CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Duyn en Daelseweg ongenummerd naast 14 Nuland_Toelichting_regels

Gemeenteraad 13 december 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Duyn en Daelseweg ongenummerd naast 14 Nuland23.131 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationaal waterbeleid voor de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een 30

volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk welke verantwoordelijk is voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelingsplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.

Bestuursakk oord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; Beheersbaar programma voor de waterkeringen; Doelmatig beheer van de waterketen; Werkzaamheden slim combineren; Het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het 'oude' Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht.

Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: Veilig en bewoonbaar; Voldoende water en robuust watersysteem; Schoon water; Gezond en natuurlijk water; Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen 31

met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Verordening hemelwater en grondwater 's-Hertogenbosch 2017 Voor onderhavig plan is de Verordening hemelwater en grondwater 's-Hertogenbosch van belang. Hierin is namelijk het volgende opgenomen met betrekking tot het verbod op het lozen van hemelwater op de riolering: 4. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein; 5. De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorzieningen waarbij het volgende geldt: a. De minimale te realiseren hemelwatervoorziening moet 60 mm (per m2 verhard oppervlak) kunnen verwerken; b. In de binnenstad is de vereiste hemelwatervoorziening 30 mm (per m2 verhard oppervlak; zie de kaar in de toelichting; c. Voor het oppervlak aan groen dak (in m2) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist. 6. Bij elke activiteit geldt dat de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging niet af mag nemen. 7. De voorzieningen als bedoeld in lid 2 dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuwe bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden. 8.

De beheerder kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod. 9. De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het vijfde lid wordt tegelijk met de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, ingediend. Beoordeling Hemelwater In de huidige situatie is er geen sprake van bebouwing of verharding in het plangebied. Met dit initiatief worden vier nieuwe woningen toegevoegd. De woningen inclusief de eventuele bijgebouwen hebben in de toekomstige situatie een gezamenlijke oppervlakte van circa 1.000 m2 (4 x 250 m2). Naast de nieuwe bebouwing zal ook de verharding (toegangspad en woonhof) toenemen met circa 455 m2. In totaal wordt er circa 1.455 m2 aan verhard oppervlak toegevoegd met het planvoornemen.

Oppervlakte

Huidige situatie (m2)

Toekomstige situatie (m2)

Totaal oppervlakte plangebied

6.100 m2

6.100 m2

Bebouwing

0 m2

1.000 m2

Verharding

0 m2

557 m2

Onverhard

6.100 m2

2.519 m2

Totaal verhard oppervlak

0 m2

1.557 m2

32

In de gemeentelijke 'Verordening hemelwater en grondwater 's-Hertogenbosch 2017' is opgenomen dat hemelwater niet geloosd mag worden op het rioolstelsel. De eigenaar van het perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorzieningen waarbij geldt dat de minimaal te realiseren hemelwatervoorziening 60 mm (per m2 verhard oppervlak) moet kunnen verwerken. In onderhavig geval komt dit neer op 93,4 m3 (uitgaande van 1.557 m2 verhard oppervlak). Het realiseren van deze hoeveelheid waterberging is conform de gemeentelijke verordening verplicht.

Om te kunnen bepalen hoe groot de waterberging moet worden is de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) nodig. Voor de gemiddelde hoogste grondwaterstand is de bodematlas Brabant van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Het planvoornemen ligt in een gebied waar de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen de 80 cm en 100 cm beneden het maaiveld is. Om te bepalen hoeveel m2 de wadi moet worden is uitgegaan van een grondwaterstand van 80 cm beneden maaiveld. In het plan zal circa (93,4 m3 / 0,8 m) 117 m2 aan waterberging gerealiseerd worden. Dit zal in de vorm van een wadi aan de oostzijde in het plangebied komen. In het geval dat de wadi over de hele lengte van het perceel wordt aangelegd, over een lengte van ongeveer 75 meter, zal deze een breedte krijgen van circa 1,55 meter.

Om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen zal binnen het plangebied het principe van duurzaam bouwen worden gehanteerd. Er zal gebruik worden gemaakt van duurzame materialen, die niet uitlogen.

Afvalwater Met de realisatie van de nieuwe woningen zal het afvalwater naar schatting toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Er is in de toekomstige situatie namelijk sprake van vier extra woningen. Gezien de beperkte toename is te verwachten dat het huidige riool dit extra afvalwater kan verwerken. Op dit punt worden daarom geen belemmeringen verwacht.

