RIS306620 Bijlage Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan
Tekst van het document
Naast de riolering (van kolk tot aan de uitlaat), onderhoudt de gemeente zelf een deel van het oppervlaktewater in de stad (de hoofdwatergangen zijn in beheer bij het hoogheemraadschap, de overige watergangen bij de gemeente). De gemeente heeft de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de kades, beschoeiingen en duikers, maaien en krozen en het baggeren in de overige watergangen.
71
Grondwaterzorgplicht In artikel 3.6 van de Waterwet staat de invulling van de zorgplicht grondwater beschreven. De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor in het openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van het waterschap of de provincie behoort. Het voorkomen of beperken van negatieve gevolgen van een te hoge of te lage grondwaterstand kan door het beïnvloeden van de grondwaterstand (waterhuishoudkundige maatregelen zoals aanleg van drainage) of door het treffen van bouwkundige maatregelen. Om aan de zorgplicht grondwater te voldoen onderhoudt de gemeente een grondwatermeetnet en drainagesysteem op locaties waar de grondwaterstand daar aanleiding toe geeft. Deze drainagesystemen zijn aangesloten op sloten of watergangen.
Nationaal Bestuursakkoord Water Verschillende partijen, waaronder het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven, hebben in 2011 via het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) vastgelegd hoe het waterbeheer in Nederland doelmatiger kan worden ingericht. Deze partijen willen zich inzetten voor een mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van het watersysteem en waterketen door de kwaliteit van het waterbeheer te vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Partijen doen dit vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, waarbij expertise en deskundigheid waar mogelijk wordt gedeeld. Gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven geven via samenwerkingsverbanden gevolg aan het beleid van het NBW. Gemeente Den Haag zit in het samenwerkingsverband NAD waarin tien gemeenten, hoogheemraadschap van Delfland en drinkwaterbedrijf Vitens zijn vertegenwoordigd. De waterketen staat daarbij vanuit de zogenaamde drie K’s centraal: inhoudelijke kwaliteit, personele kwetsbaarheid en aanvaardbare maatschappelijke kosten. De in het verleden gestelde doelen zijn inmiddels grotendeels gehaald, momenteel vindt er een herbezinning plaats op de doelstellingen voor de komende periode. Naar verwachting zal klimaatadaptatie daarin een belangrijke rol krijgen.
Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) Vanuit het DPRA heeft de gemeente inspanningsverplichtingen die zijn vastgelegd in het landelijke bestuursakkoord Klimaatadaptatie van 20 november 2018. Hierbij horen maatregelen om de kwetsbaarheid van de stad te verlagen voor drie opgaven: te nat (overstroming en wateroverlast), te droog (wateronderlast) en te warm (hittestress). De aanpak is vertaalt via zeven concrete ambities (zie figuur b3.1) waarmee de totstandkoming van een water robuuste en klimaatbestendige inrichting wordt versneld. Het doorlopen van de zeven ambities is een repeterend proces: elke zes jaar moeten overheden hun kwetsbaarheden in beeld brengen en een uitvoeringsagenda opstellen om de kwetsbaarheden te verminderen.
72
Figuur b3.1 De zeven ambities uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA)
Regionaal Provinciale milieuverordening en Waterschapskeur Vanuit de provincie en het waterschap zijn respectievelijk de provinciale milieuverordening (PMV) en de Keur relevant. De PMV heeft vooral raakvlakken met dit beleidsplan als het gaat om lozing van waterstromen in de bodem als die plaatsvinden in gebieden die als grondwaterbeschermingsgebied zijn aangewezen. De Keur is een verordening waarin de regels zijn opgenomen die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (zoals gemalen en stuwen). Voor dit beleidsplan is de Keur relevant vanwege (onder andere) de samenhang met lozingswerken (overstorten en hemelwateruitlaten van rioolstelsels) en oppervlaktewaterpeilen.
Waterbeheerplan Het Waterbeheerplan van het hoogheemraadschap heeft een vergelijkbare functie als het GRP van de gemeente. In het Waterbeheerplan beschrijft het hoogheemraadschap van Delfland de strategie voor de uitvoering van haar vier wettelijke zorgplichten: de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Daarnaast behandelt het plan het financiële kader voor het uitvoeren van de taken om aan de zorgplichten te voldoen. Het huidige Waterbeheerplan is geldig voor de planperiode 2016-2021.
73
Watervisie van Delfland De Watervisie beschrijft de visie van het hoogheemraadschap voor de verschillende delen van haar beheergebied. De visie agendeert belangrijke ontwikkelingen die de komende jaren plaats vinden en maakt de waterbelangen daarin expliciet. De watervisie is een kader en gespreksinstrument om het waterbelang goed in te passen in de integrale Omgevingsvisies die in het kader van de Omgevingswet worden opgesteld.
Regionaal Waterplan Zuid-Holland Het regionale beleid voor het waterbeheer van de provincie Zuid-Holland voor de planperiode 2016-2021 is ondergebracht bij drie verschillende beleidsdocumenten: - De visie Ruimte en Mobiliteit (VRM). Hierin besteedt de provincie aandacht aan versterking van de samenwerking in de watersector. - De Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Hiermee draagt de provincie bij aan het halen van de doelstelling uit de Kaderrichtlijn Water. - Provinciaal Waterplan Zuid-Holland. Betreft het plan voor de planperiode 2010-2015, maar hiervan is in 2016 besloten dat deze ongewijzigd van kracht blijft. Het Provinciaal Waterplan heeft betrekking op waterveiligheid, water, natuur en vismigratie.
Convenant Klimaatadaptief Bouwen De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt kansen om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen.
In lijn met het DPRA is het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Den Haag heeft als één van de partners van begin af aan bijgedragen aan het ontwikkelen van onder andere het instrumentarium ‘Minimaal Programma van Eisen’ (zie www.zuid-holland.nl/onderwerpen/klimaat/klimaatadaptief en www.urbangreenbluegrids.com/ bouwadaptief).
