RIS307135 Bijlage 2 - DSO2020 191 Bijlage Deelrapport PlanMER Energietransitie en circulariteit
Tekst van het document
Central Innovation District Deelrapport Energietransitie en circulariteit
Gemeente Den Haag 28 februari 2020
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Central Innovation District Gemeente Den Haag
Deelrapport Energietransitie en circulariteit Definitief 28 februari 2020 110741/20-003.035
110741 mevrouw A.M. Springer-Rouwette MSc drs.ing. E.J.N Rijsdijk
J.A. van den Houten MSc, mevrouw A.E.M. van der Lee P.A. Feij MSc mevrouw A.M. Springer-Rouwette MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
2
UITGANGSPUNTEN
6
2.1
Kaders vanuit wetgeving, beleid en richtlijnen
6
2.2
Ingreep-effectrelaties
8
2.3
Beoordelingskader
9
2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4
10 12 12 13
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving CO2-uitstoot door mobiliteit CO2-uitstoot van materiaalgebruik Mate van gescheiden afval
3
HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING
14
3.1
Huidige situatie
14
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4
14 19 20 22
3.2
3.3
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving CO2-uitstoot door mobiliteit CO2-uitstoot van het materiaalgebruik Mate van gescheiden afvalinzameling
Autonome ontwikkeling
23
3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4
23 25 26 28
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving CO2-uitstoot van het materiaalgebruik CO2-uitstoot mobiliteit Mate van gescheiden afvalinzameling
Samenvatting van kansen en bedreigingen
29
3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4
29 29 30 30
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving CO2-uitstoot door mobiliteit CO2-uitstoot van het materiaalgebruik Mate van gescheiden afvalinzameling
4
EFFECTEN STRUCTUURVISIE CID
31
4.1
Aannames en uitgangspunten
31
4.1.1 4.1.2
31 35
4.2
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving CO2-uitstoot door mobiliteit
Circulariteit
37
4.2.1
37
CO2-uitstoot van het materiaalgebruik
4.2.2
5
Mate van gescheiden afvalinzameling
39
KEUZES, KANSEN EN AANDACHTSPUNTEN VOOR DE STRUCTUURVISIE
41
5.1
Samenvatting van effecten
41
5.2
Keuzes, kansen en aandachtspunten
41
6
DISCUSSIE EN AANBEVELINGEN
43
6.1
Leemten in kennis en onzekerheden
43
6.2
Maatregelen achter de hand
43
Laatste pagina
43
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Verklarende woordenlijst
1
II
Referenties
1
1 INLEIDING Functie van dit deelrapport Dit deelrapport beschrijft de effecten van de plannen voor het Central Innovation District (CID). Het deelrapport vormt onderdeel van het MER CID. In het deelrapport staan alleen specifieke uitgangspunten en gedetailleerde informatie over de Energietransitie. Een algemene toelichting op de alternatieven en de aanpak en uitgangspunten voor de effectstudies is te vinden in het hoofdrapport MER. Relatie met deelrapport Mobiliteit Dit deelrapport maakt gebruik van uitkomsten die staan beschreven in het deelrapport Mobiliteit, met name bij de berekening van het criterium CO2-uitstoot mobiliteit. De in dat deelrapport beschreven kanttekeningen bij die uitkomsten zijn dus ook van toepassing op dit deelrapport, maar deze zijn hier niet opnieuw beschreven. Leeswijzer
Tabel 1.1 Leeswijzer voor het deelrapport Energietransitie MER CID Hoofdstuk
Geeft antwoord op de vraag
2
hoe worden de effecten van de plannen voor het CID beoordeeld?
3
wat is de huidige situatie en autonome ontwikkeling voor het CID?
4
wat zijn de effecten van de plannen voor het CID?
5
welke keuzes, kansen en aandachtspunten zijn belangrijk voor de Structuurvisie CID?
6
welke informatie ontbreekt, welke monitoring van effecten is nodig en welke maatregelen kunnen ingezet worden om bij te sturen?
5 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
2 UITGANGSPUNTEN 2.1
Kaders vanuit wetgeving, beleid en richtlijnen
Tabel 2.1 geeft een overzicht van het huidige beleid en de regelgeving met betrekking tot de energietransitie voor zover van invloed op de plannen voor het CID. Tabel 2.2 geeft een overzicht van richtlijnen (handboeken, werkwijzers, etc.) die van toepassing zijn op de onderzoeken voor het thema energietransitie.
Tabel 2.1 Kaders Energie gebouwde omgeving Beleidsstuk
Toelichting
Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD)
Richtlijnen ter bevordering van de energie-efficiëntie van gebouwen, met als doel de CO2-uitstoot van Europese gebouwen terug te dringen.
Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED)
Doelstelling van een 20 % lager Europees primair energieverbruik in 2020, met verplichting voor lidstaten en bedrijven ten opzichte van in 2007 opgestelde prognoses.
Norm Energieprestatie van gebouwen (EPG) NEN 7120
Bepaalt hoe de energieprestatie coëfficiënt van gebouwen (EPC) moet worden vastgesteld. Deze norm geldt voor nieuwbouw van woningen en utiliteitsbouw.
Energieakkoord (2013)
Het Energieakkoord bevat afspraken voor de mobiliteits- en transportsector voor de reductie van broeikasgasemissie met minimaal 60 % in 2050 (t.o.v. 1990).
Klimaatakkoord
Het Klimaatakkoord is een bindend akkoord van de overheid met bedrijven en organisaties waarin is vastgelegd dat de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49 % moet zijn verminderd ten opzichte van 1990. Dit is relevant voor de Structuurvisie, omdat circulariteit kan bijdragen aan vermindering van CO2-uitstoot.
Regeling gebiedsaanwijzing gasaansluitplicht
Vanaf juni 2019 krijgen nieuwe gebouwen in beginsel geen aardgasaansluiting meer. Er zullen dus alternatieven bronnen moeten worden benut voor de verwarming van gebouwen en voor warmtapwater.
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 inzake bijna energieneutrale nieuwbouw (11 juni 2019)
Invoering van de BENG-norm. Na 1 juli 2020 gelden strengere eisen voor nieuwbouwwoningen en utiliteitsgebouwen op het gebied van bouwkwaliteit, isolatie, primair energiegebruik en opwek van hernieuwbare energie. Aan deze verandering gaat de invoer van de NTA 8800 vooraf ter vervanging van de NEN7120 als bepalingsmethode voor de energieprestatie.
Kadernota Duurzaamheid
Dit document beschrijft de ambities van de gemeente Den Haag op het gebied van duurzaamheid, onder andere de ambitie om elk nieuw gebouw klimaatneutraal op te leveren, mobiliteit te verduurzamen en als stad klimaatneutraal te zijn in 2030.
Nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline (RIS298448)
Nota omschrijft regels en intenties voor de hoogbouw-vastgoedontwikkelingen in Den Haag, met name de ontwikkelgebieden in het Central Innovation District.
Gebiedsagenda Overkluizing Utrechtsebaan (A12)/CS Oost (RIS301328 Bijlage 1)
Gebiedsagenda deelgebied Policy Campus Centraal, met ambities en intenties voor ontwikkeling van het gebied.
Gebiedsagenda Hollands Spoor/Laakhavens (RIS301328 Bijlage 2)
Gebiedsagenda deelgebied College Campus HS, met ambities en intenties voor ontwikkeling van het gebied.
6 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Beleidsstuk
Toelichting
Gebiedsagenda Den Haag Laan van NOI (RIS301329 Bijlage 3)
Gebiedsagenda deelgebied ICT - Security Campus, met ambities en intenties voor ontwikkeling van het gebied.
Programmabrief Duurzaamheid 2020 (RIS303503)
De Programmabrief beschrijft per thema uit de Kadernota voor het aankomende jaar de beoogde (tussen)resultaten, ambities en verwachte inspanningen in de gemeente. Hij beschrijft uitvoerig de lopende en geplande programma’s en doelstellingen/ambities van de gemeente in de energietransitie, en hoe de voortgang van de energietransitie in de gemeente concreet gemonitord gaat worden.
Tabel 2.2 Kaders mobiliteit Beleidsstuk/wet
Toelichting
Jaarverplichting Hernieuwbare Energie Vervoer (HEV)
Stelt een jaarlijkse verplichting en een grens aan de te gebruiken fractie biobrandstoffen in brandstoffen voor vervoer.
