III Toelichting
Tekst van het document
de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op het spoor een ramp voordoet. Bestrijdbaarheid Voor wat betreft de (spoor)wegen zijn gelet op de tussenliggende afstand uitsluitend risico's in verband met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario) en BLEVE relevant. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Zelfredzaamheid Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het maatgevende scenario), biedt ‘schuilen’ in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.
Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwingen AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Binnen het plangebied sprake is van permanente zorg en toezicht om de minder zelfredzame personen te begeleiden. Middels uitbreiding van het bedrijfsnoodplan met het toxisch scenario, zodat tijdig de ventilatie wordt afgesloten kan binnen geschuild worden. Ondanks dat er sprake is van niet-zelfredzame personen, wordt hiermee voldoende veiligheid geboden. Advies Veiligheidsregio Door de veiligheidsregio is op 19 januari 2021 advies uitgebracht. Door de veiligheidsregio is aangegeven dat incidenten op spoor en weg tot twee scenario's kunnen leiden die reiken over het plangebied.
Dit is een BLEVE (gas-explosie), deze kan ontstaan wanneer een tankwagen of tankwagon bezwijkt. De impact ligt op 320 meter. Uitsluitend personen die buiten zijn kunnen slachtoffer worden van een dergelijke explosie. En een toxische wolk. Die kan ontstaan wanneer een tankwagen of tankwagon met een toxische lading een ongeluk krijgt. De gevolgen zijn dan vaak afhankelijk van de soort stof, de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Advies De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: Informeer met name de BHV organisatie en eigenaar van de zorginstelling actief over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Adviseer hen om het beschreven scenario in het noodplan op te nemen en te beoefenen; Voor de functie zorg in een monumentaal pand is een bluswaterbehoefte van 60 m³ binnen 3 minuten en 120 m³ binnen 15 minuten. Dit wordt nabij het plangebied niet gehaald. Geadviseerd wordt om een bluswatervoorziening van 90 m³ per uur voor minimaal 4 uur te realiseren nabij het plangebied. Afweging Ad.1. Met het opnemen van het toxisch scenario in het bedrijfsnoodplan en het tijdig afsluiten van de ventilatie wordt voldoende veiligheid geboden voor de bewoners. 41
Ad. 2. Aangezien het incident op meer dan 300 meter van de planlocatie plaatsvindt, wordt geen gevolg gegeven aan de bluswatervoorziening die door de veilgiheidsregio is geadviseerd. Nabij het spoor, waar het incident plaatsvindt, moet voldoende bluswater aanwezig zijn om een toxische wolk neer te kunnen slaan of een warme BLEVE te voorkomen. Deze bluswatervoorziening nabij de planlocatie aanbrengen heeft geen meerwaarde. Conclusies en restrisico's Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na het nemen van maatregelen. Vanwege de ligging van het plan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Uit het bovenstaande blijkt dat het plan in lijn is met vigerende wet- en regelgeving en het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Verder worden de beperkte restrisico's acceptabel geacht. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
5.7
Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Beoordeling Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m³.
Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Op de navolgende weergave van de berekening is te zien dat zelfs bij een aantal van 1.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal met een aandeel vrachtverkeer van 1%, een project niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals weergegeven in paragraaf 3.3 is in het voorliggende geval slechts sprake van een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.
42
Figuur 5.2: Weergave berekening NIBM-tool d.d. 03-12-2020.
Zoals reeds aangegeven, is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde. In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' is de actuele luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke NSL-Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in de omgeving van het plangebied onder 35 µg/m³ liggen. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m³). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 20 µg/m³ gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m³. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt kortom geen belemmering.
5.8
Bodem
Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Beoordeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een vooronderzoek bodem conform NEN5725 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Op basis van de resultaten van het bodemvooronderzoek wordt geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Voor de aan te vragen omgevingsvergunning dient de kwaliteit van de bodem alsnog te worden onderzocht (en overlegd) via een verkennend bodemonderzoek.
Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de voormalige ondergrondse tank. Verder is de locatie onverdacht op de aanwezigheid van asbest. Echter, als visuele waarnemingen bij het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek aanleiding geven hier nader naar te kijken, is een onderzoek naar asbest alsnog nodig.
43
5.9
Niet gesprongen explosieven (NGE)
Het plangebied ligt in een zone 'verdacht op geschutsmunitie'. In hoeverre het werkelijk nu nog verdacht is hangt af van grondverzet sinds 1945. Als er na 1945 ter plaatse veel gegraven is, kan ervan uitgegaan worden dat er momenteel geen NGE meer aanwezig zijn. Uit historische kaarten blijkt dat het plangebied en de directe omgeving tussen 1945 en 1970 ingrijpend veranderd is, waarbij waarschijnlijk ook veelvuldig grondverzet is uitgevoerd. Het risico op aantreffen van NGE is op basis van deze gegevens dan ook laag. Wel wordt de initiatiefnemer hierop gewezen. Om de risico's volledig uit te sluiten zou eventueel opsporingsonderzoek gedaan kunnen worden door initiatiefnemer. De keuze hiervoor is aan de initiatiefnemer en de aannemer zelf. Het gegeven dat het plangebied binnen de zone 'verdacht op geschutsmunitie' ligt, vormt geen belemmering in relatie tot het voorliggende bestemmingsplan.
5.10
Geur
Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de omgeving van het plangebied in het centrumgebied van Rosmalen en op ruime afstand van agrarische gebieden, is geur hier geen relevant aspect. Ook bevinden er zich geen andere geurproducerende (industriële) bedrijven in het centrumgebied van Rosmalen. Nader onderzoek kan achterwege blijven. Een goed woon- en leefklimaat vanuit het aspect geur is voldoende verzekerd.
5.11
Hoogspanningslijnen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
Beoordeling De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005 en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. In het voorliggende geval zijn geen hoogspanningslijnen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het voorzorgsbeginsel staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
5.12
Water
Inleiding In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting va dit bestemmingsplan. Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. In het Waterplan 2016 staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en 44
Grondwater. Het Waterplan en de hemelwaterverordening zijn vastgesteld door de gemeenteraad in januari 2017. De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Voorkom vervuiling van (regen)water; Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden; Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik; 2. Infiltratie/bergen; 3. Vertraagde afvoer; Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties; Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv.
ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke; Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen; Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein; Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan. Huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een parochiegebouw met een oppervlakte van circa 280 m² met een ruime, groene parochietuin en bijbehorende verhardingen. Toekomstige situatie en waterbergingsopgave De nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 190,5 m². Verder is voorzien in terrassen en paden van in totaal 150 m². De totale toevoeging aan verharding bedraagt daarmee 350,5 m². Het hemelwater wordt geïnfiltreerd binnen het plangebied middels ondergrondse infiltratievoorzieningen met een overstort op het riool. Hierin wordt waarschijnlijk voorzien middels infiltratiekratten.
