CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels

Overige evenementen 8 november 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Ontwerpbestemmingsplan Vinkelsestraat 86 Vinkel24.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Vinkelsestraat 86, Vinkel Gemeente ‘s-Hertogenbosch Ontwerp

Bestemmingsplan Vinkelsestraat 86, Vinkel Gemeente ‘s-Hertogenbosch Ontwerp

Rapportnummer:

P04045_2

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0796.BP80975-0001

Datum:

15 maart 2022

Opdrachtgever:

Gemeente ‘s-Hertogenbosch

Projectteam BRO:

JRi, RGr, KBu

Concept-ontwerp:

mei 2021, september 2021, november 2021

Ontwerp:

januari 2022, maart 2022

Vaststelling:

--

Trefwoorden:

--

Bron foto kaft:

BRO, abstract

Beknopte inhoud:

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 4 6 7

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

8 8 8

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

10 10

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

10 10 10 11

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Uitwerking gebiedspaspoort 3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Gemeentelijk beleid

11 11 13 14

3.3.1 Volkshuisvesting 3.3.2 Welstandnota Maasdonk 2004 en Afsprakenkader kwaliteitsverbetering 3.3.3 Structuurvisie buitengebied Maasdonk 3.3.4 Vigerend bestemmingsplan “Bestemmingsplan Maasdonk 2012’’ 3.3.5 Afsprakenkader voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap

14 14 16 18 19

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren

23 23

4.1.1 Verkeersgeneratie 4.1.2 Parkeren 4.2 Geluid

23 23 24

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.3 Luchtkwaliteit

24 24 25

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Geur 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid

25 25 26 30 31 31

4.7.1 Toetsingskader

Inhoudsopgave

31

2

4.7.2 Onderzoek 4.8 Ecologie

32 33

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.9 Bodem

33 35 36

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.10 Water

36 37 37

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.12 Energie en duurzaamheid 4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

37 39 40 43 45

4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r.

45 46

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Toelichting op de bestemmingen

47 47 47 49

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

51 51 51

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure

51 52 52

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Geuronderzoek Bijlage 3: Carola berekening buisleiding Bijlage 4: Beperkte verantwoording groepsrisico Bijlage 5: Quickscan Flora en fauna Bijlage 6: Stikstofonderzoek Bijlage 7: Historische toets Bijlage 8: Waterparagraaf Bijlage 9: Landschappelijk inpassingsplan

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding In het kader van het voornemen van de familie Swinkels (initiatiefnemer) voor het wijzigen van de bestemming ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ en tegelijkertijd het splitsen van het pand aan de Vinkelsestraat 86 in Vinkel in twee woningen, is een principeverzoek ingediend bij de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Het voornemen dat door de initiatiefnemer aan de gemeente is voorgelegd past niet in het vigerende bestemmingsplan. De gemeente heeft daarom aangegeven dat een bestemmingsplan vastgesteld dient te worden om de ontwikkeling mogelijk te maken. Bij mail van 10 januari 2019 heeft de gemeente principemedewerking toegezegd aan het plan van initiatiefnemer. Initiatiefnemer verzorgt de verbeelding, de regels en de ruimtelijke onderbouwing (toelichting) van het op te stellen (concept)bestemmingsplan. Met de partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan wordt de planologische en juridische ruimte gecreëerd om het plan te realiseren. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld door RO Connect en BRO.

1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel gelegen aan de Vinkelsestraat 86 te Vinkel, kadastraal bekend als Nuland, sectie E, nummer 2020 (deels), met een oppervlakte van circa 2.140 m². Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. De omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit agrarische gronden. Het plangebied wordt aan de zuidzijde omsloten door de Vinkelsestraat, aan de westzijde door Het Staal, aan de oostzijde door bebouwing en aan de noordzijde door agrarische grond. De locatie van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit een gebouw met daaromheen bedrijfsbebouwing waar voornamelijk opslag plaatsvindt van het afbouwbedrijf. De bedrijfsbebouwing van het afbouwbedrijf bestaat uit de bijgebouwen in het noorden en oosten van het plangebied. Het bijgebouw in het westen van het plangebied behoort bij de huidige bedrijfswoning. De omliggende bebouwing bestaat uit grondgebonden woningen van één bouwlaag met een kap. Aan de randen van het plangebied staan bomen en aan de voorzijde van de huidige bedrijfswoning is een fietspad gelegen. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1 Ligging plangebied

Figuur 2 Sfeerimpressies plangebied

Hoofdstuk 1

5

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Maasdonk 2012’ vigerend. Dit plan is door de gemeenteraad vastgesteld op 23 april 2014 en deels in werking getreden. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het onderhavige perceel de bestemming ‘Bedrijf’. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch technische bedrijven en agrarisch verwante bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch technisch en agrarisch verwant bedrijf' (sb-b1) zoals zijn weergegeven in Bijlage 1 Bedrijvenlijst; b. niet - agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - niet-agrarischtechnisch en niet-agrarisch verwant bedrijf' (sb-b2) zoals zijn weergegeven in Bijlage 1 Bedrijvenlijst; c. verkooppunt motorbrandstoffen met lpg en ondergeschikte detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'; d. verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'; e. groenvoorzieningen ter afscherming van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'groen'; f. behoud en herstel van cultuurhistorische waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'. en tevens voor: g.

aan huis gebonden beroepen en bed & breakfast in de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen, mits: 1. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; 2. de (mede) daarvoor in gebruik te nemen vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen; 3. geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte detailhandel ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden beroep, mits de te koop aangeboden goederen en/ of producten een relatie hebben met het aan huis gebonden beroep; 4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. met de daarbijbehorende: h. verkeersvoorzieningen; i. nutsvoorzieningen; j. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 1 per bestemmingsvlak, tenzij anders is aangegeven door middel van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden'. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan. Daarnaast is het plangebied gelegen op de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting. Het is niet toegestaan om, zonder omgevingsvergunning, een bijgebouw of de uitbreiding van een hoofdgebouw met een oppervlak van meer dan 200 m² of bij grondwerkzaamheden dieper 0,3 m-mv te realiseren.

