Natuurwaarden-vlietzoom-voor-web
Tekst van het document
Natuur De Natuurwaarden van de Vlietzoom Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor ‘s-Gravenhage en omstreken Maart 2025
De stem van de Natuur De Natuurwaarden van de Vlietzoom Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor ‘s-Gravenhage en omstreken Maart 2025
Colofon Dit rapport is een uitgave van de Algemene Vereniging voor Natuurbescherming in Den Haag en omstreken (AVN), in samenwerking met de Haagse Vogelbescherming (HVB) en de lokale afdelingen van de landelijke verenigingen KNNV en IVN.
De AVN bedankt de volgende personen en de organisaties achter de websites voor de informatie waar dit rapport op gefundeerd is.
Managementsamenvatting
Geïnterviewde en geraadpleegde specialisten
1 – Inleiding
Aanbevelingen
Aanleiding Leeswijzer Verantwoording
Bas van Gennip, Jelger Herder, Wim de Koning Gans, Kars Veling, Kees Mostert, Desirée van der Vliet, Sander Wennekers, Madelein Vreeken-Buijs.
Andere bronnen:
Gesproken gebiedseigenaren en gebruikers:
3 - Icoonsoorten
Dick Ooms, Sander Wennekers, Madelein Vreeken- Buijs. Met dank aan Eric Wisse voor zijn advies en de gedichten van de stem van de natuur.
Foto’s van:
Hanneke Mesters/ Mesters Redactie-werkt
Ronald Abma (Bestuurslid golfbaan Leeuwenbergh), Wim Borgdorff (Landgoed Vredenoord), Chong Choy (Vlietzoom Alliantie), Bas van den Elshout (bestuurslid Groene Zoom), Bouk Wartna (Sportpark Westvlietweg), Berthie de Zwart (Houdt Vlietrand Groen).
Vormgeving:
Geraadpleegde websites voor de icoonsoorten:
Luchtfoto: Stichting In Arcadia
Eindcontrole en correcties:
Jos Verhoeff / Cerium design © AVN, 2025 / info@avn.nl / www.avn.nl
4
Inhoud
Bart Achterkamp (aquatisch ecoloog; o.a. IVN), Bart Broersma (Natuurbeheerder golfbaan), Dick Gatsonides (Floron), Huub van ‘t Hart (Natuurlijk Delfland) Dick Kerkhof (Plantensociologische Kring Nederland), Rudy van der Kuil (Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland), Myra Meijering (KNNV en Floron), Kees Mostert (Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland), Pieter Otten en Lucienne Vuister (Hoogheemraadschap Delfland), Nick Peeters (soortenkenner), Kees Pinster (KNNV), Martin van de Reep (HVB), Eric Wisse (HVB en KNNV).
Auteurs:
5
www.vlinderstichting.nl, www.zuid-holland.nl (PZH), www. zoogdiervereniging.nl, www.vogelbescherming.nl, www. ravon.nl, www.scholeksterophetdak.nl, www.floravannederland.nl
4 – Sterktes, Zwaktes, Bedreigingen en Kansen 7
8 10 11
2 – Gebiedsbeschrijving Ligging Vlietzoom Vlietzoom Noordoost Vlietzoom Zuidwest
Inleiding Landschapstypen Beschrijving icoonsoorten Vogels Zoogdieren Vissen Amfibieën Insecten Planten
12 13 15
17 17 19 19 25 29 31 32 34
Inleiding Sterktes en zwaktes Opzet van de analyse Inrichting en beheer Ecologische koppelingen Waterkwaliteit Natuurbeleving en doorwaadbaarheid De balans Kansen en bedreigingen Ruimtelijke bedreigingen Kansen door biodivers natuurbeheer en aanplant Kansen voor de onderwaternatuur Kansen door groene ruimtelijke aanpassingen Conclusie
37 39 39 39 40 41 41 42 43 43 45 46 46 48
5 - Samenvatting en aanbevelingen Samenvatting Natuurlijke en ruimtelijke kwaliteit van de Vlietzoom Het belang van de Vlietzoom voor de omwonenden De stem van de natuur Aanbevelingen
49 49 50 50 51
Een virtuele wandeling door de Vlietzoom
53
Managementsamenvatting
6
7
Aanbevelingen
Dit rapport gaat over de natuurwaarden van de Haagse Vlietzoom. Vanuit die natuurwaarden doen de Haagse groene organisaties, vertegenwoordigd door de AVN, aanbevelingen voor de Gebiedsvisie van de gemeente. Het rapport is gebaseerd op veldbezoeken, waarneming.nl, interviews met gebieds- en soortenkenners en op de vakliteratuur. Uit deze quickscan komt een rijke natuur in een veelheid van landschapstypen naar voren, waaronder weilanden, tuinen, oude buitenplaatsen, een golfbaan en woonbuurten. In het gebied zijn 1.780 verschillende planten-, diersoorten en soorten paddenstoelen waargenomen. De Vlietzoom blijkt een onmisbaar leefgebied voor tal van organismen.
Aanbeveling 1 – Beschouw de Vlietzoom als één samenhangend gebied
Ook voor de leefbaarheid van de grote Haagse woonwijken Leidschenveen, Ypenburg en Binckhorst is de Vlietzoom van groot belang. De nabijheid van robuuste natuur, met de kwaliteiten rust, ruimte en biodiversiteit, is niet minder dan een noodzaak. Deze rijke natuur en de toegankelijkheid van het gebied voor recreanten zijn echter ook heel kwetsbaar gebleken. In dit rapport zijn diverse kwetsbaarheden van en bedreigingen in de Vlietzoom weergegeven die het gevolg kunnen zijn van de vele claims die op het gebied worden gelegd.
Aanbeveling 5 – Richt alle voorzieningen meer natuurinclusief in
De Vlietzoom dient als één gebied te worden beschouwd. Bekijk hoe bestaande barrières kunnen worden opgeruimd of gemitigeerd. Werp geen nieuwe barrières op.
Aanbeveling 2 – Geef prioriteit aan natuurwaarden De Vlietzoom is van levensbelang voor zowel de biodiversiteit als de leefbaarheid. Geef bij ruimtelijke aanpassingen prioriteit aan versterking van de natuurwaarden.
Aanbeveling 3 – Toets het effect van ruimtelijke ingrepen op de natuurwaarden Alle plannen voor herinrichting moeten vooraf expliciet worden beoordeeld op hun effect op de natuurwaarden.
Aanbeveling 4 – Versterk de natuurwaarden door ecologisch beheer Aanbevolen wordt om meer gefaseerd te maaien, maaisel af te voeren en meer mantelvegetatie aan te planten. Ook ecologisch waterbeheer kan een grote bijdrage leveren.
Het sportveldencomplex, het bedrijventerrein, Drievliet en het wegennet kunnen door een meer natuurinclusieve herinrichting bijdragen aan het verbeteren van de natuurwaarden.
Aanbeveling 6 – Maak een doorgaande rondwandeling mogelijk Realiseer een rondwandeling door de Vlietzoom, die voert langs een verkeersluwe Westvlietweg en door de natuur vanaf het Schrepelpad tot in het Molenvlietpark.
Aanbeveling 7 – Doe studie naar doorgaande verbinding onder de A12 Doe een studie naar de mogelijkheden voor de aanleg van een fiets- en wandeltunnel, een waterloop en een faunapassage onder de Utrechtsebaan (A12) door.
Hoofdstuk 1 - Inleiding Aanleiding
Voor u ligt een rapport over de natuurwaarden van de Vlietzoom, opgesteld in de periode december 2024 – maart 2025 door de samenwerkende lokale natuurverenigingen in de regio Den Haag: de Algemene Vereniging voor Natuurbescherming in Den Haag en omstreken (AVN), de Haagse Vogelbescherming (HVB) en de lokale afdelingen van de landelijke verenigingen KNNV en IVN. Dit rapport is een quickscan, bedoeld om een constructieve bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van een integrale gebiedsvisie voor de Vlietzoom door de gemeente Den Haag. Binnen onze cultuurlandschappen zijn polders oer-Hollands. Polderen is ook een werkwoord geworden: in samenspraak wordt invulling gegeven aan onze behoeften. In de Haagse regio heeft de behoefte aan woonruimte geleid tot oprukkende verstening. Nieuwbouwwijken als Leidschenveen, Ypenburg, Brasserhout, namen die verwijzen naar verdwenen natuur. De Vlietzoom, een ketting van groene parels vol rijke cultuur- en natuurhistorie, werd daardoor steeds meer ingesnoerd en raakte afgesloten van het Groene Hart. Polderen is pas compleet als de natuur ook aan tafel zit. Behoud en versterking van natuurwaarden moet in onze visie worden meegenomen in het ontwikkelproces als een van de doelstellingen van de integrale gebiedsvisie.
