CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels

Overige evenementen 8 november 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Ontwerpbestemmingsplan Vinkelsestraat 86 Vinkel24.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 4

27

Het tweede omgevingstype wat de VNG onderscheidt, is een ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Figuur 9 Richtafstanden uitgezet vanuit de woningen

Het gebied rondom het plangebied kan worden beschouwd als zijnde een rustig gebied. Voorheen is deze locatie bestemd geweest als een niet agrarisch bedrijf met als aard, een afbouwbedrijf. Dit bedrijf wordt beëindigd en de hindercontour komt te vervallen. In de directe omgeving, ten oosten van het plangebied, zijn een paar bedrijven gevestigd. Gesproken kan daarom worden van een rustig buitengebied. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering de richtafstanden uit de VNG- procedure geen afstandsstap kan worden verlaagd. Hinder als gevolg van bestaande planologische mogelijkheden Onderhavig plan betreft het planologisch-juridisch mogelijk maken van een gevoelige functies. Daarbij is het de vraag of deze nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt van de bestaande functies in de omgeving (externe werking). In onderstaande figuur zijn de richtafstanden vanuit de bouwvlak van de woning uitgezet naar de omgeving. Op korte afstand is een bedrijf gevestigd, namelijk timmerwerkplaats aan de Vinkelsestraat 82a. Op de locatie van de Vinkelsestraat 84 was het tot voorkort een veehouderij gevestigd, echter zijn de bedrijfsactiviteiten en de veehouderij stopgezet. Voor de volledigheid wordt de voormalige veehouderij meegenomen in de onderbouwing van het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’.

Hoofdstuk 4

28

Vinkelsestraat 84 Op de Vinkelsestraat 84 was voorheen een intensieve veehouderij (varkenshouderij) aanwezig met een theeterras. Een intensieve veehouderij is ingedeeld als een 4.1 bedrijf, met een richtafstand van 200 meter voor het aspect geur en 50 meter voor het aspect geluid. Er bestaat dus een overlap met de richtafstand van de veehouderij met het plangebied. Op 5 februari 2021 is echter een uitspraak gedaan over een verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning voor de varkensveehouderij. Dit verzoek is goedgekeurd waardoor de omgevingsvergunning voor het intrekken van de omgevingsvergunning voor het houden en exploiteren van een varkensveehouderij is opgeheven. De omgevingsvergunning is direct in werking getreden. Momenteel vindt er op de locatie van de Vinkelsestraat 84 nog enkel akkerbouw plaats. Voorheen was er op de locatie een intensieve veehouderij gevestigd. Dit betreft een bedrijf in milieucategorie 4.1 waarvoor een richtafstand van 50 meter geldt voor het aspect geluid. Aan deze richtafstand word niet voldaan. In de huidige situatie vindt akkerbouw plaats op de locatie. Akkerbouw is ingedeeld in milieucategorie 2 waarvoor een maximale richtafstand voor geluid geldt van 30 meter. Deze richtafstand wordt niet behaald.

De maximale milieucategorie op de locatie aan de Vinkelsestraat 84 gaat door het stopzetten van de intensieve veehouderij dus twee traptreden naar beneden, waardoor de situatie ter plaatse van de Vinkelsestraat 86 zal verbeteren ten opzichte van de situatie waarbij de veehouderij nog gevestigd was op de locatie van de Vinkelsestraat 84. Echter is het planologisch nog mogelijk om een veehouderij te vestigen op de locatie van de Vinkelsestraat 84. Vanuit de gemeente ’s-Hertogenbosch is aangegeven dat er een principeverzoek is ingediend voor een herbestemming van de locatie aan de Vinkelsestraat 84. De herbestemming zal de functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’ wegbestemmen en een combinatie van functies mogelijk maken: ‘horeca (zie navolgende alinea) en ‘kleinschalige bedrijvigheid en dagbesteding’. Deze functies vallen onder milieucategorie 1, waarvoor een maximale richtafstand van 10 meter geldt ten aanzien van het aspect geluid. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Op het perceel is een theetuin aanwezig. Een dergelijk bedrijf is een categorie 1- bedrijf en heeft een richtafstand van 10 meter voor geluid en gevaar. De kavel ligt minimaal 18 meter van de te splitsen woning. Geconcludeerd wordt dat er geen overlap bestaat met de richtafstand en de te splitsen woning. Er hoeft geen nader onderzoek te worden verricht.

