RIS307135 Bijlage 6 - Nota van Beantwoording Structuurvisie CID
Tekst van het document
Nota van Beantwoording zienswijzen
Structuurvisie CID Den Haag
Gemeente Den Haag November 2020
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
1 INLEIDING
Het Central Innovation District (CID) vormt een economisch knooppunt in de stad door haar ligging tussen en rondom de stations Den Haag Centraal, Hollands Spoor en Laan van NOI. De ontwikkeling van het CID is een meerjarig samenhangend programma, door de samenkomst van een enorme hoeveelheid aan investeringen in dit gebied in de komende twintig jaar. Om deze ontwikkeling vast te leggen in een integrale langetermijnvisie heeft de gemeente Den Haag een ontwerp-Structuurvisie tezamen met een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Zienswijzen konden alleen ingediend worden op de ontwerp-Structuurvisie. Op de ontwerp-Structuurvisie hebben diverse burgers, bedrijven, verenigingen en overheidsorganen een zienswijze ingediend. Deze Nota van Beantwoording gaat in op de ingediende zienswijzen. De ontwerp-Structuurvisie voor het Central Innovation District is eind april 2020 door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag vrijgegeven en heeft ter inzage gelegen van 29 april 2020 tot en met 18 juni 2020. In die periode konden zienswijzen worden ingediend op de ontwerp-Structuurvisie. In 2019 en 2020 organiseerde de gemeente drie omgevingsbrede bijeenkomsten over de ontwikkelingen in het CID. Op 16 mei 2019 en 10 september 2019 organiseerde de gemeente een informatiemarkt over het CID. Tijdens de bijeenkomsten zijn o.a.
de Notitie Reikwijdte en Detailniveau en het Inspiratiedocument toegelicht. Geïnteresseerden konden tijdens de informatiemarkt vragen stellen en zich laten informeren over de ontwikkelingen in het CID. Ook was er de mogelijkheid om in gesprek te gaan met specialisten op het gebied van mobiliteit, wonen en andere ontwikkelingen in het gebied. Op 12 mei 2020 organiseerde de gemeente een derde digitale bijeenkomst (Webinar) over de ontwerp-Structuurvisie CID. Tijdens de Webinar kregen geïnteresseerden de mogelijkheid om vragen te stellen. Waar mogelijk werden deze vragen direct beantwoord tijdens de bijeenkomst. Alle vragen die niet direct beantwoorden konden worden tijdens de Webinar zijn later schriftelijk per mail beantwoord. Daarnaast is de Webinar nog steeds terug te zien via de gemeentelijke website van het CID (zie https://sdk.companywebcast.com/sdk/player/?id=gemeentedenhaag_20200512_1&display=126&customBtnColor=155429,155429).
2/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
1.1 Ingediende zienswijzen In totaal zijn er 55 zienswijzen ingediend. Van deze 55 zienswijzen zijn er 28 gelijkluidend. Deze gelijkluidende zienswijzen zijn beantwoord onder ‘Zienswijze 8 – Indiener’. De gelijkluidende zienswijzen zijn in gezamenlijk overleg tussen 8 wijkorganisaties ontstaan en zijn ingediend door zowel de wijkorganisaties als diverse bewoners van de wijken. De verschillende wijkorganisaties hebben in ieders zienswijze een stuk opgenomen relevant voor ieders eigen wijk, deze zijn vermeld onder de kopjes ‘Wijk specifieke aspecten’. Daarnaast zijn er twee adviezen ontvangen van de gemeente Leidschendam-Voorburg en van de GGD Haaglanden. Zienswijzen 1 tot en met 53 zijn in de periode van terinzagelegging ingediend. Twee zienswijzen zijn ontvangen na afloop van de termijn (zienswijze 54 en zienswijze 55). De zienswijzen zijn ontvangen op respectievelijk 19 juni 2020 en 23 juni 2020. Voor de volledigheid zijn de zienswijzen wel ambtelijk beantwoord. In onderstaande tabel is een overzicht van de ingekomen zienswijzen opgenomen. Met het oog op privacyoverwegingen zijn de zienswijzen niet voorzien van NAWgegevens, maar zijn deze geanonimiseerd voor zover het natuurlijke personen betreft. De ingediende zienswijzen zijn samengevat en niet als bijlage bij deze nota gevoegd. De zienswijzen worden op volgorde van nummering beantwoord.
Bij de beantwoording van iedere zienswijze wordt de indiener van een zienswijze consequent aangeduid als ‘indiener’.
1.2 Vervolgproces Deze Nota van Beantwoording wordt samen met de Structuurvisie CID en bijlagen en het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage aan de gemeenteraad ter vaststelling aangeboden. Alle indieners van een zienswijze worden op de hoogte gesteld wanneer de behandeling van de stukken in de gemeenteraad plaatsvindt. Tevens ontvangen alle indieners de Nota van Beantwoording per mail.
3/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Nummer Zienswijze
Indiener
Ingediend d.d.
Nummer Zienswijze
Indiener
Ingediend d.d.
01.
Indiener
5 mei 2020
29.
Wijkberaad Bezuidenhout
16 juni 2020
02.
Stichting Duurzaam en Vitaal Mariahoeve
24 mei 2020
30.
Indiener
16 juni 2020
03.
Indiener
5 juni 2020
31.
Voorall
16 juni 2020
04.
Vrienden van Den Haag
7 juni 2020
32.
Werkgroep SoZaWe
16 juni 2020
05.
Fakton namens Bondt Development, TenBrinke, Verheeskade B.V. en MS Vastgoed
8 juni 2020
33.
Indiener
17 juni 2020
06.
Indiener
11 juni 2020
34.
Wijkorganisatie het Oude Centrum
17 juni 2020
07.
Gemeente Leidschendam-Voorburg
12 juni 2020
35.
Platform beter lokaal en regionaal openbaar vervoer Haaglanden
17 juni 2020
08.
Indiener
13 juni 2020
36.
Indiener
17 juni 2020
09.
Bewoners rondom het Plein
13 juni 2020
37.
Indiener
17 juni 2020
10.
Indiener
13 juni 2020
38.
De Haagse Hogeschool
17 juni 2020
11.
Indiener
14 juni 2020
39.
Vastgoedbedrijf Universiteit Leiden
17 juni 2020
12.
Indiener
14 juni 2020
40.
Bewonersorganisatie Rivierenbuurt/Spuikwartier
17 juni 2020
13.
Indiener
14 juni 2020
41.
Indiener
17 juni 2020
14.
Indiener
14 juni 2020
42.
Indiener
17 juni 2020
15.
Indiener
14 juni 2020
43.
Indiener
17 juni 2020
16.
Indiener
14 juni 2020
44.
Indiener
17 juni 2020
17.
Indiener
14 juni 2020
45.
Indiener
17 juni 2020
18.
Indiener
14 juni 2020
46.
Hoogheemraadschap van Delfland
18 juni 2020
19.
Algemene Vereniging voor Natuurbescherming
14 juni 2020
47.
HTM
18 juni 2020
20.
Indiener
15 juni 2020
48.
Indiener
18 juni 2020
21.
Provincie Zuid-Holland
4 juni 2020
49.
Wijkvereniging Bezuidenhout-West
15 juni 2020
Bewonersoverleg Leeghwaterkade, Fijnjekade en omgeving (BOLF)
18 juni 2020
22. 23.
ProRail
15 juni 2020
50.
Indiener
18 juni 2020
24.
Bewonersorganisatie Buurtstation
15 juni 2020
51.
MRP Soza b.v.
18 juni 2020
De Fietsersbond
18 juni 2020
25.
Wijkberaad Laak Centraal
15 juni 2020
52.
26.
Stichting Haags Industrieel Erfgoed
15 juni 2020
53.
Indiener
18 juni 2020
27.
Indiener
15 juni 2020
54.
GGD Haaglanden
19 juni 2020
15 juni 2020
55.
VVE Van de Parrastraat 19 / 3e Louise de Colignystraat 147
23 juni 2020
28.