Voor bijgebouwen en uitbreidingen van het hoofdgebouwen met oppervlaktes groter dan 200 m² of waarbij de grondwerkzaamheden dieper gaan dan 0,3 m-mv dient een archeologisch onderzoek overlegd te worden. Er dient in voldoende mate gegarandeerd te zijn dat de middels archeologisch onderzoek vastgestelde waarden worden veiliggesteld door technische maatregelen of een archeologische opgraving of archeologische begeleiding. De te nemen maatregel dient uitgevoerd te worden op basis van een door een senior KNA archeoloog goedgekeurd programma.

Hoofdstuk 1

6

Op grond van deze bestemming is het niet toegestaan om een burgerwoning op te richten. Hierdoor dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen om onderhavig initiatief juridisch-planologisch te verankeren. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weer. Het plangebied is hierin met rood omlijnd.

Figuur 3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan

1.4 Leeswijzer Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk dient als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwikkelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vigerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie De voorgestelde ontwikkeling vindt plaats op de locatie Vinkelsestraat 86 te Vinkel. De planlocatie bestaat momenteel uit een bedrijfsbestemming. Op onderstaande figuur is de bestaande situatie weergegeven. Er is hierbij ingezoomd op de bedrijfsbestemming. Binnen de bedrijfsbestemming is een bedrijfswoning met schuur gelegen. De bedrijfswoning en schuur maken onderdeel uit van één bouwmassa en vormen samen het bestaande hoofdgebouw. Het oppervlak van dit hoofdgebouw is 330 m² en de inhoud van de huidige bestaande bedrijfswoning bedraagt 871 m³ en de inhoud van de huidige schuur bedraagt 827 m³. In totaal heeft het hoofdgebouw een inhoud van 1.698 m³. Aan de westzijde hiervan zijn een tuinhuisje en overdekt terras gesitueerd (gezamenlijk circa 35 m2). Ten oosten is bebouwing ten behoeve van de bedrijfsvoering aanwezig. Het gaat hierbij om meerdere houthokken, een overkapping voor de tractor, een opslagloods (van 80 m 2) en een overkapping grenzend aan deze loods. Het hoofdgebouw wordt niet gebruikt voor activiteiten gerelateerd aan de bedrijfsfunctie.

Figuur 4 Bestaande situatie

2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om de bestemming te wijzigen van ‘Bedrijf naar ‘Wonen’ en om de bestaande bebouwing (het huidige pand) te splitsen in twee wooneenheden. Het pand behoudt in belangrijke mate de huidige verschijningsvorm. Daarnaast zal aan de westzijde van het plangebied een nieuwe garage/berging worden gerealiseerd. Hiertoe dient een bestaand tuinhuisje en overdekt terras

Hoofdstuk 2

8

(gezamenlijk circa 35 m 2) gesloopt te worden. De te realiseren garage zal een oppervlak van circa 67,5 m2 beslaan. De overkapping van de tractor en de twee houthokken zal eveneens worden geamoveerd (circa 29,5 m²). Aan de zijde van de nieuwe woning (oostzijde) zal de bestaande loods gehandhaafd blijven ten behoeve van het uitoefenen van hobbymatige activiteiten en de opslag van bijvoorbeeld een grasmaaier, etc.. Beide woningen zullen worden voorzien van een eigen inrit en kennen een totaal oppervlak van 345 m² en een inhoud van 871 m³ voor de huidige bestaande woning en 827 m³ voor de nieuwe woning in de bestaande schuur waar de nieuwe woning is voorzien. In totaal heeft het hoofdgebouw een inhoud van 1.698 m³. Onderstaande figuur geeft een schets van de toekomstige situatie van het plangebied weer. Voor het schetsontwerp van de toekomstige situatie wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Navolgende tabel geeft het verschil in verhard oppervlak weer tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie.

Figuur 5 Toekomstige situatie Vinkelsestraat 86

Verharding Woning Inritten en parkeerplaats Bijgebouwen Totale verharding

Hoofdstuk 2

Huidige situatie in m² 345 683 170 1.198

Toekomstige situatie in m² 345 835 200 1.380

9

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader, dat relevant is voor het plan, toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie In de nationale omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie aan voor de toekomstige ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal gelden zoals klimaatverandering, de energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een perspectief om voort te bouwen op bestaande landschappen en historische steden. In de NOVI zijn vier prioriteiten opgesteld:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio's;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking plangebied In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR, die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.

Doorwerking plangebied Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavige ruimtelijk initiatief is daarmee in overeenstemming met het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of

Hoofdstuk 3

10

zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt de splitsing van een gebouw ten behoeve van het realiseren van een tweede woning mogelijk gemaakt. Bij een ontwikkeling van 12 of meer woningen is de ladder verplicht. Gezien het in dit initiatief om de toevoeging van slechts één woningen gaat, is een toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De visie bevat ambities voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde herbestemming en splitsing van het pand heeft geen invloed op de opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling aan deze aspecten voldoet. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 3.2.2 Uitwerking gebiedspaspoort In de Uitwerking gebiedspaspoorten beschrijft de provincie wat het landschap van Brabant zo bijzonder en divers maakt.

