CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

ODBN Kadernota 2026

Gemeenteraad 25 februari 2025, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Reactie op de Kadernota 2026 ODBN15.112 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

De Leefomgeving in Balans

Kadernota 2026

's-Hertogenbosch, november 2024

’s-Hertogenbosch, november 2021

2

Voorwoord

3

Beste lezer, De ODBN is een robuuste omgevingsdienst die vanuit haar missie en visie werkt aan een schone, duurzame en veilige leefomgeving. Ik zeg robuust, omdat de staatssecretaris heeft aangegeven dat wij voldoen aan de robuustheidscriteria en hij zijn waardering heeft uitgesproken voor de inzet van de ODBN in het belang van de versterking van het VTH-stelsel. Hier zijn we toch wel een beetje trots op. We zien het als een belangrijke erkenning voor ons harde werk en toewijding. Het kunnen voldoen aan de robuustheidscriteria is namelijk geen vanzelfsprekendheid. Er zijn landelijk slechts twee omgevingsdiensten al robuust verklaard. Voor het eerst in jaren leveren we dit jaar een kadernota op waarin de Omgevingswet niet de boventoon voert. De Omgevingswet is in 2024 in werking getreden. Hoewel we niet de illusie willen wekken dat we met betrekking tot de Omgevingswet uitontwikkeld zijn – integendeel – zien we wel dat we stap voor stap samen onze weg vinden in het nieuwe wettelijke stelsel. De grote uitdaging die wat dit onderwerp betreft de komende jaren nog wel gaat spelen voor onze deelnemers, is het opstellen van de omgevingsplannen. Als uitvoerder hebben we veel belang bij een zekere mate van uniformiteit in onze regio. Het traject richting de totstandkoming van deze plannen voedt de discussie over de rol van de omgevingsdiensten als adviseur.

Waar begint en eindigt de rol van de ODBN als deskundige uitvoerder en de adviestaak met betrekking tot effecten van beleid in de praktijk? Ergens tussen de rol van adviseur en beleidsmaker zit een grijs gebied dat we met elkaar moeten verkennen. Hoe de rol van de ODBN er precies uit moet komen te zien, stellen we vast en onderzoeken we de komende jaren in nauwe afstemming met onze deelnemers, evenals de consequenties daarvan voor onze taken en middelen. Waar de Omgevingswet minder prominent aanwezig is in deze kadernota, blijven andere ontwikkelingen wel van grote invloed op onze taakuitvoering. Zo zien we nog altijd een stevige belangenstrijd in de leefomgeving. Natuurbelang staat op gespannen voet met bijvoorbeeld het agro-economisch belang. Burgers hebben behoefte aan werkgelegenheid, maar ondervinden geuroverlast van nabijgelegen bedrijvigheid. We willen allemaal graag kunnen sporten en recreëren, maar hebben toch liever geen padelbaan naast de deur. In onze leefomgeving komt het allemaal samen. Als ODBN werken en denken we graag mee om ontwikkelingen mogelijk te maken, maar de realiteit is dat niet alles overal kan. Het is nog wachten op de benodigde centrale beleidsintensiveringen om aan de natuur- en klimaatdoelen te kunnen voldoen, of het nu gaat om de energietransitie, de mest- en stikstofcrisis of de waterkwaliteit.

Ondertussen wordt ons werk daardoor ook bepaald door uitspraken van de rechter, waardoor bijvoorbeeld onze vergunningverlening stil kan komen te liggen. We hebben als omgevingsdiensten de plicht om – wanneer wij signaleren dat bepaalde wet- of regelgeving niet meer voldoet - een stevig signaal af te geven richting het Rijk. Dat doen we zelf als het onze deelnemers raakt en ook steeds meer via Omgevingsdienst NL, onze overkoepelende vereniging, bij landelijke onderwerpen. De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op en vereisen

wendbaarheid van de organisatie. Gelet op de wat langere termijn waarop deze Kadernota ziet, worden ontwikkelingen in deze kadernota op hoofdlijnen geschetst. We toetsen in de gehele P&Ccyclus voortdurend aan de actualiteit en sturen bij als daar aanleiding voor is. Ik voorzie dat ODNL een steeds belangrijkere en grotere rol inneemt in het omgevingsstelsel, zeker nu landelijk is besloten om de vereniging van een stevige financiële impuls te voorzien. Zo verwachten we dat ODNL de komende jaren de coördinatie naar zich toe trekt ten aanzien van bijvoorbeeld de uniformering van de wijze waarop de omgevingsdiensten hun taken uitvoeren. Deze ontwikkeling juichen wij toe en we ondersteunen deze dan ook, waar mogelijk, door ook onze expertise en specialiteiten in te brengen. In deze kadernota schetsen we vele ontwikkelingen waar we slechts beperkt invloed op hebben. Dat betekent echter niet dat we stil blijven zitten. We zetten in op innovatie om ons werk slimmer uit te voeren, bijvoorbeeld door beter gebruik van data, de inzet van AI of van nieuwe technologische hulpmiddelen. We werken actief samen met onze partners, onze deelnemers en met onze omgevingsdiensten via ODNL om de krachten te bundelen. Dat is ook belangrijker dan ooit, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt en de toegenomen complexiteit van het werk.

Het is van groot belang dat we elkaar goed blijven vinden, om samen te staan voor een schone, duurzame en veilige leefomgeving waarin de verschillende maatschappelijke belangen evenwichtig tot hun recht komen. Daar blijven wij op inzetten, ook in 2026.

Jan Lenssen Directeur Omgevingsdienst Brabant Noord November 2024

Kadernota 2026

4

Inhoud

5

Voorwoord

2

Inleiding

6

1

De ontwikkelingen in het Omgevingsstelsel

10

1.1

De strijd om de ruimte

12

1.2

De juridisering van de leefomgeving

13

1.3

Versterking VTH-keten en positionering Omgevingsdienst NL

15

1.4

De rol van de ODBN

16

2

3

Ontwikkelingen in de Regionale Dienstverlening

18

2.1

Programma Collectieve Taken

20

2.2

SSiB

30

2.3

Ontwikkelingen binnen de Milieuklachtencentrale (MKC)

30

2.4

Beheer stortplaatsen

31

Ontwikkeling in de Individuele Dienstverlening

32

3.1

34

Uitvoering van onze kerntaken (VTH)

3.1.1

Vergunningverlening

36

3.1.2

Toezicht

38

3.1.3

Handhaving

39

Natuurbescherming

41

3.2.1

Gebieden (Natura 2000)

42

3.2.2

Soortenbescherming en houtopstanden

43

3.2

3.3

Specialistische Dienstverlening

44

3.3.1

Ruimtelijke Ontwikkeling

45

3.3.2

Externe Veiligheid (Omgevingsveiligheid)

45

3.3.3

Lucht/Geur

46

3.3.4

Geluid

48

3.3.5

Bodem

49

Sloop & Asbest

50

Energie

51

3.3.6

3.3.7 3.4 4

5

Mobiliteit

53

Ontwikkeling in de Bedrijfsvoering

54

4.1.

Arbeidsmarkt en organisatie

56

4.2

Cao-ontwikkelingen

57

4.3

Prijsstijgingen

58

4.4

Informatievoorziening en Automatisering

58

Financiële Impact Kadernota 2026

60

5.1

Algemeen

62

5.2

Financieel-technische uitgangspunten

63

5.3

Tarief

64 Kadernota 2026

6

Inleiding

7

De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) is een gemeenschappelijke regeling van 11 overheden: 10 gemeenten in Noordoost-Brabant en de provincie Noord-Brabant (onze deelnemers). Samen dragen we een gedeelde verantwoordelijkheid voor een schone, duurzame en veilige leefomgeving voor mensen, dieren en planten. Als verlengstuk van het lokale en provinciale bestuur voert de ODBN een deel van de wettelijke overheidstaken op dit gebied uit.