Indiener
4/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
2 BEANTWOORDING INGEDIENDE ZIENSWIJZEN
Zienswijze 1 – Indiener Ingediend d.d.: 5 mei 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Indiener wil complimenten geven voor de plannen voor het Haagse CID. Indiener denkt dat de uitvoering van deze plannen Den Haag tot een grootstedelijke, dynamischer, veelzijdiger en aantrekkelijkere stad maken.
Het college is blij met deze positieve reactie.
B
Indiener geeft aan dat in de Structuurvisie wordt gesproken over een uitdaging om de beeldvorming over Den Haag te veranderen als een aantrekkelijke stad voor bewoners, bedrijven en bezoekers, en dat met name hoogopgeleiden, studenten en de creatieve klasse zullen verleid moeten worden hier te komen en te blijven wonen. Indiener vind om dat te kunnen bereiken, het van groot belang is dat Den Haag op termijn een volwaardige universiteitsstad wordt, met tussen de 20.000 en 30.000 universiteitsstudenten. Indiener denkt dat als Den Haag ten opzichte van de andere grote steden een veel kleinere universitaire studentenpopulatie heeft, zal het de concurrentieslag met die steden om deze populatie blijven verliezen, omdat zij vaak in hun studentenstad willen blijven wonen en in een stad willen wonen waar veel gelijkgestemden wonen. Indiener denkt dat veel woningen bouwen voor deze doelgroep alleen niet voldoende is voor Den Haag om hen blijvend aan te trekken.
Het college erkent de meerwaarde van de aanwezigheid en uitbreiding van universiteiten, (hoger) onderwijs, onderzoek- en kennisinstellingen en studenten voor Den Haag. De ambities staan verwoord in de Haagse Educatieve Agenda 2018-2020 onder ambitie 4. “Onderwijs dat bijdraagt aan de economie van de stad” (RIS298592) en de Economische visie Den Haag 2030+ onder Speerpunt 3. “veerkrachtige economische structuur (RIS30355). De gemeente werkt op verschillende vlakken intensief samen met verschillende universiteiten en hogescholen (waaronder de LDE samenwerking) en kijken naar uitbreiding van onderwijs- en onderzoeksaanbod in Den Haag.
C
Indiener denkt dat de plannen voor het CID een grote kans betekenen voor Den Haag om een volwaardige universiteitsstad te worden. Indiener stelt dat de toekomstige Campus Boulevard een kans biedt om de Universiteit Leiden, TU Delft en Erasmus (en eventuele andere universiteiten) veel ruimte te bieden voor hun activiteiten en studieaanbod. Den Haag kan het LDE samenwerkingsverband van deze universiteiten een neutrale centrale plek voor hun activiteiten bieden. Indiener adviseert om ambitieus te denken en durven te investeren in Den Haag universiteitsstad, omdat dit zich dubbel en dwars zal uitbetalen.
Het college erkent de meerwaarde van de aanwezigheid en uitbreiding van universiteiten, (hoger) onderwijs, onderzoek- en kennisinstellingen en studenten voor Den Haag. De ambities staan verwoord in de Haagse Educatieve Agenda 2018-2020 onder ambitie 4. “Onderwijs dat bijdraagt aan de economie van de stad” (RIS298592) en de Economische visie Den Haag 2030+ onder Speerpunt 3. “veerkrachtige economische structuur (RIS30355). De gemeente werkt op verschillende vlakken intensief samen met verschillende universiteiten en hogescholen (waaronder de LDE samenwerking) en kijken naar uitbreiding van onderwijs- en onderzoeksaanbod in Den Haag.
D
Indiener stelt dat hoogopgeleiden graag willen wonen in een stad met een mensvriendelijk en historisch centrum. Indiener stel voor om er over na te denken om
Het college neemt kennis van deze voorstellen, die passen bij de ambities uit de Structuurvisie CID. Daarbij zij opmerkt dat de historische binnenstad geen onderdeel
5/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
een aantal historische grachten in het centrum te ontdempen, het centrum een stuk autoluwer te maken en een lightrail/metro stelsel aan te leggen.
uitmaakt van het plangebied van de Structuurvisie.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 2 – Stichting Duurzaam en Vitaal Mariahoeve Ingediend d.d.: 24 mei 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Indiener geeft de gemeente in overweging de besluitvorming aangaande CID te temporiseren, met het oog op de coronacrisis. De huidige crisis zou in ieder geval twee essentiële parameters van de gebiedsontwikkeling significant kunnen beïnvloeden, te weten de te verwachten bevolkingstoename en de beoogde mobiliteitstransitie.
De lange termijn gevolgen van de coronacrisis zijn nog zeer onzeker. Het college ziet daarom geen aanleiding voor een fundamenteel andere visie op de ontwikkeling van het Central Innovation District.
B
Indiener geeft aan dat in de Structuurvisie wordt gesproken over de verdichtingsopgave van het CID. Indiener stelt dat het lijkt of de gemeente hier een wonder zal verrichten. De ruimte is schaars en er komen nog vele duizenden nieuwe inwoners en woningen bij. Indiener vraagt hoe de gemeente denkt dit wonder te kunnen realiseren.
Het college erkent dat het verdichten in bestaand stedelijk gebied zeker geen makkelijke opgave is, maar het vraagt geen 'wonder'. Ook de afgelopen 5 jaar is het inwoneraantal van Den Haag gegroeid. De structuurvisie is mede opgesteld om de groei in goede banen te leiden.
C
Indiener geeft aan dat in de structuurvisie wordt gesproken over ‘aanpassingen van de inrichting, de programmering en de organisatie van de openbare ruimte op de verschillende niveaus’. Indiener vind dit vaag klinken en vraagt zich af wat hiermee bedoeld kan worden. Indiener maakt uit diverse stukken op dat dit vooral vorm moet krijgen door allerlei voorzieningen in de te realiseren hoogbouw onder te brengen, vooral in de roemruchte plinten, met als gevolg ruimtewinst. Nu is de gemeente Den Haag niet de eerste die met dit soort vraagstukken worstelt en zijn er elders al veel ervaringen opgedaan met de realisatie van voorzieningen in hoogbouw. Indiener vraagt wat de gemeente van die ervaringen kan leren?
Dit betekent dat de openbare ruimte op en andere manier wordt ingericht en georganiseerd, passend bij de hoge dichtheden en het nieuwe gebruik. Dat geldt zowel boven- als ondergronds. De gemeente kijkt zeker naar voorbeelden elders om hiervan te leren. Zo is Den Haag betrokken geweest bij het opstellen van de publicatie 'Guiding principles Metro mix' door het College van Rijksadviseurs, met adviezen over het ontwikkelen van hoogstedelijke, gemengde gebieden, gebaseerd op (inter)nationale voorbeelden en expertise. Zie ook de bijlage ‘Voorzieningenprogramma’ waarbij gebruik is gemaakt van externe expertise.
D
Indiener geeft aan dat in de structuurvisie wordt gesproken over ‘de ruimte die vrijkomt door de mobiliteitstransitie’. Er wordt vanuit gegaan dat de nieuwe bewoners geen auto zullen hebben maar zich te voet, per fiets of met het openbaar vervoer zullen verplaatsen. Indiener vraagt zich af hoe realistisch die aanname c.q. dit streven is, nog
In de structuurvisie wordt ingezet op een hoger aandeel lopen, fietsen, openbaar vervoer en deelmobiliteit in de verplaatsingen van en naar het CID. Ook de auto houdt een rol in de verplaatsingen van en naar het CID, maar het aandeel van de auto in de verplaatsingen zal lager liggen en er wordt ingezet op gedeeld gebruik van auto’s. In
6/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
afgezien van de mogelijke effecten van de Corona-crisis.
hoogstedelijke gebieden die zeer goed met het openbaar vervoer zijn ontsloten en die primair zijn ingericht voor voetganger, fietser en OV, is het realistisch om uit te gaan van een beperkte rol van de auto.
