RIS307359 Bijlage
Tekst van het document
Project Parelmoer Ulenpasstraat en omgeving Ruimtelijke onderbouwing
Project Parelmoer Ulenpasstraat en omgeving
Ruimtelijke onderbouwing
identificatie
planstatus
projectnummer:
datum:
status:
230902.20191207
28‐04‐2020
definitief
projectleider:
ir. R.A. Sips
Delftseplein 27b
aangesloten bij:
RBOI - Rotterdam postbusbv150 Delftseplein 27b 3000 AD Rotterdam Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl
© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
3
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1.
Aanleiding
1.2.
Ligging project
1.3.
Planologische regeling
1.4.
Leeswijzer
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
2.1.
Huidige situatie
2.2.
Beoogde ontwikkeling
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1.
Rijksbeleid
3.2.
Provinciaal beleid
3.3.
Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
4.1.
Verkeer en parkeren
4.2.
Wegverkeerslawaai
4.3.
Water
4.4.
Externe veiligheid
4.5.
Milieuzonering bedrijven
4.6.
Luchtkwaliteit
4.7.
Bodem
4.8.
Ecologie
4.9.
Archeologie
4.10.
Cultuurhistorie
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1.
Economische uitvoerbaarheid
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 6
Conclusie
Rho adviseurs voor leefruimte
7
11
17
25
37
39
4
Bijlagen (niet bijgevoegd) Bijlage 1
Bezonningsstudie
Bijlage 2
Rapport parkeren en verkeer
Bijlage 3
Onderzoek verkeerslawaai
Bijlage 4
Waterstudie
Bijlage 5
Bodemonderzoek Noord
Bijlage 6
Nader bodemonderzoek Noord
Bijlage 7
Bodemonderzoek Zuid
Bijlage 8
Toetsing bodemonderzoek Noord
Bijlage 9
Toetsing bodemonderzoek Zuid
Bijlage 10
AERIUS‐berekening sloopfase
Bijlage 11
AERIUS‐berekening aanlegfase
Bijlage 12
AERIUS‐berekening gebruiksfase
Bijlage 13
Onderzoek stikstofdepositie
Bijlage 14
Ecologische quick scan (noord)
Bijlage 15
Ecologische quick scan (zuid)
Bijlage 16
Soortenonderzoek (noord)
Bijlage 17
Soortenonderzoek (zuid)
Bijlage 18
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Wnb
Bijlage 19
Ontheffing Wnb
Bijlage 20
Verslag informatieavond 29‐01‐2020
Rho adviseurs voor leefruimte
Ruimtelijke onderbouwing
6
Figuur 1.1
Overzichtskaart Moerwijk Oost
Rho adviseurs voor leefruimte
7
Hoofdstuk 1
1.1.
Inleiding
Aanleiding
In 2017 hebben de gemeente Den Haag. de Wijkontwikkelingsmaatschappij DHZW en woningbouwcorporaties Vestia gezamenlijk een gebiedsverkenning uit laten voeren voor de wijk Moerwijk Oost. Deze drie partijen hebben gezamenlijk het merendeel van de gronden en woningen binnen Moerwijk Oost in bezit. In de gebiedsverkenning hebben zij de mogelijkheden voor vernieuwing in de wijk Moerwijk Oost laten onderzoeken en een voorkeursvariant uitgesproken. De voorkeursvariant uit het rapport richt zich op het verbeteren van ruimtelijke verbindingen binnen de wijk, verdichting rondom station Moerwijk, versterking van de centrale voorzieningenzone in de wijk en het verbeteren en verduurzamen van de woningvoorraad. In lijn met deze aanpak, is door Vestia/WOM een plan uitgewerkt om rondom de Ulenpasstraat diverse woonblokken te vernieuwen. Onder de projectnaam 'Parelmoer' worden enkele blokken met appartementen gesloopt en worden nieuwe woonblokken met een gevarieerd woningaanbod teruggebouwd. Aangezien dit plan niet past binnen de mogelijkheden uit het huidige bestemmingsplan, is een ruimtelijke procedure nodig om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Bij de aanvraag van het bouwplan wordt tevens de aanvraag ingediend om af te kunnen wijken van het huidige bestemmingsplan.
Om deze procedure te kunnen doorlopen is een ruimtelijke onderbouwing nodig waaruit blijkt dat ook in de nieuwe situatie sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorligend document betreft die onderbouwing.
1.2.
Ligging project
Zoals omschreven in de vorige paragraaf, maakt het project deel uit van een grotere gebiedsaanpak voor Moerwijk Oost. Een overzichtskaart van Moerwijk Oost is opgenomen in figuur 1.1. Het project Parelmoer omvat: de drie blokken met portiekwoningen langs de zuidezijde vande Ulenpasstraat, gelegen tussen de Middachtenweg en de Zijpendalstraat; de blokken met portiekwoningen aan de Middachtenweg, Hackfortstraat en Verwoldestraat; in al deze gevallen uitsluitend het eerste blok ten noorden van de Ulenpasstraat; de bebouwing aan de oostzijde van de Zijpendalstraat, ten noorden van de Ulenpasstraat tot aan de Wildenborghstraat. Een overzichtstekening van het project en daarmee van het projectgebied is opgenomen in figuur 1.2.
Rho adviseurs voor leefruimte
8
Figuur 1.2
1.3.
Overzichtstekening project Parelmoer
Planologische regeling
Het planologische regime voor het projectgebied is vastgelegd in het bestemmingsplan Moerwijk van de gemeente Den Haag, zoals vastgesteld op 20 september 2018. Een uitsnede van de verbeelding is in figuur 1.3 weergegeven. In rode omlijning zijn indicatief de bouwblokken omlijnd die met het project Parelmoer worden vernieuwd.