74
Haagse nota’s en plannen Hieronder volgen enkele beleidsstukken die raakvlakken hebben met dit beleidsplan:
Agenda Ruimte voor de Stad (vastgesteld in 2016) Deze visie beschrijft de Haagse ambitie van verdichten, vergroenen en verduurzamen en kwantificeert de opgaven voor de huisvesting en de kwaliteit van de buitenruimte. Het document presenteert vervolgens de visie van de gemeente voor een duurzame ontwikkeling van de verschillende stadsdelen.
Haagse Iconen: Integratie voor de groenblauwe structuren in de Stad (vastgesteld in 2019) Deze rapportage geeft een verdere invulling aan de ontwikkelingen uit de Agenda Ruimte voor de Stad voor de groenblauwe structuren in Den Haag. De rapportage beschrijft de knelpunten die in de stad aanwezig zijn op gebied van klimaatbestendigheid, sociale cohesie en de nabijheid van groen. Vervolgens komen projecten, kansen en ideeën aan bod die bijdragen aan versterking van de groenblauwe structuur van de stad.
Nota Haagse Hoogbouw: Eyeline en Skyline (vastgesteld in 2016) De inzet van deze nota is om de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid van de stad te waarborgen door het stellen van regels en ambities voor het toepassen van hoogbouw. Voorbeelden hiervan zijn de regel dat nieuwbouwontwikkelingen worden aangelegd zonder negatieve effecten op de waterhuishouding en de ambitie om zoveel mogelijk groen in en rond de gebouwen toe te passen.
Central Innovation District (CID, zie paragraaf 4.5). Nota Duurzaamheid: schone energie in een groene stad (vastgesteld in 2019) Samen met de inwoners van Den Haag werkt de gemeente aan een stad die schoner, groener en duurzamer wordt. Zo wordt duurzaam denken én doen een nog belangrijker onderdeel van de Haagse mores: duurzaam is de nieuwe norm. Als gemeente maken we duurzame ontwikkeling hanteerbaar door ons te richten op vier thema’s: de overgang naar schone energie, een aantrekkelijke en klimaatadaptieve leefomgeving, schone mobiliteit en het hergebruik van grondstoffen.
Agenda Groen voor de stad In de agenda groen wordt het openbaar groen als waterbuffer benoemd om schade en overlast als gevolg van klimaatverandering te voorkomen.
Nota Stadsnatuur (vastgesteld in 2020) De Nota Stadsnatuur is een uitwerking van de Agenda Groen. Robuuste stadsnatuur vormt een belangrijke bijdrage voor de totale kwaliteit van de natuur en vormt een buffer voor de natura-2000 gebieden. Met de Nota Stadsnatuur geeft de gemeente lokaal invulling aan de landelijke ambitie, bouwen we voort op de vorige Nota Ecologische Verbindingszones 2008-2018 (RIS 159450) en de ambities zoals deze zijn genoemd in de Agenda Groen voor de Stad (RIS 294705).
Resilience Strategie De Haagse Resilience Strategie is in 2019 gepresenteerd en helpt om onze stad en de veerkracht van bewoners, gemeenschappen, instellingen en bedrijven en systemen te versterken zodat ze beter bestand zijn tegen toekomstige shocks en stresses. Een veerkrachtige stad is niet alleen voorbereid om shocks en stresses te overleven, maar is ook in staat om daarna te groeien en te floreren. Als we nu investeren in veerkracht en niet wachten tot het noodlot toeslaat, kunnen we zowel in goede als in slechte tijden voordeel halen uit de investeringen. Door bijvoorbeeld te investeren in groen in onze stad verminderen we onze kwetsbaarheid voor hittegolven en hevige regenval én wordt onze lucht gezuiverd en wordt de stad aantrekkelijker, waardoor onze levenskwaliteit er op vooruit gaat. 75
Bijlage 4 Gebiedsgerichte aanpak Om de effecten van ontwikkelingen op het watersysteem te bekijken is in de nota Toekomstbestendig Haags Water een gebiedsgerichte aanpak voorgesteld en uitgewerkt. Deze gebiedsgerichte aanpak kan ook gebruikt worden voor de afwegingen die gemaakt worden bij het afkoppelen van verhard oppervlak, het infiltreren in de bodem en het ontharden van een gebied. De belangrijkste uitgangspunten voor de gebieden zijn in Bijlage 4 overgenomen. In de beschrijving wordt onderscheid gemaakt in het boezemgebied en de polders. Het boezemgebied voert onder vrijverval af op de boezem. De polders worden bemalen en zijn afgebakende en zelfstandige watersystemen.
Boezemgebied Het boezemgebied bestaat uit de volgende deelgebieden: Centrum, Duindorp-Vogelwijk/Haagse Beek, Loosduinen en Scheveningen.
Centrum In het centrum moet vooral worden ingezet op het vasthouden van regenwater (groene daken etc.) en afkoppelen naar oppervlaktewater.
Duindorp-Vogelwijk/Haagse Beek De sterk doorlatende ondergrond leent zich goed voor infiltratie in de bodem. Voor bouwplannen en ontwikkelingen dient op andere en duurzame wijze omgegaan te worden met regenwater.
Loosduinen De sterk doorlatende ondergrond leent zich goed voor infiltratie in de bodem. Voor bouwplannen en ontwikkelingen dient op andere en duurzame wijze omgegaan te worden met regenwater. In de nabijheid van oppervlaktewater is afkoppelen mogelijk.
Scheveningen De sterk doorlatende ondergrond leent zich goed voor infiltratie in de bodem. Voor bouwplannen en ontwikkelingen dient op andere en duurzame wijze omgegaan te worden met regenwater.
76
Polders Eshofpolder Met de ruime aanwezigheid van oppervlaktewater bij uitstek geschikt om af te koppelen.
Noordpolder Afvoer van regenwater naar bepaalde locaties die tijdelijk dienst doen als waterberging. Vertraagd afvoeren van regenwater naar het oppervlaktewater. Benutten van kansen in de openbare ruimte om het oppervlaktewater te verbeteren.
Binckhorstpolder Verminderen van de hoeveelheid en inkorten van lange bestaande duikers. Vasthouden van regenwater bij herontwikkelingen. In de wijk Mariahoeve: Voor bouwplannen en ontwikkelingen dient op andere en duurzame wijze omgegaan te worden met regenwater.