E
Indiener geeft aan dat in de het document Voorzieningen wordt gesproken over ‘uitwisseling’ en ‘buurten die elkaar helpen’; zo wordt gesteld dat de nieuwe bewoners en gebruikers onder andere gebruik kunnen maken van de basisvoorzieningen in Bezuidenhout-West. Als er over groen en grootschalige sportvoorzieningen gesproken wordt, wordt er gesteld dat er over grenzen heen gekeken moet worden en dat grote sportvoorzieningen en groen net buiten het CID benut moeten worden. Indiener vind dat omineus klinken: er wordt dus gesteld dat de nieuwe bewoners voor basisvoorzieningen, sport en recreëren voor een deel elders terecht moeten! Indiener stelt twee vragen: hebben die basisvoorzieningen hiervoor voldoende capaciteit en wat betekent dit voor verkeers- en vervoersstromen? Is het te verwachten dat die nieuwe bewoners zich allemaal lopend of op de fiets naar die voorzieningen zullen verplaatsen, ook als het slecht weer is?
Zoals aangegeven in de structuurvisie, zal de capaciteit van de basisvoorzieningen (zoals bijvoorbeeld scholen) moeten meegroeien met de bevolking. Gezien de schaarse ruimte moet dan niet alleen worden gekeken naar extra bouwen, maar ook naar mogelijkheden van combinatie en intensivering. Voor verplaatsingen naar voorzieningen in de directe omgeving van het CID kiezen mensen vooral voor lopen en fietsen. Daarnaast kunnen mensen ook kiezen voor het openbaar vervoer of de auto, maar voor korte verplaatsingen is dat minder vanzelfsprekend. De keuze van een modaliteit is ook afhankelijk van de weersomstandigheden.
F
Indiener geeft aan dat in de structuurvisie wordt gesproken over ambities op het gebied van klimaat en energie die claims leggen op boven- en ondergrond. In het MER staat (p.123) dat er ten aanzien van de thema’s energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie een duidelijke strategie ontbreekt en dat het dus ook onduidelijk is wat de ruimtelijke implicaties zijn. Indiener stelt dat een voortzetting van de gebiedsontwikkeling dan ook alleen verantwoord als de gemeente met betrekking tot die thema’s een strategie formuleert respectievelijk de impliciete strategie expliciteert, met inbegrip van de ruimtelijke claims die daaruit voortvloeien.
Deze punten kunnen meer concreet worden ingevuld bij uitwerking van de plannen deelgebieden. In een aanvulling op de planMER is meer inzicht gegeven in de ruimteclaims op het niveau het CID en de strategie met betrekking tot de energiestrategie. Ook heeft het college het ontwerp Stedelijk Energieplan (RIS305064) bekendgemaakt.
G
Indiener geeft aan dat in de structuurvisie wordt gesproken over de versterking van de groene verbinding Van Alphenstraat en de Schenk. Indiener geeft aan nu al te zien wat de schade is van de nieuwbouw van de Tuinen van Wils voor de Schenkzone, terwijl de nieuwbouw aan de Schenkzone nog lang niet voltooid is. Indiener ziet de versterking van de groene verbinding daarom als een loze belofte.
Het college neemt hiervan kennis.
H
Indiener verwijst naar de Nota van Beantwoording van de NRD waarin ‘alle plannen die in ontwikkeling en uitvoering zijn in het CID-gebied’ wordt naar verwezen als ‘autonome ontwikkelingen’. Indiener vind dit een vreemde en ook misleidende formulering, die suggereert dat de gemeente hier niets aan kan doen. Indiener vind dat de gemeente hier wel degelijk invloed op kan uitoefenen door middel van vergunningverlening en toezicht, waarbij het voor de hand ligt in de vergunningen bijvoorbeeld de ambities ten aanzien van de e-transitie en duurzaamheid op te nemen. Doet men dit niet, dan is het risico dus aanwezig dat er verrommeling optreedt door allerlei nieuwbouwprojecten, met als excuus dat de markt nu eenmaal niet kan wachten. Dat zou in Den Haag niet de eerste keer zijn.
Voor de 'autonome ontwikkelingen' is al een (ontwerp)besluit genomen, deze projecten kennen dus al een zekere hardheid. Wanneer er voor realisatie nog aanvullende besluitvorming nodig is, is het mogelijk dat daarbij de (vastgestelde) structuurvisie als beleidskader geldt. Tegelijk is het zo dat het bij projecten die in een vergevorderd stadium verkeren niet altijd mogelijk of wenselijk is om hierop nieuw beleid toe te passen.
7/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 3 – Indiener Ingediend d.d.: 5 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Indiener heeft met bewondering de ambitie voor het CID bekeken. Indiener denkt dat het een mooi streven is om Den Haag weer een stap verder te brengen.
Het college is blij met deze positieve reactie.
B
Indiener heeft bezwaar tegen de plinten van station HS naar het centrum. In de toekomst is het voornemen om de plinten bruisend te maken. Daar ligt nu precies het bezwaar in de tijd dat het steeds moeilijker wordt om winkelruimten te vullen is de kans groot dat er dan veel lichte horeca in komt. Een bestemming die nu al nauwelijks te sturen is omdat het bestemmingsplan hier te ruim voor is opgesteld. Indiener stelt dat het beter is de plinten te beoordelen en te toetsen op de mogelijke invulling, waardoor de gemeente de plinten goed kan monitoren en de aansluiting met de openbare ruimte zo interessant mogelijk maken. Indiener hoopt dat de negatieve ervaringen van de huidige plinten van nu mee worden genomen in de ontwikkeling van het CID.
Bij levendige plinten gaat het niet alleen om detailhandel of horeca. Ook andere functies zorgen voor reuring, bijvoorbeeld dienstverlening, leisure en cultuur.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 4 – Vrienden van Den Haag Ingediend d.d.: 7 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze A
Zienswijze
Reactie
De Vrienden van Den Haag juichen het toe dat voor de verdichtingsplannen naar dit gebied gekeken wordt, op breuklijnen en in transformatiegebieden op de kaart van Den
Het college is blij met deze positieve reactie.
8/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Haag. Zo wordt het risico verkleind dat verdichtingsplannen afbreuk doen aan de typisch Haagse combinatie van natuurlijk groen en hoogwaardige klassieke architectuur in andere delen van de stad. Ook juichen de Vrienden het toe dat het stadsbestuur zich de huisvestingsvraag in de stad in brede zin aantrekt en daaraan wil voldoen met een stedelijke agenda van wonen en werken met alle daarbij behorende voorzieningen. B
Indiener stelt dat de agenda voor het CID in de afgelopen jaren vele wijzigingen heeft doorgemaakt, van een transformatie naar een ingrijpende sanering. Een dergelijke ambitie vereist kennis van eerdere saneringen in de stad. Indiener stelt dat de nu voorliggende structuurvisie geen blijk geeft van een toetsing van de plannen aan historische ontwikkelingen in de stad en de lessen die daaruit zijn geleerd. Daarbij stelt de indiener dat de verleidelijkheid en ogenschijnlijke efficiëntie van één groot ruimtelijk planologisch kader als deze structuurvisie beoogt te bieden, voorbij gaat aan het belang van een specifieke aanpak van de zeer verschillende gebieden binnen deze visie. Daarnaast stelt de indiener dat het een gemiste kans dat de structuurvisie bijna uitsluitend gaat over economie, wonen en mobiliteit. Indiener stelt dat een samenhangende visie op het culturele erfgoed in het gebied zou de waarde van het gebied voor zowel bewoners als bezoekers sterk vergroten. Indiener stelt dat het jammer is dat de visie geen systematisch en samenhangend perspectief heeft over hoe om te gaan met de reeks van gebouwen en plekken die een beeld geven van de geschiedenis waarin en waarop het CID is gevestigd.
Het college is het eens met de indiener dat er een specifieke aanpak nodig is voor de verschillende gebieden binnen het CID. Het is dan ook één van de ruimtelijke uitgangspunten, zie paragraaf 4.1, dat de eigenheid van de verschillende gebieden wordt behouden en versterkt. Echter, de structuurvisie richt zich vooral op overkoepelende thema’s die voor het gehele CID-gebied gelden. De specifieke omstandigheden en cultureel erfgoed per deelgebied komt aan de orde bij nadere planuitwerking. Een belangrijk uitgangspunt wel is dat de verbindingen tussen deelgebieden wordt versterkt, waarbij wordt aangesloten bij de historische ‘lange lijnen’ van Den Haag (zie paragraaf 4.1). In paragraaf 2.2 van de structuurvisie is extra tekst toegevoegd over de voorgeschiedenis van het CID en hoe we willen omgaan met erfgoed. Een meer diepgaande analyse van het aanwezige culturele erfgoed vindt plaats bij concrete planuitwerking in deelgebieden.
