RIS307302 bijlage
Tekst van het document
X
-
-
Gezinssamenstelling33
X
-
-
Werkgemeente
X
X
-
Arbeidssector
X
X
-
Beschikbare gegevens voor ingezetenen, niet-ingezetenen en arbeidsmigranten met een A1verklaring. Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de benodigde gegevens over ingezetenen beschikbaar zijn. De gegevens die op grond van de gehanteerde definitie nodig zijn, kunnen aan de gegevens die bij CBS beschikbaar zijn (BRP, Polisadministratie, inkomstenbelasting, gegevens DUO) ontleend worden. Die gegevens maken het ook mogelijk studenten en kennismigranten te herkennen en buiten de schatting te laten. Over niet-ingezetenen is niet bekend waar ze in Nederland wonen. Of ze daadwerkelijk in Nederland verblijven kan benaderd worden door gegevens uit de BRP en de Polisadministratie te combineren. Het lijkt plausibel dat iemand die voor een bepaalde periode met een actueel dienstverband in de Polisadministratie is geregistreerd gedurende die periode ook daadwerkelijk in Nederland verblijft. Of zo iemand ook in Zuid-Holland werkt is niet direct uit de Polisadministratie af te leiden: daar is het vestigingsadres van de onderneming geregistreerd en niet het adres waar de werkzaamheden daadwerkelijk worden uitgevoerd: Albert Heijn is gevestigd in Zaandam, maar niet alle werknemers van Albert Heijn voeren hun werkzaamheden in Zaandam uit.
Om te kunnen schatten hoeveel nietingezeten arbeidsmigranten in een Zuid-Hollandse gemeente werken is gebruik gemaakt van een methodiek die het CBS hanteert om het adres te bepalen waar de werkzaamheden daadwerkelijk worden uitgevoerd. Op die manier is het werkelijke werkadres voor 85 – 90% van de werkenden te bepalen. Van een aantal arbeidsmigranten blijft de werklocatie onbekend. Een aantal daarvan zal wel in Zuid Holland werken, waardoor het werkelijke aantal arbeidsmigranten wordt onderschat. Van arbeidsmigranten die met een A1-verklaring in Nederland werken zijn alleen op het niveau van Nederland als geheel heel globaal en onvolledig enkele gegevens bekend, waardoor het aantal dat in Zuid-Holland woont of werkzaam is niet bepaald kan worden. Het is mogelijk dat zij zich als ingezetene in de BRP hebben laten registreren, of dat ook daadwerkelijk gebeurt en in welke mate is onbekend.
31
Of iemand daadwerkelijk op een zeker moment wel of niet in Nederland verblijft is niet af te leiden uit de RNI. De woongemeente wordt afgeleid van de postcode van het woonadres dat geregistreerd is in de BRP. Hoewel het woonadres ook voor niet-ingezetenen wordt geregistreerd betreft dit een adres in het buitenland en niet binnen Nederland. Met woongemeente wordt dus specifiek een woongemeente binnen Nederland bedoeld. 33 De gezins-, ook wel huishouden-,samenstelling wordt door het CBS afgeleid op basis van registraties in de BRP. 32
pagina 23/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Samenvattend: bij het opstellen van een schatting van het aantal arbeidsmigranten treden de nodige problemen op. Er is geen registratie of combinatie van registraties waarop een eenduidige schatting kan worden gebaseerd. Dat geldt zowel voor het aantal arbeidsmigranten dat in Zuid-Holland woont en / of werkt als voor hun kenmerken. Over arbeidsmigranten die ingezetene van Nederland zijn en in de BRP zijn ingeschreven, zijn alle benodigde gegevens bekend. Over niet-ingezeten arbeidsmigranten is minder bekend. De ervaring leert dat arbeidsmigranten die in Nederland belasting betalen zich in ieder geval als niet-ingezetene laten inschrijven in de RNI. Dat is niet verplicht, maar er is een zeer effectieve prikkel. Bij de inschrijving in de RNI wordt een BSN verstrekt en wie geen BSN heeft betaalt het maximale belastingtarief. De gegevensset die op basis van de RNI en de daarmee gecombineerde registraties bepaald kan worden is beperkt. Een belangrijke tekortkoming voor het bepalen van de aantallen arbeidsmigranten is het feit dat niet uit de RNI valt af te leiden of een arbeidsmigrant daadwerkelijk in Nederland verblijft. Vertrek naar het buitenland hoeft niet gemeld te worden en terugkeer naar Nederland om opnieuw een periode te werken ook niet. Evenmin hoeft te worden opgegeven waar iemand woont gedurende het verblijf in Nederland.
Dat is een belangrijke tekortkoming die gemeenten belemmert in het uitvoeren van hun taken, omdat ze slechts zicht hebben op een deel van de arbeidsmigranten die in hun gemeente verblijven. De combinatie van RNI-gegevens met gegevens uit de Polisadministratie biedt wel de mogelijkheid om een indicatieve schatting te maken van het aantal ingeschrevenen in de RNI dat op een bepaald moment in Nederland verblijft. Daarbij wordt aangenomen dat een arbeidsmigrant die met een actueel dienstverband in de Polisadministratie is geregistreerd, gedurende de periode dat het dienstverband duurt ook daadwerkelijk in Nederland verblijft. Gezien de afstand tussen de Zuid-Hollandse gemeenten en de grens is het niet aannemelijk dat grensarbeid het beeld vertekent. Waarschijnlijk is het werkelijke aantal hoger, omdat niet alle personen waarvan het arbeidscontract eindigt ook onmiddellijk uit Nederland zullen vertrekken. De orde van grootte van het aantal ingeschrevenen in de RNI dat op een bepaald moment daadwerkelijk in Nederland verblijft is zo wel te bepalen. Door gebruik te maken van de CBS-methodiek die het vestigingsadres van het bedrijf omzet in het adres waar de werkzaamheden worden uitgevoerd is in 85-90% van de gevallen te bepalen in welke gemeente de werkzaamheden worden uitgevoerd. Over arbeidsmigranten die niet in Nederland sociaal verzekerd zijn is heel weinig bekend.
Van 40% van de arbeidsmigranten in Europa is alleen uit Europese cijfers af te leiden dat ze elders in Europa werken, maar niet in welk land. Van de overige 60% is dat wel bekend en kan bepaald worden hoeveel er in Nederland actief zijn geweest. In welk deel van Nederland dat was en waar ze woonden is onbekend. Mogelijk treedt hierin verbetering op doordat het op basis van de WagwEU sinds 1 maart 2020 voor een deel van deze groep verplicht is om in een online meldingssysteem te vermelden in welke gemeente en gedurende welke periode werkzaamheden worden verricht. De verplichting geldt nog maar heel kort en er is nog weinig ervaring met het daadwerkelijk functioneren van het systeem, maar in principe kan het online meldsysteem op basis van de WagwEU een bron van informatie worden over de locatie waar de werkzaamheden daadwerkelijk worden uitgevoerd. Waar de betreffende arbeidsmigranten wonen staat niet in het meldsysteem en is dus ook voor deze groep onbekend.
pagina 24/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
4.
Schatting van het aantal arbeidsmigranten
4.1
Gegevens om het aantal arbeidsmigranten te schatten
In hoofdstuk 2 is de definitie van arbeidsmigrant voor dit onderzoek opgesteld. Deze luidt als volgt: Een arbeidsmigrant is een persoon tussen de 18 en 67 jaar uit een MOE of GIPS-land die in Nederland minimaal 18 uur per week werkt en in Nederland verblijft, niet voor diplomatieke werkzaamheden, kennismigratie of studie in Nederland verblijft, en maximaal 8 jaar in Nederland ingeschreven is. De definitie is vertaald naar een aantal gegevens (´variabelen´) die nodig zijn om de arbeidsmigrant te onderscheiden in de officiële registratiebronnen. Dit voorkomt dat andere groepen, die niet tot de definitie behoren, worden meegeteld in de schatting. # 1
Variabele Nationaliteit
2
Migratiereden
3
Jaren in Nederland
4 5
Leeftijd Aantal uren werk per week
Beschrijving Afkomstig uit Midden- of Oost-Europa (MOE) of uit Griekenland, Italië, Portugal of Spanje (GIPS). Als primaire migratiereden ´(seizoens)arbeid´. Dit wordt vastgesteld door kennismigranten, studenten en migranten die niet in Nederland werken uit te sluiten34. Korter dan 8 jaar ingeschreven in NL, afgeleid van de inschrijvingsdatum35 in de BRP. Minimaal 18 jaar oud en maximaal 67 jaar oud. Minimaal 18 uur per week.