Oostmadepolder Infiltratie in de bodem is beperkt mogelijk. Aandacht voor waterberging als meerwaarde voor het gebied.
Tedingerbroekpolder Aandacht voor vasthouden en bergen van water.
Wateringseveld Aandacht voor vasthouden en bergen van water.
77
Bijlage 5 Nadere invulling grondwaterzorgplicht Deze bijlage beschrijft de invulling van de gemeentelijke grondwaterzorgplicht in meer detail.
Verantwoordelijkheden: wie treft welke maatregelen? Het grondwater in het stedelijk gebied is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van particulieren, de gemeente, het waterschap en de provincie. Maatregelen in het stedelijk gebied in verband met hoge grondwaterstanden hangen samen met deze verantwoordelijkheden. De grondwaterstand wordt beïnvloed door verschillende factoren. Natuurlijke omstandigheden zoals langdurige perioden van regenval of juist van droogte; deze zijn door de mens niet te beïnvloeden. De mate waarin een gebied verhard is, de keuze van bomen, struiken en andere groenvoorzieningen hebben invloed op de grondwaterstand.
Verantwoordelijkheid particulieren/perceeleigenaren De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het grondwater op het eigen terrein. In principe zou dankzij de door de gemeente gehanteerde richtwaarde voor het grondwater in de openbare ruimte, iedere woning met een kruipruimte met een gemiddelde diepte hier doorgaans geen water in moeten aantreffen. Van kelders en souterrains die als verblijfsruimten zijn ingericht, moet de constructie waterdicht zijn. Voorgaande staat ook in het vigerend Bouwbesluit omschreven. Bouw- en woonverordening 1920
Artikel 61 § 1. Alle grondkerende muren en vloeren van verdiepingen beneden peil, kelders inbegrepen, moeten waterdicht worden vervaardigd van dezelfde bouwstoffen, als in artikel 62 voor trasramen is voorgeschreven.
Bouwbesluit online 2012
Artikel 3.21 Wering van vocht van buiten 1. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht. 2. Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed ijn op het kunnen binnendringen van vocht in het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.
78
Verantwoordelijkheid gemeente De gemeente heeft een zorgplicht voor grondwater in de openbare ruimte. De gemeente kan door het aanleggen en onderhouden van drainagesystemen de grondwaterstand beïnvloeden. Wanneer sprake is van structureel nadelige gevolgen (grondwateroverlast of -onderlast) voor de aan de grond gegeven bestemming kan de gemeente indien doelmatig, in de openbare ruimte maatregelen nemen. Als de gemeente werkzaamheden in de ondergrond heeft, vindt een inschatting plaats van eventueel negatieve gevolgen op de grondwaterstand. Als deze er zijn kan de gemeente compenserende maatregelen nemen. Een belangrijk gegeven is dat van de gemeente niet wordt verwacht dat een bepaalde grondwaterstand wordt vastgelegd of gegarandeerd. Juridisch beschouwd geldt dan ook dat de gemeente ten aanzien van diepe bouwconstructies niet gehouden is tot het treffen van grondwaterstand regulerende maatregelen.
Verantwoordelijkheid hoogheemraadschap Door peilbeheer in boezem- en polder watergangen draagt het hoogheemraadschap van Delfland bij aan het beheersen van de grondwaterstanden.
Verantwoordelijkheid provincie De provincie is verantwoordelijk voor de algemene kaders waarbinnen waterschappen en gemeenten moeten werken en voor de kwaliteit van het grondwater. De provincie is direct verantwoordelijk voor het grondwater in de diepere lagen van de stad. De provincie is bevoegd gezag voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van een drietal specifieke grondwateronttrekkingen (art. 6.4 Waterwet): a)
Industriële grondwateronttrekkingen groter dan 150.000 m3/jaar;
b)
Grondwateronttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening;
c)
Onttrekkingen in het kader van open bodemenergiesystemen.
Invulling grondwaterzorgplicht De gemeentelijke grondwaterzorgplicht is in de waterwet als volgt geformuleerd (Waterwet artikel 3.6 lid 1): De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de beheerder of de provincie behoort. Voor de invulling van de grondwaterzorgplicht geven we hieronder een stappenplan waarmee de verschillende stappen kunnen worden ingevuld. Per stap geven we uitleg over de invulling van de afweging.
79
Stap 1: Identificeren van locaties met mogelijke grondwaterproblemen Deze stap bestaat uit het identificeren van locaties waar mogelijk ‘structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming’ optreden. Hiervoor wordt in stap 1a-c gekeken naar locaties waar veel meldingen binnenkomen, hoge grondwaterstanden optreden of lage grondwaterstanden optreden. Met deze aanpak kan de gemeente zelf proactief probleemlocaties signaleren. Daarnaast komen door meldingen ook eventuele andere overlastlocaties aan het licht. Wanneer de waarderichtwaarde wordt overschreden, zoekt de gemeente naar de oorzaak van de hoge of lage grondwaterstand, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een grondwateronderzoek. Echter, er is geen oplossingsverplichting, omdat er niet altijd direct sprake is van een probleem. De gemeente beschouwt grondwateronderlast of -overlast als structureel te lage of te hoge grondwaterstanden optreden en blijkt dat dit de gebruiksfunctie aantast (stap 2). Stap 1a: veel meldingen In beeld brengen van locaties waar veel meldingen over grondwater over- of onderlast zijn gedaan. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van de meldingen zoals binnengekomen via het gemeentelijk loket. Stap 1b hoge grondwaterstanden: In beeld brengen waar de grondwaterstand structureel hoog is.