Daarbij is het essentieel om de startsituatie te kennen: hoe staat de Vlietzoom er voor, wat zijn de huidige en potentiële natuurwaarden? Ondanks de inperking en versnippering kent de Vlietzoom nog steeds een grote soortenrijkdom en levert het ecosysteemdiensten, zoals voor klimaatadaptatie, bestuiving, waterberging en recreatie. De Vlietzoom heeft bovendien een belangrijke functie als ecologische stapsteen en is als zodanig verbonden met belangrijke omliggende natuurgebieden, in eerste instantie met de groengebieden van de gehele Vlietzone tussen Leiden en Delft. Hoe houden we deze ingeklemde groene reus in leven? Dit rapport toont aan dat de Vlietzoom in zijn huidige vorm en samenhang een zeer waardevol en aantrekkelijk geheel vormt, een overwegend nog open, groene ruimte, met cultuurhistorische elementen, waarin natuur en extensieve recreatie goed kunnen samengaan. De ligging, langs de oude stadsrand in de onmiddellijke nabijheid van een zich snel ontwikkelende metropool, maakt het gebied uniek. Daardoor biedt het gebied nu en straks, mits op de juiste wijze doorontwikkeld, ook veel mogelijkheden voor sport en recreatie voor de bewoners van de verdichtende stad, in een aangename, rustgevende groene omgeving. In de Vlietzoom lijkt die stad dan ver weg, al is die toch dichtbij.
8
9 Op basis van de geïnventariseerde huidige en potentiële natuurwaarden wordt in dit rapport ook aangegeven wat de sterke en zwakke kanten zijn, dus wat behouden en wat versterkt zou moeten worden bij het verder ontwikkelen van de Vlietzoom. Daarbij is het van belang dat leefgebieden (habitats) van flora en fauna niet verworden tot eilandjes, maar gekoppeld blijven of worden, onderling en met de omgeving van de Vlietzoom. Dit uitgangspunt is niet nieuw: het is ook de doelstelling van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH) van Den Haag. Belangrijke delen van de Vlietzoom vallen onder deze juridisch geborgde natuurbescherming. We hebben bij het inventariseren van de natuurwaarden van de Vlietzoom geen onderscheid gemaakt tussen gebieden die wel of niet deel uitmaken van NNN of SGH. We hebben het gebied als een samenhangend geheel onderzocht, juist om ‘eilandvorming’ te voorkomen. Naast het creëren en versterken van ecologische koppelingen moet het vervlechten van functies een ander belangrijk uitgangspunt vormen voor de integrale gebiedsvisie. Een paar voorbeelden tonen aan dat dat nu al goed mogelijk is. In de Vijf Polderslagen gaat extensief agrarisch gebruik samen met een natuurrijk weidegebied. De golfbaan is niet alleen het domein van de golfers, maar ook het leefgebied van een grote verscheidenheid aan flora en fauna.
Een naastgelegen nieuw waterbergingsgebied, het Molenvlietpark, ontwikkelt zich ook als een waardevol natuurgebied. En deze natuurgebieden zijn weer goed te combineren met extensieve recreatie, waarvoor in de verdichtende stad steeds minder ruimte is.
11 Uitgaande van deze inventarisatie van de natuurwaarden geeft het rapport aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van de Vlietzoom, met behoud en waar nodig versterking van de aanwezige natuurwaarden, samen met de landschappelijke en cultuur-historische waarden. Door een ruimere openstelling en door de aanleg van veilige fiets- en wandelpaden kan ook extensieve recreatie hier een plaats krijgen. Zo kunnen straks veel meer inwoners dan nu van het gebied genieten: de ‘beleefbaarheid’ van het gebied wordt er groter door. Wij zijn ervan overtuigd dat dit mogelijk is door het vervlechten van functies, waarbij de natuur soms voorrang krijgt en door slimme ruimtelijke aanpassingen. Als dat evenwicht tussen natuurbehoud en gebiedsontwikkeling kan worden gevonden zullen toekomstige generaties ons dankbaar zijn.
Leeswijzer
Het rapport is als volgt gestructureerd: hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de deelgebieden en hun kenmerken. Deze indeling is ook gebruikt bij het in kaart brengen van de flora en fauna en de aanwezige biotopen. Hoofdstuk 3 presenteert de hoofdrolspelers in dit rapport: onze selectie van icoonsoorten voor de Vlietzoom, hun voorkomen en de eisen die ze aan hun habitat stellen. Onder ‘icoonsoort’ verstaan we een soort waarvan het voorkomen indicatief is voor de kwaliteit van de natuur in een gebied. Gaat het
10
goed met die soort, dan gaat het ook goed met de natuur. Icoonsoorten van de provincie Zuid-Holland hebben de toevoeging PZH. In hoofdstuk 4 worden de sterke punten van de verschillende gebiedsdelen afgezet tegen de huidige zwakke punten. Daarna worden de bedreigingen in het licht van de toekomstige ruimtelijke ingrepen in het gebied afgezet tegen de kansen voor de natuur, die er ook zijn en die wij graag uitgewerkt zouden zien. Hoofdstuk 5 vertaalt de conclusies van onze analyse in concrete aanbevelingen voor de gebiedsontwikkeling.
Verantwoording
Dit rapport ontslaat de gemeente Den Haag uiteraard niet van haar verplichting om zelf een gedegen inventarisatie van natuurwaarden te laten uitvoeren als onderdeel van het ontwikkeltraject. Voor deze quickscan zijn geen specifieke inventarisaties uitgevoerd, daarvoor was de tijd te beperkt en het seizoen niet geschikt. De AVN was penvoerder met een team van vrijwilligers, die de informatie voornamelijk verkregen van gespecialiseerde veldwaarnemers van HVB, KNNV, IVN en andere lokale deskundigen met ervaring in de Vlietzoom, waaronder deskundigen van het Hoogheemraadschap van Delfland. Een lijst van geraadpleegde bronnen is in het colofon opgenomen. We danken alle vrijwilligers en organisaties die hieraan hebben meegewerkt.
Hoofdstuk 2 - Gebiedsbeschrijving Ligging Vlietzoom De Vlietzoom ligt tussen de Vliet en de A4, is ruim drie kilometer lang en heeft een breedte variërend van 600 tot 1000 meter. De Haagse Vlietzoom maakt onderdeel uit van de Vlietzone, die loopt langs de Vliet van Leiden tot Delft en die in de visie van de provincie Zuid-Holland wordt ontwikkeld als landschapspark. De Vlietzoom wordt aan de Noordoostzijde begrensd door het spoor van de metro naar Rotterdam en aan de zuidwestzijde door de bebouwing van Rijswijk (Hoornwijck) en wordt door de A12 middendoor gesneden. In dit hoofdstuk worden de deelgebieden van de Vlietzoom op hoofdlijnen beschreven: van noordoost naar zuidwest. noordoost en zuidwest vormen samen de Vlietzoom. Dit gehele gebied is nog overwegend open en groen. Het lijkt kansen te bieden voor recreatief medegebruik en natuurontwikkeling. De hieronder beschreven deelgebieden worden in de volgende hoofdstukken verzameld in negen landschapstypen of biotopen.
Vlietzoom Noordoost
13
Bedrijventerrein Westvlietweg II
Het noordoostelijke uiteinde van het gebied wordt gevormd door een bedrijventerrein, dat onderdeel uitmaakt van een complex van drie bedrijventerreinen in de Vlietzoom. Het gebied heeft momenteel geen ecologische waarde en is visueel storend voor het er direct naastgelegen weidegebied.
