Verslag Expertmeeting Gelijke kansen op gezondheid 08 06 2023 (vastgesteld)
Tekst van het document
12
je mensen gaat vertellen dat ze zich zus of zo moeten gaan gedragen terwijl je die omstandigheden niet verandert, dat het verdomde lastig is. De heer Van Haren (VVD) begrijpt dit. Hij is op zoek of er mogelijkheden bestaan binnen een fatsoenlijke aanpak of wordt er automatisch gekeken naar een wat collectievere aanpak? Mevrouw Houweling legt uit dat het niet altijd zo is. Eén van de dingen die een enorme invloed kan hebben op de ontwikkeling van kinderen zijn mentale gezondheidsproblemen van aanstaande ouders. Zij werkt veel samen met collega's binnen de psychiatrie en zij vragen vrouwen tijdens de zwangerschap naar hun mentale gezondheid, een screening. De Mind2Care-screening wordt nu uitgevoerd bij heel veel verloskundigenpraktijken in Nederland. De Mind2Care-screening is specifiek gericht op mentale gezondheidsproblemen. Mochten die zodanig zijn dat vrouwen daar hulp bij kunnen gebruiken, dan worden ze doorverwezen naar de juiste hulp. Dat kan bijzonder effectief zijn, niet alleen voor die vrouwen zelf, maar ook voor hun aanstaande kinderenm want mentale gezondheidsproblemen van jonge ouders hebben een enorme invloed. Dus dat is een voorbeeld van een individueel gerichte aanpak die heel belangrijk is. Tegelijkertijd moet je mensen als ze gezondheidsproblemen hebben ook helpen. Mevrouw Craste (D66) vraagt naar de effectieve interventies.
Professionals spreken over maatwerk leveren, doen wat er nodig is en zij willen ruimte. Haal je dan niet alle zuurstof eruit? Mevrouw Houweling noemde erkende interventies. Er zijn meerdere databanken waar uit geput kan worden. De basis om daar in te komen is dat de interventie goed gedocumenteerd staat. Differentiatie binnen zo een goed gedocumenteerde aanpak kan natuurlijk prima, maar het verbaast haar niet als blijkt dat er ook vaak zo maar iets gebeurt. Je kunt maatwerk proberen te leveren, maar als je niet goed beschrijft wat je aan het doen bent, valt ook er ook niets te meten in termen van effectiviteit. Natuurlijk is maatwerk belangrijk, maar daarbij kan de aanpak daarin goed gedocumenteerd zijn, goed beschreven. Het is niet een of/of. Mevrouw Van Zaalen (CDA) vertelt dat recent in de raad is gesproken over met een volle buik naar school gaan. Zijn er onderzoeksgegevens over het verdere effect bekend? Mevrouw Houweling weet dat in Limburg een grootschalig interventieonderzoek is gedaan waarbij kinderen een gezonde lunch kregen. Dat bleek effectief te zijn om de gezondheid van die kinderen te verbeteren, gezondheidspatronen en gezond-gedragpatronen te verbeteren. Dat is een voorbeeld van dat alle kinderen van Nederland gezond moeten eten. Niet alleen een arm kind, je wilt niet stigmatiseren en je wilt alle kinderen gelijk behandelen.
Het zou mooi zijn als er een gezonde lunch is, waar tijd voor is. Nu moeten kinderen vaak in vijftien minuten heel snel hun boterham naar binnen werken. Er zijn interventiestudies die daar heel erg hoopvol voor zijn. De heer Mees (Leefbaar 's-Hertogenbosch) komt op de aanpak in Rotterdam met de jeugd. Rotterdam is nogal in het nieuws geweest met uithalers, explosieven en noem maar op, en een burgemeester die zich ernstig zorgen maakt over jongeren die ontsporen, dan wel een criminele carrière in worden geduwd. Waar richt die aanpak zich nu op, om dit te voorkomen? Mevrouw Houweling kan geen specifieke expertise geven op uithalers. Ze kan wel de brede aanpak schetsen. Binnen specifieke wijken worden, samen met de mensen die er wonen en de organisaties die daar werken, doelen geformuleerd. Vervolgens wordt gekeken naar wat de doelen zijn, bijvoorbeeld de aanpak van drugsproblemen. Vervolgens wordt gekeken naar welke factoren de drugsproblemen beïnvloeden. Er is een gigantische literatuurstudie gedaan; welke factoren beïnvloeden drugsgebruik en waar zou op moeten worden ingezet. Er zijn data verzameld over al die factoren. Die worden weer besproken met de inwoners, met praktijkorganisaties, om die te interpreteren en dan gezamenlijk een aanpak te formuleren om die doelen te bereiken. Stapsgewijs redeneren ze terug van het gezamenlijk formuleren van specifieke doelen.
