CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307513 Bijlage 1

Gemeenteraad 10 juni 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Collegebesluit: Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen (RIS307513)13.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Haagse Referentienormen maatschappelijke voorzieningen

Fotograaf Luuk Kramer

Inhoud Inleiding3 1 Referentienormen maatschappelijke voorzieningen

5

1.1 Opbouw referentienormen

11

1.2 Tabel Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen

13

2 Ruimtelijke uitwerking: innovatie, functiemenging en compensatie

17

3 Van referentienorm naar realisatie: verdere uitwerking, financiering en ontwikkelstrategie

22

3.1 Maatwerk en voorzieningenprogramma’s

22

3.2 Strategische Huisvestingsplannen

23

3.3 Dekking

24

3.4 Ontwikkelstrategie

26

4 Conclusies, aandachtspunten

28

Bijlagen30 Bijlage 1 Onderbouwing per domein

< INHOUD

31

Bijlage 1a. Onderwijs

31

Bijlage 1b. Zorg en welzijn

33

Bijlage 1c. Kunst en cultuur

36

Bijlage 1d. Sport

37

Bijlage 1e. Openbare ruimte (groen en spelen)

41

Bijlage 2 Financiering maatschappelijk vastgoed

45

Bijlage 3 Samenvatting rapportage Bureau Stedelijke Planning

51

Bijlage 4 Onderzoek De Zwarte Hond

52

Bijlage 5 Voorzieningenprogramma’s CID en Binckhorst

53

2

Inleiding Den Haag groeit De groei van Den Haag zorgt voor sociale en fysieke veranderingen. Met een voorziene groei van bijna 5.000 inwoners per jaar neemt de vraag naar woningen in de stad enorm toe. In de Agenda Ruimte voor de Stad (2016) is in beeld gebracht waar het grootste deel van de groei van het aantal inwoners geaccommodeerd moet worden: in het Central Innovation District, de Binckhorst en in Zuidwest. De komende jaren is de ambitie om in deze gebieden duizenden woningen toe te voegen. Deze woningen moeten worden toegevoegd aan de bestaande stad, waar vrije ruimte en gemeentelijke grondposities schaars zijn. Met het toevoegen van woningen alleen, creëren we nog niet de aantrekkelijke inclusieve en levendige stad die we voor ogen hebben. De nieuwe bewoners hebben ook behoefte aan passende stedelijke voorzieningen. De vraag naar onderwijs, sport, cultuur, groen, zorg, welzijn en andere soorten voorzieningen zal blijven toenemen naarmate er inwoners in Den Haag bijkomen. Ruimtelijk willen we voorzieningen toevoegen waar de vraag toeneemt. Bovendien moet het voorzieningenaanbod divers en van hoog niveau zijn om aan te sluiten bij de verschillende wensen en behoeften van gebruikers. Iedereen moet gebruik kunnen maken van faciliteiten passend bij de eigen levensstijl, en het liefst ook op een prettige afstand.

Dit is van cruciaal belang voor het functioneren en de aantrekkelijkheid van Den Haag.

Haagse Referentienormen Gezien de ambitie om in hoog tempo woningen bij te bouwen, is de behoefte aan een richtinggevend instrument voor (maatschappelijke) voorzieningen bij de gebiedsontwikkelingen urgent. Als eerste stap om voldoende ruimte en middelen voor maatschappelijke voorzieningen bij gebiedsontwikkelingen te kunnen garanderen, zijn de

< INHOUD

3

voorliggende Haagse referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen (inclusief groen- en speelvoorzieningen) opgesteld. Door deze notitie bestuurlijk vast te leggen, ontstaat een instrument om per gebied passende voorzieningenprogramma’s op te stellen. De referentienormen maken aan de hand van de meest actuele woningbouwprogrammering inzichtelijk welke voorzieningen toegevoegd moeten worden én met welk ruimtebeslag rekening gehouden dient te worden. De referentienormen vormen daarmee een belangrijke schakel om gebiedsontwikkeling integraal aan te pakken. Woningbouw en maatschappelijke voorzieningen zijn niet los van elkaar te zien bij de verdichtingsopgave van Den Haag. De referentienormen zijn met behulp van interne en externe expertise samengesteld en gebaseerd op bestaand landelijk of gemeentelijk beleid, eerder vastgestelde Haagse normen en ambities, of als extrapolatie van het huidige voorzieningenniveau in de stad. De leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de stad is een gevolg van een groot aantal keuzes die in het ruimtelijk domein gemaakt worden. Zonder volledig te zijn gaat het hier onder meer om keuzes op het gebied van milieu (denk aan geluid en luchtkwaliteit), beeldkwaliteit (denk aan architectuur en monumenten), mobiliteit (denk aan bereikbaarheid en verkeersveiligheid), levendigheid (denk aan horeca en evenementen) etcetera.

Dit document spitst zich toe op maatschappelijke voorzieningen, inclusief groen en spelen.

< INHOUD

4

1

Referentienormen maatschappelijke voorzieningen De opgave om vorm en inhoud te geven aan een evenwichtige groei van de stad is groot. De referentienormen geven houvast om niet-woonfuncties direct mee te ontwikkelen bij gebiedsontwikkelingen. Zonder dit instrument bestaat het risico dat te laat duidelijk wordt waar aanvullende voorzieningen nodig zijn.

Wat zijn het? De referentienormen drukken de ruimtebehoefte per type voorziening uit in vierkante meters per 1.000 woningen. Daarmee wordt de voorzieningenbehoefte direct te relateren aan de woningbouwprogramma’s. De referentienormen vormen een richtlijn voor het toe te voegen aantal voorzieningen bij gebiedsontwikkelingen en zijn niet bedoeld als bindende norm. Wel zijn ze bedoeld om bij gebiedsontwikkelingen aan de voorkant globaal onderbouwde ruimte- en investeringsclaims te kunnen doen. In Den Haag is grond schaars en het aantal gemeentelijke grondposities beperkt. Des te belangrijker is het om in een vroeg stadium te bepalen welke locaties nodig zijn om voorzieningen te ontwikkelen, welke locaties beschikbaar zijn voor andere programma’s en welke combinaties van functies mogelijk zijn. De referentienormen helpen om deze afweging tijdig te kunnen maken. Ook dienen voor de realisatie van voorzieningen in een vroeg stadium middelen gereserveerd te worden. Middelen moeten in het Meerjaren Investeringsprogramma (MIP) van de gemeente opgenomen worden bij vaststelling van de gemeentebegroting. Zo niet, dan komt de realisatie van de voorzieningen in gevaar en kunnen tekorten ontstaan.

< INHOUD

5

Woonmilieus De referentienormen zijn in beeld gebracht voor drie typen woonmilieus die we terugvinden in Den Haag: “centrum-stedelijk”, “gemengd stedelijk” en “groen-blauw (=suburbaan)”. Elk woonmilieu heeft een eigen karakter met bijbehorende unieke behoeften en gemiddelde huishoudensgrootte, en dus met eigen referentienormen. In het centrum van de stad creëren we een hoogstedelijk milieu. Dit milieu kennen we nu nog niet, zodat we hiervoor de normen werkende weg zullen gaan ontwikkelen. Hiervoor zetten we in op monitoring en evaluatie. Binnen de gehanteerde woonmilieus zitten logischerwijs ook verschillen tussen wijken. Met name in het centrum-stedelijke woonmilieu is een grote variatie tussen de wijken aanwezig. Zo is het aantal kinderen en de huishoudensgrootte in de Schilderswijk relatief hoog, terwijl in Laakhavens een groot deel van de huishoudens uit één persoon bestaat. De bestaande voorraad en de (over- of onder-) benutting hiervan kan leiden tot een verschillende additionele behoefte per wijk. In de woonvisie Den Haag 2017-2030 (RIS296833) wordt een indeling met tien verschillende woonmilieus aangehouden. Voor de referentienormen is een dergelijke indeling niet praktisch en niet noodzakelijk. Ondanks verschillen tussen gebieden, komt de behoefte aan voorzieningen op hoofdlijnen overeen binnen de drie woonmilieus.

Bij de nadere uitwerking in voorzieningenprogramma’s is ruimte voor maatwerk en kunnen karakteristieke eigenschappen van de gebieden worden meegenomen.

