CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307290 bijlage 4

Gemeenteraad 4 maart 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Aanbiedingsbrief Armoedebestrijding van wethouder Sociale Zaken en Werk (RIS307290)13.290 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARMOEDEMONITOR Omvang en kenmerken van de minimapopulatie en het bereik van de Haagse minimaregelingen in 2018

Gemeente Den Haag Dienst SZW / team onderzoek Zomer 2020

1

INHOUD

SAMENVATTING INLEIDING

p.3 p.6

1. 1.1 1.2 1.3 1.4

DEFINITIES EN OMVANG VAN ARMOEDE Verschillende benaderingen van armoede Aandeel huishoudens met een laag inkomen daalt sinds 2013 Raming: armoede in 2019 daalt licht, erna onduidelijk Haagse minima hebben naast een laag inkomen ook weinig vermogen

p.8 p.8 p.8 p.8 p.9

2. 2.1 2.2 2.3 2.4

ARMOEDE IN DEN HAAG VERGEKEKEN MET ANDERE STEDEN Daling aandeel lage inkomens zet door in alle steden tot 2018 Langdurige armoede stabiel tot lichte toename in alle steden Aandeel ouderen met laag inkomen redelijk stabiel in alle steden Minder kinderen in huishoudens met een laag inkomen in alle steden

p.10 p.10 p.10 p.11 p.11

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11 3.12

HAAGSE MINIMAHUISHOUDENS p.13 Een kwart van de Haagse huishoudens heeft een laag inkomen (130% Wsm) p.13 Een vijfde van de Haagse huishoudens behoort tot de minimapopulatie (130% Wsm) p.14 Inkomstenbron varieert: hoog armoederisico onder minima met een uitkering p.15 Alleenstaanden en eenoudergezinnen behoren relatief vaak tot minimapopulatie p.16 Spreiding in leeftijd kostwinner, jongere hoofdkostwinner relatief hoog armoederisico p.17 Tweederde van de minimahuishoudens heeft migratieachtergrond p.18 Meerderheid van de minimahuishoudens ontvangt huur- en zorgtoeslag p.19 Wmo-gebruik en zorgkosten hoger onder minimahuishoudens p.19 Bijna een op de tien minimahuishoudens is wanbetaler van de zorgpremie p.21 Minimahuishoudens oververtegenwoordigd in stadsdelen Centrum, Escamp en Laak p.21 Circa tweederde van de minimahuishoudens is langdurig arm p.22 Een vijfde van de Haagse kinderen woont in een minimahuishoudens (130% Wsm) p.26

4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

TOEKENNING EN BEREIK VAN MINIMAREGELINGEN Berekenen van bereik Verzamelbereik: gebruik van ten minste een minimaregeling Ooievaarspas Haagse zorgverzekering Kindpakket Leergeld Den Haag en tegemoetkoming ouderbijdrage Individuele inkomenstoeslag Tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten Bijzondere bijstand Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

p.28 p.28 p.29 p.30 p.32 p.33 p.36 p.38 p.40 p.41

BIJLAGEN Literatuur

p.44

2

SAMENVATTING

De Armoedemonitor beschrijft de omvang en kenmerken van de minimapopulatie in Den Haag en stelt het bereik van gemeentelijke minimaregelingen vast. In deze editie is gebruikgemaakt van inkomensgegevens van het CBS. De meest recente inkomensgegevens gaan over 2018 en zijn voorlopig. Door middel van een koppeling met gebruiksgegevens van gemeentelijke minimaregelingen kon het bereik van deze regelingen worden vastgesteld. Percentage huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens neemt af De gemeente Den Haag hanteert een inkomensgrens van 110 tot 130 procent van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm) om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft. Van de huishoudens in Den Haag heeft respectievelijk 17 tot 23 procent een laag inkomen; dat zijn 39.200 tot 53.900 huishoudens. Het percentage huishoudens met een laag inkomen in Den Haag is lager dan in Amsterdam en Rotterdam maar hoger dan in Utrecht. Het percentage daalt de laatste jaren in alle grote steden. Dit geldt voor beide inkomensgrenzen. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen én weinig vermogen. Om in aanmerking te komen voor Haagse minimaregelingen mag het vermogen van huishoudens niet hoger zijn dan de vermogensgrens in de bijstand. Den Haag telt 34.100 tot 44.900 minimahuishoudens; zij vertegenwoordigen een aandeel van 15 tot 19 procent binnen alle Haagse huishoudens (110 tot 130 procent van het Wsm).

Het percentage minimahuishoudens is licht gedaald ten opzichte van 2017. Dit geldt voor beide inkomensgrenzen. Verdere daling in 2019 geraamd; impact van coronarecessie in 2020 Voor 2019 verwacht het Centraal Planbureau een verdere daling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen. Deze daling gaat uit van de economische groei en toegenomen werkgelegenheid in de afgelopen jaren. Door de uitbraak van covid-19 is het economische beeld in korte tijd ingrijpend veranderd. Dit zal weerslag hebben op het aantal huishoudens met een laag inkomen (en een laag vermogen) in 2020. De mate waarin is nog niet duidelijk. Kenmerken van minimahuishoudens In de minimapopulatie zijn huishoudens met bijstand of een andere uitkering de grootste groep. Binnen de groep minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm, hebben zij een aandeel van 54 procent. Een kwart leeft van een pensioen en minimahuishoudens met inkomen uit werk of een eigen bedrijf hebben een aandeel van respectievelijk 15 en 7 procent. In termen van huishoudtype, zijn eenpersoonshuishoudens met 62 procent de grootste groep in de minimapopulatie met een inkomen tot 130 procent van het Wsm. Alle huishoudens met kinderen hebben een aandeel van 26 procent; een kleine meerderheid hiervan is eenoudergezin. Paren zonder kinderen vormen circa een tiende.

Alleenstaanden ontvangen net zo vaak als gemiddeld binnen de minimapopulatie bijstand, maar relatief vaker een pensioen. Dat laatste geldt ook voor paren zonder kinderen. Eenoudergezinnen ontvangen relatief vaak bijstand terwijl paren met kinderen relatief vaak inkomsten uit werk hebben. In totaal 9 procent van de minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm heeft een betalingsachterstand van zes maanden of meer op de zorgpremie. Dat is twee keer zoveel als binnen het totaal van Haagse huishoudens. Minimahuishoudens hebben ook vaker dan in de totale Haagse populatie een Wmo-voorziening. Van de minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm is dat 28 procent, tegenover 12 procent in de totale Haagse populatie. Minimahuishoudens maken verder vaker hogere zorgkosten (peiljaar 2017). Het gaat dan om kosten voor zorg verleend vanuit de basisverzekering. Uit gegevens van de GGD Haaglanden blijken tot slot aanzienlijke gezondheidsverschillen tussen personen (uit huishoudens) met een laag en hoog inkomen, en tussen personen die wel en enigszins of niet goed kunnen rondkomen.

3

Kwetsbare groepen in de minimapopulatie In de minimapopulatie zijn kwetsbare groepen aan te wijzen op grond van hun armoederisico. Het armoederisico is het aandeel minimahuishoudens in een bepaalde groep ten opzichte van alle huishoudens met diezelfde kenmerken. Het armoederisico is zeer hoog onder huishoudens met bijstand. Dat geldt in mindere mate voor huishoudens met een andere uitkering en huishoudens met een pensioen. Eenoudergezinnen en huishoudens met een jongere kostwinner lopen ook een bovengemiddeld risico op armoede. De positie van langdurig minima lijkt eveneens kwetsbaar. Van alle minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm is 69 procent drie jaar of langer arm. Het aandeel nam toe ten opzichte van 2017. Mogelijk gaan aandelen in de toekomst schuiven met instroom van nieuwe minimahuishoudens als gevolg van de coronarecessie. Onder minimahuishoudens met een oudere kostwinner (65+) zijn er verhoudingsgewijs veel langdurig arm. Dit geldt (logischerwijs) ook voor minimahuishoudens met een pensioen en voor minimahuishoudens met bijstand. Kinderen uit minimahuishoudens vormen een andere potentieel kwetsbare groep. Uitgaande van een inkomensgrens van 130 procent van het Wsm, woont bijna een vijfde van de kinderen van 4 tot 18 jaar in een minimahuishouden. Dat zijn 15.000 kinderen.