Bestuursakkoord Zero Emissie Bus (2015)
Het regionaal busvervoer is volledig emissie-vrij bij de uitlaat in 2030, of zoveel eerder als mogelijk.
Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED)
De RED verplicht elke lidstaat om een aandeel hernieuwbare energie van 10 % in het finaal energieverbruik van de transportsector te.
Richtlijn Brandstofkwaliteit (FQD) (2009)
De FQD bevat een doelstelling voor lidstaten om de.
Regulation (EU) 2019/631 of the European Parliament and of the Council of 17 April 2019 setting CO2-emission performance standards for new passenger cars and for new light commercial vehicles, and repealing Regulations (EC) No 443/2009 and (EU) No 510/2011)
Europese emissie-richtlijnen voor personenauto’s en bestelauto’s met een reductiedoelstelling ten opzichte van de huidige gemiddelde uitstoot, en minimumeisen voor verkoop van elektrische voertuigen aan producenten.
Regulation (EU) 2019/1242 - setting CO2-emission performance standards for new heavy-duty vehicles
Europese emissie-richtlijnen voor trucks en vrachtauto’s met een reductiedoelstelling ten opzichte van de huidige gemiddelde uitstoot, en minimumeis voor verkoop van elektrische voertuigen aan producenten.
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van CO2-emissie-normen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (herschikking) (voorgenomen)
Voorgenomen beleid voor nieuwe regels waardoor nieuwe auto's vanaf 2030 gemiddeld 37,5 % minder CO2 uitstoten in vergelijking met de niveaus van 2021. Tussen 2025 en 2029 moeten zowel auto’s als bestelwagens 15 % minder CO2 uitstoten. Vanaf 2030 moet de CO2uitstoot van nieuwe bestelwagens gemiddeld 31 % lager zijn dan in 2021.
Programmabrief Duurzaamheid 2020 (RIS 303503)
De Programmabrief beschrijft per thema uit de Kadernota voor het aankomende jaar de beoogde (tussen)resultaten, ambities en verwachte inspanningen in de gemeente. Hij beschrijft uitvoerig de lopende en geplande programma’s en doelstellingen/ambities van de gemeente in de energietransitie, en hoe de voortgang van de energietransitie in de gemeente concreet gemonitord gaat worden.
Convenant Stedelijke Distributie Den Haag (RIS 299301)
Convenant waarin gemeente en ondernemersorganisaties afspreken om gezamenlijk (kosten)effectieve maatregelen uit te werken en te ontplooien die zorgen voor efficiëntere stedelijke distributie in Den Haag en 0-emmissie in 2025.
Tabel 2.3 Kaders Circulariteit Beleidsstuk/wet
Toelichting
Nationaal Grondstoffenakkoord
In 2017 ondertekenden 180 partijen (overheidspartijen en het bedrijfsleven) dit akkoord. In 2030 moet Nederland 50 % minder primaire grondstoffen gebruiken en in 2050 moet de Nederlandse economie volledig draaien op herbruikbare grondstoffen. Vijf bedrijfstakken moeten als eerste
7 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Beleidsstuk/wet
Toelichting volledig circulair worden, onder welke de bouw. Dit is relevant voor de Structuurvisie, omdat deze onder meer een visie over de bebouwing en afvalinzameling in CID zal bevatten.
Betonakkoord
In 2018 is een nationaal ketenakkoord gesloten tussen partijen uit de betonsector. In 2030 moet beton 100 % hoogwaardig hergebruikt worden. Dit is relevant voor de Structuurvisie, omdat deze onder meer een visie over de bebouwing in CID zal bevatten.
Klimaatakkoord
De overheid sluit naar alle verwachting een klimaatakkoord met bedrijven en organisaties waarin is vastgelegd dat de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49 % moet zijn verminderd ten opzichte van 1990. Een circulaire economie kan hieraan bijdragen. Voor de Structuurvisie geldt daarom dat circulariteit erin verankerd moet zijn. Dit is relevant voor de Structuurvisie, omdat circulariteit kan bijdragen aan vermindering van CO2-uitstoot.
Rijksbreed programma Circulaire Economie
In 2030 wil Nederland 50 % minder gebruik van primaire grondstoffen; in 2050 wil Nederland volledig circulair zijn. Concreet betekent dit dat grondstoffen efficiënt worden ingezet en hergebruikt zonder schadelijke emissies. Op basis van literatuur en eigen berekeningen is een inschatting gedaan materiaalefficiency in 2030 de toegezegde CO2-reductie van 49 % (ten opzichte van 1990) voor de helft kan dekken.
Uitvoeringsprogramma Huishoudelijk Afval
De ambitie van Ministerie van IenM, de VNG, de NVRD en Rijkswaterstaat is om in 2020 75 % van het huishoudelijk afval wordt gescheiden en naar 100 kilogram restafval per inwoner per jaar. Het landelijk gemiddelde is momenteel 60 % en 250 kilogram restafval per inwoner per jaar. Dit is relevant voor de Structuurvisie, omdat afvalinzameling kan bijdragen of afdoen aan de algehele circulariteit van het CID.
2.2
Ingreep-effectrelaties
Beschrijf hier op hoofdlijnen welke ingrepen mogelijk optreden door de plannen voor het CID. Tabel 2.4 Ingreep-effectrelaties Ingreep
Effect
Plek in beoordelingskader
Meer bebouwing
Als gevolg van extra bebouwing zal er meer energiegebruik in de gebouwde omgeving plaatsvinden.
CO2-uitstoot gebouwde omgeving
Meer bebouwing
De extra bebouwing biedt ook mogelijkheden voor aanvullende opwek op gevels en daken, maar kan ook ruimte wegnemen voor opwek uit hernieuwbare bronnen op de grond.
CO2-uitstoot gebouwde omgeving
Meer inwoners, arbeidsplaatsen
Een toename van inwoners en arbeidsplaatsen in het gebied leidt tot een aanvullende vraag naar elektriciteit voor apparatuur en verlichting (gebruikersenergie).
CO2-uitstoot gebouwde omgeving
Meer inwoners, arbeidsplaatsen
Een toename van bebouwing en werkgelegenheid in het CID kan leiden tot een stijging van de vervoersvraag in het CID. Dit kan weer leiden tot hogere CO2-emissies als gevolg van een toename van het aantal reizigerskilometers in het gebied.
CO2-uitstoot mobiliteit
Verschuiving vervoersvraag door ander beleid ten aanzien van mobiliteit
Een verschuiving van de vervoersvraag naar andere modaliteiten (bijvoorbeeld van auto’s naar trams of bussen, of andersom) kan leiden tot hogere of lagere CO2-emissies in het gebied. Dit is afhankelijk van de kenmerkende CO2-emissies van de gebruikte vervoersmiddelen.
CO2-uitstoot mobiliteit
Meer bebouwing
Toename van ingaande materiaalstromen.
Toename van ingaande bouwstromen is opgenomen onder het aspect ‘circulariteit bebouwing’ en criterium ‘CO2-uitstoot van het materiaalgebruik in het gebied’
8 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Ingreep
Effect
Plek in beoordelingskader
Meer bebouwing
Toename van uitgaande materiaalstromen.
Toename van uitgaande bouwstromen is opgenomen onder het aspect ‘circulariteit bebouwing’ en criterium ‘CO2-uitstoot van het materiaalgebruik in het gebied’
Meer hernieuwbare energietechnologieën
Toename hernieuwbare energietechnologieën (generatie, opslag en transport).
CO2-uitstoot van het materiaalgebruik
Meer bebouwing
Meer inwoners en daarmee een toename van huishoudelijk afval.
Toename van huishoudelijk afval is opgenomen onder het aspect ‘circulariteit afval’ en het criterium ‘mate van gescheiden afvalinzameling’
2.3
Beoordelingskader
Tabel 2.5 beschrijft het beoordelingskader dat gebruikt wordt om de huidige situatie en autonome ontwikkeling te beschrijven en de effecten van de alternatieven in kaart te brengen voor de aspecten binnen het thema Energietransitie.