Oss

toezicht en handhaving. Vanuit onze kennis van de praktijk adviseren wij over milieu Bernheze

SintMichielsgestel

Boxtel

Als ODBN zijn we primair een uitvoeringsorganisatie van VTH-taken. We streven naar continue verbetering van de kwaliteit en investeren in de deskundigheid van onze medewerkers, ons belangrijkste kapitaal. Naast de uitvoering van VTH-taken adviseren wij steeds meer over de effecten van beleid in de praktijk. Door ons werk zien we wat er in de leefomgeving gebeurt en onze adviserende rol groeit naar verwachting verder. Ook Brabantbreed en landelijk dragen we onze expertise uit en staat onze leefomgeving in Brabant Noord centraal. Kortom onze ambitie is:

“De ODBN is dé deskundige uitvoerder op het terrein van vergunningverlening,

's-Hertogenbosch

Vught

met kennis van zaken adviseren. De ODBN richt zich op samenwerking; binnen de eigen organisatie, met gemeenten, de Provincie en andere relevante organisaties. Gemeenten en de Provincie voelen zich als eigenaar en als opdrachtgever betrokken. Dat is onze visie.

Meierijstad

Maashorst

Land van Cuijk

en natuur en de uitvoerbaarheid en effecten van beleid.“

Boekel

Bij de ODBN werken uitvoeringsexperts op het gebied van vergunningen, toezicht, handhaving en diverse specialismen zoals geluid, bodem, asbest, natuur, omgevingsveiligheid, luchtkwaliteit, geur en mest. De ODBN heeft op de genoemde terreinen een adviserende taak en werkt aan innovatie en ontwikkeling. De taak rondom de groene wetten voert de ODBN voor heel Brabant uit. Vanuit het kantoor in ’s-Hertogenbosch werken meer dan 300 collega's dagelijks aan een schone, duurzame en veilige leefomgeving, nu en in de toekomst. Dat is onze missie. Onze leefomgeving is divers en een actueel thema voor elke inwoner en ondernemer. Als deskundige uitvoeringsorganisatie signaleren en agenderen we de voortdurende veranderingen in onze leefomgeving. Dit betekent doorlopende ontwikkeling en vernieuwing van ons werk. Onze deskundige medewerkers op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) werken binnen de kaders van de wetten van milieu, natuurbescherming, bouwen en wonen. Zo kunnen we de gemeenten in Noordoost-Brabant en de provincie Noord-Brabant professioneel en

Kadernota 2026

8

Over de Kadernota 2026

In onze jaarlijkse kadernota informeren wij u over ontwikkelingen die wij signaleren in ons werk en in onze (leef )omgeving. De effecten van deze ontwikkelingen – voor zowel de taakuitvoering als voor onze financiën – brengen we zoveel mogelijk in kaart. De Kadernota 2026 en de reactie van onze deelnemers daarop zijn van groot belang voor de Begroting 2026. De daadwerkelijke inzet voor 2026 wordt geraamd in de uitvoeringsprogramma’s: de provinciale opdracht en het Programma Collectieve Taken. De kadernota is gebaseerd op kennis en expertise van de (medewerkers van de) ODBN. De kadernota is afgestemd met de deelnemers in het Regionaal Strategisch Platform en het adoptiepanel. Deze laatste groep is samengesteld uit ambtenaren van verschillende deelnemers die de planning- en controlecyclus het hele jaar volgen en hun advies daarover uitbrengen. Niet alle ontwikkelingen kunnen worden benoemd in deze kadernota, wel de meest belangrijke. Daar waar mogelijk, en voor de ODBN relevant, koppelen we de ontwikkelingen aan onze taakuitvoering en maken we onderscheid tussen ontwikkelingen die invloed hebben op onze basistaken en op de verzoektaken. De uitvoering van het basistakenpakket is wettelijk belegd bij de omgevingsdiensten.

De verzoektaken kennen ook een wettelijke grondslag – in die zin dat ook deze taken uitgevoerd moeten worden – maar onze deelnemers kunnen ervoor kiezen deze taken zelf uit te voeren of bij de ODBN te beleggen. De ODBN voert dergelijke taken uit op voorwaarde van voldoende massa.

9

Planning & Control-cyclus De P&C-cyclus van de ODBN kent drie programma’s die leidend zijn voor de indeling van de diverse P&C-documenten (de kadernota, begroting, de bestuursrapportages en het jaarverslag). Het betreft de volgende programma’s: 1.

2.

3.

Regionale Dienstverlening en collectieve taken: Dit programma gaat over de taken die de ODBN voor de regio uitvoert, zoals de collectieve taken en Samen Sterk in Brabant (SSiB). Individuele dienstverlening: Dit programma gaat over de wettelijke basistaken die de deelnemers bij de ODBN hebben belegd en over de verzoektaken die we specifiek in opdracht van individuele deelnemers uitvoeren. Hierin zijn ook de aanvullende verzoektaken ondergebracht die buiten het werkprogramma vallen. Bedrijfsvoering

Net als vorig jaar openen we met een beschouwing van enkele grote ontwikkelingen in het omgevingsstelsel. We zien dat de omgevingsdiensten zich in een belangrijke transitiefase bevinden. Daar nemen wij u graag in mee.

Kadernota 2026

10

De ontwikkelingen in het Omgevingsstelsel In dit hoofdstuk behandelen we enkele grote ontwikkelingen en uitdagingen in het omgevingsstelsel. Het betreft ontwikkelingen met een lange aanloop, die bovendien in 2026 nog lang niet ‘klaar’ of ‘uitontwikkeld’ zijn.

Ze maken echter duidelijk dat we voor een aantal belangrijke opgaven staan, met grote gevolgen voor ons werk.

11

1

Kadernota 2026

12

1 De ontwikkelingen in het Omgevingsstelsel

13

Het omgevingsstelsel is constant in beweging. Verschillende juridische, maatschappelijke en politiek-bestuurlijke ontwikkelingen hebben grote invloed op de wijze waarop wij onze taken uitvoeren. Als uitvoeringsdienst zien wij de consequenties van deze ontwikkelingen terug in onze uitvoeringspraktijk, of het nu gaat om de juridisering van een steeds mondigere samenleving, of de spanning tussen Europese wetgeving, nationale beleidsvoornemens en de regionale en lokale realiteit.

1.1 De strijd om de ruimte Nederland is een klein en dichtbevolkt land. We willen in onze leefomgeving kunnen wonen, werken en recreëren en dat doen we graag in goede gezondheid. Daarnaast hechten we waarde aan het behoud van de natuur en van biodiversiteit. Deze belangen zijn niet zelden strijdig met elkaar. Natuur is waardevol, maar we willen ook ruimte bieden aan bedrijfsactiviteiten. Werkgelegenheid is belangrijk, maar we willen geen overlast ervaren van bedrijven in onze buurt, laat staan dat we het voor lief nemen als we gezondheidsschade ondervinden. Zo tekent er zich een belangenstrijd af in onze leefomgeving. Als omgevingsdiensten staan wij daar middenin en zijn wij een van de eerste die de effecten van beleid in de praktijk ervaren. Als ODBN denken we graag mee om ontwikkelingen mogelijk te maken, natuurlijk wel met inachtneming van onze missie en visie. Vanuit het belang van bijvoorbeeld de woningbouw en ruimte voor economische ontwikkeling zijn we graag bereid om bij de voorbereidingsfase van een initiatief mee te denken. Tegelijkertijd worden we ook geconfronteerd met de beperkingen in de leefomgeving die bijdragen aan een steeds complexer wordend werkveld. De realiteit is dat beleidsambities – nationaal, regionaal en lokaal – en maatschappelijke behoeften steeds vaker op gespannen voet staan met de juridische beperkingen en de draagkracht van de leefomgeving.

Een voor de hand liggend voorbeeld is de stikstofcrisis, waarvoor de oplossing nog altijd niet in zicht is. De situatie vraagt om duidelijke keuzes over de inrichting en het gebruik van onze leefomgeving, maar we zien nog altijd dat pijnlijke maar noodzakelijke besluiten vooruitgeschoven worden en dat wordt gezocht naar nieuwe geitenpaadjes. De strijd om de ruimte speelt veel breder dan alleen bij de stikstofproblematiek. We zien vergelijkbare uitdagingen op het gebied van de bodem-, water- en luchtkwaliteit waarbij niet alleen aandacht uitgaat voor de gevolgen voor het milieu maar ook voor mogelijke effecten op de gezondheid. Bovendien constateren we dat verschillende uitdagingen steeds meer met elkaar vervlochten raken. Zo raakt de woningbouwopgave niet alleen aan het stikstofprobleem, maar ook aan uitdagingen op het gebied van onze specialismes zoals ruimtelijke ontwikkeling, bodem, asbest en externe veiligheid.

