CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

ODBN Kadernota 2026

Gemeenteraad 25 februari 2025, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Reactie op de Kadernota 2026 ODBN15.112 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Vanwege de implicaties daarvan zijn mogelijk extra juridische procedures te verwachten. Het streven van de ODBN blijft om een goed evenwicht te vinden tussen het bereiken van de doelstellingen voor de Natura 2000-gebieden enerzijds en het mogelijk maken van gewenste ontwikkelingen in de leefomgeving anderzijds.

3.2.2 Soortenbescherming en houtopstanden Er is sprake van een spanningsveld tussen de energietransitie enerzijds en natuurbeschermingsdoelen anderzijds. Dit zien we duidelijk terug bij de soortenbescherming. Gemeenten hebben een grote opgave in de verduurzaming van woningen. Onderdeel daarvan bijvoorbeeld is het aanbrengen van isolatiemateriaal, bijvoorbeeld in de spouwruimte van woningen. Deze spouw is echter een geliefde verblijfplaats van vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen, die worden beschermd in de natuurwetgeving. Daarom is een ecologisch onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten verplicht, alvorens tot isolatie en verduurzaming van de woning overgegaan kan worden. Het ecologisch onderzoek kan per project (of in geval van een particuliere woning, per woning) worden uitgevoerd, maar de Provincie Noord-Brabant stimuleert gemeenten om dit in één keer voor de gehele gemeente te doen middels een Soortenmanagementplan (SMP) met daarin maatregelen op gebiedsniveau. Het Rijk stelt hier via de provincie ook subsidie voor beschikbaar als tegemoetkoming in de kosten. De komende periode onderzoeken we welke rol de ODBN hier mogelijk in kan spelen als adviseur of kennishouder.

Daarnaast proberen we mogelijke bedreigingen van soorten vroegtijdig te signaleren, bijvoorbeeld door aan de voorkant aan te haken op de stoppersregeling, zodat we kunnen vaststellen waar mogelijk (ver)bouwactiviteiten kunnen gaan plaatsvinden. Binnen houtopstanden verwachten we de komende tijd een kwaliteitsimpuls aan het toezicht te geven, bijvoorbeeld door de inzet van drones.

Effecten 2026 en verder  N aast de aanhoudende stikstofproblematiek verwachten we dat waterkwaliteit een steeds belangrijkere rol gaat spelen.  W e spelen een belangrijke signaalfunctie door aan te schuiven bij de provincie en op landelijk niveau.  W e zetten in op het intrekken van vergunningen om latente ruimte te voorkomen.  W e verwachten dat deelnemers en andere Brabantse gemeenten een groter beroep op ons doen bij het opstellen van een soortenmanagementplan en bereiden ons daarop voor.  W e verwachten dat ook ons toezicht in het kader van natuurbescherming kan profiteren van innovaties binnen toezicht.

Kadernota 2026

43

44

Daar komt bij dat we de afgelopen jaren de inzet van de specialisten al hebben zien toenemen. Een andere, grotere rol bij de totstandkoming van de omgevingsplannen – de specialisten van de ODBN als uitvoeringsgerichte milieuadviseurs - vraagt dus om een uitbreiding van de capaciteit. 3.3.1 Ruimtelijke Ontwikkeling Onze RO-specialisten beoordelen ruimtelijke plannen op zes van de twaalf milieuaspecten, bij wijze van verzoektaak. Onder de Omgevingswet zien we een groeiend belang van integraliteit in onze taakuitvoering. Het is belangrijk dat de verschillende disciplines binnen de organisatie elkaar goed en tijdig weten te vinden. En ook extern speelt het belang van een deugdelijke integrale aanpak, bijvoorbeeld aan de Omgevingstafels. RO sluit onder de Omgevingswet ook aan op de omgevingstafels – al behoeft de rol van de ODBN aan deze omgevingstafels nog wel enige aandacht – en wordt gevraagd een bijdrage te leveren aan de zogenoemde ‘QuickScan milieu’, waarmee gemeenten in staat gesteld worden om snel en efficiënt inzicht te krijgen in de samenhang tussen gezondheid en leefomgeving in een bepaald gebied. De komende tijd moet verder duidelijk worden hoe de bijdrage van de ODBN aan deze tafels eruit moet zien.

3.3 Specialistische Dienstverlening De ODBN voert voor haar deelnemers ook specialistische milieu(advies)taken uit. Daaronder vallen taken op het gebied van ruimtelijke ordening, geluid, externe veiligheid en lucht/geur. Onze specialisten zijn voor onze vergunningverleners en toezichthouders het aanspreekpunt voor inhoudelijke adviezen met betrekking tot deze disciplines. Naast de specialistische adviestaken onderscheiden we binnen de ODBN ook de specialistische VTH-taken, voor asbest, bodem en energie. Het is van belang om de specialismes in samenhang te bezien. Bij het slopen van een woning kan asbest vrijkomen, wat ook weer in de bodem terecht kan komen. Onder 3.3.1 Externe Veiligheid hebben we ook al aangegeven dat aan de toepassing van nieuwe energiebronnen ook een geluidscomponent of een externe veiligheidscomponent kan zitten. Als ODBN proberen we deze integrale samenhang zoveel mogelijk te bewaken. De specialisten staan centraal in de lopende gesprekken over de adviesrol van de ODBN. De omgevingsplannen moeten uiterlijk in 2031 vastgesteld zijn. Enige uniformiteit in de omgevingsplannen is van groot belang voor de uitvoerbaarheid van de VTH-taken, maar op het moment van schrijven moeten nog afspraken worden uitgewerkt over de precieze adviesrol en bijdrage van de ODBN bij de omgevingsplannen.

