RIS307359 Bijlage
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
34
3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. Omgevingsverordening Zuid‐Holland De provincie Zuid‐Holland heeft haar ecologisch beleid vastgelegd in de Omgevingsverordening. Hiermee worden bepaalde gebieden en landschapselementen beschermd, zoals het Natuurnetwerk Nederland, gebieden uit de strategische reservering natuur en het weidevogelgebied.
Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Provincies zijn bevoegd om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor de groep 'Andere soorten', waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid‐Holland heeft deze verordening op 9 november 2016 vastgesteld. Onderzoek Gebiedsbescherming Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat binnen het projectgebieden geen beschermde natuurgebieden zoals Natura200‐gebied of delen van Natuurnetwerk Nederland aanwezig zijn. Voor Natura2000‐gebieden geldt dat deze ook bescherming genieten tegen ontwikkelingen op afstand die tot negatieve effecten binnen Natura2000‐gebied kunnen zorgen. In dat verband is stikstofonderzoek uitgevoerd voor het project Parelmoer, om daarmee de uitstoot van stikstof in zowel de sloop‐, de aanleg‐ als de gebruiksfase in beeld te brengen net als de eventuele effecten daarvan op Natura2000‐gebied. Deze drie berekeningen en de bijbehorende notitie waarin de resultaten toegelicht worden, zijn respectievelijk opgenomen als Bijlage 10, Bijlage 11, Bijlage 12 en Bijlage 13. Uit deze berekeningen, zoals ook blijkt uit de bijbehorende notitie, blijkt dat de sloop‐, aanleg‐ en gebruiksfase niet leiden tot een depositie van stikstof binnen Natura2000‐gebied. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.
Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten. Er is op dit vlak geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Soortenbescherming Quick scans Bij de voorbereiding van het project is de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in beeld gebracht door middel van twee ecologische quick‐scans, één voor het noordelijke deel van het projectgebied en één voor het zuidelijke deel. Beide rapportages zijn als bijlage bij deze onderbouwing opgenomen, respectievelijk als Bijlage 14 en Bijlage 15. Beide quick scans gaven aanleiding tot nader onderzoek naar specifieke beschermde soorten, aangezien de aanwezigheid daarvan op basis van de quick scans niet kon worden uitgesloten. Het betreft onderzoek naar gierzwaluwen (uitsluitend noordelijk deel) en vleermuizen (noordelijk en zuidelijk deel). Daarnaast wordt in de quick scans gewezen op de beschermde status van broedende vogels. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van vogelnesten voorafgaand aan de werkzaamheden
Rho adviseurs voor leefruimte
35
gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden. Soortenonderzoek Naar aanleiding van beide quick scans, zijn vervolgens twee soortenonderzoeken uitgevoerd. Het soortenonderzoek voor het noordelijk deel heeft onderzoek gedaan naar het de effecten van het project op gierzwaluwen en vleermuizen. De rapportage hiervan is opgenomen als Bijlage 16 en Bijlage 17. Uit het soortenonderzoek voor zowel het noordelijk als zuidelijk deelgebied komt naar voren dat in het projectgebied vaste zomer‐, winter‐ en paarverblijfplaatsen aanwezig zijn. Door de beoogde sloop van de bebouwing zullen deze verdwijnen, wat leidt tot de verplichting om een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag dient een activiteitenplan opgesteld te worden waarin onder andere het wettelijk belang, de alternatievenafweging en mitigerende en compenserende maatregelen in beschreven staan. Aanvraag ontheffing Wnb en Activiteitenplan Gelet op bovenstaande is een Activiteitenplan opgesteld ten behoeve van de ontheffingsaanvraag in het kader van de Wnb. Dit Activiteitenplan is als Bijlage 18 bij deze onderbouwing opgenomen.
Op basis hiervan is op 4 oktober 2019 tevens de ontheffingsaanvraag in het kader van de Wnb ingediend. Over deze aanvraag is inmiddels separaat besloten door de provincie Zuid‐Holland als bevoegd gezag. Zij hebben de betreffende ontheffing verleend. Een afschrift hiervan is opgenomen in Bijlage 19. Conclusie Het aspect ecologie staat de uitvoering van het project niet in de weg voor zover het project wordt uitgevoerd met inachtname van het Activiteitenplan en binnen de kaders van de door de provincie afgegeven ontheffing.
