daarnaast is er geen bewijs gevonden dat dakkolonies op een natuurlijke wijze weer verlaten worden (Raven & Coulson 1997). Een probleem bij het in kaart brengen van de omvang van het probleem is dat meeuwennesten in steden moeilijk exact te tellen en in kaart te brengen zijn (Raven & Coulson 1997, Calladine et al. 2006, Coulson & Coulson 2015). Burgers geven regelmatig aan ‘de wet in eigen hand te nemen’ en bekennen zelf nesten met eieren van daken te verwijderen indien zij overlast ervaren (Kroc 2018, Loeve 2019, Buijs & Huig in voorbereiding). In Alkmaar zijn zelfs meeuwen doodgeschoten (Smit 2018). Omdat de schaal waarop dit gebeurt niet bekend is, bemoeilijkt dit het schatten van populatiegrootte en het meten van verplaatsingen al dan niet na maatregelen tegen meeuwenoverlast. Ross-Smith et al. (2014) pleiten in hun analyse van populatiedynamica van kleine mantelmeeuwen in het Verenigd Koninkrijk voor verder onderzoek naar zowel de effectiviteit van maatregelen als de (indirecte) gevolgen. Zij stellen dat het verplaatsen van gevestigde broedvogels mogelijk slechts ruimte maakt voor nieuwe vestigingen.

Een overzichtsartikel van Belant (1997) heeft bronnen over meeuwenbestrijding van tussen 1950 tot begin jaren 90 gebundeld. Hij keek naar effectiviteit van maatregelen voor het beheren van meeuwen niet alleen als broedvogel in steden, maar eveneens als bezoeker van bijvoorbeeld vliegvelden. Een deel van de kennis in zijn artikel is gedateerd. In deze literatuurstudie zijn de gebundelde conclusies van Belant (1997) overgenomen. Zijn oorspronkelijke bronnen en verwijzingen daarnaar zijn in zijn artikel terug te vinden. Ook het rapport van Calladine et al. (2006) bespreekt meerdere gepubliceerde en ongepubliceerde bronnen, welke in hun rapport precies kunnen worden teruggevonden. Loeve (2014b) baseert zijn studie naar de effectiviteit van meeuwenwerende maatregelen op zowel geschreven literatuur als interviews. Veel bronnen beschrijven dat meeuwen een hoge mate van plaatstrouw hebben aan hun broedgebied Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 21

(o.a. Calladine et al. 2006, Buijs & Muusse 2007, Camphuysen 2010, Omroep Brabant 2012, Camphuysen 2013) en dat zij slechts op zoek gaan naar een nieuw broedgebied wanneer zij meerdere jaren achtereen geen broedsucces hebben. Zelfs terugverplaatsen door meeuwen naar een broedgebied dat enkele jaren niet beschikbaar was, is door meerdere auteurs waargenomen (Benders et al. 2015, Benders et al. 2017, Loeve 2019). Courtens et al. (2006) beschrijven vestiging van meeuwen in loodsen op plaatsen waar zij in de jaren vóór de bouw van de loods hadden gebroed. Coulson & Coulson (2009) vinden een afname van plaatstrouw in wijken waar ingegrepen wordt. Zij zagen ook meeuwen waarbij geen handelingen aan het nest of nestplaats werden verricht binnen de wijk verplaatsten. Hierdoor neemt het aantal meeuwen in de wijk niet af maar ontstaat wel een soort stoelendans-effect. Dit maakt een structurele oplossing dan wel een structurele inzet van kortdurende oplossing noodzakelijk, waarbij het aanbieden van een alternatieve broedlocatie (gedoogdak in nabijheid) zinvol lijkt.

Niet-ontheffingsplichtige bestrijdingsmethoden Auteurs zijn het er veelal over eens dat niet- ontheffingsplichtige (preventieve) bestrijdingsmethoden om broedende meeuwen te verjagen weinig effect hebben, tenzij zij uitermate gedegen worden uitgevoerd. Raven & Coulson (1997) stellen dat er geen methode is om meeuwen op daken te beheren of verwijderen die naar tevredenheid werkt en dat grootschalig ingrijpen in ieder geval in één stad in het Verenigd Koninkrijk leidde tot een groter aantal broedgevallen 20 jaar later. Calladine et al. (2006) suggereren dat factoren als plaatstrouw en leeftijd het verjagen van meeuwen kan bemoeilijken. Zij stellen echter dat effecten kunnen variëren afhankelijk van de locatie (type dak) en soort. Loeve & Van der Lans (2016a) presenteren een voorbeeld van gekleurringde meeuwen die ondanks meerdere jaren nestbehandeling blijven terugkeren naar hetzelfde dak om te broeden, terwijl in hetzelfde onderzoek ook sprake was van meeuwen die enkele daken verplaatst waren. Daarnaast worden vaak nadelen beschreven, zoals risico’s voor meeuwen, hoge kosten en/of het verschuiven van het probleem wat met name binnen residentiele gebieden weinig bijdraagt aan een oplossing. Hieronder beschrijven we eerst alle in de literatuur besproken vormen van oplossingen per methode, waarin de bevindingen van de auteurs min of meer in hun woorden worden samengevat.

In tabel 1 worden deze bevindingen kort samengevat. Ongeschikt maken van de broedplaats Ongeschikt maken van de gehele broedlocatie Indien het gehele dak (bijvoorbeeld met duurzame netten die professioneel worden aangebracht) écht ongeschikt gemaakt wordt, kan dit broeden voorkomen en klachten doen verdwijnen (Belant 1997, Loeve 2018). Rock (2013, 2018) beaamt dit, echter hij benadrukt dat meeuwen zich op korte afstand verplaatsen en dat goed onderhoud van netten noodzakelijk is omdat meeuwen er anders bovenop kunnen broeden. Echter deze maatregel dient op structurele wijze te worden uitgevoerd. Benders et al. (2013) beschrijven hoe een onjuist geplaatst net leidde tot meeuwen die onder het net kropen. Ook Buijs & Huig (in voorbereiding) kregen hier meldingen van. In de gemeente Den Haag heeft het aantreffen van dode en gewonde dieren in een net in 2019 ook geleid tot het stellen van raadsvragen. De inzet van netten is volgens Rock (2005, 2018) alleen effectief indien correct uitgevoerd, waarbij risico op verstrikte meeuwen zoveel mogelijk moet worden uitgesloten en controle hierop dient te worden uitgevoerd omdat verstrikking tot een nare en trage dood kan leiden. Rock (2013) noemt een voorbeeld van 13 dode meeuwen onder één net. Raven & Coulson (1997) vonden als resultaat van ongeschikt maken met behulp van netten een verplaatsing van meeuwen naar het naastgelegen dak.