Er is volgens de gemeente sprake van een structureel hoge grondwaterstand[1] indien de gemeten representatieve hoogste grondwaterstand (RHG) voor een gebied langdurig (gedurende meer dan 30% van de tijd van een jaar) hoger is dan de richtwaarde van 70 cm onder de openbare ruimte (zie stap 2 voor uitleg richtwaarde). Indien geen langjarige metingen beschikbaar zijn in de buurt, zal met behulp van data van nabije meetpunten en uit het actuele grondwatermodel van de gemeente Den Haag uitsluitsel worden gegeven. Met een meetnet van meer dan 600 punten en een gedetailleerd en goed gekalibreerd model voor heel de stad kan tot op straatniveau en in beperkte tijd een betrouwbaar beeld worden verkregen. Als representatieve hoogste grondwaterstand (RHG) geldt de meetwaarde die 10% van de tijd wordt overschreden. Stap 1b lage grondwaterstanden: in beeld brengen waar de grondwaterstand afwijkend laag is. Op dit moment zijn er te weinig funderingsgegevens samengebracht om op basis van de diepte van eventuele houten paalfunderingen een richtwaarde voor een structureel te lage grondwaterstand op te stellen. Daarom hanteert de gemeente een signaleringswaarde. De gemeente hanteert de volgende signaleringswaarde voor het optreden van afwijkend lage grondwaterstanden: •
het optreden van trendmatige verlagingen (dit moet dan blijken uit de jaarlijkse meetnetanalyse),
•
De meting wijkt af van de verwachtingen volgens het gemeentelijk grondwatermodel,
•
En/of de meting wijkt significant af van de omringende peilbuizen.
Uitleg: droogte Uit de droogtestudie (Aveco de Bondt 2020) blijkt dat in Den Haag ook risico’s bestaan met betrekking tot het optreden van te lage grondwaterstanden. Het beleid is daarom ook gericht op het tijdig signaleren van verlagingen van de grondwaterstand. Grondwateronderlast in de vorm van droogstand van houten paalfunderingen en de gevolgen van bodemdaling treden vaak traag en onopgemerkt op, vaak jarenlang zonder zichtbare schade. Het probleem wordt pas zichtbaar als de vaak grote en onomkeerbare schade al is opgetreden. Als er klachten komen, kan het al te laat en zijn ingrijpende maatregelen nodig. Daarom zijn meldingen van grondwateronderlast geen vereiste om grondwateronderlast te beschouwen. 80
Stap 2: Identificeren problemen Identificeren of ‘structureel nadelige gevolgen’ optreden: Is er een probleem? En identificeren of deze nadelige gevolgen ‘door de grondwaterstand’ worden veroorzaakt. Komt het door grondwater? Of is het bijvoorbeeld een bouwkundig probleem? Stap 2a zijn er nadelige gevolgen In beeld brengen of de hoge of lage grondwaterstanden in het openbare gebied, zoals gesignaleerd in stap 1, leiden tot aantoonbare structureel nadelige gevolgen voor de perceelfuncties. Er is volgens de gemeente sprake van nadelige gevolgen, indien omstandigheden optreden die tot volksgezondheidsproblemen, schade aan constructies en/of economische schade leiden. Voorbeelden zijn aantasting van een houten vloerconstructie, optrekkend vocht in muren, schimmel in verblijfruimten, aantasting van funderingen en verzakkingen. Stap 2b én komt het door grondwater Getoetst wordt of de nadelige gevolgen niet worden veroorzaakt door gebrekkige constructies en bouwkundige gebreken. Verblijfsruimten dienen daarbij dan ook te voldoen aan de bouwregelgeving. Het beleid van de gemeente ten aanzien van wateroverlast in (bestaande) kelders en souterrains is gebaseerd op het uitgangspunt dat de woningeigenaar zelf verantwoordelijk is voor de waterdichtheid van kelders en souterrains.
Volgens het bouwbesluit 2012 dienen kelders die dienen als verblijfruimte en de onderkant van het huis waterdicht te zijn. De eigenaar is ook verantwoordelijk voor het op hoogte houden van tuinen en de bodem van de kruipruimte om overlast te voorkomen. Richtwaarde voor toetsing De gemeente hanteert voor openbare wegen een richtwaarde voor de ontwatering van 70 cm. Deze is afgestemd op de gewenste ontwatering bij woningen met een standaard kruipruimte diepte. Parken hebben over het algemeen hun eigen unieke ontwateringsysteem. De vegetatie is vaak erg gevoelig ten aanzien van de ontwateringsdiepte. Deze aspecten in overweging genomen, zijn ontwateringscriteria voor parken hier buiten beschouwing gelaten; dit betreft maatwerk. De richtwaarde van 70 cm onder de openbare weg is afgestemd op de ontwatering op het particuliere terrein. Een kruipruimtediepte van 50 cm is gebruikelijk voor een woning. Bij woningen met gangbare kruipruimtediepen kan zo een droge kruipruimte gegarandeerd worden. Dat geldt niet voor particulieren met een (veel) diepere kruipruimte dan 50 cm. Deze richtwaarde is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: •
een constructievloer van de woning van circa 20 cm dik
•
een kruipruimte bodem van circa 50 cm onder de vloer
•
een droge grondlaag(grofzandig) van 20 cm onder de kruipruimtebodem
•
het vloerpeil 20 cm hoger is dan het maaiveld
•
dit resulteert in een grondwaterstand van 70 cm onder maaiveld
81
Met een richtwaarde van 70 cm onder het midden van de straat kunnen bestaande overige functies gegarandeerd worden (bijvoorbeeld voor groen, wegen, kabels en leidingen) en wordt verdroging van de stad beperkt. Een vochtige of natte kruipruimte geeft een risico op overlast in de gebruiksruimten, indien de gevels en/of begane grondvloeren onvoldoende dampdicht zijn bij water in de kruipruimte. Grondwater in de kruipruimte op zich veroorzaakt niet altijd nadelige gevolgen, alleen als het vocht doordringt naar bovenliggende verblijfsruimtes en/of de bebouwing aantast. Bij nieuwbouwwoningen (bouwjaar na 1992) mag een vochtige of natte kruipruimte niet leiden tot vochtoverlast in de woning conform het Bouwbesluit van 2012. Er kunnen echter wel problemen ontstaan met aantasting van leidingen, de bereikbaarheid van de kruipruimte en ongedierte. Is er toch sprake van wateroverlast op de begane grond, veroorzaakt door lekkage van de vloer of wanden, dan is er sprake van een bouwtechnisch gebrek.