De intensivering van het gebruik van de toch al beperkte ruimte leidt tot lastige belangenafwegingen en vraagt van ons als organisatie om een integrale bril en een stevige kennisbasis. Ons werk wordt steeds complexer, mede door een verschuiving van de strijd om onze leefomgeving van de beleidstafel naar – in een latere fase - de rechtszaal.

1.2 De juridisering van de leefomgeving De burger wordt mondiger en is steeds actiever betrokken bij zijn leefomgeving. Dat zien we terug in onder andere het aantal Woo-verzoeken en vragen die wij binnenkrijgen van bezorgde en/of geïnteresseerde burgers, van de pers en van actiegroepen. Als deskundige in de leefomgeving zijn wij graag bereid om vragen te beantwoorden, maar we zien ook bij verschillende organisatieonderdelen dat dit drukt op onze beschikbare capaciteit. De laatste jaren zien we ook dat de discussie over de belangen in de leefomgeving steeds vaker voor de rechter wordt uitgevochten. Zaken waar landelijk veel aandacht aan is besteed, zijn natuurlijk de klimaatzaak van Urgenda, de uitspraak over de PAS en uitspraken rond Schiphol en Tata Steel. We zien het echter ook op kleinere schaal terug, in onze eigen regio. In 2024 bijvoorbeeld in een zaak waarin de Raad van State uitspraak deed over een combi-luchtwasser1. Het provinciebestuur had voorschriften verbonden over de werking, het onderhoud en het toezicht daarop, maar toch oordeelde de rechter dat nog steeds niet vaststond dat met deze maatregelen de beoogde ammoniakreductie gehaald zou worden, waardoor de natuurvergunning vernietigd werd. Dergelijke uitspraken zijn principieel, en werken door in vergelijkbare gevallen.

Dit betekent dat een enkele uitspraak soms een groot effect kan hebben op onze werkvoorraad, wat ons als omgevingsdienst voor uitdagingen stelt.

1 ABRvSt 4 –9-2024, ECLI:NL:RVS:2024:3356 Kadernota 2026

14

Ook individuele burgers en kleine belangengroepen weten de rechter steeds beter te vinden, niet in de laatste plaats omdat landelijke beleidsmaatregelen uitblijven en doordat men ziet dat het loont om een zaak aan te spannen. Daar waar de overheid zich niet houdt aan de milieu- en natuurwetgeving en internationale verdragen, is het terecht dat de rechter corrigeert. We zien echter ook steeds vaker gebeuren dat milieu- of natuurargumenten oneigenlijk worden gebruikt, om door burgers als ongewenst geziene ontwikkelingen tegen te gaan, terwijl de ontwikkeling daarvan niet of nauwelijks invloed heeft op natuur of milieu. Een procedure werkt dan vooral vertragend, waardoor het voor de overheid moeilijker is om bepaalde doelen, bijvoorbeeld op het terrein van woningbouw of duurzaamheid, te bereiken. Als omgevingsdienst helpen we onze deelnemers door, dankzij onze deskundigheid op milieu- en natuur, tijdig te toetsen of een vergunning verleend kan worden, door toezicht te houden en te handhaven. We zien de juridisering van de leefomgeving op zichzelf niet als problematisch. Dat burgers en belangenorganisaties de rechter weten te vinden, en zo ook ons handelen getoetst wordt, hoort bij een gezonde rechtsstaat.

Daar waar uit jurisprudentie blijkt dat ook andere wetgeving of beleidskeuzes nodig zijn, bijvoorbeeld op het gebied van stikstof, mest of water, dienen het Rijk, provincies en gemeenten hun verantwoordelijkheid te nemen om te zorgen dat Nederlandse overheid zich aan haar (internationale) afspraken houdt. Zonder duidelijke toetsingskaders in wetgeving en beleid, is het voor ons als omgevingsdienst namelijk zeer lastig handelen. Dat kan ertoe leiden dat initiatiefnemers en burgers in onzekerheid achterblijven, wat ook het ondernemingsklimaat niet ten goede komt. Als omgevingsdienst laten we niet na hierover te blijven signaleren en adviseren.

1.3 Versterking VTH-keten en positionering

15

Omgevingsdienst NL Nederland kent 28 omgevingsdiensten die onderling nogal van elkaar verschillen. Lang niet alle diensten kunnen voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Daarom was onderdeel van het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH (IBP-VTH) om in kaart te brengen aan welke kenmerken een omgevingsdienst moet voldoen om ‘robuust’ genoemd te worden. Onder robuustheid vallen criteria als effectiviteit, ontwikkelvermogen, wendbaarheid en efficiëntie. In 2024 heeft de staatssecretaris ons bericht dat de ODBN voldoet aan alle robuustheidscriteria. Daardoor was het niet noodzakelijk om een verbeterplan in te dienen. Dat dit geen vanzelfsprekendheid is, blijkt wel uit het grote aantal omgevingsdiensten dat niet voldoet aan de gestelde criteria. Voor een aantal is door de staatssecretaris de inschatting gemaakt dat de diensten ook niet robuust kunnen worden, gelet op hun omvang, zodat zij naar verwachting in de toekomst moeten fuseren om wel aan alle criteria te kunnen voldoen. Dat de ODBN wel voldoet, ondanks onze (relatief ) kleine verzorgingsgebied, is mede te danken aan het vertrouwen van onze deelnemers, die ook veel verzoektaken aan ons opdragen. Dit geeft de ODBN extra massa, wat helpt om wel aan alle robuustheidscriteria te kunnen voldoen.

Om het omgevingsstelsel van een verdere impuls te voorzien, is overeenstemming bereikt over een subsidieverstrekking aan Omgevingsdienst NL (ODNL). Het is de bedoeling dat, dankzij deze impuls, de individuele omgevingsdiensten op hun beurt ook versterkt worden. Daarbij krijgt ODNL een coördinatierol toebedeeld als het gaat om het bewaken van de uniformiteit tussen de omgevingsdiensten en een vertegenwoordigende stem richting het Rijk. De versterking van ODNL

Kadernota 2026

16

De vraag naar een adviesrol voor de ODBN speelt vooral rond de omgevingsplannen. Wij zien ook zelf, vanuit onze uitvoeringsbril, het belang in van het bewaken van enige uniformiteit in de omgevingsplannen van onze deelnemers, op terreinen waar wij expertise hebben. We zijn en blijven echter primair een uitvoeringsdienst. We hebben geen mandaat om te besluiten over beleid. We kunnen wel adviseren over de technisch-inhoudelijke componenten van onze VTH-taken, de zogenoemde ‘uitvoeringsgerichte milieuadvisering’. In 2025 worden verschillende opties voor een adviserende of ondersteunende rol bij de totstandkoming van de omgevingsplannen uitgewerkt. We streven er naar komend jaar helder te hebben welke consequenties een dergelijke rol heeft voor de taakuitvoering in 2026. In elk geval moet aandacht zijn voor de noodzakelijke budgetten en financieringsmethode. Ook moeten we zicht krijgen op de (on)mogelijkheden gelet op de benodigde capaciteit, in een toch al behoorlijk krappe arbeidsmarkt. De zoektocht naar de beste invulling aan onze adviesrol is op het moment van het schrijven van deze kadernota nog niet afgerond. De komende tijd verwachten we hier meer zicht op te krijgen.

gaat naar verwachting verschillende gevolgen hebben voor de ODBN. Enerzijds verwachten we, op deskundigheidsgebieden waar onze dienst vooroploopt (denk aan agrarisch en natuur), dat we ook landelijk actief inbreng blijven leveren, waardoor onze kennis en werkwijze mede-maatgevend kunnen worden voor de ontwikkeling voor een landelijke uniforme werkwijze. Anderzijds verwachten we ook zelf de vruchten te kunnen plukken van de kennis en deskundigheid die omgevingsdiensten, met andere expertises, landelijk inbrengen. We zien het belang in van samenwerking, afstemming en uniformiteit tussen de omgevingsdiensten, ten behoeve van de doelmatigheid en doeltreffendheid van onze taakuitvoering, maar ook in het kader van het creëren van een gelijk speelveld. Nog te vaak zien we dat omgevingsdiensten op hun eigen manier het wiel proberen uit te vinden, waarmee we de kans laten liggen om van elkaar te leren en gezamenlijk op te trekken. Daarom ondersteunen we deze versterking van ODNL.