De gekleurde gebieden zijn gebruikt als referentiegebieden voor de verschillende woonmilieus, Bureau Stedelijke Planning, juni 2020

< INHOUD

6

Schaalniveau en afstandsnorm voorzieningen Iedere voorziening kent een eigen omvang van het verzorgingsgebied en een maximale afstand die de gebruikers bereid zijn om af te leggen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen voorzieningen die op buurt/wijk-, stadsdeel- en stedelijk niveau aanwezig dienen te zijn. Wel kan er uitwisseling tussen de woonmilieus plaatsvinden. Zo passen culturele voorzieningen als musea het beste in de binnenstad, terwijl grote ruimtevragende voorzieningen als buitensportaccommodaties beter in minder dichtbevolkte gebieden passen. Daarbij is het van belang om het evenwicht en de bereikbaarheid ook stadsbreed te bewaken. Tot slot dienen voorzieningen goed en multimodaal (= met verschillende vervoersvormen) bereikbaar te zijn.

Dynamisch De referentienormen hebben een dynamisch karakter. De wensen van bewoners en bedrijven blijven constant in ontwikkeling en beleid verandert om aan te sluiten bij de samenleving. Daarom is het noodzakelijk om na vaststelling de referentienormen te monitoren en met regelmaat te evalueren. Op basis daarvan kan worden vastgesteld of de referentienormen nog aansluiten bij de behoeften van de bewoners en de ambities van Den Haag, of dat de referentienormen moeten worden bijgesteld.

< INHOUD

7

1. Centrum-stedelijk • Groot aandeel 25-45-jarigen en eenpersoonshuishoudens (55%); • Sterke nadruk op meergezinswoningen1 (88%); • Gemiddelde huishoudensgrootte van 1,94. Dit varieert sterk per wijk. Referentiegebieden: Zeeheldenkwartier, Regentessekwartier, Transvaalkwartier, Schildersbuurt, Stationsbuurt. Kenmerken van deze wijken: • Wonen tussen andere functies zoals in metropolitaan milieu, maar met meer wonen en minder kantoren; • Goede bereikbaarheid met het OV; • Wonen in een levendige omgeving nabij het centrum van grote stad; • Veel stedelijke voorzieningen, veel soorten (bijzondere) winkels en horeca en veel verschillende soorten bewoners en bezoekers; • Appartementen dominant.2

Impressie centrum-stedelijk woonmilieu, bron: Wonen in Den Haag

1

Meergezinswoningen zijn een woningclassificatie waarbij meerdere afzonderlijke wooneenheden voor residentiële bewoners zijn ondergebracht in één gebouw of meerdere gebouwen binnen één complex.

2

< INHOUD

RIS296833 Woonvisie Den Haag 2017-2030.

8

2. Gemengd-stedelijk • Meest diverse leeftijdsopbouw en huishoudenssamenstelling van de drie milieus; • 46% van de huishoudens bestaat uit één persoon; • Sterke nadruk op meergezinswoningen (84%); • Gemiddelde huishoudensgrootte van 1,96. Referentiegebieden: Bomen- en Bloemenbuurt, Waldeck, Vruchtenbuurt, Valkenboskwartier, Loosduinen, Leyenburg, Bouwlust en Vrederust, Morgenstond. Kenmerken van deze wijken: • Rustige vooroorlogse woonstraten- en buurten in een levendige omgeving met winkels, wijkvoorzieningen en horeca relatief dichtbij het centrum van de stad; • Stadswoningen, boven- en benedenwoningen met kleine tuinen; • Woonfunctie dominant. Zowel wijken met hogere dichtheden en meer voorzieningen, als wijken met lagere dichtheden en veel groen; • Bewoners hechten sterk aan autobereikbaarheid; • Woonwijken uit de jaren 70 aan de rand van de stad met een mix van laagen hoogbouw, zowel koop- als particuliere als sociale huur. Ook hier eigen voorzieningencentra aanwezig.3

Impressie gemengd-stedelijk woonmilieu, bron: Wonen in Den Haag

3

< INHOUD

RIS296833 Woonvisie Den Haag 2017-2030.

9

3. Groen-blauw • Groot aandeel gezinnen (57%); • Relatief veel kinderen (0-15 jaar) en 45-65-jarigen; • Groot aandeel eengezinswoningen (74%); • Gemiddelde huishoudensgrootte van 2,73. Referentiegebieden: Wateringse Veld, Leidschenveen, Ypenburg, (delen van) Zuidwest. Kenmerken van deze wijken: • Woonwijken met vooral eengezinswoningen met tuinen uit de jaren 90 (laatste gebieden nog af te maken). Zeer kindvriendelijk. Bewoners op de auto georiënteerd; • Winkelcentrum en basisvoorzieningen in de wijk; • Vroeg- na-oorlogse woonbuurten met ruime opzet, veelheid aan openbare ruimte; • Van oudsher veel sociale huurappartementen, de afgelopen jaren zijn eengezinswoningen toegevoegd; • Bewoners georiënteerd op voorzieningencentra in de wijk, vanwege grotere afstand tot centrum. 4

Impressie groen-blauw woonmilieu, bron: Wonen in Den Haag

4

< INHOUD

RIS296833 Woonvisie Den Haag 2017-2030.

10

Hoogstedelijk milieu Voor dit milieu bestaat nog geen bestaande referentie in de stad. Het Central Innovation District zal zich de komende jaren ontwikkelen tot een hoogstedelijk woonmilieu. De normen van het centrum-stedelijk milieu gebruiken we als vertrekpunt, maar omdat het nog te vroeg is om vast te stellen wat de samenstelling van de bewoners en daarmee de vraag naar voorzieningen zal zijn, is er nu nog geen aparte categorie voor hoogstedelijke referentienormen opgesteld. Voor het CID is globaal een voorzieningenprogramma uitgewerkt als bijlage bij de ontwerp-structuurvisie CID, verdere uitwerking volgt in de deelgebieden. Kenmerken van deze wijken: • Wonen midden tussen winkels, kantoren en (unieke) voorzieningen voor bewoners, bezoekers, werknemers en toeristen; • Zeer veel drukte, veel te zien en veel te beleven op straat; • Uitmuntend OV; • Zeer hoge bebouwingsdichtheid, hoogbouw en functiemenging in gebouwen.5

Afbeelding: impressie hoogstedelijk woonmilieu, bron: Wonen in Den Haag & CID Den Haag

1.1

Opbouw referentienormen Type voorziening De referentienormen zijn opgesteld voor de domeinen onderwijs, zorg, welzijn, kunst en cultuur, sport, spelen en groen. Richtlijn Als de stad groeit, neemt ook de vraag naar voorzieningen toe. Het aantal inwoners dat van een bepaalde voorziening gebruik kan maken, bepaalt bij welke toename aan inwoners een extra voorziening nodig is. Dit vertaalt zich naar een richtlijn uitgedrukt in

5

< INHOUD

RIS296833 Woonvisie Den Haag 2017-2030.

11

inwoner- of woningaantallen. Niet alle voorzieningen kennen een vastgestelde richtlijn. Daarvoor wordt alleen een referentienorm gehanteerd. Per soort voorziening kan de berekening afwijken. Bijvoorbeeld voor een huisarts geldt een norm voor de omvang van een praktijk gerelateerd aan het aantal inwoners, maar voor bijvoorbeeld basisscholen is een relatie te zien met het woonmilieu. In een groen-blauw woonmilieu, met meer eengezinswoningen zijn er naar verhouding meer kinderen dan in een centrum-stedelijk woonmilieu, en zal de behoefte naar scholen sneller toenemen. Ook is er verschil tussen de oorsprong van de richtlijn. In sommige gevallen betreft dit een wettelijk vastgestelde norm. In andere gevallen betreft het vastgesteld gemeentelijk beleid, een gemeentelijke ambitie of een vertaling van het huidige voorzieningenaanbod in Den Haag. Referentienorm De referentienorm geeft het benodigde aantal vierkante meters weer per 1.000 woningen per type voorziening. Dit geeft een beeld van zowel het ruimtebeslag, als de aantallen die nodig zijn bij het bouwen aan de stad. Voor sommige voorzieningen verschilt de referentienorm per woonmilieu, terwijl voor andere voorzieningen één stadsbrede referentienorm is aangehouden. Bijvoorbeeld voorzieningen die stedelijk worden aangeboden of waar de behoefte niet significant afwijkt per woonmilieu.

Maatvoering Een referentienorm voor elk type voorziening volstaat niet zonder kennis van passende maatvoering. Daarom wordt hier per voorziening nader op ingegaan. De maatvoering is een gemiddelde maatvoering voor het type voorziening en kan per locatie afwijken. Voedingsgebied Dat geldt ook voor het schaalniveau waarop de betreffende voorziening functioneert. Betreft het een wijkgebonden voorziening zoals een basisschool, of juist een stedelijke voorziening zoals de sportcampus. De maximale afstand die inwoners af willen leggen tot de voorzieningen en de bereikbaarheid daarvan speelt hierbij een belangrijke rol. Onderbouwing Naast de tabel met referentienormen, kennen de verschillende domeinen een eigen, sectorspecifieke onderbouwing van de referentienormen. Iedere sector heeft immers eigen wetgeving, ontwikkelingen en aandachtspunten, die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de referentienorm en die helpen om deze correct toe te kunnen passen. De onderbouwing en kanttekeningen zijn per domein terug te vinden in de bijlagen. Toegankelijkheid Toegankelijkheid van voorzieningen voor alle leeftijden en ongeacht eventuele (fysieke) beperkingen van de doelgroepen draagt bij aan optimaal gebruik van voorzieningen. Bij de realisatie van voorzieningen dragen wij hiervoor dan ook een bijzondere zorg, zowel waar het betreft gebouwen als de openbare ruimte.

