Transitievisie Warmte 2.0
Tekst van het document
Transitievisie Warmte 2.0 OP WEG NAAR EEN AARDGASVRIJE EN KLIMAATNEUTRALE GEMEENTE IN 2045
Inhoud
Voorwoord Wethouder H1 - Inleiding
3
H2 - Doel en doelstellingen TVW
6
H3 - Besparingsaanpak
9
H4 - Warmtenetaanpak
20
H5 - Raadpleging inwoners en stakeholders
31
H6 - Communicatie
33
H7 - Data in de TVW 2.0
36
B1 - Relevante uitkomsten Digipanelonderzoek
40
B2 - Rode draden bijeenkomst buurtinitiatieven 12 mei 2023
43
B3 - Bronnenonderzoek (losse bijlage)
47
Voorwoord In 2045 is ’s-Hertogenbosch klimaatneutraal. Een van de belangrijkste stappen om die opgave te realiseren is het aardgasvrij maken van onze gebouwde omgeving. Dat doen we de komende jaren vooral door met woningisolatie zoveel mogelijk te besparen op ons aardgasverbruik. Zo zetten we direct concrete stappen naar een lagere CO2-uitstoot, verlagen we de energierekening van onze inwoners en kunnen we op termijn meer woningen aansluiten op één duurzame warmtebron. Uitgangspunt hierbij is dat we alle inwoners – huurders en woningeigenaren – ondersteunen in de warmtetransitie. Bij de verdeling van onze schaarse middelen geven we prioriteit aan het terugdringen van energiearmoede. Zo ontwikkelen we een aanpak waarmee we woningeigenaren die niet in staat zijn hun woning zelfstandig te verduurzamen gaan ontzorgen. Koplopers met een eigen woning kunnen zelfstandig aan de slag met een adviesop-maat en onze isolatieaanpak. Tegelijkertijd kijken we vooruit en verkennen de mogelijkheden om de duurzame warmtebronnen in onze gemeente op termijn in te zetten om zoveel mogelijk buurten collectief te verwarmen. We geven aan wat ons pad is naar een klimaatneutrale gebouwde omgeving en concretiseren zowel onze besparingsaanpak als onze warmtenetaanpak.
We doen dit op basis van inzichten uit de aanpak van de energiecrisis, ervaringen met onderzoeksbuurten, onderzoek, data-analyse en gesprekken met buurtinitiatieven en professionele partners. We komen van ver en hebben nog een lange en uitdagende weg te gaan. Ook met deze Transitievisie Warmte staat nog niet alles vast. Warmtetechnieken blijven zich ontwikkelen en in de toekomst komt er mogelijk zicht op nieuwe warmtebronnen, zoals groen gas en geothermie. Onze aanpak is daarom flexibel en blijft zich ontwikkelen. Dat past ook bij de warmtetransitie die wij doormaken. Een transitie die volgens deskundigen lange tijd onvoorspelbaar, traag en onregelmatig verloopt. Om straks te versnellen zetten we nu vooral in op het ontwikkelen van nieuwe instrumenten en experimenten. Zo doen we ervaring op en blijven we continu leren. De komende jaren zetten we nog vele stappen met elkaar, onze inwoners en partners in de warmtetransitie. Deze Transitievisie Warmte 2.0 is wat mij betreft een stevige vervolgstap in onze reis naar een aardgasvrije en klimaatneutrale gemeente. Mike van der Geld Wethouder Energietransitie
H1 - Inleiding Waarom een TVW 2.0? In 2045 is ’s-Hertogenbosch klimaatneutraal. Dat betekent dat we in dat jaar geen CO2 meer uitstoten. Het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving levert een belangrijke bijdrage aan deze opgave. Immers, de Bossche CO2-uitstoot ten gevolge van aardgasgebruik door huishoudens en bedrijven bedraagt bijna 40% (bron: Klimaatmonitor ). In deze TVW 2.0 actualiseren we onze plannen op basis van het Bestuursakkoord 20222026 , de door de raad vastgestelde Bouwstenen TVW 2.0 , nieuw Rijksbeleid en de gevolgen van ontwikkelingen op de energiemarkt voor huishoudens met een slecht geïsoleerde woning en een laag inkomen. Daarnaast geven we in deze TVW uitvoering aan twee moties.
Moties met een relatie tot de TVW 2.0 In de motie Uitvoeringsplan Transitievisie Warmte 2.0 verzoekt de raad het college om een doorkijk te geven naar een tijds- en financiële planning voor de komende jaren binnen de nu bestaande mogelijkheden en bijbehorende financieringsstrategie. Daarnaast vraagt de raad in deze motie om een communicatiestrategie. Tot slot vraagt de raad om inzicht in de ondersteuning die de gemeente kan bieden aan buurten waar een collectief warmtenet niet haalbaar is. In de motie Versterk buurtinitiatieven in de warmtetransitie is het college verzocht om een platform voor en door buurtinitiatieven op te richten waar kennis kan worden gedeeld en waar de buurtinitiatieven met elkaar en met partners in verbinding worden gebracht.
3
Waar gaat deze TVW 2.0 over? Net als de TVW 1.0 gaat deze TVW vooral over de twee sporen waarlangs onze gemeente aardgasvrij wordt: de besparingsaanpak en de warmtenetaanpak[1]. In hoofdstuk 2 verduidelijken we het ‘waarom’ van de warmtetransitie , geven we aan wat we met de TVW 2.0 willen bereiken en vertalen dit naar concrete doelen om de gebouwde omgeving in 2045 klimaatneutraal te maken. In hoofdstuk 3 geven we een overzicht van alle instrumenten (oud en nieuw) die horen bij de besparingsaanpak . Deze aanpak richt zich vooral op woningisolatie door zowel woningeigenaren als (ver)huurders. In hoofdstuk 4 schetsen we de warmtenetaanpak . De warmtenetaanpak is gekoppeld aan de regierol van de gemeente. In de Bouwstenen TVW 2.0 heeft de raad bepaald dat een sterke, regisserende rol van de gemeente noodzakelijk is in een buurt waar een collectief warmtenet haalbaar is. In deze TVW geven we aan in welke buurten we aan de slag gaan met de warmtenetaanpak. Ook geven we aan welke buurten (vooralsnog) niet in aanmerking komen voor een warmtenetaanpak. Overige onderwerpen In de resterende vier hoofdstukken laten we zien hoe we inwoners en stakeholders hebben geraadpleegd bij de totstandkoming van deze TVW (hoofdstuk 5) en schetsen we op hoofdlijnen hoe onze communicatiestrategie er uitziet (hoofdstuk 6).
Tot slot geven we in hoofdstuk 7 aan hoe we bij het opstellen van deze TVW gebruik hebben gemaakt van data.
Wanneer een volgende TVW? In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten elke vijf jaar een Transitievisie Warmte vaststellen. In een TVW maken gemeenten inzichtelijk in welke buurten we aan de slag gaan en welke mogelijke warmte-alternatieven hiervoor onderzocht worden of beschikbaar zijn. Tot 2045 stellen wij vanaf 1-1-2024 elke vijf jaar een TVW op. Dit betekent dat de eerstvolgende TVW (3.0) in 2028 aan de raad wordt voorgelegd. De TVW 3.0 wordt – na invoering van de Omgevingswet – vormgegeven als programma onder de Omgevingswet.
Jaarplan Warmtetransitie Door middel van een Jaarplan wordt de raad geïnformeerd over de voortgang met betrekking tot de realisatie van de doelstellingen, de uitgevoerde maatregelen en de (nieuwe) maatregelen die volgens ons nodig zijn om de doelstelling voor het komende jaar te realiseren. [1] In de TVW 2.0 hebben we de begrippen opgavegerichte aanpak en gebiedsgerichte aanpak uit de TVW 1.0, vervangen door besparingsaanpak respectievelijk warmtenetaanpak. Deze begrippen geven volgens ons beter aan wat wij onder deze sporen verstaan.
4
TVW 2.0 en Omgevingsvisie Deze TVW 2.0 wordt meegenomen als onderdeel van de gemeentelijke Omgevingsvisie. Momenteel is het wetsvoorstel Gemeentelijke instrumenten warmtetransitie in voorbereiding. Indien deze wet in werking treedt, krijgt de TVW een juridische basis onder de Omgevingswet. Vanaf dat moment kan het rijk kan ook specifieke instructieregels stellen voor de inhoud van de TVW 3.0.