Vijf Polderslagen
Dit is een breed weidegebied over de volle diepte van de Vlietzoom: van de Vliet tot de A4, totaal circa 15 hectare, onderdeel van de SGH. Dit is het enige gebied in de Vlietzoom waar vanaf de Vliet het oorspronkelijke uitzicht over het poldergebied nog kan worden ondergaan, zoals dat eeuwen geleden al bestond vanaf de Vliet en de landgoederen langs de Vliet. Het gebied is daarmee van cultuurhistorische waarde. Een door de AVN in 2023 uitgevoerde inventarisatie van de in dit gebied aanwezige vegetatie toonde een grote verscheidenheid en potentieel voor verdere ontwikkeling. Met name herstel van het Dotterbloemhooiland lijkt hier veelbelovend! De AVN heeft daarom voorgesteld om dit gebied te ontwikkelen als natuurgebied, geschikt voor extensieve recreatie. Toevoegingen bestaan dan mogelijk uit moerasbos, een plas-dras zone en poelen, herstel van het bodemleven en aangepast maaibeheer. De AVN heeft met haar brochure ‘Plan Vlietweiden’ een voorzet gegeven voor deze gebiedsontwikkeling. De brochure is begin 2024 is aangeboden aan wethouder Barker van Den Haag. Het college van B&W heeft behoud van de Vijf Polderslagen omarmd en het ingenieursbureau van de gemeente is al aan de slag met een ontwerp.
De Groene Zoom
In de directe nabijheid van de Vijf Polderslagen ligt langs de oostzijde van de Vlietzoom het volkstuincomplex De Groene Zoom, onderdeel van de SGH. Het complex vormt een bijzonder waardevolle groenzone vol variatie, omzoomd door robuuste, gemengde houtopstanden. Het gebied heeft ook recreatieve waarde voor bezoekers, er is vrij wandelen en er zijn open tuindagen. De natuurwaarden worden hier versterkt door bloeiende planten, een goed bodemleven, composthopen en gifvrij beheer.
12
Overige deelgebieden noordoost van A12 ●
●
● ● ● ●
Direct naast de Vijf Polderslagen, langs het Schrepelpad, ligt een weitje dat kan worden ingericht als losloopgebied voor honden. Verder naar achteren nabij de A4, ligt naast het fietspad nog een weidegebiedje van circa drie hectare. Dit grenst zowel aan de Vijf Polderslagen als aan De Groene Zoom en kan worden ingericht als recreatiebos, met mogelijkheden voor een natuurspeelplaats en een voedselbos. Deze voorstellen zijn opgenomen in Plan Vlietweiden. In de lengterichting van de Vlietzoom, dus parallel aan de Vliet, ligt de Goowetering. Deze oude waterloop loopt door de Vijf Polderslagen en verbreedt zich daar met natuurlijke oevers. De wetering draagt daarmee bij aan de ecologische waarden. Naast de Vijf Polderslagen ligt een tweede volkstuincomplex met onbekende natuurwaarden. Daarnaast ligt een tweede poldergebied, de Drie Polderslagen. Dit heeft evenals als de Vijf Polderslagen een historische verkaveling en is onderdeel van de SGH, maar smaller en minder diep. Aan de zuidwestzijde van de Drie Polderslagen ligt Sportpark Westvliet, met deels kunstgras sportvelden. Dit wordt zoveel mogelijk ecologisch beheerd en vormt een coulissenlandschap, eveneens onderdeel van de SGH. Direct langs de A12 ligt Bedrijventerrein Westvlietweg IV. Dit is een klein bedrijventerrein met logistieke functies. Het gebied heeft geen ecologische waarde.
Vlietzoom Zuidwest
15
Bedrijventerrein Westvlietweg III
Dit gebied ligt aan de Vliet langs de A12 en grenst aan de zuidkant vrijwel aan de golfbaan. Het bedrijventerrein is niet ingepast in de omgeving. Het terrein is volledig versteend en heeft momenteel geen groen en geen ecologische waarden. Deze bedrijvigheid brengt zwaar verkeer met zich mee, wat overlast geeft op de Westvlietweg, omdat er geen andere ontsluiting is. Ook zijn er bedrijven gevestigd met een hoge milieucategorie.
Golfbaan Leeuwenbergh
De golfbaan strekt zich uit over vrijwel de gehele lengte van dit deel van de Vlietzoom, langs de A4, van het Molenvlietpark tot bijna aan de A12 en is deels onderdeel van de SGH. De drukke A4 is over de volle lengte goed afgeschermd door een brede strook met struweel en een sloot. Deze strook langs de A4 is niet toegankelijk en dicht begroeid en zou vanwege haar natuurwaarden samen met de sloot als een apart deelgebied kunnen worden beschouwd. De golfbaan is GEO-gecertificeerd en wordt door vrijwilligers actief ecologisch, dus gifvrij beheerd en bestaat voor circa eenderde uit gevarieerde natuur die niet wordt betreden. Kenmerken zijn: ruigtes, sloten, veel vijvers, moerasbosjes, 750 meter aan takkenrillen, hakhout, knotwilgen, jonge aanplant van bomen. Hierdoor heeft dit gebied grote natuurwaarde. Door de ecologische kwaliteit en de ligging fungeert de golfbaan als ecologische ruggengraat van dit deel van de Vlietzoom.
Molenvlietpark
Dit park bestaat uit twee onderdelen. Een heemtuin naast buitenplaats Zeerust (zie hierna) en meer naar het zuidwesten een in 2016 aangelegd waterbergingsgebied. De waterberging is als publiek park ontwikkeld, onderdeel van de SGH, achter de landgoederen Vredenoord en Zeerust. Er is een toegangspad vanaf de Vliet langs landgoed Vredenoord. De natuurwaarden zijn in ontwikkeling, er is een plas-dras zone met moerasvegetatie en verlandingsnatuur. Het is een foerageergebied voor water- en waadvogels.
Landgoederen langs de Vliet
Langs de Vliet liggen in dit deel van de Vlietzoom enkele kleine historische landgoederen van enkele hectaren groot.
14
Dorrepaal, Zeerust met heemtuin Molenvlietpark, Vredenoord en De Beukenhof hebben alle de NNN-status. Ze worden hier kort besproken. ● ●
●
●
Dorrepaal is een openbare groene buitenplaats. Het landgoed bestaat uit bos en weides, een kwekerij met moestuin en een waterpartij. Zeerust is een instelling voor begeleid wonen. De tuin bestaat uit bos en weides, een moestuin en waterpartijen. Tegen Zeerust aan ligt de al genoemde heemtuin Molenvlietpark, eveneens NNN en een mooi voorbeeld van ontwikkeling richting meer robuuste natuur. De natuurwaarden zullen nog toenemen naarmate de natuur verder ontwikkelt. Vredenoord heeft een unieke tuinaanleg, ontworpen door Zocher senior en junior. Het is het enige landgoed in de Vlietzoom dat nog bewoond wordt. Het gebied is in twee delen gesplitst, die beide in particuliere handen zijn. Het noordoostelijke deel is teruggebracht in vrijwel de oorspronkelijke staat, nu aangeduid als ‘Oud Vredenoord’. Het ‘Zocherpark’ is tevens een vogelrustgebied. De andere helft, ‘Nieuw Vredenoord’, ligt ter plaatste van de oude Molenweide van het landgoed, is grotendeels verwilderd en heeft daardoor de grootste natuurwaarden. De toekomst van Nieuw Vredenoord staat nog ter discussie: volgens het concept-bestemmingsplan zullen hier villa’s en een appartementencomplex worden gebouwd, waartegen natuurverenigingen en buurtbewoners zich fel verzetten, in verband met de NNN status.
Vrijwel zeker is de massale kap van het verwilderde bos in Nieuw Vredenoord in verband met de geplande aanleg van de benodigde tweede watertoevoer vanaf de Vliet naar het Molenvlietpark. De Beukenhof, naast Vredenoord, ligt eigenlijk net buiten het plangebied maar vormt daarmee een ecologisch geheel. Het heeft NNN status en bestaat uit ongeveer drie hectare gemengd loofbos, met een oude watergang en een moestuin. De aanleg van een boomgaard is gepland.
Overige deelgebieden in het zuidwestelijk deel van de Vlietzoom ● ● ● ●
16
Leeuwenbergh, eens ook een buitenplaats, is nu een volkstuinencomplex met ecologisch beheer, twee fraaie geriefbosjes met natuurwaarden, bloeiende planten, een ontwikkeld bodemleven en composthopen. Ernaast ligt de groene woonwijk Park Leeuwenbergh. Tussen Zeerust en Park Leeuwenbergh ligt nog een klein woonwijkje, met een restant van buitenplaats Meyvliet. Pretpark Drievliet, direct naast Oud Vredenoord, is ook een voormalige buitenplaats, nu geheel versteend en ingericht als pretpark, wat zorgt voor drukte en lawaai. Op de nieuwe parkeerplaats er achter, aan de overzijde van de Rotterdamse Baan, zouden volgens toezegging meer bomen geplant worden, maar dat is nog niet het geval.