In een overzicht van door gemeenten en burgerinitiatieven beproefde methoden, wordt het ongeschikt maken van daken door Calladine et al. (2006) als effectief aangemerkt. Van der Lans (2013) presenteert zowel een succesvol als een onsuccesvol geplaatst net, waarbij het onsuccesvolle een platliggend net betrof. Rock & Vaughan (2013) suggereren dat het terugkeren van relatief lage aantallen geringde meeuwen in stedelijk broedgebied deels verklaard kan worden door maatregelen zoals aangebrachte netten. Mogelijk is de schaal en ligging van de locatie relevant: een groot plat dak dat werd ingepakt met netten werd door meeuwen direct totaal verlaten, waarna de meeuwen zich verplaatsten op grotere afstand en in lagere aantallen terugkeerden in het jaar erna (Coulson & Coulson 2009). Eenzelfde beeld werd gezien bij een pand dat werd gesloopt; enkele meeuwen probeerden het jaar erna nabij de verdwenen locatie op de grond te broeden, maar gaven dit snel op (Coulson & Coulson 2009). Courtens et al. (2006) zien vestiging van meeuwen in een gebied waar gewerkt werd tot in gebouwde loodsen aan toe. Wanneer een dak na verstrijken van enkele jaren weer beschikbaar wordt, kunnen meeuwen terugkeren. Loeve (2019) Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 22

beschrijft een voorbeeld van een door brand getroffen pand dat na enige jaren weer (deels) beschikbaar werd, waarna tenminste enkele broedvogels na een jaar afwezigheid terugkeerden. Van ditzelfde pand verplaatste ten minste één broedvogel zich naar een bestaande kolonie elders in de gemeente (Loeve & Van der Lans 2016b). Enkele andere waren verplaatst naar de nabije omgeving en verhuisden niet terug. Rock (2005) beschrijft het slopen van een gebouw waarop meeuwen broedden als een onvoorspelbare situatie: gekleurringde meeuwen verspreidden zich over zowel korte, middellange als lange afstand voor wat betreft nieuwe broedlocaties. Omroep Brabant (2012) laat zien dat meeuwen in een enkel geval op de puinhopen van verdwenen gebouwen kunnen vestigen. Benders et al. (2014, 2015) beschrijven enkele voorbeelden van verplaatsing over lange afstand na het verdwijnen van broedgebied door ontwikkeling. Het betreft bebouwing van grondkolonies waarbij verplaatsingen van Zeebrugge naar Rotterdam, van Rotterdam naar de Ventjagersplaten en van Botlek naar Sassenplaat plaatsvonden. Het blijkt dat veel bewoners het plaatsen van netten een te dure/ ingewikkelde oplossing vinden om zelf uit te (laten) voeren (Loeve 2019). Ook zijn wooncomplexen vaak in beheer van woningcoöperaties die vinden dat het weren van meeuwen op daken niet tot hun taak hoort.

Camphuysen (2010) vindt een zeer hoge mate van trouw van meeuwen aan hun broedplaats, met als enige uitzonderingen meeuwen waarvan de oorspronkelijke broedplaats verdwenen was. Hij beschrijft met name verplaatsingen over kleine afstand (wisseling van deelkolonie binnen een plaats, maar ook een voorbeeld over grote afstand (Moerdijk naar IJmuiden). Conclusie: Ongeschikt maken van een dak is enkel effectief wanneer dit correct kan worden uitgevoerd, maar heeft vele nadelen en onmogelijkheden zoals onevenredig hoge kosten, risico’s op verstrikte vogels (met meer leed tot gevolg), onmogelijkheden tot uitvoeren in relatie tot constructie van /op het dak of onmogelijkheden bij beheerder van het pand. Ongeschikt maken van de broedplaats – Aanpassen dakbedekking/structuren Wanneer grind van een dak wordt verwijderd, kunnen meeuwen verplaatsen naar grinddaken in de omgeving, maar ze broeden ook op andere daktypen (Loeve 2018). Belant (1997) beschrijft dat op daken broedende meeuwen in Canada voorkeur hebben voor daken die licht van kleur zijn en dat de meeuwen bij voorkeur nestelen tegen structuren zoals bijvoorbeeld schoorstenen. Hij bepleit om hier met de bouw al rekening mee te houden, omdat het later aanpassen van het dak minder effectief is (Belant 1997). Calladine et al. (2006) noemt zowel succesvolle als onsuccesvolle voorbeelden van verandering van daktype.

Van der Lans (2013) vermeldt enkele voorbeelden waar het verwijderen van grind van dakkapellen effectief bleek, als maatregel tegen broedende meeuwen. Echter, meeuwen voeren zelf ook nestmateriaal aan en bovendien vonden Buijs & Huig (2019) ten minste 10% van alle meeuwennesten in Den Haag op daken zonder grind. Loeve (2014b) beschrijft hoe hoge en dichte vegetatie een grondlocatie voor meeuwen onaantrekkelijk kan maken, dit is eveneens het geval op daken. Meeuwen gebruiken daken met lage sedumbeplanting, maar aanwezigheid van hogere planten/bomen maakt het voor de meeuwen te onoverzichtelijk en dus onveilig, waardoor ze dit niet prefereren. Het plaatsen van bakken met dergelijke hogere beplanting is een effectieve manier om broedplaatsen ongeschikt te maken. Conclusie: Het aanpassen van dakbedekking en / of structuren op het dak is als oplossing onvoorspelbaar. Ongeschikt maken van de broedplaats – Draden Het spannen van draden (bijvoorbeeld ijzerdraad, kevlar) in gridvorm boven een broedkolonie Ringsnavelmeeuwen is volgens Belant (1997) behoorlijk effectief, waarbij de meeuwen zich naar een naastgelegen, tot dan toe onbebroed, gebouw verplaatsten. Hiertoe dienen de draden echter wel met maximale afstanden te worden gespannen, welke per soort kunnen verschillen (Belant & Ickes 1996).

Blokpoel & Tessier (1991) stellen eveneens dat het spannen van draden goed kan werken, echter zij geven aan dat de draden goed strak moeten zijn en dat het risico op verstrikking van meeuwen groot is en controle hierop meerdere keren per dag moet plaatsvinden. Volgens Rock (2018) is deze methode weinig effectief, en brengt grote risico’s voor meeuwen met zich mee. Calladine et al. (2006) onderschrijft de stellingen van zowel Belant (1997) als Blokpoel & Tessier (1991). Raven & Coulson (1997) vonden als resultaat van ongeschikt maken met behulp van draden een verplaatsing van meeuwen naar het naastgelegen dak. Een voorbeeld in Van der Lans (2013) betrof een enkel gespannen draad welke wel effectief was. Loeve (2014b) concludeert dat draden (net als netten en pinnen) geen tot nauwelijks effect hebben, tenzij ze op grote schaal en grondig zijn aangebracht, waarbij bovendien jaarlijks onderhoud noodzakelijk is om de effectiviteit te behouden. Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 23

Conclusie: Het spannen van draden is risicovol voor de meeuwen, behoeft veel onderhoud en controles, en is in veel gevallen niet effectief gebleken. Ongeschikt maken van de broedplaats – Lokaal gebruik prikkeldraad/netten om nestplaats ongeschikt te maken Meeuwen gaan dan naast of tegen de geplaatste maatregel zitten (Loeve 2018). In een overzicht van door gemeenten en burgerinitiatieven beproefde methoden, wordt het plaatsen van prikkers rondom nestplaatsen door Calladine et al. (2006) in ten minste één geval als gedeeltelijk effectief aangemerkt. In een voorbeeld van Van der Lans (2013) kwam een meeuw op lokaal aangebracht prikkeldraad tot broeden. Coulson & Coulson (2009) vonden beperkt effect van deze methode en geven voorbeelden van meeuwen die op rond schoorstenen aangebrachte netten zijn gaan broeden. Kan effectief zijn op zeer lokale schaal, maar soms worden nesten er bovenop gebouwd (Rock 2013, 2018). Stoelwinder (2017) stelt aan de hand van niet nader genoemde onderzoeken dat netwering effectief is tegen broedende meeuwen. Stoelwinder (2020) stelt dat netten effectief kunnen zijn, echter een gevaar vormen voor meeuwen als ze niet goed worden geplaatst. Canisius (2018) vindt bij een kleinschalige enquête dat alle 7 respondenten bij wie (een niet nader toegelichte vorm van) nestwering is aangebracht (enig) positief effect ervaart.