Wat is bekend over dat probleem uit de literatuur, vanuit de praktijk, vanuit stakeholders, over de factoren die dat beïnvloeden. Vervolgens wordt met al die verschillende organisaties die iets met die factoren doen een aanpak geformuleerd. Een impact gedreven manier van werken waarbij ze én ervaringskennis én praktijkkennis én grote data-analyses combineren.
13
5.
Klasien Horstman Mevrouw Horstman is hoogleraar Filosofie van de Publieke Gezondheidszorg aan de Universiteit van Maastricht. Ze is wijsgerig socioloog. Er wordt veel onderzoek gedaan naar de gezondheid in de maatschappij. Dat gebeurt niet in een spreekkamer, maar daarbuiten, dus in wijken en buurten en op werkplekken. Er wordt ook gekeken naar preventie van antibioticaresistentie op het vliegveld, evenals naar vaccinaties en infectieziektebestrijding. Dat gebeurt buiten in de samenleving en niet in de spreekkamer. Het thema is gezondheid in de samenleving. Er wordt veel filosofisch onderzoek gedaan. Filosoferen gebeurt echter altijd op basis van onderzoek, een soort antropologisch onderzoek. Voor de onderzoeken zijn ze langdurig in buurten aanwezig. Als er onderzoek wordt gedaan naar gezondheid en veiligheidservaring in een buurt dan wordt daar een huis gehuurd. Een van de onderzoekers woont daar dan ook, want veiligheid is vooral 's nachts een issue, veel meer dan overdag. Het is niet mogelijk om overdag een beetje in en uit te vliegen. Op deze manier zitten de onderzoekers dicht op de huid van het sociale leven. Daar wordt vervolgens eindeloos over gefilosofeerd. Mevrouw Horstman vertelt vandaag wat de kern is van één van de onderzoeken. Deze heeft het thema Publieke ruimte.
Dit is beschreven in een boek: “Gezonde stad, uitsluiting en ontmoeting in de publieke ruimte.” Zij licht vandaag toe waarom ze denkt dat dit, zeker als iemand in het sociaal domein werkt, een belangrijke doorkijk geeft. Maar wat is ‘sociaal’ eigenlijk. Iedereen heeft hier de mond vol van. Termen als sociale cohesie, sociaal weefsel worden gebruikt. Maar hoe ga je daar mee om? Gebeurt dat door mensen individueel te helpen? Hoe kan de samenleving beter worden gemaakt? Horstman is fan van de snackbar. Er zouden eigenlijk meer snackbars moeten komen. Een snackbar gaat over veel meer dan calorieën. Een snackbar is een ontmoetingsplek. Als je kijkt naar de geschiedenis van de frituur begon het met patat, vervolgens kwam daar de bamibal bij en nog later de kapsalon, de kebab en de pizza. De frituur laat zien welke mensen allemaal in Nederland zijn komen wonen en hoe die allemaal hebben bijgedragen aan onze culinaire cultuur. Die mensen komen elkaar tegen in die snackbar en praten met elkaar. Tegenwoordig kijken ze misschien ook best wel veel op hun telefoon, dat is jammer. Een snackbar is eigenlijk een ontmoetingsplek in een publieke ruimte. Sterker nog, een snackbar is vooral een ontmoetingsplek in heel veel buurten waar alle andere ontmoetingsplekken zijn weggesaneerd. Er is verder helemaal niets meer.