Incidenteel adviseren we op de omgevingsplannen door deze toetsen op de uitvoerbaarheid van de VTH-taken, mits deze adviesvragen passen binnen de bestaande werkvoorraad. Een grotere adviesrol van de specialisten ten aanzien van de omgevingsplannen doet een extra beroep doen op de huidige capaciteit.

Effecten 2026 en verder  W e verwachten richting 2026 meer zicht te krijgen op de rol van de ODBN ten aanzien van de omgevingsplannen. We zetten in op uniformiteit waar mogelijk en zeker indien noodzakelijk voor de uitvoerbaarheid van onze taken.  We gaan verder met het verkennen van de rol van de ODBN aan de omgevingstafels.

3.3.2 Externe Veiligheid (Omgevingsveiligheid) Externe Veiligheid (EV, onder de Omgevingswet: omgevingsveiligheid) gaat over risico’s voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn bijvoorbeeld vuurwerk, LPG of munitie. Het vervoer van die stoffen kan over weg, water, spoor of door buisleidingen gaan. Onder de milieu(advies)taken van de specialisten EV valt de advisering richting VTH, advisering op ruimtelijke plannen en werkzaamheden rondom de REV-registratieverplichting (Register Externe Veiligheid) van risicovolle milieubelastende activiteiten. In het REV zijn risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd, zoals de bedrijven die brandbare, explosieve of giftige stoffen verwerken en/of opslaan. Rondom die (combinatie van) bedrijven (of: MBA’s) ligt een (ruimtelijke) contour met regels over wat er wel en niet binnen die contour gebouwd mag worden. Bij nieuwe registraties geeft het register inzicht in de wijziging van deze contouren; deze gewijzigde contouren hebben veel effect op omgevingsplannen. Het is van groot belang dat externe veiligheid aan de voorkant wordt betrokken bij de totstandkoming van de omgevingsplannen. Dit zodat aanpassingen als gevolg van de gewijzigde veiligheidscontouren tijdig meegenomen kunnen worden.

Kadernota 2026

45

46

47

Met de komst van de Omgevingswet zijn er extra risicovolle activiteiten aan het REV toegevoegd, zullen er meer meldingen binnenkomen, waardoor er meer capaciteit nodig is om deze in het REV te verwerken. Ook de energietransitie blijft voor Externe Veiligheid aandacht vragen in 2026. Er zijn diverse initiatieven in onze regio met een externe veiligheidscomponent. De advisering hierop vergt meer tijd omdat het nieuwe technieken betreft, waar we nog niet alles van weten. Voorbeeld daarvan is de opkomst van zijn de nieuwe Energie Opslag Systemen (EOS), als antwoord op de netcongestie. Dergelijke systemen kunnen veel energie opslaan, maar zijn niet zonder risico. Maar te denken valt ook aan allerlei toepassingen ten aanzien van waterstof als duurzame brandstof en mestvergistingsinstallaties. We volgen de landelijke ontwikkelingen met betrekking tot deze technieken op de voet, zodat we daar zo snel mogelijk over kunnen adviseren.

Effecten 2026 en verder  W e verwachten meer meldingen van risicovolle activiteiten die in het REV verwerkt moeten worden, met de nodige gevolgen voor de benodigde capaciteit.  W e volgende landelijke ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe technieken met gevolgen voor onze taakuitvoering ten aanzien van externe veiligheid.

3.3.3 Lucht/Geur De luchtkwaliteit vraagt de komende jaren de nodige aandacht in Nederland. We verwachten de komende jaren een beleidsintensivering met betrekking tot lucht, om de klimaatdoelen te kunnen behalen. In onze regio hebben we daarnaast te maken met het Schone Lucht Akkoord (SLA). Als onderdeel van de eerder aangehaalde juridisering van de leefomgeving zien we dat er steeds kritischer gekeken wordt naar de rol van de overheid. In ons werkgebied wordt lokaal niet altijd voldaan aan de WHO-advieswaarden voor luchtkwaliteit. Hoewel er nog aan de landelijke normen voldaan wordt, is bekend dat die ook grofweg gehalveerd gaan worden. Daardoor zal het minder vanzelfsprekend worden dat voldaan kan worden bij nieuwe plannen en projecten. De omgevingswaarden en diens grenswaarden zijn nimmer bedoeld om op te handhaven, maar in toenemende mate wordt dat wel verwacht of gevraagd. De relatie tussen omgevingswaarden en de veroorzaker is moeilijk te leggen, omdat een groot deel van de vervuiling onderdeel vormt van een deken die deels zelfs uit het buitenland komt. De komende jaren zetten we in op metingen bij de meest risicovolle bedrijven en onderzoeken we hoe we beter inzicht krijgen in de feitelijke uitstoot door bedrijven. Ook onderzoeken we de mogelijkheden van alternatieve stoffen en versterken we de samenwerking met de GGD rond de gezonde luchtnormen.