Figuur b5.1: richtwaarde voor grondwaterstanden ten opzichte van een kruipruimte in bestaand bebouwd gebied, specifiek voor hoge grondwaterstanden
82
Stap 3: Identificeren verantwoordelijkheid Beoordelen of het treffen van maatregelen ‘niet tot de zorg van de beheerder of de provincie behoort’: Is de gemeente verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen? Daarbij geldt het volgende: • Het waterschap is de wettelijke (grond)waterbeheerder. Het waterschap beheert het oppervlaktewater en is bevoegd gezag voor (de meeste) grondwateronttrekkingen. Door middel van haar polder- en boezempeilbeheer geeft het waterschap de randvoorwaarden waarbinnen invulling wordt gegeven aan de grondwaterzorgplicht; • De gemeente beheert het grondwater in het openbare gebied, en is het aanspreekpunt voor grondwateroverlast. Indien doelmatig, treft de gemeente grondwaterregulerende maatregelen als er sprake is van structurele overlast in het openbare gebied. De gemeente heeft hierbij een inspanningsverplichting; • De perceeleigenaar beheert het grondwater op het eigen terrein. Hij neemt zelf de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander, particulier of overheid.
Daarnaast is de perceeleigenaar, conform het Bouwbesluit 2012, verantwoordelijk voor het waterdicht maken van zijn verblijfsruimten, zodat eventuele hoge grondwaterstanden niet leiden tot overlast in de verblijfsruimten.
Hoogheemraadschap
Gemeente
Burger
Figuur b5.2: Schema van de taakverdeling in het grondwaterbeheer (geïnspireerd op figuur Delfland)
83
Stap 4: Bepalen doelmatigheid maatregelen Beoordelen of ‘het treffen van maatregelen in het openbaar gemeentelijke gebied doelmatig is’. Heeft een maatregel in openbaar terrein effect ook op particulier terrein, lost een maatregel het probleem echt op, zijn de kosten in verhouding tot het probleem? Een hoge grondwaterstand (stap 1) alleen maakt een maatregel in de openbare ruimte niet doelmatig. Er moet ook een grondwaterprobleem geconstateerd zijn (stap 2), dat tegen acceptabele kosten kan worden bestreden met maatregelen in de openbare ruimte. Daarom is doelmatigheid het criterium voor maatregelen, niet een bepaalde grondwaterstand. De gemeente beoordeelt de doelmatigheid van grondwatermaatregelen locatie specifiek op basis van de volgende overkoepelende criteria: A. Er is een probleem: structureel nadelige gevolgen door een te hoge of te lage grondwaterstand (stap 1 en 2). B. De maatregel heeft nut: vanuit de openbare ruimte kan effect voor de (particuliere) percelen met overlast worden bereikt (stap 5a). C. De maatregel is kosteneffectief: De hiermee gemoeide investerings- en exploitatiekosten van maatregelen staan in verhouding met (eventueel toekomstige) kosten van maatregelen door perceeleigenaren of eventueel te verwachten kosten voor schades (stap 5b). Als alle drie de criteria zich voordoen, is een maatregel in de openbare ruimte doelmatig.
Stap 4a bepalen of de maatregel nut heeft De maatregelen op het openbare terrein hebben nut als deze daadwerkelijk de structureel nadelige gevolgen bestrijden. De maatregel moet dus effect hebben op de overlast of onderlast op particulier terrein en niet alleen op de hoge of lage grondwaterstand op openbaar terrein. Dit kan direct, bijvoorbeeld via een grondwaterstandverandering in de openbare ruimte, of indirect bijvoorbeeld via een afvoer of aanvoermogelijkheid waarop particulieren kunnen aansluiten. Belangrijk hierbij is dat de maatregel op openbaar terrein aansluit bij een voor de omgeving passend grondwaterpeil op openbaar terrein. Hierbij houdt de gemeente rekening met de mogelijke risico’s bij het verhogen of verlagen van de grondwaterstand voor aanvullende/nieuwe overlast en onderlast (droogstand/zettingen/natuurschade). Stap 4b bepalen of de maatregel kosteneffectief is De (globale) investerings- en beheerkosten van de maatregelen zijn in verhouding met het effect en de kosten van maatregelen binnen particuliere percelen (zoals bouwkundige maatregelen of drainage op eigen perceel, door de perceeleigenaren zelf uit te voeren) of eventueel te verwachten kosten voor schades. Stap 4c bepalen passende maatregelen De gemeente stelt de doelmatigheid van maatregelen situationeel vast en legt deze uit op basis van de bovenstaande omstandigheden.
Indien maatregelen in de openbare ruimte niet doelmatig zijn, informeert de gemeente hoe particulieren in algemene zin zelf maatregelen kunnen treffen tegen grondwateroverlast/-onderlast.
84
Ingrepen waardoor de grondwaterstand wordt beïnvloed Voorafgaand aan ingrepen in de openbare ruimte waarbij je een obstructie in het grondwater aanbrengt of wegneemt (zoals bijvoorbeeld kelders of damwanden), en/of meer water aanvoert of afvoert naar het grondwater (zoals infiltratievoorzieningen, vergroening), moet worden gekeken naar de invloed op het grondwater, en moet de doelmatigheid van eventuele mitigerende maatregelen worden overwogen. Hierbij kan bijvoorbeeld de richtwaarde als toetswaarde voor de ontwateringsdiepte van 70 cm worden gehanteerd. Voor eventueel nadelige gevolgen is nadeelcompensatie zoals geformuleerd in de waterwet van toepassing.
Voorkomen grondwaterproblemen bij werken in de openbare ruimte Bij werkzaamheden door de gemeente of derden in bestaand stedelijk gebied mag de uitvoerende partij geen grondwateroverlast en -onderlast veroorzaken. Voorbeelden van werkzaamheden die invloed kunnen hebben op de grondwaterstand zijn: •
vervanging van een onbedoeld lekkend riool door een nieuw waterdicht riool of relining;
•
herinrichting van de openbare ruimte (wijziging van het verhardingspercentage);
•
uitbreiding van bebouwing, bijvoorbeeld de aanleg van een ondergrondse parkeergarage;
•
aanleg overige ondergrondse constructies, bouwkuipen, damwanden;
•
infiltratie van afstromend hemelwater (afkoppelen).
