RIS307513 Bijlage 1
Tekst van het document
Op basis van de gemiddelde huishoudensgrootte per woonmilieu wordt de referentienorm uitgedrukt in vierkante meters per 1.000 woningen. • Uit het Mulier Rapport (Schadenberg 2019) blijkt een huidig overschot van 1 sporthal en een tekort van 14 sportzalen. Bij een groeiende behoefte zou de referentienorm bijgesteld moeten worden, wat thans nog niet is voorzien. Zwembad • Den Haag kent zes zwembaden: het Zuiderpark, het Hofbad, Overbosch, de Blinkerd, de Waterthor en de Houtzagerij. Op basis van de huidige voorraad en toekomstige behoefte komen we op een richtlijn van 1 zwembad per 77.500 inwoners. • Den Haag beschikt over 21.600 m² zwembaden plus 11.622 m² in combinaties met sporthallen. Dit komt neer op 61 m² zwembad per 1.000 inwoners. Op basis van de gemiddelde huishoudensgrootte per woonmilieu wordt de referentienorm uitgedrukt in vierkante meters per 1.000 woningen. • Als we de referentienorm van 1 zwembad per 77.500 aanhouden zijn tot 2040 minimaal twee extra zwembaden nodig.
Dat is in overeenstemming met de conclusies van het rapport Drijver & Partners • Hetzelfde rapport concludeert voorts dat in de toekomst de volgende maatregelen nodig zijn om vraag en aanbod goed op elkaar af te stemmen: - twee wedstrijdbaden met een gedeeltelijk beweegbare bodem, zodat ze ook voor sommige activiteiten op het gebied van instructie en doelgroepen dienst kunnen doen; - éen doelgroepen-/instructiebad met een volledig beweegbare bodem, die door middel van aanvullende faciliteiten ook voor therapeutische activiteiten geschikt wordt gemaakt.
< INHOUD
38
• Gezien het feit dat er in verschillende delen (zuidelijk, centraal en noordwestelijk) van de stad sprake is van tekorten, wordt aanbevolen om de twee wedstrijdbaden en het doelgroepen-/instructiebad niet in één nieuw zwembad te realiseren, maar over twee locaties te ‘verdelen’. Dat kunnen zowel bestaande als nieuwe locaties/baden zijn. • Indien de verhouding tussen vraag en aanbod al op korte termijn goed op elkaar moet worden afgestemd, is een deel van die maatregelen al nodig: - realisatie van een wedstrijdbad met een gedeeltelijk beweegbare bodem in het zuidelijke deel van de stad; - realisatie van een instructiebad bij of in de buurt van De Houtzagerij, mits het uitgangspunt is dat alle scholen in het dichtstbijzijnde zwembad terecht moeten kunnen. Buitensport • Den Haag beschikt over ca. 2.151.000 m² aan buitensport (inclusief club- en kleedgebouwen). Dit resulteert in een gemiddeld bruto vloeroppervlak aan buitensportvoorzieningen van 4,0 m2 per inwoner in Den Haag. • Het huidige aanbod is ruimtelijk onevenwichtig verspreid in Den Haag. Buitensportvoorzieningen zijn echter wijkoverstijgend en door de grote ruimtebehoefte lastig in te passen in dichtbebouwde wijken. De sportnorm dient dus naast op wijkniveau, ook altijd op stadsdeel- en stedelijk niveau beschouwd te worden. • Momenteel is er voor voetbal, hockey en rugby een tekort aan veldruimte.
Deze sporten groeien sterk in beoefening en de veldbezetting concentreert zich sterk op de zaterdag. De tekorten nemen naar verwachting verder toe de komende jaren. Naast het bouwen van extra veldruimte, zal de gemeente inzetten op een betere spreiding van teams over het weekend. Bij het bereiken van de maximale bezetting groeien de buitensportaccommodaties mee aan de hand van de referentienormen. • Voor atletiek, tennis en handbal is naar verwachting voldoende capaciteit de komende jaren. • De maximale afstand die bewoners willen afleggen naar een sportvoorziening, hangt ook mede af van leeftijd en opleidingsniveau. Door de toenemende vergrijzing ontstaat meer behoefte aan goed bereikbare sportvoorzieningen. Sport overig (sportzalen) • Dit betreft accommodaties voor bijvoorbeeld judo- en boksscholen. Den Haag heeft gemiddeld 23 m² bvo per 1.000 woningen aan overige sportvoorzieningen. Sport in de openbare ruimte • In Den Haag wordt steeds meer in de buitenruimte gesport, bijvoorbeeld met bootcamps, skaten, hardlopen en fietsen. Hiervoor is geen data voor Den Haag beschikbaar. • Voor de referentienorm is 1.000 m² per 1.000 woningen aangehouden als onderdeel van de totale behoefte aan “gebruiksgroen”. De norm voor gebruiksgroen verschilt per type stedelijk milieu.