Binnen ons werkgebied is ook de geurbelasting relatief hoog. Daarbij zien we – in tegenstelling tot de algemene ontwikkeling van de milieuklachten – dat het aantal klachten over geur blijft toenemen. Jurisprudentie dwingt tot strengere geurnormering, maar tegelijkertijd is het ook hier ingewikkeld om te handhaven omdat de bron van geuroverlast vaak moeilijk vast te stellen is. Wel hopen dat er in de toekomst meer mogelijk is met nieuwe technieken als ‘e-nose’, waarmee op basis van algoritmes meer mogelijk is op het gebied van geur. Ook adviseren we komende jaren over helder en werkbare normeringen rond geur in omgevingsplannen en zetten we in op het faciliteren van contacten tussen klagers en bedrijven om geuroverlast zoveel mogelijk in te perken

Effecten 2026 en verder  W e onderzoeken hoe we grip krijgen op de feitelijke uitstoot van stoffen door bedrijven.  I n de toekomst is naar verwachting ook op het gebied van geur meer mogelijk door innovaties als ‘e-nose’.

Kadernota 2026

48

3.3.5 Bodem Voor bouwen en verbouwen is veelal een vergunning en bodemonderzoek nodig. Onder de Omgevingswet zijn een aantal bodemtaken van provincie verschoven naar gemeenten. Onder het takenpakket bodem valt het beoordelen van meldingen bodemkwaliteit, mobiel breken, gesloten bodemenergiesystemen en het beoordelen van meldingen voor toepassing van immobilisaten. Als er ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, hoort het bij het taakgebied van de omgevingsdienst om zicht te houden op wat er met die grondstromen gebeurt, om te zorgen dat de grondstromen op de juiste wijze en naar de juiste plaats worden afgevoerd. We verwachten meer capaciteit nodig te hebben voor bodem, door een toestroom aan bodemgerelateerde vragen vanuit onze gemeentelijke opdrachtgevers. Deze toename in het aantal vragen is deels een gevolg van de eerdergenoemde verschuiving van te taken en het feit dat de gemeenten zelf slechts beperkt bodemspecialisten in huis hebben.

3.3.4 Geluid Geluid heeft grote invloed op de kwaliteit van de leefomgeving en speelt dan ook bijna altijd een rol bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Zo zien we dat er steeds meer vragen zijn bij deelnemers over geluid, bijvoorbeeld omdat nieuwe energiesystemen nieuwe geluidsbronnen meebrengen waar nog onvoldoende regels voor zijn. Ook worden er steeds meer evenementen georganiseerd, terwijl we aan de andere kant minder tolerant lijken te zijn geworden voor geluidsoverlast (zie ook hier de relatie met de mondiger wordende burger). Bijzondere ontwikkeling is het bewustzijn over het ‘laagfrequent geluid’ waar mensen veel hinder van kunnen ondervinden. Het ontbreekt momenteel aan een helder kader voor omgevingsdiensten om hierop te kunnen acteren. Komende jaren willen we bijdragen aan een beleidslijn voor de rol van de omgevingsdienst bij (voorkoming van overlast door) laagfrequent geluid.

Effecten 2026 en verder  W e verwachten meer vragen van deelnemers en mogelijk meer klachten over geluid door de komst van nieuwe geluidsbronnen.  W e onderzoeken de mogelijke bijdrage van de ODBN bij het tegengaan van de (gevolgen van) ‘laagfrequent geluid’.

Het thema bodem hangt samen met alle andere inhoudelijke thema’s die in deze kadernota aan bod komen. Zo hebben we afgelopen jaren gezien dat PFAS in de bodem terecht komt, en daar eigenlijk niet meer uit te krijgen is. Maar bijvoorbeeld ook de woningbouwopgave kan gevolgen hebben voor de bodemkwaliteit. Denk bijvoorbeeld aan het besluit om een parkeergarage onder een nieuw appartementencomplex te plaatsen of wanneer asbest in de bodem terechtkomt bij de verbouwing van een pand om nieuwe woonruimte te creëren. We zien in de praktijk dat bodem vaak pas laat bij de ontwikkeling van een initiatief wordt betrokken. Vanuit de ODBN proberen we te stimuleren dat de bodemkwaliteit eerder meegewogen wordt bij nieuwe projecten en ontwikkelingen. In het kader van de kwaliteit van de bodem wordt met de Basisregistratie Ondergrond het gebruik van de ondergrond voor opgaven als energietransitie, klimaatadaptatie, woonopgave en economische groei in kaart gebracht. Voor een goed beleid en efficiënt beheer van de ondergrond zijn eenduidige, betrouwbare data en informatie essentieel. De data over de ondergrond worden in tranches ingevoerd in de basisregistratie. Per 1 juli 2025 is de vijfde tranche van de Basisregistratie Ondergrond van kracht, waarbij data over de milieukwaliteit aan de registratie wordt toegevoegd.

Mogelijk heeft de ODBN hier een rol in als verzoektaak, maar dit is op het moment van schrijven nog niet geconcretiseerd. De komende jaren verwachten we dat illegale grondstromen een belangrijk uitdaging blijven. Het gaat dan bijvoorbeeld over het niet melden van grondtoepassingen, waaronder transport. Daarom willen we blijven inzetten op (keten)toezicht op grondstromen en integrale transportcontroles, die niet alleen van waarde zijn voor de vakgroep bodem, maar ook voor de integrale samenwerking met handhavingspartners.