Grondwater Het plangebied ligt in het 'Grondwaterbeschermingsgebied' uit de 'Verordening ruimte Noord-Brabant'. Door de ligging in het 'Grondwaterbeschermingsgebied' is het bestemmingsplan voorgelegd aan de waterbeheerder waterschap Aa en Maas, de provincie Noord-Brabant en het waterwinbedrijf Brabantwater met het verzoek om een advies uit te brengen. Op basis van deze documenten te hebben beoordeeld, heeft het waterschap geconstateerd dat het grondwaterbeschermingsgebied het enige ruimtelijke waterschapsbelang is. Deze is op correcte wijze opgenomen in de verschillende onderdelen van het bestemmingsplan.

In het bestemmingsplan is de bestaande gebiedsaanduiding 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied' worden overgenomen uit het geldend bestemmingsplan 'Kom Nuland' om het gebied te beschermen.

Zoals aangegeven bij het onderdeel hemelwater zal binnen het plangebied het principe van duurzaam bouwen worden gehanteerd. Dit betekent dat er gebruik wordt gemaakt van duurzame materialen die niet uitlogen waardoor het grondwater niet vervuild kan raken door het hemelwater. Tevens wordt het hemelwater afgekoppeld en kan dit in de bodem infiltreren zonder dat er gevaar bestaat op vermenging met vuilwater omdat dit laatste gescheiden wordt afgevoerd via de riolering. Verder zijn er bij een woonfunctie van deze beperkte omvang geen factoren die een groter risico met zich mee brengen voor de kwaliteit van het grondwater. Op dit punt worden daarom geen belemmeringen verwacht. Oppervlaktewater Ter plaatse van het plangebied en haar directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Het initiatief heeft 33

daarom geen negatieve gevolgen op het oppervlaktewater binnen de gemeente 's-Hertogenbosch.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat, ten aanzien van de watertoets, voor onderhavig plan geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

4.4

Luchtkwaliteit

Kader De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2017 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet Luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintig uur gemiddelde). De Wet Luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM)' bijdrage aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekende mate (Besluit NIBM)' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor-, en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. Onderzoek Onderhavig planvoornemen betreft een ontwikkeling van vier nieuwe woningen.

De realisatie van vier nieuwe woningen ligt ver onder de grenswaarde van 1.500 woningen die in de lijst van categorieën is opgenomen. De realisatie van de woningen draagt 'niet in betekenende mate' bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.5

Bodemkwaliteit

De voormalige gemeente Maasdonk beschikt sinds februari 2012 over een vastgestelde Bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeleid. Als de nieuwe bouwlocaties een onverdachte locatie betreffen, kan op basis van deze beleidsdocumenten een vrijstelling voor het uitvoeren van een bodemonderzoek worden aangevraagd. De planlocatie betreft een onverdachte locatie en daarom is een vrijstelling aangevraagd bij de voormalige gemeente Maasdonk. In de brief van 14 juni 2012 heeft de voormalige gemeenten Maasdonk aangegeven dat een vrijstelling voor het uitvoeren van een bodemonderzoek kan worden verleend. Het verlenen van de vrijstelling zal tegelijkertijd met het verlenen van de omgevingsvergunning geschieden. Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

34

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Wet milieubeheer De Wet milieubeheer zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een indicatie richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen opgenomen. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. Onderzoek Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' dient te worden gekeken naar de bedrijven in de omgeving. Er is een sportcomplex in de directe nabijheid gesitueerd, een sportveldcomplex (met verlichting) met SBI-code (2008) 931 G is aangemerkt als categorie 3.1. De grootste afstand welke aangehouden dient te worden is 50 meter en heeft betrekking op geluid. Bij de minimale afstand van 50 meter is uitgegaan van omgevingstype A, zijnde een rustige woonwijk.

Gezien de ligging aan de kernrand en de aanwezigheid van functiemenging door de bedrijven, sportvelden en een verpleeg- en verzorgingstehuis langs de Duyn en Daelseweg kan voor het plangebied gesproken worden van een gemengd gebied. Bij een gemengd gebied neemt deze afstand af tot 30 m. Binnen deze hindercontour is het oprichten van gevoelige bouwwerken zoals woningen niet toegestaan, tenzij onderzoek wordt gedaan of er een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Voor de goede ruimtelijke ordening zijn een akoestisch onderzoek industrielawaai voor het sportcomplex en een lichtonderzoek naar de lichthinder van de lichtmasten van de voetbalvelden uitgevoerd. Het resultaat van het akoestisch onderzoek industrielawaai is opgenomen in paragraaf 4.7 Geluidhinder, daaruit is gebleken dat de zijgevel, aan de zijde van het sportcomplex, op de 2e woonlaag uitgevoerd dient te worden als dove gevel. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om deze dove gevel te waarborgen. Voor het aspect geluid voldoet het planvoornemen verder aan een goed woon- en leefklimaat. Voor het aspect licht is een lichtonderzoek uitgevoerd, de resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in paragraaf 4.8 Lichthinder. Uit de resultaten van het lichtonderzoek is gebleken dat het planvoornemen niet voldoen aan de richtlijnen die NSVV hanteert.