Uitgaande van een minimale berging van 60 mm, bedraagt de benodigde inhoud van de infiltratievoorzieningen 21 m³. Voor extreme situaties (meer dan 60 mm neerslag) wordt een overstort gerealiseerd om lokale wateroverlast en schade te voorkomen op het riool. Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. Tot slot dient te worden opgemerkt dat bij de aanleg van de infiltratievoorzieningen rekening wordt gebouden met het advies op grond van het uitgevoerde archeologisch onderzoek om voor de aanleg van het systeem voor regenwaterinfiltratie tot maximaal 80 cm beneden het maaiveldniveau te ontgraven. Conclusie In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater en afvalwater. De uiteindelijke concrete uitwerking van de infiltratievoorzieningen vindt plaats in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag. Op dat moment zal ook aan de hand van het definitieve ontwerp de exacte benodigde infiltratiecapaciteit bepaald worden, met inbegrip van de wijze waarop hierin wordt voorzien. 45
5.13
Energie en duurzaamheid
Algemeen Nota Duurzaamheid In mei 2019 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Nota Duurzaamheid ('Samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch') vastgesteld. Overkoepelende doelstelling is dat 's-Hertogenbosch in 2050 duurzaam is. Deze doelstelling is vertaald in vier concrete ambities: Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving; CO2-neutrale gemeente; Waardebehoud van grondstoffen; Duurzame mobiliteit. Deze ambities zijn uitgewerkt in 17 concrete Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Naast deze ambities kent 's-Hertogenbosch ook een verstedelijkingsopgave. Aspecten zoals veiligheid en gezondheid zullen hierin moeten worden meegenomen. Per ambitie is in de Nota beschreven wat de gemeente wil bereiken en hoe men dit wil monitoren. Daarnaast zijn een aantal goede voorbeelden opgenomen, bedoeld als inspiratie voor alle betrokken partijen. Woonstichting JOOST wordt eigenaar van de nieuwe woonzorggemeenschap. De ambities vanuit het duurzaamheidsakkoord Duurzaam wonen, 's-Hertogenbosch 2018-2025 hebben betrekking op vier thema's die in onderstaande visie eveneens geraakt worden. Duurzaamheidsvisie Markt 1 Rosmalen In deze notitie staat beschreven hoe er bij het project 'woonzorggemeenschap Markt 1' wordt bijgedragen aan de duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch.
Ten aanzien van het project is per pijler beschreven welke wijze hier invulling wordt gegeven: Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening) Bij het ontwerp is zoveel als mogelijk rekening gehouden met het behoud van de aanwezige bomen. Op het terrein staat een monumentale zomereik die sowieso behouden moet blijven. De locatie wordt omzoomd door forse bomen, die initiatiefnemer en direct omwonden graag willen behouden. Door een slimme wijze van funderen blijven alle bomen aan de rand van de tuin dan ook behouden. Achterstallig groenonderhoud zal worden gepleegd die aan de levensduur ten gunste zal komen. De aanwezige biodiversiteit blijft eveneens zoveel mogelijk behouden en wordt zelfs verder uitgebreid. De nieuwbouw komt aan de zuidzijde van de tuin, waar nu een garage staat en deels een moestuin is gelegen. De moestuin wordt deels verplaatst en voortgezet, mede ondersteund vanuit de buurt. Een groot deel van de fruitbomen blijft gehandhaafd. Er zal op basis van de handreikingen van Natuurinclusief bouwen worden bekeken welke aanvullende voorzieningen kunnen worden getroffen in de vorm van het toevoegen van nestgelegenheid voor zwaluwen, mussen en vleermuizen, maar ook voorzieningen voor insecten in de groenwal.
Hierdoor ontstaat een heerlijke lommerrijke woon- en werkomgeving voor de bewoners van de nieuwe appartementen en de kamers in de pastorie. Een inclusieve samenleving waar buurtbewoners samen met bewoners de tuin onderhouden en de moestuin voortzetten. Waar op loopafstand reuring is te vinden, maar ook geborgenheid op het eigen terrein. Overeenkomstig de waterverordening wordt voorzien in 60 mm/m² waterberging van de nieuw te bouwen woningen en nieuw aan te leggen verhardingen. De waterberging zal plaatsvinden door het aanleggen van een 46
infiltratiekoffer aan de Oostzijde van de nieuwbouw, in de zone tussen de ingangen van de studio's en de erfgrens met de buren. Deze zone, waar de nog te slopen garage staat is in overleg met archeologie aangewezen als de meest geschikte plaats. Hier is extra bodemonderzoek voor gedaan en aangetoond dat de archeologische onderlaag niet verstoord wordt. CO2 neutrale omgeving (energie) De nieuwbouw is compact ontworpen wat gunstig is voor het energieverbruik en gebruik van materialen. De geïsoleerde schil wordt dusdanig ontworpen dat in combinatie met hoogwaardige kierdichting en een lage temperatuursysteem voldoende comfort gegeven wordt aan de bewoners. Het uitgangspunt voor de nieuwbouwwoningen is BENG. Voor het op temperatuur houden van deze woningen wordt gebruik gemaakt van luchtwarmtepompen, aardgasloos dus. Verder wordt voorzien in PV-panelen. De hellende daken zijn ten behoeve van de PV panelen naar het zuiden gepositioneerd. Wat het monument betreft is de visie om aan de buitenzijde niets te veranderen, daar wordt uitsluitend achterstallig onderhoud gepleegd. Er wordt ingezet om het energieverbruik te minimaliseren, dus goed te (na)isoleren. De vloeren zijn vaak het lastigst, hier worden (met name het oude hoofddeel) de vloeren voorzien van een geïsoleerde fermacellplaat alvorens daar de vloerafwerking wordt aangebracht.