1.4 De rol van de ODBN De afgelopen jaren hebben we de discussie over de rol van de ODBN zien groeien. In de Kadernota 2025 schreven wij al over de mogelijke adviesrol van de ODBN. De ODBN is een uitvoeringsdienst. De beleidskeuzes worden gemaakt door onze deelnemers, maar in de afgelopen jaren hebben we als omgevingsdienst wel veel expertise opgebouwd als het gaat om onze leefomgeving. Het adviseren over de effecten en uitvoerbaarheid van beleid in de praktijk is onderdeel van onze missie, visie en ambitie zoals we die aan het begin van deze kadernota hebben geschetst. En op een aantal terreinen voeren we al een adviestaak uit. Adviseren is echter een breed begrip. In het kader van de omgevingsplannen die onze deelnemers voor 2031 moeten opstellen, zien we dat de verwachtingen inzake onze adviesrol steeds vaker vragen oproepen over waar adviseren eindigt en het voorbereiden/opstellen van beleid start.

Kadernota 2026

17

18

Ontwikkelingen in de regionale dienstverlening

19

2

Kadernota 2026

20

2 Ontwikkelingen in de Regionale Dienstverlening

Inhoud programma De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) voert het programma Regionale Dienstverlening en Collectieve Taken uit. Hierin zijn werkzaamheden opgenomen die worden uitgevoerd voor het collectief aan deelnemers. Daarnaast vallen ook thema’s die raken aan de inhoudelijke doorontwikkeling van de VTH (A)2 -taken, en specialistische taken onder dit programma. Het gaat onder andere over onderwerpen zoals het Programma Collectieve Taken 2025, Samen Sterk in Brabant (SSiB) en de klachtenregeling.

2.1 Programma Collectieve Taken Een belangrijk onderdeel van de Regionale Dienstverlening is het jaarlijks op te stellen Programma Collectieve Taken (voorheen: het Ontwikkelprogramma). In dit programma schetsen we de ontwikkelingen waar we het komende jaar op sturen, onder meer via de inzet van Team Innovatie & Ontwikkeling. Het Programma Collectieve Taken wordt opgesteld op basis van de omgevingsanalyse, de kadernota, de begroting en de input die wordt opgehaald uit een gesprekscyclus waarbij medewerkers en de deelnemers worden betrokken.

In het jaar waarin we deze kadernota schrijven (2024) stonden de volgende thema’s centraal in het programma: ➜ Omgevingswet ➜ Energie ➜ Agrarisch ➜ Informatiegestuurd werken ➜ Industrie ➜ Strafrecht ➜ Bodem ➜ Externe Veiligheid ➜ Water Bij de totstandkoming van deze kadernota is daarom nog vanuit deze thema’s gekeken naar de ontwikkelingen in 2026. Daarom staan we in dit hoofdstuk bij deze ontwikkelingen stil. Voor de thema’s Omgevingswet, bodem, energie en strafrecht geldt dat de ontwikkelingen hierop zijn beschreven in het hoofdstuk ‘Individuele Dienstverlening’ om herhaling zoveel mogelijk te voorkomen. Dit ten behoeve van de leesbaarheid van deze kadernota. De hiervoor genoemde thema’s worden overigens naar verwachting niet als zodanig opgenomen in het Programma Collectieve Taken 2026. De verwachting is dat we dit programma opbouwen vanuit de ontwikkelopgaven die we zien op het terrein van (1) vergunningverlening, (2) toezicht en handhaving, (3) specialistische dienstverlening en advisering en (4) data-gedreven werken. Dit komt overeen met het voorstel dat we doen voor het Programma Collectieve Taken 2025.

Het Programma Collectieve Taken richt zich op innovatie en –ontwikkeling van onze VTHAopgaven, kwaliteitsverbetering en het efficiënter uitvoeren van de primaire taken. Veel ontwikkelingen die we in deze kadernota schetsen – ook onder het programma individuele dienstverlening – worden verder uitgewerkt in het Programma Collectieve Taken 2026, dat in de tweede helft van 2025 wordt opgesteld. Het kan dan gaan om nieuwe programma’s, projecten of andersoortige activiteiten. Opgemerkt wordt dat de ODBN in 2023 en 2024 voor ontwikkeling/innovatie gebruik kon maken van extra financiële middelen, dankzij een subsidie (Spuk IBP) die door het ministerie van I&W beschikbaar werd gesteld. Ook voor 2025 verwachten we eenmalig nogmaals een extra financiële impuls, maar nadrukkelijk wordt opgemerkt dat sprake is van incidentele middelen. Vastgesteld kan worden dat het huidige budget voor collectieve taken onvoldoende is om het ambitieniveau van de laatste jaren te kunnen handhaven. We zijn daarom voornemens om in de Begroting 2026 uit te werken of het budget collectieve taken aangepast moet worden. Dit kan noodzakelijk zijn als het ambitieniveau gelijk blijft (of hoger wordt) en geen andere inkomsten (zoals subsidies) meer te verwachten zijn.

Met deze afkorting doelen we op de taken die als omgevingsdienst uitvoeren op het terrein van Vergunningverlening, toezicht en handhaving. En daarnaast – een taak die naar verwachting toeneemt – ook op onze adviserende taak, bijvoorbeeld het adviseren over nieuwe beleid en omgevingsplannen en onze adviserende rol aan deelnemers bij nieuwe initiatieven, bijvoorbeeld via een omgevingstafel.

1 

Kadernota 2026

21

22

23

Agrarisch De agrarische sector in Noord-Brabant staat voor zeer grote uitdagingen. De in het eerste hoofdstuk geschetste druk op de ruimte is daarbij een belangrijke factor. De sector moet in toenemende mate concurreren met belangen als natuur, woningbouw en recreatie. Dat zien we bijvoorbeeld terug bij de stikstofproblematiek, die de agrarische sector (en andere ontwikkelingen) nog altijd in zijn greep houdt. Ook het element van de volksgezondheid speelt een steeds grotere rol in de discussie rond de agrarische sector. Het gaat dan om de groeiende aandacht voor zaken als de impact van gewasbestrijdingsmiddelen, geur en fijnstof op de gezondheid van onder meer omwonenden, bijvoorbeeld in wetenschappelijk onderzoek, maar ook in juridische procedures. Mede onder de invloed van de Omgevingswet krijgt het element van volksgezondheid ook steeds meer aandacht in gemeentelijk beleid. Daarnaast speelt er nog altijd de mestproblematiek, die niet minder wordt nu de derogatie wordt afgebouwd. De afzet van mest wordt een steeds groter probleem en doordat de mestoverschotten toenemen, neemt ook de kans op mestfraude toe.

Transitie agrarische sector Gelet op de hiervoor genoemde ontwikkelingen is de transitie van de agrarische sector in 2026 onverminderd van belang. Met deze transitie wordt beoogd de impact van de sector op de natuur en de gezondheid te verkleinen. De Provincie Noord-Brabant stelt in dat kader in de provinciale Omgevingsverordening voorwaarden aan agrarische bedrijven. Per 1 januari 2026 dient de hele sector hieraan te voldoen. Deze verordening is niet onomstreden gebleken. Het is bijvoorbeeld voor de agrarische ondernemers onvoldoende duidelijk welke actie zij moeten ondernemen om aan de eisen uit de Omgevingsverordening te voldoen. Dit heeft ook grote gevolgen voor de vergunningverlening door de ODBN, omdat ook de voorwaarden voor de vergunningverlening onvoldoende houvast bieden. Dit komt de ambities van de transitie niet ten goede. Er zijn diverse ontwikkelingen in gang gezet om de transitie van de veehouderij te ondersteunen, en de ontstane onduidelijkheid weg te nemen. Deze ontwikkelingen liggen niet alleen op provinciaal en lokaal niveau, maar ook op het landelijk niveau. Denk bijvoorbeeld aan de diverse regelingen voor de agrarische bedrijven die overwegen om te stoppen. Ook wordt onder landelijke coördinatie bezien of het mogelijk is om meer in te zetten op het werken met zogeheten doelvoorschriften ten aanzien van de veehouderij.

De effecten van deze ontwikkelingen zijn echter in veel gevallen nog niet duidelijk en zijn naar verwachting ook in 2026 nog niet volledig uitgekristalliseerd.