< INHOUD

12

1.2

Tabel Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen

Categorie

Centrum-stedelijk

Gemengd Stedelijk

Groen-blauw

Richtlijn 1 school per 2.100 woningen

Richtlijn 1 school per 2.320 woningen

Richtlijn 1 school per 1.165 woningen

Referentienorm 2.100 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 1.900 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 3.800 m2 per 1.000 woningen

Richtlijn 1 school per 5.100 woningen

Richtlijn 1 school per 5.100 woningen

Richtlijn 1 school per 3.660 woningen

Referentienorm 1.250 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 1.250 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 1.750 m2 per 1.000 woningen

ONDERWIJS Primair Onderwijs Kindcentrum met: • 425 leerlingen • 1 gymzaal • Kinderopvang Inclusief speciaal onderwijs Voedingsgebied: Buurt/wijk Maatvoering: 4.400 m2 2.245 m2 onderwijs 455 m2 gymzaal 500 m2 kinderopvang 1.200 m2 buitenruimte Voortgezet Onderwijs • 700 leerlingen • 2 gymzalen Inclusief internationaal & speciaal onderwijs Voedingsgebied: Stadsdeel Maatvoering: 6.410 m2 5.000 m2 onderwijs 910 m2 gymzaal 500 m2 buitenruimte ZORG EN WELZIJN Eerstelijnszorg • huisarts • tandarts • apotheek • fysiotherapeut • verloskundige

Richtlijn 1 huisarts per 2.095 inwoners 1 tandarts per 2.000 inwoners 1 apotheek per 6.600 inwoners 1 fysiotherapeut per 1.075 inwoners 1 verloskundige per 2.000 vrouwen in de vruchtbare leeftijd

Voedingsgebied: Buurt/wijk

Referentienorm 365 m2 per 1.000 woningen:

Maatvoering: • huisarts 120 m2 • tandarts 120 m2 • apotheek 150 m2 • fysiotherapeut 50 m2 • verloskundige 40 m2

• huisarts 110 m2 • tandarts 115 m2 • apotheek 40 m2 • fysiotherapeut 90 m2 • verloskundige 10 m2

< INHOUD

13

Categorie

Centrum-stedelijk

Centrum Jeugd en Gezin

Richtlijn 1 CJG per stadsdeel wordt momenteel gehanteerd.

Voedingsgebied: Buurt/wijk Maatvoering: 1.400 m2 Club- en buurthuis, Wijk- en buurtcentrum, Servicepunt XL

Referentienorm 50 m2 per 1.000 woningen

Gemengd Stedelijk

Groen-blauw

Referentienorm 50 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 70 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 125 m2 per 1.000 woningen

Voedingsgebied: Buurt/wijk Maatvoering: Club- en buurthuis: 600 m2 Wijk- en buurtcentrum / Servicepunt XL: 2.500 m2 Hulp richting werk en armoede

Referentienorm 3 m2 per 1.000 woningen

Voedingsgebied: Stedelijke voorziening Begeleid wonen, vervangend tehuis en opvang

Referentienorm 200 m2 per 1.000 woningen

Voedingsgebied: Stedelijke voorziening Maatvoering: Ca. 35 m2 per bewoner Verslavingszorg

Referentienorm 3,4 plekken per 1.000 woningen

Voedingsgebied: Stedelijke voorziening KUNST EN CULTUUR Cultuurankers Voedingsgebied: Stadsdeel

Richtlijn Elk stadsdeel kent een eigen cultuuranker. Referentienorm 60 m2 per 1.000 woningen

Maatvoering: 1.000-3.000 m2 1.800 m2 gemiddeld Bibliotheken Exclusief centrale bibliotheek

Referentienorm 45 m2 per 1.000 woningen (één wijkbibliotheek per ca. 30.000 inwoners)

Voedingsgebied: Buurt/wijk Maatvoering: 500-1.500 m2 850 m2 gemiddeld

< INHOUD

14

Categorie

Centrum-stedelijk

Gemengd Stedelijk

Groen-blauw

SPORT Sporthal Voedingsgebied: Buurt/wijk

Richtlijn 1 sporthal per 22.000 inwoners Een nieuwe sporthal wordt altijd in combinatie met een gymzaal voor voortgezet onderwijs ontwikkeld.

Maatvoering: 3.000 m2 Zwembad Voedingsgebied: Stadsdeel

Richtlijn 1 zwembad per 77.500 inwoners (bron: rapport Drijver & Partners: spreiding is belangrijk + verdeling wedstrijd versus instructie)

Maatvoering: 4.000 m2 Buitensport Inclusief parkeren, buitenruimte, clubgebouwen Voedingsgebied: Stadsdeel Maatvoering: Varieert, sportcomplexen hebben bij voorkeur meerdere velden.

Richtlijn Naast het bouwen van extra veldruimte, zal de gemeente in samenwerking met de sportbonden inzetten op een betere spreiding van teams over het weekend. Bij het bereiken van de maximale bezetting groeien de buitensportaccommodaties mee aan de hand van de referentienormen. De opgave voor (anders-)georganiseerde buitensport wordt in het plangebied of indien niet mogelijk bij voorkeur binnen een hemelsbrede afstand van ongeveer 1.500 meter rond het plangebied gerealiseerd of opgelost. Deze afstandsnorm is gebaseerd op een acceptabele reisafstand naar een sportvoorziening, waarbij de fietsverbinding en de bereikbaarheid met openbaar vervoer een rol spelen. Referentienorm 4.000 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 6.000 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 10.000 m2 per 1.000 woningen

Speelveldjes zoals Cruyff- en Krajicek Courts Voedingsgebied: Stadsdeel

Referentienorm 1.000 m2 per 1.000 woningen

Sport in de openbare ruimte

Referentienorm Sport is een onderdeel van de totale openbare ruimte die voor gebruik(sgroen) wordt ingericht, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 1.000 m2 voor sport, spelen en bewegen per 1.000 woningen. In 2040 kan iedereen binnen een straal van 1 km rond zijn huis een gelegenheid vinden om te sporten in de openbare ruimte. Routes en rondjes worden waar mogelijk aan elkaar verbonden waardoor de wandelaar, de korte én de lange afstand sporter gemakkelijk zijn weg vindt.

(OPENBAAR) GEBRUIKSGROEN EN SPELEN Speelvoorzieningen Voedingsgebied: Buurt/wijk 0-6 jaar: 100-150 meter 7-12 jaar: 400-600 meter 13-18 jaar: 1.000 meter Maatvoering: 0-6 jaar: 200 m2 7-12 jaar: 500 m2 13-18 jaar: 750 m2

(Openbaar) Gebruiksgroen

Richtlijn 0-6 jaar: 1 speelplek per 50 kinderen 7-12 jaar: 1 speelplek per 75 kinderen 13-18 jaar: 1 speelplek per 100 kinderen Referentienorm 2.815 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 2.625 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 4.950 m2 per 1.000 woningen

0-6 jaar: 1 speelplek per 265 woningen

0-6 jaar: 1 speelplek per 275 woningen

0-6 jaar: 1 speelplek per 200 woningen

7-12 jaar: 1 speelplek per 525 woningen

7-12 jaar: 1 speelplek per 530 woningen

7-12 jaar: 1 speelplek per 275 woningen

13-18 jaar: 1 speelplek per 675 woningen

13-18 jaar: 1 speelplek per 785 woningen

13-18 jaar: 1 speelplek per 350 woningen

Referentienorm 8.000 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 16.000 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 24.000 m2 per 1.000 woningen

Voedingsgebied: Buurt/wijk

< INHOUD

15

Disclaimer De lijst met referentienormen is niet limitatief. De nadruk ligt op de voorzieningen waar de gemeente voor aan de lat staat en waarvan de behoefte goed te relateren is aan het aantal inwoners. Sommige voorzieningen hebben een ander karakter. Bijvoorbeeld bioscopen, filmhuizen en musea zijn sterk aanbod gedreven. Ook zijn er landmarks die de stad op de kaart zetten zoals in Den Haag de Sportcampus of Amare, die voorzien in een stedelijke, regionale of zelfs (inter)nationale behoefte. Particuliere scholen of sportscholen voorzien in een aanzienlijk deel van de behoefte, maar dit is in bovenstaande referentienormen niet betrokken. Hetzelfde geldt voor commerciële gelegenheden en kerken waar mensen samen komen, of het groen in particuliere tuinen waar velen van meegenieten.