Vinkelsestraat 82a Op de Vinkelsestraat 82a is een timmerwerkplaats gevestigd met een bedrijfsvloeroppervlakte van 460 m². Conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering heeft een dergelijk bedrijf een milieucategorie 3.2 bedrijf met een richtafstand van 100 meter voor het aspect geluid. De te splitsen woning ligt op 106 meter afstand. Geconcludeerd wordt dat er geen overlap bestaat met de richtafstand en de te splitsen woning. Er hoeft geen nader onderzoek te worden verricht. Conclusie De (voormalige) veehouderij aan de Vinkelsestraat 84 kende met de richtafstand een overlap met de te splitsen woning. Doordat de veehouderij is stopgezet en de functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’ wegbestemd gaat worden ten behoeve van kleinschalige bedrijvigheid en dagbesteding, wordt er voldaan aan de richtafstanden met betrekking tot de aspecten geur, stof en geluid en vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief. De theetuin kent met de richtafstand geen overlap met de te splitsen woning. De timmerwerkplaats aan de Vinkelsestraat 82a kent met de richtafstand geen overlap met de te splitsen woning. Geconcludeerd kan worden ter dat plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en andersom de nieuwe woning geen belemmering vormt voor omliggende bedrijven.

Hoofdstuk 4

29

4.5 Geur De veehouderij aan de Vinkelsestraat 84 kent met de richtafstand een overlap met de te splitsen woning. In hoofdstuk 4.4 is beschreven dat de veehouderij op 5 februari 2021 is opgeheven. Het is echter nog wel mogelijk om op de locatie een veehouderij op te richten waardoor het aspect geur mogelijk een belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Figuur 10 toont de achtergrondbelasting ter plaatse van de Vinkelsestraat 86. Hieruit valt op te maken dat het plangebied (de woningen) gelegen zijn in een lichtgroene kleur, waarvoor een goede geursituatie geldt. Een geel vierkant betreft een veehouderij welke na 2000 is stopgezet. Ten oosten van het plangebied (Vinkelsestraat 84) is een geel vierkant gelegen. Tot begin 2021 is hier een varkenshouderij gevestigd geweest. Op 5 februari 2021 is de omgevingsvergunning verleend voor het stopzetten van de activiteiten ten behoeve van de varkenshouderij. Deze omgevingsvergunning is direct in werking getreden waardoor de veehouderij is opgeheven. De varkens zijn reeds verwijderd van de locatie. Op de locatie van de Vinkelsestraat 84 is het volgens het vigerende bestemmingsplan echter nog steeds toegestaan om een intensieve veehouderij op te richten. Hierdoor kan de contour van de geurhinder van de voormalige veehouderij niet worden weggestreept.

Er ligt op het moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan nog wel een bestemming agrarisch (intensief) bedrijf op de locatie van de Vinkelsestraat 84.

Figuur 10 Achtergrondbelasting geur (Bron: Omgevingsdienst Brabant-Noord 2021)

Hoofdstuk 4

30

Daarvoor is wel een verzoek gedaan om die bestemming van de locatie af te halen. Wat de nieuwe bestemming zal worden is echter nog niet geheel duidelijk. Er zullen naar verwachting nog beperkte akkerbouwactiviteiten plaats blijven vinden en mogelijk houtbewerking. Er zal als zodanig sprake blijven van een inrichting zodat de afstandsnormen van de VNG-brochure van toepassing zijn. De geurbelasting van beperkte akkerbouwactiviteiten en fruitteelt betreft een activiteit in milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Een bedrijf in de houtbewerking wordt eveneens gezien als een activiteit in milieucategorie 3.2 (bijvoorbeeld timmerwerkfabriek) maar hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter voor geur. Aan deze richtafstand wordt vanzelfsprekend voldaan. Conclusie Uit bovenstaand blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied waarvoor de milieukwaliteit als redelijk goed kan worden aangeduid. Hierdoor kan worden gesteld dat er ter plaatse van de Vinkelsestraat 86 een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is. Doordat het intrekkingsverzoek voor de veehouderij aan de Vinkelsestraat 84 is goedgekeurd, en daarmee een omgevingsvergunning voor het beëindigen van de varkensveehouderij officieel is vastgesteld, is de varkensveehouderij gestopt.