De helft van hen woont in een eenoudergezin, ten opzichte van een vijfde van alle Haagse kinderen in die leeftijdsgroep. Kinderen van 4 tot 18 jaar uit minimahuishoudens worden vaker ondersteund vanuit Jeugdzorg dan alle kinderen in die leeftijdsgroep. Concentraties van armoede in de stad Ten opzichte van het stedelijk gemiddelde is het aandeel minimahuishoudens hoog in de stadsdelen Centrum, Escamp en Laak. 70 procent van de minimahuishoudens woont in een van deze stadsdelen (beide inkomensgrenzen). In het stadsdeel Centrum is armoede geconcentreerd in de Schildersbuurt, Transvaalkwartier, Stationsbuurt, Groente en Fruitmarkt en de wijk Centrum. In het stadsdeel Escamp is armoede geconcentreerd in de wijken Moerwijk, Bouwlust en Vrederust en Morgenstond. In Laak zien we veel minimahuishoudens in het Laakwartier en Spoorwijk. In andere stadsdelen ligt het aandeel minimahuishoudens (ver) onder het stedelijk gemiddelde. Kijken we naar kinderen in minimahuishoudens, dan is de verdeling over de stad niet anders: de meerderheid woont in Centrum, Escamp of Laak.

Bereik van minimaregelingen In deze Armoedemonitor berekenden we het bereik van de Ooievaarspas, de Haagse zorgverzekering, het kindpakket dat wordt aangeboden via Stichting Leergeld, de tegemoetkoming voor de ouderbijdrage vanuit het onderwijs, de individuele inkomenstoeslag, de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten, bijzondere bijstand en de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. De gehanteerde inkomensgrenzen variëren per regeling, zo ook de doelgroepkenmerken. Allereerst is gekeken naar het percentage minimahuishoudens met ten minste één minimaregeling. Bij de minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent van het Wsm is het verzamelbereik 85 procent, bij minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm is dat 81 procent. Deze percentages waren in 2017 hetzelfde. Het verzamelbereik onder langdurig arme minimahuishoudens ligt op 93 procent uitgaande van een grens van 110 procent van het Wsm, en op 90 procent uitgaande van een grens van 130 procent van het Wsm. Bijna driekwart van de minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm heeft een Ooievaarspas, zowel in 2018 als in 2017. Onder de voornaamste doelgroep voor de Haagse zorgverzekering - minima met een inkomen tot 110 procent van het Wsm - is het bereik 54 procent. Dat is nagenoeg gelijk aan 2017.

Van de doelgroephuishoudens voor het kindpakket gebruikt 81 procent een of meer voorzieningen hieruit. Dat is iets minder dan in 2017. De tegemoetkoming ouderbijdrage bereikt in 2018 64 procent van alle doelgroephuishoudens. Het bereik is gestegen ten opzichte van 2017. Het bereik van de individuele inkomenstoeslag onder de doelgroep ligt in 2018 op 70 procent en dat is eveneens eens stijging ten opzichte van 2017. Het bereik van de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten is 21 procent onder minimahuishoudens met een inkomen tot 150 procent van het Wsm. Dit bereik is berekend ongeacht de aanwezigheid van ziekte of handicap, omdat hiervan

4

geen registratiebestand is bij het CBS. Kijken we ter indicatie naar het bereik onder minimahuishoudens met dezelfde inkomensgrens én een Wmo-indicatie, dan ligt het bereik op 69 procent. Een op de tien minimahuishoudens met een inkomen tot 105 procent Wsm gebruikt bijzondere bijstand. Hierbij geldt dat bijzondere bijstand onder voorwaarden is aan te vragen en een hoog bereik is geen doel op zich is. De mogelijkheid tot kwijtschelding van gemeentelijke belastingen bereikt tot slot 61 procent van de minimahuishoudens met een inkomen tot 105 procent van het Wsm. Dat is iets minder dan in 2017.

Bereik van minimaregelingen, 2017 en 2018 (percentages)

Bron: CBS en gemeente Den Haag * bereik ongeacht ziekte en/of handicap

Bereik onder kwetsbare groepen hoog Het bereik van de minimaregelingen is hoog onder groepen die we in het voorgaande als (potentieel) kwetsbaar aanmerkten. Alle minimahuishoudens met bijstand gebruiken ten minste een minimaregeling. Bij eenoudergezinnen zijn dat er negen uit elke tien; dat geldt ook voor minimahuishoudens met een oudere kostwinner. Het bereik onder minimahuishoudens met kinderen is eveneens hoog te noemen, net als het bereik onder langdurige minimahuishoudens. Bereik onder andere groepen relatief laag Groepen die relatief minder goed worden bereikt zijn minimahuishoudens met een inkomen uit een eigen bedrijf. Het bereik onder deze groep is verreweg het laagst. Minimahuishoudens met inkomen uit arbeid worden beter bereikt, maar toch gebruikt bijna de helft geen enkele minimaregeling. Verder is het bereik onder minimahuishoudens met een jongere kostwinner relatief laag en gedaald in 2018 ten opzichte van 2017. Tot slot De Ooievaarspas heeft als vaakst verstrekte regeling een groot aandeel in het verzamelbereik. Het is zinvol meer inzicht te krijgen in het gebruik ervan. Vervolgonderzoek kan zich verder richten op de betekenis van de minimaregelingen in het dagelijks leven van minima en op redenen van niet-gebruik onder bovengenoemde groepen.

Inzicht in de in- en uitstroom uit de minimapopulatie kan meer licht werpen op mogelijke nieuwe instroom als gevolg van de coronarecessie en kan inzicht bieden in hoe het minima na verloop van tijd vergaat. Tot slot kan vervolgonderzoek zich richten op sociaal economische gezondheidsverschillen in Den Haag.

5

INLEIDING

Elke twee jaar publiceert de dienst SZW de Haagse Armoedemonitor. De Armoedemonitor beschrijft de omvang en samenstelling van minimahuishoudens en stelt het bereik van minimaregelingen vast onder de doelgroep. Achtergrond De gemeente Den Haag ondersteunt minimahuishoudens door hen hulp te bieden bij de re-integratie naar werk, door maatschappelijke participatie te stimuleren en door hun inkomenspositie te verbeteren. Onderstaande tabel biedt een beschrijving van de minimaregelingen die gericht zijn op het stimuleren van de maatschappelijke participatie en het verbeteren van de inkomenspositie. Bij de aanvraag voor minimaregelingen wordt gekeken naar de hoogte van het huishoudinkomen. De grens voor een laag inkomen ligt in Den Haag op 110 tot 130 procent van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Minimahuishoudens hebben behalve een laag inkomen ook weinig vermogen. Hiervoor geldt de vermogensgrens voor een bijstandsuitkering. Hierop wordt eveneens getoetst.

Tabel 1: minimaregelingen in de gemeente Den Haag in 2018 Soort regeling Vermogensgrens & inkomengrens: Ooievaarspas Tot 130 procent Wsm

Kindpakket van Stichting Leergeld

Tot 130 procent Wsm Kind in huishouden van 4 tot 18

Ouderbijdrage

Tot 130 procent Wsm Schoolgaand kind in huishouden van 4 tot 18 Tot 150 procent Wsm (merendeel tot 110)

Collectieve zorgverzekering

Fonds chronisch zieken en gehandicapten

150 procent Wsm

Bijzondere bijstand

Laag inkomen en hoge noodzakelijke uitgaven* Vanaf 21 jaar 110 procent Wsm 36 maanden of langer 21 jaar tot AOW-leeftijd Laag inkomen Onvoldoende betalingscapaciteit Striktere vermogensgrens**

Individuele inkomenstoeslag Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

Bron: gemeente Den Haag * geen inkomensgrens gedefinieerd. ** vermogensgrens voor bijstand

6

Omschrijving regeling Korting via de Ooievaarspas op bijvoorbeeld het lidmaatschap van een vereniging of een bezoek aan een museum. Kindpakket met sport en cultuur, de schoolspullenpas, leer- en communicatievoorzieningen en tegoed voor het openbaar vervoer (via Stichting Leergeld). Tegemoetkoming voor kosten van de ouderbijdrage van scholen. Collectieve ziektekostenverzekering bij VGZ of Menzis met uitgebreide aanvullende dekking en dekking van eigen risico. Vergoeding van maximaal € 125 voor chronisch zieken en gehandicapten met een zorgindicatie. Tegemoetkoming voor personen met noodzakelijke en onverwachte kosten, die niet op een andere manier zijn te betalen. Aanvulling op het huishoudinkomen om grote noodzakelijke uitgaven te doen. Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen.

