CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307135 Bijlage 2 - DSO2020 191 Bijlage Milieueffectrapport Gemeente Den Haag

Commissie Ruimte 23 juni 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Gewijzigd raadsvoorstel van het college inzake Structuurvisie Central Innovation District33.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Central Innovation District Milieueffectrapport

Gemeente Den Haag 23 maart 2020

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Central Innovation District Gemeente Den Haag

Milieueffectrapport Definitief 02 23 maart 2020 110741/20-004.560

110741 mevrouw A.M. Springer-Rouwette MSc drs.ing. E.J.N. Rijsdijk

P.A. Feij MSc, mevrouw ir. F.D. Cieraad mevrouw A.M. Springer-Rouwette MSc, mevrouw F.D. Kesmer MSc mevrouw A.M. Springer-Rouwette MSc

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Koningin Julianaplein 10, 12e etage Postbus 85948 2508 CP Den Haag +31 (0)70 370 07 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

0

SAMENVATTING

7

0.1

Leeswijzer

7

0.2

Ontwikkeling van het Central Innovation District

7

0.3

Onderzoeksproces

9

0.3.1 0.3.2 0.3.3

9 10 12

Dominante keuzes voor het CID Uitwerking in alternatieven Beoordelingsmethode

0.4

Samenvatting van effecten van alternatieven

14

0.5

Discussie en aanbevelingen

17

1

AANLEIDING EN DOEL

19

1.1

Leeswijzer

19

1.2

Opgave voor het Central Innovation District

20

1.3

Visie

20

1.4

Planvorming voor het CID

21

1.5

Uitwerking in Structuurvisie CID

22

1.6

Aanleiding voor onderzoek naar milieueffecten

22

1.7

Procedure

23

1.8

Participatie

24

1.9

Indienen zienwijze op het MER

25

2

RELEVANTE KADERS

26

2.1

Nationale kaders

26

2.2

Provinciale kaders

26

2.3

Regionale Kaders

27

2.4

Lokale kaders

27

3

GEBIEDSBESCHRIJVING

31

3.1

Central Innovation District

31

3.2

Prioritaire deelgebieden

32

3.2.1 3.2.2 3.2.3

Policy Campus Centraal (Den Haag Centraal) College Campus HS (Den Haag Hollands Spoor) ICT-Security Campus (Den Haag Laan van NOI)

32 33 34

4

OPGAVEN VOOR DE STRUCTUURVISIE

36

4.1

Karakter van de Structuurvisie

36

4.2

Opgaven en programma

37

4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4

38 38 39 39

Deelgebied Policy Campus Centraal Deelgebied College Campus HS Deelgebied ICT-Security Campus Overige deelgebieden

5

ONDERZOEKSPROCES

41

5.1

Aanpak en uitgangspunten

41

5.2

Huidige situatie en autonome ontwikkelingen

42

5.2.1 5.2.2 5.2.3

42 42 43

Ruimtelijke ontwikkelingen Mobiliteit Generieke planoverstijgende ontwikkelingen

5.3

Beoordelingskader

43

5.4

Wijze van beoordeling

46

6

ALTERNATIEVEN VOOR HET CID

47

6.1

Ontwikkeling van de alternatieven

47

6.2

Omvang van het (bouw)programma

48

6.3

Mobiliteitsstrategie

51

6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4

51 52 52 53

Vraagvolgend mobiliteitsbeleid Vraagsturend mobiliteitsbeleid Sterk vraagsturend mobiliteitsbeleid Toelichting op maatregelen

6.4

Samenvatting van de zes alternatieven

54

7

HUIDIGE SITUATIE EN REFERENTIESITUATIE

56

7.1

Mobiliteit

56

7.1.1 7.1.2 7.1.3

56 58 60

7.2

Huidige situatie Referentiesituatie Conclusie

Gezondheid en leefbaarheid

60

7.2.1 7.2.2 7.2.3

60 68 72

Huidige situatie Referentiesituatie Conclusie

7.3

7.4

7.5

Klimaatbestendigheid

72

7.3.1 7.3.2 7.3.3

72 75 77

Huidige situatie Referentiesituatie Conclusie

Energietransitie en circulariteit

77

7.4.1 7.4.2 7.4.3

77 81 83

Huidige situatie Referentiesituatie Conclusie

Hoogstedelijkheid en concurrentiepositie

85

7.5.1 7.5.2 7.5.3

85 88 88

Huidige situatie Referentiesituatie Conclusie

8

EFFECTEN VAN ALTERNATIEVEN

89

8.1

Mobiliteit

89

8.1.1 8.1.2 8.1.3

90 91 91

8.2

8.3

8.4

8.5

Overzicht van effecten Vergelijking van de alternatieven Aandachtspunten en maatregelen

Gezondheid en leefbaarheid

92

8.2.1 8.2.2 8.2.3

92 93 103

Overzicht Vergelijking Aandachtspunten en maatregelen

Klimaatbestendigheid

104

8.3.1 8.3.2 8.3.3

104 106 107

Overzicht van effecten Vergelijking van de alternatieven Aandachtspunten en maatregelen

Energietransitie en circulariteit

108

8.4.1 8.4.2 8.4.3

108 108 112

Overzicht van effecten Vergelijking van alternatieven Aandachtspunten en maatregelen

Hoogstedelijkheid en concurrentiekracht

113

8.5.1 8.5.2 8.5.3

113 116 116

Overzicht van effecten Vergelijking van alternatieven Aandachtspunten en maatregelen

9

BELANGRIJKSTE INZICHTEN VOOR BESLUITVORMING

118

10

DISCUSSIE EN AANBEVELINGEN

123

10.1

Leemten in kennis en onzekerheden

123

10.1.1 10.1.2 10.1.3 10.1.4

123 123 124 124

Algemeen Mobiliteit Gezondheid en leefbaarheid Klimaatadaptatie

10.1.5 10.1.6 10.2

10.3

Energietransitie en circulariteit Hoogstedelijkheid en concurrentiekracht

124 124

Monitoring en evaluatie

125

10.2.1 10.2.2

125 125

Klimaatadaptatie Hoogstedelijkheid en concurrentiekracht

Maatregelen achter de hand

125

10.3.1 10.3.2 10.3.3 10.3.4

125 126 126 126

Gezondheid en leefbaarheid Klimaatadaptatie Energietransitie en circulariteit Hoogstedelijkheid en concurrentiekracht

11

AANZET TOT MONITORINGSPLAN

127

11.1

Aanleiding voor monitoren

127

11.2

Opzet van het monitoringsplan

128

11.3

Opbouw van de leefomgevingsfoto

128

11.4

Indicatoren voor monitoring

131

Laatste pagina

137

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Verklarende woordenlijst

1

II

Referenties

2

0 SAMENVATTING 0.1

Leeswijzer

Voor u ligt de samenvatting van het milieueffectrapport voor de Structuurvisie CID. De samenvatting geeft beknopt weer wat de (milieu)effecten zijn van de plannen van Gemeente Den Haag voor het Central Innovation District (CID). Daarmee kan de gemeente het milieubelang volwaardig meewegen in de besluitvorming over de Structuurvisie CID. Deze samenvatting behandelt de volgende onderwerpen: 1 2 3 4

ontwikkeling van het Central Innovation District: wat zijn de opgaven en plannen voor het CID? onderzoeksproces: wat is in het MER onderzocht en hoe? effecten van de alternatieven: wat zijn de belangrijkste effecten en waarop onderscheiden de alternatieven zich? discussie en aanbevelingen: welke discussiepunten en aanbevelingen zijn er vanuit het MER?

Deze samenvatting maakt onderdeel uit van het MER, maar kan ook zelfstandig worden gelezen om op hoofdlijnen een beeld van de inhoud van het MER te krijgen. Voor elk integraal milieuthema bestaat ook een deelrapport, dat dieper ingaat op de effecten, methoden en achtergrondinformatie. Het gaat om de volgende deelrapporten die als bijlagen zijn opgenomen: - deelrapport Mobiliteit; - deelrapport Gezondheid en leefbaarheid; - deelrapport Klimaatbestendigheid; - deelrapport Energietransitie en circulariteit; - deelrapport Hoogstedelijkheid en concurrentiekracht.