Conclusie: Het lokaal gebruik van prikkeldraad/netten om nestplaats ongeschikt te maken is in veel gevallen niet effectief gebleken Verstoring Inzet van vogelverschrikkers en geluid Dagelijkse verstoring door bewoners (bijvoorbeeld door middel van het dagelijks betreden van het dak, het realiseren van een dakterras of met een bal, bezem, vuurwerk etc.) is met name in de vestigingsperiode effectief en lijkt er voor te zorgen dat meeuwen zich over korte afstand verplaatsen (Loeve 2018). Wanneer meeuwen reeds een nest hebben, werkt verstoring niet. Hoewel verplaatsing positief mag klinken, is dit in de bebouwde kom vaak een verplaatsing van het probleem. Vuurwerk wordt nogal eens door burgers zelf ingezet, dit is niet effectief (Loeve 2018) en bovendien niet wettelijk toegestaan. Blokpoel & Tessier (1991) beschrijven een hoge effectiviteit van verjaging, indien de frequentie hoog ligt en er gevarieerd wordt. Zij stellen dat vroeg in het seizoen beginnen nodig is en dat lang gevestigde meeuwen zich minder makkelijk zullen laten verjagen. Zij melden bovendien dat zodra er een jaar niet verjaagd wordt, meeuwen zich opnieuw zullen vestigen. Veelgebruikte vormen zijn roofvogelvliegers en plastic uilen. Meeuwen wennen hier snel aan, waardoor deze maatregelen niet effectief zijn (Loeve 2014a, Loeve 2014b, Loeve & Van der Lans 2016a, Loeve 2018, Maelfait & Belpaeme 2005, Benders et al.

2016, Kroc 2018, Rock 2013, Rock 2018, Lensink & Van Horssen 2009). Vlaggen zijn evenmin effectief in broedkolonies (Belant 1997). Cook et al. (2008) stellen in een studie waarbij zij effect van maatregelen ter verjaging van meeuwen op vuilstorten onderzochten, dat visuele middelen geen effect hebben, en geluidssignalen alleen op korte termijn. Ook Rock (2005) stelt dat plastic uilen, ballonnen en geluid na een korte gewenning door meeuwen worden genegeerd. Loeve (2014b) stelt vast dat geluidsverstoring (inclusief het gebruik van gaskanonnen) enkel effect heeft wanneer er veelvuldig gevarieerd wordt en bovendien niet werkt bij meeuwen die reeds binding hebben met een broedplaats. Ook Calladine et al. (2006) onderschrijft dat inzet van plastic uilen geen effect heeft en dat bij inzet van geluid gewenning optreedt. Bovendien stellen Calladine et al. (2006) en Rock (2013) dat bij inzet van geluid mogelijk nog meer overlast ontstaat. Raven & Coulson (1997) noemen bij geluidsverstoring eveneens gewenning, maar ook verplaatsing van meeuwen. Van der Lans (2013) beschrijft enkele succesvolle en eveneens onsuccesvolle voorbeelden van inzet van schriklinten, maar geeft aan dat plastic uilen geen succesvolle methode zijn.

Wel vermeldt Van der Lans (2013) een voorbeeld van afname van het aantal nesten op een dak door inzet van geluidsverstoring, waarbij echter een jaar later aangegeven wordt dat het aantal nesten een jaar later toeneemt en dus het succes afneemt (Loeve 2014a). Stoelwinder (2020) concludeert dat inzet van geluidsverstoring geen effect heeft op broedende meeuwen. Conclusie: De inzet van vogelverschrikkers en geluid, om nestplaatsen ongeschikt te maken, werkt vaak kortdurend en alleen bij voldoende variatie, er treedt snel gewenning op en is derhalve niet effectief.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 24

Verjagen met behulp van lasers Meeuwen laten zich beschijnen en broeden nabij de laseropstelling (Loeve & Van der Lans 2016a, Loeve 2018). Benders et al. (2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018) vinden dat inzet van laser in de schemer en nacht afdoende effect heeft en er weinig gewenning optreedt. Hierbij wordt geen indicatie gegeven van de omvang van de ‘druk’ door meeuwen in die uren, maar in Benders et al. (2013) is beschreven dat meeuwen bij verstoring door middel van broedvrijhouden overdag, ’s nachts alsnog tot nestbouw en eileg overgaan. Loeve (2014b) stelt dat inzet van laser vermoedelijk slechts onder beperkte omstandigheden effect heeft, waarbij situaties met veel omgevingslicht de effectiviteit zouden beperken. Het verjagen met behulp van lazers om nestplaatsen ongeschikt te maken heeft in stedelijk gebied geen effect.

Afbeelding 10: Niet effectieve bestrijdingsmethoden in Katwijk: plastic oehoe, Agrilaser, roofvogelvlieger en penwering

Aanbieden en/of optimaliseren alternatieve broedlocatie op daken Het aanbieden van een alternatieve broedlocatie op daken (daar waar meeuwen geen overlast veroorzaken) kan een aantrekkende werking op meeuwen hebben indien goed uitgevoerd (Loeve 2018). Deze methode kan daarom effectief werken en zal tenminste de gevolgen van verdere toename van overlast kunnen verminderen. Dit is echter een langdurige en onvoorspelbare maatregel wanneer die niet in combinatie met andere methoden wordt toegepast. Het speciaal inrichten van broedgebieden op de grond is bij een proef in de Rotterdamse haven niet succesvol geweest. In 2011 en 2012 is hier een terrein speciaal ingericht voor meeuwen door graven van poelen (water), reliëf (zandruggen), schuilmogelijkheden (Pallets) en het plaatsen van kunststof meeuwen (staand en in broedhouding) alsmede het afspelen van koloniegeluiden en het periodiek voeren nabij deze locatie. Deze handelingen hebben niet voor kolonisatie gezorgd (bron: eigen waarneming R.J. Buijs). Pas jaren later in 2018 (toen de proefopstelling al was weggehaald) zijn hier meeuwen gaan broeden, deze verplaatsing is ingegeven door het bouwen van een loods ter plaatse van een nabijgelegen kolonie (bron: eigen waarneming R.J. Buijs).