Methode Deze editie van de Armoedemonitor is gebaseerd op de bestanden Inkomen Personen (INPA) en Inkomen Huishoudens (INHA) van het CBS. Deze bestanden bevatten het jaarinkomen van respectievelijk personen en huishoudens behorend tot de Haagse bevolking per 1/1/2018. Dit zijn voorlopige gegevens. De belangrijkste bron van beide bestanden is de Belastingdienst. Op basis van deze bestanden is per huishouden bepaald hoe hoog het besteedbaar huishoudinkomen is ten opzichte van het beleidsmatig minimum. Inkomensgegevens zijn verrijkt met gegevens over gebruik van Wmovoorzieningen, Jeugdzorg, zorgkosten voor zorg uit de basisverzekering en over betalingsachterstanden van de zorgpremie (wanbetalers). Om het bereik van gemeentelijke minimaregelingen vast te stellen, zijn deze gegevens gekoppeld aan bovengenoemde CBS gegevens. Van 2006 tot 2017 stelde onderzoeksbureau Kwiz de Armoedemonitor op. Er is voor een overstap van Kwiz naar het CBS gekozen omdat (alleen) met inkomensgegevens van het CBS de gehele minimapopulatie kan worden vastgesteld. Zo kan het (niet-) gebruik van minimaregelingen beter in beeld worden gebracht. Verder zijn meer gegevens over de minimahuishoudens beschikbaar waaronder de bron van inkomsten en zijn specifieke groepen zoals werkende armen beter te beschrijven.

Met de overstap naar het CBS is sprake van een trendbreuk met gegevens over aantallen minimahuishoudens en bereikscijfers uit eerdere edities van de Armoedemonitor zoals opgesteld door onderzoeksbureau Kwiz. Gegevens van het CBS over huishoudens met een laag inkomen geven wel een beeld van eerdere jaren (zie hoofdstuk 2). Leeswijzer Het rapport begint met een aantal definities die worden gebruikt bij het bepalen van armoede in Den Haag (hoofdstuk 1), waarna de Haagse cijfers worden vergeleken met die van andere Nederlandse grote steden en Nederland (hoofdstuk 2). Vervolgens worden de kenmerken van minimahuishoudens in kaart gebracht (hoofdstuk 3), waarna wordt ingegaan op het bereik van de minimaregelingen (hoofdstuk 4). Het rapport beschrijft de belangrijkste bevindingen van de tabellen die te raadplegen zijn op de site van het CBS. Deze tabellen bieden gedetailleerde informatie over de Haagse minimapopulatie en het bereik van minimaregelingen onder specifieke groepen. Zie hiervoor https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/cbs-urban-data-centers/locaties/cbs-urban-data-center-denhaag. Daarnaast is een factsheet beschikbaar over de minimapopulatie in 2018.

7

1.

DEFINITIES EN OMVANG VAN ARMOEDE

1.1 Verschillende benaderingen van armoede Of huishoudens een laag inkomen hebben wordt volgens verschillende definities vastgesteld. De gemeente Den Haag hanteert een percentage van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm), namelijk 110 procent. Veel regelingen zijn echter beschikbaar voor huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm. In tabel 1.1 staan de normbedragen benoemd voor huishoudens met een inkomen tot 110 en 130 procent van het Wsm. Tabel 1.1: netto maandinkomen 110 en 130 procent Wsm (inclusief vakantie-uitkering) per januari 2018 (in euro) 21 - pensioengerechtigde leeftijd Vanaf pensioengerechtigde leeftijd 110% Wsm 130% Wsm 110% Wsm 130% Wsm Alleenstaande (ouder) Gehuwd / samenwonend Bron: Rijksoverheid

1.091 1.559

1.290 1.843

1.227 1.678

1.450 1.983

Andere benaderingen voor het vaststellen van armoede zijn de lage inkomensgrens (CBS) en de basisbehoeften- of niet-veel-maar-toereikend grens (SCP). De lage inkomensgrens ligt onder de grens van 110 procent van het Wsm, net als de basisbehoeftengrens. De niet-veel-maar-toereikend grens ligt erboven. 1.2 Aandeel huishoudens met een laag inkomen daalt sinds 2013 In Den Haag daalt het aandeel huishoudens met een laag inkomen sinds 2013, ongeacht de definiëring van een laag inkomen (zie figuur 1.1). Den Haag telt in 2018 39.200 huishoudens met een inkomen tot 110 procent van het Wsm (17%) en 53.900 huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm (23%). Ten opzichte van 2013 is het aandeel huishoudens met een laag inkomen in 2018 met respectievelijk 0.9 procentpunt en 1.7 procentpunt gedaald (110 en 130 procent Wsm).

Figuur 1.1: aandeel Haagse huishoudens met aan laag inkomen - verschillende definities 2011-2018

Bron: CBS statline

1.3 Raming: armoede in 2019 daalt licht, erna onduidelijk De meest recente gegevens van het CBS over huishoudens met een laag inkomen zijn beschikbaar voor het jaar 2018. Het Centraal Planbureau maakte op verzoek van het CBS een raming voor 2019 en verwacht dat het aandeel huishoudens onder de lage inkomensgrens van 7.9 procent in 2018, in 2019

8

daalt tot 7.4 procent en in 2020 tot 6.6 procent (De Haard, Koot & Lemmens, 2019). Dit zou dus neerkomen op een daling van een half procentpunt in 2019 ten opzichte van 2018, en een verdere daling van 0.8 procentpunt in 2020. De afname gaat uit van de economische groei en toegenomen werkgelegenheid in de afgelopen jaren. Door de uitbraak van het coronavirus is het economische beeld in korte tijd echter ingrijpend veranderd. Een recessie en een toename van werkeloosheid zijn volgens het CPB onvermijdelijk. Het beschikbaar inkomen van veel Nederlandse huishoudens verandert in 2020 en 2021 hierdoor aanzienlijk (CPB 2020). Dit zal weerslag hebben op het aandeel huishoudens met een laag inkomen (en laag vermogen). 1.4 Haagse minima hebben naast een laag inkomen ook weinig vermogen De gemeente Den Haag hanteert zoals gezegd een inkomensgrens van 110 tot 130 procent van het Wsm om te bepalen of huishoudens een laag inkomen hebben. Om in aanmerking te komen voor een minimaregeling wordt daarnaast gekeken naar het huishoudvermogen (zie ook hoofdstuk drie). Dat is de totale waarde van bezittingen van alle leden van het huishouden minus de eventuele schulden. Het vermogen mag niet hoger zijn dan grens hiervoor in de bijstand. Voor eenpersoonshuishoudens is het maximaal toegestane vermogen op 1 januari 2018 € 6.020; voor meerpersoonshuishoudens (inclusief alleenstaande ouders) € 12.040.1

1 In de participatiewet geldt tevens een grens voor de overwaarde van het eigen huis (maximaal € 50.800), maar

hier wordt bij de toekenning van minimaregelingen door de gemeente Den Haag niet naar gekeken.

9

2.

ARMOEDE IN DEN HAAG VERGELEKEN MET ANDERE STEDEN

Dit hoofdstuk bespreekt het aantal huishoudens met een laag inkomen in Den Haag in vergelijking met Nederland, Rotterdam, Amsterdam en Utrecht. In de cijfers die het CBS hierover publiceert, wordt geen rekening gehouden met de vermogenspositie van huishoudens. De genoemde aantallen in dit hoofdstuk zijn hiermee niet vergelijkbaar met de aantallen die in de komende hoofdstukken worden gepresenteerd over minimahuishoudens. Dit hoofdstuk geeft wel een goed beeld van de omvang en trend van de Haagse huishoudens met een laag inkomen in vergelijking met die in andere grote steden. Aan de orde komt eerst de ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen vanaf 2011. Daarnaast gaan we in op het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen, ouderen en kinderen in huishoudens met een laag inkomen. 2.1 Daling aandeel lage inkomens zet door in alle steden tot 2018 Den Haag telt in 2018 39.200 huishoudens met een inkomen tot 110 procent van het Wsm (17%) en 53.900 huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm (23%). Van de vier grote steden, heeft Utrecht het laagste en Rotterdam het grootste aandeel huishoudens met een laag inkomen in beide inkomenscategorieën (zie figuur 2.1). Zowel landelijk als in de grote steden daalt het aandeel huishoudens met een laag inkomen sinds 2013.

Van de steden zet de daling het sterkste door in Amsterdam en het minst sterk in Den Haag.

Figuur 2.1: percentage huishoudens met een laag inkomen in de G4 en Nederland van 2011-2018 (links: 110% Wsm en rechts: 130% Wsm)

Bron: CBS statline

2.2 Langdurige armoede stabiel tot lichte toename in alle steden Den Haag telt in 2018 20.700 huishoudens met een langdurig laag inkomen tot 110 procent van het Wsm. Het CBS hanteert hierbij een duur van vier jaar of langer. Van alle Haagse huishoudens met een inkomen tot 110 procent van het Wsm is 53 procent langdurig arm. Ten opzichte van 2017 is dat aandeel met twee procentpunt gestegen. Het aandeel langdurige minima met een inkomen tot 130 procent van het Wsm ligt op 59 procent; dat is gelijk aan 2017. Ten opzichte van alle Haagse huishoudens is 10 tot 15 procent langdurig arm (110 tot 130 procent Wsm). Deze percentages zijn lager dan in Amsterdam en Rotterdam maar hoger dan in Utrecht en landelijk (zie figuur 2.2). Zowel landelijk als in de G4 loopt het aandeel langdurige minima met een inkomen tot 110 procent van het Wsm op. Het aandeel langdurig arme huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm is redelijk stabiel de afgelopen jaren.