De voornaamste bronnen om de bovenstaande variabelen af te kunnen leiden zijn de BRP en de Polisadministratie. De migratiereden wordt vastgesteld op basis van een combinatie van gegevens, om op die wijze andere soorten migratie uit te sluiten. Daarvoor wordt een combinatie gemaakt van gegevens uit de BRP, de Polisadministratie en DUO.
4.1.1
Aanvullende gegevens
Het onderzoek in dit rapport is primair gericht op het schatten van het aantal arbeidsmigranten die in de provincie Zuid-Holland en haar gemeenten wonen en/of werken. Dit aantal kan gebruikt worden voor verschillende (beleids)doelstellingen. Om de schatting te gebruiken voor de twee belangrijkste doelstellingen die naar voren zijn gekomen in de interviews zijn een aantal aanvullende gegevens (´variabelen´) nodig, naast de al genoemde gegevens in paragraaf 4.1: # Variabele 1 Provincie (Postcode 1niveau)
34 35
Beschrijving Om te bepalen hoeveel arbeidsmigranten er wonen en/of werken in de provincie Zuid-Holland
Dit is mogelijk door een koppeling te maken met registraties bij DUO, en inkomensgegevens uit de Polisadministratie. Dit is een voorwaarde als gesteld door de provincie Zuid-Holland. Er wordt van uitgegaan dat arbeidsmigranten zich na drie jaar vast verblijf in Nederland vestigen en daarmee niet langer voor deze schatting relevant zijn. De opdrachtnemer heeft deze suggestie overgenomen
pagina 25/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
2 Gemeente (Postcode 4niveau) 3 Wijk (Postcode 6-niveau) 4 Woongemeente=Werkgem eente 5 Gezinssamenstelling
Om te specificeren in welke Zuid-Hollandse gemeenten arbeidsmigranten wonen en/of werken. Om te specificeren in welke wijken binnen Zuid-Hollandse gemeenten arbeidsmigranten wonen en/of werken. Een samengestelde variabelen die specificeert of de arbeidsmigrant verblijft en werkt in eenzelfde gemeente. De gezinssamenstelling wordt bepaald op grond van een CBS-variabele. De gezinssamenstelling is relevant om te bepalen wat voor type huisvesting nodig is.
6 Geslacht De bovenstaande variabelen kunnen grotendeels uit de BRP worden afgeleid. Om te bepalen in welke gemeente een arbeidsmigrant werkt, zijn gegevens uit de Polisadministratie nodig.
4.2
Ingezetenen
In dit onderzoek wordt een definitie van de term arbeidsmigranten gebruikt die aansluit bij de onderzoeksvraag, de gevraagde inzichten en de praktijkervaring en -kennis van de begeleidingscommissie. Omdat in andere onderzoeken andere definities worden gebruikt om de groep arbeidsmigranten af te bakenen, kan dat leiden tot cijfers die afwijken van cijfers die al eerder bekend waren. Mogelijk leidt dat tot verwarring bij de lezers van dit onderzoek. Daarom laten wij eerst zien wat het effect is van de in dit onderzoek toegepaste selectiecriteria. Hiervoor is gebruik gemaakt van gegevens van een grote gemeente over 201836. Aantal 15.554
Verschil
2
Selectiecriterium MOE + GIPS-landers, woonachtig de gemeente, 18/67 jaar, die maximaal 8 jaar in NL zijn én die ooit in 2018 werk hadden
10.596
-4.95837
3
én die werknemer waren
9.620
-976
1
Opmerking Aantal komt uit BRP van de gemeente, peilmoment 0101-2018 Met dit criterium valt iedereen weg die nooit in 2018 heeft gewerkt. Het is niet aannemelijk dat dit de groep arbeidsmigranten betreft. Er zijn 976 zelfstandigen. Van zelfstandigen kan niet per maand worden uitgesplitst of ze werk hebben. We weten dat ze ooit in 2018 hebben gewerkt, maar niet wanneer en kunnen een aantal
36
Het exacte effect van de selectiecriteria kan afwijken per gemeente. Deze tabel dient slechts ter illustratie van het effect dat de selectiecriteria hebben voor één gemeente, om toe te lichten waardoor verschillen tussen veronderstelde aantallen (zonder selectiecriteria) en aantallen in dit onderzoek kunnen ontstaan. 37 Onderstaand CBS-stuk stelt dat in 2016 de arbeidsparticipatie van mensen uit nieuwe EU-landen rond de 65% lag, wat overeen komt met het verschil genoemd onder 2 (10.596/15.554 * 100% = 68% arbeidsparticipatie) : https://www.cbs.nl/nlnl/achtergrond/2016/47/arbeidsparticipatie pagina 26/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
selectiecriteria daardoor niet op ze toepassen. 38
4
én die op 1 januari 2018 een baan hadden
7.983
-1.637
5
waarvan inkomen <= 57e percentiel39
4.504
-3.479
4.260
-244
6
waarvan binnen 120 dagen na migratie aan het werk waarvan geen scholieren
4.126
-134
waarvan minimaal 18 uur per week werk
3.981
-145
Aantal arbeidsmigranten volgens onze definitie op 1 januari 2018 in de gemeente
3.981
1 januari 2018 is het peilmoment voor deze controle-selectie. Arbeidsmigranten die op het peilmoment geen baan hadden, vallen niet binnen de selectiecriteria. Zij worden wel meegeteld op een later moment in het jaar. Het 57e percentiel wordt gebruikt om kennismigranten uit te sluiten.40 Ander migratiemotief dan arbeid. Ander migratiemotief dan arbeid (studie) Ander migratiemotief dan arbeid.
Met onze definitie richten wij ons op de groep arbeidsmigranten die volgens de begeleidingscommissie binnen scope moet zijn: alleen afkomstig uit MOE- en GIPS-landen, met als primair migratiemotief ´arbeid´ (niet zijnde kennismigranten of scholieren).
4.2.1
Aantal Ingezetenen
Conform onze definitie waren in 2018 in totaal 26.668 unieke ingezeten arbeidsmigranten woonachtig en/of werkzaam in de provincie Zuid-Holland. Van het grootste deel van de ingezetenen is bekend dat zij wonen, of wonen en werken in de provincie(24.281, 91%). Slechts
38
In de gehele provincie Zuid-Holland is 7.5% van de werkenden arbeidsmigranten zelfstandige. Het aantal ingezeten arbeidsmigranten op een peilmoment wordt onderschat met 7.5%. Deze onderschatting rekent niet terug naar het totaal aantal ingezeten arbeidsmigranten over het jaar heen: daar zijn het aantal ZZP´ers wel meegenomen. 39 57e percentiel in 2018 was een inkomen van maximaal tussen 26-28K bruto per jaar 40 Uit onderzoek van het CBS blijkt dat 80% van de kennismigranten een inkomen heeft dat hoort tot de landelijk hoogste 43% inkomens. Het bruto persoonlijk inkomen dat hoort bij de bovengrens van dit 57e percentiel is gebruikt als grenswaarde bij het indelen van EU-arbeidsmigranten. Valt hun inkomen daarboven, dan worden zij aangemerkt als kennismigranten; als ze een minder hoog jaarinkomen hadden, vallen zij in de categorie ‘overige arbeidsmigranten’. (Bron: Arbeidsmigranten in Nederland: nieuwkomers op de voet gevolgd. CBS, 2019.) pagina 27/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
van een klein deel is bekend dat zij buiten de provincie wonen maar er wel werken (2.387, 9%)41. Dit wordt weergegeven in de onderstaande grafiek:
Aantal ingezeten arbeidsmigranten
14.000 12.451
12.000
11.830
10.000 8.000 6.000 4.000
2.387 2.000 Woont in provincie ZuidWoont en werkt in Holland provincie Zuid-Holland
Werkt in provincie ZuidHolland
Verdeling van het totaal aantal ingezeten arbeidsmigranten (2018) naar situatie: woont in de provincie Zuid-Holland maar werkt in een andere provincie of het is onbekend waar de arbeidsmigrant werkt, woont én werkt in de provincie ZuidHolland, werkt in de provincie Zuid-Holland maar woont in een andere provincie of het is onbekend waar de arbeidsmigrant woont.