0.2

Ontwikkeling van het Central Innovation District

Stedelijke groei geconcentreerd in het Central Innovation District Den Haag groeit tot 2040 naar verwachting met 50.000 tot 80.000 inwoners (Gemeente Den Haag, 2016). Den Haag kiest ervoor om deze groei vooral te laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied geconcentreerd rondom OV-knopen (Gemeente Den Haag, 2005; 2016). In het coalitieakkoord 2018-20221 besloten de partijen een belangrijk deel van de stedelijke groei gestalte te laten krijgen in het Central Innovation District (CID): het gebied tussen en rondom de stations Hollands Spoor, Den Haag Centraal Station en Den Haag Laan van NOI (Gemeente Den Haag, 2018a). De Agenda ruimte voor de Stad voorziet in een programma van 18.500 woningen in het CID (Gemeente Den Haag, 2016). Central Innovation District als een aantrekkelijk internationaal knooppunt De focus van de ontwikkelingen CID ligt op 3 eenheden: - verdichten; - vergroenen; - verduurzamen. Het investeren in verdichten, functiemenging kan ruimte bieden aan de economische vernieuwing van Den Haag, de groei van bestaande en nieuwe bedrijvigheid en de realisatie van nieuwe woningen met alle 1 Het inmiddels gesloten coalitieakkoord 2019-2022 zet deze ambities voort.

7 | 137

Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

bijbehorende voorzieningen zoals scholen, winkels, speelplekken en recreatieve voorzieningen. Bovendien creëert hoogstedelijkheid mogelijkheden om openbare ruimte te waarborgen en daarmee nieuwe aantrekkelijke ontmoetingsplekken te creëren. Duurzame multimodale bereikbaarheid in combinatie met hoogstedelijkheid en functiemenging wordt als essentieel beschouwd om CID verder te kunnen ontwikkelen tot een internationaal samenhangend knooppunt. Het ontwikkelen van hoogbouw, ontmoetingsplekken en infrastructuur moet op een duurzame wijze waarbij opgaven op het gebied van natuur, energie en klimaatadaptatie aanbod komen.

Afbeelding 0.1 Links: Positie van het CID in Den Haag (Gemeente Den Haag, 2019a); Rechts: plangebied CID in dit MER1

Milieueffectrapportage De ontwikkelingen in het CID kunnen effecten hebben op het milieu. Omdat de structuurvisie kaders stelt aan deze ontwikkelingen is het wettelijk verplicht de mogelijke milieueffecten te onderzoeken 2. Daarbij is een zogeheten milieueffectrapport (MER) opgesteld en de bijbehorende m.e.r.-procedure doorlopen. Het MER bevat een beschrijving en beoordeling van de milieueffecten en gaat daarbij in op reële alternatieven voor de beoogde ontwikkelingen die vanuit het oogpunt van milieu onderscheidend zijn. Met deze informatie draagt het MER bij aan het maken van een zorgvuldige afweging over de kaders en ontwikkelstrategie in de Structuurvisie CID. Daarnaast zijn aandachtspunten voor verdere ontwikkeling van het CID benoemd. Procedure Omdat het MER dient ter onderbouwing van de structuurvisie loopt de procedure van het MER deels parallel aan de procedure voor de Structuurvisie CID. Afbeelding 0.2 toont uit welke stappen deze procedure bestaat. Als eerste stap in de formele procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld3. De NRD bevat de onderzoeksagenda en -opzet en vormt de eerste stap in de m.e.r.-procedure4. De NRD lag van maandag 29 april 2019 tot en met maandag 10 juni 2019 ter inzage voor zienswijzen.

Ook zijn adviezen gevraagd aan wettelijke adviseurs en betrokken bestuursorganen en is de Commissie voor de milieueffectrapportage om advies gevraagd.

1

In de Structuurvisie CID is uiteindelijk gekozen voor een andere afbakening van het CID zonder de Binckhorst-Noordwest

2

Zie paragraaf 1.6 voor een toelichting op de wettelijke plan-m.e.r.-plicht.

3

https://denhaag.raadsinformatie.nl/modules/13/overige_bestuurlijke_stukken/506928

4

Deze NRD is opgesteld als voorbereiding voor het planMER voor de Structuurvisie als het projectMER voor bestemmingsplan Spoorzone Hollands Spoor. Gedurende het planproces is besloten het planMER ten behoeve van de Structuurvisie eerst afzonderlijk op te stellen. Het projectMER voor het bestemmingsplan Spoorzone Hollands Spoor volgt nu een aparte procedure en is niet opgenomen in dit MER.

8 | 137

Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

Afbeelding 0.2 Procedure van het MER en de Structuurvisie CID

Zodra de Structuurvisie CID en het MER gereed zijn, geeft het College van B&W de stukken vrij voor zienswijzen. Gedurende een periode van 6 weken ligt de ontwerp-Structuurvisie en het MER ter inzage. Een ieder kan zienswijzen indienen op de ontwerp-Structuurvisie en de inhoud van het MER. Daarnaast vraagt de gemeente de Commissie voor de milieueffectrapportage om advies om te beoordelen of het MER voldoende milieu-informatie bevat om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over het bestemmingsplan en de Structuurvisie CID. De zienswijzen en adviezen worden beantwoord en gebruikt om het MER waar nodig aan te vullen en de Structuurvisie CID aan te scherpen. Vervolgens legt het College van B&W de Structuurvisie CID en bijbehorende stukken voor aan de gemeenteraad. De gemeenteraad besluit over het vaststellen van de Structuurvisie CID als integrale langetermijnvisie voor het CID en als kader voor toekomstige ontwikkelingen. Na het besluit om de Structuurvisie vast te stellen, maakt de gemeente dit bekend.

0.3

Onderzoeksproces

Het MER brengt in beeld wat de milieueffecten zijn van de strategische keuzes die voorliggen in de Structuurvisie CID. Voor diverse strategische keuzes zijn in het MER verschillende alternatieven onderzocht. Door deze alternatieven te vergelijken wordt duidelijk welke voor- en nadelen bepaalde keuzes hebben voor het milieu en wat de randvoorwaarden, aandachtspunten en kansen zijn bij deze plannen. Het onderzoek heeft een globaal karakter dat aansluit bij het abstractieniveau van de Structuurvisie en rekening houdt met de hogere mate van onzekerheid die het gevolg is van de gehanteerde planhorizon tot 2040.

0.3.1

Dominante keuzes voor het CID

De ambities voor het CID zijn hoog en leiden tot een groot aantal uiteenlopende opgaven. Uit deze verschillende opgaven zijn 2 dominante keuzes afgeleid die voorliggen in de Structuurvisie: 1) de omvang van het bouwprogramma; 2) de mobiliteitsstrategie. Deze keuzes zijn naar verwachting bepalend voor de ontwikkelruimte in het gebied en hebben naar verwachting de meest onderscheidende milieueffecten. De hoeveelheid verkeer (afhankelijk van het bouwprogramma) en samenstelling van het verkeer (afhankelijk van de mobiliteitsstrategie) zijn bepalend voor het functioneren en de leefomgevingskwaliteit van het CID. Zo zijn de ruimteclaims en milieueffecten

9 | 137

Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

relatief groter bij een hoog bouwprogramma dat uitgaat van autobereikbaarheid, dan een laag bouwprogramma dat georiënteerd is op OV, fietsers en voetgangers. De omvang van het bouwprogramma en de mobiliteitsstrategie zijn uiteraard niet de enige variabelen of ambities, maar in dit stadium van de planontwikkeling wel het meest relevant. Ook andere belangrijke ambities en variabelen worden in dit MER onderzocht, niet als alternatieven of varianten, maar door ze op te nemen in het integrale beoordelingskader in tabel 0.2.