10

Figuur 2.2: percentage langdurige arme huishoudens (> 4 jaar) in de G4 en Nederland in 2014-2018 (links: 110% Wsm, rechts 130% Wsm)

Bron: CBS statline

2.3 Aandeel ouderen met laag inkomen redelijk stabiel in alle steden In Rotterdam en Amsterdam hebben in 2018 respectievelijk 38 en 39 procent van de huishoudens met een oudere kostwinner (65+) een laag inkomen, uitgaande van 130 procent van het Wsm. In Den Haag en Utrecht liggen die percentages lager, op respectievelijk 30 en 29 procent (zie figuur 2.3). Gaan we uit van een grens van 110 procent van het Wsm, dan heeft in 2018 20 procent van de Haagse huishoudens met een oudere kostwinner een laag inkomen. De genoemde aandelen zijn redelijk stabiel in de steden de afgelopen jaren.

Figuur 2.3: percentage huishoudens met oudere kostwinner (65+) en een laag inkomen in de G4 en Nederland in 2011-2018 (links: 110% Wsm, rechts 130% Wsm)

Bron: CBS statline

2.4 Minder kinderen in huishoudens met een laag inkomen in alle steden Van alle kinderen van 0 tot 18 jaar woont in Den Haag in 2018 14 procent in een huishouden met een inkomen tot 110 procent van het Wsm. Gaan we uit van 130 procent van het Wsm, dan gaat het om 21 procent. Dit aandeel is hoger dan landelijk en in Utrecht, maar lager dan in Rotterdam en Amsterdam. Het aandeel minderjarigen in huishoudens met een laag inkomen daalt de laatste jaren, zowel landelijk als in de grote steden. De daling is het sterkst in Amsterdam.

11

Figuur 2.4: percentage kinderen in huishoudens met een laag inkomen in de G4 en Nederland in 2011-2018 (links: 110% Wsm, rechts 130% Wsm)

Bron: CBS statline

12

3.

HAAGSE MINIMAHUISHOUDENS

Dit hoofdstuk geeft eerst een overzicht van Haagse huishoudens naar inkomen en vermogen. Daarna bespreken we de omvang van de groep minimahuishoudens en de kenmerken van deze groep. Den Haag telt in 2018 252.500 particuliere huishoudens (exclusief institutionele huishoudens). De doelpopulatie voor de Armoedemonitor bestaat uit particuliere huishoudens met een volledig jaarinkomen, exclusief studentenhuishoudens. Dat zijn 234.800 huishoudens. In totaal omvat de doelpopulatie 93 procent van alle Haagse huishoudens2. Wanneer in het verslag aantallen of aandelen worden genoemd, gaat het dus om aantallen of aandelen binnen de doelpopulatie. Figuur 3.1 brengt de verhoudingen tussen verschillende groepen Haagse huishoudens in beeld.

Figuur 3.1: aantal huishoudens in Den Haag: totaal, doelpopulatie, huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens in 2018

totaal aantal particuliere huishoudens doelpopulatie

huishoudens met een laag inkomen tot 110% wsm: 39.200

234.800

252.500

inkomen heel jaar bekend, geen studentenhuishoudens

tot 130% wsm: 53.900 minimahuishoudens met een laag inkomen en vermogen onder de norm tot 110% Wsm: 34.100 tot 130% Wsm: 44.900

Bron: CBS

3.1 Een kwart van de Haagse huishoudens heeft een laag inkomen (130% Wsm) Van de Haagse huishoudens heeft zoals eerder aangegeven, 23 procent een inkomen tot 130 procent van het Wsm. Uitgaande van een grens van tot 110 procent Wsm heeft 17 procent een laag inkomen (zie tabel 3.1). De meerderheid van deze groep heeft een inkomen tot 101 procent van het Wsm. Tabel 3.1: Haagse huishoudens met een laag inkomen in 2018 (aantallen (x 1000) en percentages) Inkomensgrens aantal percentage n x 1000 tot 101% Wsm 28.6 12 > 101 - 110% Wsm

10.6

5

> 110 - 120% Wsm

7.7

3

> 120 - 130% Wsm

7

3

> 130 - 150% Wsm

12.8

5

> 150% Wsm of lager inkomen met hoger vermogen Totaal Bron: CBS

168.1 234.8

72 100

2 NB: CBS rapporteert – afhankelijk van definities - verschillende aantallen particuliere huishoudens met een maximum van

260.900. Dit zijn alle particuliere huishoudens op peilmoment, ongeacht of zij het hele jaar in Nederland woonden en/of het hele jaar een inkomen hadden. Gaan we uit van dit getal, dan omvat de doelpopulatie 89 procent van alle Haagse huishoudens.

13

Figuur 3.2 laat zien dat de inkomensverdeling van de Haagse huishoudens de laatste jaren redelijk stabiel is. Het aandeel huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm ligt in 2011 op 23 procent, neemt iets toe in 2013 om in 2018 terug te keren op 23 procent.

Figuur 3.2 Haagse huishoudens naar besteedbaar huishoudinkomen als percentage van het Wsm 2011-2018 (percentages)

Bron: CBS

3.2 Een vijfde van de Haagse huishoudens behoort tot de minimapopulatie (130% Wsm) De Haagse minimapopulatie is kleiner dan de groep huishoudens met een laag inkomen. Om in aanmerking te komen voor minimaregelingen mag het vermogen van huishoudens niet hoger zijn dan de vermogensnorm in de bijstand. Van de 39.200 huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm hebben 5.100 een vermogen boven de vermogensgrens. Van de 53.900 Haagse huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm zijn dat 9.000 huishoudens. Den Haag telt hiermee 34.100 tot 44.900 minimahuishoudens in 2018 (110 tot 130 procent Wsm). Ten opzichte van 2017, daalt het aantal en percentage minimahuishoudens licht (zie figuur 3.3). Informatie over eerdere jaren is niet beschikbaar. Figuur 3.3 Minimahuishoudens in Den Haag in 2017 en 2018 Links: 110% Wsm; rechts 130% Wsm (aantallen en percentages)

Bron: CBS

14

3.3 Inkomstenbron varieert; hoog armoederisico onder minima met een uitkering De voornaamste bron van inkomsten varieert onder minimahuishoudens (zie figuur 3.4). Minimahuishoudens met bijstand of een andere uitkering vormen de grootste groep met 61 en 54 procent (110 en 130 procent Wsm). Bijna een kwart leeft van een pensioen (beide inkomensgrenzen). Minimahuishoudens met inkomen uit werk of een eigen bedrijf hebben samen een aandeel van 16 tot 22 procent (110 tot 130 procent Wsm). In de totale Haagse populatie zien we een heel ander beeld. Daar heeft in totaal 63 procent inkomsten uit werk of een eigen onderneming.

Figuur 3.4 Voornaamste inkomensbron van de minima- en de totale Haagse populatie in 2018 (percentages)

Bron: CBS

Het armoederisico is het aandeel minimahuishoudens in een bepaalde groep ten opzichte van alle huishoudens met diezelfde kenmerken (Ahamiane et al. 2019). Huishoudens met bijstand hebben verreweg het hoogste armoederisico, gevolgd door huishoudens met een andere uitkering. Het armoederisico onder huishoudens met een pensioen en met name uit werk ligt lager. Van de huishoudens met een inkomen uit een eigen bedrijf is desondanks 11 tot 13 procent arm (110 tot 130 procent Wsm). Figuur 3.5 Armoederisico naar bron van inkomsten van minimahuishoudens in Den Haag in 2018 (percentages)

Bron: CBS

15

3.4 Alleenstaanden en eenoudergezinnen behoren relatief vaak tot minimapopulatie Eenpersoonshuishoudens zijn de grootste groep in de minimapopulatie. Hun aandeel is 66 of 62 procent (110 of 130 procent Wsm). Bij beide inkomensgrenzen is 16 procent alleenstaande ouder en 9 tot 10 procent bestaat uit paren met kinderen (110 tot 130 procent Wsnm, zie figuur 3.6). Ten opzichte de totale populatie zijn alleenstaanden en eenoudergezinnen oververtegenwoordigd in de minimapopulatie en paren met en zonder kinderen ondervertegenwoordigd.