Door het indienen van een principeverzoek voor het herbestemmen van de locatie aan de Vinkelsestraat zal het niet meer mogelijk zijn om een intensieve veehouderij te vestigen op de locatie van de Vinkelsestraat 84. Er zal enkel nog kleinschalige bedrijvigheid, dagbesteding en horeca plaatsvinden op de locatie. Het aspect geur vormt hierdoor geen belemmering meer voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.

Hoofdstuk 4

31

De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2 Onderzoek Met behulp van de provinciale risicokaart kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gemaakt. In onderstaande figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

Figuur 11 Uitsnede provinciale risicokaart

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat er nabij de locatie (op circa 180 meter afstand) een (landelijke) hogedruk aardgastransportleidingen is gelegen: A-527. Door de ligging van de aardgastransportleiding is er door Kragten op 11 maart 2021 een Carola-berekening uitgevoerd ten aanzien van de ligging van de buisleiding. Het plangebied is zowel binnen de 100%-letaliteitsafstand als de 1%-letaliteitsafstand voor externe veiligheid van buisleiding A-527-deel-1 gelegen zodat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding dient te worden bepaald.

Hoofdstuk 4

32

Uit de berekening volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgebonden 10-6-risicocontour van een buisleiding. Het plangebied ligt zowel binnen de 100% letaliteitsafstand als de 1%-letaliteitsafstand voor externe veiligheid van buisleiding A-527-deel-1, waardoor de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding is bepaald. Voor de buisleiding is de hoogte van het groepsrisico zowel vóór als ná planrealisatie berekend. Uit deze berekeningen blijkt dat zowel in de huidige situatie als de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde als gevolg van buisleiding A-527-deel-1 niet wordt overschreden, en tevens lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De planrealisatie leidt niet tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico voor de buisleiding A-527-deel-1. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie kan volstaan kunnen worden met een beperkte verantwoording voor buisleiding A-527-deel-1. Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio. De beperkte verantwoording van het groepsrisico is als bijlage 4 bijgevoegd bij voorliggende toelichting.

Daarnaast is er advies ingewonnen van de Brandweer Brabant-Noord. De Brandweer Brabant-Noord adviseert dat de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief worden geïnformeerd over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de kaders die hiervoor zijn vastgelegd. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van hoge druk aardgasleidingen. Het groepsrisico is verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol:  het geringe groepsrisico, en  de goede mogelijkheden binnen het plangebied voor de zelfredzaamheid van personen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en

Hoofdstuk 4

33

plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.

Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Bescherende houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Hoofdstuk 4

34

Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Er is door BRO een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Voor het aspect stikstofdepositie wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

Hoofdstuk 4

35

Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 118 meter ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Daarnaast wordt er maximaal 182 m² verhard oppervlak toegevoegd waardoor de groennorm uit de “Verordening bomen, water en groen 2021” niet van toepassing is.