Hoofdstuk 3 - Icoonsoorten Inleiding Om de natuur in de Vlietzoom een herkenbaar ‘gezicht’ te geven, hebben we ervoor gekozen om, in samenspraak met de specialisten, een aantal icoonsoorten voor dit gebied te benoemen. Het zijn er 19 geworden, verdeeld over zowel planten en insecten, als over vissen, amfibieën, vogels en zoogdieren. Deze soorten vertegenwoordigen natuurlijk niet als enige de natuurwaarden van het gebied, maar hun betekenis is erin gelegen, dat als het met deze soorten goed gaat, het met het hele leefgebied goed gaat. En daarmee dus ook met al die andere soorten, die we niet noemen. Het zijn soorten, waarvan de kans redelijk groot is dat je ze op een wandeling door de Vlietzoom tegen kan komen. Ze zeggen ook iets over de aanwezige landschapstypen, vanwege de eisen die zij daaraan stellen voor hun voortplanting, het zoeken van voedsel, plekken om te rusten of te schuilen en de verbindingen die ze nodig hebben om rond te trekken. Het zijn soorten die je in de omringende verstedelijkte gebieden veel minder snel tegenkomt. Voor de genoemde planten geldt dat deze vooral iets zeggen over de abiotische omstandigheden, zoals waterkwaliteit, maaibeleid, begrazing, bemesting en betreding. Dat zelfde geldt voor de vissen.
Landschapstypen
Binnen de Vlietzoom onderscheiden we negen verschillende landschapstypen of biotopen, waarbinnen weer verschillende ecotopen kunnen voorkomen. Ecotopen zijn de kleinste landschappelijke eenheden (bijvoorbeeld gras, boomsingel, ruigte, sloot, haag). Sommige van de icoonsoorten zijn strikt gebonden aan één landschapstype, zoals bijvoorbeeld de rosse vleermuis, die huist in de holle oude bomen op de buitenplaatsen, terwijl anderen juist gebaat zijn bij veel afwisseling, zoals de hermelijn of de sperwer.
17
Landschapstypen in de Vlietzoom en hun natuurwaarden: ● ● ● ● ● ● ● ● ●
oude buitenplaatsen: oude bomen, humusrijke grond, vijvers, oevervegetaties, weides, (moes)tuinen, struwelen, groenblijvers weilanden: laatste resten van al dan niet verstoord Hollands veenweidelandschap, slootjes met kwelwater (belangrijke factor voor de soortenrijkdom), oevers volkstuinencomplexen: kleinschalig tuinlandschap met voor veel icoonsoorten wat wils, mits natuurvriendelijk beheerd, sloten, oevervegetaties, rijk aan structuren, bloeiende planten sportvelden: op het gras, voor zover geen kunstgras, foerageren hazen en scholeksters, de boomsingels zijn van belang voor vleermuizen, sloten, oevervegetaties de golfbaan: veel verschillende ecotopen aanwezig (gras, struweel, ruigtes, sloten en vijvers met oevervegetaties, bosjes, moerasjes, knotwilgen, houtrillen), natuurvriendelijk beheer bedrijventerreinen: de platte daken bieden kansen voor scholeksters, soms ook ruigtes, kansen voor vergroening woonwijken/villaparken: tuinen, gemengde beplanting, hagen, ook oude bomen, zolders, vijvers, oevers waterbergingsgebied: riet en open water, plas-dras, oevervegetaties bermen van de wegen: droog en open, gemaaid, kruidenrijk gras
De grote variatie aan landschapstypen biedt veel soorten een kans. Tegelijk moeten we constateren dat hun leefgebied erg versnipperd is, hetgeen nadelig uitpakt voor hun voortbestaan. Door leefgebieden beter op elkaar te laten aansluiten neemt de ecologische potentie van de Vlietzoom toe. Ook gerichte aanpassingen in beheer en inrichting dragen daar aan bij. Zo kan een robuust landschapspark ontstaan, waar libellen in wolken boven de sloten schitteren, schuwe houtsnippen rustig kunnen foerageren, zonder te worden verstoord en dotterbloemen het voorjaar aankondigen. Aangevuld met een recreatieve functie, gericht op het genieten van zo'n levendig landschap, zou de Vlietzoom in zijn geheel naar een hoger plan kunnen worden getild. Waar dat paste hebben we icoonsoorten van de provincie Zuid-Holland gebruikt. Die hebben de toevoeging PZH. De onderstaande beschrijvingen zijn gebaseerd op informatie van websites van de gevestigde ecologische verenigingen en gegevensbronnen op het internet. Zie het colofon voor de verantwoording van de bronnen. In de beschrijvingen worden eerst de uiterlijke kenmerken benoemd, daarna de ecologische kenmerken van de soorten. Als laatste wordt aangegeven waar in de Vlietzoom je deze soorten zou kunnen aantreffen. Dit is niet gebaseerd op een gerichte inventarisatie want daar ontbrak de tijd voor.
18
Beschrijving icoonsoorten Vogels Boomkruiper
Meestal is de boomkruiper te vinden langs de boomstam, met zijn prachtige, ivoorwitte onderzijde van ons afgewend. Zijn grijsbruine, gevlekte rugzijde sluit naadloos aan bij de boomschors. Met wat geluk zie je hem dan van de ene boom naar de voet van een andere vliegen, vanwaar hij zich langs de stam een weg omhoog spiraalt om uit kieren en spleten insectjes, spinnetjes en larven te pikken. Daartoe is hij uitgerust met een ragfijn, spits en gekromd snaveltje dat tot in alle uithoeken van de bast zijn weg vindt. Boomkruipers hebben korte pootjes en relatief lange tenen met lange, gekromde nagels. Ze klampen zich daarmee moeiteloos vast aan een verticale stam, daarbij geholpen door een lange staart met twaalf stevige staartpennen die extra houvast bieden. In het bos of park zijn ze er vanzelfsprekend, maar ook in een met bomen beklede straat of boomrijke stadstuinen. Vooral bomen met een ruwe bast zijn bij dit klimmertje geliefd. Ze nestelen onder de dakpannen of achter een ventilatieopening in de gevel. Verder benutten boomkruipers allerlei andere gaten, holen en spleten in bomen of gebouwen voor hun nestje waar zes tot negen kleine boomkruipertjes opgroeien. Ook maken ze wel gebruik van nestkastjes waarbij de opening aan de zijkant zit, tegen het boomschors aan. Boomkruipers zijn typische standvogels die jaarrond present zijn.
Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, volkstuincomplexen, sportvelden, de golfbaan en woonwijken/villaparken
19
21
Groene Specht
Groene spechten De stem van de groene specht. zijn forse vogels, Als je me zoekt, zit ik vaak verscholen achter een met in vlucht stam. Ik roffel zacht en hak graag in zacht hout. een opvallende Op het open land val ik weg tegen het groene gras. groene rug en stuit en een diep Handig als ik daar mieren zoek. En laag golvend golvende vlucht. vlieg ik weg...dan moet ik toch ineens luid laDe kop van de chen, klu-klu-klu-klu-klu … Tegenwoordig is groene specht is het lachen ons wel vaak vergaan door drukte, opvallend getevuiligheid en blokkendozen. Maar in de Vlietkend met een rode kruin en zoom blijven we pendelen tussen bos en weide. een zwarte vlek rondom het oog. Mannetjes hebben daarnaast nog een rode vlek onder het oog, deze vlek is bij vrouwtjes zwart. Ze hebben een grijze dolksnavel. Spechten zijn standvogels van open loofbossen, hoogstamboomgaarden, parken en oude houtsingels. Hun voedsel bestaat vooral uit grote mieren en wordt meestal op de grond verzameld. De lachende roep van de groene specht is een opvallend kenmerk. De vogel roffelt niet vaak en dan nog zwak. Hij broedt meestal in een zelfgehakt hol in een oude loofboom. Groene spechten broeden vooral in het kleinschalige cultuurlandschap met oude bomen en in de duinen, maar steeds vaker in polders in recreatiebossen, stadsparken en sportparken.
Het voedsel zoekt de groene specht hoofdzakelijk op de grond, vaak in gazons. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, weilanden, volkstuincomplexen, sportvelden, de golfbaan en woonwijken/villaparken.