Figuur 3.6 Huishoudsamenstelling van minima- en totale populatie in 2018 (percentages)

Bron: CBS

Eenoudergezinnen hebben het grootste risico op armoede. Van alle Haagse eenoudergezinnen behoort 23 tot 32 procent tot de minimapopulatie (110 tot 130 procent Wsm). Eenoudergezinnen met alleen kinderen onder de achttien jaar lopen verreweg het hoogste risico met 36 tot 46 procent (110 tot 130 procent Wsm, gegevens niet in figuur). Van alle eenpersoonshuishoudens is 22 tot 27 procent arm (110 tot 130 procent Wsm). Het armoederisico van andere huishoudtypen is beduidend lager (zie figuur 3.7).

Figuur 3.7: Armoederisico naar huishoudtype van huishoudens in Den Haag in 2018 (percentages)

Bron: CBS

16

Alleenstaanden ontvangen ongeveer net zo vaak als gemiddeld binnen de minimapopulatie bijstand, maar iets vaker een pensioen. Paren zonder kinderen leven gemiddeld veel vaker van een pensioen. Eenoudergezinnen ontvangen relatief vaak bijstand terwijl paren met kinderen relatief vaak inkomsten uit werk hebben (zie tabel 3.2)

Tabel 3.2: bron van inkomsten van minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling in 2018 (percentages) Inkomen uit: arbeid eigen bijstan andere pensioe bedrijf d uitkerin n g alleenstaand 110% 7 6 43 17 27 130% 12 6 36 18 28 paar zonder kinderen 110% 9 8 19 13 51 130% 13 7 15 14 51 paar met kinderen 110% 19 15 42 19 5 110% 27 13 34 20 5 eenoudergezin 110% 10 5 68 14 3 130% 18 4 58 16 4 totale groep minima 110% 9 7 45 16 23 130% 15 7 37 17 24

Bron: CBS

3.5 Spreiding in leeftijd kostwinner, jongere hoofdkostwinner relatief hoog armoederisico Van alle minimahuishoudens is van 24 procent de hoofdkostwinner 65 jaar of ouder, bij beide inkomensgrenzen. Ruim een derde is in de leeftijd van 45 tot 65 en hetzelfde geldt voor de leeftijdscategorie van 25 tot 45 jaar. Minimahuishoudens met een hoofdkostwinner van 18 tot en met 24 vormen de kleinste groep met 4 procent. In de totale Haagse populatie is de verdeling over leeftijdscategorieën ongeveer hetzelfde (zie figuur 3.8).

Figuur 3.8 minima- en totale populatie in Den Haag naar leeftijd hoofdkostwinner in 2018 (percentages)

Bron: CBS

Kijken we naar het armoederisico per leeftijdscategorie, dan valt op huishoudens met een kostwinner van 18 tot 24 jaar het hoogste risico op armoede lopen. Van alle huishoudens met een jongere

17

kostwinner is 20 tot 28 procent arm (110 tot 130 procent Wsm). Wel zijn ze relatief vaak kortdurend arm (zie ook paragraaf 3.6). Het armoederisico onder de andere leeftijdscategorieën is lager, maar neemt iets toe met leeftijd (zie figuur 3.9).

Figuur 3.9: Armoederisico naar leeftijd van hoofdkostwinner in Den Haag in 2018 (percentages)

Bron: CBS

3.6 Tweederde van de minimahuishoudens heeft migratieachtergrond Van alle minimahuishoudens heeft 31 tot 33 procent een Nederlandse achtergrond (110 tot 130 procent Wsm). De meerderheid heeft dus een migratieachtergrond (zie figuur 3.10). Het aandeel minimahuishoudens met een migratieachtergrond (westers en niet-westers samen) is in de minimapopulatie groter dan in de totale Haagse populatie.

Figuur 3.10: minima- en totale populatie in Den Haag naar migratieachtergrond in 2018 (percentages)

Bron: CBS

18

Het armoederisico is het hoogst onder huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond. Van hen behoort 26 tot 33 procent tot de minimapopulatie (110 tot 130 procent Wsm). Het armoederisico onder huishoudens met een Nederlandse achtergrond is het laagst met 9 tot 12 procent (110 tot 130 procent Wsm) (Kamphorst et al 2020). 3.7 Meerderheid van de minimahuishoudens ontvangt huur- en zorgtoeslag Van alle Haagse huishoudens ontvangt 23 procent huurtoeslag en 51 procent zorgtoeslag. Onder de minimapopulatie zijn die aandelen veel hoger. 81 tot 83 procent van de minimahuishoudens ontvangt huurtoeslag (110 tot 130 procent Wsm) en vrijwel alle minimahuishoudens ontvangen zorgtoeslag. Bij beide inkomensgrenzen ligt dit aandeel op 96 procent (Kamphorst et al 2020). 3.8 Wmo-gebruik en zorgkosten hoger onder minimahuishoudens Minimahuishoudens maken vaker dan gemiddeld gebruik van een voorziening vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Van alle Haagse huishoudens gebruikt 12 procent een geïndiceerde Wmo-voorziening (zie figuur 3.11). Onder de minimahuishoudens is dat 29 of 28 procent (110 of 130 procent Wsm). Haagse minimahuishoudens maken ook vaker (langdurig) hogere zorgkosten dan een gemiddeld Haags huishouden. Gekeken is of ten minste een persoon uit een Haags huishouden behoort tot het deciel3 met de landelijk hoogste zorgkosten, in peiljaar 2017.

Het gaat dan om kosten voor zorg uit de basisverzekering; het eigen risico voor de gebruikte zorg hierbij is niet bekend. Van 19 procent van de Haagse huishoudens behoort ten minste een persoon tot het deciel met landelijk de hoogste zorgkosten. Dit aandeel is mede zo hoog omdat het vooral om eenpersoonshuishoudens gaat. Bij minimahuishoudens ligt dit aandeel op 26 procent (beide inkomensgrenzen). Het aandeel huishoudens met een of meer personen dat langdurig hoge zorgkosten maakt (2013 tot en met 2017) ligt op 6 procent in de minimapopulatie (beide inkomensgrenzen). Dat is anderhalf keer hoger dan in totale Haagse populatie, waar het aandeel op 4 procent ligt. Figuur 3.11: zorggebruik en zorgkosten van de minima- en totale populatie in 2018 (percentages)

Bron: CBS

Binnen de groepen zorggebruikers ook oververtegenwoordiging van minima Waar minimahuishoudens een aandeel van 15 tot 19 procent (110 tot 130 procent Wsm) hebben in de Haagse populatie, is hun aandeel veel hoger in de groepen huishoudens met een Wmo voorziening of (langdurig) hoge zorgkosten (zie figuur 3.12). Van alle huishoudens met een Wmo voorziening is 36 tot 46 procent een minimahuishouden (110-130 procent Wsm). Van alle huishoudens met ten minste een persoon met hoge zorgkosten in 2017, behoort 20 tot 26 procent tot de minimapopulatie (110 tot 130 3 Deciel: de tien procent met de hoogste zorgkosten.

19

procent Wsm). In de groep huishoudens met langdurig hoge zorgkosten is het aandeel minimahuishoudens 24 tot 31 procent (110 – 130 procent Wsm). Binnen de groep minimahuishoudens met hoge zorgkosten zien we relatief veel minimahuishoudens met bijstand of een pensioen terug, en in mindere mate minimahuishoudens met een andere uitkering (gegevens niet in figuur). Figuur 3.12: Armoederisico: gemiddeld en binnen groepen met (langdurig) hoge zorgkosten & gebruikers van Wmo voorzieningen in 2018 (percentages)

Bron: CBS

Sociaaleconomische gezondheidsverschillen Onderzoek van de GGD Haaglanden laat aanzienlijke sociaaleconomische gezondheidsverschillen (SEGV) zien. SEGV zijn verschillen in gezondheid (en sterfte) tussen mensen met een lage en met een hoge sociaaleconomische positie in de maatschappij (RIVM 2019). Hagenaars met een laag inkomen scoren slechter op het vlak van psychische, sociale en lichamelijke gezondheid dan Hagenaars met een hoog inkomen. De verschillen bij mensen die moeite hebben met rondkomen zijn nog groter (tabel 3.3). Tabel 3.3: aandeel Hagenaars met problemen op vlak van psychische gezondheid, sociale gezondheid en fysieke gezondheid naar inkomen en naar moeite met rondkomen (percentages) laag hoog grote geen/enige inkomen4 inkomen moeite moeite Aandeel aandeel aandeel aandeel Armoede en psychische gezondheid hoog risico angst of depressie 27 9 44 9 (heel) veel stress 31 21 57 20 geluk (nee) 26 10 46 10 Armoede en sociale gezondheid (zeer) ernstig eenzaam 27 12 41 13 sociale uitsluiting (ja) 31 9 63 8 Onvoldoende regie op eigen leven 26 11 46 10 Armoede en lichamelijke gezondheid ervaren gezondheid (gaat wel tot (zeer) slecht) 51 26 70 26 chronische aandoening 48 37 60 36 ernstig beperkt door gezondheid 14 6 23 5 Bron: Gezondheidsenquête GGD Haaglanden 2016/ afdeling epidemiologie

4 Andere definitie dan in de Armoedemonitor. Gaat om gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen, vertaalt naar

eenpersoonshuishouden en verdeelt in 5 gelijke groepen. De inkomensgrens laagste inkomen: €16.100; inkomensgrens hoogste inkomens: € 35.100 of meer.