< INHOUD
39
Speelveldjes • Dit betreft de courts in de wijken zoals de Krajicek en Cruyff Courts. Maar ook het snel groeiende Pedel valt hieronder. • We hanteren een stadsbrede referentienorm van 1.000 m2 per 1.000 woningen. Overzicht maatvoering sportaccomodaties
< INHOUD
Soort sportfaciliteit
Maatvoering
Sporthal
3.000 m2
Zwembad
4.000 m2
Voetbal
7.700 m2
Hockey
6.000 m2
Rugby
7.700 m2
Tennis (1 baan)
450 m2
Padel (1 baan)
200 m2
Krajicek Playground
800 m2
Cruyff Court
450 m2
40
Bijlage 1e. Openbare ruimte (groen en spelen) Openbaar groen Op dit moment is er gemiddeld ca. 30 m2 gebruikersgroen per woning in Den Haag. Dit betreft het stedelijk groen exclusief duinen en hoofdgroenstructuur. In het centrum ligt dit lager dan in het groenblauwe woonmilieu. De referentienorm voor gebruikersgroen is gebaseerd op die van Amsterdam. • Amsterdam hanteert een differentiatie in de norm voor gebruikersgroen per milieu: 8 m2 in centrum stedelijk, 16 m2 in gemengd stedelijk en 24 m2 in groen-blauw. • In de bestaande stad zijn er zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheden voor groenvoorzieningen. We adviseren daarom om in de verdichtingsgebieden te streven naar optimalisatie door dubbel ruimtegebruik en natuurinclusief bouwen (bijvoorbeeld met groenvoorzieningen op daken). Daarnaast kan ook worden geïnvesteerd in een hogere kwaliteit van het groen. • Het gebruikersgroen kent een afstandsnorm. Het is van belang dat iedere inwoner van Den Haag in de nabijheid groenvoorzieningen kan vinden. Groenvoorzieningen hebben grote waarde voor de leefkwaliteit van de stad; zo bevordert het de gezondheid van de inwoners, zorgt het voor een aantrekkelijke stad en draagt het bij aan klimaatadaptatie.
Het gesprek over de ruimte voor groen in relatie tot vele functies van groen (klimaat/ natuur/recreatie/kijkgroen) vraagt om een afzonderlijke discussie waarin zeker in hoogstedelijk gebied het gesprek moet gaan over de samenhang van gebouwen met (openbare/buiten) ruimte en kwaliteit ten opzichte van kwantiteit. Daarbij kan worden doorgedacht op eerder gemaakte beleidskeuzes voor natuurinclusief bouwen, de Agenda Groen en de keuze uit de Agenda Ruimte voor de Stad voor een combinatie van verdichten, vergroenen en verduurzamen. Aandacht voor het omvormen van versteende (openbare) ruimte naar groene ruimte, bijvoorbeeld als gevolg van een mobiliteitstransitie en keuzes ten aanzien van parkeren op straat, het toegankelijk maken van private buitenruimten (zoals schoolpleinen, binnenterreinen of daken), biedt kansen voor het toevoegen van groene openbare ruimte in de verdichtende stad. Het borgen van voldoende ruimte voor groen bij nieuwe ontwikkelingen en het versterken van huidige groengebieden en structuren vraagt meer dan alleen de ruimtereservering van een aantal m2 gebruiksgroen per woning. “Groen” is een algemeen begrip, waar meer differentiatie gewenst is vanuit verschillende functies die een groene inrichting van gebieden heeft.