4.9.
Archeologie
Toetsingskader De gemeente Den Haag kent een gemeentedekkende archeologische waarden‐ en verwachtingenkaart. Op basis van historische gegevens, aangetroffen vindplaatsen en uitgevoerde onderzoeken is voor het gemeentelijk grondgebied waar zich vindplaatsen bevinden, waar deze verwacht kunnen worden en in welke gebieden geen archeologische waarden verwacht worden. Op basis van deze kaart zijn de volgende beschermingsniveaus uiteengezet: Terrein van archeologische waarde: Waarde 1 en Waarde 1 Statenkwartier Zone met een archeologische verwachting: Waarde 2 Zone zonder verwachting. Per zone is vervolgens vastgesteld bij welke bodemverstorende werkzaamheden (oppervlakte en diepte) er archeologisch onderzoek nodig is. Onderzoek In figuur 4.8 is een uitsnede opgenomen van de gemeentelijke archeologische waarden‐ en verwachtingenkaart. Daarop is in blauw de begrenzing van het projectgebied weergegeven. Daaruit blijkt dat het projectgebied zich bevindt in een zone zonder archeologische verwachting. Binnen deze zone is, ongeacht de omvang en diepte van werkzaamheden, geen archeologisch onderzoek verplicht.
Rho adviseurs voor leefruimte
36
Figuur 4.8
Uitsnede gemeentelijke archeologische waarden‐ en verwachtingenkaart
Wel wordt er gewezen op de wettelijke meldingsplicht, die bepaalt dat ook in het geval er geen onderzoek is vereist en er bij bouwwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische overblijfselen worden aangetroffen hier melding van gemaakt dient te worden. Conclusie Het aspect archeologie staat de uitvoering van het project niet in de weg.
4.10. Cultuurhistorie Binnen het projectgebied zijn geen aangewezen monumenten of andere cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig. Ook is geen sprake van andere beschermde cultuurhistorische waarden, zoals een beschermd stads‐ of dorpsgezicht of molenbiotoop.
Rho adviseurs voor leefruimte
37
Hoofdstuk 5
5.1.
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Initiatiefnemer draagt zelf de kosten van planontwikkeling en de onderzoekskosten benodigd om te komen tot de beoogde afwijking op het vigerende bestemmingsplan. Voor zover de ambtelijke kosten niet al verzekerd zijn in het vigerende bestemmingsplan zal er tussen de gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst worden afgesloten, waarin afspraken worden gemaakt over vergoeding van ambtelijke kosten en kostenverhaal welke toegerekend kan worden aan de afwijking ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Hiermee worden de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het besluit om in afwijking van het vigerende bestemmingsplan de omgevingsvergunning te verlenen voor het project, wordt gedurende een periode van 6 weken als ontwerpbesluit ter inzage gelegd. In deze periode kan door een ieder een zienswijze op het plan worden ingediend. Op 29 januari 2020 heeft bovendien een informatieavond over het project plaatsgevonden waarbij omwonenden en geïnteresseerden geïnformeerd zijn over het project. Een verslag van deze avond is opgenomen als bijlage 20 bij deze ruimtelijke onderbouwing.
Rho adviseurs voor leefruimte
38
Rho adviseurs voor leefruimte
39
Hoofdstuk 6
Conclusie
De beoogde ontwikkeling kan niet worden vergund op basis van het vigerende bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.12 Wabo kan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken worden van het geldende bestemmingsplan. Een belangrijke voorwaarde om te mogen afwijken is dat er wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de beginselen van een goede ruimtelijke ordening. Deze ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening: de ontwikkeling wordt op een passende wijze stedenbouwkundig ingepast; de ontwikkeling sluit aan bij de geldende beleidskaders; er zijn geen milieutechnische belemmeringen.
Rho adviseurs voor leefruimte
40
Rho adviseurs voor leefruimte