Deze situatie is vergelijkbaar met andere ruimtelijke ingrepen in de Rotterdamse haven waarbij bij ruimtelijke ingrepen een deel van de meeuwen zich hervestigde op omringende terreinen nabij de kolonie (Benders et al. 2013, Benders et al. 2017). Ickes et al. (1998) schrijven het al dan niet bereikte succes van ei- en nestverwijdering toe aan de aanwezigheid van alternatieve broedlocaties. Coulson & Coulson (2009) en Loeve (2019) vinden bij dakbroedende meeuwen verplaatsing op korte afstand en géén afname van het aantal nesten in een woonwijk Wel vindt Loeve (2019) toename van klachten elders in dezelfde straat. Dit pleit eveneens voor het aanbieden van een alternatieve broedlocatie, op daken in de nabijheid waar geen overlast wordt veroorzaakt. Calladine et al. (2006) suggereren dat een alternatieve broedlocatie die aan de eisen Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 25

voldoet in combinatie met nestbeheer op ongewenste locaties succesvol kan zijn. Bij nieuwbouw of restauratiewerkzaamheden kunnen daken speciaal worden ingericht om als geschikt broedgebied te worden aangewezen (Courtens et al. 2004). Ook Seys (2004) noemt dit een zinvolle methode om de overlast te beperken. Door een opstaande dakrand kan voorkomen worden dat pullen op de grond terecht komen, daar dit vaak overlast met zich mee brengt. Daarnaast kan door isolatie bij nieuwbouw geluidsoverlast worden beperkt. Bij alternatieve broedlocaties dient te worden gedacht aan daken op locaties waar geen tot nauwelijks overlast ontstaat, zoals buiten woonkernen. Een uitermate succesvol voorbeeld van verplaatsing van meeuwen op korte afstand (circa 600 m) van bestaande kolonies naar een nieuwe kolonie binnen Nederland is de Sassenplaat, waar in 2008 voor het eerst een paartje zilvermeeuwen tot broeden kwam en vervolgens in 2009 een toename ontstond nadat het broedgebied binnen de havengebieden van Moerdijk onbeschikbaar werd (Strucker et al. 2010). In 2017 werden op de nieuwe locatie al ruim 2.000 broedparen kleine mantelmeeuw geteld (Arts et al. 2018). Aan de hand van kleurringen konden zeker 233 verplaatste broedvogels worden vastgesteld in deze nieuwe kolonie vanuit alleen al de kolonies van Moerdijk (verstoord door uitgifte van terreinen en vos).

Hier broeden de meeuwen niet op daken, maar dit geeft wel aan dat de meeuwen, die verstoord worden vanuit een bestaande kolonie op de grond, verplaatsen naar een vergelijkbaar gebied in de nabijheid van het eerdere broedgebied. Een vergelijkbaar succes is de kolonisatie van het Papegaaienbekeiland in de Rotterdamse Haven wat in 2011 beschikbaar kwam als broedgebied voor meeuwen en in 2012 ruim 400 paar broeden (Benders 2012) en in 2013 meer dan 1.000 paar, grotendeels door aanwas van nabijgelegen terrein (Kop van de Beer) op de Europoort dat broedvrij werd gehouden. Dit eiland is binnen 1 km van deze kolonie. Benders et al. (2014) gaan in op de toename van het aantal broedende meeuwen op de Ventjagersplaten na het verdwijnen van stukken broedgebied in zowel de havens van Moerdijk als Rotterdam. Hier zijn in ieder geval enkele verplaatste broedvogels waargenomen. Ook op de Sassenplaat (Benders et al. 2015), in Utrecht (Benders et al. 2013), Amerongen (Benders et al. 2013, Benders et al. 2017) en Den Haag (Benders et al. 2018) zijn verplaatste meeuwen met een broedhistorie in de haven van Rotterdam vastgesteld, na bestrijding van meeuwen aldaar. In al deze gevallen vestigden de verplaatste meeuwen zich bij andere broedende meeuwen. Al in 1990 beschreven Blokpoel et al.

dat meeuwen bij voorkeur nestelen nabij andere meeuwen, een feit dat overwogen dient te worden bij het toepassen van deze maatregel. Courtens et al. (2006) zien vestiging van meeuwen op daken in de omgeving van verdwenen en (door nestverwijdering) verstoord broedgebied als kans voor alternatieve broedlocaties. Ook de Vogelwerkgroep Alkmaar pleit voor een zogenaamde gedoogzone waar meeuwen rustig kunnen broeden (Smit 2018). Conclusie: Het optimaliseren en gedogen/beschermen van duurzame broeddaken met buffercapaciteit (daar waar nog plek is voor extra meeuwen) waar al gebroed wordt door meeuwen is het meest succesvol om meeuwen te sturen naar gewenste locaties. Dit kan bijvoorbeeld gezocht worden op kantoor/ industrie terreinen, die vaak rondom woonkernen gelegen zijn en waar vaak reeds (platte) daken met broedende meeuwen aanwezig zijn. Bij nieuwbouw of renovatie van gebouwen nabij een dergelijke locatie is het zinvol om deze daken meeuwvriendelijk in te richten (grind/sedum en aanbieden schuilmogelijkheden). Het inrichten van daken op grotere afstand van broedende meeuwen is hoogst waarschijnlijk niet zo effectief als het gedogen/beschermen van daken met buffercapaciteit en optimaliseren van daken rond dergelijke meeuwendaken.

Ontheffingsplichtige bestrijdingsmethoden Lethale methoden Bij het maken van deze literatuurstudie zijn alternatieven waarbij volwassen meeuwen worden gedood (zoals afschot of vergiftiging) niet meegenomen, omdat niet in kaart wordt gebracht of er een niet-invasief alternatief bestaat voor het bestrijden van broeden op daken door meeuwen. Auteurs die wel zulke lethale alternatieve bespreken (oa. Rock 2005 & 2018, Calladine et al. 2006, Seys 2004), noemen voornamelijk nadelen als discutabel, sociaal onwenselijk, verboden binnen de wet, veiligheidsrisico’s en onwelwillendheid betrokken gemeenten. Ingrijpen op nesten en/of eieren Bij het prikken van eieren kan het voorkomen dat meeuwen de eieren afwijzen en een vervolglegsel beginnen (Calladine et al. 2006, Rock 2013). Het rapen van eieren heeft (zeker vroeg in het seizoen) een Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 26

vervolglegsel als gevolg. Dit vervolglegsel is meestal in de buurt van het oude nest (Loeve & Van der Lans 2016a, Loeve & Van der Lans 2016b, Loeve 2018) wat in de bebouwde kom een verplaatsing van het probleem inhoudt. Meeuwen keren het jaar erna bovendien terug naar de oude nestplaats (Loeve 2018). Belant (1997) benadrukt eveneens dat meerdere rapingen per jaar, gedurende meerdere jaren, nodig zijn om effect te hebben. Ickes et al. (1998) vonden dat het rapen van eieren van de Amerikaanse zilvermeeuw binnen enkele jaren het aantal nesten verminderde, maar dat de kolonie niet verdween. Het rapen van eieren inclusief nest leverde op één dak binnen een jaar het verdwijnen van een hele kolonie op, terwijl op een ander dak slechts een reductie van 20% plaatsvond. Blokpoel & Tessier (1991) zien eieren rapen als een effectieve methode, echter zodra er mee gestopt wordt gaan meeuwen weer broeden. Daarentegen noemen Raven & Coulson (1997) het verwijderen van nesten niet succesvol en het prikken van eieren evenmin. In een overzicht van door gemeenten en burgerinitiatieven beproefde methoden, wordt het verwijderen van eieren en nesten van daken door Calladine et al. (2006) als effectief aangemerkt. Rock (2013) stelt dat het verwijderen van nestmateriaal alleen effect heeft als het consequent wordt bijgehouden en alle uithoeken van het dak bereikt kunnen worden.