Zo vervullen groengebieden een belangrijke functie op het gebied van klimaatadaptatie, zoals het vasthouden van regenwater en het bieden van verkoeling op warme dagen. Robuuste groene verbindingen zijn belangrijk voor de ecologische hoofdstructuren, waardoor natuur in de stad meer kansen krijgt. In de Nota Stadsnatuur (RIS 305824) is als een actiepunt (nr. 17) opgenomen dat onderzoek gedaan gaat worden naar de mogelijkheden van een groennorm voor de openbare ruimte. Bij dit onderzoek zal nader ingegaan worden op de verschillende functies en waarden
< INHOUD
41
van groen in de openbare ruimte. Aandachtspunt bij de toepassing van de groennorm voor openbare ruimte is de combinatie met de norm voor sport en voor spelen in de openbare ruimte. Hoewel openbaar groen zich leent voor sporten en spelen, is het gewenst de ruimte voor sporten, spelen en openbaar groen afzonderlijk van elkaar te bepalen. Vervolgens kan op inrichtingsniveau naar slimme combinaties worden gezocht, rekening houdend met verschillende functies in tijd en locatie. Een verhard basketbalveld kan daarbij bijvoorbeeld niet zomaar in de plaats komen van een groen speelveld, hoewel beide gewenst kunnen zijn. Bij verdere uitwerking is het gewenst ook aandacht te besteden aan het aspect en ruimtebeslag van water. Naast wettelijke normen speelt hier ook het gebruik van water ten behoeve van recreatie, en daarmee een maatschappelijke rol.
Spelen Buitenspelen is belangrijk voor kinderen en jongeren. Kinderen brengen steeds meer tijd door achter beeldschermen en spelen minder buiten. Ze brengen echter nog steeds veel tijd buiten door: wekelijks ruim vijf keer om te spelen. Ruimte dichtbij huis die uitnodigt en uitdaagt om te spelen, sporten, bewegen en ontmoeten is essentieel. Groenvoorzieningen zijn van groot belang voor recreatie, sport en als informele speelruimte. Bij de toevoeging van woningen hanteert Den Haag de landelijke richtlijn van 3% aan openbare speelruimte, in relatie tot het ‘uitgeefbaar’ gebied (Jantje Betonnorm). Groenvoorzieningen die ook als informele speel- en/of recreatieruimte kunnen fungeren, worden hierin meegeteld. De kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan buitenspeelruimte verschilt sterk per leeftijdsgroep. Van kleine, veilige speelplekken vlak bij huis voor de allerkleinsten tot grotere voorzieningen op wijkniveau voor de wat oudere kinderen. De behoefte aan speelruimte is gespecificeerd naar drie leeftijdsgroepen. Het speelbeleid is vastgelegd in de Nota Spelen in de stad (RIS157603). • Tot 6 jaar (op blokniveau): open gebied, zand en water, natuur, kleine speelelementen, bankje voor de ouders, afscherming van het spel van oudere kinderen.
• 6 tot 12 jaar (op buurtniveau): open gebied voor balspel, fietscrossen en dergelijke, natuur met avontuurlijke materialen, ruimte voor specifieke activiteiten zoals klimmen, glijden, zitten en kletsen. • Vanaf 12 jaar (op wijkniveau): sport- en ontmoetingsplek binnen de wijk, voldoende in het zicht van woningen, gelegenheid voor skaten, balspellen en om te kletsen.
< INHOUD
Leeftijdscategorie
Behoefte
Afstand woning tot speelplek
M2 per speelplek
M2 per kind
0-6 jaar
1 speelplek per 50 kinderen
100 tot 150 meter
200 m2
4,0 m2
7-12 jaar
1 speelplek per 75 kinderen
400 tot 600 meter
500 m2
6,7 m2
42
Leeftijdscategorie
Behoefte
Afstand woning tot speelplek
M2 per speelplek
M2 per kind
13-18 jaar
1 speelplek per 100 kinderen
1.000 meter
750 m2
7,5 m2
Tabel 7: benodigde speelruimte per leeftijdscategorie
• De locatie van een speelplek dient aan een aantal uitgangspunten te voldoen: voldoende sociale controle, verkeersveiligheid en toegankelijk voor kinderen met en zonder handicap. • Wanneer de richtlijn voor spelen niet haalbaar is, dient het autoluw/vrij maken van een woongebied onderzocht te worden, evenals samenwerking met scholen en sportverenigingen. • Naast de referentienormen voor formele speelruimten wordt ook gebruik gemaakt van informele speelplekken, zoals grasvelden, straat/stoep, zand/water/bosjes en het buitengebied. • Een vijfde van de Haagse kinderen tussen 0 en 19 jaar heeft overgewicht en moet minstens één uur per dag buiten bewegen. Bij basisschoolkinderen verhoogt buitenspelen de leerprestaties en de cognitieve ontwikkeling. Om ook het centrum-stedelijk woonmilieu aantrekkelijk te houden voor kinderen, is aandacht voor speelruimte nodig. Nieuwe woonvormen met bijvoorbeeld gezinsappartementen bieden de mogelijkheid spelen op andere wijze dan in de openbare ruimte te organiseren, denk hierbij aan binnentuinen of brede galerijen. Voor deze referentienormen gaan wij uit van openbare speelruimte.