De gemeente vraagt de initiatiefnemer van de uit te voeren werkzaamheden om aan te tonen dat er geen risico is op grondwateroverlast dan wel grondwateronderlast door de werkzaamheden of dat zij daartegen afdoende maatregelen hebben genomen. Bouw en Woningtoezicht toetst (eventueel in overleg met Beheer) of de werkzaamheden een nadelige invloed hebben op de omgeving. Voor de bovenstaande stappen is grond-wateronderzoek nodig. Daarnaast bestaat bij renovatie van de openbare ruimte de kans dat het project grondwateroverlast en -onderlast veroorzaakt. Bijvoorbeeld door het vervangen van de bestrating door een waterdoorlatende verharding of het tijdelijk bemalen van grondwater. Als voorbereiding op werken is grondwateronderzoek nodig, om te beoordelen en vast te leggen of het doelmatig is om gelijktijdig drainage aan te leggen en of maatregelen tegen schade door bemaling te treffen. Onderhoud aan structuren in de openbare ruimte kunnen invloed hebben op de grondwaterstand. Bijvoorbeeld bij het vervangen van een lek riool door een waterdicht riool kan leiden tot een verhoging van de grondwaterstand. De gemeente ziet dit als het herstellen van de oorspronkelijke situatie. Dit neemt niet weg dat de gemeente altijd motiveert en communiceert of grondwatermaatregelen doelmatig zijn volgens haar beleid (zie 2.4).
“Er is jurisprudentie over het ontstaan van grondwateroverlastproblemen door het vervangen van lekke riolen die jarenlang als een drainage werkten. De rechtbank Amsterdam vond dat de vervanging van een oud lekkend riool hooguit leidde tot het herstel van de oude normale waterhuishoudkundige situatie (natuurlijke toestand). De woningen van de procederende eigenaren zouden hiertegen bestand moeten zijn. De rechtbank wijst daarbij op bouwkundige gebreken ofwel op de eigen verantwoordelijkheid van eigenaren voor de bouwkundige staat van hun huizen.”
85
Grondwatereffecten bij werken door derden Ook (uitvoerings)werken door derden kunnen grondwateroverlast of -onderlast veroorzaken, zoals bij de bouw van kelders/parkeergarages of overige ondergrondse constructies (bouwputten, damwanden). Het gaat dan om tijdelijke effecten tijdens de bouwfase, maar ook permanente effecten in de gebruiksfase. Het voorkomen van grondwateroverlast is goedkoper dan het (achteraf) oplossen van grondwateroverlast. Daarom beoordeelt de gemeente bij de (toetsing van de) voorbereiding van geplande werkzaamheden en wijzigingen in bestaand bebouwd gebied hoe toekomstige grondwaterproblematiek (overlast en onderlast) kan worden voorkomen en of eventuele bestaande grondwaterproblematiek kan worden verholpen. De gemeente vraagt de initiatiefnemer van de werkzaamheden om aan te tonen dat er geen risico is op grondwateroverlast of -onderlast door de werkzaamheden in zowel de gebruiks- als bouwfase, of dat er afdoende maatregelen zijn genomen. In het kader van omgevingsvergunningen toetst Bouw en Woningtoezicht (in overleg met Beheer) of door de aanvrager voldoende onderzoek is gedaan naar de effecten van bouwwerken op de grondwaterstand. Het kader hiervoor is de omgevingsvergunning, hiertoe is het belangrijk dat de gemeente concrete grondwaterrandvoorwaarden (doelomschrijvingen) opneemt in het bestemmingsplan en/of de exploitatieovereenkomst.
Het waterschap is bevoegd gezag voor het onttrekken van grondwater. Voor het onttrekken van grondwater moet een vergunning worden aangevraagd (dan wel een melding worden gedaan). Het waterschap ziet erop toe dat de bemaling door derden geen nadelige gevolgen heeft voor de omgeving.
Voorkomen grondwaterproblemen bij nieuwbouwontwikkelingen Nieuwbouw biedt bij uitstek de kans om de omgeving aan te passen aan de grondwatersituatie en anderszins om de grondwatersituatie te verbeteren. Daarom is juist bij nieuwbouw veel aandacht nodig voor grondwater. Dat is niet alleen nodig om grondwaterproblemen in de beheerfase te voorkomen en daarmee onnodige investeringen en onrust onder bewoners te voorkomen, maar ook omdat het conform de Waterwet wettelijk verplicht is. Richtlijnen ten aanzien van bouwrijp maken en streefwaarden ontwatering De gemeente streeft ernaar om nieuwbouw en de inrichting van de openbare ruimte zoveel mogelijk bestand te maken tegen de lokale hydrologische situatie en de gevolgen van klimaatverandering (hevige neerslag, toename van kwel, droogte) en maaivelddaling. Er is dan sprake van een duurzame wijze van het bouwrijp maken. De vloerconstructies van nieuwbouwwoningen worden in toenemende mate dikker vanwege isolatie. Indien de gemeente het maaiveld niet laat ophogen, komt de kruipruimte hierdoor steeds dieper te liggen ten opzichte van de (grond)waterstand. Om kruipruimtes in dat geval droog te houden (hetgeen overigens niet per se hoeft uitgaande van het Bouwbesluit), is een ontwateringsdiepte van meer dan 1 meter nodig.
Een dergelijke grote ontwateringsdiepte is ongewenst in verband met zettingen en het onnodig afvoeren van grondwater en daarmee het belasten van het watersysteem. Uitgangspunt is dat de gemeente in beginsel geen drainage toepast indien de ontwateringsdiepte groter is dan de richtwaarde.
86
Bestemmingsplan en exploitatieovereenkomsten De tendens is dat steeds minder regels worden gesteld. Daarom is het steeds belangrijker om in exploitatieovereenkomsten, bestemmingsplannen, vergunningen, et cetera, vastgelegde onderlinge afspraken tussen beheer, ruimtelijke ordening en marktpartijen vast te leggen. Er is steeds meer maatwerk en afstemming tussen stakeholders nodig. Als gevolg daarvan is er meer en meer aandacht nodig voor bewustwording ten aanzien van het bouwen in natte gebieden en zettingsgevoelige veengebieden. Watertoets alleen is onvoldoende: bestemmingsplannen en omgevingsplan De watertoets is een belangrijk procesinstrument om de waterbelangen een plek te geven bij ruimtelijke plannen. Het resultaat van dit proces, de waterparagraaf in het bestemmingsplan, heeft echter geen juridische status waarmee handhaving mogelijk is. Daarvoor is een vertaalslag nodig naar regels in het bestemmingsplan en eisen in exploitatieovereenkomsten. Exploitatieovereenkomst De controle en sturing op ontwerpen en een vakbekwame uitvoering ervan is een essentieel onderdeel van een duurzaam grondwatersysteem, alsook de controle en handhaving van de door derden ontwikkelde gebieden/locaties. De exploitatieovereenkomst volgens de Grondexploitatiewet (nieuwe wet Ruimtelijke Ordening) vormt daarvoor het middel.