Van der Lans (2013) en Loeve (2014a) noemen het rapen van eieren effectief, echter vermelden wel vervolglegsels in de buurt van de oorspronkelijke nesten. In Loeve (2014b) wordt gesteld dat het verwijderen van nesten alleen effectief is als het gedurende het gehele broedseizoen herhaald wordt en als er een alternatieve broedlocatie voor meeuwen beschikbaar is (gesteld). Coulson & Coulson (2009) beschrijven dat het verwijderen van nesten op kleine schaal (bijvoorbeeld van een schoorsteen) verplaatsing op korte afstand veroorzaakt en géén afname van het aantal nesten in een woonwijk. Dit beeld past bij de bevindingen van Loeve (2019) die in 2018 in totaal 93 nieuwe klachtadressen bezocht, waarvan er bij 73 elders in dezelfde straat in voorgaande jaren klachten waren geweest en nesten waren behandeld met maïsolie. Coulson & Coulson (2009) stellen bovendien dat een broedlocatie waar gestopt is met nesten verwijderen snel weer een toename van het aantal nesten ziet. Rock (2013, 2018) betoogt dat meeuwen door het verwijderen van nesten juist langer op de broedlocatie aanwezig blijven vanwege nest-herbouw en vervolglegsels. Seys (2004) stelt dat het schudden van eieren alleen effect heeft als het aan het begin van de vestiging gebeurt, bij een eenmaal gevestigde kolonie zal het weinig effect hebben. Courtens et al.

(2006) zien vestiging van meeuwen in een gebied waar gewerkt werd, ondanks dat nesten herhaaldelijk waren verwijderd. Conclusie: Het rapen/prikken van eieren en verwijderen van nesten, heeft veelal vervolglegsels of (het daaropvolgende jaar) terugkerende meeuwen tot gevolg. Behandelen van nesten met (maïs)olie Het behandelen van eieren met olie (maïsolie wordt veelgebruikt, net als zonnebloemolie) voorkomt niet dat er gebroed wordt. Broedende meeuwen blijven aanwezig, maar veroorzaken relatief weinig overlast doordat er geen pullen komen. Door de olie komt er geen zuurstof meer in het ei waardoor het embryo niet ontwikkelt en het ei niet uitkomt. Meeuwen komen het jaar erna in sommige gevallen wel terug, blijkt uit meerjarige studie (Loeve & Van der Lans 2016a, Loeve & Van der Lans 2016b, Loeve 2018). Hiertegenover staat dat ei-behandeling weinig effect heeft op geschikte daken zonder verstoring. Deze combinatie maakt dat meeuwen blijven broeden (Loeve & Van der Lans 2016b , Loeve 2018). Belant (1997) stelt dat het oliën van meeuweneieren effectief is binnen het betreffende broedseizoen, maar dat dit gedurende meerdere opeenvolgende jaren herhaald moet worden om de kolonie te verkleinen. Hij citeert bronnen die elf jaar nodig hadden om een kolonie zilvermeeuwen te verkleinen.

Daarentegen was er een kolonie ringsnavelmeeuwen die zich twee kilometer van de oorspronkelijke broedplaats vestigde. Dit betreft een soort die in Europa niet voorkomt, maar in Noord-Amerika vergelijkbare overlast (als de kleine mantel- en zilvermeeuw hier) veroorzaakt. Volgens Blokpoel & Tessier (1991) is deze methode effectief, maar moeten de ingesmeerde eieren tijdig verwijderd worden om schade aan broedvogels te voorkomen. Eieren dienen na uiterlijk vier weken te worden verwijderd, omdat meeuwen bij langer broeden te veel energie investeren en kunnen sterven. Rock (2005) beschrijft een lokale afname van klachten over meeuwen, omdat de incubatieperiode rustig verloopt en de fase met de meeste overlast (pullen) wordt voorkomen. Als keerzijde noemt Rock (2005, 2018) dat het jaar in jaar uit dient te worden uitgevoerd, wat prijzig is. Ander nadeel is een verdere verspreiding en verschuiving van het probleem (Rock 2005). In een overzicht van door gemeenten en Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 27

burgerinitiatieven beproefde methoden, wordt dompelen in olie door Calladine et al. (2006) als effectief aangemerkt. Loeve (2014b) onderschrijft dat deze methode door gebruikers als succesvol wordt ervaren. Van der Lans (2013) beschrijft hoe de adulte meeuwen aanwezig blijven bij deze behandeling, maar de overlast afneemt. Loeve (2014a) beschrijft aan de hand van kleurringonderzoek dat veel meeuwen niet terugkeerden op een locatie waar het jaar ervoor eieren met olie zijn behandeld. Lensink & Van Horssen (2009) spreken van afname van het aantal nesten na behandeling van eieren met maïsolie bij enkele bedrijven in het havengebied van Rotterdam. Stoelwinder (2017, 2020) noemt nestbehandeling effectief, echter geeft aan dat meeuwen zich over kleine afstand verplaatsen. In Benders et al. (2015) wordt een voorbeeld gegeven van verplaatsing over korte afstand na nestbehandeling met maïsolie binnen diezelfde grondkolonie van Rotterdam. Dit betreft een meeuw die terugverplaatst naar een deelkolonie waar die eerder succesvol had gebroed, maar welke tijdelijk door andere maatregelen niet beschikbaar was. Hieruit blijkt dat meeuwen die eenmaal succesvol hebben gebroed een binding houden met zo’n broedlocatie en zelfs enige jaren na vertrek kunnen terugkeren. Benders et al.

(2018) geeft tevens voorbeelden van verplaatsing op korte afstand (tussen de deelkolonies in Rotterdam) waarbij locaties waar nesten werden behandeld werden verlaten. Daarnaast wordt een verplaatsing naar Den Haag beschreven. Details over deze verplaatsing zijn tevens in een memo (Buijs Eco Consult B.V. 2019) aan de gemeente Den Haag verstrekt. Rock & Vaughan (2013) suggereren dat het oliën van eieren een reden is voor meeuwen om zich te verplaatsen, waarbij zij zich baseren op relatief lage aantallen van terugkeren door geringde meeuwen in stedelijk broedgebied. Courtens et al. (2006) zien het oliën van eieren als effectief, echter wijzen op de hoge kosten en verplaatsing over korte afstand. Canisius (2018) vindt in een kleinschalige enquête in de gemeente Haarlem bij 30% van de respondenten veel en bij 50% een beetje effect van eibehandeling op overlastervaring. Smit (2018) stelt juist dat eibehandeling in Alkmaar geen tot nauwelijks effect heeft, maar lijkt hier te doelen op de aantallen meeuwennesten en niet op de mate waarin overlast ervaren wordt. Conclusie: Door het insmeren van de eieren met olie vermindert de door burgers ervaren overlast. Wanneer goed uitgevoerd en wanneer eieren tijdig verwijderd worden is dit een diervriendelijke methode. Na het insmeren van de eieren verplaatsen de meeuwen zich vaak over korte afstand naar een andere geschikte broedlocatie.

