Ontwerp Ruimtelijke onderbouwing accommodatie watersport vereniging aan de De Groote Wielenplas
Tekst van het document
(Ontwerp) Ruimtelijke Onderbouwing Accommodatie Watersportvereniging De Groote Wielen NL.IMRO.0796.0002544-1301
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding.............................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding..................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging projectgebied.................................................................................................................... 4 1.3 Afwijking met bestemmingsplan.................................................................................................... 5 Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving.............................................................................................................. 6 2.1 Bestaande situatie......................................................................................................................... 6 2.2 Omschrijving project...................................................................................................................... 6 2.2.1 Programma van eisen............................................................................................................. 6 2.2.2 Stedenbouwkundige invulling.................................................................................................
7 Hoofdstuk 3 Bestaand beleid.................................................................................................................. 8 3.1 Rijksbeleid..................................................................................................................................... 8 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie...................................................................................................... 8 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking....................................................................................9 3.2 Provinciaal beleid.......................................................................................................................... 9 3.2.1 Omgevingsvisie Noord Brabant.............................................................................................. 9 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord Brabant....................................................................10 3.3 Gemeentelijk beleid..................................................................................................................... 12 3.3.1 Ruimtelijke StructuurVisie 's-Hertogenbosch........................................................................12 3.3.2 Nota parkeren.......................................................................................................................
13 3.3.3 Welstandsnota...................................................................................................................... 13 3.3.4 Duurzaamheidsbeleid........................................................................................................... 14 3.3.5 Nota Grondbeleid................................................................................................................. 15 Hoofdstuk 4 Ruimtelijke verantwoording............................................................................................... 15 4.1 Milieu........................................................................................................................................... 15 4.1.1 Inleiding................................................................................................................................ 15 4.1.2 Bedrijven en milieuzonering.................................................................................................. 15 4.1.3 Geluid................................................................................................................................... 16 4.1.5 Luchtkwaliteit........................................................................................................................
17 4.1.6 Externe veiligheid................................................................................................................. 19 4.1.7 Stikstof.................................................................................................................................. 21 4.2 Milieueffectrapportage................................................................................................................. 22
2
4.3 Water.......................................................................................................................................... 22 4.4 Groen.......................................................................................................................................... 24 4.5 Gezondheid................................................................................................................................. 24 4.6 Verkeer en parkeren................................................................................................................... 25 4.7 Duurzaamheid............................................................................................................................. 26 4.8 Flora en Fauna............................................................................................................................ 27 Hoofdstuk 5 Financiële uitvoerbaarheid................................................................................................ 28 Hoofdstuk 6 Maatschappelijke haalbaarheid........................................................................................28 6.1 Vooroverleg.................................................................................................................................
28 6.2 Omgevingsdialoog...................................................................................................................... 28 Hoofdstuk 6 Conclusie.......................................................................................................................... 29 Bijlage 1: Bodemonderzoek.................................................................................................................. 30 Bijlage 2: Parkeeronderzoek................................................................................................................. 31 Bijlage 3: Duurzaamheidsparagraaf...................................................................................................... 32 Bijlage 4: Eindverslag omgevingsdialoog............................................................................................. 33 Bijlage 5: Onderzoek weerkaatsing zonnepanelen...............................................................................34
3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Watersportvereniging De Groote Wielen biedt sinds 2011 georganiseerde watersport en leuke water evenementen in de wijk. De vereniging geeft zeil- en surfcursussen op de Groote Wielenplas waarbij zij gebruik maakt van eigen materiaal. Daarnaast kunnen leden van de Watersportvereniging op geplande dagen recreatief van haar materiaal gebruik maken. Tevens is er een jaarlijks barbecue en worden er zeilwedstrijden georganiseerd. Voorheen had de zeilvereniging haar tijdelijke vestigingslocatie net iets ten noorden van het projectgebied. Deze locatie is door de vergroting van de Groote Wielen Plas en de aanleg van de brug ter plaatse afgegraven. Het voornemen is nu om op het (schier)eiland in de Groote Wielen Plas, onder de brug Rosmalensedijk aan de Mosasingel / Cascadeweg / Aquasingel, een permanente accommodatie te realiseren.
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied ligt in de wijk De Groote Wielen ten noorden van Rosmalen. Het is gelegen aan de Mosasingel / Cascadeweg / Aquasingel ter hoogte van de Rosmalensedijk onder de fietsburg over de Groote Wielenplas.