Onderbouwing referentienorm Voor het vaststellen van de referentienormen bestaat een afwijkende behoefte per woonmilieu op basis van de hoeveelheid kinderen in de specifieke leeftijdsgroepen. In de onderstaande tabel staat een weergave van het gemiddelde aantal kinderen per 1.000 woningen in de verschillende woonmilieus. De berekeningen zijn gebaseerd op de huidige woningvoorraad en typologieën, gekoppeld aan de huishoudensgrootte.
Leeftijdscategorie
Centrum-stedelijk
Gemengd stedelijk
Groen-blauw
0-6 jaar
188 kinderen per 1.000 woningen
183 kinderen per 1.000 woningen
248 kinderen per 1.000 woningen
7-12 jaar
143 kinderen per 1.000 woningen
141 kinderen per 1.000 woningen
274 kinderen per 1.000 woningen
13-18 jaar
148 kinderen per 1.000 woningen
127 kinderen per 1.000 woningen
284 kinderen per 1.000 woningen
Tabel 8: gemiddelde aantal kinderen per 1.000 woningen in de verschillende woonmilieus.
Door de gegevens uit de bovenstaande tabellen te combineren, ontstaat een beeld van het benodigde aantal vierkante meters aan speelvoorzieningen per 1.000 woningen (tabel 9) en per hoeveel woningen er behoefte is aan een nieuwe speelplek (tabel 10).
< INHOUD
43
Leeftijdscategorie
Centrum-stedelijk
Gemengd stedelijk
Groen-blauw
0-6 jaar
752 m per 1.000 woningen
732 m per 1.000 woningen
992 m2 per 1.000 woningen
7-12 jaar
953 m2 per 1.000 woningen
940 m2 per 1.000 woningen
1.827 m2 per 1.000 woningen
13-18 jaar
1.110 m2 per 1.000 woningen
953 m2 per 1.000 woningen
2.130 m2 per 1.000 woningen
Totaal
2.815 m2 per 1.000 woningen
2.625 m2 per 1.000 woningen
4.949 m2 per 1.000 woningen
2
2
Tabel 9: referentienorm in m2 per woonmilieu
Leeftijdscategorie
Centrum-stedelijk
Gemengd stedelijk
Groen-blauw
0-6 jaar
1 speelplek per 265 woningen
1 speelplek per 273 woningen
1 speelplek per 201 woningen
7-12 jaar
1 speelplek per 524 woningen
1 speelplek per 532 woningen
1 speelplek per 274 woningen
13-18 jaar
1 speelplek per 676 woningen
1 speelplek per 787 woningen
1 speelplek per 352 woningen
Tabel 10: referentienorm uitgedrukt in aantal woningen per speelplek
• Den Haag telt nu ruim 113.000 kinderen van 0 tot en met 18 jaar. Meer dan een vijfde van onze Hagenaars. In 2022 stijgt het aantal kinderen minstens naar ruim 119.000 (een groei van bijna 4%). De komende jaren moet geïnvesteerd worden in extra nieuwe en bestaande speelplekken (bijna 600 stuks) voor kinderen en jongeren.
< INHOUD
44
Bijlage 2 Financiering maatschappelijk vastgoed Algemeen Maatschappelijke voorzieningen worden op verschillende manieren gefinancierd. Vaak heeft de gemeente daarbij een rol, maar zeker niet overal. Een praktijk voor huisartsen of fysiotherapeuten komt zonder tussenkomst van de gemeente tot stand. Ook zorginstellingen en woon/zorg combinaties of senioren woningen zorgen zelf voor huisvesting. Maar ook commerciële sportaanbieders, hoger onderwijs of bijvoorbeeld de landenscholen krijgen geen bekostiging van de gemeente. Uiteraard speelt de gemeente wel een rol in het ruimtelijk mogelijk maken van dergelijke functie in het bestemmingsplan. Voor eventuele nieuwbouw verstrekt de gemeente de vergunning binnen de wettelijke kaders. Daar waar de gemeente wel een rol speelt in de financiering van maatschappelijke voorzieningen is dat tweeledig. Enerzijds is er voor de huisvesting/realisatie van openbare ruimte de investeringslast met langlopende verplichtingen (kapitaallasten) en anderzijds zijn er ten aanzien van de exploitatie van instellingen vaak structurele verplichtingen. Huisvesting zonder programmering is een lege huls. Gerealiseerd openbaar groen en speelruimte dienen op voldoende niveau beheerd te kunnen worden. Er zijn in de huidige situatie twee algemene knelpunten bij de financiering van extra voorzieningen.