Door enkele maatregelen te nemen kan er een goed woon- en leefklimaat ontstaan. Conform afspraak (overleg d.d. 10 juli 2019) met de voetbalvereniging Nulandia zullen voor verlening van een omgevingsvergunning afdoende maatregelen genomen worden. In het overleg is geconstateerd dat er technische maatregelen mogelijk zijn om voor beide partijen een aanvaardbare situatie te creëren. Voorbeelden zijn genoemd zoals het verlagen van de kappen, andere armaturen en bepaalde LED verlichting. In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de maatregelen aan de verlichting moeten worden uitgevoerd, voordat de bouw van de woningen plaats kan vinden. Op deze wijze is planologisch een aanvaard woon- en leefklimaat gegarandeerd. Conclusie Bij de situering van de nieuwe woningen is rekening gehouden met de milieucontour van het sportcomplex. In de planregels van het bestemmingsplan zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen om het nemen van de vereiste maatregelen voor geluid en licht juridisch te borgen.

35

4.7

Geluidhinder

Wet geluidhinder Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder (wgh) wordt onderscheidt gemaakt tussen wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wet geluidhinder beschouwt woningen als zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Onderzocht dient te worden of toetsing aan de Wgh dient plaats te vinden. Wegverkeerslawaai In het kader van de Wgh bevinden zich langs alle wegen zones. Bij de bouw van geluidsgevoelige objecten binnen deze zones dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Dit geldt niet voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. Conform Wet geluidhinder hoeft er geen onderzoek wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd, want de Duyn en Daelseweg is een weg met een maximumsnelheid van 30 km/uur en heeft daarnaast geen hoge verkeersintensiteit. Industrielawaai Indien er woningen zijn gesitueerd of geprojecteerd binnen de richtafstanden van bedrijven of inrichtingen, is het noodzakelijk deze te toetsen aan de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”(paragraaf 4.6).

Bij kleinere afstanden, zoals in dit plan aan de orde is, dienen de betreffende milieuaspecten nader te worden onderzocht. Hierbij is het belangrijk vanuit het gezichtspunt van woningen aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke kwaliteit. Anderzijds moet worden aangetoond dat de vereniging en de voetbalvelden niet in hun activiteiten beperkt worden. Daarnaast is in de Wet geluidhinder bepaald dat gemeenten bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de Wettelijke geluidgrenswaarden in acht moeten nemen. Onderzoek In opdracht van de initiatiefnemer heeft NIPA milieutechniek b.v. in juni 2019 een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd in verband met de woningbouwontwikkeling aan de Duyn en Daelseweg voor de bouw van 4 schuurwoningen. De locatie is gesitueerd aan de Duyn en Daelseweg in Nuland op een onbebouwd perceel naast huisnummer 14. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat het woon- en leefklimaat bij die nieuwe woonbestemmingen is gewaarborgd. Ook moet worden aangetoond of en in welke mate de voetbalvereniging R.K.V.V. Nulandia gelegen aan Duyn en Daelseweg 12 ten oosten van het bouwplan door de nieuwe ontwikkeling in haar (akoestische) activiteiten wordt beperkt.

Langetijdgemiddelde beoordelingsniveaus Uit het onderzoek volgt dat niet wordt voldaan aan de richtwaarde van stap 2 van Bedrijven en milieuzonering (gecumuleerde waarden) en aan de ambitiewaarden van het geluidbeleid. Aan de grenswaarden van het activiteitenbesluit van 50/45/40 wordt in nagenoeg alle punten voldaan, uitgezonderd 03 en 08. In deze punten is een overschrijding van 1 dB berekend op de oostgevels van de woonbestemmingen in de avondperiode. Het geluidniveau is 46 dB(A). De mogelijkheden de in hoofdstuk 4.2 berekende geluidbelastingen terug te brengen tot aan de in hoofdstuk 2 vermelde richt- en grenswaarden zijn onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat bron en overdrachtsmaatregelen redelijkerwijs niet beschikbaar zijn. De voorkeur gaat uit naar de maatregel bij de ontvanger die voorziet in een oostelijke ''dove'' zijgevel van de geplande nieuwe woningen (t.p.v. waarneempunten 03 en 08) op de 2e woonlaag. Er resteren dan nog overschrijdingen van ten hoogste 3 dB(A) in de avondperiode op de noord- en zuidgevels (voor en achter) van de geprojecteerde woningen. Mede omdat de situatie voldoet aan de grenswaarden van het activiteitenbesluit wordt het bevoegd gezag 36