Figuur 1: ligging projectgebied binnen de gemeente
4
1.3
Afwijking met bestemmingsplan
Het projectgebied ligt in het bestemmingsplan “De Groote Wielen” (IMRO-codering NL.IMRO.0796.0002048-1501) en heeft de bestemming “Water” en ”Verkeer” met “Functieaanduiding water”. De bestemming “Water” laat onder meer ligplaatsen voor boten en ondergeschikte sportvoorzieningen toe. Echter beide bestemmingen laten geen bebouwing in de vorm van sportaccommodatie toe.
Figuur 2: vigerende bestemmingen
Er is onderzocht of met een uitgebreide afwijkingsprocedure ex artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3° medewerking aan het voornemen kan worden verleend. Dit heeft geresulteerd in deze ruimtelijke onderbouwing dat ten grondslag ligt aan het besluit om van het bestemmingsplan af te wijken.
5
Hoofdstuk 2 2.1
Projectbeschrijving
Bestaande situatie
Ter plaatse van het projectgebied is in het water en onder de brug een (schier)eiland aangelegd. In het water zijn aanlegsteigers geplaatst. Aan de zuidoostzijde van het projectgebied ligt een ontsluiting richting de Aquasingel/Cascadeweg. Het voornemen is op dit (schier)eiland een clubhuis te bouwen.
figuur 3: foto projectgebied in vogelvlucht naar het noorden d.d. 23 april 2023
Figuur 4: situatie op 26 november 2022
2.2
Omschrijving project
2.2.1 Programma van eisen De watersportvereniging wil als bijeenkomst- en instructieruimte een clubaccommodatie van 81 m² op hun locatie alsmede buitenopslag voor boten realiseren. In deze ruimtelijke onderbouwing is de aanvaardbaarheid van de bouw van deze accommodatie en het gebruik van de locatie onderzocht.
6
2.2.2 Stedenbouwkundige invulling Voor een zo open mogelijk zicht op De Groote Wielenplas en de overzijde naar het centrum toe, is het wenselijk dat het gebouw zo laag mogelijk wordt uitgevoerd. Daarbij wordt uitgegaan van een gebouw met een plat dak van maximaal 1 laag (3,00- 3,30 meter hoogte), zeker gezien nu een vierkant gebouw betreft. Ten aanzien van de uitstraling van het gebouw wordt opgemerkt dat een houten gevelafwerking die aansluit bij de gevelafwerking van de opslagruimte een goed uitgangspunt is.
Figuur 5: inrichtingsschets voorgenomen zeilaccommodatie binnen het projectgebied
Figuur 6: Impressie gebouw, gevelaanzichten
7
Hoofdstuk 3 3.1
Bestaand beleid
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
8
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit plan relevante nationale belangen zijn:
Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; Realiseren van een goede omgevingskwaliteit; Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woningbehoeften.
Overweging De in de NOVI genoemde nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkeling, gezien de aard, de ligging en de beperkte schaalgrootte van de ontwikkeling, niet geschaad.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is de ladder voor duurzame verstedelijking daaraan toegevoegd (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van over programmering en de keuzes die daaruit volgen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht. De toelichting bij een bestemmingsplan (of een ruimtelijke motivering) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient volgens deze nieuwe versie van de ladder een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient een motivering te worden gegeven waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Overweging De totale accommodatie heeft een bruto oppervlakte dat kleiner is dan 500 m².
Derhalve wordt deze voorziening niet als stedelijke ontwikkeling ex artikel 1.1.1 eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro aangemerkt. Derhalve is artikel 3.1.6 lid 2 Bro niet van toepassing.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord Brabant De provinciale Staten van Noord Brabant hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze visie vervangt de provinciale structuurvisie. De provincie formuleert daarin haar ambities over de Brabantse leefomgeving in 2050. Daarbij heeft zij tussendoelen gesteld voor 2030, echter zij legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken.
9
In de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor een duurzame ontwikkeling van Noord Brabant. De provincie heeft daarbij 4 hoofdopgaven opgesteld: werken aan energietransitie; een klimaatproof Brabant; de slimme netwerkstad; concurrerende duurzame economie Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Overweging Het initiatief voorziet in het realiseren van een zeilaccommodatie aan de Groote Wielenplas binnen het bestaand stedelijk gebied. Daarmee voldoet het initiatief al aan de ambitie van duurzame verstedelijking en zorgvuldig ruimtegebruik. De voorziening bevordert sport en beweging waardoor het eveneens voorziet in de ambitie beweging te stimuleren. Het initiatief moet wel in lijn zijn met de basis opgaven waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan.