Ten eerste is er geen systematiek in de gemeentelijke begrotingsregels die voorziet extra investeringsruimte als de stad groeit. Er ligt daarmee geen directe relatie tussen meer inwoners en meer budget voor voorzieningen. Terwijl de behoefte wel toeneemt en de investering in uitbreiding (kosten) voor de baten (verhoging gemeentefonds) uit gaat. Ten tweede zijn maatschappelijke gebouwde voorzieningen van oudsher geen onderdeel van het ruimtelijk domein met als gevolg dat dit geen onderdeel uitmaakt van de besluitvorming in het kader van de Ruimtelijk Economische Investeringsstrategie en de Groei-met-Groei afspraken. Beheer van een uitbreiding van het areaal openbaar groen is niet vanzelfsprekend structureel gedekt.
Onderwijs Wettelijke taak gemeente14 Investeringen De huisvesting van het primair en voortgezet (speciaal) onderwijs in Den Haag is geregeld in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Den Haag 2015.15 De verordening beschrijft hoe en voor welke zaken onderwijsinstellingen bekostiging van huisvesting moet worden geboden. Het gaat daarbij om vervanging en uitbreiding van schoolgebouwen. De toekenning van middelen loopt via het programma Onderwijshuisvesting, dat jaarlijks door het college wordt vastgesteld binnen de kaders van de begroting. Het betreffen onrendabele investeringen die voortkomen uit de wettelijke taak van de gemeente. Hiervoor is ruimte gereserveerd in het MIP die structureel beschikbaar is
14 Wet op het primair onderwijs & Wet op het voortgezet onderwijs 15 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Den Haag 2015
< INHOUD
45
voor Onderwijshuisvesting. In het gemeentefonds zit een niet gelabelde bijdrage voor onderwijshuisvesting die (deels) voorziet in de dekking van de investerings- en exploitatielasten. Exploitatie Als onderdeel van de lumpsum van het ministerie van OCW aan de schoolbesturen, ontvangt het bestuur een genormeerde vergoeding voor onderhoud, energieverbruik en schoonmaak. De schoolbesturen dienen het onderhoud te bekostigen voor het terrein en gebouw als het gaat om: • het onderhoud van de binnenkant; • het buitenonderhoud en aanpassingen; • het herstelonderhoud; • vervanging van leer- en hulpmiddelen. De gemeente bekostigt vanuit haar wettelijke taak de OZB en verzekering van schoolgebouwen en inboedel, geeft een vergoeding voor het onderhoud aan gymzalen, bekostigd de eerste inrichting en lespakketten, constructiefouten, glasschade, verhuizingskosten en waar van toepassing huurkosten en erfpachtcanon. Ook voorziet de gemeente in tijdelijke huisvesting voor scholen waar vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd. Knelpunten De gemeentelijke begroting voorziet voor de komende jaren in voldoende investeringsruimte en exploitatiemiddelen. Vanaf 2023 is er sprake van een fors tekort. De mogelijkheden voor de financiering van onderwijshuisvesting op de lange termijn worden onderzocht.16
Zorg Deels wettelijke taak gemeente17 Investeringen Huisvesting is een eigenstandige verantwoordelijkheid van de zorginstellingen. Exploitatie De huisvestingslasten worden deels via subsidies en inkoop, en deels via andere inkomsten bekostigd (markt/verzekeraars). Knelpunten Als gevolg van de decentralisatie van overheidstaken naar gemeenten in 2015 zijn structureel financiële tekorten ontstaan. Het Rijk draagt taken over aan de gemeente, maar zij krijgt daar geen of niet genoeg financiering voor. Gemeenten zijn sinds de decentralisatie verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen, en zorg aan langdurig zieken en ouderen.