Doorkijk warmtetransitie 's-Hertogenbosch
5
H2 - Doel en doelstellingen TVW Waarom een TVW? In het landelijke Klimaatakkoord staan afspraken over CO2-reductie die zijn gemaakt aan de vijf zogenaamde Klimaattafels. Gemeentelijke TVW’s komen voort uit de afspraken die zijn gemaakt aan de tafel Gebouwde Omgeving. De TVW’s hebben dus betrekking op reductie van de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving. De CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving wordt veroorzaakt door het gebruik van fossiele energie: aardgas en fossiele elektriciteit[1]. Het terugdringen van de CO2-uitstoot door het gebruik van fossiele elektriciteit in de gebouwde omgeving behoort niet tot de opgave van gemeenten in het kader van de TVW. Voor dit doel zijn aan een andere Klimaattafel afspraken gemaakt: de tafel Elektriciteit. Hier ligt vooral een opgave voor het Rijk. Gemeenten zijn hierbij betrokken via de Regionale Energiestrategie (RES), waar landelijk is afgesproken dat alle 30 RES-regio’s samen 35 TWh aan duurzame energie opwekken in 2030. ’s‑Hertogenbosch levert hieraan een bijdrage van tenminste 0,35 TWh. Uiteindelijk zal alle elektriciteit in Nederland klimaatneutraal worden opgewekt in een mix van wind-, zonne- en kernenergie. De klimaatopgave in de gebouwde omgeving richt zich dus op (1) het terugdringen van het aardgasgebruik (besparing) en (2) uiteindelijk het vervangen van aardgas door een alternatieve warmtebron.
Alternatieve warmtebronnen zijn bijvoorbeeld warmte uit oppervlaktewater, restwarmte uit een thermisch (industrieel) proces of een warmtepomp[2].
Doel TVW De totale CO2-uitstoot in 's-Hertogenbosch bedraagt 578 kiloton (peiljaar 2021). Hiervan wordt 217 kiloton (37%) veroorzaakt door aardgasverbruik in de gebouwde omgeving. Uiteindelijk willen we deze uitstoot via beleid en maatregelen die we in deze en toekomstige TVW’s vaststellen en uitvoeren terugbrengen naar nul. In het Bestuursakkoord is afgesproken dat de gemeente ’s-Hertogenbosch in 2045 klimaatneutraal is. Dat betekent dat er in 2045 geen aardgas meer wordt gebruikt in de gebouwde omgeving. [1] Fossiele elektriciteit is elektriciteit die wordt opgewekt met aardgas, kolen of olie. [2] Voor meer uitgebreide informatie over alternatieve warmtebronnen: zie hoofdstuk 4.
6
Jaarlijkse doelstellingen TVW Het doel van een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2045 vertalen we naar te realiseren doelstellingen per jaar. Bij het bepalen van de doelstellingen gaan we uit van een tijdspad dat loopt tot 2045, waarbij gedurende de looptijd van elke TVW een bijdrage wordt geleverd aan de CO2-reductie om uiteindelijk op nul uit te komen. Bij het bepalen van de doelstellingen gaan we uit van een zogenaamde S-curve die past bij de aard van een transitie, zoals de warmtetransitie. “Een transitie volgt een S-curve. Eerst is er een lange voorontwikkelingsfase, en dan komt er een kantelfase. Dat leert je een paar dingen: ontwikkelingen gaan niet lineair maar schoksgewijs, ze gaan soms snel en soms traag. (…) In het begin moet je daarom experimenteren, terwijl je in een latere fase moet kantelen.” (uit: Transities – Jan Rotmans ). In de (voor)ontwikkelingsfase zijn we (gemeente, Rijk, partners, inwoners en ondernemers) aan het experimenteren, ontdekken en leren en zijn de benodigde technieken en markten (w.o. de isolatie-, installatie- en arbeidsmarkt) nog in ontwikkeling. In deze fase is slechts een kleine groep koplopers aan het verduurzamen. Na deze fase komt de kantelfase en begint de transitie te versnellen. In de versnellingsfase gaan we opschalen en beginnen ook de achterblijvers met verduurzamen. Aan het einde van de transitie gaat het weer langzamer.
In deze eindfase voelen we het gewicht van de laatste loodjes, omdat alleen de ‘taaie uitdagingen’ zijn overgebleven. Deze uitdagingen passen niet binnen de ontwikkelde aanpak en vragen om (vaak tijdrovende en kostbare) maatwerkoplossingen.
Doelstellingen Als we de S-curve vertalen naar een jaarlijkse bijdrage aan de CO2-reductie, zodat we in 2045 uitkomen op een CO2-uitstoot van nul, dan komen we tot de onderstaande grafiek.
7
Verschil met TVW 1.0 In de TVW 1.0 werd nog gesproken over resultaten in termen van ‘percentage aardgasvrije woningen’. Voortschrijdend inzicht leidt ertoe dat we met ingang van deze TVW gaan sturen op ‘CO2-reductie’. Hiervoor zijn twee redenen: Met de komst van de CO2-Monitor kan de raad straks beter sturen op gemeentebrede CO2-reductie richting 2045. Het is belangrijk dat de warmtetransitie hierbij aansluit, zodat een eenduidig beeld ontstaat. De komende jaren boeken we vooral resultaten met het ‘aardgasvrijgereed’ maken van woningen (isoleren). Deze inspanningen worden niet zichtbaar als we (blijven) sturen op ‘aardgasvrije woningen’.
8
H3 - Besparingsaanpak Inleiding De komende jaren zetten we vooral in op woningisolatie. Door te isoleren, hebben we minder aardgas nodig om gebouwen te verwarmen. Dat heeft veel voordelen: Minder gebruik van aardgas, leidt direct tot een lagere CO2-uitstoot. Energie die we niet gebruiken, hoeven we niet duurzaam op te wekken met windmolens en zonnepanelen. Een lagere warmtevraag leidt tot een lagere energierekening. Goed geïsoleerde woningen gebruiken minder warmte, waardoor we meer woningen op één duurzame warmtebron kunnen aansluiten. De besparingsaanpak is er voor alle Bossche huishoudens: woningeigenaren en particuliere en corporatiehuurders. Naast de reeds bestaande instrumenten, wordt een aantal nieuwe instrumenten ontwikkeld en in de eerste helft van 2024 geïntroduceerd. Een deel van deze instrumenten richt zich op specifieke doelgroepen. In dit hoofdstuk geven wij een overzicht van alle doelgroepen en de instrumenten per doelgroep. Relatie besparingsaanpak en warmtenetaanpak Alhoewel de besparingsaanpak en de warmtenetaanpak in de TVW 2.0 apart worden behandeld, zijn beide nauw met elkaar verbonden. Binnen de warmtenetaanpak kunnen immers alle instrumenten van de besparingsaanpak worden ingezet. Omgekeerd kunnen woningen die met één of meer instrumenten uit de besparingsaanpak zijn geïsoleerd, beter worden aangesloten op een warmtenet.
Besparingsaanpak, CO2-reductie en energiearmoede In de warmtetransitie ligt de focus op het terugdringen van de CO2-uitstoot als gevolg van het gebruik van aardgas voor het verwarmen van gebouwen. Tegelijkertijd houden we hierbij een scherp oog voor energiearmoede. Dit betekent dat de meeste instrumenten uit de besparingsaanpak vooral zijn gericht op het terugdringen van de CO2-uitstoot, maar niet allemaal. Zo zijn het Bossche Bespaarteam, de Maatwerkaanpak Energiearmoede en de Ondersteuning initiatiefrecht verduurzaming (zie hierna), meer gericht op het zoveel mogelijk beperken van energiearmoede en minder op het terugdringen van de CO2uitstoot.
9
Overzicht instrumenten en doelgroepen
Doelgroepen ’s-Hertogenbosch kent 74.000 huishoudens. Hiervan hebben 39.000 een eigen woning (53%). De overige 35.000 (47%) huurt een woning. Hiervan huren bijna 25.000 huishoudens bij een woningcorporatie. De rest – bijna 11.000 huishoudens – huurt bij een particuliere verhuurder. In de besparingsaanpak onderscheiden we zes doelgroepen op basis van een indeling in woningeigenaren, corporatiehuurders en particuliere huurders en een onderverdeling naar wel/niet zelfstandig verduurzamen (woningeigenaren) c.q. wel/geen energiearmoede (huurders).