< INHOUD

16

2

Ruimtelijke uitwerking: innovatie, functiemenging en compensatie Innovatief denken Bij verdichting vraagt de realisatie van functies het zo efficiënt en innovatief mogelijk omgaan met de beschikbare ruimte. Gebiedsontwikkeling en transformatie zijn daarmee anders en complexer dan verstedelijkingsopgaves uit het verleden. Dit vraagt een andere denkwijze op zaken als financiering, ontwerp, ontwikkeling, exploitatie en beheer. Maatwerk, fasering en duidelijke afspraken zijn nodig om voldoende ruimte te reserveren voor maatschappelijke voorzieningen op de daarvoor meest gunstige locaties. In Den Haag en andere steden zijn al voorbeelden bekend waarin slim is omgegaan met de ruimte.6 Deze voorbeelden zijn bruikbaar om oplossingen te bedenken om het totale ruimtebeslag van de functies te beperken door slimme combinaties aan te gaan in tijd, functionaliteit en ruimte. Om kostenefficiënt te werken aan nieuwe stedelijke gebieden moeten de voorzieningen direct mee ontwikkeld worden. Daarbij is het van belang om oog te houden voor de risico’s als gevolg van afhankelijkheden tussen de betrokken partijen. Gecombineerde ontwikkelingen zullen altijd vergezeld moeten gaan van een businesscase met aandacht voor de risico’s ten behoeve van besluitvorming.

Functiemenging Het combineren van functies is nodig in een verdichtende stad. Het ontwikkelen van goedwerkende combinaties is echter niet eenvoudig. Zowel het ontwerp, de financiering als het beheer is complex, het vergroot de onderlinge afhankelijkheid en de flexibiliteit kan hierdoor afnemen. Bovendien leent niet elke voorziening zich even goed voor de combinatie met andere functies.

6

< INHOUD

In de bijlagen is het onderzoek van De Zwarte Hond met voorbeelden van intensief ruimtegebruik toegevoegd.

17

Het besparen van vierkante meters moet als gevolg daarvan niet ten koste gaan van de beleving van de eindgebruiker. Daarom moet functiemenging integraal aangepakt worden, waarbij naast de fysieke argumenten dat het ruimte bespaart, ook wordt nagedacht over de “zachte” impact van de combinatie. Ontwerpen vanuit de gedachte wat bewoners nodig hebben om prettig te leven, werken en recreëren en de voorzieningenstructuur daarop laten aansluiten. Het creëren van maatschappelijke meerwaarde blijft daarmee het uitgangspunt. Daarom wordt ingezet op voorzieningenclusters waarbij al aangetoond is dat functiemenging een positief resultaat heeft op de omgeving en de ervaring van de burger. Denk aan kindcentra die basisonderwijs, kinderopvang en buitenschoolse opvang huisvesten, aan gezondheidscentra die allerlei eerstelijnszorgvoorzieningen onderbrengen (huisarts, apotheek, fysio), of aan het combineren van verschillende soorten gemeentelijke dienst- en hulpverlening. In de Binckhorst, het CID en Zuidwest zetten we in op de ontwikkeling van deze clusters en onderzoeken we nieuwe concepten van gebundelde huisvesting. Daarbij dient de aandacht wel uit te gaan aan het voorkomen van ongewenste neveneffecten, bijvoorbeeld door parkeergelegenheid niet mee te nemen in de opgave zelf.

< INHOUD

18

Functiemenging kan op verschillende manieren worden uitgevoerd:

Niet bouwen

maar zijn functies nog wel van elkaar

De behoefte ter discussie stellen:

fysiek te scheiden.

hoe belangrijk is het dat het wordt gebouwd? Dit biedt ook ruimte om

Achter elkaar

elders steviger te intensiveren.

Delen door gebruik op andere momenten: sportzaal overdag voor de

Vervangen

school, ’s avonds verhuren.

Functies met relatief groot ruimtebeslag en veranderende maatschap-

Stapelen

pelijke vraag vervangen door functies

Verschillende functies in één gebouw

met een grotere vraag of waarde, denk

stapelen: optimale ruimtebesparing,

bijvoorbeeld aan speelruimte ten

flexibiliteit en samenwerking, mo-

opzichte van parkeren.

gelijk eigen entrees. “Stapelen” in de openbare ruimte betekent bijvoor-

Bij de buren

beeld gebruiksgroen en speelruimte

Bestaande voorzieningen elders ge-

combineren.

bruiken: denk aan sportverenigingen in de omgeving die op zoek zijn naar

Oplossen

nieuwe leden.

De meest integrale oplossing met hoge toekomstwaarde: denk aan

Nevenschikken

bestemmingloos bouwen waarbij het

Functies naast elkaar plaatsen:

gebouw later makkelijk een andere

hierdoor ga je dichter bij elkaar zitten,

functie kan huisvesten.

Stedelijke afweging en compensatie De komende jaren worden in Den Haag voornamelijk in binnenstedelijke gebieden veel woningen bijgebouwd. Daardoor neemt de vraag naar voorzieningen in hoog tempo toe op deze locaties, terwijl er weinig ruimte beschikbaar is om deze te huisvesten. Door innovatieve combinaties kan er weliswaar efficiënt worden omgegaan met de beperkt beschikbare ruimte, maar dit is niet altijd voldoende. Zeker voor ruimtevragende voorzieningen als sportvelden zal de ontstane behoefte niet allemaal in de gebieden zelf opgelost kunnen worden. Beschikbare ruimte in omliggende wijken kan dan de oplossing bieden. Hierbij dient gewaakt te worden voor het opknippen van ontwikkelingen in kleinere deelgebieden die vervolgens naar elkaar verwijzen voor de voorzieningen. Een integrale visie op de ontwikkeling van een groter gebied, zoals Zuidwest, voorkomt dit “waterbed”effect. Concrete afspraken over compensatie moeten worden verankerd in het gemeentelijke instrumentarium bij gebiedsontwikkeling (zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk). Momenteel is dit nog niet voorzien. De referentienormen zijn daarvoor een belangrijk hulpmiddel. Door aan de hand van de referentienormen te kijken naar de aanwezige

< INHOUD

19

voorzieningen in de buurt én in de gehele stad, ontstaat een beeld van waar tekorten liggen in Den Haag en het specifieke gebied. Aan de hand van het voedingsgebied van een voorziening kunnen geschikte locaties binnen deze afstand worden gezocht, om aan de behoefte te voldoen.

Bestuurlijke keuzes De grote verstedelijkingsopgave leidt ook tot de vraag of alle ambities wel een plek gaan vinden in centrum- en hoogstedelijke gebieden. Er moet goed nagedacht worden over wat allemaal wel en niet mogelijk is op de ontwikkellocaties. Niet alles kan. Door innovatief te bouwen, functiemenging en compensatie elders wordt de groeiende ruimtevraag zo goed mogelijk opgelost. Wanneer niet alles past, zal een bestuurlijke keuze gevraagd worden over welke voorzieningen waar te realiseren, en welke voorzieningen niet. Bijstelling van de woningbouwproductie is dan ook een scenario. Aan de hand van gebiedsgerichte voorzieningenprogramma’s en stedelijk onderzoek naar de opgaven per sector in de bestaande stad kan deze afweging zo goed mogelijk gemaakt worden. Met deze manier van werken voorkomen we dat keuzes op gebiedsniveau leiden tot grootschalige tekorten op stedelijk niveau.

“Het inpassen van maatschappelijke voorzieningen is in een hoogstedelijke context complexer dan in een uitbreidingslocatie. Dit maakt dat de gemeente op voorhand na moet denken en communiceren over de beoogde voorzieningen. “7 Bij die afweging is het de kunst om over de project- of gebiedsgrenzen heen te kijken en de bijdrage van voorzieningen aan de leefbaarheid van een gebied of de stad als geheel mee te wegen. Fysieke en sociale waarden beïnvloeden daarmee beiden de waarde van de stad, maar niet allebei even direct. In het kader van de omgevingsvisie Den Haag zal de leefbaarheid van de stad een nadrukkelijke rol spelen, waarbij niet alleen het voorzieningenniveau maar ook ruimtelijke kwaliteit en brede welvaart inzichtelijk worden gemaakt. Dit vraagt tevens om een goede monitoring op deze aspecten.