9 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Tabel 2.5 Beoordelingskader Aspecten
Criteria
Methode en informatie
Energie gebouwde omgeving
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving
De aanvullende vraag naar warmte, koeling en elektriciteit van het CID wordt vastgesteld op basis van de minimaal geldende landelijke en gemeentelijke besluiten en normen voor bouwkwaliteit en energieprestatie. Waar geen bindend gemeentelijk beleid bestaat, zal een schatting gemaakt worden op basis van de kentallen uit de BENG-standaard voor energieprestatie van gebouwen. Ook de gebruikersenergie ten gevolge van stijgende aantallen inwoners en arbeidsplaatsen wordt meegerekend. Een deel van de energievraag kan ingevuld worden met lokaal opgewekte hernieuwbare energie zoals elektriciteit uit zonnepanelen of bodemwarmte. De combinatie van energievraag, keuzes wat betreft de manier van invullen daarvan, het inzetten van opslag en het percentage gebruikte hernieuwbare energie leiden gezamenlijk tot een CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving. Energieverbruik van de openbare ruimte (straatverlichting, verkeersinstallaties) wordt niet beschouwd, omdat dit doorgaans maar een zeer beperkt deel van het totale energieverbruik beslaat (< 5 %).
Energie mobiliteit
CO2-uitstoot door mobiliteit
Op basis van kentallen over de uitstoot van vervoersmodaliteiten nu en in 2040, en de uitkomsten van het verkeersmodel wordt vastgesteld wat de CO2-uitstoot van vervoer is in en door het gebied.
Circulariteit bebouwing
CO2-uitstoot van het materiaalgebruik over de gehele levenscyclus
Gebiedsvisie: kwalitatief door middel van expert judgement.
Circulariteit afval
Mate van gescheiden afvalinzameling
Gebiedsvisie: kwalitat.ief door middel van expert judgement
Het criterium ‘mogelijkheden voor hergebruik materialen’ is vervallen ten opzichte van de NRD. In dit stadium van de planvorming voor het CID ontbreekt inzicht in de totale cyclus van materiaalgebruik. Informatie die wel bekend is, is onder het criterium ‘circulariteit bebouwing’ opgenomen.
2.3.1
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving
De CO2-uitstoot door de gebouwde omgeving is afhankelijk van de energievraag in het gebied (het aantal gebouwen en inwoners, en de energieprestaties van die gebouwen) en de lokale hernieuwbare opwek. De huidige CO2-uitstoot door woningen en bedrijven in het CID is vastgesteld met behulp van beschikbare data. De verwachte CO2-uitstoot van het CID in de referentiesituatie en voor de alternatieven wordt dan vastgesteld op basis van gemeentelijke besluiten over de verduurzaming van de bestaande woning- en gebouwenaanbod in het CID, en de minimumeisen opgelegd aan de te realiseren nieuwbouw in het gebied.
10 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Afbeelding 2.1 brengt in beeld hoe de oorzaak ingreep-effectrelaties voor het energiegebruik in de gebouwde omgeving samenhangen.
Afbeelding 2.1 Samenhang van ingreep-effectrelaties ten aanzien van het energiegebruik in de gebouwde omgeving
Onder energievraag valt de vraag om warmte, koeling, verlichting maar ook gebruikersenergie van de (extra) inwoners en arbeidsplaatsen in het gebied. Ook van invloed zijn keuzes op het gebied van energiesystemen waarmee de vraag ingevuld wordt, en de hoeveelheid lokale opwek van energie uit hernieuwbare bronnen (zoals elektriciteit uit zonnepanelen en bodemwarmte). Tabel 2.6 toont de beoordelingsschaal voor de gebouwde omgeving.
Tabel 2.6 Beoordelingsschaal CO2-uitstoot gebouwde omgeving Score
Beoordeling
++
klimaatneutraal of energieleverend gebied (> 100 % CO2-reductie)
+
CO2-reducerend gebied (50 % - 95 % CO2-uitstoot
0
-5 % tot 5 % CO2-reductie
-
5 % - 10 % toename CO2-uitstoot CID
--
> 10 % toename CO2-uitstoot CID
11 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
De gunstigste beoordeling wordt toegekend als het CID naar verwachting een energieleverend gebied wordt, dat kan bijdragen aan de verduurzaming van de minder makkelijk te verduurzamen wijken in Den Haag (Nota Hoogbouw). Dit is in vergelijking met de referentiesituatie. Een neutrale score wordt toegekend als de ontwikkeling van het gebied naar verwachting geen aanvullende CO2-uitstoot oplevert vergeleken met de referentiesituatie. De nadeligste score wordt toegekend als de ontwikkeling van het CID volgens vigerende normen en gemeentelijke regels naar verwachting leidt tot een stijging in de CO2-uitstoot van de stad.
2.3.2
CO2-uitstoot door mobiliteit
Voor mobiliteit wordt een soortgelijke scoring toegepast. De beoordelingsschaal is weergegeven in tabel 2.7.
Tabel 2.7 Beoordelingsschaal CO2-uitstoot door mobiliteit Score
Structuurvisie
++
50-100 % reductie CO2-uitstoot door mobiliteit (klimaatneutraal)
+
5 % tot 50 % reductie CO2-uitstoot door mobiliteit
0
-5 % tot 5 % verandering CO2-uitstoot door mobiliteit
-
5 tot 10 % stijging van CO2-uitstoot door mobiliteit
--
>10 % stijging van CO2-uitstoot door mobiliteit
De gunstigste score wordt toegekend bij significante reductie van CO2-uitstoot ten opzichte van de referentie, in lijn met de gemeentelijke ambities. Een neutrale score wordt toegekend als de ontwikkeling van het CID zoals beschreven in de alternatieven niet leidt tot een significante stijging of daling van CO 2-uitstoot ten opzichte van de referentie. Stijgt de CO2-uitstoot wel significant (> 10 %), dan wordt een sterk negatieve score toegekend.
2.3.3
CO2-uitstoot van materiaalgebruik
De CO2-uitstoot van het materiaalgebruik in het gebied wordt in kaart gebracht door gebruik te maken van expert judgement. De beoordelingsschaal is gebaseerd op het Rijksbreed programma Circulaire Economie.
Tabel 2.8 Beoordelingsschaal CO2-uitstoot van het materiaalgebruik Score
Beoordeling
++
meer dan 25 % CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990
+
tussen 10 en 25 % CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990
0
tussen 1 en 10 % CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990
-
tussen 0 en -10 % CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990
--
tussen -10 % en lager CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990
12 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
2.3.4
Mate van gescheiden afval
De mate van gescheiden afval wordt in kaart gebracht door gebruik te maken van expert judgement. De beoordelingsschaal is in lijn met het Uitvoeringsprogramma Huishoudelijk Afval.
Tabel 2.9 Beoordelingsschaal CO2-uitstoot van het materiaalgebruik Score
Beoordeling
++
minder dan 100 kg restafval per inwoner
+
tussen 100 en 150 kg restafval per inwoner
0
150 kg restafval per inwoner
-
tussen 150 en 200 kg restafval per inwoner
--
meer dan 200 kg restafval per inwoner
13 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
3 HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING
3.1
Huidige situatie
Dit hoofdstuk brengt voor de verschillende criteria in kaart wat de huidige situatie is in het CID.
3.1.1
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving
Huidige energieprestaties De CO2-uitstoot door de gebouwde omgeving hangt vooral samen met de energieprestaties van de gebouwvoorraad in het CID. Bouwvoorschriften zijn over de jaren strenger geworden op het gebied van energieprestatie. Deze energieprestaties in gebouwde omgeving zijn daarom sterk afhankelijk van het bouwjaar van de woningen en gebouwen. Afbeelding 3.1 geeft een overzicht van het gemiddelde bouwjaar per postcode 6-gebied binnen het CID.
Afbeelding 3.1 Gemiddeld bouwjaar panden per PC6-gebied in het CID. Bron: BAG
14 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Het CID bevat een aanzienlijke bestaande woningvoorraad. Hoewel er duidelijke wijken te onderscheiden zijn, kenmerkt het CID zich door een grote variatie aan bouwjaren. Daarmee loopt ook de energieprestatie in de verschillende deelgebieden sterk uiteen.
Afbeelding 3.2 Verdeling panden in het CID naar bouwjaar (bron: BAG)
Het grootste deel van deze woningen is nog voorzien van een aardgasaansluiting voor de verwarming en tapwater.