Ook de kenmerken van de verschillende streken worden beschreven en hoe een nieuwe ontwikkeling deze landschapskenmerken kan versterken? In de structuurvisie worden de kernkwaliteiten van Brabant beschreven: de natuurlijke basis, het ontginningslandschap en het moderne landschap. Deze kernkwaliteiten komen terug in elk gebiedspaspoort. 1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

11

Het landschap van Brabant verschilt van streek tot streek. Denk bijvoorbeeld aan de open kleipolders in het westen, het coulisselandschap van de Meierij of de prachtige lanenstructuur van de Peel. Ieder landschapstype heeft zijn eigen kenmerkende kwaliteiten en is op een andere manier ontstaan. In de Uitwerking Gebiedspaspoorten beschrijft de provincie 12 Brabantse landschapstypen. Voor elk geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend maar biedt een handreiking. Het plangebied aan de Vinkelsestraat in Vinkel is gelegen in het landschapstype ‘Meierij’ (zie figuur 5). In de Meierij is een kleinschalig mozaïek ontstaan van oude en jonge ontginningslandschappen, afgewisseld met woeste gronden. De oude ontginningen bestaan uit dorpen met oude akkercomplexen en broekgebieden in de laagten met waterlopen en de beken.

Figuur 6 Uitsnede gebiedspaspoort

Op de hogere gronden langs beken zoals de Dommel en de Aa met hun zijlopen is bebouwing ontstaan in de vorm van linten, dorpen en gehuchten. Vanuit deze bebouwing is de ontginning van de omliggende gronden min of meer organisch gegroeid. Belangrijke identiteitsdragers van het agrarische cultuurlandschap van de Meierij zijn de akkercomplexen met aanliggende buurtschappen en groenstructuren, de langgevelboerderijen, de landgoederen, de plantages met populieren en kloostercomplexen. De provincie heeft in de uitwerking gebiedspaspoorten een aantal ambities geformuleerd voor het landschapstype van de Meijerij: ‘’De provincie wil in ieder geval het karakter van de Meierij als groen hart van Brabant versterken, door mogelijkheden te bieden voor menging van functies in buitengebied en verbreding van de landbouw. De ontwikkeling van dorpen, steden en de intensieve landbouw (o.a. boomteelt en intensieve veehouderij) vindt plaats in samenhang met het versterken van landschapselementen die bijdragen aan de

Hoofdstuk 3

12

biodiversiteit en het groene, kleinschalige karakter van de Meierij, zoals poelen, houtwallen, open graslanden, bomenlanen en onverharde wegen. Doorwerking plangebied De voorgestelde ontwikkeling op het perceel gelegen aan de Vinkelsestraat 86 in Vinkel sluit aan op de geformuleerde ambities van de provincie Noord-Brabant. Door onderhavig initiatief wordt een functie gewijzigd in het buitengebied waardoor de functiemenging in het buitengebied wordt gehandhaafd. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling gaat samen met een versterking van het landschap doordat bestaande bebouwingen en hekwerken worden verwijderd waardoor er nieuwe zichtlijnen naar het achterland ontstaan en nieuwe bebouwing op strategische plekken wordt gerealiseerd. Er treedt geen vergroting op van het oppervlak aan bijgebouwen. Daarnaast zullen er enkel minimale veranderingen optreden aan het uiterlijk van het gebouw. De landschappelijke inrichting is zo opgesteld dat het plangebied de landschapselementen die bijdragen aan het kleinschalige karakter van de Meierij behoudt en waar mogelijk verbeteren. 3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019.

Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen (Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen). In de verordening staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening stelt daarbij de provinciale belangen veilig. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moeten toepassen. Hiermee wordt beoogd de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag op het buitengebied af te remmen. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Dit betekent dat de realisering van woningbouw, bedrijventerreinen, overige stedelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering in bestaand stedelijk gebied niet tot de mogelijkheden behoren.

Zorgvuldig ruimtegebruik is als basisprincipe opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit en is uitgangspunt. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen stedelijk gebied en dat de ruimte binnen stedelijk gebied zo goed als mogelijk wordt benut. Hierbij past ook dat er wordt gekeken naar eventuele hergebruiksmogelijkheden van leegstaand of leegkomend erfgoed, zoals industriële complexen, kloosters, verzorgingshuizen et cetera. In de Interim Omgevingsverordening is het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning toegestaan, als is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt (art. 3.69, sub c). In de Interim Omgevingsverordening is de vestiging of splitsing van een of meer woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing (waaronder karakteristieke boerderijen) toegestaan als dit bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing (art. 3.69, sub b).

Hoofdstuk 3

13

Doorwerking plangebied Het plangebied is in de Interim omgevingsverordening opgenomen als landelijk gebied. Het ruimtelijk initiatief voorziet in de splitsing van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning. Dit is in principe in strijd met art. 3.69 sub c. Echter betreft het pand waarvoor de splitsing is voorzien een karakteristieke boerderij (zie hoofdstuk 11 Archeologie en Cultuurhistorie) waarvoor het is toegestaan om het pand te splitsen voor de realisatie van een tweede woning indien het ruimtelijk initiatief bijdraagt aan het behoud of herstel van de bebouwing. Het initiatief is in overeenstemming met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Volkshuisvesting Om het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid uit te kunnen voeren, is een meerjarenprogramma woningbouw opgesteld. Gelet op de bestaande woningvoorraad en de vergrijzing zullen veel woningen nodig zijn voor het huisvesten van senioren. Bij voorkeur worden deze woningen in het centrumgebied van de kernen gesitueerd. De plannen mogen niet concurreren met gemeentelijke plannen. De notitie gaat in op het realiseren van nieuwe/extra woningen voor de huisvesting van de bevolking. In onderhavig plan is sprake van een toename van één woning. Het betreft het splitsen van een bestaande (voormalige) boerderij. Hiermee wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van concurrentie met gemeentelijke plannen. Met het oog op het woningbouwprogramma wordt geconcludeerd dat er geen belemmering bestaat onderhavig plan vast te stellen. 3.3.2 Welstandnota Maasdonk 2004 en Afsprakenkader kwaliteitsverbetering De voormalige gemeente Maasdonk heeft om een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving te creëren waarbij bovendien de waarde van het onroerend goed en vestigingsklimaat wordt versterkt, een welstandsnota opgesteld. De welstandsnota heeft dan ook als doel de burger vooraf in alle openheid te informeren en inzicht te geven in de betreffende welstandsaspecten. De criteria zijn middels de welstandsnota meer geobjectiveerd en gemotiveerd.