10
Doelgroep 1: Zelfredzame woningeigenaren die zelfstandig kunnen verduurzamen (±36.000 huishoudens) Deze doelgroep beschikt over voldoende financiële draagkracht om de eigen woning te verduurzamen met subsidies, eigen middelen en/of leningen. Daarnaast wordt deze groep in staat geacht om zich te informeren over de verduurzamings- en financieringsmogelijkheden en deze te (laten) realiseren. Deze doelgroep heeft geen energiearmoede en is in staat de financiële middelen te organiseren die nodig zijn voor de verduurzaming. Deze doelgroep wordt vooral bereikt door informatiecampagnes van de Rijksoverheid en de gemeente. Daarnaast haalt zij informatie uit (informele) netwerken, van overheidssites als Verbeterjehuis.nl en Milieu Centraal, het gemeentelijk energieloket Brabant Woont Slim, bij (belangen)organisaties als Vereniging Eigen Huis en (via het Platform) bij lokale buurtinitiatieven. Doelgroep 2: Woningeigenaren die niet zelfstandig kunnen verduurzamen (±2.000 huishoudens) Deze doelgroep wordt niet of in mindere mate in staat geacht om (1) zich zelfstandig te informeren over verduurzamings- en financieringsmogelijkheden en (2) de benodigde maatregelen te (laten) realiseren. Daarnaast beschikt naar schatting driekwart van deze doelgroep over onvoldoende financiële draagkracht om de eigen woning te verduurzamen.
Tot slot heeft 1 op de 4 huishoudens in deze doelgroep te maken met energiearmoede. Deze doelgroep wordt niet of nauwelijks bereikt door informatiecampagnes van de Rijksoverheid en de gemeente en heeft niet de mogelijkheden om de stappen richting verduurzaming zelfstandig te zetten. Doelgroep 3: Corporatiehuurders zonder energiearmoede (±20.000 huishoudens) Bij deze doelgroep is er geen sprake van energiearmoede. De woningen van deze doelgroep zijn over het algemeen goed (energielabel B of hoger) tot matig (energielabel C of D) geïsoleerd en hebben een laag tot gemiddeld energieverbruik. De woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor verduurzaming van de woningen van deze doelgroep.
11
Doelgroep 4: Corporatiehuurders met energiearmoede (±4.600 huishoudens) Bij deze doelgroep is er sprake van energiearmoede. De woningen van deze doelgroep zijn over het algemeen minder goed geïsoleerd (energielabel DEFG) en hebben daardoor een hoog energieverbruik. De mate waarin deze doelgroep in staat is om zelfstandig de woning te verduurzamen speelt hier geen rol, aangezien de woningcorporaties verantwoordelijk zijn voor verduurzaming van de woningen van deze doelgroep. Doelgroep 5: Particuliere huurders zonder energiearmoede (±10.000 huishoudens) Bij deze doelgroep is er geen sprake van energiearmoede. De woningen van deze doelgroep zijn over het algemeen goed (energielabel B of hoger) tot matig (energielabel C of D) geïsoleerd en hebben een laag tot gemiddeld energieverbruik. Particuliere verhuurders zijn verantwoordelijk voor verduurzaming van de woningen van deze doelgroep. Doelgroep 6: Particuliere huurders met energiearmoede (±800 huishoudens) Bij deze doelgroep is er sprake van energiearmoede. De woningen van deze doelgroep zijn over het algemeen minder goed geïsoleerd (energielabel DEFG) en hebben daardoor een hoog energieverbruik. De mate waarin deze doelgroep in staat is om zelfstandig de woning te verduurzamen speelt hier geen rol, aangezien de particuliere verhuurders verantwoordelijk zijn voor verduurzaming van de woningen van deze doelgroep.
12
Instrumenten Hieronder de instrumenten binnen de besparingsaanpak waar wij de komende jaren mee aan de slag gaan om onze CO2-uitstoot terug te dringen, onze woningen aardgasvrijgereed[1] te maken en de energiearmoede in ’s‑Hertogenbosch zoveel mogelijk te verminderen. Dit pakket is samengesteld op basis van de huidige kennis, inzichten en behoeftes. Als blijkt dat bepaalde instrumenten niet of onvoldoende bijdragen aan onze doelen, dan gaan we op zoek naar andere. Alhoewel de gemeente – samen met het Rijk – vooral verantwoordelijk is voor het ondersteunen van woningeigenaren met een slecht geïsoleerde woning, kiezen wij er nadrukkelijk voor om met een mix van instrumenten alle huishoudens zoveel mogelijk te ondersteunen. Energieloket Brabant Woont Slim (bestaand) Het Energieloket Brabant Woont Slim (BWS) is het loket voor de hele Besparingsaanpak. BWS geeft alle woningeigenaren en huurders algemeen advies gericht op energiebesparing en de financiering hiervan. Daarnaast kunnen inwoners via de website informatie krijgen over subsidies en een Online HuisScan doen. Voor woningeigenaren is er het Slim Wonen Advies (zie hierna). Met ingang van 1 mei 2023 ook ondernemers in het MKB terecht bij het zakelijk loket voor informatie over o.a. subsidies, energiebesparing, lokale initiatieven en (advies van) specialisten.
Slim Wonen Advies (bestaand) Een Slim Wonen Advies (SWA) geeft woningeigenaren inzicht in de stappen die zij kunnen zetten om hun woning te verduurzamen. Het is een advies op maat, dat wordt bepaald [1] Vuistregel is dat een woning ‘aardgasvrijgereed’ is als deze in de wintermaanden met een afgiftetemperatuur van 55-60 graden kan worden verwarmd.
13
door een onafhankelijk energieadviseur aan de hand van een huisbezoek. Het SWA is meestal niet geschikt voor woningeigenaren met een woning die tot een Vereniging van Eigenaren (VvE) behoort. Voor hen zijn andere instrumenten beschikbaar (zie hierna). VvE-aanpak en -loket (in ontwikkeling) Inwoners met een koopwoning die lid zijn van een Vereniging van Eigenaren (VvE), zijn samen met de andere VvE-leden eigenaar van het gebouw of wooncomplex. Dit betekent dat zij samen verantwoordelijk zijn voor verduurzaming van het gebouw of wooncomplex. Het besluit om bijvoorbeeld de buitenmuren te isoleren kan niet individueel genomen worden. Dat maakt verduurzaming van een VvE-woning vaak ingewikkeld: als de meerderheid er niet uitkomt, wordt het gebouw niet verduurzaamd. Uit een gesprek met enkele buurtinitiatieven in januari 2023 kwam naar voren dat er behoefte bestaat aan ondersteuning van VvE’s bij verduurzaming. Om woningeigenaren in een VvE te ondersteunen bij verduurzaming van hun woning ontwikkelen wij – in nauwe samenwerking met een aantal Bossche VvE’s – een zogenaamde ‘VvE-aanpak’. Hierbij sluiten we aan bij ervaringen en ‘best practices’ van andere gemeenten en het VvE Transitiecentrum Brabant. De VvE-aanpak is gericht op voorlichting, training en procesondersteuning en niet op financiering van verduurzamingsmaatregelen.
Hiervoor kunnen de woningeigenaren immers een beroep doen op eigen middelen en subsidies en financieringsmogelijkheden van het Rijk. De VvE-aanpak bevindt zich op dit moment nog in een ontwikkelfase. In de tweede helft van 2023 starten we met 10-15 VvE's. In het vierde kwartaal van 2024 evalueren we onze aanpak. Op basis van die evaluatie kunnen we een eerste inschatting maken van de kosten, opbrengsten en doorlooptijd van de VvE-aanpak[1].
[1] Eind april heeft minister Jetten het Ontwerp Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2024 gepresenteerd. Hierin wordt gesproken over een nog te ontwikkelen nationaal plan van aanpak om VvE’s te verduurzamen door hen te a c t i v e r e n ( m e t w e t - e n r e g e l g e v i n g ) e n t e o n t z o r g e n . W a t d i t n a t i o n a a l p l a n v a n a a n p a k c o n c r e e t b e t e k e n t v o o r V v E ’s is bij het schrijven van deze TVW niet bekend. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en sluiten bij de ontwikkeling van onze VvE-aanpak hierbij aan.