16 17
< INHOUD
IHP Onderwijs Den Haag 2020-2030 (2019) Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) & Jeugdwet & Wet publieke gezondheid
46
Welzijn Deels wettelijke taak gemeente18 Investeringen Hier is sprake van rendabele investeringen waarbij de kapitaallasten terugverdiend worden via de huurbaten. In veel gevallen, zoals bij club- en buurthuizen worden de welzijnsinstellingen door de gemeente gesubsidieerd. Exploitatie Servicepunten XL en de Centra voor Jeugd en Gezin zijn volledig bekostigd door de gemeente (in huur of eigendom). Knelpunten Als gevolg van de decentralisatie van overheidstaken naar gemeenten in 2015 zijn structureel financiële tekorten ontstaan. Het Rijk draagt taken over aan de gemeente, maar zij krijgt daar geen of niet genoeg financiering voor. Gemeenten zijn sinds de decentralisatie verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen, en zorg aan langdurig zieken en ouderen.
Cultuur Geen wettelijke taak gemeente Investeringen Investeringen in gemeentelijke cultuurpanden worden op grond van de gemeentelijke financiële systematiek in het meerjarig investeringsplan (MIP) als onrendabel aangemerkt. Het als onrendabel aanmerken betekent dat de gemeente de kapitaallasten (afschrijvings- en rentelasten) voor zijn rekening neemt. Middelen worden incidenteel beschikbaar gesteld. Exploitatie Cultuurinstellingen draaien voor een belangrijk deel op subsidie en zijn veelal verantwoordelijk voor het gebruikersonderhoud en de gemeente voor het eigenarenonderhoud. Subsidies worden door de gemeente toegekend via het Meerjarenbeleidsplan Kunst en Cultuur, waarin de plannen en financiële kaders voor de komende vier jaar worden vastgesteld. De bij de huurders in rekening gebrachte huur dient ter afdekking van de OZB, verzekeringen en het eigenaarsonderhoud. Het eigenaarsonderhoud wordt door de CVDH uitgevoerd op basis van een Meerjaren Onderhoudsplan. De vervanging van gebouwgebonden installaties is hierin niet opgenomen. Deze investeringen lopen via het MIP. Knelpunten Volgens de huidige financiële spelregels vloeit de vrijval van de kapitaallasten binnen de portefeuille Cultuur terug naar de algemene middelen van de directie Financiën en worden deze betrokken bij de jaarlijkse integrale afweging over het MIP.
De dekking voor de vervangingsinvesteringen van de gebouwgebonden installaties is niet structureel
18 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) & Jeugdwet & Wet publieke gezondheid
< INHOUD
47
geregeld, maar wordt op basis van de beschikbare financiële ruimte afgewogen ten opzichte van andere investeringen. Dit terwijl dergelijke vervanging onontkoombaar is.
Sport Geen wettelijke taak gemeente Investeringen De gemeentelijke sportaccommodaties worden onderhouden conform de methodiek van ‘conditie gestuurd’ onderhoud. Investeringen in de gemeentelijke sportaccommodaties (objecten die in gemeentelijk beheer zijn met een verwachte beheertermijn van minimaal vijf jaar) worden op grond van de gemeentelijke financiële systematiek in het meerjarig investeringsplan (MIP) opgenomen. Deze wordt om de vier jaar geactualiseerd. De meeste investeringen zijn onrendabel. De rendabele investeringen worden door middel van de huuraanpassing met de huurder verrekend (denk in dit geval aan het de aanleg van het natuurgrasveld in het Car Jeans stadion). Exploitatie De gemeentelijke sportvelden worden door de gemeente beheerd, terwijl de sportaccommodaties in bruikleen aan de verenigingen worden gegeven, waarbij zij zorgdragen voor al het onderhoud. De verenigingen hebben de mogelijkheid om bij aanpassingen van de accommodaties hier zowel gemeentelijke (IAS) als Rijkssubsidie (BOSA) aan te vragen. Bij aanleg van nieuwe sportaccommodaties (zowel binnen als buiten) zijn er middelen vanuit het MIP beschikbaar (uiteraard na goedkeuring Raad).