De gevels in de pastorie zijn grotendeels al voorzien van voorzetwanden. Ontbrekende delen zullen worden aangebracht. Alle draaiende delen worden nagelopen op sluiting en kierdichting. Er wordt geen glas vervangen, wel wordt onderzocht of er voorzetramen kunnen worden gemonteerd. Het dak blijft ongewijzigd. De zolders zijn niet geschikt om als verblijfruimte in te richten. De spanten geven hiervoor te weinig vrijehoogte. In deze visie houden wij de thermische schil op zoldervloerniveau. In de kamers onder de zoldervloer worden nieuwe geïsoleerde plafonds aangebracht waardoor de warmte minimaal naar de zolder kan stijgen. Bij de platte daken wordt onderzocht of deze bij vervanging van de dakbedekking nog extra geïsoleerd kunnen worden. Deze details kennen aandacht vanwege een mogelijke verandering van het aangezicht van de dakranden. De elektrisch installatie wordt geheel vervangen aangezien er nu nog oude bekabeling aanwezig is. Gezien het toekomst gebruik zal er eveneens een brandmeld- en ontruimingsinstallatie worden aangelegd. Energieopwekking komt niet op de hellende daken. Dit vindt initiatiefnemer afbreuk doen aan het pand. Tevens is het gewicht van PV op de oude kap risicovol. PV panelen worden wel mogelijk geacht op de platte daken. Het verwarmen en koken geschied nu nog op gas. Koken wordt elektrisch gemaakt.
De verwarming blijft op hoge/ (middel) temperatuur en op gas, maar wordt wel zuiniger gemaakt door toepassen van o.a. thermostatische knoppen en het opnieuw inregelen van de CV-installatie, zowel waterzijdig als qua temperatuur. Er wordt onderzoek gedaan naar andere mogelijkheden van opwekking, hybride ketels e.d. Bouwkundig worden er sowieso voorzieningen opgenomen van techniekruimte naar zolder voor toekomstige installaties. Er zal een nieuw ventilatiesysteem worden aangelegd, waar mogelijk met warmteterugwinning, waarbij de teruggewonnen warmte wordt gebruik om het CV water voor te verwarmen. Alle sanitaire toestellen worden vervangen en zijn daarmee zuiniger dan de huidige voorzieningen. Mogelijk wordt er voorzien in een douche WTW. Door de gezamenlijkheid van de badkamer kan een WTW erg lonend zijn om de energievraag te beperken.
47
Aangezien de verbouwing nog uitgewerkt dient te worden liggen er nog kansen in het verschiet, zoals bovenstaand reeds aangegeven. Kansen die nog verder onderzocht moeten worden. Er zal nog een energiebesparingsonderzoek worden uitgevoerd die onderdeel wordt van de vergunningaanvraag voor de verbouw van de pastorie. Hierin wordt aangegeven wat er aanvullend aan bovenstaande voorzieningen wordt uitgevoerd na aanleiding van het gedane onderzoek. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Door de compacte vorm van de nieuwbouw wordt het gebruik van materialen gereduceerd. Ook wordt gekeken naar de materialen. De toe te passen materialen worden beoordeeld op milieu impact. Bij de uiteindelijke keuze van de materialen wordt naast de impact ook het kwaliteitsbelang gewogen, zodat het onderhoud en bewerkingen tijdens de gebruiksfase beperkt blijven. Door slim te ontwerpen kunnen de appartementen op een later moment eenvoudig inzetbaar blijven voor het huisvesten van andere doelgroepen. Het monument krijg een tweede leven, dat is al zeer circulair. Door het opnieuw te verbouwen en de langdurige huurovereenkomst die de zorgondernemer sluit met de woningbouwvereniging, is het monument langdurig geborgd. Dat maakt het duurzaam op gebied van waarde behoud van grondstoffen. Duurzame mobiliteit Er heeft geen invulling plaatsgevonden op het gebied van duurzame mobiliteit.