20

3.9 Bijna een op de tien minimahuishoudens wanbetaler van de zorgpremie In Den Haag heeft in 2018 4 procent van de huishoudens een betalingsachterstand op de zorgpremie: een of meer leden van het huishouden zijn geregistreerd als wanbetaler bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Bij de minimahuishoudens is dat aandeel 8 of 9 procent (110 of 130 procent Wsm). Binnen de groep huishoudens met een of meer wanbetalers van de zorgpremie zijn minimahuishoudens eveneens oververtegenwoordigd: 31 tot 40 procent van hen behoort tot de minimapopulatie (110 tot 130 procent Wsm). Dat aandeel is veel hoger dan het gemiddelde aandeel van de minimahuishoudens binnen het totaal aan Haagse huishoudens, dat is 15 tot 19 procent (110 tot 130 procent Wsm). Onderzoek wijst uit dat de premie voor de zorgverzekering het vaakst de rekening is die te laat wordt betaald. Bovendien bestaan hiernaast vaak schulden op andere vlakken (GGN 2016). 3.10 Minimahuishoudens oververtegenwoordigd in stadsdelen Centrum, Escamp en Laak In de stadsdelen Centrum, Escamp en Laak woont ruim 70 procent van de minimahuishoudens (beide inkomensgrenzen, niet in tabel). In deze stadsdelen ligt het percentage minimahuishoudens hoger dan het stedelijk gemiddelde (zie tabel 3.4).

Stadsdeel Centrum heeft met 23 tot 29 procent minimahuishoudens (110 tot 130 procent Wsm) het hoogste aandeel minimahuishoudens en stadsdeel Leidschenveen -Ypenburg heeft het laagste aandeel. Deze verhoudingen tussen de stadsdelen waren in 2017 hetzelfde.

Tabel 3.4: aandeel minimahuishoudens per stadsdeel in 2018 (aantallen (x1000) en percentages) 110% Wsm 130% Wsm Stadsdeel

aandeel

Centrum

aantal n x 1000 10,4

aandeel

23

aantal n x 1000 13,3

Laak Escamp

3,5 10,1

20 18

4,7 13,3

26 24

Loosduinen Haagse Hout

2,1 2

9 9

2,9 2,6

13 12

Segbroek Scheveningen

2,5 2,1

9 8

3,3 2,8

11 11

Leidschenveen Ypenburg Totaal**

1 34,1

6 15

1,4 44,9

8 19

29

Bron: CBS ** cellen door afronding tellen niet op tot totaal

Op onderstaande kaart (figuur 3.13) wordt het aandeel minimahuishoudens met een inkomen van 130 procent Wsm op wijkniveau getoond. De top vijf wijken met het hoogste aandeel minimahuishoudens zijn de Schilderbuurt (43%), Moerwijk (38%), Transvaalkwartier (35%), Bouwlust en Vrederust (31%) en de Stationsbuurt (31%). In Hoornwijk wonen relatief de allermeeste minimahuishoudens (48%); het aantal inwoners is echter klein (circa 200 huishoudens). Andere wijken met een bovengemiddeld aandeel minimahuishoudens zijn Laakkwartier en Spoorwijk (27%), Groente en Fruitmarkt (26%), , Centrum (24%) en Mariahoeve en Marlot (21%).

21

Figuur 3.13: aandeel minimahuishoudens met een inkomen van 130% Wsm per wijk, ten opzichte van alle huishoudens per wijk in 2018

Bron: CBS

3.11 Circa tweederde van de minimahuishoudens is langdurig arm Voor de huishoudens die in 2018 tot de minima behoorden, is gekeken of zij tot de groep langdurige minima behoren. In 2018 telt Den Haag 22.200 tot 31.100 huishoudens die drie jaar of langer tot de minimapopulatie behoren (110 tot 130 procent Wsm). Van alle minimahuishoudens is hiermee 65 tot 69 procent langdurig arm. Dit aandeel is gestegen ten opzichte van 2017: toen ging het om 62 tot 67 procent (110 tot 130 procent Wsm). Ten opzichte van alle Haagse huishoudens is 9 tot 13 procent langdurig arm (110 tot 130 procent Wsm). Deze percentages zijn gelijk aan 2017. Onderzoek onder Amsterdamse minimahuishoudens laat een dalende trend zien van nieuwe instroom in de minimapopulatie, terwijl de uitstroom minder daalt. Dit is een verklaring voor de toename van het aandeel langdurige minimahuishoudens (Ahamiane et al 2019). Bijstand of pensioen vaker inkomstenbron bij langdurige arme minima Wat de belangrijkste bron van inkomen is, varieert tussen langdurig arme huishoudens en huishoudens die korter dan drie jaar tot de minima behoren. Onder de minimahuishoudens met inkomsten uit werk zien we vaker minima die korter dan drie jaar arm zijn, met name bij de minima met een inkomen tot 110 procent van het Wsm.

Onder minimahuishoudens met inkomsten uit een bijstand of een pensioen zien we vaker langdurige minimahuishoudens terug (zie figuur 3.14). Het aandeel langdurige minima met pensioen of bijstand is veel groter dan het gemiddelde aandeel van langdurige minima.

22

Figuur 3.14: minimahuishoudens naar duur van inkomenspositie en inkomstenbron, 2018 links: 110% Wsm en recht 130% Wsm (aantallen tussen haakjes x 1000; in staafdiagram percentages).

Bron: CBS

Eenpersoonshuishoudens vaker langdurig arm Eenpersoonshuishoudens en paren zonder kinderen zijn relatief vaker langdurig arm. Paren met kinderen en eenoudergezinnen zijn relatief minder vaak langdurig arm bij minimahuishoudens tot 110 procent Wsm. Bij minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm zijn eenoudergezinnen juist iets vaker langdurig arm (zie figuur 3.15).

Figuur 3.15: minimahuishoudens naar duur van inkomenspositie en huishoudsamenstelling, 2018 links: 110% Wsm en recht 130% Wsm (aantallen tussen haakjes x 1000, in staafdiagram percentages)

Bron: CBS

Ouderen oververtegenwoordigd onder langdurig arme minima Onder minimahuishoudens met een oudere kostwinner (65+) zijn verhoudingsgewijs veel langdurig armen. Dat is in lijn met de bevinding dat minimahuishoudens met een inkomen uit pensioen ook relatief vaak langdurig arm zijn. Onder minimahuishoudens met een jongere kostwinner (tot 45 jaar) zien we verhoudingsgewijs minder langdurig arme minima (zie figuur 3.16).

23

Figuur 3.16: minimahuishoudens naar duur van inkomenspositie en leeftijd, 2018 links: 110% Wsm en recht 130% Wsm (aantallen tussen haakjes x 1000, in staafdiagram percentages)

Bron: CBS

Vaker hoge zorgkosten en Wmo gebruik, minder vaak wanbetaler zorgpremie Vergeleken met hun gemiddelde aandeel binnen de minimapopulatie, zien we langdurig arme minima relatief vaak terug in de groep minimahuishoudens met (langdurig) hoge zorgkosten en in de groep minimahuishoudens met een Wmo-voorziening. Binnen de groep minimahuishoudens met een wanbetalers van de zorgpremie zijn juist de minima die korter dan drie jaar arm zijn, oververtegenwoordigd (zie figuur 3.17).

Figuur 3.17: minimahuishoudens naar duur van inkomenspositie en in deciel met hoogste zorgkosten (2017), in deciel met langdurig hoge zorgkosten (2013-2017) en Wmo-gebruik (2018). links: 110% Wsm en recht 130% Wsm (aantallen tussen haakjes x 1000, in staafdiagram percentages)

Bron: CBS

Aandeel langdurige minima het hoogst in Centrum De meeste langdurige minimahuishoudens wonen in de stadsdelen Centrum, Escamp en Laak. In deze stadsdelen woont 70 procent van de langdurige minimahuishoudens (beide inkomensgrenzen). Tabel 3.5 toon het aantal langdurig arme minimahuishoudens per stadsdeel, hun aandeel binnen de totale Haagse populatie en binnen de minimapopulatie. Het aandeel langdurige minimahuishoudens ten opzichte van alle huishoudens is het hoogst in Stadsdeel Centrum. Ook in absolute zin telt dit stadsdeel de meeste langdurig arme huishoudens. Binnen de minimapopulatie zien we de meeste langdurige minima terug in stadsdeel Loosduinen.