Moet dan die laatste snackbar ook nog sneuvelen? Of mogen we die misschien intact houden omdat mensen ten minste nog één plek hebben waar ze elkaar tegenkomen. Dure smoothies drinken op dure plekken, kan wel hip zijn, maar in veel wijken en buurten is daar helemaal geen mogelijkheid voor. Daarvoor moet je in het stadscentrum zijn. Denken over gezondheid is heel erg veranderd de afgelopen dertig jaar. Tussen 1980 en 2020 werd vooral naar individueel gedrag gekeken. Individueel gedrag, individuele keuzes, individuele verantwoordelijkheid. Men moest zorgen zelf goed gezond te zijn. Dat ging gepaard samen met een enorme fragmentatie van risico's. De afgelopen veertig jaar hebben alle experts eigen risico’s benoemd, zoals risico’s op/van obesitas, niet bewegen, roken, alcoholgebruik, verlegenheid, slecht slapen, hersenziekte, vergeetachtigheid. Elke onderzoeksgroep heeft een eigen risico. Al die risico's worden vervolgens in de gezondheidszorg aangepakt door specifieke professionals en die richten zich daarbij op specifieke interventies op dat ene gebied. De doelgroepen moeten allemaal veranderen. Dat levert een enorme fragmentatie van risico’s, experts/professionals en interventies op en dat stapelt zich op. De LSES (lage sociaaleconomische statusgroep) is daarbij de domme doelgroep. Die doet eigenlijk ongeveer alles verkeerd.
Alcoholgebruik is binnen die doelgroep iets minder, maar daar wordt meestal niet over gesproken. De studenten aan de universiteit roken en drinken bij het leven, maar dat wordt hun vergeven omdat zij over vijf, zes jaar heel goed verdienen en de verwachting is dat het dan wel goed komt met hen. Het zijn directeurtjes/directrices in de dop. Zij mogen vijf jaar lang alles doen wat God verboden heeft. Daar heeft zij geen oordeel over. Maar LSES geldt als de domme doelgroep. In 2010 werd al een stuk geschreven: Wat is die onderklasse dom. De slanke hoogopgeleiden weten het goed. Eigenlijk is dat nog steeds zo. Die moraal zit diep verweven in onze maatschappelijke gezondheidszorg. Het is heel moeilijk om die eruit te halen. Daarbij worden cijfers als legitimatie van al die sturende inventies gebruikt. Er zijn altijd grote databases beschikbaar en de gemiddelden daarvan worden vaak gebruikt. Ze kent heel veel mensen met niet zo een enorm inkomen en die verschillen onderling enorm. Ze eten allemaal anders, ze voeden allemaal hun kinderen op, allemaal met goede bedoelingen en veel liefde, maar ze doen het allemaal anders. Dat geldt ook voor mensen met heel veel diploma's. Het idee dat er een LSES domme groep is, is een enorm label. Daarmee wordt een probleemcategorie gemaakt. Vervolgens wordt dat natuurlijk ook echt een probleem.
Veertig jaar later is men tot de conclusie gekomen dat het sociale totaal is weg gereduceerd. Iedereen is klaar met kritiek op neoliberalisme. Er moet weer een samenleving komen waarin sociale cohesie belangrijk is. Er
14
is nu veel kritiek op individualisme. Het moet eigenlijk weer anders. Al dat beleid dat is gemaakt heeft zelfs armoede, eenzaamheid, schaamte en ongezondheid geproduceerd. Er is een grote groep mensen gecreëerd die continu faalt en daar wordt steeds tegen gezegd dat zij het beter moeten doen. Als iemand de hele dag thuis tegen je roept dat je het beter of anders moet doen dan zet je je partner buiten het hek. Er wordt nu gezegd dat er aandacht moet komen context, samenhang, interactie, integraliteit. Dat zijn de nieuwe sprookjes. Inmiddels weet ze dat evidencebased interventies in de praktijk niet zo goed zijn als gedacht. Mevrouw Horstman is ook niet zo een voorstander van evidence-based. Vanuit de praktijk is duidelijk wat meer of minder effect sorteert. Evidence-based interventies die het in een bepaalde onderzoekssetting heel goed doen, doen het in de praktijk helemaal niet zo goed. Hoogleraar pedagogiek Micha de Winter sprak altijd van het bewijsbeest. De cijfers dienden volgens hem vooral om aan anderen te kunnen bewijzen dat men het geld op een goede manier verdiende. Er zijn heel veel anti-pestprogramma's, ongeveer 150. Daarvan zijn er ongeveer 10 evidence-based. Daarvan zou dan bewezen zijn dat ze zouden werken. Echter, op heel veel scholen werken ze helemaal niet. Er zijn ook scholen waar mensen iets doen wat niet evidence-based is, maar wat geweldig werkt.
