CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden - toelichting en regels

Gemeenteraad 1 juli 2025, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden15.033 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Omdat de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) alle soorten planten en dieren omvat, óók in Natura 2000-gebieden, wordt bij natuuronderzoek primair aangehaakt op de soortbescherming. Deze biedt bescherming aan planten en dieren tegen zogeheten 'natuurschade'. Ontheffing en ecologische functionaliteit - Onder de condities dat er mitigerende maatregelen (kunnen) worden genomen waarmee kan worden gegarandeerd dat de ecologische functionaliteit binnen het werkgebied op geen énkel moment achteruitgaat, óók niet tijdelijk, is er géén ontheffing nodig.

-

Echter indien de bedoelde ecologische functionaliteit als gevolg van de ingreep niét met mitigatie kan worden gegarandeerd doch uitsluitend met compensatie, is voor de uitvoering daarvan eerst ontheffing vereist.

Daartoe dient voor soorten uit de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn te worden voldaan aan specifieke wettelijke belangen. Het achterwege blijven van effecten op de ecologische functionaliteit vergt afdoende onderbouwing, waarbij wordt aangegeven welke mitigerende maatregelen daarbij worden toegepast voor welke soorten. Gebiedsbescherming Natura 2000 Werkzaamheden binnen een Natura 2000-gebied welke effecten kunnen hebben op ‘aangewezen’ soorten vergen aanvraag van een vergunning. Echter ook voor gebieden 'buiten' een Natura 2000-gebied die een aanwijsbare ecologische functie voor de 'aangewezen soorten' uit dat Natura 2000-gebied hebben, kan onder sommige condities een vergunning vereist zijn. Bovendien is sinds 1 juli 2015 met betrekking tot effecten op Natura 2000-gebieden vanuit de omgeving, de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Indien vanwege een ingreep de grenswaarde van 1 mol stikstof per hectare per jaar in het Natura 2000-gebied door een ingreep in de omgeving zal worden overschreden, is voor die ingreep een vergunning nodig: onder deze grenswaarde geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) Dit betreft eveneens bescherming van natuurwaarden binnen begrensde gebieden. Hiervoor hebben Rijk en Provincie samen spelregels ontwikkeld welke zijn vervat in de provinciale regelgeving.

Hierbij is een 'nee-tenzij' beleid van toepassing. Werkzaamheden binnen het NNN (en deels ook gebieden met ‘externe werking’) vergen een provinciale vergunning, waarbij compensatie van eventueel verstoorde natuurwaarden wordt vereist. De actuele en potentiële waarden van het NNN zijn vastgesteld in de natuurdoelen voor dat gebied. De basis daarvoor ligt in de provinciale structuurvisie en verordening. 4.4.2

Onderzoek Let op: ten behoeve van de projectbeschrijving in 2016 is het plan onderzocht op basis van de destijds geldende wet- en regelgeving. Per 01-01-2017 is de natuurwetgeving overgegaan naar de Wet natuurbescherming (Wnb). Hoewel de aanpak en eisen vergelijkbaar zijn zal de vergunningaanvraag voorzien moeten zijn met een natuuronderzoek waarin op de nieuwe wetgeving getoetst wordt. Ten behoeve van de projectbeschrijving is een natuuronderzoek uitgevoerd door bureau Waardenburg:

Natuuronderzoek voor Windpark Den Bosch: Toetsing in het kader van de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en Natuurnetwerk Nederland (Bureau Waardenburg bv, 2016).

Het onderzoek is te vinden in bijlage 2. Deze paragraaf bevat de resultaten. 4.4.3

Resultaten beschermde soorten In het plangebied komen algemeen voorkomende soorten planten, amfibieën en grondgebonden zoogdieren uit Tabel 1 van de Flora- en Faunawet voor. De ingreep kan omschreven worden als ingreep in het kader van ruimtelijke ontwikkeling; voor overtredingen van verbodsbepalingen van soorten van Tabel 1 is daarom geen ontheffing nodig. Echter, komen er ook strikter beschermde soorten (Tabel 2 AMvB van de flora- en faunawet) voor in het plangebied. Bij deze soorten is er gekeken naar welke verbodsbepalingen worden overtreden, of er mitigerende maatregelen genomen dienen te worden en of er een ontheffingsaanvraag ex artikel 75 van de Flora- en faunawet aan de orde is. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 2. Tabel 2: Beschermde soorten in het plangebied, Overtredingen Flora- faunawet

Soortgroep Flora Ongewervelden Vissen Amfibieën Reptielen Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels

Aanwezig? Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Overtredingen? Geen Geen Geen Geen Geen Geen

Ontheffing nodig? Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Zeker Zeker

Artikel 9 Artikel 9

Broedvogels

Zeker

Artikel 12

Onbekend Ja, voor zeven vogelsoorten Nee, indien aanleg binnen broedseizoen.