Anticonceptie Calladine et al. (2006) stelt aan de hand van bronnen dat anticonceptie geen effect zal hebben en enkel risico’s voor met name meeuwen meebrengt. Verstoring Verjagen met behulp van roofvogels Meeuwen schrikken van ingezette roofvogels, maar door gewenning neemt het effect snel af. Tijdens het broeden kan de rol omdraaien en gaan meeuwen de roofvogel verjagen, wat juist toename van geluidsoverlast geeft (Loeve 2018). Volgens Rock (2005, 2013) zal een roofvogel hooguit een enkel paar meeuwen verjagen, maar zal het op grote schaal eerder resulteren in het verjagen van de roofvogel door met name kleine mantelmeeuw. Calladine et al. (2006) beschrijven verklaringen van derden waarin wordt gesteld dat inzet van roofvogels effectief kan zijn, maar sterk afhangt van het type roofvogel dat wordt gebruikt en bovendien verder onderzocht dient te worden. Van der Lans (2013) en Loeve (2014a) constateren geen succes en juist eerder toename van overlast in de omgeving van de door de valkenier bezochte locaties. Navraag bij diverse Nederlandse gemeenten leerde Maelfait & Belpaeme (2005) dat inzet van roofvogels slechts werkzaam was ten tijde van de aanwezige valkenier. Benders et al. (2013) noemt inzet van een roofvogel op stok wisselend succesvol en afhankelijk van het soort terrein. Benders et al.

(2016) beschrijft succesvolle inzet van een roofvogel op stok in combinatie met laser op een kleinschalig terrein in een oude grondkolonie, waarbij het terrein op beperkte schaal ook door mensen met hond is bezocht. Conclusie: In stedelijk gebied zal verjagen met behulp van roofvogels niet tot het verminderen van de overlast zorgen en in sommige gevallen de overlast juist verergeren, hiermee is dit geen effectieve methode. Belopen daken Indien daken ten minste dagelijks belopen worden gedurende het begin van de broedperiode, waarbij Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 28

beginnend nestmateriaal wordt verwijderd, kan broeden mogelijk worden voorkomen. Dit is zeer arbeidsintensief en er moet rekening worden gehouden met veiligheid (Loeve & Van der Lans 2016a, Loeve & Van der Lans 2016b, Loeve 2018). Calladine et al. (2006) beschrijven eveneens dat door dagelijks zeer intensieve aanwezigheid van mensen in de kolonie, het aantal nesten sterk kan worden teruggedrongen. Van der Lans (2013) en Loeve (2014a) beschrijven het succesvol belopen op enkele daken, waarbij eveneens beginnend nestmateriaal is verwijderd. Het belopen van broedgebieden wordt in grondkolonies ingezet onder de naam broedvrijhouden. Benders et al. (2014, 2015, 2017, 2018) beschrijft hoe op meerdere terreinen die werden belopen door mensen met honden en/of roofvogels (op stok, niet vliegend) broeden werd voorkomen. Echter, zodra deze methode werd gestopt, werd na enkele dagen een nest met ei van kleine mantelmeeuw aangetroffen (2015). Loeve (2014b) benadrukt dat deze methode alleen effectief is wanneer deze vorm van broedvrijhouden van zonsopkomst tot zonsondergang wordt ingezet. Bovendien beschrijft Benders et al. (2015, 2017) dat enkele meeuwen zich na het stoppen van broedvrijhouden terug vestigden op de oude broedlocatie, nadat zij tussendoor onsuccesvol elders hadden gebroed of niet zijn waargenomen.

Verplaatsingen van broedvogels vinden meestal plaats over korte afstand en naar gebieden waar al meeuwen broeden (Benders et al. 2014, Benders et al. 2016). Maar liefst 95% van de verplaatste broedvogels wordt echter binnen 10 kilometer van de oorspronkelijke (verstoorde) kolonie teruggevonden (Benders et al. 2017). Soms vinden verplaatsingen over grotere afstand plaats. Benders et al. (2013) vermelden verplaatste broedvogels vanuit een Rotterdamse deelkolonie waar broedvrij werd gehouden in Katwijk, Amerongen en Utrecht. In Benders et al. (2017) blijkt dat de verplaatste meeuwen in Amerongen daar nog steeds succesvol broeden. In Benders et al. (2018) wordt eveneens succes aan de methode broedvrijhouden toegekend. Enkele waargenomen pullen (meeuw, scholekster) werden toegeschreven aan broedsucces op omliggende terreinen. In Benders et al. (2018) worden verplaatsingen van voormalige broedvogels uit broedvrij gehouden terreinen naar Den Haag beschreven. Details over deze verplaatsingen zijn tevens in een memo aan de gemeente Den Haag verstrekt. Conclusie: Het broedvrij houden middels het van zonsopkomst tot zonsondergang belopen van daken is zeer arbeidsintensief en zodra hiermee gestopt wordt, komen meeuwen snel tot broeden. Bijlage 8 geeft een overzicht van de effectiviteit van alle beschreven methoden.

Conclusie: Er is veel onderzoek gedaan naar bestrijdingsmethoden met betrekking tot broedende meeuwen. De meeste methoden werden niet effectief bevonden. Enkele niet-ontheffingsplichtige, preventieve maatregelen worden door sommige bronnen effectief bevonden. Hieraan kleven echter nadelen die deze maatregelen ongeschikt maken. Zo zijn deze maatregelen arbeidsintensief, duur en/of in stedelijk gebied niet haalbaar (zoals het permanent belopen van een broedlocatie). Het is niet reëel dit van burgers te verlangen. Wel effectief is de niet-ontheffingsplichtige methode van aanbieden van een alternatieve broedplaats in de vorm van gedoogdaken in combinatie met het ontheffingsplichte (maïs)oliën van eieren. (Maïs)oliën heeft de voorkeur boven het verwijderen van nesten en/of (het prikken van) eieren, omdat meeuwen bij die laatste methoden tot vervolglegsels komen en het broedseizoen kunstmatig verlengd wordt. Dit is nadelig voor mensen (langer aanhoudende overlast) en meeuwen (verspilling energie). Het aanbieden van alternatieve broedlocatie in de vorm van gedoogdaken aan meeuwen moet een onderdeel zijn van de oplossing, om overlast duurzaam weg te nemen, de gunstige staat van instandhouding te waarborgen en verplaatsing van overlast te voorkomen.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 29

4.5 CONCLUSIES TEN AANZIEN VAN ALTERNATIEVENAFWEGING Geen enkele ontheffingplichtvrije behandeling biedt een bevredigende (volledig effectieve) oplossing voor het bestrijden van de meeuwenoverlast. Door het geven van individuele voorlichting door een meeuwendeskundig ecoloog naar aanleiding van een overlastmelding neemt de overlastervaring in veel gevallen wel af. Echter, in enkele schrijnende gevallen blijkt ook dit niet voldoende. Er moet dus verder worden gezocht, om in geval van overlast met gevolgen voor de volksgezondheid, deze essentiële overlast te kunnen beheersen. Het aanbieden van een alternatieve broedlocatie in de vorm van gedoogdaken aan meeuwen is wel effectief bevonden in combinatie met het wegnemen van broedsucces. Dit is een combinatie van een niet-ontheffingsplichtige en een ontheffingsplichtige maatregel. Hiermee kan worden voorkomen dat een soort ‘stoelendans’ ontstaat van meeuwennesten en daaraan gerelateerde overlast, wanneer zij na het wegnemen van hun broedsucces verplaatsen naar een volgend dak waar zij als overlast worden ervaren.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 30

5. BEOORDELING GUNSTIGE STAAT VAN INSTANDHOUDING In onderhavig hoofdstuk wordt een beoordeling gemaakt van de gunstige staat van instandhouding. Op basis van de literatuur baseren we ons hierbij op bekende tellingen. Opgemerkt wordt dat de cijfers van Sovon zich baseren op tellingen van met name grondbroedende populaties en mogelijk enkele dakbroedende meeuwen. Een afdoende zicht op de grootte van in steden broedende populaties is momenteel niet voorhanden. 5.1 CONTEXT: SAMENHANG TUSSEN KOLONIES Onderzoek heeft aangetoond dat er samenhang bestaat tussen verschillende meeuwenkolonies (Rock 2005, Coulson & Coulson 2009, Stienen et al. 2002, Camphuysen 2010, Van der Lans 2013, Ross et al. 2014, Benders et al. 2015, Benders et al. 2018, Buijs & Huig 2019). Deze samenhang is er zowel tussen verschillende dakkolonies onderling (Rock 2005) als tussen grond- en dakkolonies (Raven & Coulson 1997, Van der Lans 2013, Benders et al. 2018, Buijs & Huig 2019). Bij het verdwijnen van geschikt broedgebied verplaatsen meeuwen zich tot over landsgrenzen (Stienen et al. 2002, Ross et al. 2014). Camphuysen et al. (2010) tonen aan dat de toename van meeuwennesten in steden volgt op de afname van het aantal nesten in natuurgebieden en meer traditionele grondkolonies.