C
Indiener verwijst naar de Structuurvisie, waarin staat dat het CID “natuurlijk Haags” moet worden: “een attractieve en veerkrachtige omgeving waarin opgaven op het gebied van natuur, energie en klimaatadaptatie vervlochten zijn met hoogbouw en infrastructuur”. Ook wordt gesteld dat groen en water nodig zijn “om hittestress te verminderen, wateroverlast tegen te gaan, droogte te voorkomen, luchtvervuiling te beperken en biodiversiteit te vergroten”. Deze doelen kunnen echter alleen gerealiseerd worden als de terreinen met groot grondgroen en echte waterlopen ruimtelijk en financieel zijn opgenomen in de visie. Indiener stelt dat dit nu nog niet het geval is; dit kan sterk verbeterd worden.
De structuurvisie benoemt de hoofdprincipes; bij verdere planuitwerking zal ook ruimte moeten worden gemaakt voor groen en waterberging, inclusief een financiële borging.
D
Ook stelt de Structuurvisie dat “door uitgekiend boven- en ondergronds ontwerp zoveel mogelijk ruimte gecreëerd wordt voor bomen in de volle grond”. Die zelfde grond gaat ook dienen voor de kabels, de leidingen, de metro en de parkeer- en fietsgarages. De vraag is dan hoeveel bomen daar concreet nog tussen passen?
De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor het gebied weer. De concrete invulling komt aan de orde bij verdere planuitwerking.
E
Indiener stelt dat concrete informatie over aantallen, oppervlaktes en middelen m.b.t. verkeer, openbare voorzieningen en publieke ruimtes ontbreekt. Ook staat vermeld dat er geen geld is voor de realisatie. Indiener stelt dat het erop lijkt dat de gemeente wil
Het college verwijst hiervoor naar de aanvulling op de planMER: hier is inzicht gegeven in de diverse ruimteclaims. In hoofdstuk 8 van de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke financieringsmogelijkheden er zijn; bij verdere uitwerking in concrete
9/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
laten bouwen terwijl alle andere randvoorwaarden niet of onvoldoende kunnen worden nagekomen, omdat ruimte en middelen er voor te kort schieten.
ontwikkelingsgebieden en ingrepen zal hiervoor een financiële dekking moeten worden gevonden. Tevens verwijst het college naar de nieuwe bijlage ‘Ontwikkelstrategie’.
F
Indiener juicht het van harte toe dat om het Haagse verkeersinfarct en de luchtverontreiniging aan te pakken in het CID de auto niet langer de eerste keus is. Maar in een goede visie horen ook de antwoorden op de daarbij behorende vragen. Zo is er de vraag waar het uit het CID te verbannen autoverkeer heen wordt geleid. Daarnaast kan niet alle autoverkeer geweerd worden, alle bestemmingsverkeer zal wél het gebied in moeten. Indiener stelt dat in de structuurvisie de omvang en routes van dit bestemmingsverkeer zouden moeten worden ingeschat om aan te kunnen geven waar en hoeveel openbare ruimte er straks in het gebied nog overblijft. Als dat open gelaten wordt tot de planfase van de bebouwing, vreest de indiener dat het voor veel publieke ruimte te laat is om nog te worden ingepland.
In het CID wordt ingezet op realisatie van grote aaneengesloten verblijfsgebieden zonder doorgaand autoverkeer (autoluw). Het deel van het CID binnen de Centrumring wordt geheel autoluw ingericht. In deze gebieden wordt de openbare ruimte in de voorkeursvolgorde 1.voetganger, 2. de fietser en 3. Openbaar vervoer ingericht, waarbij de auto op de 4e plaats komt. Hier staat dus de publieke ruimte centraal en de ruimte voor de auto is hiervan een afgeleide. Het doorgaande autoverkeer wordt geconcentreerd op de stedelijke hoofdwegen die goed zijn ingepast in de omgeving, de Centrumring en Utrechtsebaan zijn hiervan de belangrijkste. Door verkeerscirculatie maatregelen in het gebied binnen de centrumring worden de intensiteiten van het autoverkeer beperkt. De kaartbeelden “doorgaand autoverkeer niet door maar langs het CID” en “Wandel- en fietsstad” geven de belangrijkste principes voor de ontsluitingsstructuur van het CID. Deze dienen als uitgangspunt voor de verdere planuitwerking in de deelgebieden.
G
Indiener stelt dat ook het fiets-parkeren extra ruimte vraagt straks. Als fietsen prioriteit krijgt, moet de structuurvisie ook aangeven waar die fietsen geparkeerd kunnen worden.
In paragraaf 5.3.3 van de structuurvisie wordt aangegeven waar uitbreiding van de fietsparkeervoorzieningen is voorzien. Samengevat zijn dit hoogwaardige en inpandige fietsparkeervoorzieningen bij nieuwbouw en transformatie. Daarnaast is het noodzakelijk om de capaciteit in de binnenstad en bij de stations verder uit te breiden en de bestaande capaciteit efficiënter benutten. De concrete locaties zijn onderdeel van de verdere planuitwerking in de deelgebieden.
H
De structuurvisie ziet een nieuwe metroverbinding van de Binckhorst naar Scheveningen dwars door het gebied gaan. Maar hoe het tracé gaat lopen is niet aangegeven. Indiener stelt dat de Structuurvisie hier duidelijkheid over zou moeten geven omdat een metrolijn bepalend is voor de structuur van het gebied.
In paragraaf 5.3.5 van de structuurvisie wordt aangegeven dat de gemeente inzet op de ontwikkeling van twee lightrailcorridors: de Koningscorridor en de Leyenburgcorridor. Het gaat dan niet om een metrosysteem, maar om een lightrailsysteem met een vergelijkbaar kwaliteitsniveau als de huidige RandstadRail verbindingen naar Zoetermeer. De globale ligging van de verbindingen is aangegeven in figuur 4.6 en 4.7. Hierop is aangegeven dat het tracé van de Koningscorridor, de verbinding Binckhorst – Scheveningen, globaal het tracé van de Binckhorstlaan – Lekstraat – Rijnstraat – Raamweg volgt. De exacte inpassing is onderwerp van nadere studie.
I
Samenvattend stelt de indiener dat een reële visie ook om een cijfermatige inschatting vraagt van alle boven- en ondergrondse voorzieningen om te bepalen of en waar het voorziene groen, water, en de infrastructuur voor fietsen, fiets-parkeren, wandelen en andere vormen van openbare ruimte gebruik ook daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden. En zijn er duidelijke randvoorwaarden nodig voor de inrichting en bouw, wil er geen sprake zijn van een vrijblijvende en onrealistische toekomstschets van de leefbaarheid en kwaliteit van de publieke ruimte van het gebied.
Zie voor een cijfermatige inschatting de aanvulling op de planMER. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor het gebied weer. Op basis van de beleid kunnen randvoorwaarden worden gesteld in bijvoorbeeld bestemmingsplannen en Nota’s van Uitgangspunten.
J
De Structuurvisie stelt dat er in het CID 20.500 nieuwe woningen kunnen komen. Indiener stelt dat het onduidelijk is of dit inclusief of exclusief de woningen in de Binckhorst is. Ook is het onduidelijk of dit in- of exclusief de al gebouwde woontorens
De 20.500 nieuwe woningen zijn exclusief de woningen in de Binckhorst en exclusief reeds gerealiseerde woningen.