Gebruikers- en eigenaarsdeel van het onderhoud Het onderhoud van sportaccommodaties is verdeeld in gebruikers en eigenaren onderhoud, waarbij het gebruikers onderhoud door Sportvoorzieningen (OCW) wordt verricht en het eigenaren onderhoud (van de zwembaden en sporthallen) door CVDH. De onderhoudsdotatie voor zowel het gebruikersonderhoud als voor het eigenaren onderhoud is structureel ontoereikend voor het uitvoeren van het (duurzame) meerjaren onderhoudsplan. Knelpunten Bij afschaffing van de (diverse) subsidieregelingen bestaat de mogelijkheid dat het onderhoud aan de in bruikleen gegeven sportaccommodaties in verval raken en het onderhoud alsnog in handen van de gemeente wordt gelegd. Daarnaast zijn er in de stad op diverse locatie Johan Cruijff courts, RKF-velden en overig hieraan gerelateerde veldjes aangelegd waarbij de financiering t.b.v. onderhoud en/of vervanging onvoldoende gedekt is. Een actueel knelpunt is de aanpassing van de BBV, die bepaalt dat de vervanging van de sportvelden (zowel natuur- als kunstgras) via de onderhoudsreserve moet lopen.
Spelen Geen wettelijke taak gemeente Investeringen Het wettelijk kader wordt gevormd door het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS). De Nederlandse Voedsel – en Warenautoriteit (NVWA) voert het toezicht
< INHOUD
48
hierop uit. In het WAS worden eisen gesteld aan de veiligheid van speeltoestel. De gemeente is verantwoordelijk voor alle speel- en beweegvoorzieningen in de openbare ruimte (in gemeente bezit). Incidentele middelen zijn beperkt beschikbaar om verspreid in de stad te investeren en om een deel van het speelareaal geprioriteerd te vervangen. Bij nieuwbouwprojecten horen investeringen tbv spelen in het project te worden meegenomen. Exploitatie Het op orde houden van een kwalitatief goed en uitdagend speelvoorzieningenniveau kan de gemeente niet alleen. De gemeente betrekt ouders, verzorgers en vrijwilligers actief bij het beheer en onderhoud van speelplekken. De speelvoorzieningen voldoen aan de wettelijke kaders en zijn in goede staat van onderhoud. De speeltoestellen worden jaarlijks viermaal conform de wettelijke veiligheidseisen geïnspecteerd en er wordt zorg voor gedragen dat alle openbare speelvoorzieningen veilig zijn. Het onderhoud van de speelvoorzieningen valt binnen het stadsdeelbudget voor Openbaar Groen en openluchtrecreatie. Knelpunten Om het speelareaal te vervangen conform de technische levensduur is er op dit moment sprake van een tekort aan budget. Het meenemen van de investeringen bij nieuwbouw is niet altijd goed geborgd, waarna het stadsdeel wordt aangesproken om achteraf aan de beleidseisen te voldoen.
Groen Geen wettelijke taak gemeente Investeringen Investeringen in gebiedsontwikkelingen worden in het algemeen bekostigd via de grondexploitatie, waarbij de inkomsten bestaan uit de verkoop van grond en een deel van de investeringen plaatsvindt in het “woonrijp” maken door de gemeente. Bij private ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de openbare ruimte, wordt een zogenaamde anterieure overeenkomst gesloten met de ontwikkelende partij, waarin afspraken worden gemaakt over de aanleg/aanpassing van de openbare ruimte. Investeren in groene ruimte levert maatschappelijke baten op. Exploitatie Openbaar groen in de wijken wordt volledig door de gemeente beheerd. De gemeente beheert het overgrote deel van de grote groengebieden en het strand. Het Haagse Bos en Malieveld worden door Staatsbosbeheer beheert en Dunea beheert in Meijendel en Solleveld. Daarnaast beheren private partijen (deels) publiek toegankelijke buitenruimte, zoals rondom het Maanplein. Knelpunten Aandachtspunt bij het doen van investeringen is inzicht in de toekomstige beheerlasten. Bij een areaaluitbreiding of bij de aanleg van hogere kwaliteit dan voorzien in de begroting, bestaat het risico op een structureel tekort op de beheerlasten. Grotere gebiedsontwikkelingen dienen dan ook voorzien te zijn van een beheerplan, dat inzicht
< INHOUD
49
geeft in de toekomstige beheerlasten. Het is gewenst in de ontwikkeling verschil te maken tussen openbare ruimte (beheerd door de gemeente) en publiek toegankelijke buitenruimte (hetgeen door gebruikers vaak als openbare ruimte wordt ervaren en een waardevolle toevoeging kan zijn indien aan randvoorwaarden wordt voldaan).