24

Tabel 3.5: langdurig arme minimahuishoudens naar stadsdeel, afgezet tegen doelpopulatie en totale groep minimahuishoudens (110% en 130% Wsm) in 2018 (aantallen (x1000) en percentages) 110% Wsm 130% Wsm Stadsdeel aantal aandeel aandeel aantal aandeel aandeel x 1000 binnen binnen x 1000 binnen binnen bevolking minima bevolking minima Centrum 7 15 67 9,4 21 71 Escamp 6,6 12 65 9,3 17 70 Laak 2,2 12 63 3 17 64 Loosduinen 1,6 7 76 2,3 10 79 Haagse Hout 1,4 6 70 1,9 9 73 Scheveningen 1,3 5 62 2 8 71 Segbroek 1,4 5 56 2,1 7 64 Leidsch. Ypenburg 0,7 4 70 1 6 71 Totaal 22,2 9 66 31 13 70 Bron: CBS

Op onderstaande kaart (figuur 3.18) toont het aandeel langdurig arme minimahuishoudens tot 130 procent Wsm binnen het totaal aantal huishoudens, op wijkniveau. Langdurig arme minimahuishoudens zijn oververtegenwoordigd in de wijken Schilderbuurt (34%), Moerwijk (28%), Transvaalkwartier (24%), Morgenstond (23%), Bouwlust en Vrederust (22%), Stationsbuurt (19%), Laakkwartier en Spoorwijk (17%), Mariahoeve en Marlot (16%) Centrum (16%), Groente en Fruitmarkt (16%) en Duindorp (15%). In de andere wijken ligt het aandeel onder het stedelijk gemiddelde van 13 procent.

Figuur 3.18: aandeel minimahuishoudens met een langdurig laag inkomen van 130% Wsm per wijk, ten opzichte van alle huishoudens per wijk in 2018

Bron: CBS

25

3.12 Een vijfde van de Haagse kinderen woont in een minimahuishouden (130 procent Wsm) In totaal telt Den Haag op peilmoment 1 januari 2018 104.000 kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar oud. Van hen wonen 14.100 in een gezin met een inkomen tot 110 procent Wsm (14%). Gaan we uit van 130 procent Wsm dan gaat het om 20.000 kinderen. Dat is 20 procent van alle kinderen in Den Haag (zie tabel 3.6). Bij kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar – de doelgroep voor voorzieningen uit het kindpakket – liggen de verhoudingen ongeveer hetzelfde: 13 tot 19 procent is afkomstig uit een minimahuishouden (110-130 procent Wsm). In 2017 lag het aandeel kinderen uit een minimahuishouden met 110 procent van het Wsm op 14 procent en eveneens op 19 procent bij minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm. Tabel 3.6: aantal (x 1000) en aandeel kinderen in minimahuishoudens (110 en 130% Wsm) naar leeftijd in 2018 110% Wsm 130% Wsm Aantal Aandeel Aantal Aandeel n x 1000 n x 1000 0-3 jaar 3,7 26 5 25 4-8 jaar 3,5 25 4,7 24 >8-12 jaar >12 tot 18 jaar

3,1 3,8

22 27

4,3 6

22 30

Totaal 0-18 Bron: CBS

14,1

100

20

100

Kinderen uit minimahuishoudens vaker uit eenoudergezin Van alle kinderen (van 4 tot 18 jaar) uit minimahuishoudens woont 54 procent in een eenoudergezin (zie figuur 3.19). Dat is veel vaker dan in de totale populatie van Haagse kinderen in die leeftijd. In totaal woont 22 procent in een eenoudergezin.

Figuur 3.19: huishoudsamenstelling van Haagse kinderen van 4 tot 18 jaar in 2018 (percentages)

Bron: CBS

Relatief veel kinderen ondersteund vanuit Jeugdzorg Gekeken is of kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar te maken hebben gehad met jeugdzorg in 2018 (zie figuur 3.20). Jeugdzorg is bedoeld voor jongeren tot 18 jaar en is het geheel van jeugdhulp,

26

jeugdbescherming en jeugdreclassering5. Aan 20 procent van de kinderen in de totale populatie van 4 tot 18 jaar is een vorm van jeugdzorg geboden. Bij kinderen uit minimahuishoudens ligt dat aandeel hoger, namelijk op 29 of 27 procent (110 of 130 procent Wsm). Figuur 3.20: aandeel huishoudens bekend met Jeugdzorg in 2018 Links: 110% Wsm, midden 130% Wsm en rechts doelpopulatie

Bron: CBS

Bijna een derde van de kinderen in Centrum woont in een minimahuishouden Verdeeld over de stad, zien we een hoger dan gemiddeld aandeel kinderen in minimahuishoudens in de stadsdelen Centrum, Laak en Escamp (zie tabel 3.7). In deze stadsdelen woont driekwart van alle kinderen uit minimahuishoudens. In het stadsdeel Centrum woont 22 tot 32 procent van de kinderen in een minimahuishouden (110 tot 130 procent Wsm). Het laagste aandeel kinderen uit minimahuishoudens zien we terug in de stadsdelen Leidschenveen-Ypenburg, Segbroek en Scheveningen. Tabel 3.7: aantal (x 1000) en aandeel kinderen in minimahuishoudens per stadsdeel in 2018 (110 en 130% Wsm) 110* 130* Aantal Aandeel Aantal Aandeel n x 1000 n x 1000 Centrum 3,3 22 4,7 32 Laak

1,2

20

1,7

28

Escamp Haagse Hout

3,4 0,6

17 11

4,8 0,8

24 14

Loosduinen

0,6

11

0,8

14

Segbroek

0,4

5

0,6

7

Leidschenveen Ypenburg

0,5

4

0,8

7

Scheveningen

0,3

4

0,5

6

Totaal (stedelijk gemiddelde)

10,4

13

15

19

Bron: CBS *cellen tellen door afronding niet op tot totaal

5 De doelgroep van jeugdzorg is groter: jeugdzorg kan ook worden ingezet voor kinderen van 0 tot 4, en kan

worden verlengd na het 18e jaar tot 23.

27

4

TOEKENNINGEN EN BEREIK VAN MINIMAREGELINGEN

Dit hoofdstuk gaat in op de toekenningen van minimaregelingen in 2018 en op het bereik van deze regelingen. In de komende paragrafen komen de Ooievaarspas, de Haagse zorgverzekering, het kindpakket (voorzieningen verstrekt door stichting Leergeld), de tegemoetkoming voor de ouderbijdrage, de individuele inkomenstoeslag, de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten, bijzondere bijstand en de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen aan de orde. 4.1 Berekenen van bereik Het bereik is het aantal toekenningen afgezet tegen de totale doelgroep van de betreffende regeling. Bij het vaststellen van het bereik is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke uitvoeringspraktijk. Zo gaan we bij de doelgroepbepaling uit van het maximale vermogen waarbij men nog in aanmerking komt voor bijstand, is rekening gehouden met doelgroepkenmerken (zoals de aanwezigheid van kinderen in een bepaalde leeftijd) en uiteraard met de inkomensgrens om in aanmerking te komen voor de regeling. Toch zijn er ook enkele beperkingen. Een aantal huishoudens valt buiten de minimapopulatie zoals vastgesteld door het CBS. Het gaat dan vooral om: • huishoudens buiten de doelpopulatie omdat zij geen volledig kalenderjaar een inkomen hebben, een studenten- of institutioneel huishouden zijn. Mogelijk bevinden zich hier ook rechthebbende minimahuishoudens onder.

• huishoudens die op basis van het inkomen van hoofdkostwinner en partner onder de gemeentelijke minimagrens vallen maar met het inkomen van andere huisgenoten erboven. De gemeente bepaalt het recht op regelingen op basis van het inkomen van de aanvrager en de eventuele partner. De inkomensbepaling in de CBS-gegevens is gebaseerd op alle inkomens in het huishouden. • huishoudens die op basis van een kalenderjaar bezien een hoger inkomen dan de gehanteerde inkomensgrens hebben, maar op het peilmoment van toetsen bij de gemeente niet. Bij het toetsen van het inkomen wordt bijvoorbeeld soms teruggekeken vanaf het moment van aanvraag, of er wordt minder lang teruggekeken. Ook de peilmomenten voor het vaststellen van het vermogen kunnen verschillen tussen de gemeente en het CBS. Kort gezegd is niet op alle punten aansluiting bij de gemeentelijke praktijk mogelijk. Dit zorgt ervoor dat potentieel rechthebbende huishoudens (met een minimaregeling) buiten beschouwing blijven. Daarnaast kan het incidenteel voorkomen dat mensen die op basis van de CBS gegevens tot de minimapopulatie behoren toch niet in aanmerking komen voor een regeling. Het gaat dan bijvoorbeeld om minima met een schuld bij de zorgverzekeraar; zij zijn uitgesloten van deelname aan de Haagse collectieve zorgverzekering.