Kadernota 2026

49

50

51

Effecten 2026 en verder:  W e verwachten meer capaciteit nodig te hebben voor bodem, door een toestroom aan bodemgerelateerde vragen vanuit onze gemeentelijke opdrachtgevers.  W e verwachten dat bodem de komende jaren een belangrijker thema wordt gelet op het behalen van de klimaat- en natuurdoelstellingen.  W e streven ernaar dat de bodemkwaliteit vaker aan de voorkant wordt meegewogen bij nieuwe projecten en initiatieven.  W e onderzoeken de rol en bijdrage van de ODBN aan de vijfde tranche van de Basisregistratie Ondergrond.  W e verwachten dat illegale grondstromen een groter beroep doen op onze capaciteit en zetten in op het voortzetten van belangrijke ketenprojecten en transportcontroles.

3.3.6 Sloop & Asbest De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) beoordeelt namens de gemeenten in de regio de sloopmeldingen en de asbestinventarisatierapporten en ziet toe op de uitvoering van de asbestverwijdering. Onder de Omgevingswet zijn de regelingen voor asbest aangepast. Belangrijk voor de ODBN is dat we vanaf 2024 verantwoordelijk zijn voor de volledige afhandeling van sloopmeldingen met asbest voor al onze gemeentelijke deelnemers. Het accent van het werk is daarmee behoorlijk veranderd, waarbij asbest niet meer de kern, maar een onderdeel is van een breder takenpakket gericht op sloop. Asbest is tot 1993 toegepast in de bouw. Renovatie en sloop van gebouwen waarin asbest is toegepast blijft nog enkele decennia een thema. Voorlopig wordt de taak alleen maar groter. Onder andere door de grootschalige renovaties in het kader van de energietransitie, de stijging in het aantal verbouwingen en bijvoorbeeld het vervangen van oude daken zien we de werkvoorraad alleen maar toenemen. Ook voor het thema asbest hebben we te maken met Europese regelgeving. Zo hebben we te maken met de ‘Richtlijn betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk’, de zogenoemde asbestrichtlijn, die in 2023 is herzien en eind 2025 moet zijn geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. De richtlijnen rond asbest zijn strenger geworden.

Nieuw is bijvoorbeeld dat bedrijven voortaan altijd een vergunning nodig hebben om asbest te mogen verwijderen, waar voorheen certificering volstond voor kleine hoeveelheden. Dit kan ons werkveld verder verbreden, omdat we wellicht particuliere sloopmeldingen moeten gaan beoordelen en een inhoudelijke toets moeten uitvoeren op asbestinventarisatiebedrijven waarvan we de bedrijfsmatige activiteiten moeten gaan controleren.

Net als voor bodem geldt dat ketenprojecten op het gebied van asbest de komende jaren aandacht blijven behoeven. Daarnaast worden vrije-veldinspecties steeds belangrijker. We zien dat het naleefgedrag steeds beter is bij bedrijven die we regelmatig controleren, dus gaan actief op zoek naar de gebieden waar we minder vaak aanwezig zijn. Eveneens net als bij bodem willen we een verandering in gang zetten waarbij we eerder zicht krijgen op het mogelijk vrijkomen van asbest bij nieuwe projecten en ontwikkelingen in de leefomgeving, onder andere door eigenaren van panden die gesloopt of gerenoveerd gaan worden tijdig te informeren over de risico's en verplichtingen.

Effecten 2026 en verder:  W e verwachten dat de werkvoorraad voor asbest verder toeneemt als gevolg van onder andere renovaties in het kader van de energietransitie en de strenger wordende Europese wet- en regelgeving ten aanzien van asbest.  W e zetten in op vrije-veldcontroles en ketenprojecten op het gebied van asbest om illegale verwijdering van asbest te bestrijden.

3.3.7 Energie De algemeen toegenomen urgentie voor klimaat in de laatste 10 jaar, heeft geleid tot een groeiende prioriteit voor energietoezicht en een intensivering van de uitvoering. Landelijk is wetgeving aangescherpt en uitgebreid en taken zijn verschoven richting omgevingsdiensten. Sinds 2023 is energietoezicht een basistaak voor omgevingsdiensten. Voor de financiering van de nieuwe taken ontvangen omgevingsdiensten tot en met 2026 een specifieke uitkering (SPUK-THE) van het rijk. Deze uitkering is een aanvulling op de al bestaande financiering van de deelnemers vanuit het Energiebod en de provinciale opdracht.

Kadernota 2026

52

We verwachten de komende jaren een verdere beleidsintensivering op het gebied van energie. De SPUK-THE krijgt naar alle waarschijnlijkheid een vervolg na 2026. Daarnaast is nieuwe wetgeving aangekondigd. De Europese Energy Perfomance of Building Directive (EPBD IV) wordt na 2026 geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. Dit betekent onder andere verplichtingen voor: ➜ ➜ ➜ ➜ ➜

Nieuwbouw naar ‘Zero Emission Buildings’ (ZEB); Minimale energieprestatie voor bestaande gebouwen en een ‘renovatiepaspoort’; Zon op daken; Laadinfrastructuur bij gebouwen en parkeerplaatsen; Energielabelplicht en de zichtbaarheid van het label;

Het toezicht hierop wordt bij verschillende instanties belegd. Mogelijk benoemt de wetgever onderdelen als basistaak en/of willen gemeenten vanwege de samenhang met energietoezicht onderdelen van de EPBD als verzoektaak bij de Omgevingsdienst beleggen. ➜ De Europese Energy Efficiency Directive (EED) legt specifieke besparingsdoelen op aan overheden. Overheidsorganisaties moeten hun energieverbruik jaarlijks met 1,9% verminderen (artikel 5) en jaarlijks moet 3% van de overheidsgebouwen worden gerenoveerd naar de nieuwbouweis (artikel 6). Deze eisen worden na 2025 geïmplementeerd in nationale wetgeving. Over het toezicht hierop is nog niets bekend. ➜ In 2027 wordt de energiebesparingsplicht in het Bal en Bbl aangescherpt. Op dit moment is het verplicht energiebesparende maatregelen te treffen die zich binnen 5 jaar terugverdienen, per 1 juli 2027 wordt dat 7 jaar. Dat betekent dat bedrijven die nu nog voldoen, extra maatregelen moeten treffen om ook na 2027 te voldoen aan wet- en regelgeving. Dat betekent extra inzet op toezicht en handhaving.