Op basis van de bovenstaande tabel is het mogelijk om te concluderen dat artikel 9 van de flora- en faunawet wordt overtreden. Bij artikel 9 gaat het om 7 vogelsoorten (kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw, kokmeeuw, stormmeeuw, visdief, wilde eend en de kievit) waarbij meer dan incidentele sterfte wordt voorzien. Echter wordt er geen effect op de gunstige staat van instandhouding verwacht, maar er wordt toch aangeraden om een ontheffing aan te vragen. Tevens is in artikel 9 van de Ffwet opgenomen dat het (opzettelijk) doden van vleermuizen verboden is. Onder dit artikel valt ook het per ongeluk doden van vleermuizen (bijvoorbeeld door windturbines). Dit wordt dan ook beschouwd als een overtreding van artikel 9. Op grond van de beschikbare gegevens kan geen voldoende betrouwbare uitspraak worden gedaan over de effecten van de ingebruikname van de geplande windturbines op de gunstige staat van

instandhouding van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en/of laatvlieger. 4.4.4

Resultaten Natuurbeschermingswet en NNN Negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, Loonse en Drunensen Duinen en Leemkuilen ten gevolge van de realisatie en ingebruikname van windpark De Rietvelden zijn uitgesloten. Een NBwet-vergunning is niet nodig. N.B. De beoordeling van de noodzaak voor een vergunning ligt bij het bevoegd gezag. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Ingrepen buiten het NNN hoeven niet te worden beoordeeld op hun effecten voor de wezenlijke kenmerken en waarden binnen het NNN.

4.4.5

Aanbevelingen Tijdens de werkzaamheden dient verstoring en vernietiging van nesten die in gebruik zijn door broedende vogels te worden voorkomen. Het broedseizoen verschilt per soort. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Ffwet geen standaard periode gehanteerd. Globaal moet rekening worden gehouden met de periode half maart tot en met half augustus. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn gepland kunnen deze worden uitgevoerd indien is vastgesteld dat met de werkzaamheden geen nest van vogels worden verstoord of vernietigd. De kans hierop kan worden verkleind door voorafgaand aan het broedseizoen het plangebied voor grondbroedende of in ruigte broedende vogels ongeschikt te maken. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door de vegetatie rondom de locaties waar gebouwd gaat worden kort te maaien of geheel te verwijderen en de bodem intensief en gedurende langere tijd te verstoren (bijvoorbeeld door eggen). Naar het voorkomen van en effecten op vleermuizen dient nader onderzoek verricht te worden. Dit nader onderzoek is nodig om een voldoende betrouwbare uitspraak te kunnen doen over de effecten op vleermuizen in de aanleg-, en gebruiksfase en het overtreden van verbodsbepalingen.

4.4.6

Wijziging ten opzichte van projectbeschrijving (november 2016) Stilstand t.b.v. vleermuizen Inmiddels is nader breed onderzoek gedaan naar de inpasbaarheid van het windpark binnen het natuurontwikkelingsgebied de Diezemonding en de invloed van plaatsing van een windmolen aan de Gemaalweg op de gunstige staat van instandhouding van beschermde diersoorten. Specifiek voor vleermuizen is een voorts aanvullend advies gevraagd van een vooraanstaand vleermuisdeskundige met kennis van de plaatselijke vleermuizenpopulatie.

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat plaatsing van een windmolen in het Dieskantgebied bij toepassing van mitigerende maatregelen als toepassing van een stilstandsvoorziening niet van invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis en andere beschermde soorten vleermuizen. Wel is sprake van de noodzaak van het verkrijgen van een ontheffing van de landelijke wetgeving die een verbodsbepaling kent ten aanzien van het veroorzaken van een additionele sterfte onder de beschermde soorten die hoger is dan 1% van het reguliere sterftecijfer onder de vleermuizenpopulatie (1% mortaliteitsnorm). Uitgaande van een worst case scenario waarin de bestaande (lokale) populatie slechts bestaat uit ca. 700 tot 800 vleermuizen, dient de stilstandsvoorziening op de aan de Gemaalweg geprojecteerde windmolen het aantal vleermuizen dat slachtoffer wordt van aanvaring met een windmolen terug te brengen tot ongeveer de helft. Landelijk onderzoek geeft aan dat met inregeling van een specifieke stilstandsvoorziening op een windmolen het aanvullend sterftecijfer van vleermuizen met 80 tot 90 % omlaag gebracht kan worden met slechts een beperkt verlies aan energieopbrengst van minder dan 1%.