0.3.2

Uitwerking in alternatieven

De keuzes over bouwprogramma en mobiliteitstransitie zijn uitgewerkt in alternatieven. Voor het bouwprogramma een minimaal en maximaal bouwprogramma. Voor de mobiliteitsstrategie in een vraagvolgende, vraagsturende of sterk vraagsturende mobiliteitsstrategie. De combinatie leidt tot 6 alternatieven die schematisch weergegeven worden in afbeelding 0.3 Samen bestrijken deze alternatieven de hoeken van het speelveld van de belangrijkste keuzes die voorliggen in de Structuurvisie CID. Er is gekozen om voor dit planMER de alternatieven niet per deelgebied verder uit te werken, omdat er tussen de deelgebieden geen grote verschillen zitten.

Afbeelding 0.3 Schematische weergave van de alternatieven

Toelichting op de omvang van het bouwprogramma Bij de keuze voor de omvang van het bouwprogramma wordt gevarieerd op een minimaal bouwprogramma dat aansluit bij de ambities uit Agenda Ruimte voor de Stad uit 2016 en een maximaal bouwprogramma waarbij de behoefte aan woningen en arbeidsplaatsen en voorzieningen in het CID hoger zijn dan nu voorzien. A. Minimaal bouwprogramma Het minimale bouwprogramma1 volgt de meest waarschijnlijke economische en demografische ontwikkelingen, waarbij tot en met 2040 18.500 woningen en 25.000 arbeidsplekken en alle benodigde ondersteunende economische en maatschappelijke functies (Gemeente Den Haag, 2016). B. Maximaal bouwprogramma Dit programma gaat uit van een hoog economisch en demografisch groeiscenario. Dit vertaalt zich naar een realistisch maximaal alternatief dat bestaat uit een programma van 24.500 woningen, 30.000 arbeidsplaatsen 1

Minimaal met het oog op de ambities van de gemeente ten aanzien van het CID. Een alternatief dat minder dan dit bouwprogramma realiseert is weliswaar mogelijk maar voldoet niet aan de minimale programmatische ambities van de gemeente Den Haag (heeft onvoldoende doelbereik). In feite voorziet de referentiesituatie in een absoluut minimaal alternatief, waarin met uitzondering van de autonome ontwikkelingen, geen nieuwe programmatische ontwikkelingen in het CID plaatsvinden.

10 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

en benodigde ondersteunende en maatschappelijke functies met een verzorgingsfunctie voor de stad of regio.

Afbeelding 0.4 De in het MER gehanteerde globale verdeling van het minimaal en maximaal programma 1

Toelichting op de mobiliteitsstrategie In het MER voor het CID zijn 3 alternatieven voor mobiliteitsstrategie onderzocht, die variëren in de mate waarin alternatieven (lopen, fietsen, OV, deelmobiliteit) worden gestimuleerd en autogebruik wordt ontmoedigd. Feitelijk zijn de alternatieven 3 niveaus in het nastreven van de modal shift: 1. Vraagvolgend mobiliteitsbeleid Het vraagvolgend mobiliteitsbeleid bestaat uit een voortzetting van het beleid uit de Haagse Nota Mobiliteit (Gemeente Den Haag, 2011), het huidige parkeerkader inclusief de hierin vastgestelde parkeernormen. 2. Vraagsturend mobiliteitsbeleid Dit alternatief past de principes uit de Haagse Mobiliteitsagenda toe op het CID: Duurzame mobiliteit die prioriteit geeft aan schone en ruimte-efficiënte vervoermiddelen: OV, fietsers en voetgangers, of volledig gevulde auto’s (Gemeente Den Haag, 2018b). 3. Sterk vraagsturend mobiliteitsbeleid Dit beleid gaat verder dan de Haagse Mobiliteitsagenda en zet nog sterker in op het sturen van de mobiliteitsvraag in het CID. Overzicht van de 6 alternatieven Tabel 0.1 geeft belangrijkste kenmerken van de alternatieven weer. Afbeelding 0.4 toont hoe het programma verdeeld is over de locaties en gebieden in het CID. 1

Deze verdeling is gehanteerd voor onderzoeksdoeleinden en kan door voortschrijdend inzicht op onderdelen afwijken van de meeste actuele bouwprogramma’s in de Structuurvisie CID en Gebiedsagenda’s.

11 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

Tabel 0.1 Belangrijkste kenmerken en uitgangspunten voor de alternatieven Alternatief

Bouwprogramma

Mobiliteitsstrategie

Uitgangspunt ruimtelijke gevolgen

1A: Minimaal en volgend

18.500 woningen 25.000 arbeidsplaatsen

Parkeren: huidige parkeernormen met straatparkeren op basis van huidige tarieven en alleen parkeervergunning als bewonersgarages vol zijn Autoverkeer: geen wijzigingen Fiets: geen wijzigingen OV: No-regret pakket, HOV-bussen op eigen baan, gelijkvloerse kruisingen

Auto-infrastructuur (wegen/parkeren) blijft dominant op veel plaatsen in het gebied en vraagt veel ruimte. De ruimte voor verblijfsgebieden en infrastructuur voor voetgangers en fietsers blijft gelijk. Hogere dichtheden en meer functiemenging, openbare ruimte wordt intensiever gebruikt door bewoners, bezoekers, werknemers

1B: Maximaal en volgend

24.500 woningen 30.000 arbeidsplaatsen

2A: Minimaal en sturend

18.500 woningen 25.000 arbeidsplaatsen

2B: Maximaal en sturend

24.500 woningen 30.000 arbeidsplaatsen

3A: Minimaal en sterk sturend

18.500 woningen 25.000 arbeidsplaatsen

3B: Maximaal en sterk sturend

24.500 woningen 30.000 arbeidsplaatsen

0.3.3

Idem, maar met meer mobiliteit, hogere dichtheden en meer functiemenging

Parkeren: lagere parkeernormen door centraal parkeren, inzetten van deelauto’s en ontmoedigen straatparkeren (hoge tarieven en geen nieuwe parkeervergunningen) Auto: ontwikkelen van een sectorenmodel door afwaarderen en opknippen van verbindingen door het gebied, snelheidsverlaging naar 30 km/uur Fiets: nieuwe (ongelijkvloerse) fietsverbindingen met voorrang op ander verkeer en fietsenstallingen bij OV-halten en in nieuwe bebouwing OV: Tram met gelijkvloerse kruising en doorkoppeling naar station Voorburg

Auto-infrastructuur wordt op veel plaatsen in het gebied ondergeschikt aan de ruimte voor voetgangers en fietsers. Door prioriteit te geven aan ruimte-efficiënte vervoerswijzen komt ruimte vrij die benut kan worden andere functies (groen, water, verblijf, energie, enzovoort)

Parkeren: zeer lage parkeernorm: vrijwel alleen deelauto’s in centrale parkeervoorzieningen, geen straatparkeren Auto: strikter sectorenmodel door het verder afwaarderen en opknippen verbindingen, inzetten van prijsbeleid Fiets: geen extra maatregelen ten opzichte van sturend alternatief OV: Light Rail op eigen baan met ongelijkvloerse kruisingen en doorkoppeling naar Zoetermeer en Delft, versnellen diverse tramroutes in de Leyenburgcorridor en meer treinen op het spoor.

Ruimtegebruik door auto(infrastructuur) neemt verder af. Hierdoor ontstaat nog meer ruimte voor ruimte-efficiënte vervoerswijzen en voor andere functies in de openbare ruimte (groen, water, verblijf, energie, enzovoort)

Idem, maar met meer mobiliteit, hogere dichtheden en meer functiemenging, openbare ruimte wordt intensiever gebruikt door bewoners, bezoekers, werknemers

Idem, maar met meer mobiliteit, hogere dichtheden en meer functiemenging, openbare ruimte wordt intensiever gebruikt door bewoners, bezoekers, werknemers

Beoordelingsmethode

Integraal beoordelingskader De alternatieven worden beoordeeld aan de hand van een integraal beoordelingskader. Het beoordelingskader is opgebouwd in lijn met de ambities uit het Coalitieakkoord 2018-2022. Uit de ambities zijn 6 integrale beoordelingsthema’s af te leiden. Dit zijn naast de traditionele milieuthema’s ook thema’s die niet (direct) milieu-gerelateerd zijn (tabel 0.2). De 6 alternatieven die worden beoordeeld aan de hand van een breed beoordelingskader van milieuaspecten en andere (leefomgevings)ambities. Hiermee levert dit MER een bijdrage aan een brede belangenafweging over strategische keuzes in de Structuurvisie CID. Een uitgebreider beoordelingskader is opgenomen in tabel 5.4.