verzocht in afwijking van gemeentelijk beleid en de publicatie Bedrijven en milieuzonering, om instemming met het geluidniveau (Lar,LT) van 44 dB(A) in de avondperiode. Ter motivatie wordt aangevoerd dat het woon- en leefklimaat bij een geluidniveau van 44 dB(A) in de avondperiode is gewaarborgd. De milieukwaliteit ter plaatse van de nieuwe woonlocatie is bij een dergelijke geluidbelasting goed. Maximale geluidsniveaus Maximale geluidsniveaus ten behoeve van komen en gaan van bezoekers, het verrichten van sportactiviteiten in de openlucht en het laden en lossen in de dagperiode voor de aan- en afvoer van producten worden uitgesloten van toetsing aan de grenswaarden van het activiteitenbesluit. Uit onderzoek blijkt dat ter plaatse van de geprojecteerde woningen wordt voldaan aan de richtwaarden voor het maximale geluidniveau. Eindconclusie industrielawaai Uit het onderzoek blijkt enerzijds dat wanneer de oostgevel van de 2e woonlaag van de geprojecteerde woningen als dove gevel wordt uitgevoerd het woon- en leefklimaat voor deze woningen is gewaarborgd, en anderzijds de voetbalvereniging R.K.V.V. Nulandia niet in haar akoestische ruimte wordt beperkt. Conclusie In het bestemmingsplan wordt opgenomen dat de oostgevel van de 2e woonlaag als een dove gevel moet worden uitgevoerd. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om deze dove gevel te waarborgen.

Voor het aspect geluid voldoet het planvoornemen verder aan een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor het plan.

4.8

Lichthinder

Het voorkomen van lichthinder draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. Uit de beoordeling van het plan blijkt dat lichthinder bij woningen in de buurt van het sportpark een rol kan spelen in het planvoornemen. Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt t.a.v. lichthinder een zorgplicht voor het voorkomen dan wel, voor zover niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder. Door de Nederlandse stichting voor verlichtingskunde (NSVV) zijn richtlijnen voor lichthinder opgesteld, in het Activiteitenbesluit wordt ook verwezen naar deze richtlijnen. De tijden waarop de verlichting aan mag zijn, zijn geregeld in artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit. In de onderstaande tabel worden de richtlijnen voor verlichtingssterkte weergegeven. Omgevingszone Te hanteren Toepassings-c E1 parameter ondities Natuurgebied

E2 Landelijk gebied

E3 Stedelijk gebied

E4 Stadscentrum/ industriegebied

E(v) lux op de Dag en 2 lux gevel avond 07.00-23.00

5 lux

10 lux

25 lux

1 lux

2 lux

4 lux

L(cd) van elke Dag en 2.500 cd armatuur avond 07.00-23.00

7.500 cd

10.000 cd

25.000 cd

Nacht 23.00-07.00

500 cd

1.000 cd

2.500 cd

Nacht 23.00-07.00

1 lux

0 cd

Tabel: Richtlijnen voor verlichting 37

Onderzoek Om het lichthinder van het sportpark op de nieuwe woningen in beeld te brengen heeft Strago Electro Installatietechniek b.v. in februari 2018 een lichtonderzoek uitgevoerd. Het lichtonderzoek is uitgevoerd voor de variant waarbij de woningen op 15 meter afstand staan van de sportvelden. In het lichtonderzoek zijn de effecten van de verlichting op de nieuwe woningen berekend en uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat niet op alle punten wordt voldaan aan de richtlijnen voor verlichting. De maximaal berekende verlichtingssterkte is 45,3 lux, volgens de richtlijn mag dit voor stedelijk gebied tussen 07.00-23.00 maximaal 10 lux zijn. Omdat de berekende verlichtingssterkte hoger is dan de richtlijn voorschrijft, zullen er voor een goed woon- en leefklimaat maatregelen getroffen moeten worden. Hierbij kan aan de volgende maatregelen gedacht worden: 1. 2. 3. 4.

Scherm de lichtbron af, zodat deze niet direct zichtbaar is; Verlicht alleen met geringe oppervlaktehelderheid van de lichtbron; Gebruik alleen betrekkelijk langgolvig licht; Gebruik bij verlichting niet meer licht dan nodig is: verlicht alleen wat verlicht moet worden en zolang als het verlicht moet worden; 5. Vermijd de risicogebieden. Voor de maatregelen dient de voetbalvereniging R.K.V.V. Nulandia nauw betrokken te worden, het gaat om de verlichtingsmasten bij het kleine trainingsveld. In overleg met R.K.V.V. Nulandia zal worden gekeken naar met welke maatregelen het uitstralend licht verminderd kan worden. Bijvoorbeeld door het opnieuw afstellen van de armaturen of het volledig vernieuwen van de armaturen. Een groenblijvende afscherming behoort ook tot de mogelijkheden. Uit de resultaten van het lichtonderzoek is gebleken dat het planvoornemen niet voldoet aan de richtlijnen die NSVV hanteert. Door enkele maatregelen te nemen kan er een goed woon- en leefklimaat ontstaan. Conform afspraak (overleg d.d. 10 juli 2019) met de voetbalvereniging Nulandia zullen voor verlening van een omgevingsvergunning afdoende maatregelen genomen worden. In het overleg is geconstateerd dat er technische maatregelen mogelijk zijn om voor beide partijen een aanvaardbare situatie te creëren. Voorbeelden zijn genoemd zoals het verlagen van de kappen, andere armaturen en bepaalde LED verlichting.