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid of opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Stikstofdepositie Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, bevindt zich op circa 12,1 kilometer afstand ten noordwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

Daar de voorgenomen ontwikkeling een interne verbouwing betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Hierdoor is er een stikstofberekening opgesteld voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Uit het vervolgonderzoek met een AERIUS-berekening zijn bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Conclusie Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en

Hoofdstuk 4

36

moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Het initiatief betreft de interne splitsing van een bestaand pand. Er vinden geen grondwerkzaamheden plaats. Daarnaast is wonen (in een bedrijfswoning) reeds toegestaan. Echter: bij een wijziging van een bestemming voor gebruik in afwijking van de bestaande bestemming, dient de haalbaarheid van het plan te worden onderzocht. Onderdeel hiervan is een toets voor wat betreft de bodemkwaliteit. Vanwege de beperkte omvang van het initiatief, kan volstaan worden met een ‘historische toets’. In de Nota Bodembeheer 2019-2024 van de Omgevingsdienst Brabant Noord wordt in hoofdstuk 7 de mogelijkheid geboden om “ontheffing van bodemonderzoeksplicht” aan te vragen. De verwachting is dat er geen ernstig verontreinigde stoffen gebruikt zijn en er bestaat geen vermoeden van (ernstige) bodemverontreiniging ter plaatse.

De aanvrager kan dan vrijstelling krijgen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek, mits er geen grondverzet van de locatie zal plaats gaan vinden of er tijdens bouwwerkzaamheden geen (asbest) verontreinigen worden geconstateerd. Het formulier ‘Historische Toets’ is toegevoegd aan de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan (zie bijlage 6) en zal door de gemeente worden beoordeeld om vast te stellen of er al dan niet een bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het rijksbeleid. Dit om door samenwerking van organen met de verschillende bevoegdheden tot een duurzaam watersysteem te komen. Naast dit beleidskader is in het provinciaal Milieu- en waterplan Noord-Brabant 2016-2021 (PNWP) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen.

Hoofdstuk 4

37

Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Waterschap Aa en Maas In het Waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:  schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;  de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;  de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;  de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Gemeente ’s-Hertogenbosch Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente ’s-Hertogenbosch kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2021 is de Visie Groen en Klimaatbestendig vastgesteld waarin staat dat we in ’s-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en vergroenen zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021.

Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.

Hoofdstuk 4

38

4.10.2 Onderzoek Voor onderhavig ruimtelijk initiatief is een waterparagraaf opgesteld. Navolgend worden de belangrijkste aspecten uit de waterparagraaf weergegeven. Voor de volledige waterparagraaf wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Hemelwater Het hemelwater wordt geïnfiltreerd binnen het plangebied middels oppervlakkige infiltratie. Uit gegevens van DINOloket, de PDOK viewer en de Bodematlas Brabant blijkt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand is gelegen tussen de 60 en 80 cm-mv. Dit is voldoende diep om hemelwater te verwerken. Doordat het ruimtelijk initiatief slechts een inpandige verbouwing betreft en er slecht een zeer beperkt oppervlak aan bijgebouwen wordt toegevoegd is het niet de verwachting dat de ontwikkeling een belemmering zal vormen voor de berging van het hemelwater. In de huidige situatie zijn er geen gevallen bekend waarbij er sprake is geweest van wateroverlast door overtollig hemelwater. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid om het hemelwater vertraagd af te voeren naar de naastgelegen sloot. Vanuit deze sloot vindt vertraagde afvoer plaats naar een B-watergang ten noorden van het plangebied.

In de ‘Verordening bomen, water en groen ’s-Hertogenbosch 2021’ is in artikel 4.15 lid 2 onder a opgenomen dat voor gevallen waarbij meer dan 500 m² verhard oppervlak wordt toegevoegd of vernieuwd er een hemelwatervoorziening gerealiseerd dient te worden die minimaal 60 mm hemelwater per m² kan verwerken. In artikel 4.15 lid 2 onder b is opgenomen dat voor gevallen waarbij minder dan 500 m² verhard oppervlak wordt toegevoegd of vernieuwd er een hemelwatervoorziening gerealiseerd dient te worden die minimaal 10 mm hemelwater per m² kan verwerken. Het plangebied zorgt niet voor een toename van meer dan 500 m² aan verhard oppervlak waardoor artikel 4.15 lid 2 onder b geldt voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Overtollig hemelwater wat op de daken valt wordt opgevangen middels regentonnen. Daarnaast worden er infiltratiekratten voorzien binnen het plangebied en zal de nieuwe/aangepaste inrit worden voorzien van grasstenen waardoor hemelwater direct kan infiltreren in de grond. Het opgevangen regenwater zal worden gebruikt om de tuin te bewateren in tijden van droogte. Oppervlaktewater Er zijn geen oppervlaktewateren gelegen binnen het plangebied. Aan de oostzijde van het plangebied is echter een sloot gelegen. Deze is niet aangemerkt als zijnde een A- of B-watergang. Aan de overzijde van de Vinkelsestraat is wel een leggerwatergang gelegen, namelijk een B-watergang.