Kadernota 2026

24

Risicorelevante bedrijven De afgelopen jaren heeft in Noord-Brabant een aantal incidenten plaatsgevonden bij bedrijven die gevaarlijke stoffen produceren, opslaan of gebruiken ten behoeve van het productieproces. Dergelijke incidenten hebben een grote impact op de omgeving. Mede naar aanleiding van deze incidenten zijn er risicorelevante bedrijven - oftewel bedrijven die niet onder Seveso vallen, maar wel een wezenlijk risico vertegenwoordigen – benoemd, waarvoor een vaste bezoekfrequentie geldt. Ook in 2026 neemt de ODBN naar verwachting deel aan het Brabants platform Risicorelevante bedrijven, het platform van waaruit het toezicht op de risicorelevante bedrijven wordt aangestuurd. De Veiligheidsregio’s, waterschappen en de Brabantse omgevingsdiensten zijn op dit platform aangesloten en het richt zich op de pijlers Inhoud, Samenwerking en Uitstraling. Circulaire Economie Het Rijk zet stevig in op een circulaire economie met de ambitie om in 2050 helemaal circulair te zijn. Om dit doel te bereiken is er een tussenstap gemaakt, waarbij bedrijven in 2030 minimaal 50% minder mineralen, fossiele grondstoffen en metalen moeten gebruiken.

Om bij te dragen aan de transitie van de veehouderij nemen wij vanuit onze expertise en ervaring actief deel aan maatregelen en initiatieven die de transitie ondersteunen en beogen de ontstane onduidelijkheid en onzekerheid weg te nemen. Hiertoe werken wij onder andere samen met de landelijke, provinciale en lokale overheden. We zoeken, met inachtneming van onze positie, de afstemming met de andere (Brabantse) Omgevingsdiensten en, ten aanzien van het element volksgezondheid, de GGD’en.

Effecten 2026 en verder   In 2026 dragen wij verder bij aan het oplossen van het vraagstuk rondom de transitie van de veehouderij.   Ook in 2026 werken wij actief samen met de andere Brabantse Omgevingsdiensten en met de GGD’en op het gebied van volksgezondheid in relatie tot de veehouderij.

Industrie, circulaire economie en ketenaanpak & afval De vergunningverlening, toezicht en handhaving op industriële bedrijven is een belangrijk onderdeel van het takenpakket van de ODBN. Vandaar ook dat er in het Ontwikkelprogramma 2024 voor is gekozen om het onderwerp ‘industrie’ op te pakken. Onder dit thema scharen we onder andere de risicorelevante bedrijven, circulaire economie, de ketenaanpak en afval. Daarnaast moet genoemd worden dat we verwachten dat Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) de komende jaren meer aandacht vragen. Concreet moeten we inzichtelijk krijgen welke ZZS aanwezig zijn bij welke bedrijven, en welke maatregelen worden genomen om het gebruik van deze stoffen te vermijden en reduceren.

Voor omgevingsdiensten is circulaire economie op dit moment nog geen basistaak. De rol van de diensten op dit onderwerp is dan ook nog niet duidelijk. De provincie Noord-Brabant is wel een pilot gestart om de rol van omgevingsdiensten bij de circulaire economie te onderzoeken. Daarnaast onderzoekt de ODBN de eigen rol op het gebied van circulaire economie. De verwachting is dat er in 2026 meer duidelijkheid is over de positie van de ODBN op dit belangrijke onderwerp. Een grotere rol op het gebied van circulaire economie zal de nodige gevolgen hebben voor de taakuitvoering. Zo gaat dat meer capaciteit vragen, bijvoorbeeld om het onderdeel circulaire economie te verankeren in de vergunningen. In 2025 wordt het Circulaire Materialenplan (CMP) opgesteld, als opvolger van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3). Het CMP ondersteunt de transitie naar een circulaire economie. Het biedt bedrijven de benodigde handvatten om circulair te produceren en biedt voor overheden de kaders voor vergunningverlening. Het CMP geeft informatie over alle fasen van een materiaalketen, van ontwerp tot en met verwerking en hergebruik, in plaats van alleen over afval zoals in het LAP3. Bevoegde gezagen moeten rekening houden met het CMP bij hun besluiten, zoals in omgevingsvergunningen. Voor bedrijven kan het betekenen dat vergunningen moeten worden aangepast.

We verwachten dat de transitie naar een circulaire economie de komende jaren wettelijk wordt verankerd. Met een dergelijke ‘CE-wet’ wordt gestreefd naar een helder en eenduidig wettelijk kader dat weergeeft wat de doelen zijn van de rijksoverheid voor de circulaire economie en welk huidig en toekomstig instrumentarium kan worden ingezet om die doelen te bereiken. De wetgever beoogt daarmee om het wettelijk kader – dat nu nog gestoeld is op de oude lineaire denkwijze – te actualiseren. De ODBN volgt de ontwikkelingen hieromtrent en treft tijdig de benodigde voorbereidingen voor de invoering van dergelijke wetgeving.

Kadernota 2026

25

26

Ketenaanpak & afval Naast regulier toezicht kent ODBN verschillende specifieke werkwijzen, zoals de branche- en themaaanpak. Daarnaast hanteert de ODBN de zogenoemde ketenaanpak. Met ketentoezicht wordt niet het bedrijf centraal gesteld in het toezicht, maar de gehele keten van begin tot het einde. In een keten zijn meerdere bedrijven/actoren betrokken, vaak verspreid opererend door de provincie, het hele land of zelfs daarbuiten. Hierdoor zijn ketens gevoelig voor illegaliteit en milieucriminaliteit. Op het gebied van afval speelt vooral het ontbreken van zicht op afvalstromen en het ongewenst (milieugevaarlijk) gebruik en de opslag van afval een steeds belangrijkere rol. Afvalstromen – denk bijvoorbeeld aan mest, asbest of verontreinigde grond – kunnen in een keten verdwijnen. Voor de ODBN is het tegengaan van ongecontroleerde en milieuschadelijke afvalstromen van groot belang. Met de ketenaanpak wordt gepoogd de gehele keten in kaart te brengen en te controleren om illegale afvalstromen tegen te gaan. Ook in 2026 werkt de ODBN mee aan diverse ketenprojecten op verschillende thema’s als asbest, bodem en afval. Door de inzet van betere data krijgen we steeds meer grip op de afvalstromen in onze regio. De verwachting is dat nieuwe afvalstromen – zoals e-waste en biovergisters – een steeds belangrijke rol gaan spelen.

Dit kan in de toekomst meegenomen worden in de ketenaanpak, of belanden in een specifieke brancheaanpak voor bedrijven die deze nieuwe afvalstromen verwerken.

Effecten 2026 en verder   We moeten steeds beter inzichtelijk maken welke bedrijven in onze regio werken met welke ZZS.   Ook in 2026 nemen we deel aan het Brabants Platform Risicorelevante bedrijven   We onderzoeken samen met onze deelnemers de rol van de ODBN op het gebied van circulaire economie.   We verwachten meer actualisaties van vergunningen in het kader van het Circulaire Materialenplan.   We houden de totstandkoming van een ‘CE-wet’ en de gevolgen ervan voor de uitvoering nauwlettend in de gaten.   We verwachten steeds beter grip te krijgen op verschillende ketens, onder andere door de inzet van betere data.

is niet ondenkbaar dat wij hier in de toekomst meer bij betrokken worden. Zo zouden wij in de vergunningverlening rekening kunnen houden met de mogelijkheden om water in tijden van overschotten op te slaan voor periodes van droogte. Waterkwaliteit Niet alleen de waterkwantiteit, maar ook de kwaliteit van het water behoeft aandacht. Het is slecht gesteld met de Nederlandse waterkwaliteit. Slechts 2% van onze oppervlaktewateren voldoen aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Het gaat daarbij zowel om de aanwezigheid van schadelijke stoffen als de biodiversiteit in het water. Stoffen als PFAS, stikstof en fosfaat hebben allemaal een schadelijke invloed op de kwaliteit van en biodiversiteit in en rondom het water. De ODBN controleert op zogeheten indirecte lozingen: het lozen van (vervuild) water op het riool dat via die weg in het oppervlaktewater terecht komt. Het is onmogelijk om alle stoffen bij de waterzuivering te verwijderen. Daarom hebben wij als taak erop toe te zien dat de normen voor lozingen worden nageleefd om de toevoer van schadelijke stoffen naar de zuivering te beperken. Het is echter lang niet altijd eenvoudig om te achterhalen welke stoffen op het water geloosd worden en waar deze vandaan komen. Vanaf eind 2027 moet elk land in de EU aan deze kaderrichtlijn voldoen.