Figuur 1.3
Uitsnede bestemmingsplan Moerwijk
Rho adviseurs voor leefruimte
9
Op basis van de bestemming Wonen ‐ 2 is het woongebruik toegestaan en mogen er binnen de bouwvlakken woningen gebouwd worden. Voor de betreffende bouwvlakken zijn in het bestemmingsplan zowel de toegestane goot‐ als bouwhoogte opgenomen. De meeste blokken binnen het projectgebied kennen een toegestane goot‐ en bouwhoogte van respectievelijk 10 m en 11 m. Uitzondering zijn het meest noordelijke bouwvlak aan de Zijpendalstraat (7m / 8 m) en het bouwvlak aan de Middachtenweg (13m / 14m). Op basis van een uitgevoerde plantoets is gebleken dat het bouwplan van het project Parelmoer afwijkt van het bestemmingsplan doordat de nieuwe bouwblokken niet overal binnen de geldende bouwvlakken zijn gesitueerd en doordat de toegestane goot‐ en bouwhoogte op diverse punten wordt overschreden.
1.4.
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 3 omvat een beschrijving van het relevante, ruimtelijke beleidskader op Rijks‐, provinciaal en gemeentelijk niveau en een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling hieraan. De onderbouwing van en het onderzoek naar de sectorale omgevingsaspecten komen in hoofdstuk 4 aan de orde. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project beschreven. Hoofdstuk 6 sluit af met de conclusies uit deze ruimtelijke onderbouwing.
Rho adviseurs voor leefruimte
10
Rho adviseurs voor leefruimte
11
Hoofdstuk 2
2.1.
Projectbeschrijving
Huidige situatie
Moerwijk In de uitgevoerde gebiedsverkenning uit 2017 wordt Moerwijk omschreven als typische Haagse naoorlogse wijk, op te splitsen in vier buurten: Noord, Oost, Zuid en West. Moerwijk telt bijna 20.000 inwoners en is opmerkelijk jong (aantal 65‐plussers is slechts 12 %). Moerwijk staat in de top 10 van armste wijken in Nederland. Het inkomensniveau is ten opzichte van andere wijken in Den Haag veruit het laagst. Bij de huishoudens is vaak sprake van multi‐problematiek (werkloosheid en gedragsproblematiek). De leefbaarheid wordt als matig beoordeeld, vooral het gevoel van veiligheid wordt genoemd als negatief en veel bewoners ervaren woonoverlast. De contrasten zijn groot in Moerwijk. Enerzijds staan er aantrekkelijke eengezinswoningen en anderzijds staan er onaantrekkelijke voormalige sloopcomplexen. Het contrast is soms al zichtbaar in dezelfde straat. Dwars door de wijk lopen drie grote autowegen (Erasmusweg, Moerweg, Middachtenweg) die de wijk letterlijk opsplitsen in vier delen. Toch is Moerwijk wel een wijk met potentie; de stedenbouwkundige structuur is goed, straten zijn breed, er is veel groen en water en voorzieningen in en buiten de wijk. Er zijn ook voldoende recreatieve mogelijkheden door het Zuiderpark dat praktisch om de hoek ligt en de bereikbaarheid is erg goed door autowegen en openbaarvervoer.
Het winkelcentrum Leyweg en het stadsdeelkantoor zijn op loopafstand. Moerwijk heeft drie buurtgerichte winkelgebieden: De Betje Wolffstraat, Het Heeswijkplein en de Jan Luijkenlaan, waarbij de Betje Wolffstraat de functie van wijkwinkelcentrum vertegenwoordigt. Moerwijk‐Oost bestaat uit circa 1500 woningen waarvan de meeste in eigendom van Vestia en de WOM DHZW zijn. Projectgebied Het projectgebied rondom de Ulenpasstraat bestaat overwegend uit blokken van 3 lagen hoog met portiekwoningen, met kelders in de onderbouw. Uitzondering zijn het blok langs de Middachtenweg (4 lagen hoog) en het noordelijke blok aan de Zijpendalstraat (2 lagen, waarvan garages op de begane grond). De bouwblokken binnen het projectgebied kennen allen dezelfde bouwstijl en uitstraling, zoals weergegeven in figuur 2.1. Aan de Ulenpasstraat kent de bebouwingsstructuur een ruime opzet doordat er alleen aan de zuidzijde bebouwing aanwezig is. Langs de noordzijde van de Ulenpasstraat is een stevige groen‐ en waterstructuur aanwezig, weergegeven in figuur 2.2.
Rho adviseurs voor leefruimte
12
Figuur 2.1
Aanzicht bebouwing Ulenpasstraat
Figuur 2.2.
Groen‐ en waterstructuur noordzijde Ulenpasstraat
De dwarsstraten aan de noordzijde van de Ulenpasstraat kennen voor in de straat nog bouwblokken die aansluiten bij de bebouwing aan de Ulenpasstraat. Verderop in deze straten heeft al vernieuwing plaatsgevonden en bevinden zich moderne eengezinswoningen (figuur 2.3). Een uitzondering hierop vormt de Zijpendalstraat waar tot aan de Wildenborghstraat nog oude bebouwing aanwezig is.
Rho adviseurs voor leefruimte
13
Figuur 2.3
2.2.
Overgang oudbouw en nieuwbouw in de Verwoldestraat
Beoogde ontwikkeling
Het project Parelmoer voorziet in de sloop van de bestaande bouwblokken binnen het projectgebied en het realiseren van een meer gevarieerd, duurzaam en modern woningaanbod. Daarbij blijft de wegen‐, groen‐ en waterstructuur behouden. Toch ontstaat er, los van de nieuwe en andere typen woningen, een iets andere stedenbouwkundige opzet doordat in de nieuwe situatie ook langs de noordzijde van de Ulenpasstraat bebouwing is voorzien. Hiermee wordt de bebouwing in de dwarsstraten afgerond met bebouwing op de kopse kanten, die spiegelen met de bebouwing langs de zuidzijde van de Ulenpas. Een visualisatie hiervan is weergegeven in figuur 2.4.