12 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

Tabel 0.2 Thema´s in het beoordelingskader, met het onderscheid tussen milieuthema’s en overig thema’s

Ambities Den Haag

Thema’s in het MER

mobiliteit van de stad

bereikbaarheid - lokaal tot internationaal multimodaal bereikbaar

1

duurzaamheid van de stad

gezondheid - schone en veilige leefomgeving die gezond gedrag stimuleert

2

klimaatbestendigheid - bestand tegen de gevolgen van klimaatverandering

3

energietransitie en circulariteit - reductie van broeikasgassen door hernieuwbare energie en circulariteit

4

groei van de stad

Type thema: Milieuthema (effecten op milieu)

Overig thema (mate van doelbereik)

hoogstedelijkheid - verdichting en functiemenging concurrentiekracht - profilering en ruimte voor bedrijven

De huidige staat en autonome ontwikkeling van de leefomgeving, maar ook de effecten van de beoogde ontwikkeling van het CID (en de alternatieven daarvoor) worden in het MER systematisch beschreven en beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader. Wijze van beoordeling De effecten van de alternatieven worden beoordeeld ten opzichte van de zogeheten referentiesituatie. Dat is een denkbeeldige situatie die naar verwachting in 2040 zou ontstaan als de plannen voor het CID niet ontwikkeld worden. Door de alternatieven voor 2040 te vergelijken met deze referentiesituatie, is een eerlijke vergelijking mogelijk. De alternatieven worden met plussen en minnen beoordeeld op een vijfpuntschaal.

Tabel 0.3 Beoordelingsschaal met onderscheid naar milieueffecten en mate van doelbereik Score

Milieueffecten

Mate van doelbereik

++

zeer positief effect

doel wordt (vrijwel) volledig behaald

+

positief effect

positieve bijdrage aan het behalen van doel

0

(vrijwel) geen effect

(vrijwel) geen invloed op het behalen van doel

-

negatief effect

negatieve bijdrage aan het bepalen van doel

--

zeer negatief effect: (dreigende) normoverschrijding

doel behalen wordt onmogelijk

De beoordelingsschaal in tabel 0.3 wordt gebruikt bij het toekennen van scores in hoofdstuk 8 van het MER en in de deelrapporten. Hierbij worden de effecten van de alternatieven afgezet tegen de referentiesituatie (huidige situatie + autonome ontwikkelingen). Voor de vergelijking van (geaggregeerde) effecten in hoofdstuk 9 en in onderstaande tabel 0.4 is een iets andere beoordelingswijze gebruikt. Deze beoordelingswijze neemt de milieukwaliteit (of mate van bereiken van doelstellingen) als uitgangspunt. Daardoor wordt zichtbaar in welke mate de alternatieven de beoogde doelen of milieukwaliteit bereiken, ook in vergelijking met de huidige staat van de leefomgeving en de autonome ontwikkeling van de leefomgeving (straks in 2040 zonder ingrijpen).

13 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

0.4

Samenvatting van effecten van alternatieven

Deze paragraaf geeft een zeer beknopte samenvatting van de milieueffecten uit dit MER. De informatie is per thema teruggebracht tot één of enkele kernpunten. De (geaggregeerde) beoordeling per thema gaat in op de absolute milieukwaliteit (of mate van bereiken van doelstellingen). Daardoor wordt zichtbaar in welke mate de alternatieven de beoogde doelen of milieukwaliteit bereiken, ook in vergelijking met de huidige staat en autonome ontwikkeling van de leefomgeving. De beoordeling per thema laat zien wat de sterk onderscheidende effecten van de zes alternatieven zijn.

Tabel 0.4 Samenvatting van de staat van de leefomgeving in het CID en de effecten van de alternatieven op leefomgevingsambities Ambities Den Haag

Beoordelingsthema’s

Staat van de leefomgeving Nu (2019)

groei van de stad

Straks (in 2040 zonder ingrijpen)

Effecten van alternatieven

1A

1B

2A

2B

3A

3B

hoogstedelijkheid verdichting en functiemenging concurrentiekracht profilering en ruimte voor bedrijven

mobiliteit van de stad

bereikbaarheid - lokaal tot internationaal multimodaal bereikbaar

duurzaamheid van de stad

gezondheid - schone en veilige leefomgeving die gezond gedrag stimuleert klimaatbestendigheid bestand tegen de gevolgen van klimaatverandering energietransitie en circulariteit - reductie van broeikasgassen door hernieuwbare energie en circulariteit

Kansen voor groei van de stad het grootst bij sterke mobiliteitstransitie en hoog bouwprogramma - alternatieven 2B en 3B bieden de meeste kansen voor hoogstedelijkheid en concurrentiekracht vanwege het hogere bouwprogramma en de ruimte die door de mobiliteitstransitie vrijkomt om een hoogwaardig interactiemilieu te creëren; - een hoog bouwprogramma, in combinatie met een (sterk) sturende mobiliteitsstrategie biedt de meeste kansen voor de concurrentiepositie van het CID (zie ook beoordelingsthema bereikbaarheid); - risico van de ontwikkeling van het CID voor de concurrentiekracht ligt in het verdringen van betaalbare plekken voor zelfbouw, bedrijvigheid en innovatie. Mobiliteitstransitie noodzakelijk voor bereikbaarheid van het CID - zonder ingrijpen dreigt de bereikbaarheid van het CID af te nemen door vertragingen voor auto’s, onvoldoende snelle en veilige fietsroutes en onvoldoende lokaal OV; - bij een auto-georiënteerde ontwikkeling van het CID in alternatieven 1A/1B worden deze knelpunten niet opgelost en zelfs verergerd: er komen meer automobilisten naar het CID, waardoor fietsers en voetgangers niet snel en veilig op hun bestemming kunnen komen. De vertragingen van het autoverkeer zorgen ook dat trams en bussen vastlopen in files, juist in de spitsuren;

14 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

-

-

bij een transitie naar lopen, fietsen en OV in alternatieven 2A/2B/3A/3B kan de beschikbare ruimte efficiënter worden benut, waardoor andere vervoermiddelen dan auto’s sneller, veiliger en aantrekkelijker worden; de toename in aantal fietsers en voetgangers levert nieuwe knelpunten op locaties waar fietsers en voetgangers de openbare ruimte delen, maar ook op locaties waar ze kruisen met het OV infrastructuur.

Kansen voor gezondheid het grootst bij sterke mobiliteitstransitie, centrumring blijft aandachtspunt - op dit moment staat de gezondheid in het CID al onder druk door schadelijke effecten van met name luchtverontreiniging en geluid. Ook stimuleert de inrichting van de openbare ruimte het CID gezond gedrag niet. In de toekomst verbetert dit licht door trendmatige verbetering van de luchtkwaliteit, maar blijven schadelijke effecten bestaan; - bij een auto-georiënteerde ontwikkeling van het CID in alternatief 1A/1B hebben de schadelijke effecten van het extra geluid van wegverkeer en trams veel impact en kunnen ze een belemmering vormen voor het ontwikkelen van beoogde woningbouw op bepaalde locaties. Ook is vanwege de ruimte die nodig is voor auto’s geen ruimte voor een inrichting van de leefomgeving die gezond gedrag stimuleert bij de extra inwoners, werknemers en bezoekers van het CID; - alternatieven 2A/2B/3A/3B bieden wel mogelijkheden voor een gezonde inrichting van het CID en voorzien in een afname van de schadelijke gezondheidseffecten in grote delen van het CID, behalve de centrumring die druk en ongezond blijft in alle gevallen.