Hierbij is voor alle gebieden een ruimtelijk ambitieniveau vastgesteld. Dit ambitieniveau bepaalt de aard en de intensiteit waarmee de bouwplannen aan de diverse criteria zullen worden getoetst. Afhankelijk van de waarde en gevoeligheid van het gebied en de betekenis voor het aanzien van de openbare ruimte kan voor dat gebied een hoog (niveau 1), normaal (niveau 2), laag (niveau 3) welstandsniveau vastgesteld worden. Afhankelijk van het niveau worden de beoordelingsaspecten streng, kritisch, licht of niet gehanteerd. Een vierde niveau wordt gevormd door het aanwijzen van welstandsvrije gebieden. In dergelijke gebieden wordt dan geen welstandstoets uitgevoerd. In het algemeen geldt: hoe waardevoller de gebiedskarakteristiek, hoe hoger het welstandsniveau. De begrenzingen van de gebieden met een verschillend welstandsniveau staan overigens los van de deelgebiedenindeling. Binnen een deelgebied kunnen verschillende welstandsniveaus voorkomen. Van elk gebied is op basis van de aanwezige kwaliteit het gewenste welstandsniveau vastgesteld en op de kaart aangegeven. Alle plannen in dat gebied zullen op het vastgestelde niveau aan de gebiedsgerichte criteria worden getoetst.

Ontwerpen die doelbewust of noodzakelijkerwijs van de gebiedsgerichte criteria afwijken, zullen met behulp van de algemene criteria beoordeeld worden als lagen zij in een gebied met welstandsniveau 1 (zie ook 2.1.5.: afwijken van criteria).

Hoofdstuk 3

14

In de volgende gevallen zal altijd op welstandsniveau 1 worden getoetst:  verbouwingen en uitbreidingen aan monumenten en beeldbepalende panden (omschreven in bestemmingsplan of cultuurhistorische waardenkaart van de provincie en opgenomen als bijlage bij de welstandsnota);  bouwen of verbouwen in de onmiddellijke nabijheid van monumenten en beeldbepalende panden (belendende percelen);  bouwen in een beschermd stads- of dorpsgezicht;  plannen die passen in het bestemmingsplan, maar sterk afwijken van de omgevingskarakteristiek;  plannen die een uniciteit hebben voor de gemeente (winkelcentra, schouw burgen e.d.). De locatie van de Vinkelsestraat 86 te Vinkel valt binnen niveau 1 van de Welstandsniveaus. Dit zijn gebieden die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van de kernen en het landschap. Hierbij valt met name te denken aan bebouwing direct grenzend aan belangrijke doorgaande routes, historische linten en zichtlocaties. Verder is niveau 1 toegekend aan gebieden met hoge cultuurhistorische, architectonische, landschappelijke of stedenbouwkundige waarde. In een beschermd dorpsgezicht met niveau 1 zal de welstandscommissie op meer beoordelingsaspecten adviseren en de criteria bij deze beoordelingsaspecten ook nauwgezetter toepassen.

Voor individuele monumenten en de directe belendingen wordt altijd niveau 1 gehanteerd, ongeacht het niveau van het gebied waarin ze liggen. Niveau 1 wordt ook toegekend aan nieuw te ontwikkelen gebieden waarvoor een hoog ambitieniveau is vastgelegd in het stedenbouwkundig plan of het beeldkwaliteitplan. Doorwerking plangebied Op basis van de welstandsniveaukaart kan geconcludeerd worden dat het ruimtelijk initiatief voorgelegd dient te worden aan de Welstandscommissie. Uit het gevoerde Welstandsoverleg is gebleken dat de commissie in principe positief adviseert over het plan, maar bezwaar heeft op een aantal elementen van het ontwerp, zoals de hoogte van de nieuwe omkadering ter plaatse van de entree en de bevestigingsmethode van de beplating. Deze aandachtspunten worden meegenomen in het uiteindelijke ontwerp.

Hoofdstuk 3

15

Figuur 7 Uitsnede Welstandsniveaukaart Maasdonk (plangebied rood omcirkeld)

3.3.3 Structuurvisie buitengebied Maasdonk De structuurvisie Buitengebied Maasdonk is vastgesteld op 16 december 2009. De structuurvisie is een onderdeel van de totstandkoming van de integrale herziening van het bestemmingsplan Buitengebied. De structuurvisie biedt het kader om de veranderingen en de ontwikkelingen in het buitengebied te sturen. Duidelijk moet zijn waar welke ontwikkelingen acceptabel, danwel wenselijk zijn.