In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de maatregelen aan de verlichting moeten worden uitgevoerd, voordat de woningen in gebruik kunnen worden genomen. Op deze wijze is planologisch een aanvaard woon- en leefklimaat gegarandeerd. Conclusie Uit het lichtonderzoek blijkt dat er maatregelen nodig zijn voordat het planvoornemen voldoet aan het aspect licht. In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de maatregelen aan de verlichting moeten worden uitgevoerd, voordat de bouw van de woningen plaats kan vinden. Op deze wijze is planologisch een aanvaard woon- en leefklimaat gegarandeerd.

4.9

Flora en fauna

Wet natuurbescherming De wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 in werking is getreden, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de boswet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dieren plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden 38

Natura 2000 is de benaming van een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijkste flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwegen te laten of te beperken. Met de komst van de Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzonder provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op de provinciale regelgeving die met ingang van de Wet Natuurbescherming niet is veranderd.

In het Natuurnetwerk Nederland liggen: Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; Waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermende planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlage van de verdragen worden tevens vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Onderzoek Natura 2000-gebieden In de nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Gebiedsbescherming in het kader van Natura 2000 en de vogel- en habitatrichtlijn is niet aan de orde.

Flora- en faunainspectie Er is een flora- en fauna inspectie (externe bijlage, Aeres Milieu, AM12065, 7 juni 2012) uitgevoerd ter plaatse van een weiland gelegen aan de Duyn en Daelseweg, naast nummer 14 te Nuland. Op deze locatie wil men woningen met bijgebouwen realiseren. Het volgende is hierbij aan gegeven: welke beschermde dieren en planten komen mogelijk voor in het plangebied; welke effecten heeft de voorgenomen ingreep. Op 6 juni 2012 is het plangebied en haar naaste omgeving afgezocht naar beschermde soorten. Daarbij werd tevens beoordeeld of het perceel geschikt was als habitat voor beschermde diersoorten. Ook werd er gezocht naar (tekenen van aanwezigheid van) beschermde zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Alle beschermde 39

planten werden in kaart gebracht. Uit de inspectie zijn de volgende conclusies naar voren gekomen: Beschermde dieren uit de categorie 'algemene soorten': vrijstelling In het plangebied bevinden zich mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van algemeen beschermde diersoorten. Voor het vernietigen van holen etc. en verstoren van beschermde zoogdieren van de categorie 'algemene soorten', bestaat voor ruimtelijke ingrepen een vrijstelling op grond van 'AMvB artikel 75' van de Flora- en faunawet (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 20051). Er hoeft voor deze soorten daarom geen ontheffing te worden aangevraagd. Voorkomen doden of verwonden dieren De in de Flora- en faunawet genoemde 'algemene zorgplicht' is ook op beschermde soorten uit de categorie 'algemene soorten' van toepassing. Beschermde diersoorten (ook die van de categorie 'algemene soorten') die tijdens het verwijderen van vegetatie en het vergraven van grond worden aangetroffen, moeten direct worden gevangen en na afloop van de werkzaamheden in het aangrenzende gebied worden vrijgelaten. Algemene vogels: geen directe schade Omdat er geen vogelnesten in het plangebied aanwezig zijn, is schade aan vogelnesten, eieren of jonge vogels uitgesloten. Er hoeft bij de verdere planvorming daarom geen rekening te worden gehouden met het broedseizoen.