Een en ander betekent dat bij inregeling van een passende stilstandsvoorziening op de windmolen aan de Gemaalweg het sterftecijfer eenvoudig onder de beoogde mortaliteitsnorm gebracht kan worden. Onderstaande stilstandvoorziening windparkproject:

wordt

verbonden

worden

aan

het

Deze stilstandsvoorziening bestaat uit een voorziening die in werking is tussen 1 mei en 1 november tussen een half uur na zonsondergang en een half uur voor zonsopkomst wanneer sprake is van de volgende omstandigheden;  de temperatuur is boven 12 graden Celsius en;  de windsnelheid is kleiner dan 5 meter per seconde ter hoogte van de rotor en;  er vindt geen neerslag plaats. Natuur Netwerk Nederland Het plangebied voor de geplande windturbines grenst aan het Natuur Netwerk Brabant. In artikel 5.6 en artikel 5.7 van de Verordening van provincie NoordBrabant zijn regels opgenomen voor de wijze waarop natuurcompensatie plaats moet vinden. In artikel 5.6 lid 2 onder e. van de Verordening is aangegeven dat bij verstoring van natuur maatwerk geboden moet worden. Als beleidsregel hanteert provincie Noord-Brabant dat bij aantasting/verstoring van het Natuur Netwerk Brabant als gevolg van geluidsbelasting van windturbines een grenswaarde van 52 Lden. Het gaat in een dergelijk geval om de uitbreiding van het verstoorde areaal door geluidsverstoring. Daar waar al geluidsverstoring aanwezig is boven de drempelwaarde van Lden 52 en waar vanuit een nieuwe geluidsbron verstoring bijkomt, hoeft geen compensatie te worden uitgevoerd. Het gaat om de

gebieden binnen de begrenzing van de NNB waar de geluidsbelasting onder de drempelwaarde ligt en waar door een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, de geluidsbelasting boven de drempelwaarde van Lden 52 uitkomt. Voor die stukken moet 1/3 deel van het verstoorde oppervlakte worden gecompenseerd. De gemeente ziet deze compensatie graag in de directe nabijheid van het plangebied terugkomen. 4.4.7

Conclusie Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Echter worden er voor enkele vogelsoorten wel meer dan incidentele sterfte voorzien (>1 slachtoffer per jaar). Het gaat hierbij om de kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw, kokmeeuw, stormmeeuw, visdief, wilde eend en de kievit. Voor deze soorten wordt een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen genoemd in artikel 9 van de flora- en faunawet aangevraagd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de geringe additionele sterfte geen effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de relevante populaties van deze soorten. Na het toepassen van de stilstandsvoorziening zoals in voorgaande paragraaf beschreven zal het aantal vleermuisslachtoffers geen effect op de gunstige staat van instandhouding van de relevante populaties hebben.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1

Toetsingskader Windturbines vormen geen risicorelevante inrichting in de zin van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen). Er vinden immers geen activiteiten plaats met gevaarlijke stoffen. Omdat wel sprake is van externe veiligheidsrisico’s moet aandacht worden besteed aan ongeval scenario’s waarbij (een deel van) de rotor afbreekt, de gondel van de windturbine loskomt of de windturbine omvalt. Vanwege deze kans op falen wordt getoetst op veiligheidsaspecten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van verschillende (wettelijke) kaders. Gebouwen De normen omtrent windturbines en bebouwing worden gegeven in het Activiteitenbesluit. De norm is als volgt:  Het plaatsgebonden risico (PR) voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar. Kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, grote kantoren of gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen bevinden gedurende groot deel van de dag.  Het plaatsgebonden risico (PR) voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar. Bepekt kwetsbare objecten zijn o.a. kleine bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, kleine restaurant.

Op de 10-6 contour heeft een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, een kans op overlijden van één keer in de miljoen jaar als rechtstreeks gevolg van een falende windturbine. Op de 10-5 contour is deze kans één keer in de honderdduizend jaar. Infrastructuur Voor Rijkswegen en vaarwegen zijn generieke afstanden berekend waarbuiten geen ontoelaatbare risico’s voor passanten plaatsvinden. Het document “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” staan de minimale afstanden tot Rijks- en vaarwegen gegeven: “Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter”. “Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 50m uit de rand van de vaarweg. Binnen 50m uit de rand van de vaarweg wordt plaatsing slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen hinder voor wal- en scheepsradar optreedt.