59% van het totaal aantal ingezeten arbeidsmigranten binnen Zuid Holland woont in de gemeenten Den Haag, Rotterdam of Westland42. 41% van de ingezeten arbeidsmigranten woont dus in een andere gemeente in de provincie Zuid-Holland. Een kanttekening die hierbij te maken is dat de gemeente Westland een strikt registratiebeleid voor arbeidsmigranten hanteert, in tegenstelling tot andere gemeentes. Dit kan van invloed zijn op het aantal arbeidsmigranten dat als ingezetene ingeschreven staat in de BRP en een vertekent (hoger aantal) beeld geven ten opzichte van het aantal arbeidsmigranten dat als ingezetene in de BRP staat ingeschreven. Gedurende het jaar neemt in alle gemeenten het totaal aantal als ingezeten geregistreerde arbeidsmigranten af. Een verklaring hiervoor is niet verder onderzocht. In de onderstaand tabel is het aantal arbeidsmigranten op drie peilmomenten in 2018, per gemeente weergegeven. In bijlage C2. is een tabel opgenomen met het aantal ingezeten arbeidsmigranten per gemeente voor de overige gemeenten.
41
Arbeidsmigranten die wonen in de provincie Zuid-Holland, maar waarvan het onbekend is waar zijn werken zijn toegerekend aan de categorie ´Woont in de provincie Zuid-Holland´. Arbeidsmigranten die werken in de provincie Zuid-Holland, maar waarvan het onbekend is waar zij wonen zijn toegerekend aan de categorie ´Werkt in de provincie Zuid-Holland´. Dit betekent dat het aantal arbeidsmigranten dat ´Woont en werkt in de provincie Zuid-Holland´ onderschat wordt. Op basis van de beschikbare gegevens zijn deze aantallen niet te specificeren. 42 Ter illustratie: op 1 januari 2018 woonde 37% van de totale beroepsbevolking (18-67 jaar) in de gemeenten Den Haag, Rotterdam of Westland. Bron: de staat van Zuid-Holland. pagina 28/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
9.000
8.126 7.642
8.000
Ingezeten arbeidsmigranten
7.166 7.000 6.000
5.325
5.026
5.000
4.647 3.981
4.000
3.768
3.493
3.000
2.476 2.278
2.090
2.000 1.000 Den Haag
Rotterdam
Westland
Overige gemeenten
Verdeling over gemeenten Januari
Juli
December
Verdeling van het aantal arbeidsmigranten over de gemeenten binnen de provincie Zuid-Holland, op drie peilmomenten (2018).
Arbeidsmigranten blijken veelal niet in dezelfde gemeente te wonen, als waar zij werkzaam zijn. Uit de onderstaande tabel blijkt dat in de gemeente Den Haag 24% van de volgens de BRP in Den Haag als inwoner geregistreerde arbeidsmigranten ook in de gemeente Den Haag werkt, in Rotterdam werkt 21% in eigen gemeente en voor de gemeente Westland geldt dat meer dan de helft van de arbeidsmigranten (60%). Dit betekent dat voor de drie genoemde gemeenten een aanzienlijk deel van de ingezeten arbeidsmigranten in een andere gemeente werkt dan verblijft 43. Woongemeente
Werkgemeente
Den Haag
Rotterdam
Westland
Overig
Den Haag
1.182 (24%)
114 (3%)
72 (3%)
298 (3%)
Rotterdam
123 (2%)
775 (21%)
24 (1%)
213 (2%)
Westland
1.188 (24%)
406 (11%)
1.373 (60%)
875 (8%)
Overige gemeenten Onbekend
1.087 (22%)
1.398 (37%)
226 (10%)
7.623 (70%)
1.446 (29%)
1.075 (29%)
583 (26%)
1.914 (18%)
Totaal
5.026
3.768
2.278
10.923
Het aantal arbeidsmigranten naar woon- en werkgemeente op peilmoment 1 juli 2018. Let op: de aantallen tellen verticaal op per woongemeente.
43
Door de lage aantallen arbeidsmigranten voor de overige gemeenten is een vergelijkbare tabel voor de overige Zuid Hollandse gemeenten voornamelijk gevuld met de waarde ‘onbekend’ en daarom niet in de bijlage opgenomen.
pagina 29/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
4.2.2
Kenmerken van ingezetenen
Voor ingezetenen zijn meer gegevens bekend dan voor niet-ingezetenen. Omdat er meer gegevens worden geregistreerd of afgeleid kunnen worden over bijvoorbeeld de woongemeente en leefsituatie. Dit leidt tot de volgende inzichten over de totale groep ingezeten arbeidsmigranten in 2018:
1. Er zijn vrijwel evenveel mannelijke ingezeten arbeidsmigranten als vrouwelijke
Aantal ingezeten arbeidsmigranten per geslacht
13.155 ; 49%
13.513 ; 51%
Man Vrouw
2. De meeste ingezeten arbeidsmigranten zijn tussen de 25 en 44 jaar.
Aantal ingezeten arbeidsmigranten per leeftijdsgroep 4.242 ; 16%
2.330 ; 9%
20.096 ; 75% <25
25-44
45+
3. De meeste ingezeten arbeidsmigranten vormen een huishouden zonder kinderen.
pagina 30/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Aantal ingezeten arbeidsmigranten per huishoudensoort Alleenstaand zonder kinderen
1.138 ; 5%
Stel zonder kinderen
5.957 ; 23% 10.138 ; 39%
Stel met kinderen Alleenstaand met kinderen
8.515 ; 33%
4.3
Schatting aantal niet-ingezetenen
4.3.1
Aantal niet-ingezetenen
Voor de niet-ingezeten arbeidsmigranten is iedereen meegerekend die in de RNI staat ingeschreven en die op enig moment in 2017 ook in de Polisadministratie van het UWV staat met een actief dienstverband. Zij kunnen dus het hele jaar in Nederland gewerkt hebben, of alleen een deel van het jaar. CBS heeft deze berekening niet, waardoor er geen vergelijking gemaakt kan worden tussen onze aantallen en de aantallen van het CBS. Om te bepalen waar mensen werken maken we gebruik van een rekenmodule van het CBS die de vestigingsplaats van een bedrijf vertaalt naar een plaats waar de werkzaamheden daadwerkelijk worden uitgevoerd. Soms is de werkprovincie niet te bepalen (de 49.994 missende waarden), dat betreft ongeveer 15% van het totaal. Daardoor wordt het aantal niet ingezeten arbeidsmigranten ook ongeveer 15% onderschat, d.w.z. 10.075 personen. In de berekeningen hieronder zijn alleen personen betrokken waarvan de werklocatie wel bekend is. In 2018 waren er in totaal 68.773 niet-ingezeten arbeidsmigranten werkzaam in de provincie ZuidHolland. Zij waren daar niet tegelijkertijd daadwerkelijk werkend. Tussentijds stromen nieuwe nietingezetenen in (instroom), en verlaten ook niet-ingezetenen Nederland, zij registreren zich in de BRP als ingezetene, of zij vinden een baan buiten de provincie Zuid-Holland (uitstroom).
Het verloop van het aantal arbeidsmigranten per maand in de provincie Zuid-Holland is weergegeven in de onderstaande grafiek:
pagina 31/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Aantal niet ingezetenen
50.000 45.000 40.000 35.000 30.000 25.000 20.000
Per maand in 2018 Verloop van het aantal niet-ingezeten arbeidsmigranten die werkzaam zijn in de provincie Zuid-Holland, per maand (2018).