Tabel 3.1 Energiegebruik en CO2-uitstoot van huishoudens in het CID (2014, bron: RVO) Buurt
Huishoudens
Gasverbruik per inwoner GJ/inwoner
Elektraverbruik per inwoner GJ/inwoner
Percentage stadsverwarming
CO2-uitstoot Huishoudens (kton per jaar)
Bezuidenhout-Oost
5.175
22
4
0
11,3
Bovenveen
3.770
17
4
0
7,0
Voorburg Midden
4.030
20
4
0
8,4
Kampen
1.475
21
4
0
2,9
Bezuidenhout-Midden
2.120
20
4
8
4,6
Bezuidenhout-West
2.110
6
4
44
1,4
Rivierenbuurt-Zuid
570
21
4
0
1,0
Huygenspark
4.570
15
4
0
6,3
Voorhout
1.550
23
6
14
2,8
Rivierenbuurt-Noord
1.885
13
4
25
2,5
730
29
5
0
2,6
3.540
19
4
0
7,5
Haagse Bos
240
10
5
18
0,2
Willemspark
940
23
7
12
2,0
2.360
12
3
0
3,2
Nassaubuurt Voorburg Noord
Laakhaven-West
15 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Buurt
Huishoudens
Gasverbruik per inwoner GJ/inwoner
Elektraverbruik per inwoner GJ/inwoner
Percentage stadsverwarming
CO2-uitstoot Huishoudens (kton per jaar)
Laakhaven-Oost
2.360
10
4
23
2,3
Noordpolderbuurt
4.055
15
3
0
7,4
Laakkwartier-Oost
5.560
17
3
0
10,9
Zuidwal
4.285
14
4
20
5,4
Uilebomen
1.495
6
4
50
0,9
Schildersbuurt-Oost
2.850
10
3
9
4,5
Schildersbuurt-Noord
4.325
124
3
0
7,1
145
1
0
34
0,1
Binckhorst totaal
102
Tabel 3.1 toont de CO2-uitstoot van huishoudens in het CID. Naast het aantal inwoners hangt de CO 2uitstoot samen met het gasverbruik in de wijk, het aandeel stadsverwarming en de bron van deze stadsverwarming. In bovenstaande cijfers gaat een hoger aandeel stadsverwarming (warmtenet) gepaard met een lagere directe CO2-uitstoot van huishoudens. Ook deze huishoudens hebben echter een indirecte CO2-uitstoot doordat het stadsverwarmingsnet aardgasgestookt is (29 kg CO 2 per GJ warmte, (CE Delft, 2018)). Het gemiddeld energieverbruik en de CO2-uitstoot zijn hoger in wijken met oudere woningen, zoals Bezuidenhout-Oost. Hier ligt een aanzienlijke verduurzamingsopgave. De CO2-uitstoot van bedrijven is af te leiden uit het verbruik van elektra en gas. In 2014 (peildatum) is in totaal 1,1 miljoen m3 gas geleverd aan bedrijven binnen de grenzen van het CID. In datzelfde jaar is ook 1,5 TWh aan elektriciteit geleverd. Met gemiddelde uitstootfactoren van 0,00189 ton CO2 per m3 gas en 0,000526 ton CO2 per kWh elektriciteit zou dit neerkomen op in totaal 1,01 Mton CO 2. Merk op dat daarin ook gas en elektriciteit is meegenomen die gebruikt wordt in productieprocessen van bedrijven. Duidelijk is dat de oudere woningen in het centrum ook meer gas verbruiken. Hoewel dit ook kan afhangen van de grootte en bewoning van de panden, is het een indicatie dat deze minder energiezuinig zijn.
Ook opvallend zijn de kantoren en winkels aan de Waldorpstraat. Huidige infrastructuur Warmtenetten Afbeelding 3.3 toont de huidige ligging en reikwijdte van warmtenet-distributieleidingen in en rond het CID.
16 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Afbeelding 3.3
Warmtedistributienet en aanwezigheid warmtenet per postcodegebied (bron: (Provincie Zuid-Holland, 2019), (Gemeente Den Haag, Stadsverwarming Bronnen Den Haag, 2015)
Het huidige warmtenet binnen het CID wordt nog grotendeels gevoed met hoge temperatuur warmte uit de stoom en gascentrale (STEG-centrale) van Uniper. De aanwezigheid van warmtenet-infrastructuur is een kans voor het CID. Nader onderzoek is nodig of de bestaande warmtenetten uitgebreid kunnen worden en hoe deze verduurzaamd zullen worden. Warmte- koude opslag (WKO) Afbeelding 3.4 toont de huidige systemen voor warmte- en koudeopslag in en rond het CID. De kaart toont ook de ondergrondse ‘voetafdruk’ van de systemen zoals gedefinieerd door de gemeente Den Haag. De kaart toont dat reeds gebruik gemaakt wordt van bodemwarmte in het CID voor verwarming en koeling van gebouwen. De nabijheid van de systemen is wel een aandachtspunt, dit kan leiden tot schadelijk interacties tussen systemen als deze elkaar in de weg gaan zitten en gaan tegenwerken (schadelijke interferentie). Een dergelijk effect zou de efficiëntie van de systemen kunnen schaden. De overlappende voetafdrukken illustreren dit mogelijke knelpunt.
17 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Afbeelding 3.4
Huidige Warmte-koudeopslag systemen in en rond het CID en hun voetafdruk (bron: (Gemeente Den Haag, 2019a)
Naast duurzame warmte is er ook hernieuwbare elektriciteitsopwekking in het CID. Tabel 3.2 toont de opwek uit zonnepanelen per buurt in het CID.
Tabel 3.2 PV-panelen CID per (CBS-)wijkdeel. Bron: datalab gemeente Den Haag (Gemeente Den Haag, 2019a) Wijkdeel
Aantal zonnepanelen
Aandeel totaal zonnepanelen CID
Benoordenhout
693
14 %
Haagse Bos
76
2%
Bezuidenhout
1.604
31 %
Stationsbuurt
1.820
36 %
Centrum
468
9%
Schildersbuurt
156
3%
Laakkwartier en Spoorwijk
279
6%
Binckhorst
25
1%
Bovenveen
0
0%
Voorburg Noord
0
0%
5.121
100 %
totaal
De opwek uit deze panelen is slechts een klein deel van de totale elektriciteitsvraag van woningen en bedrijven in het gebied. Het overzicht in dit hoofdstuk laat zien dat de ontwikkeling in het CID niet plaatsvindt in een leeg gebied, maar in een gebied dat al intensieve bebouwing heeft. Dat laat weinig ruimte voor aanvullende opwek van
18 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
hernieuwbare energie uit zonnepanelen of windmolens in het gebied, voor de verduurzaming van de huidige gebouwvoorraad. Wel lijkt er voldoende potentie op bestaande daken om de opwek van elektriciteit uit zonnepanelen op te schalen.
3.1.2
CO2-uitstoot door mobiliteit
De CO2-uitstoot ten gevolge van mobiliteit hangt samen met het aantal vervoersbewegingen binnen het CID, en de (soort) vervoersmiddelen die daarvoor gebruikt worden. De uitkomsten van het verkeersmodel dat is ingezet voor het thema Mobiliteit zijn uitgangspunt voor de berekening van deze CO 2-emissies, zowel voor de huidige situatie als de referentiesituatie en alternatieven. Afbeelding 3.5 geeft een overzicht van de gebruikte verkeerscijfers per vervoermiddelcategorie. Voor treinvervoer zijn geen data berekend met het verkeersmodel (zie deelrapport Mobiliteit).
Afbeelding 3.5 Berekende voertuigkilometers CID, huidige situatie
700000
voertuigkilometers per etmaal
600000 500000 400000 300000 200000 100000 0 Huidige situatie Licht vervoer
Middelzwaar vervoer
Zwaar vervoer
Tram
Bus
Licht vervoer vormt het overgrote deel van de voertuigbewegingen in het plangebied (> 95 %) (afbeelding 3.5). Bestelauto’s en vrachtwagens (middelzwaar en zwaar vervoer) vormen een kleiner deel. Openbaar vervoer (tram, bus) vormt een kleiner aandeel in de voertuigbewegingen door het gebied, maar hierbij moet in beschouwing genomen worden dat per voertuigkilometer een groter aantal personen wordt verplaatst. Brede scope berekening van CO2-uitstoot Omdat het nadelige effect van CO2-uitstoot niet plaatsgebonden is (zoals bijvoorbeeld wel bij geluid het geval is), wordt bij de berekening van uitstoot een brede Well-to-Wheel (WTW) scope aangehouden, waarbij ook uitstoot buiten het gebied als gevolg van activiteiten in het CID wordt meegeteld. Dat betekent dat waar mogelijk niet alleen de directe, lokale uitstoot, maar ook de indirecte uitstoot als gevolg van productie van brandstof en elektriciteit is meegenomen in de berekening 1.
1
Met gebruik van de well-to-wheel scope vervalt dus de noodzaak om CO2-uitstoot door laden van elektrische voertuigen apart mee te nemen.