20
Ransuil
De ransuil is iets kleiner en oogt slanker dan de bosuil. Opvallend zijn de lange, vaak omhooggerichte oorpluimen en de oranje-gele ogen. De ransuil broedt veelal in oude nesten van eksters of kraaien. ’s Winters verzamelen ransuilen zich in groepen, vlak bij gunstige voedselgebieden. De bovenzijde van het verenkleed is geelbruin en gemarmerd, als ‘boomschors’. De onderzijde is licht roestgeel met donkere lengtestrepen. Bij gevaar of verstoring drukt de uil de veren tegen het lichaam en steken de oorpluimen omhoog. De lichaamsvorm is dan lang en dun. Dan valt ook de contrastrijke, ronde gezichtssluier op. In rust hangen de veren losjes langs het lichaam. De poten zijn bevederd. De legperiode is tussen eind maart en half april. De ransuil bewoont een groot scala aan leefgebieden, variërend van agrarische gebieden tot open bos, bosranden, parken, duinen, heiden, hoogvenen en moerasgebieden. De ransuil jaagt bij voorkeur in het open veld, langs wegbermen en op plekken met kaalslag in bos. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, die hem de beste dekking bieden. Daarnaast in houtwallen, boomgroepen, hagen en zelfs solitaire bomen. Ze eten hoofdzakelijk woelmuizen, met de veldmuis als belangrijkste prooi. Daarnaast eten ze echte muizen (bijv. bosmuis) en kleine vogels als mussen, merels, spreeuwen en vink-achtigen. Uilen zijn standvogels. Hun nesten zijn beschermd.
Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, weilanden, sportvelden, de golfbaan, woonwijken/villaparken, waterbergingsgebied.
23
Sperwer
De sperwer is een kleine roofvogel. Met zijn korte, brede vleugels, lange staart en zijn lange poten is de sperwer goed toegerust om vogels te vangen in bossen en tuinen. Sperwers zijn drieste en volhardende jagers. In essentie licht van onderen, grijs van boven met breed gebandeerde staart. Altijd gebandeerd op de onderzijde (ook jonge sperwers). De kop steekt niet ver uit. Lange, dunne gele poten en tenen. De ogen zijn felgeel. Kenmerkende vlucht: paar keer snel slaan met de vleugels en dan glijden. Schroeft ook op thermiek. De sperwer is territoriaal en bouwt jaarlijks een nest, waardoor in lang bezette territoria veel oude nesten zijn. Nest vaak dicht tegen de stam in dicht bos. Soms in struiken. Broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen, het liefst in halfopen landschappen. Ze jagen vooral op kleine zangvogels als mezen, mussen en vinken, maar de grotere vrouwtjes ook op grotere als lijsters, spreeuwen en zelfs duiven. Jongen komen uit in de piektijd van het uitvliegen van het stapelvoedsel, mezen. Jaagt vaak tussen bomen en hagen door, waarbij de sperwer van zitplaats naar zitplaats verhuist, onderwijl goed luisterend en kijkend naar geschikte prooi en dan een verrassingsaanval doet. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, volkstuincomplexen, de golfbaan en woonwijken/villaparken.
Putter
De putter(man) is te herkennen aan een opvallend kleed met een rood gezicht en een verder zwart met witte kop. Spitsdriehoekige snavel (zaden- en insecteneter). De vleugels zijn zwart met een brede gele vleugelstreep, die in vlucht duidelijk opvalt. De stuit is wit en de staart is zwart met witte vlekken. De staart is, typisch voor vinkachtigen, ondiep gevorkt. Bovendelen zijn verder bruin en de onderdelen licht tot wit. Het nest wordt meestal lager dan 10 meter van de grond gemaakt, verstopt tussen bladeren in de dunne twijgen van bomen en struiken. Putters leven vooral op het halfopen platteland, bij boerderijen, in dorpen, ook in buitenwijken van steden. Daar waar laanboompjes, boomgaarden en houtwallen zijn, voelen ze zich thuis, net als in tuinen met wat meer structuur en natuurlijk volkstuinen. Ook spoortaluds, overhoekjes van industrieterreinen en andere plekken met een droge ruigte zijn plekken waar putters te vinden zijn. Putters eten voornamelijk rijpe en onrijpe zaden van planten als distels, teunisbloemen, zonnebloemen en paardenbloemen. In de winter ook veel zaad van els en lariks. Ze eten daarnaast ook insecten en bezoeken af en toe voedertafels. Geschikte landschapstypen zijn: buitenplaatsen, volkstuincomplexen, de golfbaan, bedrijventerreinen, woonwijken/villaparken, waterbergingsgebied, bermen.
Scholekster
Scholeksters zijn stevig gebouwde, zwart-witte steltlopers die vaak aan de kust, maar ook algemeen in het binnenland worden aangetroffen. Ze hebben een lange oranjerode snavel en roze poten. In vlucht met opvallende witte vleugelstrepen en zwart-witte staart. Luidruchtig, roept schel "(te-)piet!". Het nest is niet meer dan een kuiltje in de grond, spaarzaam bekleed met wat schelpjes, steentjes of stro. De jongen zijn nestvlieders, vliegvlug na 32-35 dagen. Ze worden lang gevoerd door ouders, dat is anders als bij de meeste steltlopers. Scholeksters komen voor in natuurgebieden, op boerenland en tussen bebouwing. Steeds vaker kom je de scholekster tegen in de stad! Ze komen daar om te broeden op platte daken, zoals van flats en bedrijven. Dat is bijzonder omdat je ze in de wad- en weidegebieden van Nederland juist steeds minder vaak ziet. Waarschijnlijk kiest de scholekster voor de stad omdat daar broeden vaker tot succes leidt, maar zeker weten doen we dat niet. In onze regio foerageren ze op graslanden vooral naar regenwormen, maar ook naar emelten, insecten e.d. Ze zoeken voedsel op de tast en op het oog. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: weilanden, sportvelden, de golfbaan en het waterbergingsgebied.
22
25
IJsvogel
Een blauwe flits en een fluitende roep: zo kondigt een ijsvogel zich vaak aan. IJsvogels zijn onmiskenbaar blauw en oranje gekleurd. Een beetje plomp gebouwd met korte staart en een grote kop en snavel. Witte keel en zijhals. Vleugels en kruin zijn groenachtig blauw met een helderblauwe rug en stuit. Zit vaak rechtop op een laaghangende tak boven het water te loeren naar visjes. Vliegt luid roepend over het water en is dan goed te zien. Ze broeden vanaf februari/maart. Ze graven nesttunnels van zeker een halve meter in oevers, in wanden maar ook wel tussen wortels van bomen of in een kunstmatige ijsvogelwand. De wortelkluiten van omgevallen bomen zijn ook geliefd. Ze komen voor bij meren, moeras, oevers, park en tuin, plassen, rietland en ruigte, rivieren en vennen. IJsvogels duiken in helder, liefst stromend water naar visjes maar ook naar waterinsecten. IJsvogels stellen prijs op enkele bomen of struiken langs de oever, bij wijze van uitvalsbasis. Het is een opvallende vogel met behoefte aan schoon, visrijk water. Dat geeft een indicatie voor goede waterkwaliteit. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, de golfbaan, woonwijken/villaparken, het waterbergingsgebied.
Zoogdieren Egel
De egel komt veel voor in Zuid-Holland in een grote verscheidenheid aan leefgebieden, maar vooral in bossen en steden. De egel is onmiskenbaar door de stekels op de rug en de bovenzijde van de kop. Waar stekels ontbreken, is de huid bedekt met vrij stugge haren die op de buikzijde geelwit tot bruin zijn. Typisch voor de egel is de kringspier waarmee hij zich bij gevaar kan oprollen tot een bal en de stekels overeind kan zetten. In onze streken leeft de egel in bijna alle landschappen, met name in tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei. Egels komen ook in steden voor, zolang er maar groen en schuilplaatsen aanwezig zijn. Egels zijn nachtactief. Overdag slapen ze in een moeilijk te vinden nest van bladeren, mos of ander materiaal dat zich vaak onder (braam)struiken of takkenbossen bevindt. Een groot deel van het jaar (november/december tot april/mei) zijn ze in winterslaap, waaruit ze af en toe wakker kunnen worden. Dankzij hun goede reukvermogen en gehoor weten ze veel kevers, rupsen, regenwormen, oorwurmen en slakken op te sporen. Egels eten soms eieren. Egels eten ook huisjesslakken (tot wel 40 per nacht) en eten in de regel het huisje mee op. In de nazomer en herfst eten ze ook wel bessen. Het gaat landelijk slecht met de egels.
Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, volkstuincomplexen, sportvelden, de golfbaan en woonwijken/villaparken.
24
27
Haas
Een volwassen haas is ten opzichte van een konijn forser, heeft grotere poten en langere oren met een zwarte punt, 'lepels'. De kleur van de vacht is grijs- of geelbruin, de buik is wit en de wangen zijn bleekgeel. Jonge hazen hebben vaak een witte vlek op de kop. De haas houdt zijn staart tijdens het lopen vaak omlaag of horizontaal, waardoor alleen de zwarte bovenzijde zichtbaar is. De haas is van oorsprong een steppebewoner en heeft een voorkeur voor kleinschalig gras- en bouwland. Hazen eten grassen (winter), kruiden (zomer) en akkerbouwproducten zoals graan, maïs, klaver en aardappelen. Door hun knaaggedrag worden ze wel tot de 'kleine grazers' gerekend en hebben ze een grote invloed op de vegetatie. Ze maken legers (ondiepe uithollingen) in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen. In het buitengebied vind je ook wel eens jonge haasjes in je tuin. De rammel(voortplantings)tijd begint rond februari. Na een draagtijd van ongeveer zes weken De stem van de haas. worden tussen eind januari en oktober doorgaans vier jonEerst luisteren, rondkijken, ruiken. Dan platligge haasjes geboren . De jongen worden in een open nest gegen. Vertrouwen op je schutkleuren. Mensen zijn boren. De sterfte onder jonge hazen is hoog. Belangrijke niet te vertrouwen, hebben we geleerd.
En wegrenoorzaken van de grote sterfte onder jongen zijn de geïntensiveerde grond- en gewasbewerking (vaker maaien) en pernen voor maaimonsters. Geef ons wat meer rust en ceelvergroting, waardoor verlies aan perceelranden opruimte, daar floreren wij hazen. En geef ons bostreedt. randen, windkeringen, ruigtezomen en heggen om te kunnen schuilen. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: weilanden, volkstuincomplexen, sportvelden.
Rosse vleermuis
De rosse vleermuis (PZH) is een van de grootste vleermuissoorten van West-Europa, met een gewicht van rond de dertig gram en een spanwijdte van 32-40 cm. De naam houdt verband met de kleur van de vacht, die roodbruin (rossig) is. De vrijwel eenkleurige, korte en dichte haren geven dit dier een fluweelachtig glanzend aanzien. De oren zijn kort en rond en het lichaam is compact, torpedoachtig van vorm. Samen met de beharing onderop de vleugels zorgt dit voor een gestroomlijnde vorm en dus een snelle vlucht. De vlucht van de rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van de gierzwaluw: hoog en snel. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en jaagt ook wel bij straatverlichting. De prooien bestaan vaak uit grote kevers en nachtvlinders, maar ook uit kleine, in zwermen vliegende dansmuggen. Jachtperioden liggen vooral in de avond- en ochtendschemering en duren ongeveer een uur. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. De rosse vleermuis komt relatief veel voor in ZuidHolland. Deze icoonsoort komt veel voor in oude bossen en op landgoederen, meer specifiek in en rond oude holle beuken- of eikenbomen. Daar leeft de soort zowel in de zomer als in de winter.
Om voedsel te vinden overbrugt de rosse vleermuis soms tientallen kilometers naar de grotere plassen, meren en moerasgebieden. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, sportvelden, het waterbergingsgebied.
26
29
Hermelijn
Deze kleine marterachtige lijkt erg op de wezel maar is duidelijk groter. Hij heeft een lange zwaar behaarde staart met een zwarte pluimpunt. De rug is grijs- of beigebruin en de buik wit. De mannetjes worden maximaal 29 cm lang, de vrouwtjes 26 cm. De hermelijn heeft een zomer- en een wintervacht. In de zomer is de vacht roodbruin, in de winter soms wit. De hermelijn komt in alle biotopen voor, van open plekken in bossen, houtwallen, duinen, akkers tot vochtig terrein. De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is. De hermelijn is zowel overdag als 's nachts actief. Het is een fanatieke jager. Woelmuizen, ratten en konijnen vormen het hoofdvoedsel maar er worden ook vogels en vogeleieren gegeten. De hermelijn leeft solitair in territoria van tussen de 4 en 50 hectare groot. Het dier leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol en verplaatst zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Tijdens de route gaat de hermelijn op zijn achterpoten staan om de omgeving goed te kunnen overzien. Men noemt dit ‘kegelen’. Hermelijnen kunnen goed klimmen en jagen soms zwemmend achter woelmuizen aan. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, volkstuincomplexen, de golfbaan en het waterbergingsgebied.
28
Vissen Kleine modderkruiper
De kleine modderkruiper heeft een langgerekt cilindervormig geel tot lichtgrijs lichaam met op de flanken een regelmatig patroon van donkere vlekken. Rond de bek bevinden zich zes korte bekdraden waarvan vier op de bovenlip en twee in de mondhoeken. Onder het oog bevindt zich een kleine uitklapbare stekel. De mannetjes hebben een verdikte schub bovenop de borstvin. De soort kan 11 centimeter lang worden. De paaitijd loopt van april tot juli. Hierbij draait het mannetje zich om het vrouwtje. De eieren worden afgezet tussen dichte vegetatie en als dit ontbreekt tussen stenen, takken of boomwortels. De kleine modderkruiper heeft een voorkeur voor stilstaande tot langzaam stromende, ondiepe wateren met een rijke plantenbegroeiing en een zandige of met dunne sliblaag bedekte bodem. Kleine modderkruipers zijn met name in de schemering en ’s nachts actief, overdag rusten ze verscholen tussen de vegetatie of ingegraven in de bodem met enkel hun kop eruit stekend. Ze voeden zich door bodemsubstraat op te happen en daaruit eetbare deeltjes te filteren. Het dieet bestaat uit zoöplankton, kleine macrofauna, algen en dood organisch materiaal. In Nederland is deze soort te vinden in ondiepe plantenrijke wateren verspreid over het land. Het is een vrij algemene soort in Nederland. De soort is gevoelig voor watervervuiling.
Intensief onderhoud van watergangen, waarbij alle vegetatie verdwijnt, heeft een negatief effect. Geschikte landschapstypen zijn: watertjes in alle landschapstypen, op voorwaarde van goede waterkwaliteit.
31
Amfibieën De stem van de snoek. In deze sloot geen achtervolgingen, ik ben geen haai. Gewoon tussen de waterplanten in hinderlaag en hop, een snoekduik. Ik zie alles voorbijkomen. Als het zicht tenminste helder is. Troebel water is een ramp. Dat doet me denken aan de jaarlijkse troebelweek.. Alles begint te trillen, geluid van boven water, dan die grote schep en als je niet oppast ligt je tussen de waterplanten. Verder is het hier in de Vlietzoom lekker stil, in lawaaierige wateren wil je als vis niet zijn.
Bruine kikker
Snoek
De bruine kikker is een middelgrote, vrij robuuste kikker met een stompe snuit. De bruine kikker is variabel van kleur (bruin, groenbruin, roodbruin, geelbruin, grijsbruin, etc.) met een patroon van donkere vlekken en een lichte gemarmerde buik. Mannetjes hebben geen uitwendige kwaakblazen, ze ‘brommen’ vanuit de keel. De soort kan tot 11 cm groot worden. De paarroep is een zacht, niet verder dan 10 tot 20 meter dragend brommend geluid. De bruine kikker is een soort die in het vroege voorjaar aan de voortplanting begint. In maart kunnen roepende mannetjes waargenomen worden. Ook de eiklompen zijn dan te vinden. Die worden op ondiepe, snel opwarmende, plekken afgezet. Buiten de voortplantingstijd leven bruine kikkers op het land. Een deel van de populatie overwintert op land, een deel in het water. Na overwintering trekken de op land overwinterende dieren naar het water, veelal gelijk met de gewone pad. De soort heeft een sterke binding met bos en struweel. De bruine kikker heeft een zeer ruime habitatkeuze en dringt ook door tot in stad en dorp. Hij komt in allerlei watertypen voor, met een voorkeur voor kleine geïsoleerde wateren en kleine lijnvormige wateren. Voedsel: een breed scala van ongewervelde dieren, vooral slakken, kevers en insectenlarven.