Hoofdstuk 3

16

Functieverandering Vanuit de structuurvisie Buitengebied Maasdonk wordt onder ander ingegaan op een functieverandering in het buitengebied. Hierbij wordt aangegeven dat de verwachting is dat er een groot aantal agrarische bedrijven is stopgezet. Deze trend zal in de toekomst doorzetten. Bij een functieverandering is het minder van belang welke functie wordt toegestaan, maar meer van belang is welk effect de functieverandering met zich mee brengt. De functieverandering moet niet alleen een verbetering opleveren voor de initiatiefnemer, maar ook voor de omgeving. De ontwikkeling dient geen of weinig belemmering te vormen voor omliggende agrarische bedrijven. In grote lijnen moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:  functieverandering is alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale vrijgekomen (en ook vrijkomende) voormalige bedrijfsgebouwen die zijn gelegen in het buitengebied;  met functieverandering van vrijkomende gebouwen in het buitengebied wordt de bedrijfsontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving niet onevenredig aangetast;  uitgangspunt is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door sloop van overtollige bebouwing, met uitzondering van monumentale en karakteristieke gebouwen.

Uitbreiding van de oppervlakte van gebouwen is in principe niet toegestaan;  uit een erfinrichtingsplan moet blijken dat een kwalitatief hoogwaardige invulling wordt gegeven aan de architectuur van het hoofdgebouw en de inrichting van omliggende terreinen in hun ruimtelijke samenhang. Hiervoor zijn ontwerprichtlijnen opgesteld waaraan voldaan dient te worden;  functieverandering mag niet leiden tot een onevenredige toename van de verkeersbelasting. Het aantal verkeersbewegingen mag in beginsel niet meer toenemen dan door het gebied zonder structurele aanpassingen kan worden verwerkt;  opslag van goederenbuiten gebouwen wordt niet toegestaan;  detailhandel wordt niet toegestaan, tenzij het detailhandel betreft in ter plaatse geproduceerde of streekeigen producten;  de functieverandering mag niet leiden tot onevenredige milieuhinder voor de omgeving. Alleen bedrijvigheid in de milieucategorie 1 en 2 (of daarmee vergelijkbaar) is toelaatbaar (overeenkomstig de Staat van Bedrijfsactiviteiten van de VNG);  in geval van vrijkomende gebouwen van een agrarisch bedrijf, dat is gestopt, dient de milieuvergunning te zijn ingetrokken. Wonen De aanwezigheid van diverse burgerwoningen in het buitengebied wordt als een gegeven aanvaard. Deze zullen als zodanig in het bestemmingsplan worden vastgelegd.

Woningsplitsing (verbouw tot twee afzonderlijke, zelfstandige woningen, met eigen voordeuren, eigen huisnummers) wordt niet toegestaan. Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin door splitsing een voormalig boerderijgebouw (woning met aangebouwd deel) kan worden behouden en de overtollige bebouwing wordt gesloopt. Niet-agrarische bedrijvigheid In het buitengebied komen verspreid diverse niet-agrarische bedrijven voor. Niet agrarische bedrijvigheid hoort in beginsel niet thuis in het buitengebied. Bestaande (en legaal aanwezige) niet agrarische bedrijvigheid in het buitengebied blijft gehandhaafd. Deze worden naar aard en omvang strak vastgelegd in het bestemmingsplan. Er worden geen nieuwe niet-agrarische bedrijven toegestaan in het buitengebied.

Hoofdstuk 3

17

Doorwerking plangebied Het ruimtelijk initiatief voorziet in de splitsing van een voormalige bedrijfswoning en voorziet daarmee in een functieverandering in het buitengebied van de kern Vinkel. Door de splitsing wordt een voormalig boerderijgebouw (woning met aangebouwd deel) behouden. Met de functieverandering wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden doordat agrarische bedrijven in de omgeving niet onevenredig worden aangetast, de functieverandering is van toepassing op fysiek bestaande bedrijfsbebouwing, leidt niet tot onevenredige toename in de verkeersbelasting, leidt niet tot een onevenredige milieuhinder, voorziet niet in de oprichting van detailhandel en er is daarnaast een erfinrichtingsplan (landschappelijke inrichting) opgesteld. Met het omzetten van de bestemming ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ zal eveneens de overtollige bebouwing (het tuinhuisje en de overkappingen) worden geamoveerd om ruimte te maken voor de realisatie van een nieuwe garage. Het oppervlak aan bijgebouwen neemt hierdoor in werkelijkheid niet toe. Doordat er slechts sprake is van het splitsen van de huidige boerderijwoning en een inpandige verbouwing zal er geen verhard oppervlak worden toegevoegd aan het plangebied. Daarnaast past de ontwikkeling in de transformatie van de Vinkelsestraat doordat er door de splitsing voorzien wordt in het stopzetten van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied.

Hiermee voldoet het ruimtelijk initiatief aan de gestelde eisen uit de structuurvisie Buitengebied Maasdonk. 3.3.4 Vigerend bestemmingsplan “Bestemmingsplan Maasdonk 2012’’ Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Maasdonk 2012’ vigerend. Dit plan is door de gemeenteraad vastgesteld op 23 april 2014 en deels in werking getreden. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het onderhavige perceel de bestemming ‘Bedrijf’. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch technische bedrijven en agrarisch verwante bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch technisch en agrarisch verwant bedrijf' (sb-b1) zoals zijn weergegeven in Bijlage 1 Bedrijvenlijst; b. niet - agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - niet-agrarischtechnisch en niet-agrarisch verwant bedrijf' (sb-b2) zoals zijn weergegeven in Bijlage 1 Bedrijvenlijst; c. verkooppunt motorbrandstoffen met lpg en ondergeschikte detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'; d. verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'; e. groenvoorzieningen ter afscherming van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'groen'; f.

behoud en herstel van cultuurhistorische waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'. en tevens voor: g. aan huis gebonden beroepen en bed & breakfast in de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen, mits: 1. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; 2. de (mede) daarvoor in gebruik te nemen vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen; 3. geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte detailhandel ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden beroep, mits de te koop aangeboden goederen en/ of producten een relatie hebben met het aan huis gebonden beroep; 4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