Mobiliteitstransitie vergroot kansen voor klimaatbestendigheid, stikstofgevoelige natuur is aandachtspunt - de nu al overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving van het CID komen door toename van het aantal extra inwoners, werknemers en bezoekers verder onder druk te staan. Indicatieve berekeningen laten zien dat maatregelen nodig zijn om de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te mitigeren of compenseren. De mobiliteitstransitie zoals onderzocht in alternatieven 2A/2B/3A/3B biedt mogelijkheden om de stikstofdepositie te verminderen, maar leidt door verschuivingen in verkeersstromen alsnog tot knelpunten. Daarmee vormt stikstofdepositie een risico voor de uitvoerbaarheid van het CID en de daarin opgenomen projecten: · wateroverlast door extreme buien en hittestress vormen een groeiende bedreiging voor het nu al kwetsbare CID. Alleen alternatieven 2A/2B/3A/3B bieden voldoende mogelijkheden om deze risico’s te verkleinen door de sloop en zorgvuldige inrichting en vormgeving van nieuwbouw. Voor het verminderen van hittestress en wateroverlast moet sterk worden ingezet op groen in zowel de buitenruimte als bebouwing. De concrete maatregelen om het CID voldoende klimaatadaptief te maken ontbreken nog; - de toename van hoogbouw kan lokaal zorgen voor meer windhinder en schaduwwerking.

In uitwerking van concrete plannen in deelgebieden zijn maatregelen nodig om deze risico’s te verkleinen. Hoge ambities energie en circulariteit dreigen niet gehaald te worden zonder uitwerking - de Haagse doelstellingen op het gebied van CO2-reductie en circulariteit zijn ambitieus en worden zonder ingrijpen naar verwachting niet bereikt door een intensiever bouwprogramma en een toename van inwoners, bezoekers en werknemers in het CID; - de mate van gescheiden afvalinzameling hangt nauw samen met de beschikbaarheid van voldoende fysieke ruimte om aan de extra vraag vanuit de toenemende huishoudens/arbeidsplaatsen te kunnen voldoen. In dit geval levert een minimaal bouwprogramma in combinatie met een sterk vraagsturen mobiliteitsbeleid de meeste voordelen op; - een strategie voor energietransitie ontbreekt nog. Het is niet duidelijk hoe bestaande en nieuwe woningen en andere bebouwing wordt geïsoleerd of aangesloten op hernieuwbare bronnen. Het lijkt niet kansrijk om binnen het CID zelf lokaal te voorzien in alle hernieuwbare energie.

Bodemenergie als (warmte)bron lijkt kansrijk, maar vraagt om een zorgvuldig gebruik van de ondergrond; - een strategie om circulair te bouwen ontbreekt nog, evenals de wijze waarop materialen uit bestaande bebouwing en infrastructuur in het gebied hergebruikt zou kunnen worden; Hinder tijdens de bouw is een aandachtspunt bij ontwikkeling - hinder tijdens de bouw dient een belangrijk onderdeel te zijn in de uitwerking van de plannen. Afstemming van bijvoorbeeld routes voor bouwverkeer, wegafsluitingen of overlast gevende

15 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

-

werkzaamheden is noodzakelijk met het oog op de bereikbaarheid, gezondheid en leefbaarheid in het CID; tijdens de bouwfase geeft onttrekking van grondwater risico’s.

Hoe zijn deze inzichten betrokken in de Structuurvisie? Hoogstedelijkheid en concurrentiekracht De structuurvisie zet in op het creëren van de ruimtelijke condities die nodig zijn voor het ontwikkelen van een centrummilieu, mobiliteit op menselijke maat in combinatie met een schaalsprong van het OV en een toekomstbestendige openbare ruimte. Ook betekent het centrummilieu een grote mate van functiemenging, een openbare ruimte en plinten van gebouwen die ontmoeting dient te stimuleren. Bereikbaarheid De structuurvisie zet in op het behalen van een mobiliteitstransitie om de bereikbaarheid van het CID te behouden en verbeteren. De ambitie is om een modal split te creëren die past bij een centrummilieu. Daarbij geldt voor de openbare ruimte het principe van ‘omgekeerd ontwerpen’. Dat wil zeggen: voetganger op 1, fietsers op 2, OV op 3 en pas dan de auto. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling wordt een pakket van mobiliteitsmaatregelen vastgesteld dat voorziet in deze bereikbaarheid en gezondheid en leefbaarheid waarborgt. Daarnaast overlegt Gemeente Den Haag intensief met MRDH en Rijk over het uitrollen van regionaal OV en verbetering van OV op het nationale spoor. Dit om een structurele verbetering van de bereikbaarheid van het CID op netwerkniveau te behalen in samenhang met onder andere de Binckhorst.

Gezondheid Door het principe van ‘omgekeerd ontwerpen’ van de openbare ruimte ontstaat meer ruimte voor de voetganger en de fietser, voor een groene (ook klimaatadaptieve) inrichting, die ook mogelijkheden biedt beweging en sporten in de buitenlucht. Voor de centrumring wordt monitoring toegepast, zodat op basis van de geconstateerde effecten gerichte maatregelen getroffen kunnen worden. Natuur Stikstofdepositie in Den Haag komt voor de helft van bronnen buiten Den Haag. Hiervoor is Den haag aangewezen op de regio, provincie of Rijk. Het terugbrengen van stikstofdepositie is daardoor voor de gemeente een lastige opgave. Door een gebiedsgerichte aanpak wordt ingezet op interne saldering. Verder zal onderzocht worden of natuurmaatregelen in of direct nabij de Natura 2000-gebieden zelf tot enige oplossing kunnen leiden. Deze aanpak wordt uitgewerkt. Klimaatbestendigheid Door het principe van ‘omgekeerd ontwerpen’ wordt ruimte gecreëerd voor meer groen en wateropgaven. In de gereedschapskist openbare ruimte staan principe-inrichtingsprofielen opgenomen die een klimaat adaptieve inrichting als uitgangspunt hebben. Energie De energietransitie wordt binnen de Gemeente Den Haag door een dedicated team ontwikkeld en uitgevoerd als onderdeel van het Strategische Energie Plan (SEP).

Dit is een parallel proces waarbinnen ook verschillende alternatieven zijn onderzocht en bepaald is welke maatregelen het meest geschikt zijn voor de energietransitie.

16 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

0.5

Discussie en aanbevelingen

Onzekerheid over ontwikkelingen en effecten vraagt om monitoring Het MER bevat voorspelde (milieu)effecten voor de ontwikkelingen van de Central Innovation District (mobiliteitstransitie en verdichtingsopgave). De voorspellingen zijn gebaseerd op uitgangspunten voor 2040 die in de loop der tijd kunnen veranderen. De ambities voor het CID zijn vastgelegd, maar de concrete functies en activiteiten die daaraan invulling moeten geven, missen. Hiermee zijn de ontwikkelingen onzeker en kunnen voorspelde (milieu)effecten en te bereiken doelen in de praktijk anders uitpakken dan in het MER ingeschat is. Ook diverse leemten in kennis dragen bij aan onzekerheid over effecten (zie hoofdstuk 10). Gegeven deze onzekerheden en benodigde uitwerking is het belangrijk om de daadwerkelijke ontwikkeling van het CID te monitoren om waar dat nodig is bij te kunnen sturen. Hoofstuk 11 geeft daarom een opzet voor een monitoringssystematiek en doet suggesties voor een aantal indicatoren. Uitwerking en verfijning van deze opzet is nodig. Daarbij ligt het voor de hand om samenwerking te zoeken met het Urban Data Centre, Den Haag in Cijfers, het geoportaal van Den Haag en de Haagse Omgevingswaarden.

Afbeelding 0.5 Aanzet voor een monitoringssysteem

Maak gebruik van een leefomgevingsfoto Centraal onderdeel van monitoring is de zogeheten leefomgevingsfoto. De leefomgevingsfoto helpt om na te gaan of het CID zich ontwikkelt zoals ingeschat in het MER. De leefomgevingsfoto is een momentopname van de ontwikkelingen in het CID en kwaliteit van de leefomgeving. Door de leefomgevingsfoto periodiek te maken, bijvoorbeeld tweejaarlijks, worden trends in zichtbaar. Deze informatie kan toegankelijk weergegeven worden op interactieve kaarten, in beknopte teksten, via infographics of visualisaties. Op basis van deze monitoringsgegevens kunnen tijdig algemene of locatiespecifieke maatregelen getroffen worden als normen of streefwaarden overschreden (dreigen) te worden. Afbeelding 0.5 toont hoe monitoring kan helpen om trends te signaleren en tijdig bij te sturen.