Het totaal aantal arbeidsmigranten in de provincie Zuid-Holland stijgt van 28.283 in januari, naar 43.653 niet-ingezetenen in december. Deze stijging is het grootst in het eerste half jaar van 2018 en vlakt vanaf juli af. In oktober waren in totaal de meeste niet-ingezetenen werkzaam in de provincie: 44.796 in totaal. Dat het totaal aantal arbeidsmigranten stijgt in het eerste half jaar van 2018 is te verklaren omdat de instroom het eerste half jaar maandelijks toeneemt, en deze instroom groter is dan de uitstroom in het eerste half jaar. In augustus is de instroom nagenoeg gelijk aan de uitstroom, en vanaf september neemt de nieuwe instroom maandelijks af. Daarnaast is dan ook de uitstroom hoger dan in het eerste half jaar. Dit wordt weergegeven in de onderstaande grafiek: 7.000
Aantal niet-ingezetenen
6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 -
Per maand in 2018 Instroom
Uitstroom
In- en uitstroom van niet-ingezeten arbeidsmigranten die werkzaam zijn in de provincie Zuid-Holland, per maand in 2018 pagina 32/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Behalve in de gemeente Westland, neemt voor alle gemeenten het aantal niet-ingezetenen dat werkt in de gemeente toe gedurende het gehele jaar. Dit wordt geïllustreerd in de onderstaande grafiek. De volledige lijst met het aantal Niet-ingezeten arbeidsmigranten voor de overige gemeenten kan gevonden worden in de bijlage C (tabel C.1).
Aantal niet-ingezetenen
25.000 20.319
20.000
15.000
10.000
20.677
14.085
13.447 12.316 8.059 5.612 5.921
5.000
4.071 2.891
3.248
4.739
-
Westland
's-Gravenhage
Rotterdam
Overige gemeenten
Verdeling over gemeenten Januari
Juli
December
Het aantal niet-ingezeten arbeidsmigranten per gemeente op drie peilmomenten in 2018.
4.3.2
Kenmerken niet-ingezetenen
Voor niet-ingezetenen zijn weinig gegevens bekend, zoals beschreven staat in hoofdstuk 4 van dit rapport. Dit maakt dat over de totale groep arbeidsmigranten er alleen iets te zeggen is over de kenmerken ´leeftijd´ en ´geslacht´. 1. De meeste niet-ingezeten arbeidsmigranten zijn tussen de 25 en 44 jaar oud.
Aantal niet-ingezetenen naar leeftijdscategorie 10.658 ; 16% 20.665 ; 30%
37.450 ; 54% <25
pagina 33/48
25 september06 juli 2020
25-44
45+
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
2. De meeste niet-ingezeten arbeidsmigranten zijn mannelijk.
Aantal niet-ingezetenen naar geslacht
24.407 ; 35%
44.366 ; 65%
Man
4.4
Vrouw
Korte conclusie
In 2018 woonden en/of werkten er totaal 26.668 arbeidsmigranten in de provincie Zuid-Holland die als ingezetene waren ingeschreven in de BRP: • Ruim 12.000 woonden er, maar werkten buiten de provincie; • Bijna 12.000 woonden er en werkten in de provincie. • Ruim 2.000 werkten er wel, maar woonden buiten de provincie. Van de niet-ingezetenen is alleen bekend waar ze werkten. In totaal waren er in 2018 68.773 nietingezeten arbeidsmigranten werkzaam in de provincie Zuid-Holland. Zij waren daar niet allemaal tegelijkertijd daadwerkelijk aanwezig. Tussentijds stromen nieuwe niet-ingezetenen in (instroom), en verlaten ook niet-ingezetenen Nederland, zij registreren zich in de BRP als ingezetene, of zij vinden een baan buiten de provincie Zuid-Holland (uitstroom). In de loop van het jaar is het aantal nietingezeten arbeidsmigranten dat daadwerkelijk in de provincie verbleef sterk gestegen. In januari waren het er 28.000, dat aantal steeg tot de zomer sterk, tot 43.000 in juli. Daarna nam het de rest van het jaar langzaam verder toe tot bijna 45.000 in december. Dat komt omdat in iedere maand, behalve augustus, de instroom hoger is dan de uitstroom. De bovenstaande aantallen vormen een onderschatting van het aantal migranten dat in 2018 daadwerkelijk in Zuid-Holland woonde en / of werkte.
Dat komt door twee factoren: • Van 15% van de niet-ingezetenen was niet te bepalen in welke provincie de werkzaamheden daadwerkelijk worden uitgevoerd. Deze personen zijn verder buiten de berekening gebleven. Dat zou kunnen leiden tot een onderschatting met 15%, ofwel 10.075 personen. • Het is onbekend hoeveel arbeidsmigranten met een A1-verklaring in Zuid-Holland werkzaam zijn. Dat kan deels met een indicatieve schatting worden aangevuld. Van het totaal aantal nietingezetenen in Nederland werkt 22% in Zuid-Holland. Wanneer wordt aangenomen dat dezelfde verhouding geldt voor arbeidsmigranten met een A1-verklaring, dan waren er in 2017 9200 arbeidsmigranten met een A-1 verklaring werkzaam in Zuid-Holland. Dat blijft een onderschatting van het totale aantal omdat van 40% van de arbeidsmigranten met een A1-
pagina 34/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
verklaring op Europees niveau onbekend is in welk Europees land ze hun werkzaamheden verrichten. Dit betekent dat de gegevens die in de beschikbare registraties voorhanden zijn om het aantal arbeidsmigranten en relevante kenmerken van deze migranten te bepalen onvolledig en gebrekkig zijn. Dat leidt ertoe dat het aantal arbeidsmigranten wordt onderschat. Met een aantal aannames is in grote lijnen wel te bepalen hoe omvangrijk de onderschatting is. In de informatiebehoefte van de provincie en gemeenten, die voortvloeit uit hun verantwoordelijkheid voor het oplossen van huisvestingsvraagstukken en toezicht- en handhavingsvraagstukken, kan door al deze onzekerheden / schattingen maar voor een klein deel worden voorzien.
pagina 35/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
5.
Verbetermogelijkheden voor registratie
5.1
Inleiding
Uit de analyse eerder in dit rapport is gebleken dat de belangrijkste tekortkoming in de beschikbare registratiebronnen de beperkte informatie over niet-ingezeten arbeidsmigranten betreft. Het is daardoor niet behoorlijk vast te stellen hoeveel arbeidsmigranten die staan geregistreerd als nietingezetene op een specifiek moment daadwerkelijk in Nederland verblijven en werken. Bovendien is het verblijfadres onbekend. Het ontbreken van verblijfsgegevens over niet-ingezetenen heeft als consequentie dat een aanzienlijke groep arbeidsmigranten in belangrijke mate buiten het zicht van de overheid blijft. Het betreft mensen met een zwakke rechtspositie die relatief vaak het object zijn van uitbuiting en betrokken zijn bij handhavingsproblemen. De Inspectie SZW, die controleert of de werkgever de Nederlandse arbeidswetgeving naleeft, kan alleen via de werkgever met ze in contact komen. Ook het werk van gemeentelijke handhavingsteams wordt daardoor bemoeilijkt. In prognoses van de huisvestingsbehoefte komen deze personen niet voor en ook in andere landelijke statistieken en tellingen ontbreken ze. Tijdens de huidige Covid-19 crisis zijn deze personen niet zichtbaar en dus niet bereikbaar voor de overheid. Een onderzoek door de GGD naar contacten van een niet geregistreerde arbeidsmigrant is niet uitvoerbaar.
Dat kan grote gevolgen hebben bij eventuele verspreiding van het Coronavirus binnen deze gesloten en onzichtbare groep. In dit hoofdstuk wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om meer zicht op deze groep te krijgen door het verbeteren van de wijze waarop ze geregistreerd worden. Het hoofdstuk begint met een analyse van het registratieprobleem. De mogelijke oplossingsrichtingen worden in drie categorieën ingedeeld en er wordt één concrete suggestie geselecteerd die in het vervolg verder wordt uitgewerkt. Dat leidt tot een conclusie over een mogelijke mix van maatregelen waarmee het registratieprobleem kan worden aangepakt. Het hoofdstuk sluit af met enkele aanbevelingen voor nader onderzoek.
5.2
Analyse van het registratieprobleem
Zoals al gesteld wordt in de RNI alleen bij inschrijving een adres in het buitenland geregistreerd. Er is geen adres in Nederland bekend. Wanneer niet-ingezetenen zich aan hun wettelijke verplichting zouden houden om zich bij een voorgenomen verblijf van langer dan vier maanden als ingezetene in de BRP in te laten schrijven, is dit een beperkt probleem omdat met een inschrijving als ingezetene een verblijfsadres alsnog bekend wordt. Uit dit onderzoek blijkt dat het veel voorkomt dat arbeidsmigranten zich na vier maanden niét inschrijven als ingezetene in de BRP. Uit een onderzoek van ABU en NBBU uit 2018 blijkt dat arbeidsmigranten gemiddeld 44 weken ononderbroken in Nederland verblijven en dus geregistreerd zouden moeten worden als ingezetene. Als reden voor het niet inschrijven speelt mee dat een feitelijke prikkel ontbreekt: de ervaring leert hen bijvoorbeeld dat ze zonder registratie als inwoner van een gemeente geen toeslagen missen. Soms wordt inschrijving als ingezetene tegengewerkt. Soms door de werkgever en/of huisvesters vanwege mogelijke handhaving, maar soms ook door de hoofdbewoner van een adres, om zo bijvoorbeeld verhoging van de gemeentelijke lasten of heffingen te voorkomen. Om aan een verplichting te kunnen voldoen moeten mensen weten dat de verplichting bestaat, in staat zijn eraan te voldoen (kunnen) en ook gemotiveerd zijn om eraan te voldoen (willen).