Leefbaarheidseffectrapportage (LER) In 2017 presenteerde het wijkberaad Bezuidenhout de leefbaarheidseffect rapportage, ook wel LER genoemd.8 De LER is gepresenteerd als digitaal toetsings- en sturingsinstrument, waarmee scores aan de huidige leefbaarheid zijn toegekend. Deze zijn zowel gebaseerd op zeven normen afkomstig vanuit het Rijk, de EU en WHO, als op 47 criteria opgesteld uit stedelijke gemiddelden of streefwaarden.

< INHOUD

7

Onderzoek De Zwarte Hond, dec. 2019

8

De LER is te benaderen via de website: http://3dgeoviewer.nl/ler.”

20

Gezien de verschillen in hardheid van de gebruikte criteria, is het inzetten van de LER als toetsingsinstrument minder bruikbaar. De LER geeft wel aanleiding tot het goede gesprek over het verenigen van verschillende ambities en de gevolgen daarvan voor de woonomgeving. Om die reden is het inzetten van de LER als participatietool waardevol. De raad heeft besloten tot een proef hiermee (RIS304391). De referentienormen die geformuleerd zijn voor grote gebiedsontwikkelingen kunnen behulpzaam zijn als kengetallen voor de LER. De precieze waarde en werking hiervan maakt deel uit van de proef.

Leefbaarheidseffectrapportage, bron: Gebiedsontwikkeling.nu9

9

https://www.gebiedsontwikkeling.nu/artikelen/ datagedreven-gebiedsontwikkeling-leefbaarheidseffectrapportage-maakt-de-weg-vrij/

< INHOUD

21

3

Van referentienorm naar realisatie: verdere uitwerking, financiering en ontwikkelstrategie De referentienormen zijn een goed hulpinstrument om de voorzieningenbehoefte ruimtelijk uit te drukken. Daarmee is de realisatie van deze voorzieningen nog niet gegarandeerd. Een succesvolle vertaling naar de praktijk bepaalt uiteindelijk de meerwaarde van de referentienormen voor Den Haag. Hiervoor is een consequente aanpak nodig. Uitwerking van referentienormen naar specifieke voorzieningenprogramma’s voor deelgebieden is noodzakelijk. Strategische huisvestingsplannen voor alle soorten maatschappelijke voorzieningen zijn een logische vervolgstap om als gemeente te sturen op het gewenste aantal voorzieningen. Een herziening van de financiering en ontwikkeling van maatschappelijk vastgoed is nodig om beter aan te sluiten bij de veranderende maatschappelijke context en de invoering van de Omgevingswet.

3.1

Maatwerk en voorzieningenprogramma’s Voor het bepalen van de concrete opgave per gebied zal maatwerk nodig blijven. De behoefte aan voorzieningen is sterk afhankelijk van het type inwoners in een wijk. Per voorziening spelen andere aspecten een rol, bijvoorbeeld de leeftijd van de inwoners, aanwezigheid van kinderen, het inkomensniveau of het opleidingsniveau. Ook is niet altijd vooraf bekend wat de samenstelling van de bevolking is in een nieuw te ontwikkelen wijk en zijn veranderingen in de tijd mogelijk.

< INHOUD

22

Daarom spreken we af om voor gebiedsontwikkelingen een voorzieningenprogramma op te stellen waarin op basis van de referentienormen wordt aangegeven welke voorzieningen in welke constellatie zullen worden toegevoegd. Dit is het resultaat van een uitgebreide analyse van het gebied, de demografie en de reeds aanwezige voorzieningen.

Binckhorst Voor de Binckhorst is een omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) van kracht, dat planologisch inzicht geeft in de toegestane functies. Maatschappelijke voorzieningen maken hier deel van uit. Het Voorzieningenprogramma Binckhorst (RIS303870) geeft inzicht in de benodigde ruimte en type voorzieningen.

CID Voor de (ontwerp-)structuurvisie voor het CID is eveneens een voorzieningenprogramma opgesteld (RIS305178), met zowel benodigde vierkante meters als potentieel geschikte locaties. De afspraak geldt dat voor de deelgebieden voorzieningenkaarten worden uitgewerkt om dit te concretiseren.

Zuidwest Voor Den Haag Zuidwest is de visieontwikkeling in volle gang. Ook hier zal een voorzieningenprogramma worden opgesteld dat in deelgebieden wordt uitgewerkt. De ambities die hiermee in beeld zijn gebracht, worden uitgewerkt naar een realisatiestrategie waarbij de gemeente verschillende instrumenten inzet, zoals planologische besluiten, eigen grondposities, financiële middelen, en afspraken met ontwikkelende partijen. In een gebiedsexploitatie kunnen kosten en baten van de totale ontwikkeling (inclusief de maatschappelijke voorzieningen) inzichtelijk gemaakt worden.

3.2

Strategische Huisvestingsplannen De referentienormen vormen een leidraad om zicht te houden op het voorzieningenniveau bij gebiedsontwikkelingen. Dit neemt echter niet in beschouwing in hoeverre de huidige voorzieningen voldoen aan de beleidsdoelstellingen. Een belangrijke vervolgactie is een analyse van de huidige voorzieningen en het ontwikkelen van een afwegingskader om bestaande voorzieningen te toetsen, op basis van zaken als functionaliteit, duurzaamheid, financiën en bezettingsgraad. De parameters zullen per sector moeten worden opgesteld. Dit vormt de basis voor het ontwikkelen van strategische huisvestingsplannen per domein de komende periode. Voor onderwijs is deze opgave al uitgevoerd. In het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2020-2030 zijn voor de volgende tien jaar de opgaven voor onderwijshuisvesting in Den Haag in kaart gebracht. Daarmee geeft het inzicht in de omvang en samenhang van de totale huisvestingsopgave van Den Haag en de investeringen die daarmee gepaard gaan. De investeringsplanning wordt tweejaar-

< INHOUD

23

lijks op basis van de bevolkingsprognose en beschikbare middelen bijgesteld. Door dit voor elk domein in kaart te brengen en actueel te houden, ontstaat een overzicht van de gehele maatschappelijke vastgoedportefeuille en de ambities voor de komende jaren.

3.3

Dekking Indien er voor gekozen wordt om in aansluiting bij de woningbouwproductie uitvoering te geven aan de realisatie van voorzieningen dan gaat dat in de meeste gevallen niet zonder dat hiervoor gemeentelijke financiële middelen beschikbaar worden gesteld. Daarom zal gestart worden met het in beeld brengen van deze financiële opgave per type voorzieningen en per gebiedsontwikkeling zodat deze kostenpost integraal kan worden meegewogen bij besluitvorming over gebiedsontwikkelingen. Binnen de kaders van de vastgestelde gemeentelijke begroting wordt op projectniveau op basis van een businesscase besloten over de toekenning van middelen. De wijze waarop de realisatie en exploitatie van maatschappelijke voorzieningen gefinancierd wordt verschilt in de huidige situatie per type voorziening.10 Reguliere lasten in de exploitatie nemen via de zogenoemde areaalsystematiek toe met de groei van de stad. Investeringsbudgetten zijn uitgezonderd van deze systematiek. De achtergrond hiervan is kort gezegd dat investeringen grote uitbreidingsbeslissingen zijn waarvoor expliciete besluitvorming in het college en de gemeenteraad nodig is. Gevolg van deze methodiek is dat uitbreidingsinvesteringen niet in de begroting zijn voorzien. Hierom dient een methodiek te worden ontwikkeld die de dekking van deze uitbreidingsinvesteringen mogelijk maakt.

Voor bestaande investeringen geldt dat vrijvallende investeringsbudgetten uit het MIP aan het college ter beschikking worden gesteld voor nieuwe investeringen en deels voor het REIS. Uiteraard voor zover deze middelen structureel zijn en deze niet nodig zijn voor het doen van noodzakelijke vervangingsinvesteringen in bestaande voorzieningen (materiele instandhouding van de voorziening). Denk hierbij aan bijvoorbeeld installaties of vervangende nieuwbouw. Het resterende bedrag maakt onderdeel uit van de investeringsruimte bij de integrale begrotingsafweging. Met een integrale afweging kunnen nut en noodzaak van voorzieningen tegen elkaar worden afgewogen in relatie tot de beschikbare middelen. Duidelijk is wel dat de vrijvallende middelen uit het MIP onvoldoende zijn om groei van het aantal voorzieningen te kunnen realiseren. Naast de investeringen die nodig zijn voor de uitbreidingsbehoefte zal inzichtelijk worden gemaakt welke (vervangings) investeringen de komende jaren zijn te voorzien en waar deze structureel gedekt zijn (MIP of onderhoudsexploitatie).