Hoewel bij een aantal nieuwe regelingen nog niet duidelijk is welke rol de ODBN daarin krijgt, is de verwachting dat de omvang van energietaken bij de ODBN verder groeit. De nieuwe taken komen bovenop het al bestaande energietoezicht dat onverminderd wordt doorgezet. In hoeverre de kosten van de nieuwe taken worden gecompenseerd in het gemeentefonds of in het vervolg op de SPUK-THE regeling is nog niet bekend.

3.4 Mobiliteit Sinds 1 juli 2024 is de registratieverplichting Werkgebonden Personenmobiliteit (WPM) van kracht. Sindsdien zijn organisaties met 100 of meer werknemers en alle publieke rechtspersonen zoals gemeenten, provincies en ministeries, verplicht het zakelijke verkeer en het woon-werkverkeer te registreren en hierover uiterlijk 1 juli 2025 te rapporteren. De verplichting komt voort uit afspraken in het Klimaatakkoord om de CO2 uitstoot van werkgebonden personenverkeer in 2030 met 1Mton te verminderen. Mocht uit de rapportages blijken dat het doel in 2030 niet wordt gehaald, volgt na 2026 mogelijk normering. Het toezicht op de naleving van deze taak is als basistaak bij omgevingsdiensten belegd. In 2024 is een handreiking verschenen voor de uitvoering. Van omgevingsdiensten wordt verwacht dat ze toezien op het indienen van de rapporten en deze steekproefsgewijs inhoudelijk beoordelen. De eerste rapportage moet uiterlijk 30 juni 2025 zijn ingediend en heeft betrekking op de periode 1-juli – 31 december 2024.

Effecten 2026 en verder:  W e verwachten een verdere beleidsintensivering op het gebied van energie, onder andere als gevolg van nieuwe wetgeving. De verwachting is ook dat de taken van de ODBN hierin mee moeten groeien.  T ot en met 2026 ontvangen we een specifieke uitkering van het Rijk voor energie, die waarschijnlijk ook na 2026 een vervolg krijgt.  I n 2025 start het toezicht op de WPM.  I n 2026 moet duidelijk worden welk vervolg de registratieverplichting gaat krijgen. We houden de resultaten van de evaluatie van de WPM nauwlettend in de gaten.

Kadernota 2026

53

54

Kop Ontwikkelingen in de III BIJLAGE Bedrijfsvoering

55

4

Kadernota 2026

56

4 Ontwikkelingen in de Bedrijfsvoering

57 Krimp willen we zoveel mogelijk vermijden omdat een zekere omvang voorwaardelijk is om door te kunnen blijven ontwikkelen en kunnen voldoen aan de geldende kwaliteitscriteria en criteria van robuustheid. Met de huidige omvang (2024/2025) kunnen we onze ambities redelijk opvangen binnen de structureel beschikbare middelen. Mogelijk zal dat in relatie tot de automatisering moeilijker worden. Daarover verderop meer. Bij langdurig verzuim (zoals zwangerschaps- en bevallingsverlof ) en om de eerste groei op te vangen maken we relatief veel gebruik van inhuurkrachten. Deze optie komt onder druk te staan als gevolg van strakkere regelgeving bij CAO, geen payroll meer, en de Wet DBA waarvan het handhavingsmoratorium per 2025 is opgeheven. Wat betekent dat er strakker gehandhaafd gaat worden op schijnzelfstandigheid bij ZZP’ers. Wij zijn voor de uitvoering van onze werkzaamheden nu deels afhankelijk van de inzet van externen. Dat zal de komende jaren naar verwachting niet veranderen.

4.2 Cao-ontwikkelingen

Dit programma gaat over de bedrijfsvoering van de ODBN. Alle ontwikkelingen die de bedrijfsvoering van de ODBN raken worden in dit programma vermeld.

4.1 Arbeidsmarkt en organisatie We maken al meerdere jaren melding van de steeds krapper wordende arbeidsmarkt. Omgaan met deze krapte verwordt steeds meer business as usual. Desondanks doen we er alles aan om onze bezetting op niveau te brengen en te behouden. Dit vraagt wel steeds meer inspanning van onze medewerkers van het team Mens en Organisatie, maar ook van de lijn. De werving wordt arbeidsintensiever en leidt ook tot hogere kosten. In hoeverre er een grens is aan het kunnen doorgroeien als omgevingsdienst kunnen we niet voorspellen. Het is wel zo dat we kritisch moeten blijven op de essentie van onze taak en we voorzichtig zijn in het aannemen van de alsmaar toenemende behoefte aan onze inzet. De taken die we uitvoeren maken we meer risicogericht en vereisen een verdergaande digitale ondersteuning van onze processen. Dat maakt dat we minder uren in rekening hoeven te brengen bij onze deelnemers. De keerzijde op korte termijn is wel dat de investering die gedaan moeten worden in bijvoorbeeld het bouwen van robots e.d. het tarief onder druk zetten. Immers, de bedrijfsvoeringkosten zullen gedekt moeten worden uit de overhead. Minder uren declarabel heeft ook tot gevolg dat de bedrijfsvoeringkosten binnen de overhead over minder uren verdeeld kunnen worden.