In het geval van arbeidsmigranten is het van belang dat het veelal om praktisch geschoolde mensen gaat die geen pagina 36/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Nederlands spreken en naast hun moedertaal vaak maar beperkt andere talen zoals Engels of Duits beheersen. Ook wijken regels omtrent registratie bij de overheid in het land van herkomst vaak af van de regels in Nederland, dus ook ‘onbekendheid’ zal zeker een rol spelen. Hun ‘doe-vermogen´ kan daardoor snel worden overschat. Voor inschrijving in de RNI is aan de randvoorwaarden met betrekking tot weten, kunnen en willen voldaan. De migrant zelf hoeft weinig te weten of te kunnen omdat de werkgever er eveneens belang bij heeft dat de werknemer over een BSN beschikt. In veel gevallen regelen de werkgevers dat de inschrijving plaatsvindt en maken gemeenten met werkgevers afspraken over de dienstverlening daaromheen. Het proces is eenvoudig en snel, deugdelijk identificeren is het enige dat nodig is. Het hoge belastingtarief dat geldt wanneer iemand niet over een BSN beschikt vormt een sterke financiële prikkel om de inschrijving ook zelf te willen. Voor de inschrijving van arbeidsmigranten als ingezetene in de BRP is niet aan de randvoorwaarden met betrekking tot weten, kunnen en willen voldaan. De werkgever heeft bij de inschrijving als ingezetene niet direct een belang, zodat het op de arbeidsmigrant zelf aankomt om de verplichting te kennen. Dat is in de praktijk lang niet altijd het geval.
Voor een inschrijving moet een arbeidsmigrant meestal zelf het initiatief nemen in de woongemeente, waarbij de verplichting om op enig moment ook brondocumenten zoals een geboorteakte of (als dat van toepassing is) een huwelijksakte te overleggen sterk drempelverhogend werkt. Niet voldoen aan de inschrijfverplichting is een overtreding in de zin van de Wet BRP waar gemeenten een bestuurlijke boete voor kunnen opleggen. In de interviews is aangegeven dat dit in de praktijk maar weinig soelaas biedt. Het kost veel inspanning om de overtreding te bewijzen en om de boete, nadat deze is opgelegd, ook te innen bij een persoon waarvan de verblijfplaats niet bekend is. Het resultaat is dat een boete zelden wordt geïnd en dat handhaving van de verplichting maar heel beperkt effectief is. Bovendien betreft het soms schrijnende gevallen, waarbij arbeidsmigranten met een zwakke rechtspositie betrokken zijn bij uitbuiting. De Wet BRP leidt tot de paradoxale situatie dat iets wat niet verplicht is, wel door vrijwel alle arbeidsmigranten wordt gedaan (inschrijven in de RNI), maar iets dat wel verplicht is (inschrijving als ingezetene bij een verblijf van langer dan vier maanden) juist wordt nagelaten.
De lasten die inschrijving in de BRP met zich meebrengen, waaronder de verplichting om op enig moment allerlei (gelegaliseerde en/of vertaalde) documenten over te leggen, dragen hieraan zeker bij. Deze paradox laat zien dat het bestaan van een verplichting niet hoeft te leiden tot een goed functionerende registratie. Het is daarom van belang dat er een mix van maatregelen wordt ingezet om de randvoorwaarden met betrekking tot weten, kunnen en willen in te vullen.
5.3
Verschillende oplossingsrichtingen
De oplossingsrichtingen die tijdens het onderzoek zijn aangedragen kunnen worden verdeeld in drie categorieën: 1. Vorm de RNI om tot een ´BRP-light` en laat inschrijving van niet-ingezetenen in de BRP light in iedere gemeente plaatsvinden. In de BRP-light wordt een beperkt setje basisgegevens, waaronder het verblijfadres in Nederland, geregistreerd en bijgehouden. De eisen die aan brondocumenten worden gesteld zijn beperkter dan bij de reguliere BRP voor ingezetenen. Bij een langer verblijf vindt alsnog de volledige registratie als ingezetene in de BRP plaats. pagina 37/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Daardoor wordt het onder meer mogelijk om bestuurlijke boetes te heffen en kan ook gebruik gemaakt worden van de ‘informatieverplichting’ ex art. 2:48 Wet BRP voor derden. 2. Leg aan derde partijen, zoals de werkgevers of de verhuurders van woonruimte, de plicht op om het adres waar arbeidsmigranten verblijven te registeren en te melden. Daarbij wordt gerefereerd aan de bestaande plicht van werkgevers om het adres van hun werknemers bij de Belastingdienst op te geven en de plicht bij hotels en vakantieverblijven om een gastenregistratie bij te houden. 3. Leg aan arbeidsmigranten bij inschrijving in de RNI de plicht op om hun adres in Nederland op te geven en ook verhuizingen te melden. Daarbij wordt gerefereerd aan de REVA-pilot, waarover inmiddels is besloten om niet tot landelijke invoering over te gaan. Er worden op onderdelen voorstellen gedaan voor een nadere invulling. Te noemen is bijvoorbeeld het voorstel om het BSN in de RNI een tijdelijk karakter te geven. De verplichting om het verblijfadres te melden is onderdeel van BRP-light. Voor de invulling van het verdere onderzoek is de keuze gemaakt om de derde oplossingsrichting verder uit te werken. Die raakt de kern van het maatschappelijke probleem en is beperkt genoeg om in het korte bestek van een eerste verkenning concreet uit te werken.
Suggesties om werkgevers of verhuurders in te schakelen worden alleen meegenomen wanneer ze in dat kader passen.
5.4
De verplichting
Bij de inschrijving in de RNI wordt een verplichting toegevoegd: de niet-ingezetene dient het verblijfadres in Nederland op te geven. Bij arbeidsmigranten die zich in de RNI laten registreren zal dat vaak een tijdelijk verblijfsadres zijn. Bij een verhuizing binnen Nederland dient vervolgens steeds het nieuwe verblijfadres te worden gemeld. Bij vertrek uit Nederland is het verblijfadres binnen Nederland leeg en dient zo nodig het adres in het buitenland te worden geactualiseerd. Bij terugkeer in Nederland om opnieuw arbeid te verrichten dient het verblijfadres in Nederland weer te worden gemeld. De verplichting om zich bij een verwacht verblijf in Nederland van langer dan vier maanden in de BRP te laten inschrijven blijft bestaan.
5.5
Suggesties om het registratieproces te verbeteren
Bij de bespreking van de suggesties wordt opnieuw de drieslag weten, kunnen en willen gebruikt als kader met randvoorwaarden die moeten zijn ingevuld om tot een verplichting te komen die in de praktijk ook daadwerkelijk wordt nageleefd. De suggesties worden per categorie besproken, waarna een conclusie wordt getrokken over de mogelijke mix van maatregelen die genomen kan worden om het registratievraagstuk op te lossen.