Een kolonie dakbroedende meeuwen binnen één gemeente kan niet los worden gezien van dak- en grondkolonies in omliggende gemeenten (Moerland 2018) en/of landen. Kleurringenonderzoek in WestNederland toont aan dat onderlinge uitwisseling voorkomt tussen verschillende kolonies (Camphuysen 2010, Van der Lans 2013, Benders et al. 2015, Benders et al. 2018, Buijs & Huig 2019). Verplaatsing uit noordelijker en zuidelijker gelegen kolonies werd vastgesteld (Van der Lans 2013).Het betreft naast geboortedispersie (waarbij meeuwen in een andere kolonie gaan broeden dan die waarin zij geboren zijn) ook broeddispersie (Buijs & Huig 2019, Buijs & Huig in voorbereiding). Dit wil zeggen dat meeuwen een locatie waar zij gebroed hebben verlaten en elders gaan broeden (meestal veroorzaakt door verstoring). Conclusie: Er is een duidelijke samenhang tussen verschillende populaties waarbij onderlinge uitwisseling plaatsvindt. Populaties kunnen niet geïsoleerd van elkaar worden gezien. 5.2 LANDELIJKE STAAT VAN INSTANDHOUDING OP BASIS VAN LITERATUUR Zilvermeeuw De broedpopulatie van zilvermeeuw in Nederland bestaat uit 32.000-35.000 broedparen (tellingen Sovon 2018).De broedpopulatie is sinds 1990 met meer dan 50% afgenomen. Deze afname vindt in verschillende regio’s in Nederland op dezelfde schaal plaats.

In Zuidwest-Nederland werden in 2018 14.185 (voornamelijk grondbroedende) broedparen zilvermeeuw geteld (Arts et al. 2019). Dit is een afname van 50% ten opzichte van eind jaren negentig. Hierbij dient te worden opgemerkt dat daarvan 20% in de havengebieden van Rotterdam gevestigd is (Arts et al. 2019), waar verstoring door uitgifte van haventerreinen in toenemende mate aanwezig is. In de Waddenzee regio neemt het aantal broedpaar zilvermeeuw sinds 1990 jaarlijks met gemiddeld 3% af (Koffijberg et al. 2018). In 2017 lag het aantal daar onder de helft van 1990 (Koffijberg et al. 2018). In het binnenland neemt het aantal broedende zilvermeeuwen af (Nagtegaal & Van Bruggen 2018). De landelijke Staat van Instandhouding wordt beoordeeld als matig ongunstig (sovon.nl). Kleine mantelmeeuw Voor kleine mantelmeeuw is in 2018 door Sovon 80.000-85.000 broedpaar geteld. Na een sterke toename in de jaren negentig van de vorige eeuw is het aantal sinds de eeuwwisseling gaan stabiliseren. Sinds 2010 neemt het aantal significant af. De landelijke Staat van Instandhouding wordt nog wel beoordeeld als gunstig (sovon.nl). Voor kleine mantelmeeuw zijn de populatietrends regionaal verschillend. In Zuidwest-Nederland is het aantal (voornamelijk grondbroedende) broedparen kleine mantelmeeuw redelijk stabiel sinds 2000 en bedroeg in 2018 42.068 (Arts et al. 2019).

In 2019 werden hier 10% minder nesten van kleine mantelmeeuw geteld (Lilipaly et al. 2020). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de twee grootste kolonies gelegen zijn in de havengebieden van Rotterdam (ruim 60%) en Vlissingen (ruim 10%) (Arts et al. 2019). Beide kolonies hebben te maken met verstoring door uitgifte van terreinen, waardoor dieren gedwongen een andere locatie moeten zoeken om te broeden, mogelijk in stedelijk gebied. De populatie van de Europoort kelderde tussen 2018 en 2019 met maar liefst 34% (Lilipaly et al. 2020). Voor Noordwest-Nederland neemt Camphuysen (2010) sinds 2005 een afname waar in het aantal broedgevallen van kleine mantelmeeuwen, na een aanvankelijk snelle toename in de Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 31

jaren negentig van de vorige eeuw. In het binnenland neemt het aantal broedende kleine mantelmeeuwen toe en worden nog nieuwe kolonies gevonden (Nagtegaal & Van Bruggen 2018). Niet uitgesloten, maar ook niet aangetoond, is dat er een significante verhuizing van kleine mantelmeeuw richting stedelijk gebied heeft plaatsgevonden en deze dieren bij Sovon uit beeld zijn geraakt. Alleen in Den Haag zijn in 2017 al ruim 800 paar vastgesteld wat neerkomt op ca 1 % van de landelijke populatie en ca 2% van Zuid-Nederlandse populatie. Conclusie: De landelijke staat van instandhouding is voor zilvermeeuw matig ongunstig en voor kleine mantelmeeuw gunstig. 5.3 LOKALE STAAT VAN INSTANDHOUDING OP BASIS VAN LITERATUUR Beschikbare informatie geeft geen aanleiding om op lokale schaal andere conclusies te trekken dan op landelijke schaal. Van diverse gemeenten ontbreekt elke informatie over populatiegrootte en ontwikkeling (Haarlem, Zandvoort), is deze niet volledig dekkend (Rotterdam) of betreft het een eenmalige telling waardoor populatieontwikkeling niet kan worden vastgesteld (Leiden). Zilvermeeuw In Alkmaar is na een aanvankelijke toename het aantal zilvermeeuwnesten tussen 2009 en 2018 sterk gedaald van 353 naar 111 (telling Vogelwerkgroep Alkmaar) (Smit 2018). In Katwijk is het aantal nesten van zilvermeeuw van 191 in 2012 licht toegenomen tot 204 in 2018 (Loeve 2019).