14
Stratenblokaanpak (in ontwikkeling) De Stratenblokaanpak is bedoeld om straten(blokken) in beweging te krijgen en concrete stappen te laten zetten op weg naar aardgasvrij(gereed) wonen. De aanpak is bij voorkeur gericht op grotere maatregelen (‘schilisolatie’), maar kan desgewenst ook voor kleinere maatregelen worden ingezet. Een stratenblokaanpak is voor woningeigenaren die samen met een groep van ongeveer 10 tot 20 buren hun woning willen verduurzamen. Het idee hierachter is dat buren taken onderling kunnen verdelen en samen collectief advies en maatregelen kunnen inkopen. Net als de VvE-aanpak is de Stratenblokaanpak gericht op voorlichting, training en procesondersteuning en niet op financiering van maatregelen. De Stratenblokaanpak wordt op dit moment ontwikkeld in nauwe samenwerking met een aantal Bossche buurtinitiatieven en het Platform en bevindt zich op dit moment nog in een ontwikkelfase. In mei 2023 zijn we gestart met een aanpak waarvan de voortgang in het vierde kwartaal van 2023 wordt geëvalueerd. Op basis van die evaluatie kunnen we een eerste inschatting maken van de kosten, opbrengsten, doorlooptijd en daarmee de mogelijkheden om de aanpak in 2024 op te schalen. Isolatieprogramma (in ontwikkeling) Dit instrument is gericht op het ontzorgen van zelfredzame woningeigenaren met een collectief aanbod gericht op het isoleren van hun woning.
Het idee hierachter is dat de gemeente bepaalde veel voorkomende isolatiemaatregelen (zoals spouwmuurisolatie), collectief inkoopt en aanbiedt. Woningeigenaren hoeven dan slechts kenbaar te maken dat zij hiervan gebruik willen maken, waarna een traject van technisch en financieel advies tot en met realisatie en eindcontrole in gang wordt gezet. Het programma kan worden herhaald of uitgebreid met andere verduurzamingsmaatregelen. Omdat meerdere gemeenten in Brabant een vergelijkbare aanpak kiezen, leren we van de aanpak van voorlopers en onderzoeken we in regioverband of en hoe we hierbij kunnen samenwerken. De verwachting is dat het Isolatieprogramma in het tweede kwartaal van 2024 van start gaat. In 2025 wordt het programma geëvalueerd. Op basis van die evaluatie kunnen we een eerste inschatting maken van de kosten, opbrengsten, doorlooptijd en daarmee de mogelijkheden om de aanpak op te schalen.
15
Aanpak Gespikkeld Bezit (net gestart) Woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor het verduurzamen van hun eigen woningvoorraad. Tussen de te verduurzamen huurwoningen wonen vaak ook particuliere eigenaren in voormalige corporatiewoningen. We noemen dit ‘gespikkeld bezit’. Onze gemeente telt naar schatting 3.400 voormalige corporatiewoningen. Eigenaren van gespikkeld bezit hebben bovengemiddeld vaak te maken met energiearmoede. Wanneer de huurwoningen worden verduurzaamd door de woningcorporatie heeft het voor zowel de bewoner, de woningcorporatie als de gemeente voordelen om deze particuliere woningen hierbij te betrekken. In het kader van de gedeelde rol van de gemeente (zie: Bouwstenen TVW 2.0) zijn we in 2023 gestart met een aanpak waarbij we samenwerken met Bossche woningcorporaties. In deze aanpak ondersteunen wij de corporaties financieel, zodat zij particuliere woningeigenaren in gespikkeld bezit bij hun renovatieprojecten betrekken en zoveel mogelijk ontzorgen. In het 4e kwartaal van 2024 wordt deze aanpak geëvalueerd. Op basis van die evaluatie kunnen we een eerste inschatting maken van de kosten, opbrengsten, doorlooptijd en opschaalbaarheid van deze aanpak. Maatwerkaanpak energiearmoede (in ontwikkeling) Met een maatwerkaanpak proberen we de doelgroep van niet-zelfredzame woningeigenaren zoveel mogelijk te ontzorgen.
De maatwerkaanpak wordt ontwikkeld op basis van het Isolatieprogramma, maar gaat veel verder bij het ontzorgen van woningeigenaren. De belangrijkste kenmerken van de maatwerkaanpak zijn: Bezoeken van woningeigenaren en hen motiveren om mee te doen en (als dat nodig is) eventuele obstakels helpen wegnemen. De woningeigenaar krijgt een procesbegeleider die gedurende het hele verduurzamingsproces meeloopt met en aanspreekpunt is voor de woningeigenaar. Persoonlijke ondersteuning bij het regelen van de financiering (inclusief het aanvragen van de ISDEsubsidie). Deze aanpak is nieuw en we hebben nog geen voorbeelden kunnen vinden van gemeenten die een soortgelijke aanpak (willen) toepassen. Dit betekent dat we de komende twee jaar ‘in de praktijk’ een aanpak gaan ontwikkelen en evalueren.
16
Deze aanpak is zeer arbeidsintensief, terwijl de bijdrage aan de CO2-reductie in de gebouwde omgeving (vanwege de beperkte aantallen) gering is. Hiermee is de maatwerkaanpak vooral gericht op het voorkomen van een tweedeling in de warmtetransitie, tussen enerzijds woningeigenaren die zelfstandig kunnen meekomen (en zo een lagere energierekening, hogere woningwaarde en een comfortabelere woning krijgen) en zij die dat niet kunnen. Aanpak Energiearmoede corporatiehuurders (bestaand) Op landelijk niveau hebben de woningcorporaties met het Rijk afgesproken om vóór 2028 alle EFG-labels uit te faseren (uit: Prestatieafspraken Tariefverlaging Verhuurdersheffing 1-1-2022). Het gaat in ’s‑Hertogenbosch om ongeveer 1.400 corporatiewoningen met een EFG-label. Lokaal is afgesproken dat in de periode 2023-2030 7.500 corporatiewoningen worden verduurzaamd. Woningen met een hoog energieverbruik als gevolg van slechte tot matige isolatie krijgen hierbij voorrang (uit: Uitvoeringsagenda Prestatieafspraken 2023). Dat betekent dat naast woningen met EFG-labels ook maximaal 6.100 woningen met CD-labels en woningen zonder label met een hoog energieverbruik met extra prioriteit worden verduurzaamd. We monitoren samen met de corporaties de voortgang van de verduurzaming en bespreken deze vier keer per jaar in het Drie-Partijenoverleg (DPO) tussen huurders, woningcorporaties en gemeente.
Aanpak Energiearmoede particuliere huurders (wordt onderzocht) Huurders kunnen gebruik maken van hun ‘initiatiefrecht voor verduurzaming’[1]. Hierbij doen zij een voorstel voor het isoleren van de woning, in combinatie met een huurverhoging die in redelijke verhouding staat tot de verduurzamingskosten. Als de verhuurder hiermee niet akkoord gaat, is dit voorstel – mits goed onderbouwd – bij de rechter afdwingbaar. Het initiatiefrecht voor huurders wordt in 2024 uitgebreid. Het kabinet wil dat huurders ook zonnepanelen en een (hybride) warmtepomp kunnen afdwingen. Het initiatiefrecht tot verduurzaming van de huurwoning is niet voor elke huurder eenvoudig uitvoerbaar. De verschillende stappen – van het opstellen van offertes, het onderhandelen met de verhuurder, tot een eventueel juridisch traject – vereisen specialistische kennis. Voor veel huurders zal begeleiding bij dit traject nodig zijn. Nadat het Rijk de nieuwe wetgeving rondom het initiatiefrecht heeft ingevuld, onderzoeken we of en zo ja, hoe we in ’s-Hertogenbosch particuliere huurders met energiearmoede bij dit traject kunnen ondersteunen.
[1] Op grond van artikel 243 van Burgerlijk Wetboek Boek 7
17
Bossche Bespaarteam (bestaand) Het Bossche Bespaarteam (BBT) is kort na het begin van de energiecrisis in 2023 opgezet om snel (kleine) energiebesparende maatregelen te treffen in huur- en koopwoningen van huishoudens met energiearmoede. Tijdens een huisbezoek van het BBT worden door een klusser gratis energiebesparende producten aangebracht, zoals ledlampen, een waterbesparende douchekop, radiatorfolie en tochtstrips. Daarnaast krijgen huishoudens die dat willen via het BBT ook financiële hulp[1]. Terwijl de klusser bezig is, geeft een financieel adviseur – naast energiebespaaradvies – ook advies over andere kostenbesparende en inkomensondersteunende maatregelen. Naar verwachting zorgt een bezoek van het BBT voor gemiddeld 5% besparing op het energieverbruik. Dat komt omdat de (kleine) maatregelen die de BBT-klusser kan aanbrengen, slechts een beperkt effect hebben op het gasverbruik. Het BBT is daarmee vooral een instrument om ‘binnen te komen’ bij huishoudens met beperkte financiële draagkracht en hen breed te adviseren.