Deze watergang is echter gelegen buiten het plangebied en aangezien de ruimtelijke ontwikkeling slechts een inpandige verbouwing betreft, zullen er geen negatieve effecten optreden in of naast de B-watergang. Grondwater Er treedt geen wijziging op ten aanzien van het grondwater en de hoogte van het maaiveld. Het initiatief betreft slechts een inpandige verbouwing van een bestaand pand. Voor de nieuwe garage en de terrasoverkapping zal eveneens geen verhoging of verlaging van het maaiveld aan de orde zijn. Riolering Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een zeer geringe toename in het aanbod van vuilwater op het riool. In overleg met de gemeente 's-Hertogenbosch zal tijdens de verdere planvorming de mogelijkheden omtrent en de wijze waarop en hoe aangesloten kan worden op de riolering nader besproken moeten worden.

Hoofdstuk 4

39

Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.11 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Het onderhavige initiatief betreft slecht de interne splitsing van een bestaand pand en het toevoegen van een garage waardoor onderhavig initiatief ruimschoots onder de grenswaarde voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voor initiatieven met een oppervlak groter dan 200 m². Er worden geen grondwerkzaamheden verricht die dieper reiken dan 0,3 m-mv. Om die reden is geen nader archeologisch onderzoek nodig. Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 in het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Doorwerking plangebied Provinciaal beleid In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle en cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen.

Hoofdstuk 4

40

Onderstaand een afbeelding van de Cultuurhistorische waardenkaart:

Figuur 12 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart

Uit deze kaart blijkt, dat binnen het plangebied – met uitzondering van het pand zelf (zie hiervoor paragraaf 3.2.3) - geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zijn gelegen, noch sprake is van een cultuurhistorisch waardevol landschap. Het pand (boerderij) is gelegen aan de noordzijde van de Vinkelsestraat, ten oosten van de dorpskern van Vinkel. De boerderij is omstreeks 1934 gebouwd ter vervanging van de boerderij en schuur, die haaks op de straat gesitueerd waren. Op het kadastrale minuutplan van omstreeks 1832 is de vorige boerderij ingetekend. Op een hulpkaart uit 1879 wordt deze boerderij ook aangegeven en aangevuld met een schuur met een klein bouwwerk erachter (zie onderstaande afbeelding).

Figuur 13 uitsnede hulpkaart uit 1879

Op een hulpkaart uit 1934 (gemeente Heesch) wordt de nieuwgebouwde boerderij aangegeven met een situering evenwijdig aan de straat (zie onderstaande afbeelding).

Hoofdstuk 4

41

Figuur 14 Uitsnede hulpkaart 1934

Thans zijn naast de boerderij nog enkele ondergeschikte opstallen op het erf aanwezig, waaronder een tegen de rechter perceelsgrens gelegen, in 1993, fors verbouwde garage. Karakteristiek De boerderij, op een L-vormig grondplan (circa 27x14 meter) is een langgevel boerderij onder een mansardedak, gedekt met rode dakpannen. De boerderij is omstreeks 1934 gebouwd, ter vervanging van oudere bebouwing met een afwijkende situering en oriëntering op het erf. De zuidelijk georiënteerde voorgevel is naar de straat gericht met aan de westzijde van de boerderij het woongedeelte. Het woongedeelte springt aan de achterzijde in, waardoor een L-vormig grondplan is ontstaan. Het dak heeft aan beide uiteinden een wolfseind met boven het woongedeelte in de nok een tweetal schoorstenen. De zuidelijk georiënteerde voorgevel bezit, ter plaatse van het woongedeelte, twee T- vensters met daartussen de voordeur met bovenlicht. Rechts naast het venster zit een staldeur en twee vierruits stalvensters met getoogde bovenzijden, met daar tussen een later aangebrachte inrijpoort. Onder de goot is een dichtgezet hooiluik herkenbaar. In het voordakvlak is een viertal dakvensters aangebracht. In de rechter kopgevel zit een drietal staldeuren een tweetal vierruit stalvensters met daarboven een hooiluik geflankeerd door twee kleine halfronde vensters.