Vleermuizen: buitenverlichting niet op houtsingel richten De houtsingel rondom het plangebied dient mogelijk als vaste vliegroute voor vleermuizen. Vaste vliegroutes van vleermuizen worden in de Flora- en Faunawet gezien als vaste rust- en verblijfplaats en zijn daarom streng beschermd. Doordat de houtsingel behouden blijft, en er overdag zal worden gewerkt, zijn er geen schadelijke effecten op vleermuizen te verwachten. Om verstoring van de mogelijk aanwezige vliegroute te voorkomen, mag er geen op de houtsingel gerichte buitenverlichting worden aangebracht. Indien er volgens deze aanbeveling wordt gewerkt is aanvullend onderzoek naar vleermuizen en een eventuele ontheffingsaanvraag niet nodig. Stand van zaken augustus 2019 De situatie is onveranderd ten opzichte van het eerste rapport uit 2012. Ook de wijzigingen in de wetgeving hebben geen gevolgen voor het oordeel. Het rapport is daardoor nog steeds relevant. Het is wel van belang om de aanbevelingen uit het onderzoek op te volgen. Conclusie Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Externe veiligheid

Besluit externe veiligheid Het Besluit externe veiligheid inrichtingen legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi (Besluit externe veiligheid) gedefinieerd als “het risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij en gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.”. Het groepsrisico is gedefinieerd als “de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van 40

een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.”. Externe veiligheid gaat over het beheersen van risico's die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. De verbonden risico's moeten beperkt blijven. Hierdoor worden de volgende normstellingen gehanteerd: 1. Het plaatsgebonden risico (PR) is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; 2. Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Bevi is vastgesteld dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden. Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situatie.

Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming.

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes. Dit besluit is gebaseerd op de Wro en de Wm. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van Nederland.

41

Figuur 12 Uitsnede risicokaart.nl

Inrichtingen De risicokaart (figuur 12) geeft aan dat binnen de planlocatie en in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn die de externe veiligheid beperken of risico's met zicht meebrengen.

Vervoer gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied zijn de rijksweg A59 (>550 meter) en de spoorlijn 's-Hertogenbosch – Oss (>900 meter) gelegen. Voor de rijksweg A59 en de spoorlijn 's-Hertogenbosch - Oss geldt dat de route of tracé geen PR-plafond, maar wel een GR-plafond hebben. De GR-plafond van de spoorlijn 's-Hertogenbosch – Oss is 29 meter en voor de rijksweg A59 is het GR-plafond 74 meter. Gezien de afstand tot het plangebied hebben de rijksweg en spoorlijn geen invloed op het planvoornemen. Conclusie Vanuit de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het plan.

42

4.11

Kabels en leidingen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteits- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klick-melding in kaart gebracht. Door het plangebied lopen geen bovenlokale leidingen of straalpaden. Derhalve zijn er geen leidingen of beschermingszones waar in het bestemmingsplan rekening mee moet worden gehouden. Conclusie Vanuit het aspect kabels en leidingen zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Wel moet bij de uitvoering een Klick-melding gedaan worden om de kleinere, lokale leidingen in kaart te brengen.

4.12

Geurhinder

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet is het beoordelingskader voor geurhinder bij milieuvergunningen en bestemmingsplannen. Het aspect van geurhinder werkt tweeledig. Enerzijds mag realisering van een project niet leiden tot aantasting van vergunde rechten in milieuvergunningen van omliggende (agrarische) bedrijven. Anderzijds kan een project geen doorgang vinden indien geurbelasting van dien mate is dat niet kan worden gesproken van een goed woon- en verblijfsklimaat. In de geurverordening van de voormalige gemeente Maasdonk is voor het plangebied Nuland-West in afwijking van de waarde (de geurnorm), genoemd in artikel 3, eerste lid onder a Wgv voor een geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom (3,0 ouE/m3) voor dit gebied als waarde van toepassing 5 ouE/m3. Daarnaast blijkt uit de “Gebiedsvisie Maasdonk onderbouwing verordening wet geurhinder en veehouderij” dat zich geen knelpunten voordoen ter hoogte van het plangebied 'Duyn en Daelseweg naast nummer 14 te Nuland'. De Duyn en Daelseweg 19 is het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf. Het betreft een bedrijf waarvoor een afstand van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige bebouwing zoals woningen geldt. Gezien de afstand van ruim 250 meter ten opzichte van het plangebied vormt dit geen belemmering voor voorgenomen initiatief.

Conclusie Op basis van bovenstaande is te concluderen dat de geurbelasting op de planlocatie voldoet aan de hiervoor geldende normen. Het aspect geur levert derhalve geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkelingen.

4.13

Duurzaamheid

In Nederland staan we voor een ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Op dit moment wordt intensief gewerkt aan het verduurzamen van de gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is 'energie' een belangrijk speerpunt binnen de gemeente. Enerzijds door het realiseren van duurzame energievormen (zoals windturbines, zonnepanelen, warmtepompen) en anderzijds door het energiezuinig (neutraal) laten bouwen. Ook oplossingen voor waterbeheer dragen bij aan de ontwikkeling van een duurzame 43

(toekomstbestendige) gemeente. Energie Zoals hierboven aangegeven wordt, is energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. De gemeente heeft doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaat neutrale gebouwde omgeving in 2035 en een volledig klimaatneutraal 's-Hertogenbosch in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar dat ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen en woningcorporaties hierin zullen moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en doelstellingen zijn vastgelegd in het “energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat de gemeente 's-Hertogenbosch een serieuze bijdrage levert om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen binnen de gemeente. Woningen Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2020 moet nieuwbouw aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen.

BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. In de tussenliggende periode geldt voor woningen een EPC waarde van 0,4. Het gemeentelijk bestuursakkoord zet bij de ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat zien). Het ontwerp van de vier nieuwbouw woningen zal voldoen aan de 'BENG-eisen'. Daarnaast worden de woningen niet aangesloten op het aardgas. Klimaatverandering In Nederland krijgen we volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen. Door hier tijdig op te anticiperen en aanpassingen door te voeren aan de fysieke leefomgeving van de stad en adaptief gedrag van haar inwoners te ondersteunen, blijft de stad van de toekomst veilig en leefbaar. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar de waterparagraaf (paragraaf 4.3). Conclusie Het planvoornemen sluit aan bij de duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch.

4.14

Mer-beoordeling

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteiten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elke besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.

In het eerste geval is de activiteit m.e.r.-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije 44

m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in Bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijd, de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied is sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een klein stedelijk ontwikkelingsproject. Het gaat in dit geval om een wijziging van een klein stedelijk gebied. Het juridisch-planologisch mogelijk maken van deze ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2. uit de Bijlage m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 ha. De ontwikkeling ligt ver beneden de drempelwaarden zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Gevoelige gebieden In onderdeel A van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied; een aangewezen gebied die beschermd wordt op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.

Het plangebied is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen. Milieugevolgen In de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn verschillende milieueffect beschouwd, zoals geluid, luchtkwaliteit etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake van nadelige milieugevolgen. Conclusie Er kan gezien bovenstaande gesteld worden te beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport. Dit is als een afzonderlijk beslispunt in het collegevoorstel opgenomen.

45

46

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van juridische vertaling in regels van de voor het plangebied gewenste eindbeeld. Bij het opstellen van de verbeelding en planregels is uitgegaan van de bepalingen uit het Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012).

5.1

Verbeelding

Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.

5.2

Planregels

De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1. Inleidende bepalingen, dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel 'begrippen' waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is 'wijze van meten' waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. 2. Bestemmingsregels, in dit hoofdstuk worden de op de kaart aangegeven bestemmingen nader verklaard. Hierin wordt onder andere de maximale bebouwingshoogte bepaald. De gehanteerde bestemmingen worden in paragraaf 5.3 van dit hoofdstuk verder uitgewerkt. 3. Algemene regels, in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene regels worden nader toegelicht in paragraaf 5.3 van dit hoofdstuk. 4. Overgangs- en slotregels, binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingsplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.

5.3

Toelichting op de bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 begrippen In dit artikel wordt een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. 47

Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden – landschapswaarden Het te handhaven weiland aan de voorzijde behoudt de bestemming Agrarisch met waarden – landschapswaarden. Artikel 4 Groen De landschappelijke inpassing aan de zijde van de Duyn en Daelseweg en aan de zijde van het sportveld heeft de bestemming Groen. Artikel 5 Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en wegverkeer, fiets- en voetpaden en langzaam verkeer, verblijfsgebied en verblijf, verkeersvoorzieningen en parkeervoorzieningen en aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorziening zoals groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen de bestemming 'Verkeer' is het niet toegestaan om gebouwen te bouwen. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 5 meter bedragen en voor een vlaggenmast geldt een maximum van 6 meter. Artikel 6 Wonen - 1 De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van woningen, niet zijnde woonwagens, met bij behorende tuinen, erven en terreinen. Maar ook voor aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteiten en de huisvestiging in verband met mantelzorg. Daarnaast zijn aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groen en groenvoorzieningen, parkeer- en verkeersvoorzieningen toegestaan.

De hoofdgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd en deze mag volledig bebouwd worden. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte is 3,5 meter en 8,5 meter. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – dove gevel' dient op basis van een voorwaardelijke verplichting de gevel op de 2e woonlaag aan de zijde van de sportvelden als dove gevel uitgevoerd te worden en in stand te worden gelaten. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om in overleg met de sportvereniging maatregelen aan de verlichting van het naastgelegen sportterrein te realiseren en in stand te houden, waardoor aan de wettelijke normen voor lichthinder wordt voldaan en een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Buiten het bouwvlak mag maximaal 75 m2 aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gerealiseerd. Met als uitzondering dat wanneer het bouwperceel groter is dan 750 m2 er 10% van dat oppervlakte mag worden gerealiseerd tot een maximum van 100 m2. De maximale goothoogte voor bijgebouwen is 3 meter en de bouwhoogte 5 meter. De bouwdiepte voor alle gebouwen en bouwwerken is maximaal 3 meter diep.Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen waarmee wordt toegestaan om een bouwwerk te bouwen dat dieper ligt dan 3 meter beneden maaiveld.