Het zou goed zijn om na te denken over wat de goede interventies zijn in plaats van een standaard uit een database te halen. De kennis van mensen zelf moet als uitgangspunt worden genomen. Mensen weten over het algemeen wel waar het schort, wat het probleem is en in welke richting de oplossingen gezocht moeten worden. Kortom, terug naar het sociale. Dat sociale is te vinden in de publieke ruimte. Publieke ruimtes zijn vergelijkbaar met sociale riolering. De grootste gezondheidswens is te danken, zeker in westerse landen, aan riolering. Riolering is een collectief arrangement en het belangrijkste collectieve arrangement dat er bestaat. Men vergeet vaak dat het er is, want het is onder de grond gestopt. De buizen en leidingen zijn onzichtbaar. Men vergeet dit omdat niemand wil weten hoezeer iedereen van elkaar afhankelijk is, dat ieders uitscheiding samenhangt en gezamenlijk naar een of andere rioleringsbak wordt geleid. Onder de grond is iedereen enorm van elkaar afhankelijk. Daar betaalt iedereen voor en vervolgens wordt vergeten hoe belangrijk het eigenlijk is. Maar als er geen riolering zou zijn, zou er over twee weken een epidemie zijn. Die riolering maakt een gezonde samenleving. Wat boven de grond nodig is, is sociale riolering.
Boven de grond is een stelsel nodig van verbindingen, van ketens, die de mensen met elkaar verbindt en die de wederkerigheid van mensen met elkaar maken en uitdrukken. Veel mensen noemen het een sociaal weefsel of een netwerk. Uit grote datastudies komt continu naar voren dat sociale netwerken ongeveer beschermen tegen alles. Tegen infectieziekten, tegen diabetes, tegen chronische ziektes. Als iemand een goed en stevig sociaal netwerk heeft en dus goed is ingebed in een sociaal weefsel, dan levert dat heel veel gezondheidswinst op. Maar waar maak je een dergelijk sociaal weefsel? Waar kun je dat vinden? Hoe ziet het er eigenlijk uit? Wat doet het eigenlijk? Een sociaal netwerk is belangrijk omdat het mensen tot bekende vreemden maakt. Als voorbeeld noemt ze dat iemand in een bepaalde buurt woont en mensen tegenkomt. Desondanks voelt die persoon zich niet onveilig in die buurt omdat hij/zij deze mensen vaker tegenkomt. Dat wordt dus een bekende vreemde. Men leert leven met anderen die zich echt totaal anders kleden, anders ruiken, maar toch leert men elkaar een beetje kennen. Dat is heel belangrijk voor die samenleving en het gevoel van vertrouwdheid in die samenleving. Netwerken moeten telkens worden vernieuwd. Iedereen die ouder wordt, verliest vrienden en bekenden. De laatste periode van veel mensen is heel eenzaam.
Waar en hoe kunnen nieuwe netwerken worden gemaakt? Zijn er plekken waar dat kan? Waar kun je hoop aan ontlenen in de contacten met andere mensen? Vanuit dit perspectief van de publieke ruimte loopt mevrouw Horstman al zeven jaar mee in een aantal monowijken in Maastricht-West. Dat zijn buurten met lage inkomens waar mensen niets doen behalve wonen. Vroeger was de kerk daar heel belangrijk maar de kerken zijn gesloten. Vroeger waren er sportveldjes in de buurt, maar ook die zijn allemaal weg. Er zijn nu grote sportaccommodaties aan de rand van de stad. Elk buurtje had vroeger buurtwinkeltjes. Alle buurtwinkeltjes zijn gesloten. Er is nu een groot winkelcentrum aan de rand van de stad. Elke vorm van leven is eigenlijk langzaam maar zeker uit die buitenwijken verdwenen. Mensen doen daar maar één ding: wonen. Iedereen beklaagt zich erover dat men elkaar niet kent of tegenkomt en dat er sprake is van eenzaamheid. Cijfers van de GGD geven aan dat er in lage inkomensbuurten gemiddeld veel slaapmiddelen worden gebruikt en dat er veel sociale angst en depressie voorkomt. Hoe kan het dat het sociale weefsel daar zo kapot is en hoe kan dat worden gerepareerd? Een stadspark wordt over het algemeen goed onderhouden, er is een grote variatie aan natuur en groen en er staan mooie banken.