5.5.1
Willen
Mensen kunnen om verschillende redenen gemotiveerd zijn om aan een verplichting te voldoen. Allereerst doordat ze voordeel hebben van voldoen aan de verplichting en nadeel als ze er niet aan voldoen. Ze kunnen zich ook moreel verplicht voelen om de wet na te leven. En de motivatie stijgt wanneer een verplichting zodanig wordt gehandhaafd dat er een reële pakkans bestaat bij overtreding van de verplichting en er dan sancties volgen. Meerdere suggesties hebben met het motiveren van niet-ingezetenen te maken.
pagina 38/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Tijdelijk BSN Geef het BSN dat aan niet-ingezetenen wordt verstrekt een tijdelijke status. Na een periode van vier maanden wordt het automatisch ingetrokken. Wanneer iemand langer dan vier maanden blijft en het BSN wil blijven gebruiken dient hij zich tijdig als ingezetene in de BRP in te schrijven. Wanneer iemand binnen vier maanden weer uit Nederland vertrekt, vervalt het BSN eveneens. Wie later terugkomt dient zich opnieuw te laten inschrijven, daarbij wordt een nieuw BSN uitgereikt. Bij terugkeer in Nederland om opnieuw arbeid te verrichten dient het verblijfadres in Nederland weer te worden gemeld. Zolang iemand niet over een bruikbaar BSN beschikt en wel werkt geldt nog steeds de bestaande regel dat het maximale belastingtarief wordt toegepast. Deze suggestie leidt tot een effectieve prikkel om aan de inschrijvingsplicht te voldoen, maar zal naar onze verwachting ook tot grote uitvoeringsproblemen leiden. De functie van het BSN als uniek identificerend nummer dat door de hele overheid wordt gebruikt vereist namelijk dat aan iedere persoon maar één BSN wordt uitgereikt dat in principe nooit meer verandert. Het BSN komt in een zeer groot aantal systemen voor en speelt bij veel gegevensuitwisselingen een rol.
Al die processen en systemen zo aanpassen dat ze kunnen omgaan met het feit dat dezelfde persoon in de loop der tijd meerdere burgerservicenummers kan hebben is zeer duur en vrijwel zeker onuitvoerbaar. De impact van de wijzing wordt kleiner wanneer een BSN niet wordt ingetrokken, maar tijdelijk onbruikbaar wordt gemaakt. Wanneer iemand zich alsnog in de BRP laat inschrijven of na een periode van afwezigheid weer in Nederland gaat werken, dient hij dat te melden en zijn verblijfadres op te geven, waarna het BSN weer wordt geactiveerd. Ook op deze wijze ingevuld leidt de voorgestelde wijziging ertoe dat de processen en systemen bij de afdelingen burgerzaken van de gemeenten, evenals de processen en systemen van afnemers, moeten worden aangepast. Wij verwachten ook in deze uitwerking nog steeds grote uitvoeringsproblemen. Om te voorkomen dat een effectieve prikkel om aan de inschrijvingsplicht te voldoen ten onrechte terzijde wordt gelegd, bevelen wij aan om een impactanalyse uit te voeren naar de gevolgen die het intrekken van een BSN of het tijdelijk buiten gebruik stellen ervan zal hebben voor de systemen van de afnemers. Op basis van de impactanalyse kunnen de kosten en baten van de maatregel goed tegen elkaar afgewogen worden. Maximaal belastingtarief bij ten onrechte onbekend verblijfadres.
Nu wordt het maximale tarief toegepast wanneer iemand niet over een BSN beschikt, de suggestie is om het maximale tarief ook toe te passen wanneer het verblijfadres onbekend is. Voor deze suggestie kan worden aangesloten bij een bestaande verplichting die de werkgevers op grond van de Wet op de loonbelasting hebben om het verblijfadres van de werknemer te vermelden bij de loonaangifte. De werkgever is daarbij het doorgeefluik: de werknemer dient het verblijfadres in te vullen op de ‘opgaaf gegevens voor de loonbelastingen’ en eventuele wijzigingen door te geven Ook bij deze suggestie is in principe sprake van een effectieve prikkel, maar de uitvoerbaarheid schatten we niet hoog in. Door deze maatregel worden aan arbeidsmigranten andere voorwaarden gesteld bij het betalen van belasting dan aan andere belastingplichtigen, wat leidt tot rechtsongelijkheid. De Belastingdienst vraagt momenteel adresgegevens op en ze worden opgeslagen in de Polisadministratie, maar Belastingdienst en UWV gebruiken de gegevens in de praktijk niet of nauwelijks voor hun eigen taakuitvoering. Dat komt de kwaliteit van de uitvoering over het algemeen niet ten goede en roept ook vragen op of aan de AVG wordt voldaan. De Belastingdienst ontvangt de adresgegevens via de werkgever. Dit betekent dat een arbeidsmigrant
pagina 39/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
zijn werkgever op de hoogte moet houden van zijn verblijfplaats. Dat is niet bevorderlijk voor de privacy van de arbeidsmigrant en waarschijnlijk evenmin in overeenstemming met de AVG. Investeren in handhaving In de bestaande situatie is er geen verplichting om het verblijfadres door te geven en kan een arbeidsmigrant dus ook nergens op worden aangesproken. Instellen van de verplichting geeft de gemeenten en andere overheidspartijen de mogelijkheid om handhavend op te treden. Soms is handhaven een effectieve maatregel, maar dat is niet in alle omstandigheden het geval. Er is al gememoreerd dat de plicht tot inschrijving als ingezetene in de BRP in de praktijk maar beperkt gehandhaafd kan worden. Handhaven is duur; het lijkt erop dat gemeentebesturen bij de uitvoering van de Wet BRP vaak meer waarde hechten aan maximale efficiency en betere dienstverlening dan aan handhaving van de adreskwaliteit. Voor handhaving is ook van belang om zich te realiseren dat er niet alleen goedwillende werkgevers en verhuurders zijn die de verplichting naar beste kunnen uitvoeren, maar ook kwaadwillende die de mazen in de wet opzoeken. Tijdens de interviews werd het voorbeeld genoemd van een werkgever die tijdelijke huisvesting aan arbeidsmigranten bood waar ze maximaal 3,99 maanden konden blijven.
Bij een controle kon dan worden aangevoerd dat het niet-ingezetenen betrof die zich niet als ingezetene hoeven te laten inschrijven. Een eventuele verplichting moet daarom ook handhaafbaar zijn richting minder goedwillende partijen. Er kunnen enkele suggesties gedaan worden om de effectiviteit van de handhaving van een nieuwe verplichting te vergroten. Het programma Landelijke Aanpak Adreskwaliteit heeft een positief effect gehad op de handhavingsactiviteiten rond het BRP-adres van ingezetenen, waardoor er aan een vergelijkbare gerichte aanpak gedacht kan worden. Een andere mogelijkheid is het idee om niet alleen het verblijfadres maar ook contactgegevens (mailadres, nummer mobiele telefoon) van arbeidsmigranten te registreren. Wanneer uit de Polisadministratie blijkt dat iemand al meer dan zes maanden aan het werk is44 en niet voorkomt in de BRP als ingezetene, kan deze persoon bijvoorbeeld gericht benaderd worden. De consequenties van dit idee gaan verder dan het verbeteren van de handhaafbaarheid van de verplichting: het doel en de scope van de registratie worden erdoor verbreed. Het lijkt echter wel een interessante aanvulling op de verplichting om het verblijfadres door te geven.
5.5.2
Kunnen
Wanneer het voor arbeidsmigranten eenvoudig is om aan de nieuwe verplichting te voldoen en dat weinig administratieve lasten met zich brengt, is dat bevorderlijk voor de naleving ervan. Eerder in dit rapport is al genoemd dat het ´doe-vermogen´ van arbeidsmigranten niet heel hoog moet worden ingeschat. Verhuizen van het ene tijdelijke adres naar het andere zal, vergeleken met de frequentie waarmee ingezetenen verhuizen, relatief vaak voorkomen. Uit de REVA-pilot is bekend dat een aanzienlijk deel van de eerste vestigingsadressen al binnen een maand verandert. Het is dan ook van veel belang dat het heel eenvoudig is om een verblijfadres door te geven. Om zich in de RNI in te schrijven kunnen arbeidsmigranten momenteel terecht bij negentien gemeenten met een inschrijfvoorziening. Om maximaal aan te sluiten bij de bestaande situatie zou geregeld moeten worden dat arbeidsmigranten hun adreswijzigingen bij één van de negentien 44
Rekening houdend met het feit dat gegevens in de Polisadministratie maximaal 8 weken achterlopen op de werkelijkheid
pagina 40/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
inschrijfgemeenten moeten melden. Omdat iedere gemeente de eigen processen om een wijziging door te geven op eigen wijze inricht (overal de bezoekregelingen anders zijn en ziet de website er anders uit), ontstaat een forse drempel voor mensen die het Nederlands over het algemeen niet machtig zijn. Die drempels blijven bestaan wanneer het mogelijk zou worden om wijzigingen bij alle gemeenten door te geven. In (vrijwel) alle gemeenten is het mogelijk om een verhuizing digitaal door te geven. Dat beperkt de administratieve lasten die nodig zijn om aan de verplichting te voldoen. In veel gemeenten dient iemand die de digitale weg wil gebruiken over een DigiD te beschikken. Dat is in principe mogelijk of kan mogelijk gemaakt worden voor arbeidsmigranten die over een BSN beschikken, maar het aanvragen van DigiD is opnieuw een forse drempel voor deze groep. Voldoen aan de plicht om een gewijzigd verblijfadres te melden is al met al verre van eenvoudig. Er is een suggestie gedaan om het meldingsproces radicaal te vereenvoudigen door personen die zich laten inschrijven in de RNI een app ter beschikking te stellen waarmee ze de melding digitaal kunnen doen. Met de app kunnen ze dan inloggen op een portal waar ze het gewijzigde verblijfadres kunnen invoeren. De benodigde authenticatie en beveiliging zouden dan een onderdeel van de app moeten zijn.