In de overeenkomt ligt de focus op het behalen van doelresultaten; de wijze waarop ze worden behaald blijft, in overleg met de gemeente, aan de uitvoerende partij.
87
Differentiatie van de richtwaarde van 70 cm Zoals reeds is toegelicht heeft de gemeente gekozen voor een richtwaarde in de openbare ruimte die gebaseerd is op de meest voorkomende straatprofielen en bouwwijzen waarbij met een richtwaarde van 70 cm onder het midden van de straat, de kruipruimte nog net droog staat. In deze situatie kunnen bestaande overige functies gegarandeerd worden en wordt verdroging van de stad met alle gevolgen van dien voorkomen. In de praktijk ligt de richtwaarde voor de meeste gemeenten die hun grondwaterzorg hebben opgepakt rond de 70 cm, met in veengebieden regelmatig afwijkingen naar beneden en in enkele gevallen (met name op hoofdwegen) afwijkingen naar boven tot 80 of 90 cm. Hoewel de wetgeving hierover duidelijk is (memorie van toelichting bij artikel 3.6 van de Waterwet) sluiten diverse gemeenten ten overvloede wateroverlast in ondergrondse constructie uit van hun definitie voor grondwateroverlast. Voorbeelden van gemeenten met een richtwaarde die (nagenoeg) vergelijkbaar is met Den Haag zijn: Rotterdam, Haarlem, Amersfoort, Noordwijk, Amsterdam en Utrecht Regelmatig klinkt een roep om differentiatie van de richtwaarde. Dit komt voort uit de behoefte van huiseigenaren om hun kelders op hoger gelegen zandgronden droog te houden. De ontwateringsdiepten (ofwel, de gevraagde nieuwe richtwaarde) zouden daarvoor op 2 m of meer uitkomen.
Aanmerkelijk meer dan de vigerende richtwaarde van 70 cm. Een wijziging zou beleidsmatig een behoorlijke, ingrijpende verandering betekenen. Nog afgezien van de vraag of andere overheden hiermee zouden kunnen instemmen (de effecten zouden zich kunnen manifesteren als extra zoutwaterintrusies tot ver in het achterland) en het gegeven dat hiermee voorbij wordt getreden aan hetgeen de wetgever in de toelichting bij artikel 3.6 in de Waterwet over de doelmatigheidsafweging heeft bedoeld, kan dit ook leiden tot grote risico’s voor de overige bebouwing in de stad. Daarnaast is de vraag welke risico’s een diepere ontwatering heeft op bouwkundige constructies als de fundering. Belangrijk is dat een dergelijke vergaande differentiatie een grote mate van ongelijkheid schept tussen gebieden. In sommige gebieden lijkt het technisch realiseerbaar om zonder mogelijk grote risico’s voor functies in het gebied zelf waterstanden op grote diepte te reguleren. Daarmee kan wateroverlast in lekke kelders aanmerkelijk worden verminderd. Of dit tot een algehele en voor altijd geldende (duurzame) oplossing leidt, is maar zeer de vraag. Daar komt bij dat de kosten voor een oplossing in de openbare ruimte hoger liggen dan de gezamenlijke kosten die eigenaren moeten nemen om hun verantwoordelijkheid zelf op te pakken.
De gemeente continueert het beleid en de aanpak zoals ook in eerdere plannen omschreven. De gehanteerde richtwaarde is hier essentieel onderdeel van. Een wijziging van dit beleid en/of aanpak is in strijd met het criterium van doelmatigheid en laagst maatschappelijke kosten. De gemeente besteedt daarbij veel aandacht aan het grondwater en in voorkomende gevallen aan grondwaterproblemen. De communicatie met de inwoners is daar een belangrijk onderdeel van.
88
Grondwatermeetnet Den Haag beschikt over een uitgebreid meetnet en de meetwaarden daarvan zijn voor iedereen online te raadplegen op www.grondwaterdenhaag.nl. De grondwaterstanden in de stad wordt gevolgd door een meetnet van 614 meetpunten. Dit meetnet wordt handmatig eenmaal in de 6 weken bemeten. Op deze wijze is het mogelijk om de ontwikkelingen in de grondwaterstand door de seizoenen en over de loop van jaren heen goed te volgen. De metingen dienen daarbij ook om een gedetailleerd grondwatermodel te voeden dat tot op straatniveau nauwkeurig inzicht kan bieden in de werking van het grondwatersysteem. De gemeente hanteerde als uitgangspunt dat grondwaterstanden structureel een bepaald niveau bereiken wanneer dit jaarlijks in de natte periode voor minimaal twee metingen achter elkaar (een periode van ongeveer 9 weken) het geval is. Naast de handmatige bemeten punten beschikt de gemeente ondertussen ook over een 50-tal continu registrerende meetpunten. Hiermee kan het verloop van grondwaterstanden doorlopend worden gevolgd en daarmee is de definitie van structureel voor deze punten verfijnd.