De larven voeden zich na het uitkomen met restanten van het eigen kikkerdril en daarna met allerlei kleine organismen, zoals algen en ander plantaardig materiaal. De bruine kikker is hoogstwaarschijnlijk het wijdst verspreide amfibie van Nederland.
Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: watertjes in alle landschapstypen, op voorwaarde van goede waterkwaliteit.
Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: in en bij kleine watertjes in alle landschapstypen, op voorwaarde van goede waterkwaliteit.
De snoek heeft een torpedovormig lichaam met een lange kop en een grote brede bek met scherpe tanden. Het lichaam heeft een groen tot grijsbruine kleur met een patroon van gele tot gouden vlekken die vaak dwarsbanden vormen. De maximale lengte bedraagt circa 140 cm. De paaitijd van snoek valt in de periode van februari tot mei en vindt plaats in ondiepe begroeide oevers of ondergelopen weilanden. De snoek heeft een voorkeur voor heldere, stilstaande tot langzaam stromende wateren met veel oeveren onderwaterplanten. Met name voor de overleving van de jongere levensstadia die beschutting nodig hebben is watervegetatie van groot belang. In Nederland komt de soort in vrijwel alle watertypen voor. Tot een centimeter of tien eten snoeken zoöplankton en macrofauna, daarna hoofdzakelijk vis. Naast andere vissen eten snoeken eigenlijk alles wat in het water zwemt en in hun bek past. Ook amfibieën, jonge vogels en kleine zoogdieren behoren tot de prooidieren. De soort is gevoelig voor het verdwijnen van waterplanten als gevolg van vertroebeling. Hierdoor is de soort halverwege de vorige eeuw plaatselijk achteruitgegaan.
30
33
Insecten De stem van de weidehommel.
Glassnijder
Zoemende zomerdagen, op het zicht zoeken naar zuivere zaligheid... dat was ooit nog geen enkel probleem! Ja, de weide, die hooilanden, dat was een feest van geuren en kleuren. Nu vlieg je over een weiland en wat je ziet is vooral de kleur groen. Voor ons in de Vlietzoom graag weer bloemrijke graslanden met bosranden. En tuinen waar geen gif gespoten wordt.
De glassnijder (PZH) is een kleine glazenmakerlibel, met een mozaïekpatroon op het achterlijf. De borststukzijde is geelgroen met twee vrij brede zwarte naadstrepen. De glassnijder komt het meeste voor in de veenweiden, maar soms ook in de duinen en de metropoolregio. Ze leven bij helder water, met genoeg variatie aan begroeiing in en naast het water. De soort leeft bij voorkeur bij sloten met een breedte tot 10 meter en met bos in de buurt. De larven overwinteren twee of drie keer, vaker dan andere glazenmakers. Uitsluipen gebeurt vroeg: van eind april tot begin juli, met een piek in eind mei tot begin juni. De glassnijder vliegt bij helder, matig voedselarm tot voedselrijk water met een goed ontwikkelde, vaak hoge en gevarieerde oever- en watervegetatie. De meeste vindplaatsen hebben bos in de directe nabijheid. Hij heeft een voorkeur voor wateren van minder dan tien meter breed. De larven leven tussen waterplanten in ondiep water. Hij jaagt op kleine vliegende insecten. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, weilanden, de golfbaan, het waterbergingsgebied.
32
Weidehommel De weidehommel (PZH) is herkenbaar aan een smalle of brede gele ring op het borststuk en het oranjerode eind van het achterlijf. De kop en het borststuk van het mannetje is geheel geel behaard. De weidehommel is soms al heel vroeg in het jaar actief. Later dan half juli tref je hem niet meer aan. De weidehommel komt voor in bloemrijke graslanden, open landschappen, bosranden, agrarische gebieden en tuinen. Hij houdt van variatie in zijn leefgebied, maar is al tevreden met voldoende voedsel en beschutting. De kwaliteit en omvang van groen en groene verbindingen in de stad en agrarische gebieden zijn belangrijke voorwaarden voor de weidehommel. De vliegperiode is van februari tot oktober. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: weilanden, volkstuincomplexen, de golfbaan, woonwijken/villaparken, het waterwingebied, bermen.
35
Planten Pastinaak
De oorspronkelijk als groente gekweekte soort heeft een rechtopstaande, gegroefde stengel. Hij lijkt wat op een peen. De pastinaak komt ook in het wild voor en bloeit als tweejarige plant van juli tot september met een 60-90 cm lange stengel in een geelachtig scherm. De 4-8 mm lange en 3-6 mm brede, strogele tot lichtbruine vrucht is een splitvrucht. De wilde pastinaak komt in België en Nederland voor in bermen, uiterwaarden, op dijken en ook op open plekken in de duinen. Hij kan gevonden worden op plekken waar brandnetels groeien. Dit past goed bij de ervaring dat maaien goed verdragen wordt, terwijl de soort minder goed tegen beweiding kan. Het is een plant van zonnige, open plaatsen. De bodem moet niet sterk bemest zijn, maar wel vochthoudend. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: volkstuincomplexen, bermen.
Vingerhelmbloem
Vingerhelmbloem of ‘vogeltje-op-een-kruk’ bloeit in het vroege voorjaar en behoort tot de stinzenplanten. Binnen Nederland is hij
34
zeldzaam. De plant heeft een tros met licht paarsrode tot witte bloemen. Deze zijn tweezijdig symmetrisch en hebben de vorm van een helm. Ze hebben ook een spoor met nectar. Onder elke bloem zit een schutblad dat vingervormig is ingesneden, vandaar de naam. De bladeren staan verspreid aan de stengel. De kleur van de bladeren en stengel is wasachtig blauwgroen. Vingerhelmbloem groeit op losse, vochthoudende, matig voedselrijke, vaak kalkhoudende grond. In de binnenduinrand staat zij op buitenplaatsen, in gazons onder bomen en in parkbossen en dergelijke. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen en woonwijken/villaparken.
Dotterbloem
In de lente tref je met wat geluk nog de fraaie gewone dotterbloem (PZH) uit de Ranonkelfamilie aan. Het zijn tamelijk forse planten die tot 50 cm hoog kunnen worden, ze hebben grote hartvomige bladeren en in vergelijking met boterbloemen grote dooiergele bloemen die een doorsnede hebben van 2-5 cm. De plant heeft een rechtopstaande stengel, die bovenin vertakt; elke vertakking eindigt in een bloem. De bloemen zijn regelmatig en hebben een bloemdek dat bestaat uit vaak vijf tot soms acht grote bloemdekbladen. Ze groeien aan de waterkant van sloten, kanalen en plassen, in moerassen en rietlanden, in bossen en langs greppels. In Zuid-Holland vinden we de dotterbloem vooral in de veenweidegebieden en langs de grote rivieren. Het water in de buurt moet zuurstofrijk zijn. De dotterbloem staat op zonnige tot halfbeschaduwde, basenrijke
Hoofdstuk 4 - Sterktes, zwaktes, bedreigingen en kansen Inleiding
De stem van de dotterbloem Je zou het bijna vergeten, we groeiden door de hele delta, in moerasjes, drassige hooilanden. Nu is het zoeken geblazen. Kinderen weten niet eens meer hoe we er uit zien. Het begon ermee dat de weilanden te droog voor ons werden, ook de overbemeste bodem deed ons geen goed. Zal het tij keren? In de Vlietzoom moet het kunnen.
In de voorgaande hoofdstukken werd een overzicht gegeven van alle landschapstypen (biotopen) en van de icoonsoorten die er voorkomen. Ook kwamen de eisen aan de orde die de icoonsoorten aan hun leefomgeving stellen. Hieronder worden de landschapstypen nogmaals op een rijtje gezet. ●
●
●
en humeuze, natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, weinig of niet bemeste bodems. Ze staat vaak op plekken met kwel, mijdt zoute omstandigheden en is niet bestand tegen bemesting. Ze groeit aan waterkanten van (spoor-)sloten, kanalen en plassen, in moerassen en (buitendijkse) rietlanden, in drasse, licht bemeste hooilanden, in bron- en broekbossen en langs greppels. Ze was vroeger algemeen in drasse hooilanden en in weilanden met kwel. Op deze plekken is ze nagenoeg verdwenen door ontwatering en bemesting en teruggedrongen naar waterkanten. Geschikte landschapstypen in de Vlietzoom zijn: buitenplaatsen, weilanden, volkstuincomplexen, sportvelden, de golfbaan, het waterwingebied.