De minimale afstand tot de rand van de vaarweg is altijd ten minste de helft van de rotordiameter.” Mocht niet voldaan kunnen worden aan bovenstaande minimale afstand (wieklengte) dan dient getoetst te worden aan de richtlijnen uit de beleidsregel “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen – Beoordeling van veiligheidsrisico’s”. Vanwege het type risico van een windturbine (fysieke impact van onderdeel; geen explosie of gaswolk) is groepsrisico niet aan de orde. Daarom wordt alleen getoetst aan het Individueel Passanten Risico (IPR) en het Maatschappelijke Risico (MR). Hoogspanningsnetwerk en buisleidingen Ten aanzien van gasleidingen en hoogspanningslijnen hanteren respectievelijk de Gasunie en Tennet een afstand van ‘werpafstand bij nominaal toerental’ waarbuiten geen negatieve invloed van een windturbine te verwachten is (HRW 2014). Daarbinnen zijn in overleg met Gasunie en Tennet en afhankelijk van een locatie specifieke risicoanalyse in sommige gevallen kleinere afstanden mogelijk. Risicovolle installaties In mei 2004 is het “Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi) in werking getreden. Hiermee zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Indien windturbines nabij een buisleiding geplaatst worden moet getoetst worden aan het “Besluit externe veiligheid buisleidingen” (Bevb).

Hierin zijn risiconormen opgenomen voor vervoer van gevaarlijke stoffen in buisleidingen.

Windturbines vallen niet onder de categorieën van inrichtingen waarop het Bevi en Bevb zich richten. Windturbines kunnen wel resulteren in een risicoverhoging van een nabijgelegen Bevi-inrichtingen. Het “Handboek Risicozonering Windturbines (HRW 2014)5” geeft richtlijnen om de risico’s rond windturbines te toetsen. Uit het handboek blijkt dat windturbines geen substantiële bijdrage mogen leveren aan een hoger risico van een inrichting (bijv. BEVI-inrichting). Dat komt erop neer dat de windturbines geen effect hebben op de voor de inrichting geldende Groepsrisico, Persoonsgebonden Risico en afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten. Om dit te toetsen wordt in eerste instantie gekeken of de windturbines een toename van de catastrofale faalfrequentie van risicovolle installaties behorende tot de inrichting tot gevolg hebben. Indien deze toename een bepaalde richtwaarde niet overschrijdt dan is plaatsing van de windturbine uit oogpunt van risicobeoordeling toegestaan. Als uitgangspunt voor deze richtwaarde wordt volgens het Handboek Risicozonering Windturbines een toename van 10% gehanteerd. Indien de toename deze richtwaarde overschrijdt, is plaatsing niet direct uitgesloten, maar wordt door een uitgebreidere analyse bepaald of er na plaatsing nog steeds voldaan wordt aan de normen uit het Bevi en Bevb. 4.5.2

Onderzoek Gebouwen In onderstaand figuur zijn de risicocontouren voor het PR 10-5 en PR 10-6 voor het voorkeursalternatief weergegeven.

Figuur 4 - Plaatsgebonden risico contouren (Pondera Consult).

5

Handboek Risicozonering Windturbines versie 3.1, sep 2014

In de figuur is te zien dat voor windpark De Rietvelden geen bestaande gebouwen nabij de risicocontouren staan. Wel hebben de risicocontouren invloed op de bouwmogelijkheden binnen de risicocontouren. Er mogen geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten gerealiseerd worden in de 10-6 en 10-5 risicocontouren. Infrastructuur De opstellingen voldoen aan de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” en “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen – Beoordeling van veiligheidsrisico’s”. Verder kwantitatief onderzoek is niet nodig. Hoogspanningsnetwerk en buisleidingen De te realiseren windturbines komen op een voor TenneT en Gasunie aanvaardbare afstand op de binnen het plangebied aanwezige hoogspanningslijnen en buisleidingen. Verder kwantitatief onderzoek is niet nodig. Risicovolle installaties Binnen de identificatieafstand bevinden zich meerdere risicovolle inrichtingen of installaties die bij beschadiging een risico voor de omgeving kunnen veroorzaken.

Figuur 5 - Risicovolle inrichtingen in de omgeving (Pondera Consult).

Voor alle risicovolle installaties die binnen de risicocontouren van de windturbines vallen geldt dat de plaatsing van de windturbines niet zorgt voor een additioneel risico. Verder kwantitatief onderzoek is niet nodig. 4.5.3

Wijziging ten opzichte van projectbeschrijving (november 2016) Om geen onwenselijke belemmeringen op te werpen voor omliggende bedrijven wordt de aanvullende eis gesteld dat de risicocontour van de windturbines (10-5) niet over de percelen van buren mogen vallen zonder dat daar overeenstemming over is.

4.5.4

Conclusie Windpark De Rietvelden voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid voor de bestaande bebouwing. Naastgelegen percelen ondervinden geen belemmeringen als gevolg van de risicocontouren.