Rho adviseurs voor leefruimte
14
Figuur 2.4
Visualisatie nieuwbouw Ulenpasstraat en omgeving
Aan de zuidzijde van de Ulenpasstraat komen drie vervangende woonblokken met appartementen terug, bestaande uit 5 bouwlagen. De nieuwe bebouwing die aan de noordzijde langs de singel wordt gepositioneerd, bestaat eveneens uit 3 bouwblokken van 5 bouwlagen. Deze gespiegelde opzet zorgt voor verbinding tussen de in totaal 6 bouwblokken, waardoor het groen en water dat hiertussen ligt een meer centrale positie krijgt. Achter de bouwblokken aan de noordzijde van de Ulenpasstraat, komen in de zijstraten eengezinswoningen van wisselend 2 en 3 bouwlagen, daarmee aansluitend bij de reeds gerealiseerde nieuwbouw in deze straten. Een uitzondering hierop vormt de Middachtenweg, waar de achterliggende bebouwing eveneens bestaat uit een blok met appartementen. Dit blok kent 6 bouwlagen, wat weer aansluit bij de nieuwbouw die in deze straat reeds is gerealiseerd en die eveneens bestaat uit een appartementenblok van 6 bouwlagen. Door een uniforme ontwerpstijl, die bovendien gebaseerd is op de Dudok‐architectuur van de huidige bouwblokken, is sprake van een goede inpassing in en aansluiting op de omliggende bebouwing. Die inpassing wordt verder bewerkstelligd door het zoveel mogelijk aan laten sluiten van de bouwhoogtes op de aangrenzende bebouwing.
Rho adviseurs voor leefruimte
15
Figuur 2.5
Visualisatie aansluiting nieuwbouw, gezien vanaf achterzijde bebouwing zuidzijde Ulenpasstraat
Hoewel de bouwblokken in uniforme stijl zijn ontworpen, kennen de blokken wel onderscheid in het type woningen. Uit de overzichtstekening in figuur 2.6 blijkt de verdeling van het type woningen en de bijbehorende aantallen over de diverse bouwblokken. Ten aanzien van de nieuwbouw is door A3 Architecten tevens een vergelijking gemaakt tussen de schaduwwerking van de bestaande en de toekomstige bebouwing. Op deze manier wordt het effect van het project met betrekking tot schaduwwerking op de bestaande omgeving in beeld gebracht. Volgens het Haagse bezonningsbeleid moet of kan er een rapportage worden gevraagd indien: 1. er sprake is van een bouwhoogte van meer dan 25 meter of als de nieuwebouw ten minste 1,5 keer de hoogte heeft van de gemiddelde hoogte van de omgeving ‐ de initiatiefnemer dient in dat geval de rapportage aan te leveren. 2. er sprake is van kleinere hoogten, bijvoorbeeld bij dakopbouwen of extra bouwlagen, per situatie door Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) te bepalen of er sprake is van te verwachten schaduwhinder. 3. in het bestemmingsplan een nadere eisenregeling ten aanzien van bezonning is opgenomen. In dit geval is het onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van punt 2. De vergelijking is opgenomen als Bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing.
Aangezien zowel situering als de massa van het merendeel van de nieuwe bebouwing vergelijkbaar is met de bestaande situatie, blijkt uit de bezonningsstudie dat er geen wezenlijk andere schaduwwerking ontstaat voor de bestaande, omliggende woningen. Die redenatie gaat niet op voor de drie nieuwe bouwblokken langs de noordzijde van de singel. De schaduwwerking daarvan heeft overwegend effect op een deel van de eengezinswoningen uit het project zelf, ten noorden van de drie nieuwe bouwmassa's. Dit zijn nog geen bestaande woningen en er is bovendien nog geen omgevingsvergunning voor afgegeven. Om die reden hoeft er met deze woningen formeel geen rekening te worden gehouden. De schaduwwerking van het project op de bestaande omgeving wordt gelet op de uitgevoerde vergelijking acceptabel geacht.
Rho adviseurs voor leefruimte
16
F1 t/m 6 ‐ 56 EGW betaalbare koop
W1 ‐ 29 APP betaalbare koop W2 ‐ 29 APP betaalbare koop W4 ‐ 29 APP sociale huur W3 ‐ 29 APP betaalbare koop Figuur 2.6 Verdeling type en aantal woningen
Rho adviseurs voor leefruimte
V3 ‐ 34 APP sociale huur V2 ‐ 34 APP sociale huur V1 ‐ 29 APP middeldure huur
17
Hoofdstuk 3
3.1.
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie In werking getreden op 13 maart 2012 De visie schetst de doelen, belangen en opgaven van het Rijk tot 2028 en de ambities tot 2040. Uitgangspunt is de ruimtelijke ordening zoveel mogelijk over te laten aan gemeenten en provincies (decentraal, tenzij), minder nationale belangen te benoemen, en eenvoudigere regelgeving toe te passen. De nationale belangen die worden benoemd betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer‐ en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden. Met het project worden geen belangen geraakt waar de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zich over uitspreekt. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In werking getreden op 30 november 2011, laatste gewijzigd per 1 januari 2018 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is de juridisch bindende vertaling van de Omgevingsvisie naar lagere overheden. Onder de vlag van de Omgevingswet zal dit Besluit vervangen worden door zogenoemde instructieregels, maar vooralsnog geldt het Barro. Hiermee wordt de visie, waarmee op Rijksniveau een toekomstperspectief wordt geschetst, vertaald in bindende regels waar lagere overheden zich bij het opstellen en vergunnen van plannen aan te houden hebben.
Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV‐netwerk en buisleidingen van nationaal belang. De projectlocatie ligt niet binnen zones waar op basis van het Barro beperkingen of voorwaarden van toepassing zijn. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Iedere ruimtelijk besluit waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk word gemaakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Voor binnenstedelijke projecten moet de behoefte worden beschreven. Deze onderbouwing is daarop afgestemd en gaat in op de behoefte. Wel of geen stedelijke ontwikkeling? De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
18
De gronden hebben nu een woonfunctie in het geldende bestemmingsplan Moerwijk. In totaal worden 235 woningen gesloopt en 269 woningen teruggebouwd, waarvan 213 appartementen en 56 eengezinswoningen. Ten opzichte van de huidige situatie worden 34 woningen toegevoegd. De bouwvlakken worden anders gepositioneerd en de bouwhoogte neemt op een aantal plekken toe. Gelet op het bovenstaande is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. V1 = 29 APP middeldure huur V2 = 34 APP sociale huur V3 = 34 APP sociale huur W4 = 29 APP sociale huur W3 = 29 APP betaalbare koop W2 = 29 APP betaalbare koop W1 = 29 APP betaalbare koop F 1t/m6 = 56 EGW betaalbare koop
Figuur 3.1 Bestemmingsplanvergelijking Bestaand stedelijk gebied In de algemene bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening (1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. De locatie heeft al een stedelijke functie (in dit geval de woonfunctie) en is volledig omsloten door andere stedelijke functies en infrastructuur. Relevante regio Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van de aard en omvang het programmaonderdeel dat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat de regio Haaglanden en daarbinnen de gemeente Den Haag. Beschrijving behoefte De behoefte blijkt uit de provinciale woningbehoefteraming (WBR). Bij de bepaling van de behoefte (gewenste woningvoorraadgroei) wordt gewerkt met twee demografisch gestuurde ramingen: 'binnenlands migratiesaldo nul' (WBR) en 'binnenlands migratiesaldo trendmatig' (TR).