In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze aspecten en waarom de beoogde ontwikkeling anderzijds geen belemmeringen oplevert voor andere functies. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de omgevingsvisie geen belemmeringen vormt voor onderhavig planvoornemen. Nadere regels van de provincie NoordBrabant voor ruimtelijke projecten zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op deze Omgevingsverordening.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord Brabant Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Iov N-B) vastgesteld. Deze verordening is per 5 november 2019 in werking getreden. De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov N-B is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de Omgevingsvisie. In beginsel zijn de voorheen geldende regels met het beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Iov N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels
10
ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens is een aantal algemene basisprincipes opgenomen. In de Iov N-B zijn regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Het projectgebied ligt conform de themakaart ‘Instructieregels stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in de het werkgebied ‘Stedelijk gebied' en ‘Concentratiegebied’.
Figuur 7: : uitsnede themakaart “Instructieregels stedelijke ontwikkeling en erfgoed
Het provinciale beleid is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkelingen in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Ingevolge artikel 3.42 dient een ruimtelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorziening binnen het stedelijk gebied te liggen. De ruimtelijke onderbouwing voorziet in een motivering dat de ontwikkelingen past binnen de regionale afspraken als bedoeld in afdeling 5.4 Regionale samenwerken en dat het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
11
a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Overweging Het project ligt niet binnen één van de onderdelen van de Interim Omgevingsverordening. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied en betreft een beperkte toevoeging aan een al bestaand stedelijk gebied. Gezien de aard en de locatie van de ontwikkeling, zijn hiermee geen provinciale belangen aan de orde. Het project is in niet in strijd met de Interim Omgevings-verordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Ruimtelijke StructuurVisie 's-Hertogenbosch In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke Structuurvisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke Structuurvisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen.
Het ‘ruimtelijk motto’ van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur. De stadsuitbreidingen kunnen worden beschouwd als stedelijke 'vleugels' die zijn aangehaakt aan de binnenstad. De restanten van de bedijking van de Beerse Overlaat in het natuurgebied de Heinis vormen een vanzelfsprekende natuurlijke scheiding tussen de noordelijke Maasvleugel en de oostelijke stadsuitbreidingen. Meer ruimtelijke samenhang binnen de vleugels is verkregen door de barrières van zware infrastructuur (vooral spoor- en snelwegen) strategisch te plaatsen.
12
Het projectgebied ligt in de Rosmalense vleugel. Deze vleugel verbindt de stad met Rosmalen en de uitbreidingslocatie De Groote Wielen. Rosmalen is van de stad gescheiden door het kanaalpark langs de omgelegde Zuid-Willemsvaart en een nieuwe beek, de Rosmalense Aa. Deze vleugel wordt in oostelijke richting bescheiden uitgebreid met een nieuwe woonbuurt: De Bunders, voorheen aangeduid als De Blokken. Rosmalen en de stad zijn nu goed met elkaar verknoopt door diverse autoen fietsverbindingen zoals een snelfietsroute langs het spoor. Daarnaast zijn Rosmalen en het centraal station verbonden door een Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) as. De nieuwe Oostelijke Landweg biedt een nieuwe ontsluiting aan de oostkant van Rosmalen en is voorwaarde voor een verluwing van de Kom Rosmalen. De belangrijke stedelijke verbindingsassen tussen het stadscentrum en de prachtig verbeterde kom van Rosmalen loopt via de Graafsebaan en de Bruistensingel. Ook vanuit dit dorpscentrum lopen goede langzame verkeersroutes naar het buitengebied: Gewande aan de Maas, Autotron en Hooge Heide. Autotron is (door)ontwikkeld tot een interessant evenemententerrein. Overweging De Groote Wielen Plas wordt in de structuurvisie aangemerkt als één van de belangrijkste recreatieplassen van de gemeente.