Parken in buitenwijken worden door de gemeente goedkoop onderhouden door eens in de drie weken het gras te maaien, één soort gras te gebruiken en drie soorten bomen. Er staan geen bankjes, dus iedereen die niet goed kan lopen, kan daar überhaupt niet naar toe. Dat noemen ze een park. Mensen in die buurt zeggen dat het park misschien zou moeten worden gebruikt om mensen tegen te komen. In de wijk gebeurt immers niets, er
15
wordt niet gedanst, niet gepicknickt, niet gesport, er gebeurt niets. Er zijn wel mensen met honden en omdat er mensen met honden zijn, spelen er juist geen kinderen. Er is een ingewikkeld sociaal conflict tussen hondenbezitters en kinderen. Bewoners willen zorgen dat kinderen tenminste daar kunnen spelen en willen natuurelementen in dat park. Ze maken een plan, organiseren € 25.000 en gaan aan de slag om speelelementen in het park te krijgen. De gemeente is enthousiast want er komt nooit een initiatief uit die buurt. Nu kwam er wel iets, er was een plan en er was geld. De bewoners wilden dat de natuurelementen op een bepaalde plek zouden komen te staan, namelijk daar waar een aantal bomen staat zodat mensen in de hete zomer een beetje in de schaduw kunnen zitten. Vervolgens zegt de gemeente dat dat niet zou kunnen, want dat zou van invloed zijn op de zichtlijnen en die zijn belangrijk. Het esthetisch principe van een park is ‘zichtlijnen’. Dat roept de vraag op van wie dat park is. De gemeente claimt dat het park van de gemeente is. De gemeente wil graag dat bewoners naar het park komen, als puntje bij paaltje komt is het park van de gemeente. Dus de plek mag niet komen op de plaats die de bewoners graag willen. Nu moeten ze in de snikhete zon zitten en gaan ze dus nog niet naar die speelelementen toe.
Omdat de gemeente gebruik maakt van preferred suppliers zijn de banken heel chic en duur. De bewoners hebben liever wat minder dure en meer banken, maar dat kan niet. Mensen hebben bakken waar ze een tuin in willen maken. Die zijn onkruidvrij gemaakt, zodat in de lente bloemen zouden kunnen worden geplant. Dat was in november al afgesproken, maar in de lente komen er geen bloemen van de gemeente, want de bloemen moeten nog worden aangeschaft. Het ritme van de gemeentelijke organisatie past op geen enkele manier bij het ritme van de seizoenen. Dat kost dus weer een jaar. Kortom, dit is burgerparticipatie. Als de bewoners een beetje boos worden vraagt een ambtenaar namens wie de bewoners eigenlijk spreken. Inmiddels zijn de bewoners wel zover dat ze vragen namens wie de ambtenaar dan eigenlijk spreekt en hoeveel mensen ook alweer hebben gestemd. Er is ook een ander soort publieke ruimte, de zogenoemde hybride publieke plekken. Dat zijn plekken waar heel veel verschillende soorten activiteiten plaatsvinden, zoals een kinderboerderij of tuinen. Bij een kinderboerderij is ook horeca aanwezig. Daar werken mensen met een WMOindicatie of vanuit de Participatiewet. Daar komen heel veel families en gezinnen, rijk en arm, hoog- en laagopgeleid, met en zonder beperking. Hier komt een heel diverse groep mensen elkaar tegen.
Dit zijn geweldige plekken, knooppunten in het sociale weefsel van de stad. Hier komen mensen elkaar tegen die elkaar op een andere manier niet tegenkomen. Het zijn plekken die ontbubbelen. Ze zijn hybride, divers en gastvrij. Mensen komen er niet binnen met een bepaald label. Dat geldt ook voor de mensen die daar werken vanuit de Participatiewet, vanuit de WMO of vanuit een GGZ-instelling. Iedereen is gewoon vrijwilliger. Hier wordt niet benadrukt hoe mensen zijn en vanuit welke rol ze er zijn. Een kopje koffie is hier nog betaalbaar. Mensen kunnen er gemakkelijk naar toe. Het zijn plekken die ongelijkheid en schaamte tegengaan omdat iedereen daar redelijk zichzelf kan zijn. Het zijn plekken waar mensen nieuwe dingen leren, zoals schilderen, kleding naaien, leren met dieren omgaan, met groen. Mensen leren hier nieuwe sociale skills. Er wordt veel herstelwerk gedaan. Hier komen bijvoorbeeld mensen die na een herseninfarct opnieuw moeten re-integreren of mensen die net in Nederland zijn gekomen en proberen hun draai te vinden. Men vindt er allerlei soorten van herstel, troost. Het is multi en niet mono. Het is geen plek voor één speciale doelgroep, maar de plek is voor iedereen. Dat maakt het bijzonder. De plekken zijn niet moralistisch, ze zijn tolerant voor een soort van vreemdheid. Er komt niet slechts één doelgroep waarbij iedereen zich op dezelfde manier moet gedragen.