Gelet op de kleinschaligheid en de doelgroep leent het project zich ook niet om bij te dragen aan duurzame mobiliteit. De benodigde parkeergelegenheid wordt op eigen terrein ingevuld, hierdoor ontstaat er dus geen extra parkeerdruk in dit deel van het centrum. Er zullen in het plan wel 5 laadvoorzieningen voor elektrische fietsen worden voorzien. Conclusie Zoals hierboven beschreven draagt dit plan, en het nader uit te voeren energiebesparingsonderzoek, op een positieve manier bij aan de duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. Beoordeling De verstedelijkingsopgave voor 's-Hertogenbosch ziet onder meer op het bieden van voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor verschillende doelgroepen. Voor zorgbehoevenden ligt hier een specifieke opgave. Daarbij is van belang dat, zeker in geval van nieuwe initiatieven op het gebied van huisvesting en woningbouw, een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving centraal staat. Het plangebied biedt hiervoor al een aantal voorwaarden vanwege de groene karakteristiek van de parochietuin. Dit groene karakter blijft ook behouden en is een nadrukkelijke voorwaarde voor de beoogde ontwikkeling. Ook is door middel van onderzoek aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft onder meer akoestiek en luchtkwaliteit.
Realisatie van het plan is kortom in lijn met de ambities uit de Nota Duurzaamheid.
5.14
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een milieueffectrapport of een m.e.r.-beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.); b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist.
48
Beoordeling Ad a. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r.-plichtig aangezien deze niet voorkomen op de C-lijst. Een directe m.e.r.-plicht is daarmee niet aan de orde. Dit project kan mogelijk aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2) en om die reden m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Een stedelijk ontwikkelingsproject is direct m.e.r.- beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2.000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Gelet op de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling worden deze grenzen niet overschreden. Uit de in dit hoofdstuk genoemde onderzoeken en onderbouwingen blijkt dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu aanwezig en te verwachten zijn. Een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.-aanmeldingsnotitie wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Ad b. Het plangebied ligt in centrumstedelijk gebied en op circa 5,25 km van het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek.
De beoogde ontwikkelingen in het plangebied hebben geen significant negatief effect op het Natura 2000-gebied. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten. Één en ander wordt ook bevestigd door de resultaten van het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek (Kragten, 17 december 2020), zoals beschreven in paragraaf 5.15. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is daarom niet aan de orde. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. De conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen heeft voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Het bevoegd gezag heeft dan ook besloten dat voor de voorgenomen activiteit geen milieueffectrapportage nodig is.
5.15
Ecologie
5.15.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. 49
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.15.2 Quickscan flora en fauna In verband met de voorgenomen ontwikkelingen is een verkennend flora- en fauna onderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die als Bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen. Beschermde soorten Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij het renoveren van de pastorie en het realiseren van de wooneenheden in het oostelijk deel van de pastorietuin, mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende muizensoorten en egel binnen het onderzoeksgebied niet worden uitgesloten. Op de overige soortgroepen wordt geen negatief effect op beschermde soorten (of functies) verwacht. Onderstaand wordt dit per 50
soortgroep nader toegelicht. Broedvogels - rekening houden met broedseizoen bij werkzaamheden Binnen het onderzoeksgebied zijn ten tijde van het veldonderzoek geen jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen en/of nesten van algemene broedvogels aanwezig. Hoogstwaarschijnlijk komen soorten als merel en heggemus wel voor in de omgeving van het onderzoeksgebied. Van deze soorten is niet uit te sluiten dat zij tot broeden komen in de aanwezige struikbegroeiing en de klimop rondom de pastorie. Het is verder niet uit te sluiten dat in de periode tot aan en tijdens de werkzaamheden, alsnog vogels gaan broeden in een van de aanwezige bomen binnen het onderzoeksgebied. Werkzaamheden tijdens het broedseizoen kunnen hiermee mogelijk leiden tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) of het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). In gebruik zijnde nesten zijn beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield en/of verstoord worden bij de werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied.