De Groote Wielenplas is voor de inwoners van de Groote Wielen een belangrijke plek om te sporten, recreëren en ontmoeten. Zowel op als naast de plas zijn hier verschillende mogelijkheden voor. Watersportvereniging Groote Wielen maakt al jaren gebruik van deze plas. Zij bieden inwoners van de Groote Wielen de mogelijkheid om te zeilen en te surfen op deze plas. Er worden zeil- en surfcursussen voor kinderen en volwassenen onder professionele begeleiding georganiseerd. Hierdoor is de watersportvereniging één van de sociaal verbindende factoren in de wijk. De realisatie van een clubgebouw biedt de vereniging meer mogelijkheden om verenigingsactiviteiten te organiseren, leden nog meer te binden aan de vereniging en meer inwoners in contact te laten komen met de activiteiten. Daarnaast kan het clubgebouw in de toekomst mogelijk ook ingezet worden voor andere watersport gerelateerde activiteiten op en rond de Groote Wielenplas. U kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan openwater zwemmen en duiken. Het initiatief bevordert daarmee het recreatieve gebruik van de plas en past daarmee in het gemeentelijk ruimtelijk beleid.
3.3.2 Nota parkeren Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de nota 'Parkeernormering 2021'. De nota geeft aan hoeveel parkeerplaatsen per functie en per stadsdeel gerealiseerd dienen te worden bij nieuwbouw, verbouw of een functiewijziging. Daarnaast worden er ook kwaliteitseisen gesteld aan de parkeervoorziening. Het parkeernormenbeleid behelst zowel het autoparkeren als fietsparkeren. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op dit aspect.
3.3.3 Welstandsnota Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen. Op 19 december 2023 heeft de welstandscommissie op het informeel bouwplan een positieve reactie over het bouwplan afgegeven. In de reactie wordt verzocht nog aan enkele kleine
13
details aandacht te besteden. Bij de behandeling welstandscommissie een definitief advies afgeven.
van
het
formeel
bouwplan
zal
de
3.3.4 Duurzaamheidsbeleid Op respectievelijk 31 januari 2017 en 3 april 2017 heeft de gemeenteraad het energietransitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020 en de Woonagenda 2017-2018 vastgesteld. Hier zijn ambities gesteld ten aanzien van duurzaamheid. De gemeente heeft de ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Ook is in 2019 de duurzaamheidsvisie “samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch" vast gesteld. Een initiatiefnemer dient bij een plan of project aan te geven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de duurzaamheidsambities van de gemeente. Iedere ruimtelijke onderbouwing bevat derhalve een ‘duurzaamheidsparagraaf’, waarin per thema maatregelen worden beschreven. In de toelichting wordt hierop verder ingegaan. Duurzaamheidsmaatregelingen zijn bijvoorbeeld gebruik van duurzame bronnen van energie, het opwekken van energie, optimale isolatie, vergroening en het bevorderen van schoon vervoer. In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op dit aspect.
14
3.3.5 Nota Grondbeleid In de Nota Grondbeleid 2005 (februari 2005) stelt de Raad primair de kaders vast voor het door het college te voeren grondbeleid. Grondbeleid wordt door de gemeente 's-Hertogenbosch gezien als het beleid dat, ten behoeve van de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van ruimtelijke ordening, streeft naar het creëren van ruimte voor wonen, werken, winkelen en recreëren in zowel uitleggebieden als bestaand stedelijk gebied, door het oppakken of ondersteunen van concrete ontwikkelinitiatieven. In de Nota Grondbeleid zijn vastgelegd: de kaders voor actief en passief grondbeleid, het prijsbeleid, de financiële grondslagen, het risicomanagement en de mate waarin voorzieningen worden opgenomen in de grondexploitatie. In Hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op dit aspect.
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu
4.1.1
Inleiding
Ruimtelijke verantwoording
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden. 4.1.2
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren. Richtlijn Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de
15
perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNGrichtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter). Onderhavige functie van een ‘watersportvereniging’ wordt als activiteit niet expliciet genoemd in de VNG-uitgave. Voor wat betreft de hinderafstand horende bij de beoogde activiteit kan deze het beste te worden vergeleken met een ‘clubhuis’ van een vereniging, hier watersportvereniging. De hindercategorie hiervan betreft 2, met een indicatieve hinderafstand (voor het maatgevende aspect geluid) van 30 meter. De meest nabije woning bevindt op 52 meter van deze watersportvereniging. Aan de indicatieve hinderafstand van 30 meter kan ruimschoots worden voldaan. Onacceptabele hinder vanwege geluiden is derhalve niet aannemelijk.
Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’, alsook het aspect geluid zal geen belemmering geven voor de beoogde functie. 4.1.3
Geluid
Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. De beoogde functie van een ‘watersportvereniging’ met clubhuis is geen ‘gevoelig object’ vanuit de Wet geluidhinder. Dit object behoeft daarom geen bescherming tegen onacceptabele geluiden. Wel zal de beoogde functie van een ‘watersportvereniging’ met clubhuis een bepaalde mate van geluiduitstraling hebben. Gezien het type activiteiten horende bij deze functie, de periode waarin deze activiteiten plaatsvinden (voornamelijk in de dagperiode) en de afstand tot de meest nabije woningen, namelijk circa 52 meter, is onacceptabele hinder als gevolg van geluid niet aannemelijk.
Daarbij valt een watersportvereniging met een clubhuis voor het onderdeel ‘geluidshinder’ van rechtswege onder de bepalingen van het ‘Activiteitenbesluit Wet milieubeheer’. Dit betekent dat de vereniging voor haar representatieve bedrijfsvoering verplicht is te voldoen aan de geldende geluidsvoorschriften uit dit Activiteitenbesluit.
16
Voor wat betreft de activiteiten valt hierbij te denken aan de gangbare activiteiten in en rond het clubhuis (kleinschalige horeca voor de leden, voorzieningen als kleed- en wasruimte en dergelijke), geluid door aanwezige installaties en toestellen en diverse activiteiten op het perceel van de watersportvereniging. Voor alle deze activiteiten tezamen gelden (van rechtswege) geluidsvoorschriften op de nabije woningen om eventuele hinder te voorkomen. Deze geluidsvoorschriften zijn in de avond strenger dan overdag en in de nacht strenger dan in de avond. Er gelden zowel normen voor het langtijdgemiddeld geluidsniveau als voor piekgeluiden. Aangezien kan worden voldaan aan de indicatieve hinderafstand uit de VNG-Handreiking, wordt onacceptabele hinder als gevolg van de watersportvereniging in een representatieve bedrijfsvoering niet verwacht. Het aspect geluid zal hier geen belemmering opleveren. 4.1.4 Bodem Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.
Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Onderzoek In 2023 is de locatie voor het aspect bodem onderzocht (Verhoeven milieutechniek, ‘diverse bodemonderzoeken Cascadeweg ong. perceel 15157, 21 september 2023, bijlage 1). Uit de totale beoordeling blijkt dat de bodemsituatie past bij het toekomstige gebruik. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen tegen de voorgenomen herontwikkeling. 4.1.5
Luchtkwaliteit
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM 10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijk plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.
17
Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 μg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Het omslagpunt waarbij een project kan bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ligt bij circa 1500 motorvoertuigen per etmaal (met een deel aan vrachtwagens). Vanwege onderhavig plan zal nimmer deze verkeersgeneratie optreden. Het plan draagt daarom Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Een onderzoek is niet nodig. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.
Figuur: Uitdraai NIBM-tool met omslagpunt (2024)
Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van ‘goede ruimtelijke ordening’ de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke ‘Atlas voor de leefomgeving’ blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied, op onderhavige locatie (beschikbaar jaar 2021) op respectievelijk 14 en 18 µg/m3 liggen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof, beschikbaar jaar 2021) hier beneden 11 microgram/m3. Hiermee wordt eveneens ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan.
18
4.1.6
Externe veiligheid
Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico’s – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10−6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het
19
uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit) Beleidsvisie externe veiligheid gemeente ‘s-Hertogenbosch De gemeente ‘s-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente ’s-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. Het plan: De beoogde functie van een watersportvereniging met clubgebouw wordt beschouwd als een ‘beperkt kwetsbaar object’. Het is immers een object waarbij in de regel geen grote aantallen personen aanwezig zijn, in ieder geval niet dagelijks en niet gedurende een groot gedeelte van de dag.
Onderstaande figuur betreft een afbeelding uit de risicokaart. Hier is te zien dat de planlocatie/object zich op ruimte afstand bevindt van diverse omliggende risicobronnen; 3 transportroutes van gevaarlijke stoffen, namelijk het spoor, de A2 en een ondergrondse hoge druk aardgasleiding. Deze risicobronnen bevinden zich allen op meer dan 2 kilometer afstand van de projectlocatie. Andere risicobronnen betreffen statische bronnen - voornamelijk (bovengrondse) opslagtanks – en bevinden zich eveneens op een ruimte afstand van de locatie, namelijk ten minste 1000 meter. Gezien de risicokaart bevindt de projectlocatie zich daarom ruim buiten alle PR-contouren van risicobronnen alsook buiten de invloedsgebieden relevant voor het GR. Het aspect externe veiligheid is daarmee niet relevant te noemen. Een specifiek onderzoek is derhalve niet aan de orde en niet uitgevoerd. Ten aanzien van het gemeentelijk ‘uitvoeringskader’ bevindt de locatie zich binnen het ‘groene’ gebied. Hier is vestiging van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in principe toelaatbaar.