Hoofdstuk 3

18

met de daarbijbehorende: h. verkeersvoorzieningen; i. nutsvoorzieningen; j. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 1 per bestemmingsvlak, tenzij anders is aangegeven door middel van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden'. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan. Daarnaast is het plangebied gelegen op de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting. Het is niet toegestaan om, zonder omgevingsvergunning, een bijgebouw of de uitbreiding van een hoofdgebouw met een oppervlak van meer dan 200 m² of bij grondwerkzaamheden dieper 0,3 m-mv te realiseren. Voor bijgebouwen en uitbreidingen van het hoofdgebouwen met oppervlaktes groter dan 200 m² of waarbij de grondwerkzaamheden dieper gaan dan 0,3 m-mv dient een archeologisch onderzoek overlegt te worden. Er dient in voldoende mate gegarandeerd te zijn dat de middels archeologisch onderzoek vastgestelde waarden worden veiliggesteld door technische maatregelen of een archeologische opgraving of archeologische begeleiding. De te nemen maatregel dient uitgevoerd te worden op basis van een door een senior KNA archeoloog goedgekeurd programma. Op grond van deze bestemming is het niet toegestaan om een burgerwoning op te richten en ook niet om de bestaande bedrijfswoning te splitsen in twee woningen.

Hierdoor dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen om onderhavig initiatief juridisch-planologisch te verankeren. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weer (rood omkaderd).

Figuur 8 Uitsnede vigerend bestemmingsplan

3.3.5 Afsprakenkader voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.9) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld.

Hoofdstuk 3

19

In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Het bijgestelde afsprakenkader is in het RRO van 2 december 2015 vastgesteld. In het afsprakenkader zijn categorieën opgenomen voor niet planmatige ontwikkelingen. Binnen de categorieën is een tegenprestatie gelinkt aan de impact van het ruimtelijk initiatief. De volgende categorieën zijn opgenomen in het Afsprakenkader kwaliteitsverbetering Maasdonk voor niet-planmatige ontwikkelingen in het buitengebied:  Categorie 1: geen inspanning;  Categorie 2: een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer;  Categorie 3: de beschreven forfaitaire methode, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 20% van de grondwaardevermeerdering.

Tot categorie 1 behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen:  vergroten inhoud van een burgerwoning tot 750 m3;  vergroten inhoud van een bedrijfswoning tot 750 m3;  vergroten aantal m2 bij gebouwen bij woning tot 100 m2 in totaal;  realisatie Ruimte voor ruimte woning(en);  ontwikkeling ter realisatie van EHS compensatie;  wijzigen bestemming naar Bos/Natuur en treffen bestemmingsregeling/aanleg voorzieningen die een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden tot gevolg hebben;  vestiging van of de splitsing in meerdere wooneenheden in monumentale/ karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;  uitbreiding bestemmingsvlak wonen tot 1500 m2;  herbouw woning binnen geldend bestemmingsvlak;  wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf met een omvang van minimaal 1 ha, in bestemming wonen mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 1500m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 200m2 aan bijgebouwen / voormalige bedrijfsbebouwing resteert;  bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen

geldend bestemmingsvlak wonen of niet-agrarisch bedrijf tot een maximum van 200 m2;  nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf of Wonen;  VAB binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden tot een maximum van 200 m2;  aan huis gebonden beroep/bedrijf in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen);  ontheffing mantelzorg in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte  bijgebouwen);  ontheffing tijdelijke huisvesting seizoenarbeiders binnen geldende, bestaande bebouwing (dit mag niet leiden tot het ontstaan van een zelfstandige woonruimte);  huisvesting reclasseringsjongeren op (agrarisch) bedrijf binnen geldende, bestaande bebouwing;  toestaan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;  verkoop van op het eigen (agrarisch) bedrijf vervaardigde producten (inclusief de verkoop van streekeigen producten) tot een maximum van 200 m2 binnen geldende bouwregeling bedrijfsbebouwing;  omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning;

Hoofdstuk 3

20

 

bouw van ooievaarsnesten; toestaan Bosmanmolens tot 5 m.

Voor het overige behoren tot deze categorie:  ontwikkelingen onder toepassing van de directe bouwmogelijkheden/bouwregels en gebruiksregels van een geldend bestemmingsplan;  binnenplanse 10%-afwijking: kleine afwijkingen ten behoeve van hoogte en situering. Tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. In het voormalige provinciale ruimtelijke beleid (Streekplan, Paraplunota ruimtelijke ordening) waren de hiervoor genoemde oppervlakte- en inhoudsmaten opgenomen als gangbare bovenmaten tot waar gemeenten de mogelijkheid kregen deze ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren. Het zou niet juist zijn voor deze mogelijkheden nu opeens een extra inspanning te eisen.

Tot categorie 2 behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen:  minicampings met kleinschalige kampeergelegenheden tot een maximum van 25 mobiele kampeermiddelen;  bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet agrarisch bedrijf vanaf een oppervlakte van 200 m2;  nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden vanaf 200 m2;  vormverandering van een agrarisch bouwvlak of een bestemmingsvlak;  paardenbakken aansluitend aan het bouwvlak;  omschakeling van agrarische bedrijfsvoering (grondgebonden, intensief, overig niet-grondgebonden) zonder vergroting van het bouwvlak;  voor zover de locatie is gelegen in het agrarisch gebied, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer;  voor zover de locatie is gelegen in de groenblauwe mantel, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer;.

 Wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert. Tot categorie 3 behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen:  omschakeling zonder vergroting van het bouwvlak, van agrarisch bouwvlak of Wonen-vab naar Bedrijf, Recreatie, Agrarisch gerelateerd etc;  uitbreiding bestemmingsvlak Bedrijf, Wonen (>1500 m2), Horeca, Recreatie etc.;  vergroten aantal m2 bebouwing binnen Bedrijf, Recreatie, Horeca etc.;  vergroten inhoud van een (agrarische) Bedrijfswoning boven 750 m3;  vergroten inhoud van een burgerwoning boven 750m3;  omschakelen van een niet agrarische bestemming met bouwvlak naar agrarisch grondgebonden of niet-grondgebonden;  vergroten aantal m2 bijgebouwen bij een woning groter dan 100 m2;  nieuwbouw (eerste) bedrijfswoning.

Hoofdstuk 3

21

Doorwerking plangebied Doordat het ruimtelijk initiatief voorziet in het omzetten van de bedrijfsbestemming naar wonen en het splitsen van de huidige woning, kan op basis van het Afsprakenkader kwaliteitsverbetering landschap worden geconcludeerd dat het ruimtelijk initiatief onderdelen bevat welke vallen onder categorie 1 en 2. Onder categorie 1 vallen zowel de boerderijsplitsing als het onderdeel bijgebouwen (tot maximaal 100 m² per woning). Voor deze categorie is het niet noodzakelijk om een landschappelijke inpassing of tegenprestatie te voorzien in het ruimtelijk initiatief. De omzetting van de bestemming niet-agrarisch naar wonen betreft een categorie 2 ontwikkeling en derhalve dient er voor het gehele plan te worden voorzien in een landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan. De landschappelijke inpassing is toegevoegd aan de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. De nieuwe inrit (van het Staal naar de westelijk gelegen woning) zal worden versmald zodat de breedte hiervan overeenkomt met de breedte van het nieuwe bijgebouw. De bestaande groenstructuren vormen al een goede basis voor de landschappelijke inpassing. Dit betekent dat er geen verdere maatregelen genomen dienen te worden om de beoogde ontwikkeling in te passen. In de huidige situatie bestaat er al een doorkijk naar het achterliggende grasland.

Doordat er drie bijgebouwen worden geamoveerd (o.a. de overkapping van de tractor en het houthok) worden de zichtlijnen naar het achterland versterkt waardoor er sprake is van een verbetering van het landschap. Vooralsnog wordt er van uit gegaan dat het oppervlak aan bijgebouwen niet toeneemt. Eventueel zal het oppervlak van de bijgebouwen worden vergroot tot maximaal 100 m² per woning, maar dit zal geen onderdeel uitmaken van voorliggend bestemmingsplan doordat dit te zijner tijd al dan niet vergunningsvrij geregeld zal worden. Conclusie Op basis van hiervoor aangehaald beleid, kan worden geconcludeerd dat er enerzijds geen belemmeringen bestaan vanuit dit beleid en dat er anderzijds voldaan wordt aan eventuele voorwaarden tot de realisatie voor voorgenomen herontwikkeling. Er is sprake van een categorie 2 ontwikkeling, waarvoor een landschappelijke inpassing opgesteld wordt waarin beknopt is beschreven dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan een goede landschappelijke inpassing. Wel dient er rekening gehouden te worden met het feit dat er een vergunning aangevraagd dient te worden voor de inpandige verbouwing voor de boerderijsplitsing (categorie 1 ontwikkeling). In de toekomst bestaat tevens de mogelijkheid om het oppervlak van de bijgebouwen uit te breiden naar maximaal 100 m² per woning (eveneens een categorie 1 ontwikkeling).

De bouw van de bijgebouwen zal t.z.t. al dan niet vergunningsvrij worden geregeld.

Hoofdstuk 3

22

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren Met de realisatie van de woningbouw neemt de verkeersintensiteit toe en dienen voldoende parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarbij dient te worden voldaan aan de norm als gesteld in de gemeentelijke parkeernormen. 4.1.1 Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ met de ligging ‘buitengebied’. Voor de berekening van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal is er uitgegaan van de maximale norm. Op basis van de normen zal het nieuwbouwplan 17 motorvoertuigen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag (zie onderstaande tabel). Tabel 4.1: Berekening verkeersgeneratie toekomstige situatie Woningtype

Aantal

Koop, huis, Twee-onder-een-kap

2

Totaal

2

Verkeersgeneratie

Verkeersgeneratie

per woning 8,2

16,4 16,4 (afgerond 17)

In de huidige situatie heeft het plangebied deels een bedrijfsbestemming. Het huidige pand is momenteel in gebruik als zijnde een bedrijfswoning met schuur waar momenteel slechts één huishouden woonachtig is in een bedrijfswoning. Daarnaast is er een bedrijf gevestigd op de locatie van het plangebied. In de werkelijke situatie zal er dus slechts één woning worden toegevoegd waardoor het aantal verkeersbewegingen op de locatie van de Vinkelsestraat dus met maximaal 9 (8,2 afgerond naar boven) verkeersbewegingen toeneemt. Echter is er in de huidige situatie een bedrijf gevestigd op de locatie. Door dit bedrijf worden slechts twee verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd. Deze mogen dus worden afgetrokken van de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie waardoor er in werkelijkheid slechts 6,2 (afgerond 7) extra verkeersbewegingen per etmaal worden gegenereerd. De verwachting is dat deze extra verkeersbewegingen goed verwerkt kunnen worden door de Vinkelsestraat. 4.1.2 Parkeren Op basis van de parkeernormen, zoals vervat in de ‘Nota parkeernormering 2016’, is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het plangebied bepaald. Het plangebied ligt in het gebiedstype ‘Buitengebied’.

