Bijlage 4 - Bestemmingsplan Onderwijsboulevard 256
Tekst van het document
Doorwerking plangebied In het plangebied is vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen de geluidzone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
5.4
Trillingen
Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem). Doorwerking plangebied Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron.
De bebouwing in het plangebied ligt op een afstand van circa 220 meter tot het spoor. Gezien deze afstand en de tussenliggende boven- en ondergrondse bebouwing, wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Onevenredige hinder als gevolg van trillingen kan redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.5
Verlichting
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Doorwerking plangebied Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat er geen lichtbronnen worden gerealiseerd buiten de gebruikelijke lichtbronnen, zoals die bij de functies horen, die reeds in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn.
56
5.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10 -6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10 -6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art.
3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit). Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten
57
(kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. Doorwerking plangebied en toetsing beleidsvisie De beoogde ontwikkeling voorziet in bebouwing ten behoeve van maximaal 25.000 m 2 BVO onderwijs en in eerste instantie 125, tot maximaal 180, woningen. De bewoners, medewerkers en studenten worden als normaal zelfredzaam beschouwd. Deze objecten worden beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen/oranje gebied (zie figuur 5.1). Beperkt kwetsbare objecten zijn hier wel toegestaan en kwetsbare objecten zijn hierin onder voorwaarden toegestaan. Er dient gekeken te worden of er ter plaatse sprake is van een hoog of laag groepsrisico en een goede of slechte beheersbaarheid. Uit raadpleging van de risicokaart (zie figuur 5.2) blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen relevante risicobronnen gelegen zijn, met uitzondering van de spoorlijn 's-Hertogenbosch - Eindhoven/Tilburg. Inrichtingen Op 792 meter van het plangebied bevindt zich een gasdrukregel- en meetstation. De veiligheidsafstand voor deze inrichting bedraagt 25 meter.
Overige risicovolle inrichtingen bevinden zich op nog grotere afstand van het plangebied en zijn in het kader van onderhavig plan niet relevant. Buisleidingen Op een afstand van circa 590 meter van het plangebied ligt de aardgasleiding Z-517-10. Voor deze leiding geldt een 100%-letaliteitsafstand van 70 meter en een 1%-letaliteitsafstand van 140 meter. Het plangebied valt hier ruimschoots buiten. Transportroutes (weg, spoor en water) Het plangebied is gelegen op een afstand van 240 meter tot de spoorlijn die langs 's-Hertogenbosch gaat. Over deze spoorlijn worden verscheidene gevaarlijke stoffen getransporteerd, waaronder toxische gassen en zeer toxische vloeistoffen. Door deze laatstgenoemde categorie geldt er een invloedsgebied van 4.000 meter voor de spoorlijn. Het plangebied ligt hierbinnen. Aangezien het plangebied nog wel op een geruime afstand gelegen is (van meer dan 200 meter) dient er enkel een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Er zijn geen (water)wegen gelegen in de nabijheid van het plangebied waarvan de risicocontouren of invloedsgebieden tot het plangebied reiken.
Figuur 5.1 Uitsnede kaart 'Vestiging kwetsbare objecten', plangebied omcirkeld
58
Figuur 5.2: Uitsnede Risicokaart met plangebied omcirkeld, raadpleging 15 juli 2021 Verantwoording groepsrisico De onderhavige ontwikkeling leidt tot een relatief beperkte toename van het aantal mensen ten opzichte van de huidige bestemming en in relatie tot de hoogstedelijke omgeving waarin het plangebied zich bevindt. Hierdoor kan worden gesteld dat het GR niet significant toeneemt. De bestemming wordt gedeeltelijk gewijzigd naar wonen. Om met deze ontwikkeling een hogere waarde van het GR te verantwoorden wordt een advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Brabant-Noord. De stedenbouwkundige structuur moet garanderen dat voldoende vluchtwegen van het spoor af kunnen worden genomen. Naar alle omliggende wegen kan gevlucht worden. Aangezien de doelgroep van de woningen in eerste instantie studenten betreft en de bezoekers van de hogeschool ook grotendeels studenten zijn, mag aangenomen worden dat de bewoners meer dan gemiddeld zelfredzaam zullen zijn en bereid zijn om zelf de juiste maatregelen te nemen om de gevolgen van een incident te beperken. Dit geldt ook voor het personeel. De totale zelfredzaamheid wordt als goed beoordeeld. Met onderliggend wegennet wordt de bereikbaarheid van de hulpdiensten binnen het Paleiskwartier voldoende gegarandeerd. Het plangebied is van meerdere kanten goed toegankelijk voor hulpdiensten.