In overleg met de regionale brandweer (Veiligheidsregio) is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van een risicobron geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld en dat het in het kader van de verantwoording van het groepsrisico niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer. Dit is hier het geval, zodat geen advies is gevraagd en betrokken bij dit plan.
20
Figuur: knip uit risicokaart (november 2023)
Figuur: knip uit Uitvoeringskader (vestiging b.kwetsbare objecten)
Conclusie Gelet op het gegeven dat risicobronnen niet nabij liggen maar op grote afstand, is de externe veiligheid voldoende gewaarborgd, dan wel voor dit plan niet relevant te noemen. De externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.1.7
Stikstof
Met de bouw en het gebruik van onderhavig plan wordt – vanwege de inzet van werkmaterieel en motorvoertuigen – stikstof geproduceerd. De geproduceerde stikstof kan leiden tot een stikstofdepositie op nabije Natura 2000 gebieden. Om relatief kleine (bouw)projecten binnen gemeente ’s-Hertogenbosch te beoordelen op de optredende impact van stikstof, heeft gemeente een stikstofonderzoek laten uitvoeren. In dit onderzoek is bepaald op welke posities kleine bouwprojecten (de bouw en het gebruik van 1, 5 en 10 woningen) géén berekende depositie meer geven op nabije Natura-2000 gebieden. Onderhavig plan van (de bouw en het gebruik van) een clubhuis zal – voor wat betreft de stikstofproductie – niet meer bedragen dan bij de bouw van (de onderzochte) 10 nieuwbouwwoningen inclusief het gebruik daarvan (100 vervoersbewegingen per etmaal). Het onderzoek laat zien dat onderhavig plan op deze locatie geen significatie bijdrage aan stikstofdepositie zal opleveren op Natura2000 gebieden. Het aspect stikstof geeft geen belemmering voor onderhavig plan.
21
4.2
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. De aanleg van recreatieve voorzieningen zijn geen aangewezen activiteiten (meer) in het Besluit mer. In het verleden waren dergelijke activiteiten nog mer-plichting bij meer dan 500.000 bezoekers of bij terreinen groter dan 50 hectare (of 20 hectare bij een gevoelig gebied). Los van het gegeven dan beoogde activiteiten beduidend lager zijn dan genoemde (oude) drempels, zijn ze niet meer opgenomen in het Besluit mer. Op grond hiervan is derhalve geen m.e.r. toets nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.
ad b. Het plangebied ligt in het stedelijk gebied De Groote Wielen op circa 6,5 km van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten &Bossche Broek. Onderzocht is of de beoogde activiteiten (de bouw en het gebruik van het clubgebouw) een significant negatief effect hebben op het genoemde Natura 2000gebied (of andere gebieden). Uit het onderzoek kunnen we concluderen dat onderhavig plan geen significant negatief effect op Natura 2000 gebieden heeft vanwege stikstof. Er is dus geen passende beoordeling of vergunning benodigd ingevolge de Wet natuurbescherming. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.
4.3
Water
Watertoets algemeen Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de Startovereenkomst Waterbeheer op 14 februari 2001 door Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, werd de watertoets van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (bro). De watertoets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwaliteits- als waterkwantiteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd.
22
In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in ’s-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de Visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Voorkom vervuiling van (regen)water; - Houd vuil water en schoon hemelwater gescheiden; - Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. Infiltratie 3. Bovengronds bergen 4. Ondergronds bergen 5. Vertraagde afvoer - Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties; - Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen; - Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein; - Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.
Waterparagraaf Riolering Op deze locatie is een klein pompgemaal wat via een persleiding zit aangesloten op de gemeentelijke vuilwaterriolering. Het vuilwater van het clubhuis kan hierop worden aangesloten. Hemelwater Conform de Verordening Bomen, Water en Groen moet minimaal 10mm maal het verharde oppervlak geborgen worden op eigen terrein. Het clubhuis krijgt een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 25mm. Dat betekent dat het clubhuis niet wordt gezien als verhard oppervlak en niet meetelt in de bergingsopgave. Er worden twee verhardingen aangelegd om boten op te leggen. Beide oppervlakten zijn 34m2. De bergingsopgave voor dit plangebied is dus 2 x 34m2 = 68m2 x 0,01 = 0,68kuub. Gezien de ligging van het terrein kan de afwatering van de twee verharde oppervlakten naar het gazon worden geleid. Om vervolgens vertraagd richting de plas te gaan. Waterkwaliteit Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en kopen) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. Het gebruik van materialen en middelen voor onderhoud van het gebouw, de steiger en de boten vormt een aandachtspunt voor de waterkwaliteit.