Een beetje gek doen mag. Er werken heel weinig betaalde krachten en heel veel vrijwilligers. Er wordt belachelijk veel werk verzet. Er is sprake van een heel groot engagement. Het vastgoed is echter maatschappelijk vastgoed. Daardoor staat iedereen daar continue in de overlevingsstand. Alle subsidies en arrangementen zijn tijdelijk. Er worden experimenten en pilots uitgevoerd, enzovoort. De mensen die deze plekken draaiende houden, die knooppunten zijn in het sociale weefsel van een stad en een stad uiteindelijk bij elkaar houden, gaan ten onder aan de onzekerheid op het niveau van de financiering en de structuur. Bovendien vindt een gemeenteraad het soms moeilijk om te bepalen of een dergelijke plek nu wel of niet in stand moet worden gehouden. Dan valt men ineens terug op individualistische factoren en moet bijvoorbeeld worden aangegeven hoeveel mensen uit een WMO-arrangement raken of hoeveel mensen de GGZ-hulpverlening kunnen opzeggen. Dan wordt ineens niet meer gekeken naar het belang van het in stand houden en eventueel vergroten van het sociale weefsel, zodat heel veel mensen daar gebruik van kunnen maken. Dat is de sociale riolering. Die moet je niet individueel afrekenen, net als je dat ook niet doet met uitscheiding. Het is bekend wat de waarde is van het maken van een sociaal weefsel. Doordat mensen met elkaar praten, kunnen ze weer verhalen vertellen.
Iedereen ziet dat deze plekken zeer waardevol zijn. Desondanks kijkt de gemeente hier, zeker als er bijvoorbeeld een gat in de begroting is, anders naar. Dan moet bijvoorbeeld de huur omhoog. Dan zitten alle
16
betrokkenen in de rats, ze slapen er niet meer van dat hun plek straks misschien niet meer bestaat. Als zich bij de gemeente dan een projectontwikkelaar meldt die een oude school wil herontwikkelen tot hippe appartementen, waarmee de gemeente dan weer wat geld verdient, worden die plekken wellicht opgeofferd. Dat levert veel onzekerheid op. Er zijn mensen in de samenleving die het nodig hebben om naar dergelijke plekken te gaan. Kinderen leren hier dat de wereld heel divers is. Als puntje bij paaltje komt, worden deze initiatieven de nek omgedraaid omdat men niet in staat is om goed de waardering voor het sociale onder woorden te brengen. "Uw initiatief past niet in ons kader" is een soort standaardreactie als bewoners iets willen doen. Het creëren van een sociale riolering is veel onzichtbaar werk. Veel van het goede werk dat op dit soort plekken gebeurt, maar ook wat in het park gebeurt, is vaak onzichtbaar. Daar zijn weinig woorden voor. Het is moeilijk om dat goed in woorden uit te drukken. Er is een cultuur van meten is weten, maar heel veel van die sociale riolering is niet meetbaar. Waardering voor het nog altijd onzichtbare werk dat op dit soort plekken gebeurt is heel erg cruciaal. Als je het sociale in leven wilt houden, als men het belangrijk vindt de samenleving bij elkaar te houden, op welke manier ook, dan is een sociaal weefsel cruciaal.