19 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
CO2-uitstoot mobiliteit in de huidige situatie De huidige (berekende) CO2-uitstoot als gevolg van mobiliteit in het CID is weergegeven in afbeelding 3.6. De eenheid ton CO2 per etmaal volgt uit de manier van berekenen die het verkeersmodel hanteert.
Afbeelding 3.6 CO2-uitstoot CID mobiliteit huidige situatie (kg CO2 per etmaal)
200000 180000 Bus
160000 140000
Tram
120000 100000
Zwaar vervoer
80000 Middelzwaar vervoer
60000 40000
Licht vervoer
20000 0 Totaal
Licht vervoer heeft het grootste aandeel in de CO2-uitstoot in het CID, in totaal zo’n 170 ton CO2 per etmaal. Van treinen is aangenomen dat deze volledig geëlektrificeerd zijn, en op groene stroom rijden. Daarmee veroorzaakt het treinverkeer geen lokale maar ook geen indirecte CO2-uitstoot in de huidige situatie, en vormt het ontbreken van verkeersmodeldata voor deze vervoerswijze geen tekortkoming. Hoewel de verduurzaming van het busvervoer al is ingezet, zijn er momenteel nog wel CO 2-emissies aan verbonden (Geodienst Rijksuniversiteit Groningen, 2019). De Klimaatmonitor rekent voor de totale CO2-uitstoot als gevolg van verkeer en vervoer in Den Haag 440.134 ton per jaar (2016), grofweg 1205 ton per etmaal. De CO 2-uitstoot in het CID zoals berekend (circa 190 ton per etmaal) zou daarmee een aanzienlijk deel van de gemeentelijke uitstoot vormen (16 %).
3.1.3
CO2-uitstoot van het materiaalgebruik
De huidige situatie van ‘CO2-uitstoot van het materiaalgebruik’ heeft vooral betrekking op de schadelijke emissies die vrijkomen bij werkzaamheden in de sector gebouwde omgeving. De jaarlijkse uitstoot van de gemeente Den Haag is ongeveer 2 megaton CO2-eq. De gebouwde omgeving was in 2017 verantwoordelijk voor zo’n 1,5 megaton CO2. De cijfers geeft een indicatie van de uitstoot van de gehele gemeente Den Haag gezien deze voor CID niet beschikbaar zijn. Om de totale bijdrage aan het broeikaseffect te bepalen is dit uitgedrukt CO2-equivalenten, dit betekent dat naast koolstofdioxide ook andere broekgassen zijn meegenomen. In 2017 werd er landelijk door de sector gebouwde omgeving ongeveer 17 % minder uitgestoten ten opzichte van 1990 (RIVM, 2018). In afbeelding 3.7 is de ontwikkeling te zien van de CO2uitstoot voor de sector gebouwde omgeving in Den Haag verdeeld in woningen, commerciële dienstverlening en publieke dienstverlening. De CO2-uitstoot is berekend door de energiedragers (bijvoorbeeld kWh elektriciteit, m3 gas, liters benzine) te vermenigvuldigen met de emissie-factor van die energiedrager. Deze uitstoot is dus gerelateerd aan de gebruiksfase en niet de bouwfase van de gebouwen.
20 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Afbeelding 3.7 CO2-uitstoot Gebouwde Omgeving Den Haag. Bron: Klimaatmonitor databank
CO2-uitstoot - Gebouwde Omgeving (ton) 900000 800000 700000 600000 500000 400000 300000 200000 100000 0 2010 Woningen
2011
2012
2013
2014
Commerciele dienstverlening
2015
2016
2017
Publieke diensteverlening
Ecofys en Circle Economy (2016) hebben voor het Rijksbreed programma Circulaire Economie bepaald dat er op dit moment door efficiencyverbetering in grondstof- en materiaalketens 9 % van de totale uitstoot bespaard kan worden. Op basis van berekeningen stellen zij dat met inzetten op materiaalefficiency de toegezegde CO2-reductie van 49 % in 2030 ten opzichte van 1990 voor de helft behaald kan worden. Het beoordelingskader voor dit criterium is op deze aanname vastgesteld. Belangrijk aandachtspunt bij het realiseren van klimaatdoelstellingen is dat de vraag naar sommige grondstoffen en met name kritieke metalen (REE) voor hernieuwbare energietechnologieën (generatie, opslag en transport) gaat toenemen. Om aan deze vraag te kunnen voldoen en tegelijkertijd de klimaatdoelstellingen te behalen is de circulaire economie van belang. Om de CO2-uitstoot van materiaalgebruik voor de nieuwbouw van woningen en niet-woningen (commerciële en publieke dienstverlening) te kunnen vergelijken met de uitstoot van het energiegebruik is een inschatting gemaakt (afbeelding 3.8). De inschatting is gemaakt op basis van het aantal nieuwbouw woningen en niet-woningen in 2017 (CBS), deze is vermenigvuldigd met de gemiddelde uitstoot van een standaard woning en kantoorgebouw met een levensduur van 75 jaar.
De totale CO 2-uitstoot is bepaald met de methode MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) en de Nationale Milieudatabase. De uitstoot is berekend voor het materiaal- en energieverbruik over de hele levensduur, ofwel van winning tot aan de sloop- en hergebruikfase. Zowel de hoeveelheid materiaal, het type materiaal en de vervangingstermijn hebben invloed op de CO2-uitstoot. In afbeelding 3.8 is de inschatting CO2-uitstoot nieuwbouw woningen en niet-woningen vergelijken met het de CO2-uitstoot van het energieverbruik van deze nieuwe huishoudens en bedrijvigheid. De uitstoot is weergegeven in ton CO2-equivalenten. Relatief gezien is er meer besparing CO2-uitstoot op het energieverbruik dan op materiaalgebruik van de nieuwbouw woningen en niet-woningen.
21 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Afbeelding 3.8 Inschatting (ton) CO2-uitstoot nieuwbouw woningen en niet-woningen in 2017, Den Haag
Vergelijking CO2-uitstoot (2017), Den Haag 9,00E+05 8,00E+05 7,00E+05 6,00E+05 5,00E+05 4,00E+05 3,00E+05 2,00E+05 1,00E+05 0,00E+00 Woningen Nieuwbouw
Niet-woningen Energieverbruik
Het hoogwaardig hergebruiken van bouwmaterialen gebeurt in Den Haag op kleine schaal. Zo worden, in enkele gevallen, trappen en kabelgoten voorafgaand aan de feitelijke sloop van een gebouw uit het gebouw gehaald en elders toegepast. De besparing die hiermee behaald wordt is verwaarloosbaar ten opzichte van de totale CO2-uitstoot.
3.1.4
Mate van gescheiden afvalinzameling
Landelijk gezien wordt op dit moment 60 % van het huishoudelijk afval gescheiden ingezameld. In de gemeente Den Haag ligt het scheidingspercentage ver onder het landelijk gemiddelde namelijk op 14 % (Afvalmonitor, 2017), dit is met name te verklaren doordat de gemeente inzet op nascheiding en minder op bronscheiding. Het besluit om in Den Haag op grote schaal te starten met ondergrondse restafvalcontainers is al genomen in februari 2009. Het aandeel restafval moet dalen omdat het daardoor makkelijker wordt om grondstoffen aan te bieden voor hergebruik. Het beoordelingskader voor dit criterium is daarom uitgedrukt in de restafvaldoelstelling van 100 kg per inwoner per jaar (richtjaar 2020). In afbeelding 3.9 is te zien dat er sinds 2015 al een positieve ontwikkeling in gang is gezet.
22 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Afbeelding 3.9 Huishoudelijk restafval (kg per inwoner) voor de gemeente Den Haag. Bron: CBS
Huishoudelijk restafval (kg per inwoner) 300 250 200 150 100 50 0 2015
2016
2017
De volgende soorten afval worden gescheiden ingezameld: plastic, blik en drinkpakken, papier en karton, groente-, fruit- en tuinafval (gft), elektrische apparaten, glas, textiel, kleding en schoenen, klein chemisch afval (kca), frituurvet en olie, brood en restafval. Alleen dagelijks te scheiden afval wordt nader bekeken, te kennen plastic, blik en drinkpakken, papier en karton, groente-, fruit- en tuinafval, glas, brood en restafval. In het CID zijn inzamelingsplekken te vinden voor plastic, blik en drinkpakken (beperkt aantal), papier en karton (ruim aantal) en glas (ruim aantal). Groente-, fruit- en tuinafval kan in het CID niet gescheiden worden ingezameld, waar dat in andere delen van Den Haag wel mogelijk is. Vermoedelijk komt het overgrote gedeelte van groente-, fruit- en tuinafval daardoor terecht bij het restafval. Oud brood kan apart worden ingezameld bij broodcontainers. Het CID kent daarvoor slechts enkele inzamelingspunten. Brood kan ook ingezameld worden als groente-, fruit- en tuinafval, maar zal, in verband met het ontbreken van inzamelingspunten voor groente-, fruit- en tuinafval, bij het restafval eindigen. Restafval wordt opgehaald in het CID; hiervoor bestaan geen inzamelingspunten. Hier liggen dus nog kansen om de gemiddelde hoeveelheid restafval per inwoner per jaar omlaag te brengen.