36
●
●
oude buitenplaatsen: oude bomen, humusrijke grond, vijvers, oevervegetaties, weides, (moes)tuinen, struwelen, groenblijvers weilanden: laatste resten van al dan niet verstoord Hollands veenweidelandschap, slootjes met kwelwater (belangrijke factor voor de soortenrijkdom), oevers volkstuinencomplexen: kleinschalig tuinlandschap met voor veel icoonsoorten wat wils, mits natuurvriendelijk beheerd, sloten, oevervegetaties, rijk aan structuren, bloeiende planten sportvelden: op het gras, voor zover geen kunstgras, foerageren hazen en scholeksters, de boomsingels zijn van belang voor vleermuizen, sloten, oevervegetaties de golfbaan: veel verschillende ecotopen aanwezig (gras, struweel, ruigtes, sloten en vijvers met oevervegetaties, bosjes, moerasjes, knotwilgen, houtrillen), natuurvriendelijk beheer
37
39 ●
●
● ●
bedrijventerreinen: de platte daken bieden kansen voor scholeksters, soms ook ruigtes, kansen voor vergroening woonwijken/villaparken: tuinen, gemengde beplanting, hagen, ook oude bomen, zolders, vijvers, oevers waterbergingsgebied: riet en open water, plas-dras, oevervegetaties bermen van de wegen: droog en open, gemaaid, kruidenrijk gras
Waarnemers hebben in deze Vlietzoom-biotopen een grote verscheidenheid aan planten, dieren en paddenstoelen geconstateerd. Volgens waarneming.nl zijn in ons doelgebied 1780 verschillende soorten gemeld, waaronder al onze icoonsoorten! Onder de waarnemingen zijn 22 soorten zoogdieren, waaronder konijn, haas, egel, vos, alle kleine marterachtigen en maar liefst 7 soorten vleermuizen. Ook de verscheidenheid aan vogels is groot. Deze waarnemingen bevestigen de rijke natuur van de Vlietzoom. Zoals overal in dit deel van Nederland staat deze natuur door de voortgaande verstedelijking en voortdurende ruimtelijke ingrepen wel onder grote druk. De opdracht voor de gebiedsvisie is om zodanige ontwerpen voor de toekomstige inrichting van de Vlietzoom te kiezen dat de natuurwaarden behouden en liefst versterkt worden. Een goed startpunt voor een dergelijke strategie is dan om eerst de sterktes en zwaktes van de biotopen in beeld te brengen en daarna de kansen en bedreigingen voor het gebied.
38
Sterktes en zwaktes Opzet van de analyse
In deze quickscan was het niet mogelijk alle sterke en zwakke punten per deelgebied van de Vlietzoom gedetailleerd op een rijtje te zetten. Maar uit onze veldbezoeken en uit de interviews met de soorten- en gebiedskenners is hierover toch voldoende informatie gekomen om onderstaande analyse op te stellen. Sterke en zwakke punten gelden niet alleen voor de icoonsoorten maar evenzeer voor de mogelijkheden voor natuurbeleving en recreatie in een groene, gezonde omgeving. Ook daarvan hebben wij ons in deze quickscan een beeld kunnen vormen. Hieronder zijn de sterke en zwakke punten van de natuur in de Vlietzoom op hoofdlijnen samengevat. Voor het overzicht zijn deze gegroepeerd in vier rubrieken: inrichting en beheer, ecologische koppelingen, waterkwaliteit en natuurbeleving en doorwaadbaarheid.
Inrichting en beheer
De vele bomen in verschillende deelgebieden zijn een sterk punt. Dit geldt zeker voor de buitenplaatsen met hun veelal oudere bomen, waaronder zomereiken, beuken en kastanjes. Ook tref je daar groenblijvers, waaronder hulst, taxus, coniferen, dennen en sparren, waar specifieke vogels gebruik van maken. Op de golfbaan staan in brede bospercelen tussen en langs de fairways vele duizenden bomen, waaronder vooral inheemse loofbomen zoals zwarte els, es, iep, linde, populier, wilg, berk, eik, prunus en haagbeuk. Ook staan er plataan, grauwe abeel, gewone spar en grove den. De aanplant van zowel gemengde houtopstanden als struwelen rond de tunnelmond van de Rotterdamsebaan begint zich ook al mooi te ontwikkelen. Hierin treft men naast genoemde soorten nog lijsterbes, hazelaar, meidoorn, sleedoorn, Gelderse roos en hondsroos. Het tuinenpark de Groene Zoom is een ware oase met zowel veel inheemse bomen, als struweel en vaste planten. Ook hier tref je groenblijvers, tot groot plezier van goudhaantjes en de ransuil. Daarnaast zijn zowel het tuinenpark als het ernaast gelegen sportpark omzoomd met bomen, al is het bomenbestand door het grote aantal, bovendien vaak door ziekte aangetaste essen er soms wat eenzijdig. De coulissen vormen als lijnvormige elementen een belangrijke foerageerroute voor vleermuizen.
Buiten de tuinenparken valt, ook in de buitenplaatsen, wel een gebrek aan voldoende mantelvegetatie (ook wel: zoom-
41 vegetatie) te noteren. En meer in het algemeen zijn er in het hele gebied veel minder gemengde hagen dan op een dergelijke locatie passend zou zijn. Ook is er op veel plaatsen door het ontbreken van hoge hagen en boomsingels sprake van visuele vervuiling. De bedrijventerreinen vallen in het bijzonder op als arm aan natuur. Daar zijn echter wel mogelijkheden voor, zoals hieronder verder wordt toegelicht.
Waterkwaliteit
Ten slotte valt op dat er nog te weinig aandacht is voor biodivers maaibeheer ten behoeve van meer bloei en verspreiding van wilde flora. Ook zijn er betrekkelijk weinig ruigtes. Middels gefaseerd beheer zou binnen het uitgestrekt areaal aan oevers nog meer biodiversiteit mogelijk zijn.
Uit informatie van het Hoogheemraadschap Delfland kwam naar voren dat het stikstofgehalte van het polderwater te hoog is en het fosforgehalte aan de hoge kant. Daarmee is zowel de chemische als de ecologische toestand van het water niet op orde. Maar waarschijnlijk varieert de situatie in het gebied sterk. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door diffuse emissies van nutriënten, chemische en organische stoffen. Dat kunnen hemelwateroverstorten zijn van de bedrijventerreinen en/of uitspoeling van mest en andere stoffen uit de weilanden en volkstuinen. Van de Vliet is duidelijk dat daar de concentratie van nutriënten hoger is dan in de polderwateren, vooral in de zomer worden er hoge concentraties van stikstof en fosfaat gemeten.
Ecologische koppelingen
Zoals hiervoor al is uiteengezet, zijn ecologische verbindingen (koppelingen) tussen de diverse deelgebieden van de Vlietzoom essentieel voor het floreren en/of voortbestaan van de daar gevestigde populaties icoonsoorten. De deelgebieden zijn elk apart veelal te klein voor hun populatie om voldoende voedsel te vinden, zich blijvend voort te kunnen planten en genen uit te wisselen. Gelukkig zijn er, zoals we hiervoor zagen, binnen Vlietzoom Noordoost en Vlietzoom Zuidwest al vele goede ecologische verbindingen tussen de biotopen. Het noordoostelijk deel van de Vlietzoom is via de ‘Loo-zone’, een ecologische verbindingszone als onderdeel van de SGH, vanaf landgoed Vreugd en Rust aan de overzijde van de Vliet verbonden met het Haagse Bos. Maar langs de lengteas van de Vlietzoom zijn er wel drie grote knelpunten. Dat zijn het pretpark Drievliet, de bedrijventerreinen Westvlietweg II, III en IV en de A12 (Utrechtsebaan). Aan de zuidoostzijde van de Vlietzoom vormt de A4 daarnaast een belemmering voor de ecologische verbinding met de groengebieden in Ypenburg/Tedingerbroek. En aan de noordwestkant belemmert de stenige en drukke Westvlietweg ecologische uitwisseling met de groene buitenplaatsen in Voorburg. Deze knelpunten zouden, ook in de visie van de geraadpleegde experts, zoveel mogelijk moeten worden aangepakt. De gebiedsvisie biedt een uitgelezen kans om dat mogelijk te maken.