10 Zie bijlage 2 voor aanvullende informatie over de financiering van voorzieningen per domein.

< INHOUD

24

Naast de investeringskant is er de exploitatie in de vorm van beheer en onderhoud en subsidieverlening aan instellingen. De programmabegrotingen voor huisvesting groeien niet mee wanneer de stad groeit. In de nader uit te werken dekkingsmethodiek dient deze component eveneens te worden meegenomen. De huidige coronacrisis en de economische gevolgen daarvan kunnen de vastgoed- en gebiedsontwikkelingen onder druk zetten. Juist in crisistijd is het belangrijk om de kwaliteit van de ontwikkelingen te bewaken en de regie te houden. De referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen zelf zijn niet het sluitende antwoord hierop. Wel geven de normen houvast voor de te verwachten kosten in relatie tot de woningbouwplannen. Bij het opstellen van businesscases zal bovendien de exploitatie moeten worden meegenomen. Er zal een generiek onderzoek worden gestart om te bezien in hoeverre de huidige gemeentelijke financieringssystematiek passend is voor de opgave en of deze aangepast dient te worden.

Categorie

Wettelijke taak huisvesting gemeente

Investeringen vervanging en uitbreiding

Exploitatie en beheer

Onderwijs

Ja11

Structurele middelen, toekenning via het Programma Onderwijshuisvesting

Verantwoordelijkheid schoolbesturen, bekostigd via lumpsum ministerie van OCW ((groot)onderhoud, aanpassingen, energieverbruik en schoonmaak)

Zorg

Deels12

Eigenstandige verantwoordelijkheid van de zorginstellingen

Huisvestingslasten deels via subsidies, deels via andere inkomsten bekostigd (markt/verzekeraars).

Welzijn

Deels13

Incidenteel, rendabele investering via het MIP

Servicepunten XL en CJG’s worden volledig bekostigd door de gemeente (kapitaallasten en exploitatie). Wijkcentra betalen huur, maar inkomsten via subsidies.

Kunst en cultuur

Nee

Incidenteel, onrendabele investering via het MIP

Bekostigd door subsidies. Klein onderhoud door instellingen, groot onderhoud door de gemeente

Sport

Nee

Incidenteel, via de MJOP

Sportvelden beheerd door de gemeente, sportaccommodaties in bruikleen aan de vereniging (verantwoordelijk voor onderhoud). Personeelskosten, onderhoudskosten en subsidies uit programmabegroting Sport.

Groen

Nee

Investeringen: incidenteel via grondexploitaties en kostenverhaal (overeenkomsten met ontwikkelende partijen)

Dagelijks beheer en onderhoud: structureel, via Programma Buitenruimte. Bij incidentele investeringen dient structureel beheer gedekt te zijn.

Spelen

Nee

Structureel, via stadsdeelbudget voor Openbaar Groen en openluchtrecreatie

Beheer en onderhoud door de gemeente, actief bijgestaan door vrijwilligers, ouders en verzorgers.

Tabel 1: overzicht kaders financiering per type voorziening

11 Wet op het primair onderwijs & Wet op het voortgezet onderwijs. De gemeente is verantwoordelijk voor de huisvesting van scholen in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs. 12 Wet maatschappelijke ondersteuning. 13 Wet maatschappelijke ondersteuning, Participatiewet en Jeugdwet. De gemeente is wettelijk verplicht om ondersteuning te bieden, maar is vrij in de keuze voor het aanbod van de soort voorzieningen.

< INHOUD

25

3.4

Ontwikkelstrategie Met de invoering van de Omgevingswet verandert de context van stedelijke ontwikkeling. Alle betrokken partijen zullen hieraan moeten wennen en zich aanpassen. Er wordt nog te veel sectoraal gewerkt, terwijl integraal werken meer oplevert voor hetzelfde geld. De uitdagingen van grootstedelijke ontwikkelingen op het gebied van maatschappelijke voorzieningen zullen niet alleen door de markt of de lokale overheid opgelost kunnen worden. Hierin is het zoeken naar de juiste balans: wat pakt de markt op, en waar ligt een rol voor de overheid? De gemeente heeft verschillende instrumenten tot haar beschikking.

Kostenverhaal Het kostenverhaal in gebiedsexploitaties vraagt nader onderzoek. Diverse verschijningsvormen zijn denkbaar. Grondexploitaties en anterieure overeenkomsten behoren tot het vertrouwde instrumentarium. Op stedelijk niveau kan bekeken worden welke mogelijkheden er zijn om een Nota Kostenverhaal te benutten.

Actief grondbeleid Tegelijkertijd zal de gemeente ook zelf ontwikkelen op eigen grond en waar nodig actief grondbeleid (aankoop van grond) moeten voeren. Daarbij gaat het vooral om grotere voorzieningen als georganiseerde buitensport, sporthallen, VO-scholen of een bibliotheek. Daar waar de gemeente de maatschappelijke voorzieningen op deze wijze moet ontwikkelen, zal gezocht worden naar het bundelen van functies in voorzieningenclusters.

Nieuwe instrumenten Ook nieuwe instrumenten als een gebiedsinvesteringszone, Plint BV en straatmanagement kunnen bijdragen aan het verevenen van de kosten van maatschappelijke voorzieningen met de opbrengsten van commerciële voorzieningen. Daarbij kunnen bijvoorbeeld afspraken worden gemaakt over een bepaald percentage van de plint dat voor maatschappelijk tarief beschikbaar wordt gesteld, waar zorgfuncties, buurthuizen of servicepunten gebruik van kunnen maken. In de grote gebiedsontwikkelingen die voorzien zijn, kunnen hiermee pilots worden opgestart. Daarbij betrekken we zeker ook de woningcorporaties, die zowel goed zicht hebben op de bewoners die van hun woningen afhankelijk zijn als de expertise hebben op het gebied van vastgoedontwikkeling. Met name in Zuidwest liggen hier kansen. De pilots worden betrokken bij de doorontwikkeling van het nieuwe instrumentarium. In combinatie met de invoering van de Omgevingswet en het daarin voorziene instrumentarium kunnen werkwijzen worden aangepast. Dit biedt een kans om fysieke en sociale waarden, in balans met elkaar, een plek te geven in de langetermijnontwikkeling van de gemeente.

< INHOUD

26

Realisatie van voorzieningen op grond van strategische huisvestingsplannen De realisatie van voorzieningen in de gebiedsontwikkelingen wordt afgestemd op de strategische huisvestingsplannen. Zo ontstaat synergie tussen de gebiedsgerichte aanpak en de ambitie om voorzieningen in de hele stad op peil te houden.

< INHOUD

27

4

Conclusies, aandachtspunten Met de referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen zet Den Haag een belangrijke stap om de juiste invulling te kunnen geven aan de groei van de stad. Hieronder enkele belangrijke conclusies en aandachtspunten:

Het zal samen moeten gebeuren Met de invoering van de Omgevingswet verandert de context. Alle betrokken partijen zullen hieraan moeten wennen en zich aanpassen. Er wordt nog te veel sectoraal gewerkt, terwijl integraal werken meer oplevert voor hetzelfde geld. De uitdagingen van grootstedelijke ontwikkelingen op het gebied van maatschappelijke voorzieningen zullen niet alleen door de markt of de lokale overheid opgelost kunnen worden. Tegelijkertijd zal de gemeente afhankelijk van het domein meer of minder de regierol invullen.

Behoefte aan maatwerk en vervolgonderzoek De behoefte aan voorzieningen is sterk afhankelijk van het type inwoners in een wijk. Per voorziening spelen andere aspecten een rol, bijvoorbeeld de leeftijd van de inwoners, aanwezigheid van kinderen, het inkomensniveau of het opleidingsniveau. Dit maakt dat de toepassing van de referentienormen altijd maatwerk is. Strategische huisvestingsplannen voor alle sectoren geven inzicht in de omvang en samenhang van de totale maatschappelijke huisvestingsopgave van Den Haag en de investeringen die daarbij gepaard gaan. Dit maakt regie voeren als gemeente eenvoudiger.

Aandacht voor de financiering van maatschappelijk vastgoed en openbare ruimte/ongebouwde voorzieningen Zonder middelen kunnen geen voorzieningen gerealiseerd worden. De komende jaren zijn grote, aanvullende investeringen nodig om het woningbouwtempo bij te benen en de rest van de voorzieningen mee te laten groeien. De referentienormen vormen de basis voor het opnemen van investeringen via het MIP.

< INHOUD

28

Tot slot Maatschappelijke voorzieningen zijn slechts één facet van het ruimtelijk beleid, maar wel een belangrijk facet. De gemeente staat voor de opgave om in de verdichte stad een integraal omgevingsbeleid te voeren, daartoe uitgenodigd door de invoering van de Omgevingswet. Deze referentienormen en de nadere uitwerking en evaluatie daarvan zullen dan ook een rol spelen bij het opstellen van de Haagse omgevingsvisie.