De provincie stelt eens in de drie jaren het hoogste aantal woningen per regio vast als standaard voor de onderbouwing van de woningbehoefte. De Woningbehoefteraming gaat voor de woonregio Den Haag uit van een behoefte van ruim 57.000 woningen in de periode 2020‐2030. De prognose voor de gemeente Den Haag komt uit op meer dan 41.000 woningen (jaarlijks meer dan 4.000 woningen).
Rho adviseurs voor leefruimte
19
Figuur 2.2 Woningbehoefte subregio Den Haag en gemeente Den Haag (bron: WBR, 2019) De kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte blijkt verder uit diverse beleidsstukken en regionale afspraken die hierna worden behandeld. Woondeal zuidelijke Randstad Om de druk op de woningmarkt te verminderen, moeten er in de periode tot 2025 100.000 woningen extra bijkomen in de zuidelijke Randstad, oplopend tot 230.000 in 2040. In de Woondeal zuidelijke Randstad (2019) is afgesproken dat het Rijk, de provincie Zuid‐Holland en de gemeenten in de regio samen optrekken om de woningbouwproductie te versnellen, de leefbaarheid in zwakkere wijken te verbeteren en excessen aan te pakken. Knoop Moerwijk is een aangewezen verdichtingslocatie. Woonvisie Woningmarktregio Haaglanden 2017 – 2021 Voldoende betaalbare woningen, duurzaam bouwen in de regio, en prettige en leefbare woonwijken. Dat zijn enkele van de concrete ambities van de nieuwe Woonvisie Woningmarktregio Haaglanden 2017 – 2021 (2016). Sinds 2014 neemt de druk in de Randstad toe. De visie speelt hier op in en kijkt naar de toekomst. In de Woonvisie staan vijf belangrijke ambities: Het opstellen van een regionaal woningbouwprogramma. Regionaal voldoende betaalbare woningen aanbieden. Duurzaam bouwen en renoveren in Haaglanden. De regio levensloopgeschikt maken. Werken aan leefbare en prettige woonwijken.
De gemeenten streven ernaar om aan de verwachte behoefte van ruim 50.000 nieuwe woningen in 2025 te voldoen. Daarbij zal uiteraard nieuwbouw plaatsvinden, maar ze kijken ook naar de mogelijkheden die leegstaande kantoren en bedrijventerreinen bieden voor nieuwe woningen. De focus ligt meer op woonvormen voor jonge, oudere en kleinere huishoudens, omdat in deze groep de vraag toeneemt. Dit project geeft daar invulling aan door transformatie van een woongebied. Tot 2025 komen er, zo is de verwachting, ruim 50.000 huishoudens bij in de regio Haaglanden. Onder hen bevinden zich met name jonge huishoudens in de leeftijd van 25 tot 40 jaar (circa 14.000), jonge ouderen van 55 tot 75 jaar (27.351) en ouderen van 75 jaar en ouder (circa 22.000). Het aantal huishoudens in de leeftijd van 40 tot 55 jaar neemt juist met circa 11.000 af. Deze nieuwe huishoudens zijn gemiddeld kleiner, bestaan wat minder uit (klassieke) gezinnen en zijn (iets) vaker éénverdieners. Voor de regio betekenen deze cijfers dat er in de komende jaren een aanzienlijke bouwopgave ligt om iedereen aan een goede woning te helpen. Een opgave waarbij de focus niet alleen op eengezinswoningen, maar ook op gestapelde woningbouw gericht dient te zijn. Dit laatste vanwege de verwachte toename van het aantal kleinere huishoudens.
Rho adviseurs voor leefruimte
20
Regionale afstemming Het regionale woningbouwprogramma (Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017‐2021) is in 2016 geactualiseerd en met de provincie afgestemd. De regio Haaglanden heeft afgesproken om jaarlijks gemiddeld 5.000 woningen toe te voegen, gelet op de aantrekkende woningmarkt. Het verhogen van de woningproductie (van 3.500 naar 5.000 woningen) sluit aan bij de grote opgave om de stedelijke woonvraag te accommoderen. Dit is een opgave om circa 70.000 woningen tot 2030 in de stedelijke regio's waar nog geen concrete plannen voor zijn of uitgesteld zijn, naast een kwalitatieve mismatch in de gevraagde woonmilieus en het planaanbod. De provincie heeft in een reactie op de regionale afstemming (20 september 2016) aangegeven dat ze als geschikte plekken voor stedelijke milieus vooral locaties ziet die multimodaal zijn ontsloten, in de nabijheid van stedelijke voorzieningen. Het gebied is bij uitstek geschikt door de ligging op fietsafstand van station Den Haag Moerwijk (minder dan 10 minuten fietsen). Afstemming met Gedeputeerde Staten heeft op 2 november 2017 weer plaatsgevonden. Hierin is aangegeven dat vijf gemeenten, waaronder Den Haag, het initiatief hebben genomen om verdichtingsopgaven zoveel mogelijk te plannen binnen 'Bestaand stads‐ en dorpsgebied' en nabij hoogwaardig openbaar vervoer. De locatie is bij uitstek geschikt om een nieuw woonmilieu te realiseren.