Het kan ook gaan om huishoudens met jongeren tot 17 die geen onderwijs volgen en daarmee niet tot de doelgroep behoren voor de tegemoetkoming ouderbijdrage. De onderstaande paragrafen bieden inzicht in het verzamelbereik en in het bereik van de afzonderlijke minimaregelingen. Hierbij geldt dat voor de meeste minimaregelingen de doelgroepen met CBSgegevens geïdentificeerd kunnen worden. Het gaat dan om de Ooievaarspas, het kindpakket, de tegemoetkoming ouderbijdrage, de Haagse zorgverzekering en de individuele inkomenstoeslag. Voor andere regelingen gelden ingangscriteria die niet (volledig) beschikbaar zijn bij het CBS. Het gaat dan om de kwijtschelding voor gemeentelijke belastingen (strengere inkomens- en vermogenseisen), de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten (hier is geen centrale registratie van) en de bijzondere bijstand (laag inkomen en relatief hoge noodzakelijke kosten). Het gepresenteerde bereik voor deze regelingen is daarom indicatief.

28

4.2 Verzamelbereik: gebruik van tenminste een minimaregeling Het aandeel minimahuishoudens dan ten minste een minimaregeling gebruikte, is 2018 van 85 f 81 procent (110 of 130 procent van het Wsm). Bij langdurige minima ligt het verzamelbereik boven de negentig procent, uitgaande van de minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm. Tabel 4.1: omvang minimapopulatie (aantallen) en verzamelbereik van minimaregelingen in 2017 en 2018 (105% tot 150% Wsm, percentages) Populatie (aantal x 1000) Bereik (%) 2017

2018

2017

2018

105% Wsm 110% Wsm

30,3 35

29,7 34,1

86 85

85 85

130% Wsm 150% Wsm

45,9 54,5

44,9 53,6

81 76

81 76

Langdurige minimahuishoudens 105% Wsm

18

18,5

94

94

110% Wsm 130% Wsm

21,8 30,8

22,2 31,1

93 90

93 90

150% Wsm Bron: CBS en gemeente Den Haag

38

38,1

84

85

Totale groep minimahuishoudens

Tabel 4.2 geeft het bereik weer van minimahuishoudens naar diverse achtergrondkenmerken. Tabel 4.2: verzamelbereik van minimaregelingen in 2017 en 2018 naar achtergrondkenmerken (110 en 130% Wsm, percentages) 2017 2018 110%

130%

110%

130%

n=35.0

n=45.9

n=34.1

n=44.9

85

81

85

81

Eenpersoonshuishouden

85

80

85

80

Paar zonder kinderen

80

75

80

74

Paar met kinderen wv

81

80

81

80

Eenoudergezin wv

93

92

92

91

Overig huishouden

71

73

76

76

24 jaar of jonger

66

60

60

55

25 tot 45 jaar

80

76

79

75

45 tot 65 jaar

89

86

89

86

65 jaar of ouder

92

87

92

87

Inkomen uit arbeid

51

53

51

54

Inkomen uit eigen onderneming

22

22

20

20

Bijstandsuitkering

100

100

100

100

Pensioen

92

87

92

87

Andere uitkering

82

79

83

76

Totaal bereik Soort huishouden

Leeftijd hoofdkostwinner

Bron van inkomen

Bron: CBS en gemeente Den Haag

29

Het verzamelbereik is het hoogst onder eenoudergezinnen (zie tabel 4.2). Meer dan 90 procent gebruikt ten minste een regeling. Bij paren met kinderen ligt het aandeel bij beide inkomensgrenzen rond de 80 procent. Kijken we naar leeftijd, dan valt op dat het bereik onder minimahuishoudens met een oudere kostwinner het hoogst is met 92 of 87 procent (110 of 130 procent Wsm. Het bereik onder minimahuishoudens met een jongere kostwinner is veel lager met 60 of 55 procent (110 of 130 procent Wsm). Het bereik onder deze groep daalde bovendien ten opzichte van 2017. Alle minimahuishoudens met bijstand als voornaamste bron van inkomen worden bereikt: iedereen gebruikt ten minste één regeling. Het bereik onder minimahuishoudens die rondkomen van een pensioen of een andere uitkering is lager, maar eveneens hoog met 83 of 76 procent (110 of 130 procent Wsm). Het bereik is lager onder minimahuishoudens met inkomsten uit werk met 51 tot 54 procent (110 tot 130 procent Wsm) en vooral onder minimahuishoudens met inkomsten uit een eigen bedrijf met 20 procent (beide grenzen). In de stadsdelen met de hoogste aandelen minimahuishoudens (Centrum, Escamp en Laak) zien we een bovengemiddeld verzamelbereik. Alleen het bereik onder minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm ligt in stadsdeel Laak onder het gemiddelde van 81 procent (zie tabel 4.3).

Het verzamelbereik is het laagst onder minimahuishoudens in stadsdeel Segbroek. Tabel 4.3: omvang minimapopulatie per stadsdeel (aantallen) en verzamelbereik van minimaregelingen per stadsdeel in 2018 (110 en 130% Wsm, percentages) 110% Wsm 130% Wsm 130% Wsm Stadsdeel

bereik

Centrum Laak

populatie n x 1000 10,4 3,5

bereik

88 83

populatie n x 1000 13,3 4,7

Escamp Loosduinen

10,1 2,1

87 81

13,3 2,9

83 83

Haagse Hout Segbroek

2 2,5

80 72

2,6 3,3

81 73

Scheveningen Leidschenveen Ypenburg

2,1 1

86 80

2,8 1,4

79 79

Gemiddeld Bron: CBS en gemeente Den Haag

34,1

85

44,9

81

4.3

83 79

Ooievaarspas

Doel

Het doel van de Ooievaarspas is om mensen met een laag inkomen door middel van kortingen deel te laten nemen aan sportieve, culturele en recreatieve activiteiten. Verder wordt aan minima van 70+ gratis openbaar vervoer en voetverzorging van de pedicure geboden. Voor 65+ers en gehandicapten is er korting op warme maaltijden in restaurants van Haagse zorginstellingen.

Doelgroep

Minima tot 130 procent van het Wsm en een vermogen onder de vermogensgrens. Ook studenten kunnen de pas aanvragen. Als aanvullende voorwaarde geldt dat ze geen recht hebben op een lening of aanvullende beurs van DUO. Mensen met bijstand krijgen standaard een brief waarin staat hoe zij de Ooievaarspas kunnen krijgen. Anderen vragen zelf of met hulp een Ooievaarspas aan via de website van de gemeente Den Haag of sturen een aanvraagformulier op. Bureau Ooievaarspas en diverse bedrijven en instellingen

Aanvraag

Uitvoering

30

4.3.1 Verstrekkingen In 2018 is aan 93.819 personen een Ooievaarspas verstrekt. Hier zijn zowel kinderen als volwassenen meegeteld. Het aantal verstrekkingen is lager dan in 2017 (zie tabel 4.4). Tabel 4.4: toekenningen Ooievaarspas in 2017 en 20186 2017 97.498

Verstrekte Ooievaarspassen

2018 93.819

Bron: management informatie bureau Ooievaarspas

4.3.2 Bereik 73 procent van de minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het Wsm was in 2018 in het bezit van een Ooievaarspas (zie tabel 4.5). Het bereik is hiermee net zo hoog als in 2017. Het bereik is vergelijkbaar met bijvoorbeeld de stadspas voor Amsterdamse minimahuishoudens met een inkomen tot 120% Wsm (70%, Ahamiane et al 2019).

Tabel 4.5: Bereik Ooievaarspas naar soort huishouden, leeftijd hoofdkostwinner, bron en hoogte van inkomen in 2017 en 2018 (percentages) 2017 2018 Minimahuishoudens tot 110% Wsm Bereik 73 73 Soort huishouden Eenpersoonshuishouden 70 70 Paar zonder kinderen 63 64 Paar met kinderen 75 75 Eenoudergezin 88 88 Leeftijd hoofdkostwinner < 24 jaar 25-45 jaar 45-65 jaar 65 + Bron van inkomen Inkomen uit arbeid Inkomen uit eigen onderneming Bijstandsuitkering Andere uitkering Pensioen Alle minimahuishoudens Hoogte van inkomen 105% Wsm 110% Wsm 130% Wsm 150% Wsm Langdurige minima 105% Wsm 110% Wsm 130% Wsm 150% Wsm Bron: CBS & gemeente Den Haag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9569804/1