4.6

Landschap Afhankelijk van de landschappelijke kenmerken van het gebied waarbinnen een initiatief (voornemen) voor windenergie plaatsheeft en de kenmerken van de (ruime) omgeving van dat gebied, worden verschillende criteria gehanteerd om zo’n initiatief op zijn landschappelijke effecten te kunnen beoordelen. Het plangebied voor windpark De Rietvelden wordt gekenmerkt door een vrij grote mate van verdichting en verstedelijking van de (directe) omgeving. Rondom het plangebied liggen meerdere woon- en industriegebieden en groengebieden. Kenmerkend in deze omgeving is de doorsnijding hiervan door de A59. aan weerszijde hiervan ligt de landelijk en deels natuurgebied de Diezemonding. Bedrijventerrein de Rietvelden is een (middel)zwaar industrieterrein waarbij op verschillende plekken het industriële karakter duidelijk herkenbaar is. ( de silo’s aan de Dieze, de gebouwen van Heineken.) Aan de hand van beoordelingscriteria wordt vanuit 3 schaalniveaus (‘meer dan 2,0 km’ ‘van 1,0 tot 2,0 km’, en ‘tot 1,0 km’) en fotovisualisaties vanuit diverse standpunten bezien wat het effect is. Bij de visualisaties is uitgegaan van eenzelfde type windturbine met een ashoogte van 125 meter en een rotordiameter van 122 meter.

De standpunten zijn representatief voor een groot deel van de standpunten waarvandaan het initiatief voor windenergie waarneembaar zal zijn en voornamelijk gekozen vanaf ooghoogte. Zichtbaarheid De zichtbaarheid heeft betrekking op de mate waarin een windturbine opstelling voor een willekeurige waarnemer zichtbaar is. Hoe meer waarnemers, hoe meer invloed op de zichtbaarheid. Dit effect kan zeer verschillend zijn op verschillende schaalniveaus. Als een alternatief zichtbaar is vanaf een standpunt of afstand waarvandaan relatief veel waarnemingen plaatsvinden, scoort die negatiever dan wanneer van dat standpunt of die afstand minder waarnemingen plaatsvinden. Door de (grote) hoogte van de voorgestelde windturbines zal het initiatief al op het hoogste schaalniveau zichtbaar zijn. De turbines maken samen met andere hoge gebouwen en constructies deel uit van de skyline van ’s-Hertogenbosch. Hoe groter de afstand hoe minder de turbines in het oog zullen springen. De turbines ogen op grote afstand zeer rank en vallen alleen bij (zeer) heldere weersomstandigheden op.

Op dichterbij gelegen kijkpunten (de lagere schaalniveau’s) zullen de windturbines vaak geheel of gedeeltelijk wegvallen door bebouwing en/of beplanting. Invloed op de visuele rust Dit criterium heeft betrekking op de waarneembare beweging van de rotoren. Hierbij geldt de vuistregel: hoe meer rotoren, hoe groter de draaisnelheden en hoe meer verschillende draaisnelheden, hoe groter het effect op de visuele rust. Voor grotere afstanden is deze invloed verwaarloosbaar. Bij de lagere schaalniveau’s gaan de verschillen in draaisnelheid steeds meer opvallen. Regelmatig beeld Naarmate een opstelling een regelmatiger beeld sorteert dan een andere opstelling, wordt deze positiever gewaardeerd. De (regelmatige) geometrie van de opstelling speelt daarbij een wezenlijke rol, maar ook de herkenbaarheid daarvan in het veld (door de waarnemer). Opstellingen met gelijke onderlinge afstanden in de lijn en tussen de lijnen hebben over het algemeen een regelmatiger beeld dan opstellingen waarbij (grote) afwijkingen aanwezig zijn tussen deze afstanden. (Waarneembare) eenduidigheid in het type turbine heeft ook invloed op de regelmatigheid van het beeld. De opstelling bestaat uit een cluster van drie turbines en een turbine in de nabijheid van een al bestaande turbine.

De onderlinge afstanden binnen het cluster van drie en binnen het totaal van de turbines (de bestaande turbine en de vier voorgenomen turbines samen) zijn verschillend. Door de opstelling echter zal, ongeacht het gelijk of verschillend zijn van onderlinge afstanden, het totaal van turbines ogen als één onregelmatig cluster bestaande uit 5 windturbines. Verschillen in type turbine, ashoogte en rotordiameter vallen van grote afstand vrijwel niet op. Bij de lagere afstanden neemt het onregelmatig beeld toe. Pas vanaf kortere afstanden vallen verschillen in type turbine, ashoogte en rotordiameter op. Aansluiting op de landschappelijke structuur Naarmate een opstelling beter aansluit bij bestaande landschappelijke structuren wordt dit positiever beoordeeld dan wanneer een opstelling daar minder goed bij aansluit. Deze structuren worden beschreven in de huidige situatie en bestaan