Woonagenda 2019 – 2023 In de gemeentelijke Woonagenda 2019 – 2023 (2019) is ook aangegeven dat Den Haag de komende jaren met 4 tot 5.000 inwoners per jaar groeit. Om te zorgen dat iedereen in onze stad prettig kan wonen zijn dan ook flinke maatregelen nodig voor de Haagse woningmarkt. In de Woonagenda 2019‐2023 staan deze maatregelen. Ze moeten zorgen voor voldoende en betaalbare woningen én bijdragen aan de aantrekkelijkheid van Den Haag als woonstad. In Den Haag zijn te weinig woningen voor het aantal woningzoekenden. Dat geldt voor alle prijsklassen. De maatregelen uit de Woonagenda doen daar de komende jaren iets aan. Het gaat zowel om nieuwbouw als om maatregelen voor bestaande woningen in de stad. Een groot deel van de maatregelen is opgenomen in de huisvestingsverordening die op 1 juli 2019 is ingegaan. Voor een ander deel van de maatregelen maakt de gemeente afspraken met partijen in de stad, zoals woningcorporaties, ontwikkelaars en beleggers. De maatregelen in de Woonagenda zijn ingedeeld in 4 thema's. De voor dit project relevante punten zijn hierna benoemd: 1. Middensegment De gemeente voert een huisvestingsvergunning in voor zowel de sociale huursector als de middenhuursector. Deze vergunning is nodig om een woning te mogen huren. Een verhuurder mag geen woning verhuren aan iemand zonder vergunning.
Hierdoor blijven voldoende goedkope en middeldure huurwoningen beschikbaar voor mensen met de juiste bijpassende inkomens. Bij nieuwbouw is minimaal 20% van de woningen een middeldure huurwoning met een huur onder € 950 (prijspeil 2019). De helft van die middeldure huurwoningen heeft een huur onder de € 850 (prijspeil 2019). 2. Goedkoop segment De gemeente hanteert een norm van 30% sociale woningbouw voor de hele stad. De corporaties zijn het eerst in beeld bij de bouw van sociale woningbouw. Corporaties bouwen minimaal 750 sociale huurwoningen per jaar erbij. De regels voor een urgentieverklaring worden duidelijker beschreven. Alleen huishoudens die het echt nodig hebben, kunnen aanspraak maken op een urgentieverklaring. Om starters te helpen gaat Den Haag 5% van de vrijkomende sociale huurwoningen verloten onder deze doelgroep. Voor jongeren komen er speciale woningen, zodat zij een goede start kunnen maken op de woningmarkt. De gemeente stimuleert dat mensen die 'te ruim' wonen doorstromen naar een beter passende
Rho adviseurs voor leefruimte
21
woning. Zo komen er meer sociale huurwoningen vrij. Onder goedkope koopwoningen wordt verstaan: Een koopwoning met een prijs < € 191.000 (prijspeil 2018, jaarlijks te indexeren volgens de consumentenprijsindex (CPI)).
3. Leefbaarheid De komende jaren zet de gemeente zich extra in om Zuidwest te verbeteren, onder andere met de brede gebiedsaanpak en de regiodeal voor heel Zuidwest. Hierbij wordt het fysieke programma verbonden aan het sociale programma. Van de eenzijdige wijken in Den Haag staat Moerwijk het meest onder druk. Als onderdeel van dit brede integraal sociaal leefbaarheidsplan voor Zuidwest start de gemeente in samenwerking met de woningcorporaties en het Rijk een procedure om de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (WBMGP) de komende jaren in te zetten in Moerwijk. Dit biedt extra mogelijkheden om Moerwijk een impuls te geven door het aantal 'sterke schouders' te vergroten. Om de leefbaarheid in Moerwijk te verbeteren, krijgen mensen met een vast inkomen of studenten voorrang om zich in deze wijk te vestigen. Dit is mogelijk op basis van de Wet Bijzondere Maatregelen Grootstedelijke Problematiek. Bij nieuwbouw is maximaal 20% van de woningen een kleine woning (woonoppervlak van minder dan 40 vierkante meter in het centrum en minder dan 50 vierkante meter in de rest van de stad). 4. Doelgroepen Er is in Den Haag een groot tekort aan bepaalde beroepsgroepen zoals leraren, agenten en zorgpersoneel. Daarom gaat de gemeente experimenteren met manieren om deze beroepsgroepen te helpen bij het vinden van huisvesting.
Zo maken we het aantrekkelijker om deze beroepen uit te oefenen in Den Haag. Conclusie Er is in Den Haag een enorme woningbehoefte en vooral aan betaalbare woningen. Daarnaast is in Moerwijk sprake van een te eenzijdige en deels verouderde woningvoorraad. Het initiatief speelt daarop in door de sloop van 235 verouderde woningen en nieuwbouw van 269 woningen, waarvan 97 sociale huurwoningen (36%), 29 middenhuurwoningen (11%) en 143 betaalbare koopwoningen (53%). Met het toevoegen van betaalbare koopwoningen wordt specifiek invulling gegeven aan het vergroten van het aandeel 'sterke schouders' in de wijk. Met het toevoegen van per saldo 34 woningen binnen bestaand stedelijk gebied wordt gelet op bovenstaande voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2.
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid‐Holland De provincie stuurt in haar Omgevingsvisie op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid‐Holland. De Omgevingsvisie is op 1 april 2019 in werking getreden. De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads‐ en dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen.
Rho adviseurs voor leefruimte
22
De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid‐Holland in 2035 CO2‐neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon‐ en leefomgeving in Zuid‐Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. De beoogde ontwikkeling bestaat uit woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied. De transformatie van het gebied draagt bij aan het beter benutten van de bebouwde ruimte in de stad en voorziet in passende woningen afgestemd op de actuele woningbehoefte. In paragraaf 3.1.3 is in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking al ingegaan op deze woningbehoefte. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De verordening is samen met de Omgevingsvisie per 1 april 2019 in werking getreden. Enkele speerpunten uit de Omgevingsverordening zijn de ladder voor duurzame verstedelijking en de ruimtelijke kwaliteit.