In geval van een calamiteit zal de brandweer zich in eerste instantie inzetten bij de bron. Het plan heeft geen invloed op de mogelijkheden tot bestrijding aan de bron. De woningen zullen aan de eisen uit het Bouwbesluit moeten voldoen en zullen wellicht in het kader van duurzaam omgaan met energie voldoende geïsoleerd zijn. Verwacht wordt dat er op natuurlijke wijze geventileerd gaat worden. Gaat men mechanisch ventileren dan moet deze wel af schakelbaar/afsluitbaar zijn. Verder dienen de initiatiefnemers geïnformeerd te worden over het risico en handelingsperspectief. Conclusies en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een spoorweg. Voor het overige zijn er geen relevante risicobronnen in de omgeving gelegen. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobron is het groepsrisico verantwoord. In dit geval kan conform vigerende wetgeving en het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid worden volstaan met een beperkte verantwoording. Het plan heeft geen
59
significante invloed op de hoogte van het groepsrisico. De zelfredzaamheid en vluchtmogelijkheden worden als meer dan voldoende beoordeeld. Daarnaast is het plan niet van invloed op de bestrijdbaarheid in geval van een calamiteit. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's op basis van de voorgaande overwegingen en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
5.7
Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m³.
Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. De verkeersgeneratie ten gevolge van het plan bedraagt maximaal 612 voertuigbewegingen per etmaal, zie paragraaf 3.4.1. De NIBM-tool (figuur 5.3) toont aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In de berekening is incidenteel vrachtverkeer meegenomen en is worst case het jaar 2022 als start van het project gehanteerd. Onderhavig plan hoeft formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.
Figuur 5.3: resultaat NIBM Tool op basis van worst case verkeerssituatie Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) (gemeten bij meetpunten nabij het plangebied) onder respectievelijk 25 en 21 µg/m 3 liggen. Hiermee wordt ruimschoots 60
voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m 3). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 13 microgram/m 3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan.
5.8
Bodem
Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Doorwerking plangebied Gezien de aard van de ontwikkeling, waarbij er sprake is van nieuwbouw waarin permanent mensen verblijven, dient de bodemkwaliteit te worden onderzocht. Bodemonderzoek In 2017 is de locatie onderzocht door Lankelma Geotechniek Zuid. Het gehele onderzoek (verkennend bodemonderzoek) is opgenomen in Bijlage 4. Hieronder worden de belangrijkste conclusies toegelicht. De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 6,0 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Het oorspronkelijke maaiveld is aanwezig tussen de 3,0 en 4,0 m-mv en bestaat uit een matig tot sterk zandige klei- of veenlaag.
Met name de bovengrond is lokaal humushoudend. In geen van de onderzochte grond(meng)monsters is een overschrijding ten opzichte van de interventiewaarden aangetoond. De grond is lokaal licht verontreinigd met PCB, cadmium, kwik, lood en/of 1,1-dichloorpropaan, 1,2-dichloorpropaan en 1,3-dichloorpropaan. In enkel de ondergrond van één boring wordt ook een lichte overschrijding aangetoond met tetrachlooretheen. In het grondwater uit vrijwel alle peilbuizen worden licht verhoogde gehalten aan barium, vluchtige aromaten en/of vluchtige chloorkoolwaterstoffen aangetoond. In één peilbuis wordt aanvullend een matige verhoging aan koper en een licht verhoogd gehalte aan zink aangetoond. In twee peilbuizen worden matig tot sterk verhoogde gehalten aan vinylchloride aangetoond. De in voorgaand bodemonderzoek (Oranjewoud, 2009) aangetoonde matige tot sterke grondwaterverontreinigingen met tetrachlooretheen (PER), cis-1,2-dichlooretheen (CIS) en vinylchloride (VC) zijn niet in vergelijkbare mate aangetoond. Opvallend is dat bovengenoemde vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen in maximaal licht verhoogde gehalten worden aangetoond. Enkel vinylchloride, een afbraakproduct van tetrachlooretheen, blijkt nog zeer lokaal in matige tot sterke verhoogde concentraties aanwezig.
Een mogelijke verklaring van de aangetoonde afname is een natuurlijke afbraak, verdunning of verplaatsing van de grondwaterverontreiniging. Formeel gezien is de bodem op de locatie niet geheel vrij van bodemverontreiniging en is een nader bodemonderzoek noodzakelijk naar het voorkomen van met name koper en vinylchloride in het grondwater. Dit wordt echter niet zinvol geacht en wel om de navolgende redenen:
In de vaste bodem wordt geen verhoging van de onderzochte stoffen aangetoond. Er zal derhalve geen sprake zijn van een bron op de locatie die in verband kan worden gebracht met de aangetoonde verontreiniging; In de omliggende peilbuizen zijn geen vergelijkbare concentraties aan koper of vinylchloride aangetoond. Derhalve is er reeds sprake van een globale horizontale inkadering;
61
De grondwaterverontreiniging met VOCL maakt onderdeel van een groter geheel aan grondwaterverontreiniging binnen het Paleiskwartier. Deze grootschalige grondwaterverontreiniging wordt door de gemeente gesaneerd via een meerjarige, gefaseerde saneringsaanpak. Samenvattend kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit ter plaatse voldoende is onderzocht en deze geen belemmering voor het toekomstige gebruik oplevert. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek verricht naar het voorkomen van asbest in de grond, puin en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond, het puin en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Conclusie bodemonderzoek Middels het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn formeel aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt mogelijk belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande ontwikkeling van deze locatie.
Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken:
wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de grond indicatief als zijnde klasse AW2000 en wonen bestempeld. De ondergrond is deels indicatief beoordeeld als klasse industrie; lokaal zijn in de ondergrond bijmengingen met puin of baksteen waargenomen. Derhalve wordt aanbevolen om na amovatie van de huidige bebouwing aanvullend een asbest in grondonderzoek conform NEN5707 te verrichten; de oprit gelegen aan de Onderwijsboulevard bestaat naar verwachting over zijn gehele oppervlak en tot 1,0 m-mv volledig uit puin. Aanbevolen wordt om een asbest in puinonderzoek te verrichten conform de NEN5897. het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag; het matig tot sterk verontreinigde grondwater is op moment van grondwatermonstername gelegen op ca. 3,4 à 3,5 m-mv. Eventuele veiligheidsvoorzieningen of maatregelen ten gevolge van werkzaamheden waarbij verplaatsing van het grondwater plaatsvindt of waar direct contact met het grondwater mogelijk is, dienen met het bevoegd gezag overlegd te worden. Aanbevolen wordt in de planfase het bevoegd gezag reeds te betrekken
Asbestinventarisatierapport In vervolg op het voorgaande verkennend onderzoek is een asbestinventarisatierapport opgesteld in het kader van de inmiddels reeds uitgevoerde totaalsloop van de voorheen aanwezige bebouwing. Na uitvoering van de sloop vormt de aanwezigheid van asbest geen belemmering meer voor het planvoornemen.
62
5.9
Hoogspanningslijnen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor onderhavig plan houdt is van belang dat het niet in de buurt ligt van hoogspanningslijnen.
5.10
Water
We verwachten meer hevige én langdurige neerslag in de toekomst. Daarom bestaat de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw uit beleid waarmee ruimte wordt gemaakt voor water. In de Visie Groen en Klimaatbestendig is vastgelegd dat de ambitie bestaat om in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem te creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties (op een aantal onder de provinciaal bevoegdheid vallende categorieën na; zie art. 6.4 Waterwet). De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd.
In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Uitgangspunten voor integraal waterbeheer De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:
Voorkom vervuiling van (regen)water; Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden; Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer; Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties; Houdt rekening met waterschapsbelangen. Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen; Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein; Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water.
63
Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan. Afvalwater en hemelwater In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd en geheel onverhard. Voorheen was de locatie vrijwel geheel bebouwd. In de toekomstige situatie bedraagt het bebouwd en verhard oppervlakte respectievelijk ca. 6.922 m² ca. 928 m², totaal ca. 7.850 m². Ten opzichte van de huidige situatie betekent dit een forse toename, maar ten opzichte van de voorgaande situatie een afname. De hemelwateropgave op basis van de Keur en de gemeentelijke Verordening Bomen, water en groen bedraagt voor dit plan op basis van het bebouwd oppervlakte 757 m3. Een deel van het dak van Avans wordt ingericht als natuurdak met waterretentie (met 25 mm waterberging); hiervoor geldt een vrijstelling van de hemelwateropgave in verband met de toegevoegde waarde voor natuur en waterberging. De definitieve wateropgave voor dit plan bedraagt daarmee 654 m 3. Figuur 5.3 geeft deze opgave gedetailleerd weer. Onder de figuur wordt de berekening nader toegelicht. In figuur 5.4 is aangegeven welke zones uit verharding, groen en groen dak bestaan. Locatie
oppervlak totaal % beschikbaar waterbuffer in waterbuffer in m2 oppervlak m/m2 totaal in m3
Dak Avans geen waterretentie Dak Avans (atrium) geen waterretentie
2.746
0
0
0,00
491
0
0
0,00
1.917
0
0
0,00
4.770
95
0,14
634,41
Terrein met verharding (engelshof en entree garage)
928
0
0
0,00
Dak BrabantWonen geen waterretentie
1.348
0
0
0,00
Patio's begane grond Brabant Wonen met waterretentie
315
95
0,14
41,90
Patio 1e verdieping Brabant Wonen geen waterretentie
105
0
0
0,00
Dak Avans met waterretentie 25mm
natuurdak
en
Campus terrein met waterretentie
Totaal plangebied
12.620
Totaal waterbuffer in m3
676,31
Eis waterbuffer op bais van m2 plangebied
12.620
0,06
757,20
Reductie i.v.m. biodivers dak Avans 90% van 1.917 m2
1.725
0,06
103,52
Totaal eis waterbuffer
653,68
Figuur 5.3: berekening wateropgave De gemeente hanteert de eis om een bui van 60mm/m² te bufferen. Voor de waterbuffering op het natuurdak van Avans is gerekend met een capaciteit van minimaal 25 mm/m². Er is een verwacht beschikbaar oppervlak van 1725 m². Voor de waterbuffering van het campusterrein is een grotere capaciteit voorzien. Hier is uitgegaan van 140 mm/m². Dit wordt gerealiseerd in waterretentiekratten van 150 mm. In het definitief ontwerp is dit gedetailleerd uitgewerkt. Voor het campusterrein wordt uitgegaan van een beschikbaar oppervlak van 95% van het totaal oppervlak van het campusterrein. In het definitief ontwerp is de dekbelasting voor het betondek onder de campus berekend, zodat de gekozen oplossing bouwkundig uitvoerbaar is. Voor de patio's van Brabant Wonen worden de 3 patio's op de begane grond voorzien van een buffer van 140 mm/m² en de patio op de eerste verdieping heeft geen waterbuffer.