Er dient derhalve gewerkt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Indien niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de bomen en/of het struweel die allen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden gelegen zijn. Indien nesten afwezig zijn kan het onderzoeksgebied vrijgegeven worden voor de werkzaamheden. Muizen (ware muizen, woel- en spitsmuizen) en egel - rekening houden met zorgplicht Voor algemeen voorkomende muizensoorten en egel bieden de struiken in de pastorietuin binnen het onderzoeksgebied geschikt leefgebied. Algemeen voorkomende muizensoorten en egel zijn in de verordening van provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen (in het kader van de zorgplicht) tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden.
Dit houdt in dat aangetroffen individuen bij de (graaf)werkzaamheden verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten worden in aanliggend gebied, buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Overige soortgroepen Voor de volgende soortgroepen geldt dat bij de verbouw van de pastorie en het realiseren van de studio's in het oostelijk deel van de pastorietuin geen negatieve effecten verwacht worden: flora, vleermuizen, overige grondgebonden zoogdieren (knaagdieren, marterachtigen, haasachtigen en overige zoogdieren), amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden - stikstofdepositieonderzoek Op voorhand kan niet met 100% zekerheid worden uitgesloten dat door stikstofdepositie (vermesting en verzuring) in de aanleg- en gebruiksfase negatieve effecten optreden op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiertoe dient een aanvullend stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden. Voor de overige verstoringsfactoren geldt dat hiervan geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden. Provinciale gebiedsbescherming - niet aan de orde Het volledige onderzoeksgebied is gelegen buiten het Natuurnetwerk Brabant. Negatieve gevolgen zijn redelijkerwijze uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Daarnaast valt het onderzoeksgebied niet binnen of in de buurt van de groene buffer, of strategische reservering natuur. Ook deze gebieden zullen bij de uitvoer van de plannen niet worden aangetast. Houtopstanden - niet aan de orde 51
Als gevolg van de nieuw te bouwen studio's dienen twee bomen te worden verwijderd. Voor enkele bomen rondom het bouwvlak geldt dat de kronen van de bomen deels binnen het toekomstige bouwvlak vallen. Deze bomen dienen deels gesnoeid te worden, zodat deze behouden kunnen blijven. Voor het overige blijven de bomen behouden en vinden hooguit snoeiwerkzaamheden plaats. Gelet hierop is artikel 4.2 Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing. 5.15.3 Onderzoek stikstofdepositie Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend flora en fauna onderzoek is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Daarnaast zijn aanvullende berekeningen uitgevoerd om de effecten van de ontwikkeling op een afstand van meer dan 5 km van het plangebied in beeld te brengen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situaties geen relevante significante cumulatieve effecten veroorzaakt ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen. 5.15.4 Conclusie Vanuit het aspect flora en fauna bestaan er met inachtneming van de in deze paragraaf genoemde voorwaarden, geen belemmeringen.
5.16
Archeologie en cultuurhistorie
De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel wordt bij m.e.r.-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek verlangd. Op basis van de archeologische verwachtingskaart ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Deze hoge verwachting is in het vigerende bestemmingsplan vertaald in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' met ondergrenzen voor onderzoek bij ingrepen met een bodemverstoringsoppervlak groter dan 25 m² en dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld.