Deze onderwerpen zijn in respectievelijk paragraaf 3.1.3 en paragraaf 2.2 reeds onderbouwd.
3.3.
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Wéreldstad aan Zee, Structuurvisie Den Haag 2020 De Structuurvisie Den Haag 2020 beschrijft de toekomstvisie van Den Haag op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad in regionaal perspectief tot het jaar 2020 (2005; RIS 129201). De ambitie is om van Den Haag een 'Wereldstad aan Zee' te maken door de sterke kwaliteiten van Den Haag te benutten: een internationale stad, een stad aan zee, een multiculturele stad en een monumentale residentie. De structuurvisie gaat uit van een lichte groei van het aantal inwoners (ca 500.000) en een groei van het aantal arbeidsplaatsen in 2020. Dat betekent dat er ca 40.000 woningen moeten worden toegevoegd in de bestaande stad, door verdichting. In de structuurvisie wordt de Wéreldstad aan Zee vorm gegeven door ontwikkelingen in vijf kansenzones (het Centrum, de Lijn 11‐zone, de Internationale Kustzone, de Vliet/A4‐zone en de Schakelzone Lozerlaan). De beoogde herontwikkeling past in de doelstellingen van de Structuurvisie Den Haag in 2020. 3.3.2 Agenda voor de Haagse Verdichting De 'Agenda voor de Haagse Verdichting' (2009; RIS 159469) is een thematische uitwerking van de Structuurvisie en dient als leidraad voor de binnenstedelijke verdichting in Den Haag tot 2020. Door middel van verdichting kan de bevolkingsgroei binnen het bestaande stedelijke gebied opgevangen worden.
Daarnaast kan verdichting worden aangegrepen om de stedelijke kwaliteit van Den Haag te versterken. In de Verdichtingsagenda wordt gemeld dat verdichting met respect voor, en kennis van de cultuurhistorie, de identiteit en het karakter van Den Haag moet gebeuren. Verdichtingsingrepen mogen deze niet aantasten of negatief beïnvloeden. In de beschermde stadsgezichten is verdichten alleen mogelijk als programma, schaal, maat en architectuur aansluiten bij de bestaande kwaliteiten. Verdichting kan wel eventuele weeffouten in de structuur zelf herstellen. 3.3.3 Agenda Ruimte voor de stad De Agenda Ruimte voor de stad (2016, RIS295016) is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie die, wanneer de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt, ook voor gemeenten verplicht
Rho adviseurs voor leefruimte
23
gesteld is. Voor de Agenda Ruimte voor de Stad zijn vier transitieopgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief. Stedelijke ontwikkeling is geen zaak van de gemeente alleen; allerlei partijen spelen daarin een rol. Er is daarmee ook geen “blauwdrukplanning” aan de orde. Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd wordt: kwaliteit van het proces door samen de stad maken en mogelijkheden te bieden aan initiatiefnemers; oog hebben voor experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad; ruimtelijke keuzen maken om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven; ruimtelijke kwaliteit voor groen; ruimtelijke kwaliteit voor cultuurhistorisch erfgoed; ruimtelijke kwaliteit voor de buitenruimte; deze factoren dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat; kwaliteit door integrale samenhang met sociaal‐maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie; functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken
waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid. De ruimtelijke opgaven voor Den Haag en de regio zijn in het kort: Ruimte voor stedelijk wonen, om de groei van de bevolking te faciliteren; Ruimte voor aantrekkelijke groene buitenruimte, van belang voor de kwaliteit van de leefomgeving; Ruimte voor (nieuwe) economie en toerisme, ter versterking van het economische vestigingsklimaat; Ruimte voor duurzame mobiliteit en; Ruimte voor energietransitie en klimaatadaptatie, nodig voor de ambitie om als stad in 2040 klimaatneutraal te zijn. Het motto van de Agenda Ruimte is verdichten, verduurzamen, vergroenen. 3.3.4 Haagse hoogbouw, Eyeline en Skyline De nota 'Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline' is in de raadsvergadering van 25 januari 2018 vastgesteld (RIS 298448) en vervangt de Agenda voor de Haagse Verdichting uit 2009 (RIS159469), voor zover het hoogbouw betreft. Aanleiding voor de nota 'Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline' zijn de ruimtelijke opgaven uit de Agenda Ruimte voor de Stad. In de Agenda heeft Den Haag gekozen om die groei binnenstedelijk op te vangen en de verdichting te concentreren bij OV‐knooppunten en concentraties van voorzieningen. Daarnaast vragen actuele ontwikkelingen en initiatieven om nieuwe regels en kaders voor hoogbouwontwikkelingen in Den Haag.
De inzet is om de 'skyline' van Den Haag te verbinden met de belevingskwaliteit van de stad op ooghoogte en de buitenruimte ter plekke: de 'eyeline'. Hoogbouw is geen doel op zich, maar een middel om strategisch om te gaan met de beperkte ruimte die de stad nog heeft. Doel is de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid van de stad op de lange termijn te waarborgen en het vestigingsklimaat te versterken. Door te intensiveren en door hogere bebouwing mogelijk te maken kan de stad de groei van het aantal inwoners faciliteren en voldoende en geschikte woon‐ en werkruimte bieden, met bijbehorende voorzieningen, nu en in de toekomst.
Rho adviseurs voor leefruimte
24
Er is sprake van hoogbouw bij 50 meter of hoger. De nota geeft stadsbrede ambities en regels aan voor hoogbouwontwikkelingen, onder andere ten aanzien van wonen, microklimaat en mobiliteit. In de nota worden tevens intensiveringsgebieden aangegeven waar mogelijk hoogbouw kan worden gerealiseerd. Binnen deze gebieden zijn specifieke regels voor typologie, architectuur en buitenruimte opgenomen waaraan hoogbouwinitiatieven worden getoetst. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voorziet in bouwmassa's die tot 50 m hoog reiken, zijn de regels behorende bij het hoogbouwbeleid waaronder de verplichting tot diverse onderzoeken naar het microklimaat, bij dit project niet aan de orde.
Rho adviseurs voor leefruimte
25
Hoofdstuk 4
4.1.