In 2024 is er een akkoord gesloten die op 31 maart 2025 afloopt. Op het moment van schrijven zijn de inhoudelijk onderhandelingen voor de cao 2025 en verder nog niet gestart. Er zijn wel al enkele inzetten van partijen gedeeld. Dit geeft nog geen enkele zekerheid over de uitslag van die onderhandelingen. De algemene inzet van de bonden betreft een looneis tussen de 3,5% en 7% en een kortere werkweek. Beide hebben invloed op het tarief, daarnaast heeft een kortere werkweek invloed op de hoeveelheid mensen die je nodig hebt om het werk te kunnen verzetten. In een al krappe arbeidsmarkt is dit een extra grote uitdaging. Omdat er nog geen nieuwe CAO voor 2025 en 2026 bekend is, gaan we, conform bestaand beleid, uit van de cijfers die het CPB presenteert in de Macro Economische Verkenningen (MEV). De publicatie van september 2024 is de meest recente. Jaarschijf 2025 laat nu een indexering van 4,7% zien, waar wij in de begroting 5,3% hebben opgenomen. Hiermee zal het uitgangspunt voor de begroting 2026 iets lager zijn dan het vastgestelde tarief 2025. Een onderhandelingsakkoord voor 2025 kan een negatief effect hebben op 2025 en dus ook voor de berekeningsgrondslag 2026. Voor 2026 werken we met de loonindexering van 2,6%, waarbij het onduidelijk is of dit percentage voldoende is om de effecten van een nieuwe cao op te vangen.

4.3 Prijsstijgingen Ook voor de prijsstijgingen hebben we, conform bestaand beleid, de MEV (Macro Economische Verkenningen) aangehouden. Het is echter onrustig wat betreft de geopolitieke verhoudingen. Of, en zo ja in welke mate, dit van invloed zal zijn op de kosten van grondstoffen e.d. is onzeker.

Kadernota 2026

58

59

4.4 Informatievoorziening en Automatisering De Omgevingswet en het Interbestuurlijk Programma verbetering VTH-stelsel zal de komende jaren nog impact hebben op omgevingsdiensten. Dit zal (mogelijk kunnen) leiden tot meer uniformering in de wijze waarop de OD’s functioneren en hun taken uitvoeren. Dit kan ook verplichte investeringen tot gevolg hebben, ook daarvoor geldt dat deze voor ons passend moeten zijn. De inzet van de landelijke initiatieven is om uiteindelijk efficiënter en effectiever te gaan werken op gezamenlijke onderwerpen door bijvoorbeeld centraal bepaalde ontwikkelingen te coördineren, met name informatievoorziening. Een van de ontwikkelingen is een landelijk registratie van MBA’s, REV en Inspectieview. Wij zullen als omgevingsdienst hierop moeten gaan aansluiten. Wat hiervoor de noodzakelijke investeringen zijn en hoe dit gefinancierd moet worden is nog onduidelijk. Mogelijk worden hiervoor landelijk subsidies verstrekt. Vanaf 2027 lopen een aantal licentieovereenkomsten van kernapplicaties af. Dit vraagt in 2026 extra inspanning van de organisatie in de voorbereiding hiervan. De applicaties die gebruikt worden voor Financiën en het personeelssysteem zijn op diverse fronten gekoppeld en kennen een wederzijdse afhankelijkheid. Zo ook de relatie met onze BI ondersteuning.

De contractperiode van het financieel systeem loopt op 1 januari 2028 af en het personeelssysteem Is jaarlijks opzegbaar. 2027 wordt dan een overgangsjaar waarin boekjaar 2026 nog in het huidige systeem wordt afgewikkeld en boekjaar 2027 in het nieuwe systeem. Om alle rapportages en koppelingen opnieuw in te richten moet veel extra tijd geïnvesteerd worden in 2026. Dit brengt eenmalig extra kosten met zich mee voor inhuur consultantsuren en een jaar dubbele licentiekosten. Hiervoor zal een dotatie in de

bestemmingsreserve incidentele projecten worden gevraagd van € 400.000. Begin 2025 wordt een businesscase opgesteld. Op basis hiervan kunnen we een betere verwachting uitspreken over mogelijke (incidentele) financiële gevolgen voor 2026. Bovenstaande ontwikkelingen staan los van de lokale ambities met betrekking tot informatievragen. Om te kunnen blijven voldoen aan de lokale wensen kunnen we de toename niet blijven bekostigen uit de reguliere overhead. Onze deelnemers moeten er zich op voorbereiden dat we in relatie tot dergelijke verzoeken naar externe financiering zullen zoeken. Dat kan middels additionele opdrachten of uitbereiding van het budget Collectieve taken.

Effecten 2026 en verder   De structurele effecten van de CAO 2024 zijn vertaald in het tarief.   De structurele effecten voor de loonindex zijn voor 2025 en 2026 verwerkt conform de macro economische verkenningen omdat de effecten van een nieuwe CAO 2025-2026 nog niet bekend zijn.   De Macro Economische Verkenning 2024-2026 zijn op het onderdeel prijs verwerkt in het tarief. Door de onzekere ontwikkelingen is de feitelijk prijsindex mogelijk hoger.   Landelijke verplichte ontwikkelingen die om investeringen gaan vragen.   Krediet (aanbesteding en) inrichting bedrijfsvoeringapplicaties.   Toename van de bijdrage van deelnemers aan informatie verzoeken.