17 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

Afbeelding 0.6 Voorbeeld van bijsturing op trends in de fysieke leefomgeving

De leefomgevingsfoto geeft in ieder geval informatie weer over de (milieu)effecten, zoals geluidniveaus of risico’s op wateroverlast. Vanwege de onzekerheden in de gebiedsontwikkeling van het CID (tempo, fasering, locaties) is het daarnaast logisch om ook indicatoren op te nemen die informatie bieden over de ontwikkeling van inwoners en arbeidsplaatsen, bouwprogramma en functies, en verkeersmaatregelen en vervoersaanbod. Daarmee is bijvoorbeeld vast te stellen of een toename van geluidhinder op een bepaalde locatie logisch te verklaren is door het extra verkeer afkomstig van nieuw bouwprogramma of dat er mogelijk een andere oorzaak is. Richt monitoring op overkoepelende ontwikkelingen Uit het MER blijkt dat er 3 overkoepelende ontwikkelingen cruciaal zijn in de transitie van het CID en in sterke mate bepalend voor de leefomgevingskwaliteit: 1 de verandering van de modal split: van een groot aandeel wegverkeer naar een groot aandeel voetgangers, fietsers en OV-gebruikers. 2 de verandering van het ruimtegebruik: van monofunctioneel met een hoog aandeel infrastructuur voor wegverkeer naar multifunctioneel met een groter aandeel ruimte voor nieuwe vervoerswijzen, openbare ruimte met verblijfskwaliteit en ambities op het gebied van energie en klimaatbestendigheid.

3 de mate van verdichting en functiemenging: een toenemende intensiteit van activiteiten en ontmoetingen door groei van het aantal inwoners, werknemers en bezoekers en toename van functiemenging in met name de gebieden rondom de stations.

18 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

1 AANLEIDING EN DOEL 1.1

Leeswijzer

Voor u ligt het milieueffectrapport voor de Structuurvisie CID. Het milieueffectrapport (MER) beschrijft wat de (milieu)effecten zijn van de plannen die gemeente Den Haag heeft voor het Central Innovation District (CID). In het MER zijn verschillende alternatieven onderzocht voor deze plannen. Door deze te vergelijken wordt duidelijk welke voor- en nadelen bepaalde keuzes hebben voor het milieu en wat de randvoorwaarden, belemmeringen en kansen zijn bij deze plannen. Eerder is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)1 gepubliceerd, als eerste stap in de zogeheten milieueffectrapportage (m.e.r.). De gemeente Den Haag doorloopt deze m.e.r.-procedure als onderbouwing van de besluitvorming over de ontwikkelingen in het CID. De NRD is ingegaan op de achtergronden van de op te stellen ruimtelijke plannen voor het CID-gebied, namelijk de Structuurvisie CID en het bestemmingsplan Spoorzone Hollands Spoor. Het voorliggende MER gaat uitsluitend in op de Structuurvisie CID2. Dit hoofdrapport MER beschrijft de hoofdlijnen van de milieueffecten van de Structuurvisie. Voor elk integraal milieuthema bestaat ook een deelrapport, dat ingaat op de achtergronden, methoden en achtergrondinformatie.

Het gaat om de volgende deelrapporten: - deelrapport Mobiliteit; - deelrapport Gezondheid en leefbaarheid; - deelrapport Klimaatbestendigheid; - deelrapport Energietransitie en circulariteit; - deelrapport Hoogstedelijkheid en concurrentiekracht. Het hoofdrapport MER bestaat uit een toelichting op de aanleiding en doelstelling van dit MER voor het CID (hoofdstuk 1). Vervolgens worden de relevant beleidskaders (hoofdstuk 2), de kenmerken van het CIDgebied (hoofdstuk 3) en de opgaven voor het CID (hoofdstuk 4) toegelicht. De aanpak van het milieuonderzoek (hoofdstuk 5) en de te onderzoeken alternatieven (hoofdstuk 6) worden daarna beschreven. In hoofdstuk 7 wordt de staat van de leefomgeving in het CID beschreven, met inbegrip van de kansen en risico’s die daaruit naar voren komen. In hoofdstuk 8 staan wat de milieueffecten zijn van de verschillende alternatieven en welke voor- en nadelen en aandachtspunten er zijn voor de ontwikkeling van het CID. De belangrijkste inzichten voor besluitvorming staan in hoofdstuk 9 weergegeven. Hoofdstuk 10 gaat in op de beperkingen en aandachtspunten bij dit MER. Hoofdstuk 11 bevat een aanzet voor een monitoringssysteem.

1

Notitie Reikwijdte en Detailniveau CID (2019, 10 april) RIS302377.

2

Anders dan aangegeven in de NRD wordt voor het bestemmingsplan Spoorzone Hollands Spoor op een later moment een apart MER opgesteld.

19 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

1.2

Opgave voor het Central Innovation District

Den Haag groeit tot 2040 naar verwachting met 50.000 tot 80.000 inwoners (Gemeente Den Haag, 2016a). Om aantrekkelijk te zijn en te blijven voor nieuwe en huidige inwoners en bedrijven, moet de stad ruimte bieden voor groei onder de voorwaarde dat die groei bijdraagt aan een mooie en leefbare stad. Den Haag kiest ervoor om deze groei vooral laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied (Gemeente Den Haag, 2005; 2016a). Met het coalitieakkoord 2018-20221 besloten de partijen een belangrijk deel van de stedelijke groei gestalte te laten krijgen in het Central Innovation District (CID): het gebied tussen en rondom de stations Hollands Spoor, Den Haag Centraal Station en Den Haag Laan van NOI (Gemeente Den Haag, 2018a). Dit gebied bevat ook de buurt Binckhorst-Noordwest en sluit aan op het gebied de Binckhorst dat net als het CID in het teken staat van verdichting en stedelijke (zie afbeelding 1.1). Afbeelding 1.1 Links: Positie van het CID in Den Haag (Gemeente Den Haag, 2019a); Rechts: plangebied CID in dit MER2

Het CID moet ruimte bieden aan de economische vernieuwing van Den Haag, groei van bestaande en nieuwe bedrijvigheid en de realisatie van nieuwe woningen met alle bijbehorende voorzieningen zoals scholen, winkels, speelplekken en recreatieve voorzieningen. Het concentreren van de stedelijke groeiopgave in het CID zorgt voor kansen om meerdere opgaven zoals vernieuwing van de Haagse economie, woningbouwopgave, energietransitie, mobiliteitsopgave, klimaatadaptatie en duurzaamheid versneld op te kunnen pakken.

1.3

Visie

In 2040 heeft het CID zich ontwikkeld tot een aantrekkelijk internationaal knooppunt waar heel Den Haag de vruchten van plukt. Een mondiale ontmoetingsplek voor mensen met uiteenlopende ambities; IT’ers, onderzoekers, kleine én grote (sociaal) ondernemers, kunstenaars, beleidsmakers, talent en anderen die een verschil willen maken voor een betere, rechtvaardiger en veiliger wereld in een digitaal tijdperk. De Haagse economie is vernieuwd, digitaal en toekomstbestendig. Er is een hecht netwerk tot stand gekomen tussen overheid, groot en klein bedrijfsleven en kennisinstellingen. Vanuit maatschappelijke opgaven worden nieuwe (digitale) oplossingen ontwikkeld en gedebatteerd over relevante ethische vraagstukken. Partijen treffen elkaar in een omgeving die kansen biedt voor iedereen die zich wil ontwikkelen. Een dynamische omgeving die zich onderscheidt door de hoge kwaliteit van leven en de combinatie van hoge dichtheden, natuurlijke omgeving en langzaam verkeer. De Agenda CID (Gemeente Den Haag, 2019a) schetst de volgende ambities en doelen voor de ontwikkeling van het CID: 1 Het inmiddels gesloten Coalitieakkoord 2019-2022 gesloten dat deze ambities voortzet. 2 In de Structuurvisie CID uiteindelijk gekozen voor een andere afbakening van het CID zonder de Binckhorst-Noordwest.