onder meer uit de voorkomende vormen van landgebruik zoals industriegebieden, de begrenzingen van open ruimten en de in de omgeving aanwezige infrastructurele lijnen. Samenhang daarmee wordt in algemene zin positief beoordeeld. De 3 windturbines op de Rietvelden vormen een herkenbaar cluster op een zwaar bedrijventerrein gelegen aan de A59. Aan de A59 vormt dit cluster de verbinding met de 4 windturbine en de bestaande windturbine bij Treurenburg. Vanaf bepaalde standplaatsen en van grotere afstand vallen de windturbines min of meer samen met de hoogbouw in het Paleiskwartier (Jheronimus Boschtoren, kantoorgebouw Ricoh en de Van Lanschottoren nabij het station). Uit verschillende standpunten zal een herkenbare samenhang zijn tussen de drie westelijke turbines en industrieterrein De Rietvelden. Herkenbaarheid van de opstelling Is een opstelling herkenbaar als zelfstandige opstelling en is er sprake van één samenhangende opstelling, dan is de beoordeling neutraal tot positief. Naarmate een opstelling minder als zelfstandige, samenhangende opstelling herkenbaar is, is de beoordeling negatiever. Afhankelijk van het standpunt oogt het totaal van de turbines als een cluster van vijf turbines of als een cluster van drie plus twee turbines op enige afstand.

In bijlage 3 zijn visualisaties vanuit meerder kijkpunten gegeven. Aan de hand van deze beoordeling kan worden gesteld dat het negatief effect op het landschap mede door de omvang van het initiatief en de zeer gevarieerde landschappelijke structuur van de omgeving van het plangebied gering is. De turbines sluiten over het geheel genomen aan bij industrieterreinen en infrastructurele lijnen.

Beeldkwaliteit De windturbines krijgen een ingetogen, utilitaire vormgeving, die ondermeer door neutraal kleurgebruik en het ontbreken van opschriften zo min mogelijk aandacht opeist in de beleving van het landschap. Op maaiveld wordt het oorspronkelijke landschap danwel het bedrijventerrein gerespecteerd in zijn mate van openheid, belijning en beplantingswijze. De inrichting en beplanting sluit aan bij omgeving. De windturbines zijn allen gelijk van vorm en vormgeving (zelfde afmetingen, zelfde aantal rotorbladen, zelfde rotor etc.). Kleur- en materiaalgebruik: De mast, rotor en rotor bladen hebben een neutrale kleurstelling, passend bij de kleur van de luchten. Voor wat betreft eventuele hekwerken, bijgebouwen en installaties wordt een ingetogen kleur- en materiaalgebruik voorgesteld. De detaillering ook van bijgebouw en evt. sokkel met aandacht ontwerpen: het utilitaire, industriële karakter tot uitdrukking brengend. In bijlage 3 zijn de visualisaties vanuit meerder kijkpunten gegeven.

4.7

Archeologie

4.7.1

Archeologie Voor het milieuaspect archeologie is getoetst of op de locaties hoogwaardige archeologische waarden te verwachten zijn. Er wordt beoordeeld of het windpark binnen of in de nabijheid van een archeologisch gebied is gelegen. Hiermee kan een inschatting gemaakt worden of archeologische waarden te verwachten en aan te treffen zijn tijdens de bouw van het windpark. Voor archeologie is alleen de fysieke aantasting beoordeeld. In de archeologische trefkanskaart van provincie NoordBrabant is af te lezen dat voor het twee turbines een hoge trefkans geldt, voor één een middelhoge en voor één een lage.

Figuur 6 – Ligging van het plangebied op de gemeentelijke verwachtingskaart (BAAC bv).

Op basis van archeologisch bureauonderzoek (zie bijlage 4) wordt geconcludeerd dat er geen archeologische resten worden verwacht met uitzondering van turbine 1. In dit gebied worden vooral resten van de linie 1629 verwacht. Deze resten kunnen voor komen vanaf een diepte van ca. 3 meter onder maaiveld. Bij eventuele vergunningverlening zal de voorwaarde opgenomen worden dat tijdens de graafwerkzaamheden dieper dan 3 meter onder maaiveld gelegenheid moet worden gegeven aan de afdeling erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch waarnemingen te doen. Doel van deze waarnemingen is vaststellen of de linie inderdaad op deze locatie gelopen heeft en hoe deze was ingericht. De locaties van de andere windturbines ( 2, 3 en 4) kunnen worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkeling. Indien tijdens de werkzaamheden toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE of de gemeente ‘s-Hertogenbosch) conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988.