52
Figuur 5.3: Uitsnede archeologische verwachtingskaart, met het plangebied aangeduid middels een zwarte pijl. Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling en de hoge archeologische verwachtingswaarde is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de beoogde nieuwbouw vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht, mits een bouwput niet dieper dan 0,8 m wordt ontgraven. In het voorliggende geval wordt de nieuwbouw geplaatst op palen. Het schroeven van de heipalen brengt slechts een geringe verstoring teweeg. Vanuit archeologisch oogpunt vormt dit kortom geen belemmering. Voor het overige geldt dat indien ingrepen in de bodem ter hoogte van het onderzochte gebied niet dieper reiken dan 90 cm beneden maaiveld, geen sprake is van een bedreiging van mogelijke archeologische resten. Daarom wordt geadviseerd om voor de aanleg van het systeem voor regenwaterinfiltratie tot maximaal 80 cm beneden het maaiveldniveau te ontgraven. Dit is met inbegrip van een bufferzone van minimaal 10 cm tussen de aanlegdiepte en het potentieel archeologisch niveau.
Dit advies wordt bij de uitwerking van de infiltratievoorzieningen opgevolgd. Conclusie Middels het archeologisch onderzoek is in voldoende mate aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling met bijbehorende beperkte bodemverstorende werkzaamheden vanuit archeologisch oogpunt doorgang kan vinden zonder het uitvoeren van vervolgonderzoek. Hierbij geldt als voorwaarde dat de in het onderzoek genoemde voorwaarden gerespecteerd worden. Tot slot dient te worden opgemerkt dat de mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, niet kan worden uitgesloten. Conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet geldt dan ook de verplichting om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan wordt vermoed dat het om archeologische vondsten of sporen gaat, is het verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente 's Hertogenbosch.
53
54
Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten 6.1
Algemeen
Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische (bindende) kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting bij de SVBP2012 ook aansluiting gezocht bij de gemeentelijke standaard. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels (zoveel mogelijk) standaard is.
6.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. In dit bestemmingsplan is uitsluitend de enkelbestemming 'Maatschappelijk' opgenomen. Daarnaast zijn bouwvlakken opgenomen en maatvoeringsaanduidingen voor de toegestane goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen. Hierbij is het bestaande bouwvlak, voor zover het de bestaande bebouwing betreft, met bijbehorende maatvoeringsaanduiding ten behoeve van de toegestane goot- en bouwhoogte, één op één overgenomen vanuit het vigerende bestemmingsplan. Voor de nieuwbouw op het achterterrein is een afzonderlijk bouwvlak opgenomen. Tevens is voor beide bouwvlakken de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' opgenomen. Naast de enkelbestemming 'Maatschappelijk' is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan. De juridische betekenis van de bestemmingen en aanduidingen zijn in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden. De bestemmingen worden in de volgende paragraaf nader toegelicht.
6.3
Toelichting op de regels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels: hierin worden de begrippen toegelicht en de wijze van meten omschreven. Deze aspecten zijn belangrijk voor het toepassen en interpreteren van de regels in de overige hoofdstukken. Bestemmingsregels: hierin zijn de regels verbonden aan de bestemming en aanduiding opgenomen. Deze regels geven per bestemming een doeleindenomschrijving, bouwregels, mogelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden aan. Ook geven de regels onder bestemmingen bevoegdheden aan tot het stellen van nadere eisen en/of de plicht voor een werk, geen bouwwerk zijnde, een omgevingsvergunning aan te vragen. Algemene regels: in dit hoofdstuk staan de anti-dubbeltelregel en de algemene bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels; Overgangs- en slotregels: in dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke regels voor elk bestemmingsplan te vinden, namelijk de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik en de citeertitel. 55
Inleidende regels De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 2 is vastgelegd hoe er bij toepassing van de regels wordt gemeten. Bestemmingsregels De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving bouwregels nadere eisen afwijken van de bouwregels specifieke gebruiksregels afwijken van de gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid. In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Maatschappelijk Aan het volledige plangebied is de bestemming 'Maatschappelijk' toegekend.
De gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en aan deze hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals kantoren, sport- en speelvoorzieningen, verkeer- en parkeervoorzieningen, groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen. In de bouwregels zijn de bebouwingsmogelijkheden beschreven. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'. Voor het bestaande deel van het bouwvlak, ten behoeve van de bestaande parochie, geldt een maximum goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 11 meter. Voor de nieuwbouw geldt een maximum goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 7 meter. Verder is per bouwvlak een maximum aantal wooneenheden opgenomen, 6 voor het voormalige parochiegebouw en 12 voor de nieuwbouw. Voor gebouwen van ondergeschikte aard, zoals een fietsenberging, geldt dat deze buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd tot een maximale gezamenlijke oppervlakte van 50 m² per bouwperceel. De maximale bouwhoogte van deze gebouwen is 3 meter.
Waarde - Archeologie 3 Aan het volledige plangebied is overeenkomstig het bestemmingsplan 'Rosmalen Centrum' de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. In deze bestemming zijn ondergrenzen opgenomen voor de verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden. Algemene regels In de algemene regels komen de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. In dit hoofdstuk is onder meer een regeling ten aanzien van het parkeren opgenomen. Overgangs- en slotregels In dit hoofdstuk zijn tot slot de voor elk bestemmingsplan op te nemen overgangs- en slotregels opgenomen. 56
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4 van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Gelet op de beoogde nieuwbouw binnen het plangebied is sprake van een bouwplan. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten, waarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening, kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
57
58
Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg 8.1
Omgevingsdialoog
De gemeente vraagt initiatiefnemers om voorafgaand aan de juridisch-planologische procedure een omgevingsdialoog te voeren. Ze heeft daartoe een handreiking opgesteld aan de hand waarvan initiatiefnemers deze dialoog kunnen voeren. Als de omgevingsdialoog goed is gevoerd, biedt de gemeentelijke inspraakverordening de mogelijkheid om de inspraakprocedure over te slaan. In het voorliggende geval heeft de initiatiefnemer een uitgebreide omgevingsdialoog gevoerd met de omgeving. Het verslag hiervan is aan de gemeente overhandigd. Vanuit privacyoverwegingen (Algemene verordening gegevensbescherming) is een geanonimiseerde versie hiervan als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Gelet op de gevoerde omgevingsdialoog werd de inspraakprocedure overgeslagen en werd het bestemmingsplan direct als ontwerp ter inzage gelegd.
8.2
Vooroverleg
In principe dient in het kader van een bestemmingsplanprocedure vooroverleg overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met belanghebbende instanties te worden gevoer. Het Waterschap Aa en Maas en de Provincie Noord-Brabant hebben in het vooroverleg aangegeven geen opmerkingen over het plan te hebben. In het voorliggende geval zijn gelet op de beperkte aard en omvang van het initiatief geen belangen van het Rijk of overige instanties in het geding. Dit betekent dat van vooroverleg kan worden afgezien.
8.3
Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan
De inzagetermijn liep van 25 april 2021 tot en met 14 juni 2021. Een ieder is in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Er is een zienswijze ingediend. Het op dat moment voorliggende planontwerp bood volgens de ingediende zienswijze onvoldoende waarborging voor het behoud van het groene karakter van de pastorietuin door realisatie van de nieuwe woonunits. Woningcorporatie JOOST heeft per notariële acte het groene karakter van de pastorietuin gewaarborgd. De notariële acte is op 17-06-2021 ondertekend. Op 20-06-2021 is kenbaar gemaakt dat middels de akte aan het voorbehoud is voldaan en is de zienswijze ingetrokken. Er zijn dus uiteindelijk geen zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan. Verder zijn er opmerkingen geplaatst. Deze opmerkingen hebben tot de volgende wijzigingen geleid (zie ook 59
onderstaande afbeelding): het intrekken van de activiteit 'Kappen'. De activiteit 'Kappen' wordt niet in behandeling genomen en maakt geen onderdeel meer uit van de aanvraag; het oorspronkelijke beeld van de pastorie wordt hersteld door middel van twee rode beuken in de voortuin. De tervisielegging heeft niet geleid tot wijzigingen in de verbeelding of regels van het plan.
Figuur 8.1: Planaanpassingen in rood naar aanleiding van de tervisielegging
60