[1] Huishoudens die geen financiële hulp willen, worden geholpen door een klusser van de Klimaatroute. Dit is een regionaal georganiseerd en biedt dezelfde ondersteuning als de klusser van het BBT.
18
Ondersteuning van koplopers en buurtinitiatieven (‘lichte rol’) Particuliere woningeigenaren die snel aan de slag willen met verduurzaming van hun woning (de ‘koplopers’) en buurtinitiatieven kunnen bij het isoleren van hun woningen gebruik maken van alle instrumenten uit de Besparingsaanpak, zoals het maatwerkadvies, de VvE- en Stratenblokaanpak en de Isolatieaanpak. Daarnaast kunnen buurtinitiatieven deelnemen aan het Platform Energie-initiatieven. Dit platform is bedoeld voor buurtinitiatieven die samen kennis willen delen, inspiratie willen ophalen en elkaar willen ontmoeten om de warmtetransitie verder te brengen. Daarnaast gebruiken we het Platform om de buurtinitiatieven gericht te informeren over gemeentelijke en Rijksregelingen gericht op verduurzaming. Het is een platform voor en door de buurtinitiatieven. Het platform bestaat uit een website en vier keer per jaar een fysieke kennisbijeenkomst. Tot slot ontwikkelen we in de eerste helft van 2024 een aanpak voor beginnende buurtinitiatieven. In ’s‑Hertogenbosch komen er steeds meer buurtinitiatieven bij. We gaan hen (tijdelijk) ondersteunen en versterken. Dit doen we door ze informatie en training aan te bieden. Deze aanpak werken we in de eerste helft van 2024 uit en zoeken hierbij samenwerking met zowel beginnende als meer ervaren buurtinitiatieven.
Wet natuurbescherming en isolatie De Wet natuurbescherming (Wnb) verplicht woningeigenaren om dieren die in een spouwmuur of onder een dak leven te beschermen. Daarbij is ecologisch onderzoek nodig om te achterhalen of er beschermde dieren aanwezig zijn en zo ja, wat daarvoor moet gebeuren. Een recente uitspraak van de rechter heeft duidelijk gemaakt dat de woningeigenaar verantwoordelijk is voor het uitvoeren van een ecologisch onderzoek voorafgaand aan het treffen van isolatiemaatregelen in een spouwmuur of dak. Het uitvoeren van ecologisch onderzoek voor alle individuele woningen afzonderlijk is tijdrovend en kostbaar. Om woningeigenaren te ontlasten, kunnen gemeenten een soortenmanagementplan (SMP) opstellen. Dit is een plan waarin voor bepaalde gebieden of het hele grondgebied van een gemeente, ecologisch onderzoek wordt gedaan en maatregelen worden genomen ter bescherming van de aanwezige soorten. Op basis van het SMP kan de provincie aan de gemeente een gebiedsontheffing verlenen. Voordeel van deze aanpak is dat apart ecologisch onderzoek per woning in veel gevallen niet nodig is. Dit bespaart woningeigenaren veel tijd en geld. Op dit moment heeft de gemeente ’sHertogenbosch – net al de meeste Nederlandse gemeenten – geen SMP. Het opstellen van een SMP kost één tot twee jaar en de kosten kunnen oplopen tot ruim één miljoen.
Daarnaast is er op dit moment een groot tekort aan ecologen die een SMP kunnen opstellen. Samen met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Aedes, de isolatiesector en natuurorganisaties werkt het ministerie van BZK aan ondersteunende maatregelen om het natuurinclusief isoleren met SMP’s te versnellen. In een Taskforce wordt gewerkt aan concrete actiepunten waardoor de landelijke implementatie van het SMP zo goed mogelijk kan worden uitgerold. Denk hierbij aan actiepunten zoals een aanpak gericht op het tekort aan ecologen, een landelijk informatiepunt en afspraken met de isolatiebranche. Daarnaast is de provincie Brabant bezig met beleidsontwikkeling en een subsidieregeling. De provincie verwacht de subsidieregeling eind van dit jaar gereed te hebben. Eind september overleggen wij in RESverband met de provincie over het SMP. Eind dit jaar verwachten we meer duidelijkheid te hebben over de mogelijkheden en planning voor een SMP voor ’s-Hertogenbosch, alsmede de maatregelen die wij in de tussentijd nemen om natuurinclusief isoleren te faciliteren.
19
H4 - Warmtenetaanpak Warmtenetten en warmtebronnen Met een warmtenet worden woningen in één of meer buurten verwarmd met de warmte uit een duurzame warmtebron. Vanaf deze warmtebron stroomt warm water naar de woningen. Afhankelijk van de aanvoertemperatuur staat in de woning een warmtewisselaar of een warmtepomp. De warmtewisselaar verdeelt de warmte over de verwarming en het tapwater. De warmtepomp zorgt ervoor dat de temperatuur van het water verder wordt verhoogd. Het afgekoelde water loopt weer terug naar de bron. Deze warmt het water weer op, waarna het proces zich herhaalt. Voordeel van een warmtenet is dat er geen individuele warmteoplossing (zoals een warmtepomp) in de aangesloten woningen nodig is. Daarnaast hoeft er meestal niets te veranderen aan de bestaande warmteafgiftesystemen[1] in de woning. Isolatie Ook bij aansluiting op een warmtenet is een goede isolatie van de woning noodzakelijk. In de eerste plaats om de kosten zo laag mogelijk te houden[2]. Maar ook omdat we dan met dezelfde warmte, meer woningen duurzaam kunnen verwarmen. Kosten De prijs van warmte via een warmtenet is nu nog vaak hoger dan via een individuele luchtwaterwarmtepomp. De verwachting is dat de warmte via een warmtenet in de toekomst goedkoper wordt.
Deels door subsidies van het Rijk, maar ook omdat met de invoering van de Wet Collectieve Warmtevoorzieningen de koppeling van de warmteprijs met de gasprijs wordt losgelaten. Het tarief voor de geleverde warmte wordt dan bepaald op basis van de werkelijke kosten die de warmteleverancier maakt. Deze wet wordt waarschijnlijk per 1-12025 ingevoerd. Rol gemeente In de Wet Collectieve Warmtevoorzieningen wordt ook bepaald dat warmtenetten met meer dan 1.500 woningen in de toekomst voor meer dan de helft publiek eigendom moeten zijn. Hoe de rol van de gemeente ’s‑Hertogenbosch in een warmtebedrijf eruit kan komen te zien, wordt in een apart raadsvoorstel uitgewerkt. Dit voorstel wordt gelijktijdig met deze TVW 2.0 aan de raad voorgelegd.
[1] Radiatoren of vloerverwarming. [ 2 ] V o o r d e d u i d e l i j k h e i d : o o k d u u r z a m e w a r m t e k o s t g e l d e n i s n i e t p e r d e f i n i t i e g o e d k o p e r d a n w a r m t e u it aardgas.
20
5 voorbeelden van duurzame warmtebronnen Restwarmte Restwarmte van bedrijven, zoals een rioolwaterzuivering, een glastuinbouwbedrijf, een datacenter of een afvalverbrandingsinstallatie. Belangrijk aandachtpunt bij restwarmte is de toekomstbestendigheid. Veel bedrijven met (fossiele) restwarmte gaan in de toekomst verduurzamen, waardoor de hoeveelheid restwarmte afneemt.
Aquathermie Bij aquathermie wordt warmte uit oppervlaktewater onttrokken. Uit water met een grote doorstroming kan het hele jaar warmte worden onttrokken. Als warmte wordt onttrokken aan oppervlaktewater met een beperkte doorstroming, kan dat vaak alleen in de zomer. Deze warmte wordt dan opgeslagen in WKO’s voor gebruik in de wintermaanden.
Geothermie Bij geothermie wordt warm water van meer dan 500 meter diep uit de bodem opgepompt, gebruikt voor verwarming van gebouwen en vervolgens weer in de bodem teruggepompt. Veel is nog onduidelijk rond geothermie. We wachten de resultaten van het SCAN-programma en proefboringen bij Eindhoven af. Dit betekent dat we pas na 2025 het potentieel voor ’s‑Hertogenbosch kunnen bepalen.
Groen gas Groen gas wordt meestal geproduceerd uit biogas. Biogas wordt gemaakt door het vergisten van biomassa. Het biogas wordt daarna gezuiverd en verbeterd, zodat er groen gas ontstaat. Groen gas is in ’s-Hertogenbosch nauwelijks beschikbaar. Als groen gas een rol gaat spelen in de gebouwde omgeving, dan is dat op z’n vroegst na 2035.