Onze inschatting is dat een radicale vereenvoudiging van het meldingsproces nodig is om een succes van de verplichte aangifte van het verblijfadres te kunnen maken. Een app of een andere maatregel die het heel eenvoudig maakt om aan de verplichting te voldoen is naar onze mening een noodzakelijke randvoorwaarde om tot een goed functionerende registratie te komen.
5.5.3
Weten
Er zijn meerdere manieren om te bereiken dat mensen een nieuwe verplichting die op hen van toepassing is ook kennen. Met voorlichting kunnen arbeidsmigranten erop gewezen worden dat het in hun eigen belang is om hun verblijfadres door te geven: de overheid gebruikt de gegevens om te bevorderen dat de juiste huisvestingsvoorzieningen beschikbaar komen en dat uitbuiting kan worden voorkomen. Goede voorlichting is belangrijk bij de introductie van een nieuwe verplichting, zeker wanneer die ook gaat gelden voor personen die nu al in de RNI zijn ingeschreven. Het kennisniveau wordt ook bevorderd wanneer mensen in hun dagelijks leven merken dat de overheid het verblijfsadres gebruikt. Er mag bovendien een motiverende werking van verwacht worden, waardoor mensen zich bij een verhuizing eerder aan de verplichting houden dan wanneer ze niets merken van gebruik. Het gebruik van de verblijfsgegevens bij de huisvestingsplanning en handhavingsactiviteiten leidt er niet per definitie toe dat de betrokkenen daar veel van merken. We bevelen aan om bewust te zoeken maar mogelijkheden om het gebruik zo in te richten dat arbeidsmigranten centraal staan en bij het gebruik betrokken worden. Voor suggesties hoe dat ingericht kan worden verwijzen we naar het programma ´Mens centraal´ 45.
45
https://www.digitaleoverheid.nl/overzicht-van-alle-onderwerpen/toegankelijkheid/programma-mens-centraal/
pagina 41/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
5.6
Suggesties voor vervolgonderzoek
Binnen het kader van onze opdracht past een eerste verkenning zoals wij die hebben uitgevoerd, waarbij de vraagstukken rond arbeidsmigranten centraal staan. Om een besluit te nemen of er wijzigingen zullen worden doorgevoerd en wat die precies zullen inhouden is aanvullend onderzoek nodig. Eerder is de aanbeveling gedaan om een impactanalyse uit te voeren naar de gevolgen die het intrekken van een BSN of het tijdelijk buiten gebruik stellen ervan zal hebben voor de systemen van de afnemers. We doen nog drie aanbevelingen voor het vervolgonderzoek. Om te beginnen is het belangrijk bij de start van het onderzoek vast te stellen voor welke problematiek een gewijzigde registratie een oplossing moet bieden. Naar wij aannemen zal de problematiek meer omvatten dan alleen de vraagstukken rond arbeidsmigranten. De BRP is een basisregistratie voor de hele Nederlandse overheid en om de goede mix van maatregelen te kunnen bepalen is het nodig om het doel en het beoogd gebruik van de registratie helder voor ogen te hebben. In deze korte verkenning zijn een aantal suggesties verzameld waarmee een eerste beeld van een mogelijke mix van maatregelen geschetst kon worden. Die zou de start kunnen zijn voor een verdere uitwerking.
Kan het gestelde doel met deze maatregelen worden bereikt of is er wellicht een andere, betere mix van maatregelen nodig? Stap voor stap kan zo worden toegewerkt naar een optimale oplossing. Ons advies is om daarbij op geschikte momenten ruimte te maken voor ´out of the box´ denken. De discussie over aanpassing van de RNI loopt al een aantal jaren en dan is het goed om ook gericht te zoeken naar nieuwe inzichten. Voor een mogelijke opzet van het onderzoek refereren wij aan de aanpak die gebruikt is bij het oplossen van de persoonsnummerproblematiek. De lastige discussie over het gebruik van identificerende persoonsnummers in de basisregistratie personen is doorbroken door een aanpak waarin het organiseren van de goede bestuurlijke discussie centraal stond. Er is een stuurgroep op SG/DG niveau gevormd met een zware bestuurder (oud-minister Ed van Thijn) als voorzitter. Vooraf was bepaald dat het project maximaal een half jaar zou duren en dat de stuurgroep drie keer zou vergaderen: bij de start, halverwege het onderzoek en om het resultaat vast te stellen. Een onderzoeksteam voerde het onderzoek uit, begeleid en ondersteund door een werkgroep van ambtenaren. Het onderzoek leidde tot het voorstel om het burgerservicenummer in Nederland in te voeren, zoals bekend is dat voorstel vervolgens ook uitgevoerd.
5.7
Conclusie van dit hoofdstuk
De verkenning in dit hoofdstuk is uitgevoerd om zicht te krijgen op een mogelijke mix van maatregelen waarmee het registratievraagstuk bij het registreren van de verblijfplaats van arbeidsmigranten effectief kan worden opgelost. De verkenning maakt ons inziens duidelijk dat alleen het invoeren van de verplichting en het vervolgens handhaven ervan er niet toe zal leiden dat de verplichting door de meeste arbeidsmigranten daadwerkelijk zal worden nageleefd. Het risico dat de verplichting een papieren tijger blijft is groot. Wij bevelen aan om aanvullende maatregelen te nemen, zowel om mensen te motiveren als om hen in staat te stellen op een eenvoudige manier aan hun verplichtingen te voldoen. Een ´killer motivator´, vergelijkbaar met de consequentie dat het maximale belastingtarief wordt toegepast wanneer iemand zich niet inschrijft in de RNI, is nog niet gevonden. Nader onderzoek naar de optie om ook contactgegevens te registreren lijkt zeer de moeite waard, want daardoor ontstaan nieuwe mogelijkheden bij de dienstverlening en de handhaving. Een combinatie van pagina 42/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
handhavingsactiviteiten, een app die voldoen aan de verplichting eenvoudig maakt en het centraal stellen van de arbeidsmigrant bij het gebruik van de gegevens lijkt op basis van deze beperkte eerste verkenning de best mogelijke mix van maatregelen om tot een goed functionerende registratie te komen.