64
Figuur 5.4: Weergave verharding, groen en waterafvoer (bron: B+B) Hemelwater en afvalwater worden in de toekomstige situatie gescheiden. Het afvalwater zal op het gemeentelijk stelsel worden afgevoerd. Hemelwater wordt op het binnenterrein geïnfiltreerd. De afvoer van overtollig regenwater (nood overstort) verloopt middels een huisaansluiting (riool) via de Markiezenstraat, waar een ondergronds gelegen buis komt op de door Avans in te richten groenzone op gemeentelijk grondgebied, uiteindelijk naar het bestaande regenwaterriool aan de Onderwijsboulevard (zie figuur 5.4). Ten opzichte van het voormalige gebruik is een toename van het afvalwater te verwachten. Het gemeentelijk rioolstelsel is echter berekend op het hoogstedelijk gebied waarin het plangebied zich bevindt. Derhalve worden er geen belemmeringen verwacht. Voor de verwerking van het hemelwater wordt geconcludeerd dat bufferen conform de eis van 60 mm/m² goed mogelijk is. Het regenwater wordt zo lang mogelijk vastgehouden in de waterbuffers, zodat de beplanting hiervan zo goed mogelijk kan profiteren. Door een slim systeem van stuwingsregelaars op de afvoerpunten van de waterbuffers kan het gewenste regenwater zo lang mogelijk beschikbaar blijven voor de beplanting en kan het gecontroleerd overlopen op het regenwaterriool als er veel regen voorspeld wordt en de buffer hiervoor ruimte moet maken.
Het overtollige water wordt vertraagd afgevoerd naar het regenwaterriool ter plaatse van de Onderwijsboulevard. In overleg met de gemeente wordt onderzocht waar dit het beste aangesloten kan worden.
65
Grondwater en bodem De bodem- en grondwatersituatie zijn in het kader van het bodemonderzoek (Bijlage 4) onderzocht. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. In dit opzicht zijn er geen nadere voorwaarden aan het plan verbonden. Oppervlaktewater Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is in het plangebied en de directe omgeving daarvan geen oppervlaktewater aanwezig. Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen (beschermingszones van) een waterkering. Conclusie In deze watertoets is de wijze waarop in het plan wordt omgegaan met het wateraspect beschreven. Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding, oppervlaktewateren en/of waterkeringen. De ontwikkeling wordt hydrologisch neutraal uitgevoerd en is in overeenstemming met de relevante waterhuishoudkundige beleidskaders.
5.11
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Op dit moment werken we intensief aan het verduurzamen van onze gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is 'energie' een belangrijk speerpunt binnen onze gemeente. Enerzijds door het realiseren van duurzame energievormen (zoals windturbines, zonnepanelen, warmtepompen) en anderzijds door het energiezuinig (neutraal) laten bouwen. Ook oplossingen voor waterbeheer dragen bij aan de ontwikkeling van een duurzame (toekomstbestendige) gemeente. Energie Zoals gezegd is energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. De gemeente heeft doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en 'sHertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken.