Kadernota 2026

60

Kop Financiële impact Kadernota 2026

61

2 5

Kadernota 2026

62

5 Financiële impact Kadernota 2026

In dit hoofdstuk vatten we samen wat de verwachte financiële impact is van de geschetste ontwikkelingen. Daarnaast worden de voor de begroting 2026 te hanteren financiële kaders en uitgangspunten beschreven en toegelicht.

5.1 Algemeen Bij het opstellen van de begroting 2025 heeft de ODBN proactief geacteerd vanwege de financiële uitdaging die op onze deelnemers afkomt als gevolg van het zogenaamde ‘ravijnjaar’ 2026. Door de loonsom op een lager niveau (trede 10 ipv trede 11) te ramen en te bezuinigen op de bedrijfsvoering is een neerwaartse bijstelling van het structureel tarief met € 7,68 gerealiseerd. Dat was een bijstelling van 6,1%. Voor een nadere uitleg verwijzen naar de begroting 2025 pagina 84. Verder zien wij geen mogelijkheden om nog scherper te gaan begroten. Dat blijkt ook uit de geprognosticeerde realisatie 2024 (2e bestuursrapportage) en het onderzoek naar de efficiency van de bedrijfsvoering. Dit onderzoek is door een extern bureau in opdracht van de provincie uitgevoerd. In deze kadernota wordt het tarief daarom berekend o.b.v. bestendig beleid, zijnde te indexeren conform de Macro Economische Verkenningen van het CBS. Eventuele verdere bezuinigingen kunnen komen uit keuzes die deelnemers maken over de inzet van uren in hun werkprogramma. In deze Kadernota stellen we voor om het gemiddelde structurele tarief te verhogen naar € 119,97. In dit tarief zijn de aanpassingen van loon- en prijsindexeringen voor de jaarschijven 2024 en 2025 al verwerkt.

5.2 Financieel-technische uitgangspunten De financieel-technische uitgangspunten voor de begroting 2026 zijn: ➜ De begroting 2026 voldoet aan het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). ➜ De begroting 2026 inclusief meerjarenperspectief is structureel sluitend. ➜ De begroting 2026 gaat uit van het bestaand actueel beleid, rekening houdend met de financiële effecten die betrekking hebben op de beleidsontwikkelingen zoals opgenomen in deze nota. ➜ Bij de ramingen van de meerjarenbegroting 2026-2029 wordt uitgegaan van constante prijzen.

Baten De ramingen voor de inkomsten in de begroting 2026 worden gebaseerd op: ➜ Voor gemeenten: het concept-werkprogramma 2026; ➜ Voor provincie: De vastgestelde provinciale opdracht 2025; ➜ De vastgestelde begroting 2025. ➜ Het tarief uit deze kadernota is het vertrekpunt voor de begroting 2026. Als er concrete aanleiding is om het tarief/ de tarieven aan te passen, leggen wij dit voor in besluitvorming over de begroting.

Lasten Bij de lasten dient rekening te worden gehouden met de volgende uitgangspunten:: ➜ De ramingen voor loon- en prijsstijgingen voor het jaar 2026 zijn gebaseerd op de verwachtingen van het CPB voor de jaarschijf 2026. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de cijferreeksen die gepubliceerd zijn bij de Macro Economische Verkenning van september 2024. ➜ De gebruikte indexeringen in deze kadernota 2026 zijn KOSTENONT WIKKELING

Hierbij plaatsen we wel de kanttekening dat de effecten van een definitieve cao 2025 op dit moment zeer lastig te voorspellen zijn. In het uurtarief 2026 is nu voor 2025 rekening gehouden met de indexering van de lonen op basis van de cijfers uit de Macro Economische Verkenningen van het CPB (4,7%), dit percentage was in de begroting 2025 nog 5,3%. De huidige cao loopt af op 31 maart 2025 en de onderhandelingen over een nieuwe cao starten eind 2024. De vakbonden hebben aangekondigd dat hun looneis voor 2025 tussen de 3,5% en 7% ligt en een inzet van een kortere werkweek van 30 tot 32 uur per week. Voor 2026 hebben we gerekend met een loonindex van 2,1% volgens de MEV. Het is daarmee nog onduidelijk of de indexering uit de Macro Economische Verkenningen voldoende gaat zijn om de cao-effecten voor 2025 en 2026 op te vangen. Als laatste een opmerking over de bijdragen per deelnemer voor het programma Individuele dienstverlening. Deze kunnen nog veranderen als gevolg van aanpassingen in de benodigde ureninzet vanuit het werkprogramma.

63

INDEX

WAS IN BEGROTING 2024

2024

Cf Cao

Cf Cao

2025

4,7%

5,3%

2026

2,1%

-

2024

4,5%

3,5%

2025

2,7%

2,0%

2026

2,2%

-

LONEN

PRIJZEN

KOSTENONT WIKKELING

INDEX

➜ De benodigde formatieomvang is gebaseerd op het gemeentelijke werkprogramma, de provinciale opdracht, aanvullende opdrachten en regionale programma’s tezamen (“de urenraming”). Deze uren worden omgerekend naar een totale benodigde formatie voor primair proces en overhead.