Omgevingsaspecten
Verkeer en parkeren
Op het gebied van parkeer en parkeren zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangetoond moeten worden dat de verkeersgeneratie die met het project gemoeid is op acceptabele wijze verwerkt kan worden en dat er voldoende parkeergelegenheid is voor de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de nieuw te bouwen woningen. In dat kader is onderzoek uitgevoerd door Goudappel Coffeng, waarvan het onderzoeksrapport als Bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing is opgenomen. Parkeren Er heeft een berekening van de parkeerbehoefte plaatsgevonden op basis van het aantal woningen per woningtype en de gemeentelijke parkeernorm. Hieruit blijkt dat er in de nieuwe situatie een parkeerbehoefte ontstaat van 277 parkeerplaatsen. Bij het project wordt in 30 eigen parkeerplaatsen voorzien. Deze worden aangelegd achter de twee blokken met appartementen op de hoek van de Ulenpasstraat en de Middachtenweg. Het overige parkeren zal plaatsvinden in de openbare ruimte. In die openbare ruimte zijn in de nieuwe situatie 241 parkeerplaatsen beschikbaar, wat leidt tot een totaal aan 271 parkeerplaatsen binnen het plangebied. De berekende parkeerbehoefte bedraagt 277 parkeerplaatsen. Over het verschil van 6 parkeerplaatsen is tussen de ontwikkelende partij en de gemeente overleg gevoerd over een passende oplossing.
Verkeersgeneratie en ‐afwikkeling Ook de verkeersgeneratie is berekend op basis van het aantal en het type woningen, in dit geval met toepassing van de CROW‐kencijfers (publicatie 381). De verkeersgeneratie is uitgedrukt voor een gemiddelde weekdag (1.228 mvt/etmaal) en voor een gemiddelde werkdag (1.363 vt/etmaal). De piekmomenten doen zich voor tijdens de ochtend‐ en avondspits op de werkdagen. De verdeling van aankomend en vertrekkend verkeer tijdens deze twee momenten is uitgesplitst in figuur 4.1 (berekend o.b.v. een afgerond totaal van 1.400 mvt/etmaal i.p.v. 1.363 mvt/etmaal).
Rho adviseurs voor leefruimte
26
Figuur 4.1
Verdeling aankomend en vertrekkend verkeer tijdens spitsmomenten werkdag
Op basis van deze verkeersgeneratie en de capaciteit van de omliggende wegenstructuur, wordt in het rapport geconcludeerd dat er geen belemmeringen te verwachten zijn voor een goede verkeersafwikkeling. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren staat de uitvoering van het project niet in de weg.
4.2.
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader In het kader van de Wet geluidhinder en daarnaast ook in het kader van een goed woon‐ en leefklimaat, is bij geluidgevoelige functies onderzoek nodig naar de geluidbelasting als gevolg van relevante geluidbronnen. In dit geval liggen de nieuwbouwwoningen deels binnen de geluidzones van verschillende gezoneerde wegen (50 km p/u of meer). Daarnaast is ook geluid als gevolg van tram‐ en treinverkeer relevant. Om deze reden is door Het Geluidburo onderzoek gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Onderzoek Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de geluidbelastingen vanwege de S106 (Middachtenweg) de voorkeursgrenswaarde overschrijden. Op de beoordelingspunten wordt wel voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. De geluidbelastingen die de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijden als gevolg van de niet‐ gezoneerde 30 km/uur wegen blijven onder de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Wegen met een maximale rijsnelheid van 30 km/uur vallen echter buiten de normering van de Wet geluidhinder.
Omdat maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting middels bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen als onvoldoende doeltreffend kunnen worden beschouwd of dat deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, wordt voorgesteld om voor de geprojecteerde woningen een hogere waarde vast te stellen van maximaal 58 dB vanwege de S106 (Middachtenweg).
4.3.
Water
Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Onderzoek De initiatiefnemer heeft door Aqua‐Terra Nova een waterstudie uit laten voeren, waarvan de rapportage is opgenomen als bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierin is onderzoek gedaan naar de effecten van het project op de aspecten veiligheid en waterkeringen, waterkwantiteit‐ en kwaliteit, onderhoud en bagger, bodem en grondwater en naar afvalwater en riolering.
Rho adviseurs voor leefruimte
27
Uit de studie blijkt dat het project, om op een goede manier met het aspect water om te gaan, in compensatie aan waterbergend vermogen dient te voorzien. De te realiseren compensatie dient een inhoud van 233 m3 te hebben. Met een totaal dakoppervlak van 7.671 m2, kan daarvan circa 7.000 m2 worden benut voor het bergen van hemelwater. Het bergend vermogen zal dan circa 32 liter per m2 moeten zijn. Conclusie Het aspect water staat de uitvoering van het project niet in de weg, mits in voldoende compensatie van waterbergend vermogen wordt voorzien.
4.4.
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicorelevante inrichtingen.
Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicorelevante inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. Het Bevi definieert een zogenaamde oriëntatiewaarde, waarmee het groepsrisico moet worden vergeleken. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐ 6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf
Rho adviseurs voor leefruimte
28
het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In figuur 4.6. is een uitsnede opgenomen van risicobronnen in de omgeving van de projectlocatie.
Figuur 4.6
Uitsnede nationale risicokaart
Van deze uitsnede valt af te lezen dat zich langs de Erasmusweg, ten noorden van het projectgebied, een hogedruk aardgasleiding bevindt (W‐509‐06 ). Gelet op de kenmerken van deze gasleiding, kent deze een invloedsgebied van 140 m. Het projectgebied, dat in deze figuur indicatief is weergegeven, ligt op ca. 250 m afstand van de gasleiding en blijft daarmee buiten het invloedsgebied. Een nadere verantwoording is om die reden niet nodig. Binnen de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere, relevante risicobronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het project daarmee niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
29
4.5.
Milieuzonering bedrijven
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden Onderzoek Binnen het projectgebied zijn in de nieuwe situatie, en overigens ook in de bestaande situatie, uitsluitend woningen aanwezig. Daarmee zijn functies die elkaar onderling kunnen hinderen uitgesloten. In de omgeving van het plangebied zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan diverse andere functies toegestaan en aanwezig.