< INHOUD

29

Bijlagen Bijlage 1 Onderbouwing per domein Bijlage 2 Financiering Bijlage 3 S  amenvatting rapportage BSP – Ruimtelijke referentienormen voorzieningen Den Haag Bijlage 4 Onderzoek De Zwarte Hond – Intensivering maatschappelijke voorzieningen Bijlage 5 Voorzieningenprogramma CID en Binckhorst

< INHOUD

30

Bijlage 1 Onderbouwing per domein Bijlage 1a. Onderwijs Gemeenten hebben de wettelijke zorgplicht voor voldoende en adequate huisvesting voor scholen binnen de gemeentegrenzen. Als nieuwe wijken ontstaan en bestaande wijken worden verdicht, moeten daar tijdig nieuwe scholen en andere belangrijke voorzieningen voor kinderen staan. De gemeente heeft hierin een regierol. Den Haag zet in op brede buurtscholen en kindcentra. Over vier jaar zijn alle Haagse vo-scholen een brede (buurt)school. Dit houdt in dat elke vo-school met andere scholen, instellingen en/of bedrijven samenwerkt om het onderwijs voor hun leerlingen te verbreden en te verrijken. Daarnaast wordt ingezet op de ontwikkeling van kindcentra: integrale voorzieningen voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar. Onderwijs, zorg en welzijn komen in kindcentra bij elkaar.

Onderbouwing referentienorm Primair Onderwijs • Een basisschool is een buurtvoorziening. • In een kindcentrum wordt primair onderwijs gecombineerd met een gymzaal en kinderopvang. • Per 425 leerlingen is 1 basisschool nodig. Dit is gebaseerd op de voorkeur om kindcentra met een dubbele leerlijn te bouwen (minimaal 17 groepen). • Het benodigde metrage voor een kindcentrum betreft 4.400 m2 bruto vloeroppervlak.

< INHOUD

31

Binnenruimte (m2)

Buitenruimte (m2)

BVO per 425 leerlingen (m2)

Primair onderwijs

2.245

1.000

3.245

Gymzaal

455

Kinderopvang

500

455 200

Totaal

700 4.400 m2

Tabel 2: uitsplitsing referentienormen primair onderwijs in m2 BVO

Voortgezet Onderwijs • Een vo-school is een bovenwijkse voorziening. • Momenteel kent Den Haag ongeveer 40 vo-scholen en ruim 28.000 leerlingen in de bijbehorende leeftijdscategorie. Per 700 leerlingen is een school in het voortgezet onderwijs nodig. • Het benodigde bruto vloeroppervlak voor een middelbare school is ca. 6.410 m². Dit is inclusief buitenruimte en twee gymzalen. • Speciaal en internationaal onderwijs zijn meegenomen in de referentienormen, maar niet uitgesplitst in een eigen categorie.

Binnenruimte (m2)

Buitenruimte (m2)

BVO per 700 leerlingen (m2)

Klaslokalen

5.000

500

5.500

Gymzalen

910

910

Totaal

6.410 m2

Tabel 3: uitsplitsing referentienormen voortgezet onderwijs in m2 BVO

< INHOUD

32

Bijlage 1b. Zorg en welzijn De wereld van zorg en welzijn kent veel wettelijke kaders. Doordat men langer zelfstandig thuis woont, is zorg en ondersteuning in de buurt van groot belang. Hagenaars in een kwetsbare positie kunnen sinds 2015 voor brede ondersteuning terecht bij de Servicepunten XL. Deze zijn gehuisvest in buurt- en wijkcentra, met een breed welzijnsaanbod. Er vindt steeds meer verbinding plaats tussen welzijn en de eerstelijnszorg, zoals in het gezondheidscentrum de Rubenshoek al het geval is. De missie is dat de Haagse jeugd veilig, gezond en met plezier opgroeit, haar talenten ontwikkelt en meedoet in de stad. In het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) zijn de taken bijeengebracht die de gemeente uitvoert op grond van de Wet Publieke Gezondheid en de Jeugdwet. Sinds 2012 heeft elk stadsdeel een eigen CJG.

Onderbouwing referentienorm Eerstelijnszorgvoorzieningen De eerstelijnszorgvoorzieningen betreffen huisarts, tandarts, fysiotherapeut, verloskundige en apotheek. Dit is zorg waar inwoners zelf zonder verwijzing naartoe kunnen gaan. • Voor huisartsen geldt een normpraktijk van 1 huisarts per 2.095 patiënten. Echter, de normpraktijk voor huisartsen is de afgelopen periode al diverse keren naar beneden bijgesteld. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) pleit al enkele jaren voor een verkleining van het aantal patiënten in huisartsenpraktijken, zodat huisartsen meer tijd per patiënt krijgen. Wat de LHV betreft komt de norm op 1.800 patiënten per praktijk te liggen. • De referentienormen voor de overige voorzieningen zijn gebaseerd op de huidige situatie in Nederland, Zuid-Holland of Den Haag. Hierin is geen rekening gehouden met over- of onderbenutting op dit moment. • In het groen-blauwe woonmilieu is de huishoudensgrootte per woning groter dan in de andere milieus. In theorie zou dit voor iedere voorziening een grotere behoefte per woning betekenen. Echter betreffen dit juist ‘sterke’ wijken waar de bevolking meer te besteden heeft en over het algemeen een gezondere leefstijl heeft. Daarom wordt een gezamenlijke referentienorm gehanteerd voor alle woonmilieus. • Maatwerk is noodzakelijk op basis van de huidige bezetting en het type inwoners in een wijk.

Aantal per 1.000 inwoners

BVO m2 per 1,0 fte

Huisarts

0,48

120

Tandarts

0,5

120

Apotheek

0,15

150

Fysiotherapeut

0,93

50

Verloskundige

0,5 per 1.000 vrouwen in de vruchtbare leeftijd

40

Tabel 4: referentienormen eerstelijnszorg

< INHOUD

33

Welzijn, jeugd en wijken De referentienormen voor welzijn jeugd en wijkvoorzieningen zijn in beeld gebracht op basis van het huidige metrage per inwoner in Den Haag. • De behoefte aan CJG’s en club- en buurthuizen is groter in wijken met veel kinderen en jongeren. Bij het opstellen van deze referentienormen is gekeken naar het huidige aantal vierkante meters en niet naar feitelijk gebruik. • Feitelijk worden beschikbare vierkante meters in wijk- en buurtcentra (Servicepunten XL) ook gebruikt als club- en buurthuizen. Er is een grote mate van functievermenging. Veel maatschappelijke initiatieven, bewonersinitiatieven, vrijwilligersorganisaties en zelforganisaties maken gebruik van beide soort locaties. Daarom is gekozen voor één gezamenlijke referentienorm. • Den Haag hanteert het beleidsmatige concept van een “Buurthuis van de toekomst”, waarin sportclubs, scholen, culturele-, zorg- en welzijnsinstellingen en andere organisaties een accommodatie delen. De behoefte in vierkante meters aan welzijnsvoorzieningen wordt daarom deels ondergebracht in voorzieningen van een andere categorie. • Stadsdelen krijgen signalen dat er momenteel een ruimtetekort is voor maatschappelijke initiatieven en dat de bezettingsgraad van welzijnslocaties over het algemeen hoog ligt.

• Het feitelijk gebruik en het wenselijk gebruik voor welzijnsactiviteiten moet daarom verder worden onderzocht om de referentienorm een zo passend mogelijke weergave te laten zijn van de behoefte aan welzijnsvoorzieningen.

Huidig BVO m2

M2 per 1.000 inwoners

Centrum Jeugd en Gezin

13.900

26 m2

Club- en buurthuis

3.000

6 m2

Wijk- en buurtcentrum/ Servicepunt XL

29.500

55 m2

Totaal

87 m2

Tabel 5: referentienormen welzijn, jeugd en wijken

Sociale zaken en dienstverlening: hulp richting werk en armoede Dit betreft klantontvangst richting werk en armoede, bestaande uit: • Centrale voorzieningen waaronder gemeentelijke kredietbank, WSP (Den Haag Werkt!), Coördinatie Punt dak- en thuislozen en re-integratie. • Wijkvoorzieningen waaronder schuldenproblematiek, sociale raadsleden en servicepunten arbeid (gericht op jongeren). Over het algemeen is centralisering van de voorzieningen wenselijk. Voor bepaalde doelgroepen is sprake van een drempel, waarmee het van belang is dat er ook voorzieningen in de nabijheid zijn. Momenteel is een groot deel van de voorzieningen gesitueerd aan de Binckhorstlaan 119.