De gemeentelijke energie-ambitie en doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente. BrabantWonen en de gemeente hebben prestatieafspraken vastgelegd, waarin hogere eisen en ambities ten aanzien van energie en duurzaamheid zijn afgesproken. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Duurzaamheidsakkoord 2021-2025, de Meerjarige prestatieafspraken 2021-2025 en de Uitvoeringsagenda 2021. Bij de ontwikkeling van de nieuwbouw wordt aan deze afspraken voldaan. Nieuwe technieken worden waar mogelijk toegepast om een beter energieniveau te behalen. Het nieuwe gebouw kent, zoals vrijwel alle gebouwen in het Paleiskwartier, een WKO-oplossing voor haar warmte- en koelbehoefte (zowel deel van Avans als de woningen). Er worden voor dit doel geen fossiele brandstoffen gebruikt. De nieuwbouw van Avans heeft verder uitsluitend luchtbehandelingsinstallaties met warmte terugwinning en alle ventilatie in het gebouw is vraaggestuurd. Elektriciteit wordt opgewekt met PV-panelen. Hiermee wordt deels de energiebehoefte van het gebruik gedekt.
66
Woningen Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2020 moet nieuwbouw aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. De nieuwbouw wordt vanzelfsprekend BENG opgeleverd. Bedrijven Bedrijven dienen te voldoen aan de energie-eisen conform het Activiteitenbesluit. Dit komt neer op het treffen van alle energiebesparende maatregelen die binnen een periode van 5 jaren zijn terugverdiend. Verder dient nieuwbouw van de bedrijfspanden vanaf 1 januari 2020 te voldoen aan BENG. De nieuwbouw wordt vanzelfsprekend BENG opgeleverd. Waar mogelijk wordt verder gemaximaliseerd op duurzaamheid, waaronder energie, binnen de financiële mogelijkheden. Klimaatverandering Het klimaat verandert. In Nederland krijgen we volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen. Door hierop tijdig te anticiperen en aanpassingen door te voeren aan de fysieke leefomgeving van de stad en adaptief gedrag van haar inwoners te ondersteunen, blijft de stad van de toekomst veilig en leefbaar.
Om hittestress te voorkomen als gevolg van veel verstening en asfalt liggen bij (her)ontwikkeling in de bestaande stad kansen voor een klimaatadaptieve inrichting. Vooral het aanleggen van groen en aanplanten van bomen zorgt voor verkoeling. Voor bomen is het belangrijk dat ze voldoende ondergrondse groeiruimte krijgen en altijd van voldoende water zijn voorzien. Voor een klimaatadaptieve inrichting van het plan worden onderstaande maatregelen uitgevoerd:
Realisatie van een deel van het gebouw (het bouwblok op de hoek Onderwijsboulevard / Markiezenstraat) met een groen dak met waterretentie; Realisatie van een groen binnenterrein, dat grotendeels als waterretentie kan worden ingezet; Hemelwater wordt aldus op eigen terrein opgevangen en voorkomen wordt dat hemelwater op het riool moet worden geloosd; Gedeeltelijk realisatie van een groene gevel; Aanplant nieuwe bomen op binnenterrein en naastgelegen gemeentelijke strook in de Markiezenstraat; Realiseren van zonwering op oost-, west- en zuidgevels ter voorkoming van hitte in het pand zelf. Daarnaast is in het gevelontwerp van de nieuwbouw gestuurd op maximale schaduwval op het glas.
Hiermee wordt binnen de reële mogelijkheden op de onderhavige locatie bijgedragen aan een klimaatadaptieve leefomgeving. Duurzame mobiliteit Tot slot is het mobiliteitsbeleid van Avans ook sterk gericht op duurzaamheid. Dit komt onder meer tot uitdrukking doordat:
Alleen docenten mogen parkeren in de parkeergarage onder de nieuwbouw. Studenten niet; zij worden gestimuleerd om van andere vervoersmiddelen gebruik te maken; Gebruik van het openbaar vervoer wordt gestimuleerd doordat de nieuwbouwlocatie (evenals het huidige gebouw) is gekozen op een locatie op korte afstand van het centraal station en door een goede looproute te creëren naar zowel de bestaande als de nieuwe bebouwing; Fietsgebruik wordt gestimuleerd door voldoende en goed bruikbare/bereikbare fietsparkeervoorzieningen. Zie nader over dit onderwerp ook paragraaf 3.4.