Bijlage A #
Geïnterviewde personen
Datum
Naam
Organisatie
12 september 2019
Inez Westervoorde Rob van der Velde Anna Jansen
Provincie Zuid-Holland Gemeente Den Haag Gemeente Westland
28 oktober 2019
Dion Dieleman Evelien Ebenau
CBS
04 november 2019
Eerste begeleidingscommissie
14 november 2019
Sandra Lentjes
BZK
14 november 2019
Marie Jose Fles Emmy Schenk Menno Hekker Inez Westervoorde
Provincie Zuid-Holland
21 november 2019
Lian Bastiaansen
SZW
26 november 2019
Loes van der Ploeg Paul Groeneweg
Gemeente Rotterdam
27 november 2019
Anna Jansen
Gemeente Westland
12 december 2019
Rob van der Velde Willem de Groot Sita Kristo Oemraw
Gemeente Den Haag
13 januari 2020
Tweede begeleidingscommissie
28 januari 2020
Dion Dieleman Thomas Slager Fatima El Messlaki
CBS
28 februari 2020
Paul de Hek Arie-Jan van der Toorn Anna Jansen Inez Westervoorde
SEOR
Paul de Hek Arie-Jan van der Toorn
SEOR
06 maart 2020
pagina 43/48
25 september06 juli 2020
Gemeente Westland Provincie Zuid-Holland
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Bijlage B
Samenstelling begeleidingscommissie
De begeleidingscommissie voor deze opdracht is in wisselende samenstelling bijeen gekomen en bestaat uit: Naam Organisatie Anna Jansen
Gemeente Westland
Inez Westervoorde
Provincie Zuid-Holland
Rob van der Velde
Gemeente Den Haag
Loes van der Ploeg
Gemeente Rotterdam
Ronald Zijlstra
Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken
Ank Jongman
VNG
Sandra Lentjes
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Lian Bastiaansen
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
pagina 44/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Tabellen rapportage per gemeenten
Bijlage C
In deze bijlage staan de tabellen welke uitgesplitst zijn per gemeenten waardoor een fijnmaziger inzicht wordt geboden. Dit is niet mogelijk voor alle figuren en voor gemeenten met minder dan tien personen staan “<10” aangegeven i.v.m. privacyregels. Eerst staan de tabellen met niet-ingezetenen en daarna ingezetenen. Tabel C.1. Niet ingezetenen arbeidsmigranten die werken per maand, per gemeente in Zuid Holland in 2018. Gemeente
Jan
Feb
Mar
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Alblasserdam
18
22
23
26
29
29
33
38
38
38
39
39
Albrandswaard
407
446
468
522
550
585
611
638
684
668
669
640
Alphen aan den Rijn
847
929
1034
1185
1239
1296
1419
1384
1377
1375
1364
1384
Barendrecht
110
121
132
136
143
146
152
163
160
172
182
179
Binnenmaas
96
107
146
169
193
191
180
172
151
139
135
106
BodegravenReeuwijk
624
678
734
803
849
872
917
960
1005
1067
1084
1091
Brielle
104
140
202
221
212
207
205
192
190
188
186
171
Capelle aan den IJssel
392
421
440
457
501
536
564
640
697
712
716
654
Cromstrijen
91
91
109
119
130
127
144
165
169
153
122
100
Delft
89
109
123
132
150
163
169
189
225
251
285
307
Dordrecht
362
372
406
419
443
465
483
479
481
485
489
468
Giessenlanden
15
18
19
21
20
21
22
24
27
27
30
30
GoereeOverflakkee
199
205
227
268
292
334
338
321
266
262
245
218
Gorinchem
2208
2289
2309
2441
2480
2593
2760
2687
2771
2741
2785
2761
Gouda
41
45
44
48
52
60
63
60
63
68
74
80
HardinxveldGiessendam
236
237
252
258
273
282
282
297
296
318
309
277
Hellevoetsluis
15
17
19
19
22
23
26
27
31
37
36
30
Hendrik-IdoAmbacht
57
57
56
56
59
57
60
65
68
69
73
74
Hillegom
37
39
37
39
35
38
39
44
48
54
57
59
Kaag en Braassem
55
61
61
60
44
30
41
39
31
33
53
55
Katwijk
962
978
1043
1063
1106
1217
1423
1486
1529
1491
1462
1520
Korendijk
<10
<10
<10
<10
<10
17
18
39
39
<10
13
15
Krimpen aan den IJssel
302
313
372
489
576
624
691
712
590
579
550
512
Krimpenerwaard
11
11
10
11
11
13
14
15
18
23
22
22
Lansingerland
1307
1327
1481
1760
1901
2012
2208
2203
2261
2250
2193
2079
Leerdam
10
12
12
12
14
14
14
15
15
17
18
18
pagina 45/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Gemeente
Jan
Feb
Mar
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Leiden
436
456
465
482
496
540
660
668
675
700
594
602
Leiderdorp
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
12
14
LeidschendamVoorburg
17
17
19
22
28
32
35
35
36
37
40
39
Lisse
68
74
74
77
74
80
90
99
105
110
110
109
Maassluis
24
24
22
29
30
36
44
43
40
36
40
41
Midden-Delfland
<10
<10
11
14
15
15
17
31
36
46
50
45
Molenwaard
32
33
35
36
37
39
41
39
43
44
49
50
Nieuwkoop
43
42
45
45
44
46
45
47
44
44
49
47
Nissewaard
41
47
55
52
54
63
66
62
63
61
66
73
Noordwijk
153
157
166
169
168
188
209
208
211
220
230
231
Noordwijkerhout
381
405
442
472
454
545
605
657
659
611
598
556
Oegstgeest
<10
<10
<10
<10
<10
<10
10
<10
<10
13
12
12
Oud-Beijerland
<10
<10
<10
10
11
14
16
17
18
19
19
20
Papendrecht
54
55
50
59
59
60
61
62
61
62
63
63
Pijnacker-Nootdorp
178
187
193
214
245
273
306
315
314
288
277
272
Ridderkerk
194
200
199
221
222
221
220
224
236
239
233
235
Rijswijk
789
1027
1071
1116
1054
1009
984
937
995
1006
1014
1128
Rotterdam
2891
3139
3358
3631
3847
3998
4071
4205
4459
4683
4717
4739
Schiedam
474
513
549
607
650
654
671
692
704
727
738
756
's-Gravenhage
3248
3629
4097
4655
5034
5350
5612
5763
6044
6064
5903
5921
Sliedrecht
756
783
795
807
888
872
882
1030
917
1016
995
963
Strijen
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
Teylingen
204
208
212
200
199
213
245
258
252
251
268
281
Vlaardingen
169
184
215
247
289
315
342
354
336
323
294
264
Voorschoten
<10
10
10
<10
11
12
14
14
15
17
18
19
Waddinxveen
212
214
222
215
226
240
264
266
277
285
276
278
Wassenaar
<10
10
12
13
12
13
18
21
15
14
14
Westland
8059
8397
9275
10285
11205
12345
13447
13434
13193
12973
12538
12316
Westvoorne
10
12
13
17
20
21
14
<10
<10
<10
12
12
Zederik
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
<10
Zoetermeer
335
371
384
416
443
503
526
552
565
598
624
616
Zoeterwoude
13
13
16
19
18
21
20
20
24
29
31
32
Zuidplas
73
78
80
84
85
89
91
89
87
90
93
90
Zwijndrecht
780
770
812
835
863
909
935
933
906
936
943
917
pagina 46/48
25 september06 juli 2020
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Tabel C.2 Ingezetenen arbeidsmigranten die wonen in de gemeente op drie pijlmomenten in 2018
Gemeente Alblasserdam Albrandswaard Alphen aan den Rijn Barendrecht Bodegraven-Reeuwijk Brielle Capelle aan den IJssel Delft Dordrecht Goeree-Overflakkee Gorinchem Gouda HardinxveldGiessendam Hellevoetsluis Hendrik-Ido-Ambacht Hillegom Kaag en Braassem Katwijk Krimpen aan den IJssel Krimpenerwaard Lansingerland Leiden Leiderdorp LeidschendamVoorburg Lisse Maassluis Midden-Delfland Nieuwkoop Nissewaard Noordwijk Oegstgeest Papendrecht Pijnacker-Nootdorp Ridderkerk Rijswijk Rotterdam Schiedam 's-Gravenhage Sliedrecht pagina 47/48
25 september06 juli 2020
Januari 22 21 588 24 116 75 159 415 645 99 118 467 32
Juli 18 20 569 21 109 74 142 361 592 100 98 404 33
December 18 19 534 18 103 66 131 348 573 87 95 367 33
63 <10 151 120 204 10
69 <10 149 115 203 <10
64 <10 140 108 181 <10
146 89 384 48 97
148 83 360 42 98
143 82 340 36 95
100 280 29 126 133 519 30 29 46 44 175 3.981 1.016 5.325 29
91 259 27 121 128 480 27 29 51 43 155 3.768 954 5.026 29
83 239 23 111 120 465 23 28 47 40 148 3.493 881 4.647 21
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten
Teylingen Vlaardingen Voorschoten Waddinxveen Wassenaar Westland Westvoorne Zoetermeer Zoeterwoude Zuidplas Zwijndrecht
pagina 48/48
25 september06 juli 2020
98 755 21 157 25 2.476 14 225 <10 98 72
88 737 21 160 22 2.278 13 212 <10 97 71
81 700 19 151 21 2.090 11 193 <10 95 66
PBLQ – eindrapport onderzoek arbeidsmigranten