In de westelijk georiënteerde linker kopgevel, zitten op de begane grond drie T-vensters en op de verdieping twee kleinere T-vensters. De bovenlichten van de T-vensters worden door verticale roeden gedeeld. In het inspringende gedeelte van de achtergevel, waar het woongedeelte is gelegen, zit een venster. Op het dakvlak staat een dakkapel die aansluit op de uitspringende gevel. Het lagere geveldeel behorende bij het bedrijfsgedeelte bezit een aantal staldeurtjes en stalvensters. In het dakvlak ligt een tweetal dakvensters. Conclusie Op basis van de beschikbare informatie, kan geconcludeerd worden, dat de boerderij (uit 1934) in een redelijke staat bewaard gebleven. Aan het woon- en bedrijfsgedeelte hebben na 1934 wel de nodige

Hoofdstuk 4

42

aanvullingen en wijzigingen plaats gevonden, maar de oorspronkelijke hoofdopzet is daarbij intact gebleven. Daarnaast is de boerderij markant gesitueerd in het agrarisch landschap ten oosten van de Vinkelse dorpskern en in de nabijheid van de Grote Wetering. Op deze locatie is in ieder geval vanaf de vroege 19e eeuw een boerderij aanwezig geweest, waarbij de huidige boerderij deze voorganger heeft vervangen. De langgevel boerderij staat niet aangemerkt als een beschermd monument, maar bezit vanwege zijn verschijningsvorm, situering en het oorspronkelijke karakter wel bouw- en cultuurhistorische waarden. Splitsing van de woning is slechts mogelijk indien dit door afdeling erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch als zodanig is herkend. Splitsing is vanuit bouw- en cultuurhistorisch oogpunt (volgens de gemeente) mogelijk, waarbij geadviseerd wordt rekening te houden met behoud van de hoofdkenmerken:  Hoofdstructuur, maat en schaal;  Hoofdindeling en herkenbaarheid woon- en bedrijfsgedeelte (onder meer gevel- en vensterindeling);  Kenmerkend sober materiaalgebruik  Behoud open karakter van het erf en voorkomen van een visuele opdeling van het erf Bij de verbouwplannen zullen deze kenmerken in acht worden genomen. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.12 Energie en duurzaamheid Nederland staat voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten er steeds meer mensen gehuisvest worden, ook moet er rekening gehouden worden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Op dit moment wordt intensief gewerkt aan het verduurzamen van de gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is 'energie' een belangrijk speerpunt binnen de gemeente. Enerzijds door het realiseren van duurzame energievormen (zoals windturbines, zonnepanelen, warmtepompen) en anderzijds door het energiezuinig (neutraal) laten bouwen. Ook oplossingen voor waterbeheer dragen bij aan de ontwikkeling van een duurzame (toekomstbestendige) gemeente. Klimaatverandering Het klimaat verandert. Nederland krijgt volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen. Door hierop tijdig te anticiperen en aanpassingen door te voeren aan de fysieke leefomgeving van de stad en adaptief gedrag van haar inwoners te ondersteunen, blijft de stad van de toekomst veilig en leefbaar. Energie Zoals gezegd is energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheids-ambities van de gemeente 's-Hertogenbosch.

De gemeente heeft doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in

Hoofdstuk 4

43

2035 en 's-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het "Energie-transitieprogramma 'sHertogenbosch 2016-2020", vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat de gemeente een serieuze bijdrage moet leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente. De gemeente zet forse stappen met betrekking tot het aspect duurzaamheid en iedere ontwikkeling (hoe klein ook) dient een bijdrage te leveren aan het verduurzamen van de gemeente. Hiervoor heeft de gemeente in mei 2019 een visie vast gesteld, namelijk ‘samenwerken aan een duurzaam ’s-Hertogenbosch’. In deze visie zijn vier ambities opgesteld: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving; 2. CO2-neutrale gemeente; 3. Waardebehoud van grondstoffen; 4. Duurzame mobiliteit.