67
Overige duurzaamheidsaspecten Duurzaamheid houdt niet alleen in, dat rekening wordt gehouden met klimaatverandering en energie, maar komt tevens tot uitdrukking in slim multifunctioneel en efficiënt ruimtegebruik en het zoveel mogelijk beperken van het gebruik van schaarse grondstoffen. Het ontwerp van de nieuwbouw draagt aan deze duurzaamheidsaspecten in bredere zin op verschillende manieren bij:
Flexibiliteit in het bouwontwerp: door de modulaire opzet van het ontwerp (bouwkundig en installatietechnisch) kan goed worden ingespeeld op veranderende eisen van gebruikers, zoals een groei van het aantal opleidingen en/of studenten, andere onderwijsvormen, transitie van onderwijsruimten naar kantoorruimten, etc. Hierdoor is duurzaam en efficiënt ruimtegebruik ook op middellange en lange termijn mogelijk. Het gebouw is voorbereid op uitbreiding van haar volume en is zo flexibel dat delen ervan zelfs eenvoudig zijn om te bouwen tot woningen. Dat maakt dat het gehele te ontwikkelen gebied maximaal kan inspelen op de vragen van de toekomst, zonder dat daartoe grootschalige verbouwingen en/of nieuwbouw nodig zijn. Er wordt bewust gebruik gemaakt van materialen. Op plaatsen waar in de toekomst wijzigingen te verwachten zijn (binnenruimten) wordt materiaal gekozen dat makkelijk vervangbaar is en herbruikbaar is (bijvoorbeeld binnenwandsystemen en plafonds). Daar waar materiaal ingezet wordt dat de gehele levensduur van het gebouw zal functioneren, is gekozen voor materiaal dat deze functie ook kent en minimaal onderhoud zal vragen (bijvoorbeeld de bouwkundige schil van het gebouw). Bij de sloop van de voormalige bebouwing in het plangebied is duurzaamheid als eis in de aanbesteding gesteld. Liefst 95% van het materiaal dat hierbij gesloopt is, wordt hergebruikt. Dit is o.a.
vastgelegd in certificaten. Bij de realisatie van het gebouw wordt ook het toepassen van hergebruikte materialen toegestaan. Bij de bouw van de woningen zijn de principes van ”the natural step“ van toepassing.
Initiatiefnemers Avans en BrabantWonen hebben duurzaamheid in brede zin als speerpunten in hun beleid opgenomen. Een duurzame ontwikkeling van de onderhavige nieuwbouw en het binnenterrein vormt dan ook een integraal onderdeel van het plan.
5.12
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r.-beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2.000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet, dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Het plangebied heeft een omvang van ca. 12.500 m² en voorziet in een programma met maximaal 24.500 m bvo aan onderwijsvoorzieningen, maximaal 210 woningen en maximaal 300 m² horeca. De omvang van het project ligt hiermee aanzienlijk onder de genoemde drempelwaarden.
Verder blijkt uit de in dit hoofdstuk beschreven onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het project. De locatie ligt in sterk verstedelijkt gebied, derhalve buiten gebieden die als 'gevoelig gebied' worden aangemerkt. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Hierover neemt het bevoegd gezag voorafgaande aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan een separaat besluit.
68
ad b. Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op circa 0,7 km van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Overige Natura 2000-gebieden liggen op aanzienlijk grotere afstand. De gewenste ontwikkeling in het plangebied zal geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000gebied. In paragraaf 5.13 is dit nader onderbouwd. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.
5.13
Ecologie
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dieren plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
69
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoek Soortenbescherming In 2020 is door Staring Advies een ecologische quickscan uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen als Bijlage 5. Uit de rapportage is gebleken dat nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk was, voorafgaand aan de sloop van de voormalige bebouwing. Daarnaast diende rekening te worden gehouden met algemene broedvogelsoorten.
Ten aanzien van het toekomstige gebruik zijn er geen belemmeringen. Bij de start van de sloop van de voormalige bebouwing was abusievelijk geen vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Na stillegging van de sloop is alsnog een nader onderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Hierbij is de situatie ter plekke in kaart gebracht en is een preventief migratieplan opgesteld met voorwaarden waaronder de sloop kon worden hervat. Met inachtneming van het preventief migratieplan is de sloop vervolgens uitgevoerd. In oktober 2020 is door de Omgevingsdienst Brabant-Noord geconstateerd dat er geen sprake (meer) was van overtreding van de Wet natuurbescherming (Bijlage 8). Ten aanzien van de toekomstige werkzaamheden zijn er geen belemmeringen meer vanuit het aspect soortenbescherming. In de huidige situatie bevat het plangebied geen geschikt habitat voor beschermde soorten. Aanbevolen wordt evenwel om te voorkomen dat beschermde soorten zich ter plaatse kunnen vestigen voor aanvang van de werkzaamheden. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in het NNN. Dergelijke gebieden liggen op circa 500 meter afstand. Negatieve effecten op de kenmerken van deze gebieden zijn, gelet op de afstand en het tussenliggende stedelijke gebied, uitgesloten. Circa 700 meter ten zuiden van het plangebied ligt het Natura 2000-gebieden 'Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek'.
Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op meer dan 6 kilometer afstand. Uit de ecologische quickscan (Bijlage 5) blijkt dat er geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van directe verstoringsfactoren, zoals verontreiniging, verstoring, verdroging en oppervlakteverlies. Negatieve effecten kunnen enkel aan de orde zijn in de vorm van stikstofdepositie. Omdat dergelijke effecten op voorhand niet uitgesloten zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 6. De stikstofdepositieberekening is conform de Wet stikstofreductie en natuurverbetering uitgevoerd voor de gebruiksfase van het plan. Hierbij is de worst case situatie wat betreft het aantal verkeersbewegingen als uitgangspunt genomen (zie hierover nader paragraaf 3.4.1). Op basis van de toekomstige situatie treedt een depositie van maximaal 0,01 mol/ha/j op stikstofgevoelige habitats van het Natura 2000-gebied 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek' op. Omdat de depositie >0,00 mol/ha/j bedraagt, is onderzocht op het project een afname van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie oplevert.