Figuur 4.7
Overzicht afwijkende functies o.b.v. vigerend bestemmingsplan Moerwijk
Uit figuur 4.7 blijkt dat met name aan de oostzijde van het project gebied enkele andere functies aanwezig
Rho adviseurs voor leefruimte
30
zijn. Van noord naar zuid zijn dit de bestemming Gemengd ‐1 (lichtoranje, 2 blokken), Maatschappelijk ‐ 1 (bruin‐oranje, 1 complex) en Maatschappelijk ‐ 2 (bruinoranje, 1 complex). De gemengde bestemming aan de noordzijde staat detailhandel, dienstverlening en lichte horeca toe. Dergelijke functies kunnen mogelijk hinder opleveren voor omliggende woningen. In dit geval zijn de genoemde functies alleen op de begane grond toegestaan en zijn op de verdiepingen daarboven uitsluitend woningen toegestaan. Om die reden hebben de betreffende voorzieningen in hun functioneren reeds rekening te houden met de bovenliggende woningen (afstand 0 m). De woningen die in het kader van het project Parelmoer aan de overzijde van de weg worden voorzien, liggen op ruimere afstand. Gelet op de afstand tot de bestaande woningen en tot de nieuwe woningen, kan hinder tussen beide functies worden uitgesloten. Ten oosten van de bestaande woonblokken aan de Ulenpasstraat bevindt zich een maatschappelijke voorziening, bestaande uit woonzorgcentrum Moerwijk. Deze instelling heeft in haar functioneren al rekening te houden met omliggende woningen, die zowel aan de zuid‐ als aan de westkant al op kortere afstand liggen dan de nieuw te bouwen woningen. Gelet op de afstand tot de bestaande woningen en tot de nieuwe woningen, kan hinder tussen beide functies worden uitgesloten.
Tot slot toont figuur 4.7 op de kop van de singel een matschappelijk complex. Dit betreft een leegstaand schoolgebouw, dat in het kader van de wijkaanpak zal worden gesloopt voor woningbouw. Om die reden is naar deze functie geen nader onderzoek uitgevoerd. Conclusie Gelet op de omliggende functies, de afstand daarvan tot bestaande woningen en de afstand tot de nieuwe woningen, staat het aspect bedrijf en milieuzonering de uitvoering van het project niet in de weg.
4.6.
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)
toetsing van grenswaarde jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24‐uurgemiddelde concentratie max. 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekende mate (nibm) In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: Rho adviseurs voor leefruimte
31
een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2/µgm3); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.
Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op woningbouw met een programma van 269 woningen. Daarmee valt het project op basis van het Besluit niet in betekende mate onder de drempel van woningbouwprojecten tot 1.500 woningen. Het project is daarmee vrijgesteld van nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel van belang om een indicatie van de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse van het projectlocatie te geven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐ monitoringstool 2019 (www.nsl‐monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. In figuur 4.8 is een uitsnede van deze monitoringstool opgenomen. De lichtblauwgekleurde bolletjes geven aan dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof rondom het projectgebied onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer lagen. Om dit nader weer te geven zijn van de meest nabijgelegen punten, die vet zijn aangeduid, de specifieke waarden in de daaronder opgenomen tabel opgesomd.
Figuur 4.8
Uitsnede NSL‐monitoring
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het project niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
32
4.7.
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek Gelet op bovenstaande is ter voorbereiding van het project bodemonderzoek uitgevoerd door Buro S/L. De rapportages daarvan zijn opgenomen in Bijlage 5, Bijlage 6 en Bijlage 7. Noord Het onderzoek voor het noordelijk deel van het projectgebied (Bijlage 5) toont aan dat er over het algemeen ten hoogste lichte verontreinigingen vastgesteld. Lokaal is sprake van matige verontreiniging met minerale olie in de grond. Gelet op dit laatste is aanbevolen om nader onderzoek uit te voeren naar de ernst en omvang van de verontreiniging met minerale olie in de grond ter plaatse van boring 04. Uit dit nadere onderzoek (Bijlage 6) is gebleken dat rondom boring 04 geen sprake is van verontreiniging met minerale olie in de ondergrond. De verontreiniging is daarmee in het horizontale vlak analytisch voldoende afgeperkt.
De verontreiniging in de grond ter plaatse van boring 04 blijkt niet mobiel, hetgeen eveneens overeenkomt met de gestelde hypothese. Er is sprake van een kleine spot (enkele kuub’s) met matige verontreiniging met minerale olie in de grond. Er is geen sterke verontreiniging vastgesteld, er is dan ook geen saneringsnoodzaak. Zuid Het onderzoek voor het zuidelijk deel van het projectgebied (Bijlage 7) toont aan dat er ten hoogste lichte verontreinigingen zijn vastgesteld. Beoordeling Omgevingsdienst Haaglanden De genoemde bodemonderzoeken zijn na uitvoering voorgelegd aan de Omgevingsdienst Haaglanden. Zij heeft de onderzoeksrapportages beoordeeld en ingestemd met de resultaten daarvan. De correspondentie daarover is opgenomen in Bijlage 8 en Bijlage 9 bij deze onderbouwing. Conclusie Gelet op bovenstaande staat het aspect bodem de uitvoering van het project niet in de weg. Indien bij herontwikkeling van de locatie grond vrijkomt moet rekening gehouden worden met de Wet bodembescherming, de regels uit de Regeling bodemkwaliteit en de Nota Bodembeheer van de Gemeente Den Haag. De vrijkomende grond is niet zondermeer overal vrij toepasbaar.
4.8.
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. In de wet wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming, soortenbescherming en de bescherming van houtopstanden. De Wnb heeft hiermee de Flora‐ en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet vervangen. De Wnb beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen).
Rho adviseurs voor leefruimte
33
Net als in de Flora‐ en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000‐ gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met eerder vigerende Flora‐ en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora‐ en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12.
Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. Er worden in de Wet natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1‐3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier‐ en plantensoorten in artikel 3.5‐3.9: a. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I.
In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. b. die streng beschermd zijn Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. waarvoor maatregelen moeten worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.