Doorwerking plangebied Onderstaand wordt per thema toegelicht hoe het ruimtelijk initiatief omgaat met de gestelde ambities uit de visie ‘samenwerken aan een duurzaam ’s-Hertogenbosch’. Ambitie 1: Gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente ’s-Hertogenbosch. In het buitengebied vinden voornamelijk activiteiten plaats ten behoeve van de landbouw. Dit gebied kan dan ook omschreven worden als een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving. Door de inpandige verbouwing zal er geen significante toename in het verhard oppervlak optreden. Er zal een bestaande overkapping worden geamoveerd, evenals een tuinhuis en een overdekt terras. Wel zal er een nieuwe garage worden gerealiseerd. Navolgende tabel geeft het oppervlak te slopen bebouwing en nieuw te realiseren bebouwing weer. type Overkapping Houthok Overige bebouwing (garage, opslag, etc.) Totaal

Salderen huidige bijgebouwen in m² 31 7 29,5

Nieuw te realiseren bijgebouw(en) in m² 0 0 67,5

67,5

67,5

Daarnaast zal er een nieuwe inrit worden gerealiseerd aan de westzijde van het perceel. Deze inrit zal echter worden gerealiseerd met zogenaamde grasstenen. Hierdoor zal het hemelwater ter plaatse van de nieuwe inrit direct infiltreren in de bodem. De omgeving van het plangebied en de aangrenzende agrarische gronden/grasland blijven onverhard. Enkele bomen zullen op strategische plekken worden geplaatst om een eventueel hitteeilandeffect in het plangebied te voorkomen. Ambitie 2: CO2-neutrale gemeente Door de interne verbouwing zullen er twee woningen worden gerealiseerd (inclusief de reeds bestaande bedrijfswoning). Beide woningen zullen echter niet gasloos worden gerealiseerd. Wel wordt er geïnvesteerd in het aanleggen van zonnepanelen, worden nieuwe kozijnen met Hr++ glas geplaatst.

Hoofdstuk 4

44

De woning in het achterhuis wordt opgebouwd met cellenbeton wat zorgt voor een uitstekende isolatie. Het voornemen bestaat om eveneens de nieuw te bouwen schuur volledig met cellenbeton op te bouwen. Daarnaast zullen de vloeren eveneens geïsoleerd worden en wordt er bekeken of een warmtepomp een mogelijkheid is voor het verwarmen van de woningen. Ambitie 3: Waardebehoud van grondstoffen Circulariteit is tegenwoordig een hot topic. Het gaat hierbij om hergebruik van materialen. De materialen behouden hierdoor hun waarde. Het ruimtelijk initiatief voorziet in een inpandige verbouwing van de huidige bedrijfswoning. Dit kan worden aangemerkt als behoud van waarde en daarmee een vorm van circulariteit. Initiatiefnemer is voornemens om bij het achterhuis de muren te slopen, de stenen schoon te maken en opnieuw te gebruiken om de muren opnieuw mee op te richten. Ook de voegen van het voorhuis zullen worden uitgehakt en opnieuw worden geïmpregneerd. Hierdoor zullen bestaande materialen van de huidige bebouwing opnieuw worden gebruikt in de nieuwe woningen. Ambitie 4: Duurzame mobiliteit De gemeente werkt aan een gezondere leefomgeving door minder uitstoot van luchtvervuilende stoffen als stikstof en fijnstof, en minder geluidsoverlast. Dit kan de gemeente echter niet volledig zelfstandig.