De referentiesituatie betreft volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het feitelijk bestaande, planologisch toegestane gebruik ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. In het geval het feitelijk bestaande, planologisch toegestane gebruik vóór vaststelling onomstotelijk is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die met het betreffende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, dan mag deze beëindigde situatie echter onderdeel uitmaken van de referentiesituatie (zie de uitspraak ABRS 1 september 2021, kenmerk
70
ECLI:NL:RVS:2021:1960). Ook is vereist dat in de tussenliggende periode geen stikstofveroorzakende activiteiten zijn uitgevoerd. Deze situatie doet zich hier voor: het voorgaande gebruik als onderwijsinstelling, meest recent door de kunstacademie AKV I St. Joost, is beëindigd en niet meer hervat om de onderhavige planontwikkeling mogelijk te maken. Met dat doel is de bebouwing ook gesloopt. Nadien heeft het terrein braak gelegen. Er is derhalve een verschilberekening uitgevoerd tussen de referentiesituatie met invulling van het voormalige pand voor onderwijsdoeleinden en de worst case situatie, die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Uit deze verschilberekening volgt dat er geen toename van stikstofdeposities op gevoelige habitats van Natura 2000-gebieden optreden. Er zijn geen verschillen >0,00 mol/ha/j berekend. Door middel van interne saldering kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden dan ook worden uitgesloten. Conclusie De aspecten soortenbescherming en gebiedsbescherming vormen geen belemmering voor het plan. Het plan kan worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wnb. Significant negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
5.14
Archeologie en cultuurhistorie
5.14.1 Archeologie Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Onderzoek Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Paleiskwartier-Willemspoort-Station' heeft het noordelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Op basis hiervan heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachting. De gemeente 's-Hertogenbosch is inmiddels echter tot andere inzichten gekomen en op de nog vast te stellen archeologische beleidskaart heeft het plangebied een lage archeologische verwachting (zie afbeelding 5.3).
Op basis van deze verwachtingswaarde is een archeologisch onderzoek ook niet noodzakelijk. Onderstaande onderbouwing gaat hier verder op in. Archeologische waarden en verwachtingen Het plangebied ligt op de locatie van de voormalige kunstacademie van Avans, waar voorheen het bedrijf Remington Rand, een schrijfmachinefabriek, was gesitueerd. Volgens de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente 's-Hertogenbosch geldt voor het terrein deels een lage en deels een middelhoge archeologische verwachting. De middelhoge archeologische verwachtingswaarde is gebaseerd op het feit dat het plangebied 'Paleiskwartier-Willemspoort-Station' grotendeels in een dekzandvlakte is gelegen. Het dekzandlandschap is ontstaan tijdens de laatste ijstijd en bestaat uit zand dat lokaal is opgestoven omdat het niet langer werd vastgehouden door vegetatie. De dekzandruggen en koppen vormen een onderdeel van een zeer grote (onderbroken) dekzandrug die ook onder de historische binnenstad van 's-Hertogenbosch wordt aangetroffen en verder doorloopt via Rosmalen naar Oss. De hoger gelegen dekzandruggen zijn reeds vanaf de prehistorie een geliefde plaats voor bewoning geweest. Tijdens het beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 heeft ter hoogte van de huidige Vlijmenseweg, de Oude Vlijmenseweg, de Simon Stevinweg en de Christiaan Huygensweg een linie van dijken en schansen gelegen.
Voor de aanleg van de linie werd vaak gebruik gemaakt van reeds bestaande hoogtes (dijken, wegen en dekzandruggen). Vermoedelijk is een groot deel van linie kort na het beleg al weer afgebroken en 71
zijn wallen en schansen geslecht maar het is ook aannemelijk dat reeds bestaande wegen en dijken intact bleven. De locatie van de linie van 1629 is gebaseerd op een historische kaart die is overgezet naar de huidige topografie. Omdat de oorspronkelijke positie van de verdedigingswerken niet goed is te bepalen, is er een bredere band aangegeven waar sporen van de verdedigingswerken kunnen worden verwacht. Niet enkel voor de linie 1629 was een brede band ingetekend op de huidige archeologische beleidskaart. Voor de rest van de verwachtingsgebieden werd ook een ruime marge aangehouden, zo ook voor de vindplaatsen bij dekzandruggen, op basis waarvan de middelhoge archeologische verwachtingswaarde aan het plangebied is toegedeeld. Dit is destijds zo gedaan omdat weinig archeologisch onderzoek was verricht. Inmiddels is meer archeologisch onderzoek uitgevoerd in de nabijheid van het plangebied. Op basis van de nieuw verkregen informatie is de archeologische verwachtingswaarde bijgesteld. In figuur 5.3 is een uitsnede weergegeven van de (nog vast te stellen) archeologische waarden- en verwachtingenkaart die is opgesteld op basis van deze nieuwe inzichten. Op basis hiervan wordt nader onderzoek voor het plangebied niet noodzakelijk geacht en wordt in het plan geen archeologische dubbelbestemming opgenomen.