10/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
is. K
L
Om de bouw te realiseren van de nieuwe woningen wordt een actief grondbeleid met aankoop van grond en vastgoed voorgesteld. Indiener vindt dit in de huidige tijd een erg grote en risicovolle investering. Indiener vreest dat het CID straks geen of veel minder betaalbare huisvesting biedt in de sociale sector en voor de leraren, politiemensen en verpleegkundigen uit het gemeentelijk woningbeleid. Om te voorkomen dat die woningen terecht komen bij niet-Hagenaars, stelt de indiener voor om de bestemming voor een groot deel om te vormen naar kantoortorens. De bovenste verdiepingen kunnen daarin nog dure appartementen worden voor draagkrachtige senioren en expats. De onderste vier lagen boven de plint kunnen behouden blijven voor de doelgroepen van het gemeentelijke woningbeleid. Dicht bij de straat en bewoond door gezinnen kunnen deze gezinswoningen zorgen voor meer levendigheid van het gebied.
De financiële consequenties zijn onderdeel van het afwegingskader op basis waarvan besloten wordt om wel of geen actief grondbeleid toe te passen. De actuele marktsituatie en mogelijke conjuncturele veranderingen worden meegenomen bij het bepalen van de financiële consequenties en bijbehorende risico’s.
In de structuurvisie staat dat het corporatiebezit in delen van het Schipperskwartier, Rivierenbuurt en Bezuidenhout-West geherstructureerd worden. Indiener vreest dat de gemeente hiermee bedoelt dat deze wijken op termijn gesloopt worden en dat hier ook dure woontorens komen. Nu staan in deze gebiedsdelen betaalbare woningen met gewone mensen. Indiener is er op tegen dat zij straks uit hun huizen weg moeten zonder dat hen een alternatief wordt geboden.
In paragraaf 7.2 van de structuurvisie staat het volgende over het corporatiebezit:
Indiener stelt dat deze woningen op deze plaatsen in de stad over een jaar of tien echt aan het eind van hun levensduur zouden kunnen zijn, zeker gezien de voorliggende opgave voor verduurzaming. Indiener wil echter bepleiten om in deze gebieden compacte woonwijken te laten ontwerpen met 6 tot 8 bouwlagen, bestaande uit sociale huurwoningen en huur- en koopwoningen voor de middengroepen.
De gemeente streeft naar een gemengd gebied dat ruimte biedt aan een verscheidenheid aan bewoners en gebruikers. Voor de woningdifferentiatie geldt het Haags woonbeleid als toetsingskader. De structuurvisie biedt hier ruimte voor. Zo'n 70% van de Haagse huishoudens is een eenpersoonshuishoudens of samenwonend zonder kinderen. Vooral gezinswoningen bouwen is daarom geen optie. De gesuggereerde indeling van de gebouwen is ter kennisgeving aangenomen.
‘Naast nieuwbouw is de tweede grote opgave voor het CID de kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad. Concreet betekent dit mogelijke op termijn herstructurering van corporatiebezit in delen van het Schipperskwartier, Rivierenbuurt en Bezuidenhout-West, en verduurzaming van de bestaande sociale en particuliere woningvoorraad.’ Voor de woningdifferentiatie geldt daarbij het Haags woonbeleid als toetsingskader. De stedenbouwkundige inrichting volgt bij nadere planuitwerking.
Conclusie Deze zienswijze leidt tot de volgende aanpassing van de ontwerp-Structuurvisie CID: • In paragraaf 2.2 is tekst toegevoegd met betrekking tot cultuurhistorie en erfgoed.
11/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 5 – Fakton namens Bondt Development, TenBrinke, Verheeskade B.V. en MS Vastgoed Ingediend d.d.: 8 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Indiener geeft aan dat uit de plannen blijkt dat er in het plangebied waar de ontwikkelaars actief zijn (Laakhavens Overig) rekening gehouden wordt met een planvoorraad tussen de 3.000-4.000 woningen. Indiener acht deze voorraad onvoldoende toereikend, gezien de huidige plannen van de ontwikkelaars en de bij hun bekende plannen binnen dit gebied. Indiener stelt dat de planvoorraad eerder tussen de 3.500 en 4.500 zou moeten liggen.
In tabel 7.1 van de structuurvisie is een indicatief programma voor het plangebied gegeven; een nadere toedeling is binnen het globale karakter van de structuurvisie niet aan de orde. Dat zal concreter worden bij de nadere uitwerking van de structuurvisie CID in een gebiedsgerichte Nota van Uitgangspunten (NvU) voor Laakhavens.
B
Indiener is het niet eens met de aanduiding “Laakhavens Overig” als genoemd in paragraaf 4.2.4 (Bijlage 2 MER). Daarnaast verwijst indiener naar paragraaf 4.1, waarin wordt gesproken over drie polen, waarbij de pool “College Campus” als één gebied aangegeven is Later in het MER wordt ineens onderscheid gemaakt tussen “College Campus” en “Laakhavens-West” (gebied tussen Waldorpstraat-CalandstraatVerheeskade-Leeghwaterplein). Indiener acht een onderscheid in deze gebiedsfasering onwenselijk en onterecht.
In de structuurvisie wordt geen concrete fasering voor deelgebieden aangegeven. Toch zal fasering en prioritering bij de uitwerking nodig zijn, zowel vanuit praktisch oogpunt en gezien de (milieu)ruimte. Die fasering komt aan de orde bij uitwerking in deelgebieden en programma’s.
C
Indiener verwijst naar paragraaf 8.4, waarin een aantal fasen staan genoemd (fase 1-2-3), en naar afbeelding 7.4, waarin drie verschillende fasen worden genoemd (RealisatieAgenda-Perspectief). Indiener vraagt hoe deze twee verschillende faseringen samen worden gevoegd.
De in paragraaf 8.4 gehanteerde fasen (1-2-3) zijn indicatief bedoelt om inzicht te geven in de verwachte doorlooptijden van investeringen en projecten. De status realisatieagenda-perspectief, zoals in afbeelding 7.4 is gehanteerd, is indicatief voor hoe concreet een project was op het moment dat de Agendakaart opgesteld werd in het kader van het opstellen van de Gebiedsagenda’s. De twee systemen kunnen niet één-op-één samengevoegd worden, al zullen ze in veel gevallen wel overlap hebben. Vanuit de context van de structuurvisie is geen fasering bepaald voor individuele investeringen of projecten, dit gebeurt op gebieds- en projectniveau.
D
Indiener vraagt waar de aansluiting zit met de investeringsagenda en wanneer de plannen aan de Verheeskade door de gemeente worden gerealiseerd.
Bij de nadere uitwerking van de structuurvisie voor het deelgebied Laakhavens (via een Nota van Uitgangsupnten) zal de omvang van de noodzakelijke en gewenste investeringen concreter worden. Aangenomen wordt nu dat de realisatie van de plannen gefaseerd zal gebeuren. Binnen de context van de structuurvisie kan daar geen termijn aan verbonden worden.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
12/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 6 – Indiener Ingediend d.d.: 11 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
Indiener verwijst naar paragraaf 1.1. waarin wordt gesproken over het toevoegen van 20.500 voor 40.000 nieuwe inwoners, 640.000 m2 kantoren en 260.000 m2 aan commerciële en maatschappelijke voorzieningen. Indiener vindt het erg ongewoon en ondoordacht om een dergelijke toename in één visie aan te pakken. Indiener stelt dat de kans dat door externe factoren de groei anders gaat verlopen bijna zeker is. Indiener geeft aan nergens iets te vinden over de risico's van het plan. Wat als de vraag naar woningen, kantoren anders uitpakt? Daarnaast stelt de indiener dat qua omvang ook de aansturing een te grote opgave is voor het Haags stadsbestuur, de gemeenteraad en de burger. Indiener vraagt hoe het zit met de governance? Wie draait op voor de bekende kostenoverschrijdingen? Wie zit er aan de helmstok? Indiener stelt voor om de CID plannen te vertalen in een groeipad en milestones, en onderwerp vervolgstappen aan een rigide go/no-go toets.
De structuurvisie is een document voor de aankomende 20 jaar; een stip op de horizon waar de gemeente naar toe wil groeien. De visie heeft de benodigde flexibiliteit om fluctuaties in de markt te ondervangen.