21
Groene waterstof Groene waterstof wordt geproduceerd door middel van elektrolyse van water en duurzaam opgewekte elektriciteit (bijvoorbeeld met windmolens). De kans is groot dat de in Nederland beschikbare waterstof tot 2035 vooral wordt gebruikt bij verduurzaming van de zware industrie en niet wordt ingezet als alternatieve warmtebron in de gebouwde omgeving.
Warmteaanpak i n de TVW 2.0 In de warmtenetaanpak binnen de TVW 1.0 werd gewerkt met onderzoeks- en startbuurten. Een startbuurt is een buurt waarin na een verdiepend onderzoek is gebleken dat een collectief warmtenet in principe technisch en financieel haalbaar is. In zo'n buurt werken we toe naar een buurtuitvoeringsplan (BUP). Hierin bepalen we wat een passende warmteoplossing is voor de buurt en hoe en in welk tempo we deze gaan realiseren. In een onderzoeksbuurt bestaat het vermoeden – op basis van bouwdichtheid, warmtevraag van woningen en de aanwezigheid van een duurzame warmtebron – dat in deze buurt een collectief warmtenet technisch en financieel haalbaar is. In TVW 1.0 zijn destijds zeven onderzoeksbuurten geselecteerd: Hintham-Zuid, de Buitenpepers, Zuid, Sparrenburg, Grevelingen, Aawijk-Noord en Aawijk-Zuid. Deze buurten zijn onder meer geselecteerd op basis van een rekenmodel dat de theoretische warmtestrategie per buurt weergaf. In vijf buurten[1] bleek uit nader onderzoek dat de kosten van een collectief warmtenet met de beoogde warmtebron, voor de inwoners te hoog zijn in vergelijking met een individuele warmteoplossing. In Sparrenburg is in overleg met de bewoners afgezien van onderzoek, aangezien de kans op succes op voorhand door alle betrokkenen te laag werd ingeschat.
In Zuid lijkt een collectief warmtenet nog het meest haalbaar, al is verdiepend onderzoek volgens de onderzoekers nog noodzakelijk. Temeer omdat de restwarmte van FrieslandCampina, die – naast de Zuiderplas –werd gezien als één van de twee meest kansrijke warmtebronnen, inmiddels niet meer beschikbaar is.
[1] Hintham-Zuid, de Buitenpepers, Grevelingen, Aawijk-Noord en Aawijk-Zuid.
22
Ni euwe warmtenetaanpak in de TVW 2.0 De beperkte – en voor veel buurten teleurstellende – resultaten van de onderzoeksbuurten, heeft ertoe geleid dat we in de TVW 2.0 kiezen voor een andere aanpak. In de eerste helft van 2023 hebben we voor de hele gemeente een zogenaamd bronnenonderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek gaat niet uit van buurten, maar van warmtebronnen. Het bronnenonderzoek (zie bijlage 3) biedt inzicht in: de toepasbare warmtebronnen in de gemeente ’s-Hertogenbosch en hun capaciteit, welke buurten daarop aangesloten kunnen worden, de volgorde waarin deze buurten het beste kunnen worden aangesloten en welke buurten niet (of voorlopig niet) op een collectieve warmtebron aangesloten kunnen worden.
Bronnenonderzoek Uit het onderzoek blijkt dat twee warmtebronnen het meest geschikt zijn om warmte te leveren aan een toekomstig warmtenet voor ’s-Hertogenbosch: de Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Treurenburg en de Maas. Restwarmte van de RWZI Treurenburg Het gezuiverde afvalwater van de RWZI Treurenburg van Waterschap Aa en Maas bevat restwarmte van circa 25 graden, dat met een water/water-warmtepomp naar de gewenste temperatuur kan worden gebracht. De RWZI heeft relatief veel warmte die bovendien het hele jaar door beschikbaar is. Aquathermie uit de Maas De warmte uit het oppervlaktewater van de Maas kan met een water/water-warmtepomp naar de gewenste temperatuur worden gebracht. Grote voordeel van de Maas ten opzichte van andere lokale wateren, is dat het hele jaar door warmte aan de Maas kan worden onttrokken. Hierdoor zijn geen aanvullende (en kostbare) WKO-systemen nodig. Ook heeft de Maas veel vermogen, omdat deze rivier veel water bevat en relatief snel stroomt. Overige bronnen De overige bronnen hebben geen of een te laag vermogen. Dit heeft verschillende redenen: er zijn geen Bossche bedrijven met restwarmte en aquathermie uit lokale plassen is slechts voor een zeer beperkt gebied interessant en speelt hierdoor geen grote rol bij een aanpak die uitgaat van een groot collectief warmtenet.
Warmte uit bronnen met een (te) laag vermogen lijken vooralsnog uit financieel oogpunt niet geschikt voor een warmtenet. Het ‘opwaarderen’ van deze warmte tot 55-70 graden vraagt om een relatief duur systeem, wat leidt tot een te hogere warmteprijs. In onze proeftuin ’t Zand onderzoeken we in hoeverre het haalbaar is om met warmte uit een bron met een laag vermogen (in dit geval de Dommel) een warmtenet aan te leggen. Afhankelijk van de uitkomsten van de proeftuin, kunnen we in de toekomst bezien of ook andere buurten (zoals Zuid) met warmte uit lokale wateren kunnen worden verwarmd.
23
Welke buurten kunnen ( wel en niet) op deze bronnen worden aangesloten? Er zijn grofweg twee criteria die bepalen of een buurt kan worden aangesloten op het warmtenet: 1 . De buurten moeten ‘hoogstedelijk’ (lees: dichtbebouwd) zijn. Hoe compacter een buurt is gebouwd, hoe minder leidingen er nodig zijn om de warmte binnen de buurt naar de woningen te transporteren, hoe lager de kosten. Als een buurt (te) ruim is opgezet, dan wordt het aanleggen van een warmtenet al snel te duur. 2 . De buurten moeten niet te ver van de warmtebron afliggen. De kosten van het aanleggen van het warmtehoofdnet (de zogenaamde ‘backbone’, zie hieronder) zijn zeer hoog. Hoe langer het hoofdnet, hoe duurder de warmte. Daarnaast gaat bij het transporteren van warmte van de bron naar de buurt warmte verloren. Om die warmte over langere afstanden te behouden moeten de transportbuizen extra worden geïsoleerd en/of moet de warmte in de buurt extra worden opgewaardeerd. Ook dat leidt tot extra kosten.
Warmtehoofdnet (de 'backbone') Het ontsluiten van de twee warmtebronnen (RWZI en de Maas) gebeurt via een warmtehoofdnet, in vakjargon ook wel ‘backbone’ genoemd. In de onderstaande kaart staat het meest waarschijnlijke tracé van het warmtehoofdnet voor ’s-Hertogenbosch (de dikke blauwe en groene lijnen).
24
Buur t en di e vóór 2035[ 1] wor den aangesl ot en op het warmt en et De buurten die op de RWZI kunnen worden aangesloten hebben de eerste prioriteit, omdat deze bron de meest hoogwaardige warmte levert. Hierdoor is het aansluiten van deze buurten op een collectief warmtenet zowel technisch als financieel het meest haalbaar. De buurten die het dichtst bij de RWZI liggen, worden als eerste aangesloten. Het gaat hierbij om de buurten die in bovenstaande figuur groen zijn gekleurd (in alfabetische volgorde): Buitenpepers[2], Donk, Edelstenenbuurt, Hambaken, Haren, Muziekinstrumentenbuurt, Orthen (rechts), Reit, Rompert, Slagen en Sprookjesbuurt.
Buurten die na 2035 worden aangesloten op het warmtenet Na de volledige inzet van de warmte uit de RWZI, kan gestart worden met de ontwikkeling van de warmte uit het water van de Maas, aangevuld met de dan nog resterende warmte uit de RWZI. Hierbij wordt het warmtehoofdnet doorgetrokken naar de Maas. Vervolgens worden de buurten die het dichtste bij het knooppunt liggen als eerste aangesloten. Het gaat hierbij om de buurten die in bovenstaande figuur blauw zijn gekleurd (in alfabetische volgorde): Abdijenbuurt, Empel Oost, Herven, Italiaanse buurt, Lokeren, Maasakker, Maasdal, Maasoever, Maasstroom, Maasvallei, Staatsliedenbuurt en Zilverpark.