Figuur 5.3 Nieuwe inzichten archeologische verwachtingen (plangebied rood omlijnd) Conclusie Op basis van de nieuwe archeologische verwachtingswaarde (laag) hoeft geen archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
72
5.14.2 Cultuurhistorie In het plangebied en de directe omgeving zijn momenteel geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het betreft een gebied in ontwikkeling. Op de plek waar momenteel het Paleiskwartier is en wordt ontwikkeld, was voorheen het bedrijventerrein De Wolfsdonken aanwezig. Dit bedrijventerrein is in de eerste helft van de 20 e eeuw ontwikkeld en betekende de eerste stap 'over het spoor' vanuit de historische binnenstad. Figuur 5.5 geeft een beeld van de architectuur en opzet van het voormalige bedrijventerrein. Het bedrijventerrein heeft tot het eind van de 20e eeuw gefunctioneerd, maar raakte steeds verder in verval. In de jaren '90 ontstond de mogelijkheid om aan de westzijde van het NS-station een hoogwaardige kantoor- en woningbouwlocatie te ontwikkelen. Op 19 januari 1995 stelde de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch bestemmingsplan 'Westzijde station La Gare e.o.' vast. De gemeenteraad bood hiermee het bestuurlijk en juridisch kader voor de ontwikkeling van een nieuwe hoogwaardige kantoor- en woningbouwlocatie. Dit vormde de start van de ontwikkeling van het noordelijk deel van het Paleiskwartier. Het zuidelijk deel is in de afgelopen 20 jaar getransformeerd en nadert haar voltooiing.
Figuur 5.4: luchtfoto bedrijventerrein De Wolfsdonken, plangebied omkaderd
73
Figuur 5.5: bebouwing voormalig bedrijventerrein De Wolfsdonken De gesloopte bebouwing in het plangebied was één van de laatste overblijfselen van De Wolfsdonken. Uit die periode staat alleen het zogenaamde sheddakencomplex in Paleiskwartier, dit pand is beschermd als gemeentelijk monument. De bebouwing, waarin voorheen het Remington-bedrijf was gevestigd, bestond uit één bouwlaag met kenmerkende platte puntdaken. Aan de Onderwijsboulevard was een hoger gedeelte met grote raampartijen gesitueerd. Deze bebouwing was wat betreft architectuur en materiaalgebruik representatief voor De Wolfsdonken. Voor de voormalige bebouwing, waar Remington Randfabriek in was gevestigd, heeft stichting 'sHertogenbossche Monumentenzorg in juni 2016 het college van B&W verzocht het pand te beschermen als gemeentelijk monument. Het college van B&W heeft geconstateerd dat het pand wel cultuurhistorisch van belang was, maar niet zodanig om over te gaan tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. Behoud van het gebouw was in dat opzicht wel wenselijk, maar kon niet als noodzakelijk worden betiteld.
Wel is op basis van het advies van de Monumenten- en Welstandscommissie door het college van B&W uitdrukkelijk gevraagd om de “cultuurhistorie (zowel met betrekking tot het voormalige fabrieksgebouw als het gebied – het eerste ontwikkelde industrieterrein De Wolfsdonken in 's-Hertogenbosch) te betrekken in de planvorming voor herontwikkeling van de locatie. De commissie onderschrijft het door de stichting beargumenteerde cultuurhistorische belang van het gebouw/de locatie voor het gebied". In de nieuwbouw worden kenmerken uit de (cultuur)historie van De Wolfsdonken meegenomen in de uitstraling. De gebouwen zijn ritmisch en modulair opgebouwd, zoals de oude industriële panden van De Wolfsdonken dat ook waren (zie figuur 5.5). Materialen als beton en metselwerk, staal en glas verwijzen naar de historie van het gebied, evenals de gelamineerde houten liggers en stalen spanten vanuit het Remingtongebouw, die worden hergebruikt in het atrium c.q. op het campusterrein. Op deze wijze is in het ontwerp van de nieuwbouw voldoende rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van de planlocatie.
74
Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten 6.1
Algemeen
Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische (bindende) kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting bij de SVBP2012 ook aansluiting gezocht bij de gemeentelijke standaard. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels (zoveel mogelijk) standaard is.