Inwoners van de gemeente ’s-Hertogenbosch dienen een steentje bij te dragen aan het verminderen van de uitstoot van luchtvervuilende stoffen. Dit kan bereikt worden door het gebruik van elektrische vervoersmiddelen en het investeren in laadpalen voor elektrische voertuigen en elektrische fietsen. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente ’s-Hertogenbosch, nabij de kern Vinkel. Duurzame mobiliteit met betrekking tot het gebruik van het openbaar vervoer is niet realistisch, daar er in de omgeving van het plangebied geen mogelijkheden zijn om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Momenteel bezit initiatiefnemer niet over elektrische vervoersmiddelen. In de toekomst zal er naar verwachting wel een elektrisch vervoersmiddel worden aangeschaft en zal er tegen die tijd ook een laadpaal worden geïnstalleerd op de locatie van het plangebied. Conclusie Onderhavig ruimtelijk initiatief voldoet aan de gestelde ambities van de gemeente ’s-Hertogenbosch en is daarmee in lijn met de visie ‘samenwerken aan een duurzaam ’s-Hertogenbosch’. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 zijn het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten, die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang.

Hoofdstuk 4

45

Op 16 mei 2017 is een herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.13.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Het ruimtelijk initiatief betreft slechts een interne verbouwing van een bestaande langgevelboerderij, het amoveren van overtollige bebouwing en het realiseren van bijbehorende bouwwerken. Daarnaast treden er geen significante wijzigingen op in het plangebied ten opzichte van de huidige situatie. Ook betreft het ruimtelijk initiatief een ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde zoals is aangegeven in kolom twee van Bijlage D. Echter moeten gemeenten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte is dat in bepaalde gevallen een activiteit met een kleinere omvang dan de drempel ook belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, bijvoorbeeld doordat die activiteit in of vlakbij een kwetsbaar gebied is gepland. Op basis van de beschouwing van de voorgaand beschreven relevante paragrafen kan geconcludeerd worden dat het ruimtelijk initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor het milieu.

Hierdoor wordt het opstellen van een aanmeldingsnotitie m.e.r. niet noodzakelijk geacht. Het advies aan de gemeente is dan ook om dit advies over te nemen.

Hoofdstuk 4

46

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

Hoofdstuk 5

47

Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan:  Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.  Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit:  Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie.  Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd.

Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart).  Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.  Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.

 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Ook is een regeling opgenomen ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid.  Algemene afwijkingsregels: in deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Hoofdstuk 5

48

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s) In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen:  Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik.  Slotregel: deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald (de naam van het bestemmingsplan).

5.3 Toelichting op de bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Wonen - aaneengebouwd; b. Behoud en herstel van cultuurhistorische waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’; c. één paardenbak per bestemmingsvlak waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 800 m2, met daarbij behorende lichtmasten. en tevens voor: d. aan huis gebonden beroepen en bed & breakfast in de woning en/of bijgebouw, mits: 1. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; 2. de (mede) daarvoor in gebruik te nemen vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen; 3. geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte detailhandel ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden beroep, mits de te koop aangeboden goederen en/ of producten een relatie hebben met het aan huis gebonden beroep; 4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; e. aan huis gebonden bedrijf in een bijgebouw van de woning, mits: 1. de (mede) daarvoor in gebruik te nemen vloeroppervlakte van het bijgebouw niet meer bedraagt dan 80 m2; 2.

het een activiteit betreft uit maximaal categorie 2 van de in Bijlage 5 Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen activiteiten; 3. de woonfunctie als hoofdfunctie gehandhaafd blijft; 4. de goede verkeersafwikkeling gewaarborgd blijft en op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien; 5. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte detailhandel ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden bedrijf, mits de te koop aangeboden goederen en/ of producten een relatie hebben met het aan huis gebonden bedrijf; 6. geen buitenopslag plaatsvindt;

Hoofdstuk 5

49

7. er geen sprake is van een publieksaantrekkende werking. met de daarbijbehorende: f. groenvoorzieningen; g. verkeersvoorzieningen; h. nutsvoorzieningen; i. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 1 per bestemmingsvlak, tenzij anders aangegeven door middel van de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden. Waarde – Archeologie hoge verwachting De voor 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten en/of aanwezige archeologische waarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11870300/1