23
Grondwater Op basis van gegevens uit het DINO-loket kan worden gehaald dat er een GHG 50-60cm +NAP is in het projectgebied. Oppervlaktewater De projectlocatie grenst aan de Groote Wielenplas. De Groote Wielenplas is in het beheer van de gemeente en hiervoor dient dus geen afstemming met het waterschap Aa en Maas plaats te vinden. Het aspect water is voldoende meegenomen in het plan en vormt geen belemmering.
4.4
Groen
Om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving heeft de gemeente ’sHertogenbosch (sinds 2021) een groennorm vastgesteld. Deze groennorm is opgenomen in de ‘Verordening bomen, water en groen 2021’. Met de groenscore wordt getoetst of er voldoende groene elementen in het plan worden meegenomen. De uitwerking van deze groenscore (als toets op de norm) is zowel kwantitatief in hoeveelheid groen (m2), als kwalitatief in de mate van biodiversiteit. Per gebied in de gemeente is een ondergrens van het percentage groen aangegeven. De ondergrens voor de groennorm is 500 m2 aan verharding. De grootte van de verharde ontwikkeling is circa 150 m2. Dit is beduidend minder dan de ondergrens, waardoor de groennorm hier niet van toepassing is. Binnen het plan vindt echter wel vergroening plaats als klimaatadaptieve maatregel. Zo zal het clubgebouw worden voorzien van een groendak over het gehele dakoppervlak. Buiten de 2 verharde opstelplaatsen en het clubgebouw, wordt deze onverharde delen voorzien van gras. Overige klimaatadaptieve zaken staan beschreven in de paragraaf ‘duurzaamheid’.
4.5
Gezondheid
De leefomgeving waarin we wonen, werken en leven heeft invloed op onze gezondheid. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn, en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is. Het gaat dus om gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering. De gemeente hecht belang aan zo'n gezonde leefomgeving. Gezondheid staat in ’s-Hertogenbosch sinds het Bestuursakkoord van 2018 nadrukkelijk op de agenda. De leefomgeving waarin mensen wonen, werken en leven heeft invloed op hun gezondheid. Uit onderzoek van het Rivm blijkt dat in Nederland gemiddeld bijna 6 procent van de ziektelast toe te schrijven is aan milieufactoren (‘Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014’). Hiermee is milieu - na roken - een van de belangrijke determinanten die bijdragen aan de ziektelast. Het primaire uitgangspunt is – vanzelfsprekend - dat de omgeving; de lucht, het water en de bodem schoon moeten zijn. Dat is van vitaal belang voor de gezondheid en veiligheid onze inwoners. Een ‘gezonde leefomgeving’ is echter een bijzonder ruim begrip en kent daardoor vele facetten, het heeft ook betrekking op onder meer de kwaliteit van woningen, geluid, groen, ruimte, geur en duurzaamheid. Op vele aspecten zijn door de gemeente ambities gesteld en worden plannen uitgevoerd.
Zo heeft de gemeente de ambitie uitgesproken om in 2030 te voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van de Wereldgezondheidsorganisatie zoals in 2005 zijn geformuleerd. Weliswaar
24
wordt vrijwel overal in Nederland aan de normen voor fijn stof en stikstofdioxide voldaan, maar het grootste deel van de ziektelast door deze stoffen is toe te schrijven aan blootstelling aan concentraties die onder de huidige normen liggen. Via het ondertekenen van het ‘Schone Lucht Akkoord’ worden maatregelen ondernomen om de luchtvervuiling in onze gemeente te doen laten verminderen tot ruim onder de daarvoor geldende normen. DE kwaliteit van lucht is goed te noemen. De optredende concentraties liggen op de helft van de geldende grenswaarden en sluiten daarmee aan de advieswaarde van de WHO uit 2005. Ook worden binnen de gemeente diverse klimaatadaptieve maatregelen ingezet om de gevolgen van klimaatverandering (zoals hittestress en wateroverlast) beter op te vangen en een meer groene en blauwe inrichting van de stad te realiseren. In het kader van ‘vergroening’ geldt (bij ontwikkelingen) een bepaalde groennorm en ook gaat de gemeente het aantal te planten bomen verdubbelen. Ondanks dat – vanwege de geringe omvang van het plan de groennorm hier niet van toepassing is – worden wel groene maatregelen getroffen, zoals een groendak op het clubgebouw en een groene inrichting (gras) buiten de verharde oppervlakken. Verder onderneemt de gemeente diverse acties om in stappen een gezonde levensstijl te ontwikkelen met verhoging van de levensverwachting.