< INHOUD
50
Bijlage 3 Samenvatting rapportage Bureau Stedelijke Planning Bureau Stedelijke Planning heeft in opdracht van de gemeente Den Haag onderzoek gedaan naar Haagse planologische referentienormen voor maatschappelijke en commerciële voorzieningen (inclusief groen- en speelvoorzieningen). Er is onderscheid gemaakt in drie bestaande woonmilieus met verschillende demografische kenmerken en daarmee een andere behoefte aan voorzieningen: centrum-stedelijk, gemengd stedelijk en groen-blauw. De planologische referentienormen zijn door Bureau Stedelijke Planning in beeld gebracht op basis van: • Consultatie van de reeds aanwezige expertise en kennis binnen de gemeente en een werksessie om de referentienormen onderling af te stemmen. • Bestaande onderzoeken, zoals de voorzieningenkaarten voor de diverse ontwikkelgebieden in Den Haag en vergelijkbare referentienormen van andere grootstedelijke gemeenten. • Normen en ambities vastgelegd in het Haagse beleid of (landelijk) wettelijk verplicht. • Belangrijke trends en ontwikkelingen die van invloed zijn op de referentienormen. • Data-analyse van Haagse of landelijke referenties.
Bureau Stedelijke Planning adviseert de onderstaande vervolgstappen om te komen tot een efficiënt gebruik van referentienormen in de ontwikkeling van de stad: • Nadere afstemming binnen de verschillende diensten en afdelingen van de gemeente van de referentienormen: een deel van de normen betreft ook beleidsmatige keuzes over het gewenste voorzieningenniveau. • Tegelijk met het in beeld brengen van deze referentienormen lopen onderzoeken naar de mogelijkheden van meervoudig ruimtegebruik en slimme innovatieve oplossingen voor voorzieningen. Leg deze onderzoeken naast de referentienormen om te bezien waar slimme combinaties kunnen leiden tot efficiënter ruimtegebruik en een verlaging van de footprint. • Het in beeld brengen van de onder- of overbenutting van de huidige voorraad aan voorzieningen, uitgesplitst naar wijken. Waarbij ook de bereikbaarheid en een goede spreiding van de voorzieningen over de stad onderdeel is. Zo kan bijvoorbeeld ook de mogelijkheid van het gebruik voor een ander type voorziening buiten de piektijden en de huidige bezetting van sportvelden worden onderzocht. • Nader onderzoek naar het verschil in gebruik van voorzieningen tussen sociaaleconomisch sterkere en zwakkere wijken. Bron: Eindrapportage Ruimtelijke referentienormen voorzieningen Den Haag, d.d.
4 juni 2020, Bureau Stedelijke Planning, projectnummer 2019.G.123, referentie: 2019.E.123 Den Haag referentienormen 040620
< INHOUD
51
Bijlage 4 Onderzoek De Zwarte Hond Apart bijgevoegd
< INHOUD
52
Bijlage 5 Voorzieningenprogramma’s CID en Binckhorst Voor de Binckhorst is een Voorzieningenprogramma opgesteld dat inzicht geeft in behoefte en mogelijke locaties, inclusief aanknopingspunten voor realisatie, zie hiervoor Voorzieningenprogramma Binckhorst RIS 303870 (2019) in het raadsinformatiesysteem. Als bijlage bij de ontwerp-structuurvisie CID (Central Innovation District) is een voorzieningenprogramma op hoofdlijnen ontworpen dat gebruik maakt van ervaringen uit het voorzieningenprogramma Binckhorst en de ontwikkeling van de voorliggende referentienormen. De ontwerp-structuurvisie is onder nummer RIS 305178 (2020) in het raadsinformatiesysteem opgenomen.
< INHOUD
53
Colofon Fotoverantwoording Voorpagina, pagina 17 en pagina 30 Luuk Kramer Pagina 3 Jurjen Drenth Pagina 5 en pagina 28 Almut Röwekamp Pagina 16 Martijn Beekman Pagina 18 Overgenomen uit rapport Intensivering maatschappelijke voorzieningen – De Zwarte Hond Pagina 22 Gemeente Den Haag Pagina 27 Melvin Kaersenhout/Studio Maek Pagina 29 Gemeente Den Haag Vormgeving Dienst Bedrijfsvoering Multimedia Dit is een uitgave van Gemeente Den Haag Besluit van College van B&W 19 januari 2021 RIS307513
< INHOUD
54