Er kan onder andere ingezet worden op frequentieverlaging van de inzameling van restafval en de introductie van extra ondergrondse grondstofcontainers.
3.2
Autonome ontwikkeling
Dit hoofdstuk beschrijft de autonome ontwikkeling van het CID tot 2040 (het zichtjaar van de MER) op het gebied van energie in de gebouwde omgeving, mobiliteit en circulariteit. De autonome ontwikkeling bevat alleen ontwikkelingen waarvan voldoende zeker is dat deze gaan plaatsvinden in het CID op basis van verleende vergunningen, en het vigerende en voorgenomen beleid. De autonome ontwikkeling vormt het referentiescenario waarmee de alternatieven voor het CID vergeleken worden.
3.2.1
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving
Toekomstige CO2-uitstoot bestaande wijken niet vast te stellen De gemeente Den Haag heeft de ambitie om in 2030 klimaatneutraal te zijn. Er zijn daarom ook al diverse concrete projecten in de gemeente in gang gezet (Gemeente Den Haag, Programmabrief Duurzaamheid 2020 RIS303503, 2019). Het is echter niet mogelijk om de CO2-besparingen van deze projecten binnen de grenzen van het CID te kwantificeren zonder aanvullende informatie. Ook heeft de gemeente nog geen concreet beleid of bindend plan geformuleerd voor de verduurzaming of het aardgasvrij maken van de
23 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
bestaande wijken in het CID. Geen van de geambieerde ontwikkelingen in het gebied (zoals de aanleg van warmtenetten op geothermie, of een aantakking op restwarmtenet uit Rotterdam) zijn voldoende zeker om aangemerkt te kunnen worden als autonome ontwikkeling. Met het vaststellen van een warmtetransitieplan in 2021 kan daar verandering in komen. Het tempo van energiebesparingen in bestaande wijken hangt sterk af van de keuzes van individuele burgers in de wijken. In wijken met een groot corporatie-aandeel (zoals de Rivierenbuurt) zijn woningcorporaties de aangewezen partner voor de gemeente voor het behalen van grote slagen. De gemeente heeft verder betrekkelijk weinig invloed op het wanneer en het wat van de keuzes in de wijken. Met het verplichte warmtetransitieplan zal de gemeente voor elke wijk een tijdstip van transitie naar aardgasloze warmtevoorziening, en een voorgesteld alternatief voor aardgas moeten noemen. Maar het is nog de vraag in hoeverre dit document bindend zal zijn voor de belanghebbende partijen naast de gemeente. De huidige wettelijke regels zijn dus niet voldoende dwingend en concreet om in 2040 (zichtjaar referentie MER) een CO2-neutraal CID te realiseren.
De regels en afspraken in het Klimaatakkoord voor bestaande bouw eisen een (landelijke) reductie, maar er is nog geen bindend gemeentelijk beleid ten behoeve van verduurzaming van woningen en het vervangen van aardgas voor duurzamere bronnen van warmte. De CO2-uitstoot van de bestaande wijken in het CID in 2040 kan daarom niet worden vastgesteld zonder aanvullende beleidsvorming door de gemeente, bijvoorbeeld in een warmtetransitieplan en de bijbehorende uitvoeringsplannen. De huidige duurzaamheidsambities van de gemeente Den Haag bieden onvoldoende houvast voor een inschatting van de CO2-uitstoot. Veel winst in isolatie bestaande woningen en gebouwen De bestaande woning- en gebouwvoorraad heeft een aanzienlijke energievraag die grotendeels wordt ingevuld met aardgas (zie hoofdstuk 3.1 huidige situatie). Er valt dus aanzienlijke winst te behalen met het isoleren van de bestaande gebouwvoorraad in deze wijken binnen het CID. De rijksmonumenten binnen de grenzen van het CID zijn bijzonder moeilijk te verduurzamen. Hoge temperatuur warmtenetten kunnen hier uitkomst bieden. Maar dat betekent ook dat de (beperkte) potentie voor hoge temperatuur warmtebronnen (bijvoorbeeld uit restwarmte of geothermie) zoveel mogelijk moet worden gereserveerd voor deze moeilijk te verduurzamen gebouw- en woningvoorraad.
Potentie voor energieopwek op dakoppervlakken laagbouw De gebouwen in de bestaande (woon)wijken bieden door de relatief grote dakoppervlakten potentie voor de lokale opwekking van hernieuwbare (laag temperatuur) warmte en elektriciteit. Dit staat in contrast met de voorgenomen hoogbouw-ontwikkelingen waar een veel kleiner dakoppervlak per inwoner beschikbaar is voor duurzame opwek. De inzet van gevels voor de opwek van elektriciteit kan daar uitkomst bieden. Nieuwbouw moet aardgasloos en voldoet in elk geval aan BENG-norm Vanaf juni 2019 worden nieuwbouwwoningen niet meer op het aardgas aangesloten. Dat betekent dat voor de ontwikkeling van het CID alternatieven warmtebronnen zoals bodem- en omgevingswarmte moeten worden gekozen. Tabel 3.3 toont een samenvatting van de nieuwbouw in de autonome ontwikkeling.
Tabel 3.3 Totalen nieuwbouw CID, referentiesituatie 2040
nieuwbouw CID, autonome ontwikkeling
24 | 43
Woningen (aantal)
Kantoor (m2 bvo)
Detailhandel nonfood (m2 bvo)
Gemengd terrein (m2 bvo)
Diensten (m2 bvo)
Onderwijs (m2 bvo)
3.796
709
34.389
24.787
81.747
0
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Wat betreft energieprestatie zal de nieuwbouw in het CID minimaal moeten voldoen aan de eisen in de nieuwe richtlijn voor Bijna energieneutrale Gebouwen (BENG). De BENG-norm geldt namelijk vanaf 2020 voor alle nieuwbouwprojecten (zowel woningen als utiliteit). Er is echter onvoldoende inzicht in de specifieke (combinatie van) energieprestaties en energiesystemen van de te realiseren projecten in de referentiesituatie om een schatting te kunnen maken van de aanvullende uitstoot als gevolg van deze ontwikkelingen. De BENG-norm zelf leidt niet tot geheel klimaatneutrale gebouwde omgeving, maar betekent een ondergrens voor duurzaamheid van de gebouwde omgeving. In aanvulling op de BENG kan de gemeente (beperkt) invloed uitoefenen op de te hanteren energieprestatie, bijvoorbeeld door eisen te stellen bij het uitgeven van omgevingsvergunning en waar zij de grond in bezit heeft. De gekozen normen kunnen echter een conflict opleveren met andere ambities van de gemeente, zoals de wens voor groene daken en kwalitatief hoogstaande openbare ruimte. Bovendien is in de gebouwprestatienormen niet de aanvullende elektriciteitsvraag door gebruikers inbegrepen. Dat betekent dat de eis voor energieneutrale gebouwen volgens de meest gehanteerde definitie hiervan nog steeds tot een stijging van CO2-uitstoot in het gebied kan leiden.
Verplicht label A in 2030 voor kantoren Een recente wijziging in het Bouwbesluit in 2018 vereist dat kantoren in 2023 minimaal energielabel C of beter hebben. In 2030 zal dit zelfs label A moeten zijn. Omdat er relatief veel kantoren in het CID zijn, heeft dit gunstige gevolgen voor de uitstoot van CO2 in het gebied. Hoeveel deze uitstoot gereduceerd zal zijn, hangt af van de huidige staat van elk vastgoedobject. Doordat de verduurzaming van kantoren gedreven wordt door landelijke wetgeving, behoeft deze soort gebouwen minder specifieke aandacht en maatregelen in de Structuurvisie. Wel kunnen er meekoppelkansen zijn waar kantoren en woningen kunnen profiteren van gemeenschappelijke infrastructuur bijvoorbeeld voor warme. Tabel 3.4 bevat een overzicht van concrete projecten in het CID voor verbouw en renovatie van panden.