B
Indiener verwijst naar paragraaf 5.2 waarin wordt gesteld dat er is gekozen om de groei in de stad te concentreren rond de OV knooppunten Den Haag Centraal Station, Den Haag Hollands Spoor en Den Haag Laan van NOI. Indiener heeft bezwaar tegen het toevoegen van hoogbouw in bestaande laagbouw wijken. De gevolgen voor de laagbouw bewoners is dramatisch: geen wolken, geen zon, rare windvlagen en vooral geen buurtcontact. Indiener stelt dat de hoogbouw community niets toevoegt aan een bestaande laagbouw wijk cultuur. Indiener wijst erop dat hoogbouw bewoners ook zorgen voor extra vraag naar schaarse voorzieningen in de bestaande wijk.
De realisatie van hoogbouw in bestaand stedelijk gebied vergt een zorgvuldige inpassing. Met het oog hierop is de Nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline opgesteld, waarin randvoorwaarden zijn opgenomen voor hoogbouwplannen. In de nota is het CID reeds aangewezen als intensiveringsgebied waar hoogbouw zal komen. Bij het ontwikkelen van hoogbouwplannen is onderzoek naar de effecten op bezonning en windhinder verplicht.
C
Indiener verwijst naar paragraaf 8.4 waarin wordt gesproken over de fasering van de investeringen, en dat waar mogelijk rekening wordt gehouden met de planning en belangen van externe partijen. Indiener vind het een zeer goede gedachte om de investeringen in stappen te doen. Edoch stelt de indiener dat externe partijen veel meer kapitaal en mankracht hebben om te handelen, en dat de gemeente de arme neef is in dit plan. Daarnaast wijst de indiener erop dat externe partners de rekening voor veranderingen en vertragingen bij de gemeente leggen; maak u borst maar nat.
Het college neemt de opmerking met betrekking tot de positie van de gemeente voor kennisgeving aan.
A
De ontwikkeling van het CID zal niet als één opgave worden opgepakt. De aanpak kan per deelgebied, op maat, anders worden ingevuld met een eigen planning/vervolgstappen. In hoofdstuk 8 van de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke financieringsmogelijkheden er zijn. De financiële haalbaarheid zal bij de verdere uitwerkingen in deelgebieden of projecten moeten worden aangetoond.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
13/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 7 – Gemeente Leidschendam-Voorburg Ingediend d.d.: 12 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Indiener heeft met veel interesse kennisgenomen van de ontwerp-structuurvisie CID. Indiener is van mening dat een aantal onderdelen uit de structuurvisie aanvulling behoeven, en dat het Milieueffectrapport (MER) onvolledig is, daar de effecten op de gemeente Leidschendam-Voorburg en eventuele mitigerende maatregelen, niet beschreven zijn.
Het studiegebied in een MER wisselt per milieuthema omdat voor het ene milieuthema de effecten verder reiken als voor het andere milieuthema. Daarom wordt voor het ene milieuthema Voorburg wel meegenomen (bijvoorbeeld bij de stedenbouwkundige opgave en geluid), bij een ander milieuthema niet. In dit stadium van de besluitvorming is mitigatie nog niet aan de orde, mitigatie is zeker een punt van aandacht in de vervolgbesluitvorming.
B
Indiener verwijst naar pp.54-55, waarin de opgaven rondom station Laan van NOI duidelijk worden gemaakt. Indiener vindt dat de punten 6 (groen en water), 8 (verdichten langs de Van Alphenstraat) en 11 (aanleg verlengde Velostrada) zich lastig tot elkaar verhouden. Het lijkt erop alsof meerdere ontwikkelingen op dezelfde locatie terechtkomen, te weten in de groenzone langs de Van Alphenstraat. Een zorgvuldig ontwerpproces is nodig om hier tot een goed stedelijk milieu te komen, zonder te kort te doen aan de groene structuur van de Van Alphenstraat.
De opgaven rondom station Laan van NOI en het gebied langs de Van Alphenstraat worden nog verder uitgewerkt.
C
De directe omgeving van Laan van NOI aan de Voorburgse zijde heeft op dit moment al moeite met voldoen aan goede waterberging en afkoeling, vandaar dat de strook langs de Van Alphenstraat voor de indiener van groot belang is voor een goede leefomgeving. Indiener zou van punt 6 de onderwerpen “waterberging” en “verkoeling” een eigen aandachtspunt willen maken, en ruimhartig willen terugzien in het ontwerp van de Van Alphenstraat.
De onderwerpen waterberging en hittestress/verkoeling zullen als aandachtspunten bij deze uitwerking worden meegenomen.
D
In Voorburg is enkel een blauwe zone ten behoeve van parkeerregulering of vrij parkeren. Indiener vraagt hoe wordt voorkomen dat bewoners/bezoekers van Laan van NOI en omgeving daar gaan parkeren als zij geen parkeerplaats ter beschikking hebben? Het uitgangspunt in de structuurvisie is een lagere parkeernorm, wat tot een tekort aan parkeerplaatsen kan leiden en anderzijds wordt ingezet op inpandig parkeren waarvoor betaald moet worden. De ervaring leert dat straatparkeren de voorkeur heeft. Ook worden centrale parkeerplaatsen aangelegd, terwijl de voorkeur vaak uitgaat naar een parkeerplaats voor de deur. Indiener verzoekt om de parkeerdruk te monitoren in Voorburg-Noord.
Het college snapt de zorg van de gemeente Leidschendam-Voorburg dat aanscherping van parkeren aan de Haagse kant van het spoor bij Laan van NOI zou kunnen leiden tot extra parkeerdruk in Voorburg. Ons voorstel zou zijn dat de gemeente Leidschendam Voorburg, op basis van de parkeermonitoring die men ongetwijfeld doet en uitgaande van de blauwe zone, de vinger aan de pols houdt en eventuele groeiende parkeerdruk agendeert in het gezamenlijke overleg. Op basis daarvan kunnen maatregelen worden bezien.
E
Een ander aandachtspunt dat de indiener aanhaalt betreft de thuisbezorging, laden en lossen en servicebedrijven. Juist omdat er minder eigen autobezit wordt verwacht, is thuisbezorging logisch en frequenter. Dezelfde ruimte is nodig voor onderhoudsbedrijven, verhuizers en anderen die een dienst of service komen verlenen.
De gemeente Leidschendam-Voorburg hoeft zich over de logistiek geen zorgen te maken over vermeende verdrijvingseffecten naar Voorburg. Ingezet wordt op inpandige voorzieningen die het ruimtebeslag op maaiveld voor dit soort functies kan beperken en een beperkte ruimte voor laden en lossen bij de gebouwen. Als dat niet mogelijk is 14/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Indiener vraagt welke ruimte is daarvoor gereserveerd, als er niet gekozen wordt voor straatparkeren?
zullen er aparte laad- en losvoorzieningen worden gerealiseerd. Daarnaast zijn we bezig met het op diverse schaalniveaus ontwikkelen van hubs die hierbij een rol kunnen spelen.
F
Indiener benadrukt dat de gemeente Leidschendam-Voorburg geen één keer wordt genoemd in het MER, terwijl de structuurvisie de gemeente wel benoemd als samenwerkingspartner.
In het MER staat de gemeente Leidschendam-Voorburg genoemd, alsmede wordt er meerdere malen melding gedaan van effecten in Voorburg. Zie het MER paragraaf 3.2.3, 4.2.3, 6.3.1, 6.3.2, 6.3.3, 7.1.1, en 8.2.2.
G
Indiener vindt de grenzen van het studiegebied van het MER onduidelijk. De ene keer wordt Voorburg-Noord wel meegenomen, de andere keer niet. Duidelijk is, is dat er effecten zijn die voorbij de gemeentegrens dragen. Indiener vindt het MER op dit punt onvolledig door de effecten in Leidschendam-Voorburg deels niet te beschrijven.
Het studiegebied in een MER wisselt per milieuthema omdat voor het ene milieuthema de effecten verder reiken als voor het andere milieuthema. Daarom wordt voor het ene milieuthema Voorburg wel meegenomen (bijvoorbeeld bij de stedenbouwkundige opgave en geluid), bij een ander milieuthema niet. Voor het onderdeel Luchtkwaliteit is – mede naar aanleiding van advies van de commissie MER – een aanvulling op de planMER gemaakt waarbij naar een groter studiegebied is gekeken.