4.8

Radar

4.8.1

Toetsingskader Het Ministerie van Defensie hanteert een zogenaamd toetsingsvolume dat reikt tot aan 75 km rondom de vijf verkeersleidingsradars en de twee gevechtsleidingsradars. Het profiel van het toetsingsvolume is weergegeven in Figuur 1. Er dient getoetst te worden indien de tip van de wiek hoger is dan de rode lijn. Bouwplannen die verder verwijderd zijn dan 75 km kunnen zondermeer geplaatst worden. Het bouwplan ligt binnen de 75 km cirkels rond de MASS radar van Soesterberg, Volkel en Woensdrecht. Het bouwplan ligt binnen de 75 km cirkels rond de MPR te Nieuw Milligen. Daarnaast is de tiphoogte groter dan de in Figuur 7 aangegeven hoogte. Het onderhavige bouwplan dient derhalve getoetst te worden voor zowel het MASS verkeersleidingsradarnetwerk als de gevechtsleidingsradar te Nieuw Milligen.

Figuur 7 - Het toetsingsprofiel (niet op schaal) zoals gehanteerd door het Ministerie van Defensie rondom elk van de militaire radarsystemen.

4.8.2

Onderzoek en conclusie Op de locatie van het windturbinepark eist het Ministerie van Defensie voor het verkeersleidingsradarnetwerk en voor de gevechtsleidingsradar te Nieuw Milligen een detectiekans van minstens 90%. Onderzoek van TNO (zie bijlage 5) wijst uit dat deze norm na realisatie van het windpark niet in het geding komt.

5

Uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid plan Gelet op het bepaalde in artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening dient in een ruimtelijke onderbouwing inzicht te worden verschaft in de uitvoerbaarheid van het plan. In dat opzicht is van belang dat het hier een particuliere ontwikkeling betreft. De investeringen voor de aanleg van het windpark, inclusief toegangswegen, kabels en leidingen en de technische infrastructuur worden gedragen door de initiatiefnemer. Deze verdient de investeringen terug door de verkoop van de opgewekte elektriciteit. Het bevoegd gezag ziet geen aanleiding om aan de uitgangspunten en uitkomst van de businesscase te twijfelen. Raedthuys treedt op als initiatiefnemer en vergunninghouder voor de omgevingsvergunningaanvraag voor Windpark Rietvelden. Initiatiefnemer heeft hiervoor overeenkomsten opgesteld met de eigenaren van de percelen in het projectgebied. Hiermee is het grondgebruik zeker gesteld. Met de gemeente wordt voorafgaand aan de definitieve vergunningverlening een anterieure overeenkomst gesloten waarin onder meer afspraken worden gemaakt over het verrekenen van gemaakte plankosten en eventuele planschade. Met deze overeenkomst wordt het kostenverhaal verzekerd. De economische uitvoerbaarheid van het project is hiermee zeker gesteld.

5.2

Financiële uitvoerbaarheid windpark De investeringen voor de aanleg van de windturbine, kabels, etc. worden gedragen door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer verdient de investeringen terug door de verkoop van de opgewekte elektriciteit. Voor de totstandkoming van de windturbine zal een subsidie op grond van de Subsidieregeling Duurzame Energie (SDE+) aangevraagd worden, waarmee de zogeheten onrendabele top van de elektriciteitsproductie van dit windpark via een bedrag per aan het elektriciteitsnet geleverde kilowattuur wordt gecompenseerd. Met de SDE+ vult het Rijk de elektriciteitsopbrengsten voor de initiatiefnemer aan tot het basisbedrag dat nodig is om de investering terug te kunnen verdienen binnen een redelijke termijn. De hoogte van de SDE+ is zo gesteld dat het te verwachten rendement op eigen vermogen op 11,5% ligt. Voor enkele categorieën met een significant hoger risico is het rendement op eigen vermogen gehandhaafd op 14,5%. Dat zijn projecten waarbij het niet of moeilijk mogelijk is langjarige biomassacontracten af te sluiten, innovatieve categorieën en categorieën met een minder goed voorspelbare

cashflow zoals windenergie. Voor de kosten wordt door ECN de volgende bedragen gehanteerd. Parameter Adviesbedrag 2017 De investeringskosten € 1.290.000,- € per MW De vaste O&M-kosten € 12.400 per MW per jaar De variabele O&M-kosten € 0,0166 per kWh (bron ECN, eindadvies basisbedragen SDE+ 2017). Op basis van bovenstaande kosten zijn onderstaande basisbedragen gehanteerd voor de SDE+ 2017. Een gemiddeld project moet hiermee een rendement van 14,5% halen op het eigen vermogen. Categorie Wind op land, ≥ 8,0 m/s Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s Wind op land, < 7,0 m/s

Basisbedrag (€/kWh) 0,064 0,070 0,075 0,085

Raedthuys heeft in totaal meer dan 100 MW aan windparken ontwikkeld, in eigendom en beheer. Na toekenning van de SDE+ 2017 zijn de initiatiefnemers overtuigd van de financiële uitvoerbaarheid van het project.