Die waardering kan niet worden teruggeleid naar individualistische uitkomsten. Het sociale moet als zodanig en in zichzelf worden gewaardeerd. Dat is de kern van de opdracht voor het sociaal domein. Dat is uiteraard lastig. Gemeenteraadsleden worden continu gevraagd waarom ergens geld aan moet worden besteed en of het geld wel goed besteed wordt en wat de waarde van het geld precies is. Teruggrijpen op meten is weten is dan gauw gebeurd. Mevrouw Horstman adviseert dat te vermijden. Het sociale in zichzelf is heel veel waard. Het is regelrecht van belang voor de gezondheid, net zoals de ondergrondse riolering. Om het sociale in stand te kunnen houden, moet hard worden nagedacht met slimme accountants en slimme financiële experts over hoe dat sociale ook in financiële arrangementen goed tot uitdrukking kan worden gebracht. Daartoe ontbreekt momenteel de taal. Gelijke kansen op gezondheid is geen zaak van een domme LSES-doelgroep, maar is een collectieve zaak. Dat betreft ons allemaal. Iedereen heeft belang bij riolering en iedereen heeft belang bij een sociaal weefsel, daar wordt iedereen gezond van. Iedereen wordt uiteindelijk oud en eenzaam. Voor een groot deel gaat het dus over de organisatie/inrichting van de publieke ruimte.
Hoe houd je als gemeente dit soort publieke plekken in stand, hoe stimuleer je dat er meer komen? Er zijn veel variatie en veel publieke plekken, dus veel knooppunten nodig voor een goed sociaal weefsel. Ervaring en kennis van bewoners is hierbij cruciaal, veel crucialer dan alle statistieken. Er moet dus werk worden gemaakt van een nieuwe verantwoordingscultuur. Tot slot toont ze een foto van zichzelf met haar vader in een automatiek: haar vader had een patatzaak. De heer Mees vertelt dat de riolering hem aanspreekt, hij heeft ooit een excursie gehad in de riolen van Antwerpen, de ruien van Antwerpen, hij kan iedereen die excursie aanbevelen. Wat kan de politiek doen en waar liggen de beperkingen in de grenzen van de maakbaarheid? Mevrouw Horstman gelooft helemaal niet in het maakbaarheidsideaal. Ze heeft zichzelf amper onder controle, dus laat staan de rest. Haar studenten mogen het woord interventie niet gebruiken. Gebruiken zij dit woord toch, dan zijn ze gezakt. Een interventie is een militaire metafoor. Ergens wordt ingegrepen en degene die ingrijpt zet de zaken naar zijn of haar eigen hand. Er wordt een ander land overgenomen en zaken worden geregeld zoals degene die het land overneemt dat wil. Als bij iemand wordt geïntervenieerd wordt iemands leven overgenomen, worden zaken geregeld zoals anderen willen en daarna wordt die persoon weer vrijgelaten.
Dat suggereert maakbaarheid, alsof je kunt plannen, alsof je dat kunt regelen. Er kan betrekkelijk weinig worden geregeld. Dat is maar al te duidelijk in Nederland, want anders zouden al die crises er niet zijn. Mevrouw Horstman stelt voor bescheiden te zijn. Vanuit die bescheidenheid kan heel veel goed werk worden gedaan. Al die akkoorden vindt ze beleidsillusies. Dat is beleidstaal, dat is blabla. Natuurlijk zijn taal en kaders nodig om met elkaar een richting te bepalen. Die kunnen interessanter en inhoudelijker zijn dan het GALA-akkoord. Ze is het er heel erg mee eens dat er grenzen zijn aan maakbaarheid. Ze vindt dat je als mens moreel een soort verplichting hebt om te proberen goede dingen te doen, voor de mensen om je heen. De gemeenteraad doet al heel veel goede dingen. Gemeenteraadsleden steken veel tijd in hun werk voor de gemeenteraad en dat is fantastisch. Er is een plicht om hard te werken, maar niet vanuit de illusie dat jij het geregeld krijgt of dat je het kunt plannen of kunt beheersen. Iedereen doet zijn best, dat is haar filosofie. Mevrouw Van der Kallen (Rosmalens Belang) stelt dat het vooral over de openbare ruimte ging. Zijn de straten en buurtverenigingen en überhaupt het hele verenigingsleven niet ook belangrijke pijlers?