Dit betekent dat 2026 het laatste jaar is waarin nog extra plannen kunnen worden gemaakt om bij te zetten of bij te sturen om de doelstellingen te halen. 2027 is het laatste uitvoerings- en metingsjaar. De kans is groot dat in 2026 en 2027 wordt gekoerst op een beleidsintensivering gericht op het (waar mogelijk) behalen van de kaderrichtlijn. Dit kan een groter beroep doen op de capaciteit van de ODBN. Het

Water Nederland en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Waterkwantiteit en -kwaliteit blijven belangrijke thema’s. Waterkwantiteit De afgelopen jaren hebben we te maken gehad met langdurig aanhoudende droogte of juist periodes met bovengemiddeld veel neerslag. Onder invloed van de klimaatverandering is de verwachting dat deze weerextremen steeds vaker voorkomen. De vraag is hoe we deze kunnen opvangen. De rol van de ODBN op het vlak van watergebruik is tot op heden beperkt, maar het

Kadernota 2026

27

28

Informatiegestuurd werken Bij de uitvoering van onze taken, verzamelen we veel verschillende data. Steeds meer collega’s zien de waarde van data en maken er gebruik van bij hun werk. Daarnaast worden data in toenemende mate gebruikt om risico’s te identificeren en VTH-taken te prioriteren. Op deze manier kunnen wij als ODBN steeds beter risicogericht en efficiënter gaan werken. Het toenemende gebruik van data zorgt er wel voor dat data beschikbaar en van voldoende kwaliteit moeten zijn. In onze datastrategie is uitgewerkt hoe we werken aan onze doelstellingen op het gebied van informatiegestuurd werken, die doorlopen tot 2028. Voor 2026 voorzien we de volgende ontwikkelingen:

is niet ondenkbaar dat we – in lijn met de waargenomen juridisering van de leefomgeving – vanaf 2027 ook steeds meer juridische procedures gaan zien, waarbij gepoogd wordt via de rechter maatregelen af te dwingen om te voldoen aan de normen voor de waterkwaliteit. Belangrijk is in dat kader het achteruitgangsverbod in de KRW. Voor elke activiteit die leidt tot vermindering van de kwaliteit van het oppervlaktewater bestaat het risico dat geëist wordt om deze stil te leggen, zolang niet aan de doelen is voldaan. Om onze bijdrage te leveren aan de doelstellingen met betrekking tot de waterkwaliteit, zetten wij in op goede samenwerking met de waterschappen. Zij kunnen ons adviseren over vergunningen en ons voorzien van gegevens van de waterkwaliteit om risicogericht te controleren op indirecte lozingen. Daarnaast leiden wij onze mensen extra op om risico’s van indirecte lozingen te herkennen en erop te kunnen acteren.

Effecten 2026 en verder   We onderzoeken de rol van de ODBN ten aanzien van de waterkwantiteit.   We verwachten een beleidsintensivering om te voldoen aan de eisen uit de kaderrichtlijn water, met de nodige gevolgen voor onze taakuitvoering.   We blijven inzetten op samenwerking en nauwe banden met de waterschappen en leveren een bijdrage aan de waterkwaliteit vanuit onze rol als omgevingsdienst, bijvoorbeeld op het gebied van indirecte lozingen.

➜ In 2026 is de uitvoering van de datastrategie in volle gang. Jaarlijks worden doelen en prioriteiten gesteld waaraan dat jaar wordt gewerkt, rekening houdend met de laatste innovaties en ontwikkelingen op het gebied van data. Dit zijn onderwerpen zoals data architectuur, data governance, dataproducten, datageletterdheid en dataethiek. De uitvoering van de datastrategie betekent ook dat meer collega’s met data gaan werken en er duidelijkere richtlijnen komen met betrekking tot het beheer en gebruik van data. ➜ Gestimuleerd door het IBP-programma Versterking VTH verwachten we dat de komende jaren landelijk steeds meer afspraken gemaakt worden over het uitwisselen van data, het gezamenlijk gebruik van datamodellen en het inrichten van een uniforme architectuur. Dit betekent dat onze collega’s eenvoudiger gegevens binnen hun vakgebied kunnen vergelijken met gegevens van andere diensten. Dit vergroot de samenwerking en effectiviteit van onze taken. ➜ Binnen het vakgebied Artificiële intelligentie (AI) zijn grote stappen gezet, zeker op het gebied generatieve AI (zoals ChatGPT). In toenemende mate is AI in staat om zelf teksten en afbeeldingen te maken. Deze ontwikkelingen kunnen mogelijkheden bieden om ons werk effectiever en efficiënter te maken. Wel moet rekening gehouden worden met aspecten zoals ethiek, privacy en de betrouwbaarheid van de gegenereerde output.

De exacte impact is pas te bepalen als concrete projecten gaan lopen. Op dit moment zijn deze projecten er nog niet, maar gelet op de snelheid van de ontwikkelingen lijkt het onvermijdelijk dat dit in de toekomst een belangrijke rol gaat spelen.

Effecten 2026 en verder   De implementatie van de datastrategie draagt bij aan het verder bestendigen van het informatiegestuurd werken binnen de ODBN.   Landelijke afspraken rondom het uitwisselen van data, het gezamenlijk gebruik van datamodellen en een uniforme architectuur zullen zorgen voor een verbeterde samenwerking tussen stelselpartners.   De eerste toepassingen van generatieve AI in de organisatie worden de komende jaren zichtbaar.

Kadernota 2026

29

30

2.2 SSiB Samen Sterk in Brabant (SSiB) is een provinciebrede samenwerkingsvorm – onder formeel werkgeverschap van de ODBN – waarin gemeenten, provincie, terreinbeherende organisaties, particuliere grondeigenaren, waterschappen en waterwinbedrijven participeren. Samen met het netwerk wordt gewerkt aan een schoon, veilig en groen buitengebied. SSiB handhaaft op zaken als stroperij, wildcrossen, afvaldumpingen en het overtreden van de toegangsbepalingen. Daarbij kan SSiB onder andere steunen op een eigen handhavingsteam, dat samen met boa’s van de handhavingspartners en met ondersteuning van de politie optreedt in de Brabantse natuur- en buitengebieden. SSiB hanteert een eigen planning en controle-cyclus, inclusief bijbehorende documenten zoals het meerjarenprogramma en het jaarverslag. Zie hiervoor www.ssibbrabant.nl.

De burger wordt mondiger en dat zien we terug in stijgende landelijke klachtenpatroon. In onze regio hebben we ook jaren te maken gehad met een stijging in het aantal klachten, waarbij het aantal klachten in de periode tussen 2018 en 2022 is gegroeid van een kleine 3.500 tot ruim 5.600 klachten. Sindsdien is het aantal klachten gestabiliseerd en hebben we zelfs een daling kunnen waarnemen. Desondanks blijft het aantal klachten hoog. De komende jaren proberen we de klachten steeds beter te analyseren om in kaart te brengen wat er werkelijk speelt.

Effecten 2026 en verder   We verwachten steeds beter in te schatten hoe en waarom het klachtenpatroon zich ontwikkelt zoals het zich ontwikkelt.

2.4 Beheer stortplaatsen De ODBN heeft nog een gesloten stortplaats in beheer. Het betreft de Voorste Heide in Oss. Ambtelijk zijn er initiatieven genomen om ook deze stortplaats over te dragen aan een daartoe opgerichte organisatie die de eeuwigdurende nazorg professioneel beheert. Het proces verloopt echter moeizaam.

t.nl n a b a r b b i s .s w ww

2.3 Ontwikkelingen binnen de Milieuklachtencentrale (MKC)

De voorziening die op onze balans rust wordt jaarlijks herzien op basis van actueel beheer en geldend regelgeving voor de berekening. We zien de laatste jaren dat er moet worden aangevuld vanwege uitgevoerde werkzaamheden, indexatie en veranderde rekenmethoden. Dit leidt tot een evenredige bijdrage per deelnemer voor het op peil houden van deze voorziening. Voorgesteld wordt om de rentebaten gerelateerd aan deze voorziening hiervoor te bestemmen.