Tabel 3.4 Overzicht concrete projecten renovatie en verbouwing vastgoed in het CID Project
Woningen (aantal)
Kantoren (m2 bvo)
Diensten (m2 bvo)
783
22.712
20.265
totaal verbouw/renovatie
Met name in het geval van een grootschalige renovatie kan verwacht worden dat de energieprestatie van het betreffende gebouw zal verbeteren. Hoeveel verbetering er optreedt is echter afhankelijk van de huidige situatie en de specifieke gehanteerde energieprestatie en energiesysteemkeuze.
3.2.2
CO2-uitstoot van het materiaalgebruik
In het CID wordt de komende tientallen jaren veel gesloopt en gebouwd. Daarmee nemen de ingaande en uitgaande bouwstromen toe. De autonome ontwikkeling op het gebied de CO 2-uitstoot van het materiaalgebruik is afhankelijk van nader te bepalen sturend beleid van de gemeente. Er zijn een aantal nieuw te realiseren vastgoedontwikkelingen die voor een aanvullende CO2-uitstoot met betrekking tot zowel het energie als het materiaalgebruik zullen zorgen. De schatting van deze aanvullende uitstoot is weergegeven in tabel 3.5. De berekening is gemaakt op basis van het aantal nieuwbouw woningen en nietwoningen: deze is vermenigvuldigd met de gemiddelde uitstoot van een standaard woning met een levensduur van 75 jaar en een utiliteitsgebouw met een levensduur van 50 jaar. De totale CO 2-uitstoot is bepaald met de methode MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) en de Nationale Milieudatabase. De uitstoot is berekend voor het materiaal- en energieverbruik over de hele levensduur, ofwel van winning tot aan de sloop- en hergebruikfase.
25 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Voornemens om gebouwen te slopen en deze materialen her te gebruiken zijn nog niet concreet genoeg om als autonoom te beschouwen in deze rapportage.
Tabel 3.5 Inschatting aanvullende CO2-uitstoot in het CID als gevolg van autonome vastgoedontwikkelingen Hoeveelheid nieuwbouw woningen nieuwbouw niet-woningen
3.768 141.632
totaal
Eenheid
Waarde
Eenheid
st
130.000
ton CO2-eq.
70.000.000
ton CO2-eq.
70.130.00
ton CO2-eq.
2
m bvo
Enkele factoren die invloed hebben de totale CO2-uitstoot maar nu in de inschatting van de uitstoot buiten beschouwing zijn gelaten: - bouwmaterialen zijn in ontwikkeling en kunnen steeds beter van (gedeeltelijk) gerecycled materiaal gemaakt worden. Ook in algemene zin zijn duurzamer bouwmaterialen in ontwikkeling. Deze beide ontwikkelingen zorgen voor een lagere CO2-uitstoot van materiaalgebruik; - gebruikte bouwmaterialen kunnen in toenemende mate opnieuw (hoogwaardig) gebruikt worden. Mogelijk kunnen gebruikte bouwmaterialen ook steeds beter lokaal opnieuw gebruikt worden. Wanneer sloopmateriaal van het CID opnieuw en zelfs lokaal wordt gebruikt, neemt dat een vermindering van de CO2-uitstoot met zich mee; - met betrekking tot bebouwing komt een aanzienlijk gedeelte van de CO2-uitstoot vaak voort uit transport van materialen (CE Delft, 2018). Huidig transport is meegenomen in de inschatting maar is in ontwikkeling en wordt steeds schoner. Hiermee neemt de CO2-uitstoot in de loop van de tijd van transport tijdens de realisatie af. De gemeente heeft invloed op de toekomstige ontwikkelingen in het gebied door te sturen op duurzaam bouwen in wetgeving en subsidieregelingen. Huidig gemeentelijk beleid stimuleert hergebruik van bouwmaterialen, werken met materiaalpaspoorten en hoogwaardig hergebruik van beton.
In het omgevingsplan van de Binckhorst ('s-Gravenhage, 2017) wordt circulaire gebiedsontwikkeling tevens gestimuleerd door onder andere door bedrijven aan te moedigen hun reststromen te registreren in een online tool voor vraag en aanbod zoals bijvoorbeeld de oogstkaart of marktplaats. Ook worden locaties beschikbaar gesteld voor circulaire activiteiten vanuit de gemeenschap. In overige nieuwbouw zijn op dat gebied de eerste projecten, pilots en verkenningen gestart. Op het gebied van sloop is dat nog niet het geval.
3.2.3
CO2-uitstoot mobiliteit
Op de autonome ontwikkeling van CO2-uitstoot door mobiliteit zijn de volgende factoren van invloed: - veranderingen in gereden voertuigkilometers door het CID; - verschuivingen van gereden voertuigkilometers naar andere modaliteiten; - ontwikkelingen in CO2-uitstoot per modaliteit. Stijging vervoersvraag in het CID De eerste twee aspecten (aantal voertuigkilometers en de verdeling daarvan over de modaliteiten) volgen uit de autonome ontwikkelingen in wonen en werken in het CID, en de verwachte ontwikkeling van infrastructuur voor mobiliteit zoals uiteengezet in het deelrapport Mobiliteit. De effecten hiervan zoals gemodelleerd met het verkeersmodel zijn hier als uitgangspunt genomen voor de autonome ontwikkeling van CO2-uitstoot door mobiliteit in het gebied. Afbeelding 3.10 toont de berekende voertuigkilometers in het CID per vervoerscategorie voor de huidige situatie en de referentie.
26 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Afbeelding 3.10 Berekende voertuigkilometers per etmaal in het CID per vervoersmodaliteit, huidige situatie en referentie
800000
voertuigkilometers per etmaal
700000 600000 500000 400000 300000 200000 100000 0 Huidige situatie Licht vervoer
Middelzwaar vervoer
Referentie Zwaar vervoer
Tram
Bus
Het verkeersmodel berekent een significante stijging van vervoerskilometers (11 %) met name veroorzaakt door autogebruik in het CID in de referentiesituatie. Een nadere onderbouwing hiervan is opgenomen in het deelrapport Mobiliteit. Ook zwaar vervoer neemt aanzienlijk toe. CO2-uitstoot per voertuigkilometer daalt De gehanteerde uitgangspunten voor CO2-uitstoot per modaliteit zijn weergegeven in tabel 3.6. Enkele belangrijke ontwikkelingen zijn daarin meegenomen: - aanscherpingen van CO2-emissie-normen; - elektrificatie van vervoersmiddelen zoals auto’s, bestelbusjes en vrachtvervoer (respectievelijk circa 30 %, 30 % en 2 %); - verduurzaming van de Nederlandse elektriciteitsproductie en verlaging van de gerelateerde CO2uitstoot; - verduurzaming van openbaar vervoer (onder andere emissie-loos busvervoer vanaf 2030).
Tabel 3.6 Gehanteerde kentallen voor CO2-uitstoot van vervoersmodaliteiten, referentiesituatie (2040) Parameter CO2-uitstoot (Well-to-Wheel) kilogram/voertuigkilometer
Licht vervoer
Middelzwaar vervoer
Zwaar vervoer
Trein
Tram
Bus
0,09
0,13
0,85
0,0
0,0
0,07
Hierbij zijn alleen ontwikkelingen als gevolg van vastgesteld en voorgenomen beleid (waarvan vaststaat dat het ook echt ingevoerd gaat zijn in 2040) opgenomen. CO2-uitstoot mobiliteit in de referentiesituatie Afbeelding 3.11 toont de berekende CO2-uitstoot (per etmaal) in de referentiesituatie, vergeleken met de huidige berekende uitstoot.