[1] Hierbij gaan we uit van een optimistisch scenario waarbij de RWZI voldoende warmte levert om al deze buurten tegen een redelijke prijs van warmte te voorzien. [2] Het is opvallend dat de Buitenpepers – een buurt die eerder als onderzoeksbuurt is ‘afgevallen’ – nu weer in beeld komt als een kansrijke buurt om aan te sluiten op een collectief warmtenet. Dit komt omdat bij de onderzoeksbuurten uit de TVW 1.0 werd gekeken naar nabijgelegen warmtebronnen. In het bronnenonderzoek in deze TVW is gekeken naar de potentie van grote warmtebronnen en in welke buurten deze kan worden gebruikt. Dan komt de Buitenpepers weer in beeld.
25
Buurten die na 2035 op een zelfstandig warmtesysteem kunnen worden aangesloten Onderstaande buurten liggen (te) ver van het warmtehoofdnet, maar zijn zodanig gebouwd dat het interessant lijkt om ze aan te sluiten op een zelfstandig collectief warmtesysteem. Zo’n systeem kan bijvoorbeeld bestaan uit een combinatie van aquathermie met warmte-koude-opslag (WKO) en/of een collectieve lucht/water-warmtepomp. Met de buurten die op een zelfstandig warmtesysteem kunnen worden aangesloten, gaan we na 2035 aan de slag. In lijn met de ontwikkeling van de warmtetransitie (de ’S-curve’) richten wij ons tot 2035 op de buurten die op het hoofdwarmtenet aangesloten kunnen worden. Daarnaast gebruiken zelfstandige warmtesystemen veel elektriciteit en is de huidige capaciteit op het elektriciteitsnet niet toereikend om in deze vraag te voorzien. Het gaat hierbij om de volgende buurten (in alfabetische volgorde): Haverleij, Hinthamerpoort, Hondsberg, Overlaet Oost, Overlaet West, Paleiskwartier, Rosmalen Centrum, Sparrenburg en ’t Ven.
Buurten die met (individuele) all-electric systemen verwarmd moeten worden Onderstaande buurten zijn qua ligging en/of mate van stedelijkheid niet interessant om aan te sluiten op het hoofdwarmtenet. Daarnaast hebben de woningen in deze buurten een relatief hoge isolatiegraad of zijn door middel van aanvullende isolatiemaatregelen geschikt te maken voor een laag-temperatuurverwarming. Een individuele all-electric oplossing ligt in deze buurten het meest voor de hand. Het gaat hierbij om de volgende buurten (in alfabetische volgorde): Broekland, Hoven, Kom Nuland, Lanen, Maliskamp Oost, Meerendonk, Molenhoek, Kom Engelen, Kom Vinkel, Orthen (links), Vlietdijk, Watertuinen en Willemspoort.
26
Buurten waarvan de warmteoplossing (nog) niet bekend is Het gaat hier om de buurten die voldoende compact gebouwd zijn voor collectieve warmte, maar te ver van de twee warmtebronnen liggen. Hierdoor wordt het doortrekken van het hoofdnet op dit moment niet haalbaar geacht. In de eerste plaats vanwege de hiermee gemoeide kosten, maar ook vanwege de grote uitdagingen met betrekking tot de ruimtelijke inpassing van het hoofdnet. We blijven de technologische ontwikkelingen op dit gebied volgen. In elke volgende TVW geven we aan of en zo ja, welke collectieve warmteoplossingen voor deze buurten beschikbaar zijn en wanneer de woningen hierop aangesloten kunnen worden. Het gaat hierbij om de volgende buurten (in alfabetische volgorde): Aawijk Noord, Aawijk Zuid, Bazeldonk, Binnenstad Noord, Boschveld, Bossche Pad, Deuteren, Gestelse buurt, Graafsebuurt Noord, Graafsebuurt Zuid, Grevelingen, Hintham Noord, Hintham Zuid, Hofstad, Kruiskamp, Muntel, Orthenpoort, Schutskamp, Vliert, Zand[1] en Zuid.
Buurten waarvoor de warmteoplossing (nog) niet beschikbaar is Het gaat hier om alle overige buurten en betreft vooral de oude, binnenstedelijke buurten (bouwjaar < 1900) en weinig stedelijke/landelijke buurten met overwegend woningen van voor 1965. Deze buurten zijn met de huidige stand van de techniek en de nu beschikbare warmtebronnen op dit moment niet goed duurzaam te verwarmen. Duurzaam gas (groen gas, waterstof) dat wordt aangevoerd via het bestaande gasnetwerk kan hier wellicht op termijn een uitkomst bieden (zie ook hierboven: Vijf voorbeelden van duurzame warmtebronnen). We blijven de technologische ontwikkelingen op dit gebied volgen. In elke volgende TVW geven we aan of en zo ja, welke collectieve warmteoplossingen voor deze buurten beschikbaar zijn en wanneer de woningen hierop aangesloten kunnen worden.
[1] In (de kop van) ‘t Zand gaan we uiteraard gewoon door met onze proeftuinaanpak. Het doel van deze proeftuin is immers om te leren op welke wijze een buurtgerichte aanpak kan worden ingericht en opgeschaald.
27
Zorgvuldig langs twee sporen aan de slag Het aanleggen van een warmtenet moet zorgvuldig gebeuren. Naast betaalbaarheid moet immers ook de leveringszekerheid van warmte voor inwoners zijn gewaarborgd. Dat kost tijd en het is de eerste keer dat we dit doen. We nemen die tijd om de warmtebron(nen) te ontwikkelen, inwoners goed bij het proces te betrekken, woningen aardgasvrijgereed te maken en het hoofdnet en lokale netten aan te leggen. We gaan pas over tot het opstellen van buurtuitvoeringsplannen (BUP’s) als inwoners voldoende bij het proces zijn betrokken, duidelijk is dat de beoogde warmtebron een passende warmteoplossing biedt voor de buurt en de betrokken woningen aardgasvrijgereed zijn. Op basis van de uitkomsten van het bronnenonderzoek gaan we de komende jaren aan de slag langs twee sporen. Het eerste spoor richt zich op de ontwikkeling van de warmtebron met de hoogste potentie: de rioolwaterzuiveringsinstallatie Treurenburg van Waterschap Aa en Maas. We zijn inmiddels in gesprek met het Waterschap en verkennen samen hoe we de restwarmte uit het afvalwater van de RWZI kunnen inzetten voor het aardgasvrij maken van de genoemde buurten. Het tweede spoor richt zich op het aardgasvrijgereed maken van de woningen die het dichtst bij de warmtebron liggen.
Uit het bronnenonderzoek blijkt immers dat er minimaal 1.500 woningen (ongeveer drie buurten) moeten kunnen overstappen op het warmtenet, voordat de warmtebron van het RWZI rendabel kan worden ingezet. Gelet op bovenstaande en in lijn met het Bestuursakkoord, gaan we als eerste aan de slag in drie buurten met een bovengemiddelde energiearmoede die dichtbij de RWZI liggen: de Sprookjesbuurt (770 woningen), de Muziekinstrumentenbuurt (475 woningen) en de Edelstenenbuurt (430 woningen). Bijkomend voordeel is dat met het volledig aardgasvrijgereed maken van deze buurten niet alleen de warmtevraag en CO2-uitstoot, maar ook de energiearmoede direct worden teruggedrongen. Bij het aardgasvrijgereed maken van deze woningen, maken we onder andere gebruik van de Maatwerkaanpak energiearmoede en de Aanpak gespikkeld bezit . Belangrijk inzicht uit gesprekken met Farent, BrabantWonen en Zayaz is dat de buurten met bovengemiddelde energiearmoede extra inspanning vragen om de inwoners goed bij het proces te betrekken.
28
Advies aan woningeigenaren Elke woningeigenaar (particulier en verhuurder) in ’s-Hertogenbosch krijgt op basis van bovenstaande doorkijk een advies dat is afgestemd op zowel de planning als de beoogde alternatieve warmtebron. In onderstaand schema staan de adviezen die woningeigenaren (via onze communicatieaanpak) krijgen. We geven hierbij steeds aan dat dit een algemeen advies is op basis van de huidige inzichten. We adviseren woningeigenaren om altijd een advies op maat (‘Slim Wonen Advies’) aan te vragen dat is afgestemd op hun specifieke (woon)situatie.
Buurt
Isolatieadvies woning gebouwd vóór 1945
Isolatieadvies woning gebouwd na 1945
Advies bij vervanging CV-ketel
Vóór 2035 aangesloten op warmtenet
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel C op basis van schilisolatie.[1]
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel B op basis van schilisolatie.