Het aantal nesten van zilvermeeuw in Den Haag nam tussen 2010 en 2017 toe van 358 naar 496 (Lensink et al. 2010, Buijs & Huig 2019). In totaal neemt het aantal zilvermeeuwnesten op daken in kustzone van Noord- en ZuidHolland hiermee af. Van Leiden is het aantal nesten slechts in één jaar geteld, echter het aantal in de stad aanwezig getelde zilvermeeuwen is tussen 2004 en 2018 gehalveerd (Moerland 2018). Mogelijk is dit een indicatie van een afname van broedgevallen. De grootste grondkolonie in de kustzone van Noorden Zuid-Holland is die in het Rotterdams havengebied. Hier nam het aantal zilvermeeuwnesten tussen 2010 en 2017 af met 1000 (25%) nesten (Strucker et al. 2013, Arts et al. 2018) en ten opzichte van 1999 zelfs met 50% (Lilipaly et al. 2020). Op lokale (kustzone van Noord- en Zuid-Holland) schaal is de SVI hiermee niet beter dan landelijk te noemen. Kleine mantelmeeuw In Alkmaar is het aantal nesten van kleine mantelmeeuw tussen 1994 en 2018 van 13 toegenomen tot 316 (telling Vogelwerkgroep Alkmaar)(Smit 2018). In Katwijk nam het aantal nesten van kleine mantelmeeuw toe van 466 in 2012 tot 898 in 2018 (Loeve 2019). Het aantal nesten kleine mantelmeeuw in Den Haag vervijfvoudigde zich tussen 2010 en 2017 van 166 naar 817 nesten.

Van Leiden is het aantal nesten slechts in één jaar geteld, echter het aantal in de stad aanwezige kleine mantelmeeuwen is met 175% toegenomen tussen 2004 en 2018 (Moerland 2018). De grootste grondkolonie in de regio is die in het Rotterdams havengebied. Deze populatie neemt steeds verder in omvang af door menselijk handelen. Ter illustratie: in één jaar tijd daalde het aantal nesten van kleine mantelmeeuw in de Europoort met 34% (6.600 broedpaar (Lilipaly et al, 2020)). Ten minste een deel van deze broedvogels verplaatst zich naar de omliggende steden (Buijs & Huig in voorbereiding). De toename in steden valt (op basis van de huidige beschikbare gegevens) dan ook weg tegen de afname in het Rotterdams havengebied, waardoor de populatieomvang van deze soort lokaal stabiel lijkt te zijn. Beschikbare literatuur vormt momenteel nog geen basis om op lokale schaal andere conclusies te trekken aangaande de staat van instandhouding dan op landelijke schaal. Wanneer meer data beschikbaar komt over dakbroedende meeuwen in steden, kan dit opnieuw worden bekeken. 5.4 THEORETISCHE ONDERBOUWING STAAT VAN INSTANDHOUDING 5.4.1 JURISPRUDENTIE In bijlage 7 wordt verwezen naar ABRvS 17 augustus 2016, ENCLI:NL:RVS:2016:2266. Hierin wordt verwezen naar een rekenmethodiek. “Deze methode gaat er van uit dat bij populatiestabilisatie geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding.

De jaarlijkse sterfte onder een soort en de benodigde aanvulling om op een gelijke populatieomvang te blijven moeten dus worden bezien …” In bovenstaande rekenmethodiek wordt het sterftepercentage onder broedvogels uitgezet tegen het broedsucces, wat voor zowel kleine mantelmeeuw als zilvermeeuw tot een toename zou leiden (circa 10% sterfte tegenover een broedsucces 45%). Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 32

Ecologisch gezien is deze rekenmethodiek voor meeuwen echter niet juist. Er wordt voorbij gegaan aan een belangrijk ecologisch feit: in tegenstelling tot bijvoorbeeld konijnen en volièrevogels (welke kunnen voortplanten binnen enkele maanden na geboorte) duurt het bij grote meeuwen (waaronder kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw) vier tot vijf jaar voordat zij tot broeden komen. In deze vier jaar van hun leven, dragen deze meeuwen niets bij aan de broedpopulatie. Sterker nog, een groot deel van deze vier jaar wordt op afstand van eigen kolonie (tot ver in het buitenland) doorgebracht. Bovendien is het sterftepercentage in de eerste jaren zeer hoog (tot ruim 80% in het eerste jaar, Camphuysen 2013). Uitgaande van de beoogde “populatiestabilisatie [waarbij] geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding”, dient in tegenstelling tot de rekenmethodiek van ABRvS 17 augustus 2016, ENCLI:NL:RVS:2016:2266 bij meeuwen voor wat betreft populatieaanwas dus niet gekeken te worden naar het aandeel broedsucces (uitvliegsucces) maar het aandeel dat uiteindelijk de broedleeftijd bereikt. Dit aandeel is aanmerkelijk lager: 0,1 bij kleine mantelmeeuw en 0,12 bij zilvermeeuw (Camphuysen 2013) dat wil zeggen dat 0,1 respectievelijk 0,12 kuiken per nest uiteindelijk de broedleeftijd bereikt.

Hierop gecorrigeerd zou de rekenmethodiek van ABRvS 17 augustus 2016, ENCLI:NL:RVS:2016:2266 een afname van de populatie opleveren, te weten: De afname van de broedpopulatie kleine mantelmeeuw door sterfte betreft 18.000 individuen. Als van de nesten van 93.000 broedparen een aandeel van 0,1 de broedleeftijd bereikt, betreft dit 9.300 individuen. Daarmee wordt de sterfte bijna twee keer zo groot als de aanwas. Dit sluit aan op de dalende trends uit de literatuur (Koffijberg et al. 2018; Arts et al. 2019). De afname van de broedpopulatie zilvermeeuw door sterfte betreft 9.600 individuen. Als van de nesten van 45.000 broedparen een aandeel van 0,12 de broedleeftijd bereikt, betreft dit 5.400 individuen. Ook hier ligt de sterfte aanmerkelijk hoger dan de aanwas. Dit sluit aan op de dalende trends uit de literatuur (Koffijberg et al. 2018; Arts et al. 2019). Overigens geeft Camphuysen (2013) een hoger sterftepercentage voor Zilvermeeuw dan waarmee in dit voorbeeld is gerekend, waardoor feitelijk nog meer aanwas noodzakelijk is. Ten slotte wordt in ABRvS 17 augustus 2016, ENCLI:NL:RVS:2016:2266 uitgegaan van een hoger broedsucces in de delta wat gezien het feit dat tienduizenden eieren hier gedompeld zijn (Lensink, 2015) een onjuiste aanname is.

Bovenstaande ecologische analyse van de beoogde “populatiestabilisatie [waarbij] geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding” en aangetoonde negatieve trend, vraagt om een meer behoudende benadering. Conclusie: De rekenmethodiek in ABRvS 17 augustus 2016, ENCLI:NL:RVS:2016:2266 sluit niet aan bij de ecologie van meeuwen. Niet het broedsucces, maar het behalen van de geslachtsrijpe leeftijd (4 tot 5 jaar) is de maat voor de aanwas van een broedvogelpopulatie. Door de te kleine aanwas in relatie tot sterfte neemt de broedvogelpopulatie van zowel zilvermeeuw als kleine mantelmeeuw in Nederland af en blijft dus niet stabiel, zoals in ABRvS 17 augustus 2016, ENCLI:NL:RVS:2016:2266 gesteld wordt. 5.4.2 EFFECTEN VAN WEGNEMEN BROEDSUCCES OP POPULATIEOMVANG De getallen van Camphuysen (2013) gaan uit van een onverstoorde kolonie in het waddengebied. In ABRvS 17 augustus 2016, ENCLI:NL:RVS:2016:2266 wordt gesteld dat het broedsucces in de delta hoger ligt dan in het waddengebied. Echter ligt de grootste kolonie in de delta in het Rotterdams havengebied. In deze kolonie wordt het broedsucces van een deel van de meeuwenpopulatie al meer dan een decennium weggenomen (Lensink, 2015).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9746948/1