H
Indiener verwijst naar p.70 van het MER, waar staat genoemd dat er 146 woningen zijn met een Milieugezondheidsrisico-indicator (MGR-score) van hoger dan 7,0. De bijbehorende kaarten lijken ook te wijzen naar woningen in Leidschendam-Voorburg. Indiener vraagt of er aangegeven kan worden of het aantal woningen met deze hoge score gegroeid is ten opzichte van de referentiesituatie? En bevinden deze 146 woningen zich (deels) ook in Leidschendam-Voorburg? Zo ja, wat wordt er gedaan om de MGR-score voor deze woningen te verbeteren?
De genoemde 146 woningen met een MGR-score van hoger dan 7,0 betreffen de referentiesituatie. De effecten staan in hoofdstuk 8 van het MER (p. 98) en verder zo ook voor de MGR.
I
Wat de indiener tevens opvalt is dat de geluidbelasting door wegverkeer in met name de Prinses Mariannelaan in Leidschendam-Voorburg toeneemt bij de diverse alternatieven; terwijl de geluidsbelasting op de parallel lopende Maanweg juist afneemt. De Prinses Mariannelaan is in de huidige situatie al jarenlang een overbelast wegvak met navenante overlast (geluid en luchtvervuiling) voor aanwonenden. Indiener vindt een verdere verslechtering van de situatie dan ook niet acceptabel. LeidschendamVoorburg acht daarom mitigerende maatregelen noodzakelijk wanneer de belasting op de Prinses Mariannelaan toeneemt.
Mitigatie is nog niet aan de orde in deze fase van de besluitvorming, maar is zeker een punt van aandacht in de uitwerkingen van de gebieden in bestemmingsplannen of vergunningen. Daarbij is de Prinses Mariannelaan geen logische doorgaande route voor het CID-gebied.
J
Langs het traject van Randstadrail in Voorburg neemt het geluid toe, maar op de effecttekeningen is slechts een beperkt deel van het traject weergegeven. Zoals ook eerder aangegeven houden effecten van de beoogde ontwikkeling niet op bij de gemeentegrens. Indiener vraagt of álle effecten die Leidschendam-Voorburg betreft op te nemen in het MER, en deze te compenseren of mitigeren waar nodig.
In het MER wordt in paragraaf 8.2.2 ingegaan op geluid door wegverkeer en railverkeer. De lightrail zoals de Randstadrail valt onder wegverkeer. Het MER laat zien dat bij alternatieven 3A en 3B het geluidniveau een toename kent in het gebied rondom de Randstadrail in de richting van zowel Voorburg als Binckhorst. Deze toenames zijn beperkt (max 1-3 dB extra) zoals op de kaart te zien is. De Randstadrail maakt geen onderdeel uit van het CID project. Daarom is in het MER niet het hele traject van de Randstadrail in beeld gebracht maar het deel van de omgeving dat ook effecten ondervindt van de ontwikkelingen in het CID. Effecten op andere gedeelten rondom de Randstadrail moeten bij het project in beeld te worden gebracht. 15/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Elk van de onderzochte alternatieven gaat uit van het Geluidregister Spoor, waarin de geluidruimte voor railverkeer is vergund. Het uitgangspunt is dat de geluidruimte niet zal toenemen, dus dat er geen effecten optreden door extra railverkeer. Compensatie of mitigatie is een mogelijkheid, maar niet aan de orde in een strategisch planMER als het CID. Dat is iets voor de uitwerking op het moment dat daadwerkelijk een intensivering plaatsvindt. K
Indiener zou graag zien dat inwoners en andere belanghebbenden uit LeidschendamVoorburg worden geïnformeerd over de ontwikkelingen, en dat er ruimte wordt gegeven om uitgebreid te participeren.
De opgaven rondom station Laan van NOI en het gebied langs de Van Alphenstraat worden nog verder uitgewerkt. Bij de verdere uitwerking van de plannen rondom het station van Laan van NOI worden bewoners van de gemeente Leidschendam-Voorburg betrokken.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID. Wel is in aanvulling op de planMER extra onderzoek uitgevoerd voor het onderdeel Luchtkwaliteit. Hierin is een groter studiegebied in acht genomen, deels gelegen in Leidschendam-Voorburg.
Zienswijze 8 – Indiener Ingediend d.d.: 13 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze A
Zienswijze
Reactie
Indiener merkt op dat het zich grote zorgen baart dat de structuurvisie een abstract plan is zonder toetskaders. De ontwerp-structuurvisie CID biedt daarom geen houvast voor de effecten ervan in de toekomst. Indiener vraagt om een inhoudelijk toetskader te verwerken in de Structuurvisie. Eén die richting geeft en handvatten biedt voor het verdere proces. De ervaring leert dat het CID- proces door u dan ook beter valt te (be)sturen/regisseren.
De structuurvisie is een document voor de aankomende 20 jaar; een stip op de horizon waar de gemeente naar toe wil groeien. De structuurvisie bevat voldoende handvatten voor de gemeente om de verdere uitwerking aan te toetsen. In de uitwerkingsdocumenten, zoals bestemmingsplannen, wordt het toetsingskader vastgelegd voor gemeente en private partijen wat gebruikt kan worden voor de verdere uitvoering. Aan de structuurvisie is een samenvatting toegeveogd om meer duidelijkheid te bieden, waarin de belangrijkste uitgangspunten voor de toekomstige ontwikkeling van het CID zijn opgenomen.
B
In de structuurvisie (p. 41) staat dat “veel afhangt van de wijze waarop met name de openbare ruimte wordt ingericht. De mobiliteitstransitie is in ieder geval een voorwaarde om gezondheid en leefbaarheid op peil te houden”. Verderop (p. 61) staat
De mobiliteitstransitie bestaat uit een groot aantal verschillende maatregelen en investeringen, welke gefaseerd uitgevoerd worden. Er is momenteel dekkingen voor meerdere maatregelen en investeringen inzake de mobiliteitstransitie, maar er is nog
16/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
C
echter: “een groot deel van de incidentele en structurele kosten die voortvloeien uit de visie zijn momenteel niet voorzien in de gemeentelijke begroting en daarmee is de visie als geheel op dit moment niet uitvoerbaar.” Dit gegeven baart de indiener grote zorgen: om de leefbaarheid te garanderen (voor zowel huidige als toekomstige bewoners) dient een mobiliteitstransitie plaats te vinden welke door de gemeente moet worden voorgefinancierd, echter hiervoor is geen geld. Indiener vraagt waaruit blijkt dat er een duidelijke koppeling gemaakt wordt tussen fasering (eerst de mobiliteitsopgave en dan hoogbouw?) en daarvoor de middelen vrijmaakt. Daarnaast stelt de indiener dat in de Structuurvisie inzicht ontbreekt in de wijze én financiering van deze transitie, noodzakelijk om de visie uit te voeren.
geen dekking voor het gehele pakket aan gewenste maatregelen en investeringen. Er ligt nog een opgave om deze dekking te vinden binnen gemeentelijke en externe bronnen. De fasering van de maatregelen en investeringen wordt afgestemd op de beschikbaarheid van middelen. De financiële onderbouwing zal steeds gefaseerd vorm krijgen. Maatregelen voor de korte termijn worden eerder, en in meer detail uitgewerkt. Maatregelen die verder liggen in de tijd kennen eerst nog geen, of een (zeer) globale financiële onderbouwing, en worden later uitgedetailleerd en in de begroting opgenomen.
Indiener verzoekt om in de Structuurvisie helderheid te verschaffen op de volgende punten: • Vrachtverkeer, motoren, bromfietsen en scooters worden niet benoemd in de vervoerssleutel. Hoe is de huidige verdeling en welke beleidsinstrumenten (concreet) wordt per vervoerswijze ingezet c.q. ontwikkeld om deze ambitie en gedragsverandering waar te maken?