Nieuwe CV-ketel, al dan niet in combinatie met een hybride warmtepomp.
Na 2035 aangesloten op warmtenet
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel C op basis van schilisolatie.
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel B op basis van schilisolatie.
Nieuwe CV-ketel, in combinatie met een hybride warmtepomp.
Na 2035 aangesloten op zelfstandig systeem
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel C op basis van schilisolatie.
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel B op basis van schilisolatie.
Nieuwe CV-ketel, in combinatie met een hybride warmtepomp.
All-electric
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel C op basis van schilisolatie.
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel B op basis van schilisolatie.
Combinatiewarmtepomp (voor verwarming en tapwater) na schilisolatie
Warmteoplossing niet bekend/beschikbaar
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel C op basis van schilisolatie.
Isoleren om warmtevraag zo ver mogelijk te verlagen. Liefst minimaal energielabel B op basis van schilisolatie.
Nieuwe CV-ketel, in combinatie met een hybride warmtepomp.
[1] Een energielabel wordt mede gebaseerd op de aanwezigheid van zonnepanelen, een warmtepomp en (balans)ventilatie. Dat betekent dat het plaatsen van zonnepanelen over het algemeen een positief effect heeft op het energielabel van de woning. Het geadviseerde label gaat daarom uit van een labelniveau op basis van uitsluitend de isolatie van de schil van de woning: buitenmuren, dak, vloer en ramen.
29
Participatie buurten We vinden het belangrijk dat inwoners in het proces van het aardgasvrij maken van hun buurt kunnen participeren. We herhalen hier wat de raad al in de Bouwstenen voor de TVW 2.0 heeft bepaald: Een kopgroep van inwoners of een bewonerscollectief krijgt gedurende het hele proces een adviserende rol. Bij het opstellen van onderzoeksopdrachten krijgt deze groep een zwaardere, coproducerende rol. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een minimale organisatiegraad (lees: vast aanspreekpunt voor de gemeente, vervanging en periodiek overleg met de achterban) en de kopgroep aantoonbaar tenminste 20% van de buurt vertegenwoordigt. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan wordt de kopgroep geraadpleegd (= lichtere vorm van participatie) bij het opstellen van de onderzoeksopdrachten en geïnformeerd over het ambtelijk advies aan college en raad. ·In dat geval verzamelt de gemeente zelf de wensen en mogelijkheden van de buurt en weegt die mee in haar besluitvorming.
Maatwerk voor (buurten met) kantoren en industrie Onze gemeente kent meerdere ‘buurten’ met kantoren en/of industrie. Om deze bedrijventerreinen aardgasvrij te maken is maatwerk nodig. Maatwerk dat afhankelijk is van de aard en de omvang van de bedrijvigheid en de daarbij behorende warmtebehoefte. Het verduurzamen van kantoren en industrie vraagt om een aparte aanpak en expertise die buiten de scope van deze TVW valt. In het Bestuursakkoord is afgesproken dat we in deze bestuursperiode één bedrijventerrein aanwijzen als onderzoeksbuurt. Wij verwachten dat bedrijventerrein De Brand, waar restwarmte van een datacenter een rol speelt, hiervoor in aanmerking komt. Over deze aanpak wordt de raad in de eerste helft van 2024 geïnformeerd.
30
H5 - Raadpleging inwoners en stakeholders t.b.v. TVW 2.0 Bij het opstellen van de TVW 2.0 hebben we op verschillende manieren ideeën en wensen van inwoners en (professionele) stakeholders verzameld en meegenomen. Hieronder geven we een samenvatting van de belangrijkste zaken die tijdens de verschillende vormen van raadpleging naar voren zijn gekomen en of en zo ja hoe, wij die in de TVW 2.0 hebben meegenomen.
Digipanel Begin dit jaar hebben wij aan het Digipanel van ’s-Hertogenbosch vragen voorgelegd over energiebesparing. Deze vragenlijst is ingevuld door ruim 5.000 respondenten. De inwoners die deze vragenlijst hebben ingevuld, zijn niet representatief voor de hele bevolking van de gemeente ’s‑Hertogenbosch. Zo is het aandeel woningeigenaren dat de vragenlijst heeft ingevuld (77%) oververtegenwoordigd in vergelijking met de populatie. Toch biedt het onderzoek een aantal interessante resultaten die wij meegenomen hebben bij het opstellen van deze TVW. Een belangrijk inzicht is bijvoorbeeld dat ongeveer de helft van de respondenten samen met de buren wil verduurzamen. Het onderzoeksrapport vindt u hier. Een samenvatting van de belangrijkste bevindingen en de relevante voor de TVW 2.0 vindt u in bijlage 1.
31
Buurtinitiatieven In het tweede kwartaal van dit jaar hebben we een bijeenkomst georganiseerd waaraan vertegenwoordigers van buurtinitiatieven hebben deelgenomen. Tijdens die bijeenkomst hebben we de hoofdlijnen van onze aanpak voor het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving geschetst. In verschillende deelsessies zijn de warmtentaanpak, het isolatieprogramma, de stratenblokaanpak, de maatwerkaanpak energiearmoede en de aanpak voor beginnende buurtinitiatieven besproken. De bijeenkomst is goed bezocht. Zo'n 45 deelnemers van 15 beginnende en meer ervaren buurtinitiatieven hebben aan de bijeenkomst deelgenomen. Na een korte inleidende presentatie is de groep in vijf thematafels uiteengegaan. In twee rondes is gesproken over de hoofdlijnen per thema binnen de TVW 2.0. De deelnemers hebben hierbij wensen en suggesties kenbaar gemaakt. In bijlage 2 staan de rode draden van de gesprekken aan de thematafels. Per suggestie staat steeds aangegeven of en zo ja, hoe deze in de TVW 2.0 is verwerkt. Dit is ook teruggekoppeld naar de deelnemers.
Woningbouwcorporaties In het tweede kwartaal van dit jaar hebben we gesproken met de twee grootste woningcorporaties: Zayaz en BrabantWonen, over de (toen nog) voorlopige selectie van geprioriteerde buurten. In dat gesprek hebben de twee corporaties duidelijk gemaakt dat er wat hun betreft geen belemmeringen zijn ten aanzien van deze selectie. Wel hebben de corporaties aangegeven dat juist de buurten met bovengemiddelde energiearmoede extra inspanning vragen om de inwoners goed bij het proces te betrekken.
Farent In het tweede kwartaal van dit jaar hebben we tijdens een overleg met opbouwwerkers van Farent de hoofdlijnen van onze aanpak voor het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving geschetst. Daarnaast hebben we een toelichting gegeven op de verschillende maatregelen, die zijn gericht op de belangrijkste doelgroepen van Farent. Net als de woningcorporaties geven ook de opbouwwerkers van Farent aan dat de geprioriteerde buurten een extra inspanning vragen om de inwoners goed bij het proces te betrekken. In het gesprek hebben we uitgebreid gesproken over de Maatwerkaanpak energiearmoede en een mogelijke rol van Farent hierbij. Afgesproken is om samen te onderzoeken of en zo ja, welke rol Farent hierbij kan spelen.
32
H6 - Communicatie Een communicatieplan vormt de basis voor een succesvolle communicatie met onze doelgroepen. We bereiden dit goed voor en gebruiken hierbij de uitkomsten van onderzoek en de resultaten van tussentijdse evaluaties van nieuwe aanpakken. De communicatie op basis van dit plan start op 1 maart 2024.
Doelstellingen communicatieplan Het communicatieplan kent vier doelstellingen: Informeren : Bewoners en gebouweigenaren informeren over de acties en ontwikkelingen die volgen uit de Transitievisie Warmte 2.0. Hierbij maken we ook duidelijk wat dit voor hen betekent. Draagvlak creëren : Communicatie moet bijdragen aan het creëren van draagvlak bij bewoners en gebouweigenaren om het aardgasvrij(gereed) te worden. Bewustwording creëren : Bewoners en gebouweigenaren zijn zich ervan bewust dat zij zelf aan de slag kunnen als het gaat om het isoleren en weten welke ondersteuning zij hierbij van het Rijk en de gemeente kunnen krijgen. Aanzetten tot actie : Met behulp van onze communicatie zorgen we ervoor dat bewoners en gebouweigenaren verantwoordelijkheid nemen en ook daadwerkelijk aan de slag gaan (indien dat van toepassing is).