De kengetallen voor de berekening van de parkeerbehoefte zijn onderstaand weergegeven:  woning 80 – 150 m², 1,9 In de berekening van de parkeerbehoefte zijn de bestaande parkeerplaatsen op eigen terrein niet meegenomen. Dit omdat inzichtelijk dient te worden gemaakt hoe veel parkeerplaatsen er maximaal

Hoofdstuk 4

23

benodigd zijn voor de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling. Op basis hiervan zijn 4 parkeerplaatsen nodig (zie onderstaande tabel). In het stedenbouwkundig schetsontwerp is ruim voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren. Tabel 4.2: Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen Woningtype

Aantal

Parkeernorm

Benodigd aantal parkeerplaatsen

Woning 80 – 150 m²

2

1,9

Totaal

3,8 3,8 (afgerond 4)

Vanuit het aspect parkeren worden daarom geen belemmeringen verwacht.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden gegeven in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader zijn de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Navolgend wordt uitsluitend ingegaan het aspect wegverkeerlawaai doordat het plangebied niet is gelegen binnen de richtafstanden van omliggende bedrijven met betrekking tot het aspect geluid (zie hoofdstuk 4.4 Bedrijven en Milieuzonering). Wegverkeerslawaai Voor woningbouw binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt de breedte van de zone van een weg in stedelijk gebied, bestaande uit 1 of 2 rijstroken bepaald op 200 meter. Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een woning binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hebben geen geluidszone. 4.2.2 Onderzoek Op 22 maart 2021 heeft K+ Adviesgroep bv een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen ter plaatse van het ruimtelijk initiatief aan de Vinkelsestraat 86 te Vinkel in het kader van de Wet geluidhinder.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege wegverkeerslawaai van de Vinkelsestraat 86 de gevelbelasting hoger zal zijn dan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB. De gevelbelasting bedraagt maximaal 50 dB. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt derhalve niet overschreden. Ter plaatse van de zij- en achtergevel wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting te verlagen voor één woning stuit op bezwaren van verkeerskundige, landschappelijke, stedenbouwkundige en financiële aard. Bij de gemeente ’s-Hertogenbosch dient een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend.

Hoofdstuk 4

24

Gezien de bepaalde optredende gevelbelastingen dient ermee rekening te worden gehouden dat plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel(s). Conclusie Het is noodzakelijk een verzoek tot vaststelling hogere toelaatbare waarde in te dienen ten aanzien van de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het verzoek voor hogere waarde is reeds in gang gezet.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden ter vervanging van het Besluit luchtkwaliteit 2005. De nieuwe Wet luchtkwaliteit ziet op een actualisatie van de luchtkwaliteitseisen, zoals opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. In de ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) van 31 oktober 2007 worden enkele concrete projecten of activiteiten genoemd waarbij het voorgaande in ieder geval van toepassing is en waarvoor dus geen specifieke luchtkwaliteit toets hoeft te worden uitgevoerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van minder dan 100.000 m² of woningbouwprojecten van niet meer dan 1500 woningen. Het project zelf biedt geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het project het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. Voor projecten van geringe

Hoofdstuk 4

25

omvang geldt bovendien op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en op grond van het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) dat hiervoor geen afzonderlijke luchtkwaliteit toets nodig is. Dit is het geval als aannemelijk is dat een project een toename van de concentratie van fijnstof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Uit de landelijke monitoringstool blijkt (op basis van de dichtstbij gelegen rekenpunten, namelijk locatie Weerscheut, jaar 2020) dat de concentraties van de luchtrelevante stoffen NO2, PM10 en PM2,5 onder/rond de jaargemiddelde concentraties liggen van respectievelijk 16, 19 en 12 microgram/m3. De concentraties van deze stoffen liggen daarmee ver beneden de geldende grenswaarden van respectievelijk 40, 40 en 25 microgram/m3 jaargemiddeld. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied kan als goed worden benoemd. Conclusie Onderhavig plan voorziet in de splitsing van een bestaande woning in twee wooneenheden. Gezien de beperkte omvang hiervan draagt dit “niet in betekenende mate” bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een Luchtkwaliteit onderzoek is derhalve niet nodig. Het plan is niet in strijd met de Wet luchtkwaliteitseisen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Indien door middel van een plan of project nieuwe milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, zoals woningen, moet worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in en in de directe omgeving van de ontwikkelingslocatie niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen functies met een milieuzone en gevoelige functies is de VNG-publicatie als leidraad voor milieuzonering gebruikt1. In de VNG- publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

In de VNG-publicatie zijn voor het bepalen van de richtafstanden de volgende uitgangpunten gehanteerd:  het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;  de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kan worden uitgegaan van kortere afstanden (verlaging met één afstandsstap);

Hoofdstuk 4

26

 

de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.

De richtafstanden lopen op naar mate sprake is van een bedrijf in een hogere milieucategorie. Zoals bij de uitgangspunten voor de richtafstanden is gesteld, kan bij het type gemengd gebied de richtafstand zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd (dus van bijvoorbeeld 50 naar 30 meter voor milieucategorie 3.1). Verdere reducties zijn blijkens de toelichting in de VNG-publicatie niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht. Tabel Richtafstanden en omgevingstype (Bron: VNG, 2009)

De richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Onderstaande tabel maakt inzichtelijk wat de richtafstanden zijn voor de verschillende milieucategorieën, zowel voor ‘rustige woonwijken’ of ‘rustige buitengebieden’ als voor ‘gemengde gebieden’. Situatie ontwikkelingslocatie De VNG-brochure hanteert een tweetal omgevingstypen die gebaseerd zijn op de omgevingskwaliteit. Het eerste omgevingstype is een 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11870300/1