Uitgangspunten m.b.t. vrachtverkeer zijn opgenomen in paragraaf 5.3.7. van de structuurvisie. Hierbij wordt voor logistiek, en dus de vrachtverkeer, ingezet op het gebruik van schone en veilige vervoermiddelen en het tegengaan van onnodige vervoersbewegingen. In Den Haag wordt ca 1 – 2% van de reizigerskilometer op de brom- en snorfiets afgelegd. Het beleid van de gemeente is erop gericht om het gebruik van deze vervoermiddelen schoner en verkeersveiliger te maken en de hinder voor fietsers te verminderen. De uitgangspunten voor een autoluwe inrichting van het CID bieden een belangrijke randvoorwaarde voor een veilige positie van deze vervoermiddelen.
Het college verwijst naar de nieuwe bijlage ‘Ontwikkelstrategie’, waarin ingegaan wordt op uitvoerings- en financiële aspecten. In Hoofdstuk 8 van de Structuurvisie is ook een verwijzing naar de nieuwe bijlage ‘Ontwikkelstrategie’ toegevoegd.
•
De Structuurvisie is tegenstrijdig/onduidelijk over het autogebruik van bewoners c.q. bezoekers, hier zal een duidelijker beleidskeuze gemaakt moeten worden. Daarnaast is differentiatie van marktconforme (parkeer-)tarieven voor bewoners en bezoekers een aandachtspunt dat om concrete beleidsdoelen vraagt waarbij dit duidelijk naar de bewoners gecommuniceerd dient te worden en vraagt om draagvlak hiervan.
In de structuurvisie wordt zowel voor bewoners als bezoekers ingezet op toename van het aandeel lopen, fietsen en openbaar vervoer in de keuze van vervoerwijze. De groei van de mobiliteit van, naar en binnen het CID moet door deze modaliteiten worden opgevangen. Voor CID-gerelateerde verplaatsingen is de doelstelling dat het autogebruik wordt beperkt tot ca. 15% van de verplaatsingen. In de structuurvisie zijn uitgangspunten opgenomen voor het parkeerbeleid in het CID. Het parkeerbeleid is nauw verbonden met de doelstelling om voor het stimuleren van ruimte-efficiënte en schone vervoermiddelen en het ontlasten van de openbare ruimte van geparkeerde auto’s. Het parkeerbeleid wordt verder uitgewerkt in een nieuw stadsdekkend parkeerkader voor de gemeente Den Haag.
•
Voor een aantrekkelijk voetgangersgebied wordt een levendige en dynamische plint gevraagd. Hoeveel plinten wil de gemeente prognosticeren om zo te voorkomen dat er wordt gebouwd voor de leegstand?
In levendige plinten is een veelheid aan functies denkbaar. De concrete invulling hiervan vindt plaats bij verdere uitwerking in deelgebieden.
•
Inpandige fietsvoorzieningen moeten wel worden gebruikt. Ook op straat geparkeerde fietsen leiden tot handhavingsvraagstukken en openbare ruimte vraagstukken.
Om het gebruik van inpandige fietsparkeervoorzieningen te stimuleren worden hieraan hoge eisen gesteld; de stallingen moeten comfortabel maximaal via één deur en zonder trap toegankelijk vanaf het maaiveld bereikbaar zijn en moeten voldoende ruimte bieden aan een breed scala van fietstypes met verschillende maten. Daarmee wordt
17/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
ingezet op het ontlasten van de openbare ruimte van geparkeerde fietsen en een beperking van de noodzaak voor handhaving. De al bestaande handhaving op het stallen op de openbare weg in het centrum en nabij stations kan, waar nodig, worden uitgebreid. D
E
In 2019 is er een Participatie en Communicatieplan CID tot stand gekomen. Indiener constateert dat tot nu toe de uitvoering van dit plan te wensen overlaat. Indiener stelt dat wijkorganisaties en bewoners zich enkel aangesproken voelen als ontvangers van ‘boodschappen’ en niet als “serieuze partners, waarmee een open, op wederzijds vertrouwen gebaseerde relatie wordt aangegaan om participatie mogelijk te maken”. Indiener verzoekt om passende maatregelen te treffen om naleving van het participatieplan (alsnog) te waarborgen. Indiener verzoekt daarbij om coproductie/samenspraak met bewoners in te voeren. Indiener wijst hier op een aantal onvolkomenheden in de ontwerp-Structuurvisie wat betreft de naleving. • Voor de grootste en meest ingrijpende ontwikkelingen (de zogenoemde “prioritaire gebieden”) heeft een nadere uitwerking grotendeels al plaats gevonden, zonder daadwerkelijke participatie. Indiener stelt dat de georganiseerde bijeenkomsten louter informatief waren en niet raadplegend. • Ook wordt er in de Structuurvisie gesproken over gebiedspanels (p. 63). Niet duidelijk is op welk moment of momenten in het proces deze panels worden ingezet, zodat de praktische waarde van de participatievorm niet valt vast te stellen en de effectiviteit niet te meten. Tot op heden zijn er nog geen gebiedspanels ingezet of geïnstalleerd. • Zo kunnen er alleen zienswijzen worden ingediend (p.
7), en alleen op de Structuurvisie (niet ook de bijlagen) en die worden “daar waar mogelijk” verwerkt. Indiener vraagt u op dit punt om uw verantwoordelijkheid te nemen en te bevorderen dat ook de bijlagen onder de reikwijdte van de zienswijze worden gebracht, voor zover deze niet eerder al via (daadwerkelijke) participatie tot stand zijn gekomen.
Voor het CID is een leidraad “Participatie en communicatieplan CID” (RIS303004) vastgesteld door het college d.d. 02-07-2019. In het Participatie en communicatieplan CID is aangegeven is dat het college het van belang vindt dat er een goede en continue dialoog ontstaat met de stad. Zij vindt interactie en een open communicatie daarvoor onmisbaar. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de verschillende producten en het niveau van participatie. Per plan, gebied, project of thema wordt of moet nog worden geparticipeerd. Voor de structuurvisie is het participatieniveau ‘raadplegen’ gehanteerd. Voor de structuurvisie hebben een drietal omgevingsbrede overleggen plaats gevonden en zijn er enkele overleggen met buurt-/wijkverenigingen gevoerd. Daarnaast zijn er ook formele momenten geweest waarop zienswijzen konden worden ingediend. De gemeente is nog bezig deze participatie verder vorm te geven, o.a. middels panels en wijkcafe’s.
Verder verzoekt de indiener om de transparantie te bevorderen waar het gaat om het afleggen van verantwoording voor het al dan niet verwerken van zienswijzen.
De zienswijzen worden opgenomen in een Nota van Beantwoording. Hierin kunt u de beantwoording van uw zienswijze teruglezen. In deze nota kunt u ook de reacties op de andere zienswijzen lezen.
De gezamenlijke wijkorganisaties in het CID-gebied kunnen zich absoluut niet vinden in de gevolgde procedures die haaks staan op de afspraken van het Participatie en Communicatieplan CID. Wij verzoeken u met klem om uw verantwoordelijkheid te nemen en werk te maken van participatie op het juiste niveau en toe te zien op naleving hiervan door uw ambtelijk apparaat.
In het Participatie en communicatieplan CID is aangegeven is dat het college het van belang vindt dat er een goede en continue dialoog ontstaat met de stad. Zij vindt interactie en een open communicatie daarvoor onmisbaar. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de verschillende producten en het niveau van participatie. Per plan, gebied, project of thema wordt of moet nog worden geparticipeerd. Voor de structuurvisie is het participatieniveau ‘raadplegen’ gehanteerd. Voor de structuurvisie hebben een drietal omgevingsbrede overleggen plaats gevonden en zijn er enkele overleggen met buurt-/wijkverenigingen gevoerd. Daarnaast zijn er ook formele momenten geweest
Coproductie/samenspraak zal voor verschillende projecten binnen het CID plaatsvinden.
De bijlagen bij de structuurvisie zijn bedoeld als onderbouwing en illustratie van de hoofdtekst, maar niet als onderdeel van het vast te stellen beleid. In deze nota van beantwoording zijn ook opmerkingen over de bijlages behandeld.