20 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

1 2

3

4 5 6 7

1.4

vernieuwingskracht: Het scheppen van condities waarbinnen een krachtig, vernieuwend en internationaal netwerk van talent, ondernemers, onderzoekers en ambtenaren kan ontstaan; internationaal samenhangend knooppunt: Het versterken van de positie van het CID in het internationale netwerk van kennisallianties en economische activiteiten, duurzame multimodale bereikbaarheid en Hoogstedelijkheid; ontmoetingsplekken: Het investeren in verdichten, mengen en openbare ruimte, zodat een aantrekkelijke en inspirerende omgeving ontstaat die uitnodigt tot ontmoetingen tussen kenniswerken, studenten, jong talent en ondernemers; geen plek onbenut: het maximaal en flexibel benutten van de schaarse ruimte in het CID, zodat ingespeeld op de actuele behoeften, nieuwe oplossingen en verdienmodellen; plek voor talentontwikkeling: Het bieden van groei- en ontwikkelmogelijkheden voor talent uit alle delen uit de stad; natuurlijk Haags: Het ontwikkelen van een attractieve en veerkrachtige omgeving waarin opgaven op het gebied van natuur, energie en klimaatadaptatie vervlochten zijn met hoogbouw en infrastructuur; ruimtelijk verbonden: Het verbinden van deelgebieden in het CID, zodat mensen zich gemakkelijker kunnen verplaatsen, functies beter benut kunnen worden en de kans op ontmoetingen wordt vergroot.

Planvorming voor het CID

De ontwikkeling van het CID is een langjarig samenhangend programma waarin het gebied zich ontwikkelt tot een duurzaam, economisch, leefbaar en inclusief hart van de stad, met uitstekende bereikbaarheid en internationale aantrekkingskracht. In de Agenda CID (Gemeente Den Haag, 2019a) worden de strategische visie, ambities en prioriteiten beschreven die raken aan verschillende beleidsterreinen. Het is daarom ook geen klassieke agenda, maar een openingsbod aan de stad, waarmee het een kader vormt voor de ontwikkeling van het CID. In diverse sporen (economisch, ruimtelijk, maatschappelijk) worden de algemene doelen uit de Agenda CID uitgewerkt en vertaald in plannen en projecten.

Afbeelding 1.2 Samenhang tussen agenda´s, plannen en visies voor het CID

21 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

1.5

Uitwerking in Structuurvisie CID

Zoals afbeelding 1.2 weergeeft, wordt de Agenda CID uitgewerkt in een aantal sporen. Het ruimtelijk spoor van de Structuurvisie (inclusief mobiliteit, duurzaamheid, etc.) vormt één van de sporen van de Agenda CID. De relatie tussen het ruimtelijk spoor en de Agenda CID is niet persé volgtijdelijk. Ze lopen deels parallel en er vindt tijdens het opstellen interactie plaats, waardoor ze elkaar beïnvloeden. De algemene uitgangspunten en doelen voor het CID zijn in het ruimtelijk spoor vertaald naar uitgangspunten voor de gebiedsontwikkeling: - verdere verdichting tot sterk functiegemengde hoogstedelijke interactiemilieus nabij hoogwaardig OV die draaien om de nabijheid van, en de uitwisseling tussen bedrijfsleven, overheden en kennisinstellingen; - verdere verbeteringen van de knooppuntwaarde door verbeteren van bereikbaarheid, zoals die met de schaalsprong van het OV en de openstelling van de Rotterdamsebaan al is ingezet; - versterking van de kenniseconomie door meer werkgelegenheid en het vergroten van economische innovatie door naast de hoogstedelijke interactiemilieus ook de ‘rauwe rafelranden’ in, met name de Binckhorst(-Noordwest) en Laakhavens, te benutten voor de vestiging van startups; - duurzame en gezonde stedelijke woonmilieus en het vergroten van ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde door vergroening, energietransitie, gezondheid en duurzame mobiliteit.

Karakter van de Structuurvisie De Structuurvisie CID is een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. Daarmee vormt de Structuurvisie het juridisch planologisch kader (vast te stellen door de gemeenteraad) en is het de sturende leidraad bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. De Structuurvisie geeft aan waar de gemeente Den Haag met het CID naar toe gaat. Het benoemt accenten en bepaalt richting. Ook vormt het een toetsingskader voor ontwikkelingen. De Structuurvisie maakt de verdichtingsopgave helder en geeft een ruimtelijke onderbouwing bij op te stellen bestemmingsplannen. Bovendien vormt het de basis voor de toetsing van nieuwe ruimtelijke initiatieven op wenselijkheid en vergunbaarheid (Wabo-procedures). De Structuurvisie schetst in hoofdlijnen de ontwikkeling van het gehele CID tot en met 2040, ten aanzien van het ruimtelijk raamwerk, de mobiliteitsstrategie, programmering van economische functies en woningbouw, beeldkwaliteit en duurzaamheid. Daarnaast schets de structuurvisie de contouren van de prioritaire deelgebieden op basis van de agenda’s die voor die gebieden worden opgesteld, zorgt voor de verbindingen en borgt de onderlinge samenhang. De structuurvisie bevat ook een ontwikkelingsstrategie inclusief fasering. De Structuurvisie CID doet uitspraken over de ruimtelijke ontwikkeling van het CID.

Omdat deze ontwikkelingen belangrijke impact kunnen hebben op milieu is een onderzoek naar de milieueffecten nodig. Daarbij is een zogeheten milieueffectrapport (MER) opgesteld en een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen.

1.6

Aanleiding voor onderzoek naar milieueffecten

De ontwikkelingen in het CID kunnen effecten hebben op het milieu1. Omdat de structuurvisie kaders stelt aan deze ontwikkelingen is het wettelijk verplicht de mogelijke milieueffecten te onderzoeken. Daarbij is een zogeheten milieueffectrapport (MER) opgesteld en de bijbehorende m.e.r.-procedure doorlopen. Het MER bevat een beschrijving en beoordeling van de milieueffecten. Daarbij gaat het MER in op reële alternatieven voor de beoogde ontwikkelingen die vanuit het oogpunt van milieu onderscheidend zijn, ter onderbouwing van de in de Structuurvisie gemaakte keuzes.

1

Dit is een brede definitie van milieu die betrekking heeft op veel facetten van de fysieke leefomgeving: bevolking, menselijke gezondheid, land, water, bodem, lucht, klimaat, biodiversiteit, erfgoed en landschap.

22 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

Waarom is de Structuurvisie CID plan-m.e.r.-plichtig? De ontwikkelingen in het CID kunnen worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals opgenomen onder categorie D 11.2. in de zogenoemde D-lijst van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (zie tabel 1.1.). Een stedelijk ontwikkelingsproject gaat het niet alleen om de aanleg, maar ook om wijzigingen en uitbreidingen van (bouw)projecten met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening, vormt een kaderstellend plan voor deze ontwikkelingen en is daarom op grond van artikel. 7.2 lid 2 Wet Milieubeheer plan-me.r.-plichtig. Tabel 1.1 Categorie D11.2 uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

D 11.2

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

1.7

Procedure

De Structuurvisie CID het bijbehorende MER worden voorbereid aan de hand van grotendeels wettelijk voorgeschreven procedures. Onderstaand schema geeft een overzicht van de belangrijkste stappen en toont de samenhang tussen verschillende procedures. Afbeelding 1.3 Procedure van het MER en de Structuurvisie CID

23 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

Als eerste stap in de formele procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld1. De NRD bevat de onderzoeksagenda en -opzet en vormt de eerste stap in de m.e.r.-procedure2. De NRD lag van maandag 29 april tot en met maandag 10 juni 2019 ter inzage voor zienswijzen. Ook zijn adviezen gevraagd aan wettelijke adviseurs en betrokken bestuursorganen en is de Commissie voor de milieueffectrapportage om advies gevraagd. Zodra de Structuurvisie CID en het MER gereed zijn, geeft het college van B&W de stukken vrij voor zienswijzen. Gedurende een periode van zes weken ligt de ontwerp-Structuurvisie en het MER ter inzage voor eenieder. Eenieder kan zienswijzen indienen op de ontwerp-Structuurvisie en de inhoud van het MER. Daarnaast vraagt de gemeente de Commissie voor de milieueffectrapportage om advies om te beoordelen of het MER voldoende milieu-informatie bevat om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over het bestemmingsplan en de Structuurvisie CID. De zienswijzen en adviezen worden beantwoord en gebruikt om het MER waar nodig aan te vullen en de Structuurvisie CID aan te scherpen. Vervolgens legt het College van B&W de Structuurvisie CID en bijbehorende stukken voor aan de gemeenteraad.