6

Conclusie In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing is de ontwikkeling van windpark De Rietvelden getoetst aan het ruimtelijk beleid en het beleid en de normstelling voor de relevante milieu aspecten. Uit de toetsing blijkt dat:

-

De beoogde herstructurering is niet in strijd met rijks-, provinciaal (na wijziging) en gemeentelijk beleid;

-

De relevante omgevingsaspecten staan de uitvoering van het project niet in de weg.

35

bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden

Regels

Regels (vastgesteld)

77

bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In dit plan wordt verstaan onder: 1.1

plan:

Het bestemmingsplan "Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden" met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002522-1401 van de gemeente 's-Hertogenbosch; 1.2

bestemmingsplan:

de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of bebouwen van deze gronden; 1.4

beperkt kwetsbaar object:

a. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en b. dienst- en bedrijfswoningen van derden; c. kantoorgebouwen, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.5, lid c, vallen; d. hotels en restaurants, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.5, lid c, vallen; e. winkels, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.5, lid c, vallen; f. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen; g. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.5, lid d, vallen; h. bedrijfsgebouwen, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.5, lid c, vallen; i. objecten die met de onder lid a tot en met lid f en lid h genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en; j.

objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voorzover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval; 1.5

kwetsbaar object:

a. woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens als bedoeld bij de definitie voor beperkt kwetsbare objecten onder 1.4, lid a en b; b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen, of; 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren: 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 per object, of; 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en; d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.

78

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden

Hoofdstuk 2 Artikel 2

Bestemmingsregels

Toepassing

a. de regels in dit bestemmingsplan zijn van toepassing en aanvullend op de volgende bestemmingsplannen: Naam bestemmingsplan

datum vaststelling

identificatienummer

Bedrijventerrein De Rietvelden, De Vutter, Het Ertveld

3 juni 2013

NL.IMRO.0796.0002071-1402

Buitengebied

26 januari 2010 NL.IMRO.0796.00002031-

b. de regels van de bestemmingsplannen die zijn genoemd onder a blijven voor het overige onverminderd van toepassing.

Regels (vastgesteld)

79

bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden

Hoofdstuk 3 Artikel 3

Algemene regels

Anti-dubbelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

80

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden

Artikel 4 4.1

Algemene aanduidingsregels

veiligheidszone - windturbine PR10-5

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine PR10-5' zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten uitgesloten. 4.2

veiligheidszone - windturbine PR10-6

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine PR10-6' zijn kwetsbare objecten uitgesloten.

Regels (vastgesteld)

81

bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden

Artikel 5 5.1

Overige regels

Verhouding met bestemmingsplannen

Voor zover de gebiedsaanduidingen, als bedoeld in artikel 4.1 en 4.2 van dit plan, samenvallen met (dubbel)bestemmingen uit onderliggende bestemmingsplannen gelden de regels in artikel 4.1 en 4.2 als aanvulling op de regels van de bestemmingen uit onderliggende bestemmingsplannen, waarbij de regels voor de gebiedsaanduidingen voorrang hebben. De onderliggende bestemmingen blijven verder van toepassing.

82

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden

Hoofdstuk 4 Artikel 6 6.1

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%; c. het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 6.2

Overgangsrecht gebruik

a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Regels (vastgesteld)

83

bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden

Artikel 7

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden".

84

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Facetplan risicocontouren Windpark De Rietvelden

Eindnoten

1. Besluit van 3 mei 2022 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer en enkele besluiten op grond van de Omgevingswet in verband met jurisprudentie over windturbineparken (tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken). De overbruggingsregeling is op 1 juli 2022 in werking getreden. 2. Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen milieubeheer (Besluit externe veiligheid inrichtingen). Geraadpleegd van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0016767/2016-01-01/0 3. "Analyse PR Contouren windpark De Rietvelden", 10 mei 2017, Pondera Consult 4. De externe veiligheidsanalyse voor windpark De Rietvelden heeft plaats gevonden op basis van het Handboek uit 2014. Het Handboek Risicozonering Windturbines (versie 3.1 2014) is geüpdatet. Daarbij is het Handboek gesplitst in een Handreiking Risicozonering Windturbines v1.1 (HRW2020, versie v 1.1 mei 2020) en een Handleiding Risicoberekeningen Windturbines (versie oktober 2019). De nieuwe Handreiking, samen met de Handleiding, hanteren geen andere uitgangspunten voor wat betreft het bepalen en berekenen van plaatsgebonden risico's.

Regels (vastgesteld)

85

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15617075/1