Kadernota 2026

64

65

➜ De benodigde inzet van medewerkers die het werkprogramma en provinciale opdracht gaan uitvoeren is gebaseerd op gemiddeld 1.294,4 declarabele uren per fte in het primaire proces. ➜ De lasten passen binnen bestaande Kpi’s.

KPI'S ODBN (ALS BEDRIJF) KPI’S

BEGROTING 2025

KADERNOTA 2026

TOELICHTING

Productiviteit1

1.392

1.392

§ Declarabiliteit

Declarabiliteit2

1.294

1.294

§ Declarabiliteit

Tarief begrotingsjaar

€ 117,60

€ 119,97

§ Tariefontwikkeling

Ziekteverzuim

5,5%

5,5%

§ HRM - ziekteverzuim

Formatie overhead

22%

22%

§ Formatieomvang

Aandeel kosten overhead personeel

24%

24%

§ Formatieomvang

Aandeel kosten overhead totaal

34%

34%

§ Tariefontwikkeling

Weerstandsratio

1,07

1,07

§ Weerstandsvermogen

Max. 20%

Max. 20%

§ Formatieomvang

Flexschil 1

Betreft uren die productief worden ingezet t.b.v. het primair proces maar die we niet kunnen declareren.

2

De declarabiliteit was in 2023 zonder SSiB 1.344. Dit is boven de norm die we nu voor deze begroting hanteren.

Prijsstijging Voor de prijsstijging gaan we ook uit van de gegevens van de Macro Economische Verkenning. Hierin wordt uitgegaan van een prijsstijging van 4,5% voor 2024 (+ € 0,17), 2,7% voor 2025 (+ € 0,13) en 2,2% voor 2026 (€ 0,41). Ook deze indexering is in deze Kadernota vertaald en leidt tot een stijging van het gemiddelde tarief met € 0,71.

Schematische weergave tarief In het schema hieronder zijn alle genoemde ontwikkelingen die effect hebben op het tarief getoond. Het vastgestelde structurele tarief in de begroting 2025 is € 117,60.

5.3 Tarief Loonstijging Bij het opstellen van de Kadernota 2026 zijn de definitieve prijsstijging en de cao-afspraken voor 2025 én het begrotingsjaar van de Kadernota nog niet bekend. In de Kadernota gaan wij daarom uit van de voorspellingen van het Centraal Planbureau op basis van de Macro Economische Verkenning. In deze verkenning van het CPB wordt voor de overheid uitgegaan van een loonvoet van 4,7% in plaats van 5,3% voor het jaar 2025 (- € 0,63) en 2,1% (+ € 2,29) voor 2026. Deze indexeringen zijn gebruikt voor de jaarschijven 2025 en 2026. Op het tarief heeft dit een totaal stijgend effect van € 1,66.

EFFECT TARIEF IN EURO'S VASTGESTELDE TARIEF BEGROTING 2025 Aanpassing indexering prijs 2024, van 3,5% naar 4,5% cf MEV Aanpassing loonindex 2025 van 5,3% naar 4,7% cf MEV Aanpassing indexering prijs 2025, van 2,0% naar 2,7% cf MEV TARIEF 2025 NA HERIJKING

117,60 0,17 0,63 -/0,13 117,27

Indexering loon 2026 met 2,1% cf MEV

2,29

Indexering prijs 2026 met 2,2% cf MEV

0,41

TARIEF 2026

119,97

Kadernota 2026

66

67

Rentebaten

BBV

Vanaf 2025 hebben we de verwachte rentebaten opgenomen in de begroting. Omdat de rentestand fluctueert en daarmee de opbrengst onzeker is, zetten we deze baten niet in als structureel dekkingsmiddel. Deze middelen kunnen wel ingezet worden voor incidentele uitgaven. Het structurele tarief presenteren we op basis van bestendig beleid waarvan de berekening navolgbaar en de tariefontwikkeling enigszins voorspelbaar is. Om deze baten toch ten gunste te laten komen van de deelnemersbijdrage hebben we deze in 2025 ingezet als een incidentele korting op het tarief. Deze korting wordt gedekt uit de incidentele rentebaten.

Er is een aangepaste notitie overhead gepubliceerd door de commissie BBV. Momenteel onderzoeken we de consequenties voor de begroting 2026. Dit heeft mogelijk gevolgen voor de wijze van presentatie van de lasten op programmaniveau en de kpi overhead. In het verstrekkendste geval verandert de tariefopbouw, hoogte van het tarief en de kpi voor de overhead. Dit leidt dan ook tot een andere PxQ voor de deelnemers. Idealiter zou dit dan wel budgettair neutraal gerealiseerd kunnen worden.

Voor 2026 stellen we voor de rentebaten die in relatie staan tot de voorziening Voorste Heide, op te nemen als dotatie voor deze voorziening. Voor het restant van de rentebaten stellen we voor om deze via het resultaat, in te zetten als dotatie in de bestemmingsreserve incidentele projecten ten behoeve van de vervanging van diverse bedrijfsvoeringsapplicaties. In hoofdstuk 4.4 is toegelicht welke projecten we hieruit willen financieren.

Kadernota 2026

Vragen over de Kadernota 2026? Neem gerust contact op met de ODBN

www.odbn.nl Victorialaan 1 5213 JG ‘s-Hertogenbosch Telefoon: 088 7430 000 E-mail: info@odbn.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15050667/1