Ongezond gedrag is namelijk verantwoordelijk voor bijna 20 procent van de ziektelast. Roken is hiervan de belangrijkste oorzaak. Een ongezond binnen- en buitenmilieu veroorzaakt 4 procent van de ziektelast, met luchtverontreiniging als de belangrijkste oorzaak. Ten aanzien van het roken werkt de gemeente hard aan een rookvrije generatie. Het realiseren van rookvrije schoolpleinen en sportverenigingen zijn voorbeelden van concrete acties daarin. Het hele scala aan acties en maatregelen zal bijdragen aan een fysiek gezonde(re) leefomgeving. Voorliggend plan heeft op vele vlakken een positieve uitwerking op de gezondheid van de bewoners. Zoals gezegd is de luchtkwaliteit op deze locatie er goed te noemen. Verder stimuleert het plan van de watersportvereniging ontmoeting tussen personen en draagt zo bij aan de sociale cohesie en het welbevinden van burgers, dan wel leden. Het plan zelf – een sportvereniging – draagt vanwege ‘bewegen’ in het geheel bij aan de fysieke gezondheid van mensen. Onderhavig plan draagt voldoende bij aan het aspect ‘gezondheid’.
4.6
Verkeer en parkeren
Parkeren De watersportvereniging organiseert diverse activiteiten en haar clubgebouw is daar ondersteunend aan. Dit betekent ook dat dat deze voorziening verkeer genereert en leidt tot een parkeervraag in de omgeving. Alhoewel de watersportvereniging in de huidige situatie reeds activiteiten organiseert – en daarmee een deel van dit verkeer al aanwezig – is volledigheidshalve gekeken of de volledige voorziening met de bouw van het clubgebouw, passend is binnen de omgeving. Om de parkeervraag te bepalen is de Nota parkeernormering 2021 aan de orde, zoals vermeld onder paragraaf 3.3. Het object is gelegen binnen zone 4a. Het clubgebouw kent een omvang van circa 82 m2 bvo en zal sanitaire voorzieningen bieden voor de leden, ruimte te faciliteren om les te geven en een thuiskomst te hebben om als vereniging bij elkaar te komen. Het naastgelegen terrein wordt reeds gebruikt voor watersportactiviteiten. De watersportvereniging heeft voor het merendeel alleen in het weekend activiteiten, meestal op zondag. Het aantal leden dat dan op zo'n weekenddag komt, is naar schatting
25
van de vereniging 6 tot 20 personen. Omdat deze voorziening een wijkgebonden karakter heeft, is aantal autoverplaatsingen van die groep relatief laag. Voor de bouw van het clubgebouw, of een watersportvereniging, bestaat geen parkeernorm. De meest geëigende norm dat neigt naar hetzelfde functioneren, is een fitnesscentrum met 5,7 pp per 100m2 bvo. De theoretische parkeervraag bedraagt dan 5 parkeerplaatsen voor de auto. Normatief bedraagt de fietsparkeervraag van het clubgebouw 4. Hieraan moet worden toegevoegd dat de huidige parkeervraag in de praktijk door het clubgebouw niet per se hoeft te groeien, want de leden zijn immers al aanwezig vanwege de bestaande watersportactiviteiten. Mogelijk dat er incidenteel sprake kan zijn van een extra parkeervraag, bijvoorbeeld in geval van lesgeven. De Nota parkeernormen 2021 gaat uit van parkeren op eigen terrein. Als aantoonbaar kan worden gemaakt dat er geen ruimte is om het parkeren op eigen terrein op een redelijke en billijke wijze op te lossen, kan de parkeervraag voor de auto voorwaardelijk worden opgevangen in de openbare ruimte. Bij deze locatie is sprake van zo'n situatie. De parkeervraag voor de auto kan niet worden voorzien op eigen terrein. Voor wat het fietsparkeren, dat wordt voorzien op eigen terrein.