< INHOUD

34

Voorzieningen sociale zaken

Huidig BVO m2

M2 per 1.000 inwoners

6.080

1,3 m2

Tabel 6: referentienormen hulp richting werk en armoede

Begeleid wonen, opvang en verslavingszorg • In totaal zijn er in Den Haag 49 locaties voor begeleid wonen, vervangend tehuis en opvang. Een deel betreft gemeentelijk vastgoed (15.500 m2) en een deel andere instellingen en stichtingen zoals het Leger des Heils. Dit zijn 34 locaties met een capaciteit voor 1.034 personen. Met een gemiddelde van 35 m2 per persoon (totaal 36.200 m2) leidt dit tot een metrage van 200 m2 per 1.000 woningen. • Op dit moment zijn er 22 locaties voor verslavingszorg met een capaciteit van 884 personen. Op basis van de huidige woningvoorraad in Den Haag komt dit neer op 3,4 plekken per 1.000 woningen.

< INHOUD

35

Bijlage 1c. Kunst en cultuur In het Beleidskader Kunst en Cultuur 2021-2024: Zee aan mogelijkheden (2019) zet de gemeente in op het in standhouden van een divers en hoogwaardig cultureel aanbod voor een breed publiek. De gebiedsontwikkelingen in de Binckhorst, het CID en Zuidwest zijn daarom van grote invloed om deze ambitie te realiseren. Voldoende ruimte voor kunst en cultuur is van belang om de leefbaarheid in deze gebieden te behouden of vergroten.

Onderbouwing referentienorm Cultuurankers Ieder stadsdeel in Den Haag heeft een Cultuuranker, zoals een theater, bibliotheek of museum van waaruit activiteiten voor het stadsdeel georganiseerd worden. Ieder cultuuranker speelt in op de eigenschappen van de buurt. De referentienormen voor cultuurankers zijn gebaseerd op het huidige aanbod aan voorzieningen in Den Haag. Er zijn acht cultuurankers (waarvan 2 bibliotheken) in Den Haag met in totaal een metrage van ca. 15.000 m2. In totaal is er op dit moment ca. 60 m2 aan cultuurankers per 1.000 woningen aanwezig in Den Haag. Daarnaast zet Den Haag in op diverse stedelijke voorzieningen rondom kunst en cultuur, waaronder voldoende ateliers en broedplaatsen en een aantrekkelijk aanbod aan poppodia, film en musea. Dit trekt ook bezoekers aan van buiten Den Haag.

Bibliotheken Er zijn 14 bibliotheken in de wijken van Den Haag met in totaal een metrage van ca. 12.000 m2 (exclusief de centrale bibliotheek van 16.750 m2 met een stedelijk verzorgingsgebied). Op basis van de huidige woningvoorraad is dit 45 m2 per 1.000 woningen. In dit getal zit een overlap met de referentienorm voor cultuurankers, omdat de cultuurankers in Leidschenveen-Ypenburg en Loosduinen ook een bibliotheek betreffen. Uitgangspunt voor beleid is de bibliotheekvisie 2021-2025, Bibliotheek in Beweging (RIS 306227 collegebesluit 25 september 2020).

Overige kunst- en cultuurvoorzieningen Daarnaast zet Den Haag in op de wijk overstijgende functies atelierruimte, broedplaatsen, theater, dans en film, poppodia/muziek, musea, cultuur verzamelpanden en de centrale bibliotheek. Aangezien dit vooral ambities betreffen, en de voorzieningen deels afhankelijk zijn van bezoekers (van elders), zijn deze voorzieningen niet uitgedrukt in referentienormen. Dit neemt niet weg dat dit belangrijke voorzieningen zijn voor de inwoners van Den Haag. Hetzelfde geldt voor kunst in de openbare ruimte; ook hiervoor is een referentienorm noemen niet haalbaar, maar dit neemt niet weg dat kunst in de openbare ruimte van belang is.

< INHOUD

36

Bijlage 1d. Sport De ambitie van het college is dat in 2030 100% van de Hagenaren sport. Dit betekent dat elke Hagenaar minstens eens per maand moet sporten. In 2014 was de sportdeelname circa 70%. Om te kunnen sporten zijn er voldoende sportvoorzieningen in de buurt nodig. Den Haag groeit en het aanbod aan sportvoorzieningen moet aansluiting blijven vinden op de groeiende sportvraag. Verspreid over de stadsdelen hebben we op dit moment de beschikking over 6 (openbaar toegankelijke) zwembaden, 17 sporthallen en 195 sportvelden. De afgelopen 4 jaar hebben we 19 nieuwe kunstgrasvelden (voetbal, hockey, korfbal en rugby) gerealiseerd. Ook zijn we trots op de diverse (inter)nationale topsportaccommodaties, zoals de Sportcampus Zuiderpark, het Zeilcentrum in de haven, het Cars Jeans Stadion, Het Hofbad en de voormalige RAC-hallen (urban sports). De gemeenteraad heeft – constaterende dat Den Haag er tot 2040 zeker 80.000 inwoners bij krijgt – gevraagd om een (richtinggevende) sportnorm die leidend moet zijn bij de toekomstige ontwikkelingen. De norm moet aangeven in welke mate het aantal sportvoorzieningen met de stad mee moet groeien. Op 25 november 2020 heeft de gemeenteraad ingestemd met het Haags Sportakkoord (RIS306192). Hierin is de visie op sport en bewegen verwoord.

Onderbouwing referentienorm De referentienormen zijn gebaseerd op de data over de huidige hoeveelheid aan sportvoorzieningen in de gemeente Den Haag. De (kwantitatieve en kwalitatieve) vraag naar sport is afhankelijk van het type inwoners en verschilt daarmee per wijk. Aanwijzingen voor toepassing van de sportnorm De norm wordt gebruikt om de behoefte aan veldoppervlak te berekenen. Voordat dit leidt tot de aanleg van extra sportterrein wordt eerst gekeken of de sportcapaciteit op bestaande accommodaties kan worden geoptimaliseerd door bijvoorbeeld omzetting van gras in kunstgras. De ruimtelijke inbedding van projecten in het stedelijk weefsel en de hoeveelheid ruimte in projectgebieden maken het niet altijd mogelijk of wenselijk het sportprogramma in het gebied zelf te realiseren. In de opeenvolgende fasen van de gebiedsontwikkeling (haalbaarheid en ontwerp) gelden daarom de volgende spelregels: • De ruimte voor sport om de hoek (sporten en bewegen in de openbare ruimte) á 1 m2 per woning wordt binnen het plangebied gerealiseerd. • De opgave voor (anders-)georganiseerde buitensport wordt in het plangebied of indien niet mogelijk bij voorkeur binnen een hemelsbrede afstand van ongeveer 1.500 meter rond het plangebied gerealiseerd of opgelost.

De afstandsnorm voor (anders-)georganiseerde sport is gebaseerd op een acceptabele reisafstand naar een sportvoorziening, waarbij de fietsverbinding en de bereikbaarheid met openbaar vervoer een rol spelen. Bij kleine woningaantallen zal het draagvlak voor een sportvoorziening binnen het plangebied te klein zijn, maar wel bijdragen aan de

< INHOUD

37

vraag op een hoger schaalniveau (bijvoorbeeld aan de vraag naar zwemwater). Door de opgave per plangebied in kaart te brengen, kan in volgende planfasen beredeneerd bekeken worden of de sportopgave in het gebied zelf of bovenplans wordt gerealiseerd. Om een goed beeld hiervan te krijgen wordt in een nadere studie een stadsbreed planologisch spreidingsbeeld voor sport en bewegen uitgewerkt. Hierin wordt op stedelijk en bovenplans niveau gekeken naar de uitbreiding en spreiding van het stedelijke sportaanbod. Sporthal • In Den Haag zijn 25 sporthallen aanwezig, waarvan 19 sporthallen in eigendom zijn van de gemeente Den Haag. Vier sportverenigingen beschikken over een eigen sporthal en verhuren deze aan andere sportverenigingen. • Daarnaast hebben het Roemer Visscher College en het Segbroek College een sporthal voor het eigen bewegingsonderwijs. Deze sporthallen zijn in de avond en het weekend beschikbaar voor overige partijen. Echter, omdat de gemeente niet kan garanderen dat deze ruimte beschikbaar is voor sport, zijn deze vierkante meters niet meegenomen in de referentienorm. • Om de referentienorm te berekenen, is uitgegaan van de huidige situatie van 1 sporthal per 22.000 inwoners. Het gemiddelde bruto vloeroppervlak van een sporthal in Den Haag is ca. 2.840 m2. Dit komt neer op 118 m2 sporthal per 1.000 inwoners.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9779178/1