Effecten 2026 en verder   Het aandeel in de rentebaten dat wordt ontvangen op de voorziening Voorste Heide wordt primair ingezet ter dekking dan wel demping van het financieel effect van de jaarlijkse actualisatie.

Voor de gemeenten en de provincie voert de ODBN de millieuklachtenregeling uit. Burgers kunnen melding doen bij de milieuklachtencentrale als zij overlast ervaren van bedrijven of (particuliere) handelingen die (mogelijk) in strijd zijn met de wetgeving, bijvoorbeeld wanneer sprake is van geluidsoverlast, geuroverlast of bodemverontreiniging. De MilieuKlachtenCentrale (MKC) is een samenwerkingsconstructie van de Brabantse omgevingsdiensten. De MKC zet de klacht vervolgens door naar de betrokken omgevingsdienst.

Kadernota 2026

31

32

Ontwikkelingen in de Individuele dienstverlening

33

23

Kadernota 2026

34

3 O  ntwikkelingen in de Individuele Dienstverlening

35

Inhoud programma Het programma Individuele Dienstverlening sluit aan op de uitvoeringsprogramma’s en opdrachten die we met onze deelnemers vaststellen. Het gaat om onze kerntaken: vergunningverlening, toezicht, handhaving en advisering op het gebied van milieu, natuurbescherming, ruimtelijke ontwikkeling en omgevingsrecht. Voor de basistaken geldt dat onze deelnemers deze bij de ODBN neer dienen te leggen. Voor de (overige) verzoektaken geldt dat deelnemers zelf in afstemming met de ODBN de afweging maken of en in welke omvang deze belegd worden bij de ODBN.

3.1 Uitvoering van onze kerntaken Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn onze kernactiviteiten samen met onze meer specialistische taken op het gebied van onder andere asbest, energie en bodem en onze specialistische adviserende dienstverlening. Alle ontwikkelingen in deze kadernota hebben een relatie met de uitvoering van deze taken. Omgevingswet Nu de omgevingswet 1 januari 2024 van kracht is geworden, speelt de omgevingswet een minder bepalende rol in de kadernota dan voorgaande jaren. Hoewel de wet nu is doorgevoerd en onderdeel is van de dagelijkse praktijk, blijven we werken aan de interpretatie en doorontwikkeling van dit nieuwe wettelijke stelsel. Daarbij speelt het inspelen op nieuwe jurisprudentie rond de Omgevingswet een belangrijke rol. Denk bijvoorbeeld aan het acteren op jurisprudentie over de (algemene en specifieke) zorgplicht. In 2026 worden naar verwachting twee landelijke tussentijdse evaluaties uitgevoerd over het functioneren van het wettelijke stelsel in de praktijk. Op basis van deze evaluaties en de ervaringen van overheden en bedrijven kunnen er nog kleine aanpassingen in het stelsel aangebracht worden. Ook deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op onze taakuitvoering.

Uitvoerings- en Handhavingsstrategie In 2025 werken we onder de nieuwe Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025-2028 (U&Hstrategie), de opvolger van het voormalige Regionaal Operationeel Kader Toezicht & Handhaving) ROK-TH en het Regionaal Operationeel Kader Vergunningverlening (ROK-VV). De U&H-strategie vormt het kader waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan vergunningverlening, toezicht en handhaving. De U&H-strategie is gebaseerd op een omgevingsanalyse waarin de voornaamste ontwikkelingen in onze omgeving zijn geschetst. De U&H-strategie bevat een set doelstellingen voor onze taakuitvoering. Op deze doelstellingen zullen we jaarlijks de voortgang monitoren, en zo nodig de doelstellingen bijstellen.

ODBN dáár in te zetten waar de risico’s en het te bereiken effect het grootst zijn. Jaarlijks worden bestaande inhoudelijke prioriteiten voor vergunningverlening, toezicht en handhaving geëvalueerd en waar nodig bijgesteld, gebruikmakend van de kennis van de medewerkers en de informatie die uit data gedestilleerd kan worden. Dit gebeurt in nauwe afstemming met de deelnemende gemeenten, waarbij ook bestuurlijke prioriteiten worden meegewogen.

Effecten 2026 en verder  D e komende jaren breidt de jurisprudentie rond de Omgevingswet verder uit. We vertalen de jurisprudentie naar de wijze waarop wij onze taken uitvoeren.  M ogelijk volgen in 2026 nog enkele wijzingen in de Omgevingswet naar aanleiding van landelijke evaluaties. We houden eventuele gevolgen voor de taakuitvoering nauwlettend in de gaten.  V  anaf 2025 werken we onder de nieuwe Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.  I n 2025 werken we met doelstellingen voor de ODBN op concrete thema’s die we periodiek zullen monitoren en evalueren.

Onderdeel van de nieuwe U&H-strategie is een jaarlijkse terugkerende analysesystematiek waarmee de problemen bij het naleven van de milieuwetgeving in kaart worden gebracht en inhoudelijke prioriteiten gesteld worden. Het doel van dit analysemodel is om de beschikbare capaciteit van de Kadernota 2026

36

3.1.1 Vergunningverlening Als ODBN verzorgen we de vergunningverlening en ontheffingen op het gebied van milieu en natuur voor onze deelnemers. Onder vergunningverlening verstaan we: het voorbereiden van beschikkingen tot het verlenen, wijzigen, intrekken of weigeren van omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu en het beoordelen van meldingen, het voorbereiden van beschikkingen (toestemming om andere gelijkwaardige maatregelen te treffen) en het opstellen van (maatwerk) voorschriften. In 2026 voeren we onze taken voor wat betreft vergunningverlening uit in overeenstemming met de nieuwe Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025-2028 (U&H-strategie). Voor de provinciale taken geldt daarnaast het ‘Instrumenteel kader vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht’. Veel vergunningszaken die we op dit moment afhandelen, vallen nog onder het oude wettelijke stelsel. Daarom is het effect van de Omgevingswet in de praktijk nog niet geheel zichtbaar. Dat betekent bijvoorbeeld dat nog geen uitsluitsel gegeven kan worden over de mogelijke verschuiving van vergunningverlening naar toezicht- en handhaving waarover in het verleden is gespeculeerd. Deze verschuiving zou samenhangen met het feit dat onder het nieuwe stelsel veel activiteiten die vergunningsplichtig waren, meldingsplichtig zijn geworden.

Dat zou consequenties kunnen hebben voor de werkvoorraad van onze vergunningverleners, maar de precieze gevolgen voor onze capaciteit en prioritering worden pas helder als we wat langer onder de Omgevingswet hebben gewerkt.

Wel zien we dat het werk van onze vergunningverleners steeds complexer wordt. Dit komt deels doordat we een deel van de taken – met name de meldingen – risicogericht willen oppakken. Dat betekent dat de relatief eenvoudige zaken bijvoorbeeld administratief afgehandeld kunnen worden. Wat overblijft is de complexere casuïstiek, die een groter beroep doet op onze kennis en kunde. We constateren dat in onze regio verschillend wordt omgegaan met de ruimte die de Omgevingswet laat voor het heffen van leges. Een mogelijk effect van de hogere leges is dat bedrijven ons verzoeken om een vergunning ambtshalve te actualiseren, in plaats van actief zelf een vergunning aan te vragen, om op die manier de leges te omzeilen. Het ligt niet voor de hand dat we daaraan mee gaan werken. Wel zou het goed zijn als onze deelnemers in ogenschouw nemen dat de grote regionale verschillen in het heffen van leges niet bijdragen aan een gelijk speelveld. Voor de komende jaren hebben we een belangrijke uitdaging in het dempen van de grote schommelingen in onze werkvoorraad. We zien dat ons werk steeds vaker hele grote pieken kent, tegenover periodes waarin bijvoorbeeld de vergunningverlening stagneert. Een voorbeeld daarvan is die van de stallendeadline, waarbij veel vergunningsaanvragen tot het laatst zijn uitgesteld, met alle gevolgen van dien voor onze werkvoorraad.

Gelet op de ontwikkelingen rond de mestcrisis en de Kaderrichtlijn Water is het helemaal niet uit te sluiten dat we in de toekomst met vergelijkbare pieken en dalen geconfronteerd worden.