De gemeenteraad besluit over het vaststellen van de Structuurvisie CID als integrale langetermijnvisie voor het CID en als kader voor toekomstige ontwikkelingen. Na het besluit om de Structuurvisie vast te stellen, maakt de gemeente dit bekend. De informatie uit het MER, de bijbehorende monitoring en evaluatie en/of het op te stellen ‘levend informatiesysteem’ wordt waar mogelijk en relevant ingezet bij toekomstige besluiten over plannen en projecten in het CID. Per nieuwe ontwikkeling wordt bezien welke informatie (her)bruikbaar is bij de uitwerking van het initiatief in bestemmingsplannen of toekomstige omgevingsplannen, en waar informatie vernieuwd of aangevuld moet worden. Functiescheiding bij m.e.r.-procedure In de m.e.r.-procedure treedt het College van B&W op als initiatiefnemer en de raad van de gemeente Den Haag als bevoegd gezag. Het College van B&W neemt het initiatief voor de ontwikkelingen in de Structuurvisie en bereidt de besluitvorming voor. De gemeenteraad stelt de Structuurvisie vast. Bij een m.e.r-procedure worden binnen gemeente Den Haag de ambtelijke taken ter ondersteuning van het college van B&W als initiatiefnemer, gescheiden. Hoewel twee diensten beide adviseren en ondersteunen in de voorbereiding van de door de gemeenteraad te nemen besluiten, werken de DSO en DSB uitsluitend voor het college van B&W.

De Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) biedt ondersteuning in de rol van initiatiefnemer/bevoegd gezag voor de structuurvisie. De Dienst Stadsbeheer (DSB) heeft de rol van toetser/bevoegd gezag voor de m.e.r. Daarmee is organisatorisch invulling gegeven aan de eisen uit artikel 7.28a van de Wet milieubeheer.

1.8

Participatie

Burgers, bedrijven en overheden worden op verschillende momenten tijdens de planvorming over het CID betrokken. In de toekomst zijn verschillende momenten voor formele of informele participatie bij de Structuurvisie CID. Formele momenten De momenten waarop belanghebbenden betrokken worden zijn tijdens de terinzagelegging de ontwerpStructuurvisie. Belanghebbenden hebben op deze momenten de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Bij het opstellen van het MER en de Structuurvisie ligt daarbij de focus op actieve toelichting/communicatie erover voor bewoners- en belangenorganisaties. Bij de inspraak over de concept-

1

https://denhaag.raadsinformatie.nl/modules/13/overige_bestuurlijke_stukken/506928

2

Deze NRD is opgesteld als voorbereiding voor het planMER voor de Structuurvisie als het projectMER voor bestemmingsplan Spoorzone Hollands Spoor. Gedurende het planproces is besloten het planMER ten behoeve van de Structuurvisie eerst afzonderlijk op te stellen. Het projectMER voor het bestemmingsplan Spoorzone Hollands Spoor volgt nu een aparte procedure en is niet opgenomen in dit MER.

24 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

structuurvisie is de communicatie vooral gericht op alle bewoners en bedrijven in het CID-gebied. De gemeente beantwoordt reacties in een reactienota en verwerkt deze indien wenselijk in de plannen. Daarna kunnen burgers en bedrijven nog inspreken tijdens de behandeling van de Structuurvisie en het bestemmingsplan in de raadscommissie(s) en raad. Informele momenten Naast deze momenten hecht de gemeente waarde aan informeel contact met bewoners en (belangen)organisaties. Dit informele contact krijgt vorm door onder andere bijeenkomsten in de betreffende stadsdelen in relatie tot met name de plannen/projecten uit de gebiedsagenda’s. Voor de ontwikkelingen in het deelgebied Hollands Spoor Laakhavens zijn de eerste informatieve bijeenkomsten in stadsdeel Laak in het najaar van 2018 georganiseerd. Op 16 mei 2019 was er een informatiemarkt waarbij de NRD is toegelicht en geïnteresseerden in gesprek konden gaan met specialisten op verschillende thema’s en ontwikkelaars van diverse plannen in het CID. Op 10 september 2019 was er een informatiemarkt waarbij de geïnteresseerden opnieuw in gesprek konden met de gemeente en ontwikkelaars.

1.9

Indienen zienwijze op het MER

Het MER dient ter onderbouwing van de ontwerp-structuurvisie CID. Het is mogelijk om een zienswijze in te dienen op deze ontwerp-structuurvisie en het daarbij behorende MER, Hoe kunt u reageren? Per post: Gemeente Den Haag Dienst Stadsbeheer t.a.v. de heer J. Majoor Postbus 12655 2500 DP DEN HAAG Per e-mail: jeroen.majoor@denhaag.nl Wat gebeurt er met uw zienswijze? De binnengekomen zienswijzen worden gebruikt bij de besluitvorming over de ontwerp-structuurvisie. In een nota van antwoord bij de ontwerp-structuurvisie krijgt u van de gemeente een reactie op uw zienswijze. De nota wordt bij de vaststelling van de structuurvisie vastgesteld door de gemeenteraad.

25 | 137 Witteveen+Bos | 110741/20-004.560 | Definitief 02

2 RELEVANTE KADERS Wet- en regelgeving en beleid stellen randvoorwaarden aan en bevatten ambities voor de ontwikkeling van het CID. Het MER gaat in op de belangrijkste aspecten en de randvoorwaarden van relevante beleidskaders en wet- en regelgeving binnen nationale, provinciale en lokale kaders. Sectoraal beleid en regelgeving is opgenomen in de verschillende deelrapporten per thema en wordt in dit hoofdrapport niet nader toegelicht.

2.1

Nationale kaders

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de SVIR schetst het Rijk de ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Nederland moet in 2040 een grotere internationale concurrentiekracht hebben door versterking van de ruimtelijk-economische structuur, beter bereikbaar zijn en een leefbare en veilige leefomgeving hebben gerealiseerd. Tot 2040 dienen in de regio Den Haag 135.000 woningen te zijn bijgebouwd en dient het vestigingsklimaat van de Zuidvleugel (waar Den Haag als concentratie van topsectoren onderdeel van uitmaakt) te zijn versterkt door goede verbindingen in de Zuidvleugel (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012). (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012) Ontwerp Nationale Omgevingsvisie (Ontwerp-NOVI) In de ontwerp-NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Er zal ruimte moeten worden gemaakt voor de klimaatverandering en de energietransitie, de Nederlandse economie wordt verduurzaamd en het groeipotentieel blijft behouden, de steden en regio’s worden sterker en leefbaarder gemaakt en het landelijk gebied wordt toekomstbestendig ontwikkeld (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, 2019).

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) Het PHS is een programma, uitgevoerd door ProRail samen met vervoerders in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, om het spoorwegennetwerk geschikt te maken voor de huidige en toekomstige vraag van vervoerders en reizigers. Gezocht wordt naar mogelijkheden om op de drukste lijnen zes stoptreinen, zes intercity’s en twee goederentreinen per uur per richting te laten rijden: het spoorboekloos rijden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2011).

2.2

Provinciale kaders

Omgevingsvisie Zuid-Holland In de Omgevingsvisie geeft de provincie de strategische visie weer voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie. In de Omgevingsvisie worden de ambities voor de provincie beschreven om een slimmere, schonere en sterkere provincie te realiseren. Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit (Provincie Zuid-Holland, 2019a).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9574327/1