17
Mevrouw Horstman vindt verenigingsleven zeker wel belangrijk, maar het kenmerk van verenigingsleven is dat het hard achteruit loopt op veel plekken. Dat is jammer want veel verenigingen zijn heel waardevol. Het zijn ook vaak clubjes. Soms lukt het iemand om een leven lang lid te blijven. De publieke ruimte moet, naast het verenigingsleven, goed worden ingericht. Daar hoeft men geen lid te zijn om daar te mogen komen. In Limburg werd een verenigingsgebouw gesloten, want het werd te duur, onder andere vanwege de energiekosten. Dat betekende dat in een klap dertien verenigingen hun plek kwijtraakten. Dat is dramatisch voor een dorp. Dat kun je niet laten gebeuren. Dan wordt in één klap een heel dorp vernietigd. Mevrouw Van Opdorp (De Bossche Groenen) vraagt of mevrouw een mooie filosofische quote heeft die de gemeenteraad mee kan nemen de komende vier jaar om het sociale netwerk, het sociale rioleringssysteem op orde te krijgen en te houden? Mevrouw Horstman zou alleen al het concept sociale riolering meenemen omdat het laat zien dat je continu bezig bent met de organisatie van de verbindingen tussen mensen en niet met individuen. Bij alles wat wordt gedaan moet worden nagedacht over de ontmoetingsplekken die nodig zijn. Dat kan op diverse plekken, in het groen, in een bibliotheek, in bibliotheekjes die worden gecombineerd met andere functies.
Het hoeven niet altijd chique, fancy gebouwen te zijn. Dat is wel mooi, maar niet altijd noodzakelijk. Gemeenten hebben soms de neiging om in een wijk één wijkgebouw neer te zetten. Dat werkt niet. Er zijn een heleboel soorten publieke ruimtes nodig. Er is een handreiking beschikbaar. Per stad, buurt of wijk zou kunnen worden gescand hoe de publieke ruimte eruit ziet. Daarbij zou ook kunnen worden gekeken vanuit het perspectief van jongeren. Het is niet speciaal over jongeren gegaan maar in de stad waar het park was, was er voor jongeren helemaal niets te doen. Die hangen dus maar wat rond. Ouderen durven vervolgens niet meer naar het park, want die hebben het idee dat daar alleen drugsdealers zitten. In Maastricht is veel import vanuit België dus er wordt inderdaad enorm gedeald en er worden ook nog andere onwenselijke dingen gedaan. Omdat ouderen de jongeren niet kennen, weten ze ook niet of een jongere uit de eigen flat komt en behoort tot een onschuldig groepje jongeren of dat deze inderdaad een drugsdealer is. Mensen kennen elkaar onvoldoende. Eigenlijk moet goed worden nagedacht over al die ruimtes. Wie maakt er gebruik van? Aan jongeren kan worden gevraagd om een scan van een gebied te maken. Wat zijn voor hen de goede ruimtes? Wat zijn voor hen de belangrijke ontmoetingsplekken? Jongeren hebben verschillende subculturen, dus er zijn echt meer plekken nodig.
Mevrouw Van Opdorp (De Bossche Groenen) vraagt of mevrouw Horstman de scan wil delen. Mevrouw Horstman zegt dat het om een handreiking gaat met daarin een aantal vragen. In Maastricht heeft men de jeugd verwaarloosd. Recent was er een bezoek van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheidszorg en toen werd de opmerking gemaakt ‘it takes a village to raise a child’. Zij kregen de village niet bedacht en in het boek kregen ze hiervoor handreikingen. Samen met andere gemeenten is nagedacht en toen kwam men tot de conclusie dat bijvoorbeeld Jeugdgezondheidszorg, die nu nog ondergebracht wordt bij de consultatiebureaus, wellicht op andere plekken zouden moeten worden gehuisvest. Door na te denken over sociale riolering ga je anders kijken naar de wereld.
9.
Afsluiting De voorzitter bedankt iedereen voor de goede en erg inspirerende bijeenkomst. Namens de commissie Sociaal en de Bossche raad dankt hij de sprekers heel hartelijk voor hun verhalen. Als symbolische blijk van waardering krijgen de sprekers nog een boek mee van de stadskronieker, de heer Alink. Het boek heet ‘Toen Den Bosch zichzelf niet was’. Het gaat over het leven tijdens corona en heeft een verbinding met het thema van deze avond. Hij wenst allen een prettige avond en sluit de vergadering om 21.35 uur.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de commissie Sociaal van 6 september 2023.
De secretaris, drs. E. Kerkhoff
18