Kadernota 2026

37

38

39

Effecten 2026 en verder  D e gevolgen van de Omgevingswet op de vergunningverlening worden goeddeels pas in 2025 duidelijk.  W e zien grote verschillen in het heffen van leges en benadrukken het belang van een regionaal gelijk speelveld.  W e streven naar een werkwijze waarmee we de grote pieken (en dalen) in de vergunningverlening kunnen dempen.  O ns werk wordt steeds complexer als gevolg van de risicogerichte aanpak, waarbij vooral de meest complexe zaken voor onze vergunningverleners overblijven.

3.1.2 Toezicht Naast vergunningverlening verzorgt de ODBN het toezicht op naleving van de milieuregels. In 2026 voeren we onze toezichttaken uit onder het nieuwe uitvoerings- en handhavingskader. Net als voor vergunningverlening geldt voor toezicht dat we onze provinciale toezichttaken blijven uitvoeren in overeenstemming met het Instrumenteel kader vergunningverlening, toezicht en handhaving. Vanuit onze toezichthoudende rol willen we daar zijn waar we het verschil kunnen maken. Daarvoor zetten we in op innovatie, zoals het gebruik van drones bij ons toezicht. Daarnaast maken we gebruik van onze steeds betere informatiepositie om gerichtere controles uit te kunnen voeren. In de toekomst is het te voorzien dat we ook gebruik maken van nieuwe technieken als AI om onze toezichttaken doeltreffender en doelmatiger uit te kunnen voeren. Binnen toezicht groeit het belang van het zogenoemde ‘risicomodel milieutoezicht’. Het risicomodel bestaat uit drie factoren – kans op overtreding, milieueffect en de tijd sinds de laatste controle – die tezamen leiden tot een risicoscore. Met deze scores kan een slimme selectie van bedrijven gemaakt worden en kan het toezicht daar plaatsvinden waar de (milieu)risico’s het grootste zijn. Bovendien kan tijdens het toezicht meer aandacht worden besteed aan de belangrijkste risico’s.

De komende jaren werken we aan verbeteringen in het risicomodel, onder andere door gericht controles uit te voeren om ook de datakwaliteit die ten grondslag ligt aan het model te verbeteren. Voorgaande werkwijze betekent net als voor vergunningverlening dat het toezichtwerk complexer wordt. Met het risicomodel zijn we immers snel bij de relatief ‘zwaardere’ zaken.

Effecten 2026 en verder  W e verwachten steeds effectiever toezicht te kunnen houden door de inzet van nieuwe technieken en innovaties.  H et risicomodel krijgt in toezicht een steeds belangrijkere rol en helpt ons om daar te zijn waar we het grootste effect kunnen bereiken.  Toezicht wordt complexer doordat we steeds risicogerichter werken.

3.1.3 Handhaving Handhaving – zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk – is één van onze instrumenten om bij te kunnen dragen aan een schone, veilige en duurzame leefomgeving. Hoewel handhaving – en zeker strafrechtelijke handhaving – nooit een doel op zichzelf mag zijn, is het wel een belangrijk middel wanneer naleving van de wet- en regelgeving uitblijft. Handhaving vraagt om intensieve samenwerking tussen de diverse handhavingspartners. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om verschillende instanties in de zogenoemde strafrechtketen – denk aan de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de omgevingsdiensten – maar ook om samenwerking binnen de ODBN, tussen toezichthouders, juristen en boa’s. Gezamenlijk dragen we zorg voor de handhaving van het omgevingsrecht. Intern werken we aan de verbetering van de afstemming tussen medewerkers binnen toezicht en handhaving. In 2026 hebben we twee jaar gewerkt met de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO), de opvolger van de LHS. In 2024 hebben we een project afgerond waarmee we de LHSO hebben geïmplementeerd binnen de organisatie. De komende jaren verwachten we de vruchten te plukken van de in dat kader tot stand gekomen nieuwe werkwijzen, -afspraken en -processen.

Kadernota 2026

40

41

Onderwijl werken wij ook aan de verdere bestendiging van de samenwerking met onze handhavingspartners. We stellen vast dat hoewel we elkaar op casusniveau weten te vinden, we in de tactisch en strategische afstemming met onze partners nog iets te winnen hebben. Daarom hebben we samen met de andere Brabantse Omgevingsdiensten een opdracht uitgeschreven om de overlegstructuur op het gebied van strafrechtelijke handhaving verder uit te werken, in navolging op het in 2024 verschenen ‘samenwerkingsmodel bestuursrecht-strafrecht’ uit het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH. We verwachten de formele overlegstructuur in 2025 opgetuigd te hebben, waarna we gezamenlijk kunnen toewerken naar gezamenlijke doelen en prioriteiten ten aanzien van bestuurs- en strafrecht en goed afstemde werkwijzen.

Effecten 2026 en verder  W e verwachten de komende jaren steeds intensiever samen te kunnen werken met onze handhavingspartners.  D e komende jaren verwachten we een toename in het aantal strafzaken als resultaat van nieuwe werkwijzen, processen en werkafspraken (intern) en de hiervoor genoemde samenwerking met de handhavingspartners (extern).

3.2 Natuurbescherming De Omgevingswet bevat de regels op het gebied van natuurbescherming, die voor 1 januari 2024 opgenomen waren in de Wet Natuurbescherming. De wet regelt zo de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa en de bescherming van planten, dieren, bossen en andere houtopstanden. De ODBN verzorgt namens de provincie Noord-Brabant de vergunningverlening en de ontheffingen op het gebied van natuurbescherming. Daarnaast wordt ook de gemeentelijke opgave op het onderdeel natuur steeds meer ingevuld door de ODBN. In 2024 is de Europese Natuurherstelwet aangenomen. De wet omvat herstelmaatregelen die ervoor moeten zorgen dat in 2030 ten minste 20% van de land- en zeegebieden van de EU hersteld is, en in 2050 alle aangetaste ecosystemen. Met deze wet krijgt Nederland er diverse inspanningsverplichtingen bij ten aanzien van de natuurbescherming. Lidstaten moeten naar verwachting nationale herstelplannen opstellen, waarin wordt aangegeven hoe de doelstellingen verwezenlijkt worden. Welke gevolgen dit heeft voor ons takenpakket is nog onduidelijk. De aandacht voor gebiedsbescherming en soortenbescherming blijft de komende jaren dus onverminderd hoog.

Deels is een toename te verwachten van het aantal bedrijven (en woningen) dat verduurzaamt, waarbij de daarbij behorende renovaties VTH-werkzaamheden ten aanzien van soortenbescherming (flora en fauna) zullen (blijven) ‘uitlokken’, met een toename van het aantal vergunningaanvragen. Het intensievere gebruik van de groene ruimte leidt tot meer druk op (benodigde inzet voor) de betrokken toezichts- en handhavingstaken.

Kadernota 2026

42

3.2.1 Gebieden (Natura 2000) De stikstofproblematiek heeft een grote invloed op onze taakuitvoering. Grote delen van ons werkgebied zijn onderdeel van Natuurnetwerk Brabant/Nederland en daarnaast kennen wij verschillende Natura 2000-gebieden. Tegelijkertijd kent onze regio een hoge concentratie van intensieve veehouderijen. Veel Natura 2000-gebieden voldoen niet aan de natuurdoelstellingen en onze regio vormt daarop geen uitzondering. De vergunningverlening stokt doordat het bestaande beleid ontoereikend is om de doelstellingen uit de habitatrichtlijn te behalen. Als ODBN denken we ondanks de uitdagingen graag mee hoe we ontwikkelingen mogelijk kunnen maken. Zo pakken wij onze rol als uitvoeringsdeskundige door in gesprek te blijven met de beleidsmakers bij de provincie, maar ook door landelijk onze visie op de problematiek en mogelijke oplossingen aan te dragen. Zo hebben we een signaalfunctie richting Rijk en provincie om tot uitvoerbaar beleid te komen. Om bij te dragen aan de ruimte voor nieuwe ontwikkelingen zal in 2026 mogelijk ook actief intrekken van vergunningen aan de orde zijn. De provincie heeft daarvoor voor 2026 waarschijnlijk beleid opgesteld, waarna de ODBN de uitvoering daarvan op kan pakken. Ook het intrekken van milieuvergunningen zal naar verwachting vaker plaats gaan vinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15050667/1