27 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Afbeelding 3.11 Berekende CO2-uitstoot door mobiliteit (per etmaal) in het CID, huidige situatie en referentie
200000 180000
kg CO2 per etmaal
160000 140000 120000 100000 80000 60000 40000 20000 0 Huidige situatie Licht vervoer
Middelzwaar vervoer
Referentie Zwaar vervoer
Trein
Tram
Bus
In de referentiesituatie 2040 is een CO2-besparing van circa 66 % bereikt. Dit is een gevolg van scherpere emissie-wetgeving voor auto’s, bestelbussen en vrachtwagens, de opkomst van elektrisch vervoer, en verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening. Daardoor daalt de CO2-uitstoot ondanks een toename van gereden voertuigkilometers met 11 %. Als de ambities uit de Kadernota Duurzaamheid en het convenant Stedelijke distributie Den Haag voor het verduurzamen van stedelijke logistiek en distributie worden vervuld, zou nog een aanvullende reductie behaald kunnen worden in het CID (Gemeente Den Haag, 2018a). Toch is niet uitgesloten dat er een aanzienlijke resterende uitstoot in 2040 bestaat, veroorzaakt door auto’s en (licht en zwaar) vrachtvervoer. Er zijn dus mogelijk aanvullende (Europese, landelijke en/of gemeentelijke) maatregelen voor reductie of compensatie van CO2-uitstoot nodig om het beleidsdoel van klimaatneutraliteit in de gemeente Den Haag te halen. Ook zonder de ontwikkelingsplannen binnen het CID. De directe en indirecte emissies door openbaar vervoer zijn verwaarloosbaar. Trams en treinen rijden op groene stroom, de elektriciteitsvoorziening is grotendeels verduurzaamd, en bussen zijn emissie-loos (in elk geval wat betreft directe emissies).
3.2.4
Mate van gescheiden afvalinzameling
De autonome ontwikkeling op het gebied mate van gescheiden afval is met name afhankelijk vastgoedontwikkelingen en van nader te bepalen sturend beleid van de gemeente. In het CID wordt komende tientallen jaren veel gebouwd. Met een toegenomen aantal woningen zal ook het huishoudelijk afval toenemen. De ambitie van Ministerie van IenM, de VNG, de NVRD en Rijkswaterstaat is om in 2020 naar een gemiddelde van 250 kg naar 100 kg restafval per inwoner per jaar te gaan, om de herbruikbaarheid van het afval te verhogen. De gemeente Den Haag lijkt met 150 kg restafval per inwoner in 2017 al op de goede weg te zijn in het halen van deze ambitie. Met het ondertekenen van het Bestuursakkoord 'verbeteren afvalpreventie en –scheiding huishoudelijk afval' committeren veel gemeenten zich aan een eigen doelstelling en leggen de maatregelen vast waarmee zij de hoeveelheid restafval de komende jaren binnen de eigen gemeente hopen te verlagen. Op dit moment hebben 48 gemeenten het Bestuursakkoord ondertekend.
28 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
De gemeente Den Haag heeft aangegeven zelf een doelstelling te willen vastleggen, bijvoorbeeld in een raadsbesluit of in een regionaal convenant (VANG HHA, 2018). Het is naast het vaststellen van een ambitie in een beleidsplan of raadsbesluit nog steeds mogelijk om het Bestuursakkoord te ondertekenen. In het ‘Huishoudelijk Afvalplan Den Haag 2016-2020’ is de landelijke ambitie nog niet vertaald naar realistische doelstellingen voor de gemeente. Wel wordt aangegeven dat er meer inzicht verkregen moet worden in belangrijk factoren als scheidingsgedrag van de inwoners, de (fysieke) beperkingen voor afvalscheiding en de hoeveelheid herbruikbaar afval in het restafval. Een beter gescheiden afvalinzameling maakt dat een groter gedeelte van het afval kan worden gerecycled. Afval kan steeds beter gerecycled worden: steeds meer soorten afval kunnen worden gerecycled en dat kan in steeds betere mate. Veel gemeenten zetten in op frequentieverlaging van de inzameling van restafval (65 %) en de introductie van extra ondergrondse grondstofcontainers (74 %) (VANG HHA, 2018).
3.3
Samenvatting van kansen en bedreigingen
3.3.1
CO2-uitstoot door gebouwde omgeving
Op gebied CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving is nog veel onduidelijk. De grootste bedreiging is daarmee dat onvoldoende gestuurd wordt op reductie van CO2-uitstoot door de gebouwde omgeving in het CID. Dit geldt zowel voor bestaande gebouwvoorraad als voor de nieuwbouw in het gebied. De aanwezigheid van warmtenet-infrastructuur biedt mogelijkheden voor uitbreiding, verduurzaming, en koppeling met andere warmtebronnen en ontwikkelingen. Dit is een kans die in de context van de ontwikkeling van het CID meegenomen dient te worden. Een mogelijk knelpunt is de drukte in de ondergrond. Binnen en buiten het CID wordt al gebruik gemaakt van bodemwarmte door middel van (in elk geval) open systemen voor warmte-koude opslag (WKO). Nu nieuwbouw aardgasloos gerealiseerd moet worden, kunnen ontwikkelaars uitwijken naar de ondergrond als een bron van (duurzame) warmte. Aanvullende ontwikkelingen kunnen leiden tot suboptimaal gebruik van de ondergrond waarmee de efficiëntie van bestaande en nieuwe systemen onder druk kan komen te staan. Dit kan leiden tot aanvullende CO2-uitstoot door stijgend gebruik van elektriciteit voor warmte. De aanwezige warmtenetten kunnen een rol spelen in het verlichten van deze knelpunten door op warmteoplossingen op gebiedsniveau te organiseren.
Daarbij moeten verschillen in energievraag tussen nieuwbouw en bestaande gebouwvoorraad (temperatuurniveau, energievraag, koudevraag) wel in acht worden genomen en slim gekoppeld worden.
3.3.2
CO2-uitstoot door mobiliteit
De grootste kans op het gebied van mobiliteit binnen het CID is de mogelijkheid om vervoersstromen om te buigen naar andere modaliteiten door middel van gerichte investeringen in openbaar vervoer. Openbaar vervoer zal naar verwachting in 2040 namelijk geheel emissie-loos zijn. De uitstoot van CO2 door personenauto’s is de grootste directe bron van uitstoot in het gebied in de referentiesituatie (2040). Die resterende uitstoot is een bedreiging voor het behalen van de doelstelling klimaatneutraal in Den Haag. De stijging in vervoersvraag in de referentiesituatie draagt er aan bij dat deze doelstelling moeilijker te bereiken is. Bovendien is de gemeente wat betreft de CO2-uitstoot door particulier personen- en vrachtvervoer deels afhankelijk van landelijke en Europese politieke besluitvorming en technologische ontwikkelingen.
29 | 43
Witteveen+Bos | 110741/20-003.035 | Definitief
Met zijn ligging en belangrijke verkeersaders vormt het CID een toegangspoort voor Den Haag. Met een gerichte mobiliteitsstrategie in het CID kan een deel van de vervoersvraag in Den Haag omgebogen worden naar emissie-arme alternatieven zoals de tram. Te denken valt aan een mobiliteits-hub die verschillende modaliteiten en vervoersstromen met elkaar verbindt aan de rand van de stad, en waar mensen hun auto of vrachtwagen kunnen laten staan wanneer ze verder de stad inreizen. Door het gebruik van elektrische deelauto’s te stimuleren kan de gemeente CO2-uitstoot én parkeerruimte in het CID besparen. Mobiliteit is een gebied waarop de gemeente relatief veel invloed kan uitoefenen met slimme keuzes op het gebied van infrastructuur en de inzet van openbaar vervoer. Door zoveel mogelijk aan te sturen op lokale werkgelegenheid, emissie-arme alternatieven en een goede bereikbaarheid via het OV kunnen vervoersbewegingen met CO2-intensieve vervoersmiddelen (auto’s en vrachtauto’s) zo veel mogelijk beperkt worden.
3.3.3
CO2-uitstoot van het materiaalgebruik
Binnen het CID liggen kansen op het gebied van type te gebruiken bouwmaterialen. Hoogwaardig hergebruik van materialen, gerecyclede bouwmaterialen en duurzamer bouwmaterialen zijn in ontwikkeling. Het CID kan hierop inspelen door deze materialen te gebruiken voor de geplande werkzaamheden in het gebied. Voor het transport van bouwmaterialen kunnen eisen gesteld worden aan type transport waarmee vervoerd wordt. Op het gebied van slopen zijn er nog geen projecten met betrekking tot circulariteit gaande in Den Haag, terwijl binnen het CID komende jaren veel gesloopt zal worden. Hier ligt de kans om sloopmateriaal zo hoogwaardig mogelijk te hergebruiken, eventueel zelfs lokaal, en als innovator op te treden. De voornaamste bedreiging komt voort uit de plannen met betrekking tot bebouwing zelf. Deze hebben toegenomen ingaande en uitgaande materiaalstromen tot gevolg. Als er geen circulaire maatregelen worden genomen, gaat dat samen met een toegenomen CO2-uitstoot.