Hierbij is een zorgvuldige afweging verplicht, om te zorgen dat de risico’s voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. Burgemeester en wethouders moeten, voordat zij de omgevingsvergunning verlenen, overleggen met gedeputeerde staten, omdat Gedeputeerde staten het eerste aanspreekpunt zijn, gelet op hun taak op het gebied van het grondwaterbeheer voor de openbare drinkwatervoorziening. Gedeputeerde staten zullen het drinkwaterbedrijf indien nodig vragen om te adviseren over de risico's van de werkzaamheden.

Artikel 7 Waarde – Archeologie 2 (dubbelbestemming) 48

De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' beschermt eventueel aanwezige archeologische resten. Op het deel waar deze dubbelbestemming geldt mag alleen onder voorwaarden gegraven worden. Dit betekent dat bij ontgravingen groter dan 100 m² en/of dieper dan 50 cm onder het maaiveld aangetoond moet worden of er sprake is van de verstoring van archeologische resten en hoe hiermee wordt omgegaan indien dit het geval is.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende bouwvergunning meegenomen wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 9 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels worden regels gegeven voor overschrijding van de bouwgrenzen voor ondergeschikte bouwdelen en aan welke parkeernormering de omgevingsvergunning moet voldoen. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het strijdig gebruik en de uitzonderingen hierop en aan welke parkeernormering het plan moet voldoen. Artikel 11 Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels zijn de regels opgenomen voor de aanduiding 'milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied'. Met deze aanduiding wordt de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening beschermt. Artikel 12 Algemene procedureregels In dit artikel is een regel opgenomen ten aanzien van de procedure bij voorbereiding van een besluit tot het toepassen van nadere eisen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Artikel 14 Slotregel Het laatste artikel “slotregel” geeft de officiële naam van het plan aan, wanneer naar het plan wordt verwezen. De planregels kunnen worden aangehaald onder de naam: 'Bestemmingsplan 'Duyn en Daelseweg ongenummer, naast nummer 14, Nuland''.

49

50

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer en de gemeente zijn een anterieure overeenkomst aangegaan waarin de voornoemde economische uitvoerbaarheid is vastgelegd. De gemeenteraad zal derhalve bij vaststelling van het bestemmingsplan tevens besluiten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Degene die meent schade te lijden door het vaststellen van een bestemmingsplan, kan een verzoek indienen om een tegemoetkoming van de schade (Artikel 6.1 Wro). Eventuele kosten voortkomend uit de planschade zijn in eerdergenoemde overeenkomst meegenomen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het concept ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het zgn. 3.1.1. Bro is toegezonden naar de proivncie Noord-Brabant en waterschap Aa en maas, waarbij de gelegenheid is geboden een reactie te geven op het plan. Het concept ontwerpbestemmingsplan is naar aanleiding van opmerkingen van het waterschap aangepast en voor de opmerkingen van de provincie gedeeltelijk.

51

Duyn en Daelseweg ongenummerd naast 14 Nuland

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden Artikel 4 Groen Artikel 5 Verkeer Artikel 6 Wonen - 1 Artikel 7 Waarde - Archeologie 2 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Artikel 9 Algemene bouwregels Artikel 10 Algemene gebruiksregels Artikel 11 Algemene aanduidingsregels Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht Artikel 14 Slotregel

5 5 10 11 11 12 13 14 18 21 21 22 23 24 25 27 27 28

2

Regels

3

4

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 plan: het bestemmingsplan 'Duyn en Daelseweg ongenummerd naast 14 Nuland' met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002464-1401 van de Gemeente 's-Hertogenbosch; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 verbeelding: de analoge en digitale voorstelling van de in het bestemmingsplan opgenomen ruimtelijke informatie; 1.4 achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.5 aanbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.6 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

5

1.7 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.8 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.9 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.10 bebouwingspercentage: een in dit plan aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd; 1.11 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.12 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw; 1.14 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.15 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijke omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder; 1.16 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.17 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel; 1.18 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 6

1.19 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.20 dak: Iedere bovenbeeïndiging van een gebouw; 1.21 dakopbouw: een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag en een afstand van minimaal 1 meter tot de voorgevel; 1.22 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik is aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.23 dove gevel: een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte; 1.24 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik

van dat gebouw, en voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.25 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26 geluidgevoelige ruimte: een geluidsgevoelige ruimte is ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2; 1.27 hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.28 huisvesting in verband met mantelzorg: huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner in de woning;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11999025/1