89
Bijlage 6 Grondwater- en bodemgerelateerde zaken Visie op de ondergrond In 2019 heeft een tussentijdse evaluatie van het Meerjarenprogramma Bodem plaatsgevonden. Uit deze evaluatie blijkt dat de druk op de ondergrond toeneemt. We willen steeds meer functies kwijt in de ondergrond, maar ruimtelijke visie en planvorming daarover ontbreekt. Dit maakt dat het in de nabije toekomst niet meer mogelijk is om van alle gewenste functies van de ondergrond gebruik te maken. Of makkelijker gezegd: als we zo door gaan, past wat wij willen niet in de ondergrond. We kunnen dit voor zijn door nu te beginnen met het creëren van eigenaarschap over de bodem en het ontwerpen van een visie op de ondergrond. Er werken veel verschillende mensen aan of met de bodem in Den Haag en ze hebben allemaal een beeld van wat er nodig is voor hun eigen opgave. De verbinding ontbreekt echter. Het is niet duidelijk wie de ondergrond als systeem beheert en wat de visie daarbij zou kunnen zijn. Op de werkvloer is consensus over de noodzaak van zo’n visie, die betrekking heeft op zowel projecten als op de bodem als systeem. Samenhang over het gebruik, de bescherming en het beheer van de ondergrond is een gemeenschappelijke wens en actueel gezien de opgaven waar de stad voor staat.
De wens tot een samenhangende visie op de ondergrond wordt gedeeld door zowel de mensen die bezig zijn met de voorgenomen inbreidingen, de beheerders van ondergrondse infrastructuur, de mensen die zich voorbereiden op de uitwerking van de transitie naar duurzame energie en warmte, de medewerkers die werken aan een klimaatadaptieve stad en de mensen die de stad willen vergroenen. WKO-systemen, ontwikkelingen en belangen drinkwatervoorziening, gezamenlijk onderzoek In toenemende mate wordt er in Den Haag gebruik gemaakt van Warmte Koude Opslag (WKO-systemen). WKO-systemen kunnen worden gebruikt voor het (duurzaam) verwarmen en koelen van gebouwen. De aanleg en bedrijfsvoering van deze systemen kan negatieve gevolgen voor het grondwater hebben. Zo kunnen lokaal grondwaterstandsfluctuaties ontstaan door het oppompen en injecteren van grondwater. Figuur b6.1 toont de WKO-systemen in de gemeente Den Haag.
90
Figuur b6.1 WKO-systemen in Den Haag (bron: WKOtool.nl) Andere aspecten die naar voren kunnen komen zijn gevolgen voor het diepere grondwater. Dit betreft zowel grondwaterkwaliteit als -kwantiteit. Door het doorboren van scheidende lagen wordt de kwaliteit van het diepere grondwater bedreigd of kunnen veranderingen optreden in de grondwaterdruk. De grondwaterzorgplicht raakt op een aantal punten aan ontwikkelingen en belangen van de drinkwatervoorziening. In Den Haag is drinkwaterbedrijf Dunea verantwoordelijk voor zuivering en distributie van drinkwater. Het kader hieronder geeft inzicht in de belangen die vanuit Dunea spelen. Vanuit de gezamenlijke belangen en doelen voor het grondwaterbeheer zullen we met de betrokken waterpartners die verantwoordelijkheid dragen in het grondwaterbeheer onderzoek uitvoeren waarin de volgende aspecten aan de orde komen: •
verantwoordelijkheid voor het diepe grondwaterbeheer voor zover deze nu niet duidelijk is;
•
gevolgen van WKO-systemen voor het grondwaterbeheer;
• relatie tussen het diepe en ondiepe grondwater (inzijging van grondwater of juist aantrekken van zoute kwel vanuit het diepere grondwater door zeespiegelstijging); •
gevolgen voor drinkwaterbeschermingsgebieden en belangen drinkwatervoorziening.
91
Belangen drinkwatervoorziening (Dunea) • Den Haag steunt Dunea in de zoektocht naar nieuwe bronnen voor drinkwater. Dunea is bezig te anticiperen op de bevolkingsgroei in Zuid-Holland. Daarvoor is capaciteitsuitbreiding noodzakelijk. Deze wordt vooral gezocht in Berkheide. Vanwege de bedreigingen van de kwaliteit van de huidige drinkwaterbronnen (Maas en Lek) is Dunea op zoek naar andere bronnen waaronder brakwaterwinning. Brakwaterwinning kan met behulp van nieuwe technieken, zoals freshkeepers en freshmakers goede kansen bieden om de strategische zoetgrondwatervoorraad goed op peil te houden en de verzilting tegengaan. Dat raakt vooral ook het diepe grondwater aan de zuidzijde van Meijendel c.q. noordzijde van Den Haag. Brakwaterwinning kan mogelijk dienen als aanvullende bron op oppervlaktewater. Daarvoor wil Dunea op pompstation Scheveningen een pilot uitvoeren die naar verwachting eind van dit jaar start. • Vanwege stagnatie in aanvoer van infiltratiewater moeten we na verloop van tijd overschakelen naar de diepe grondwatervoorraad. Deze voorraad wil Dunea vergroten naar 3 maanden. Dat betekent dat we veel meer zoetwater moeten bergen in de ondergrond. Dit dient meerdere doelen die perfect passen in het Coastar-concept (Zoet op voorraad, zout op afstand, m.a.w. tegengaan van verzilting in het achterland door zeespiegelstijging).
• Dunea bepleit en werkt graag mee aan de Coastar doelstelling om tijdelijke neerslagoverschotten te bergen in de diepe ondergrond om later bij droogte weer te kunnen gebruiken. • De kwaliteit van het grondwater is vanuit Dunea een belangrijk aandachtspunt. De relatie tussen het ondiepe en diepe grondwater verdient aandacht. • Aan de rand van Meijendel en Den Haag zoeken we graag naar samenwerking om de waterkwaliteit freatisch en diep te verbeteren. Een beeld waar oppervlaktewater kwelt of infiltreert, kan het inzicht op kwetsbare zoete grondwatervoorraad vergroten.
92
Bijlage 7 Kaarten
Kaart 1 Overzicht lozingspunten en gemalen
93
Kaart 2 Overzicht van aanlegjaren van de vrijvervalriolen per 10 jaar
94
Kaart 3 Sfeergebieden oppervlaktewater
95
96
Colofon Opdrachtgever: Gemeente Den Haag Samenstelling en (eind)redactie: Arie Markus en Arthur Hagen, gemeente Den Haag, Dienst Stadsbeheer, afdeling Stedelijk beheer Advies: RoyalHaskoningDHV, PelsRijcken en Wareco Opmaak en vormgeving: zootz Marketing & Communicatie